CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Facetherziening buisleiding Hoornaar – MR Reijerscop

Raadsvergadering 2 februari 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Bestemmingsplan Facetherziening Buisleiding Hoornaar - MR Reijerscop25.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.8

Water

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de waterparagraaf.

41/88

Onderzoek In het geohydrologische rapport (Antea Group, d.d. 24 februari 2022, bijlage 11) zijn de lokale geohydrologische situatie, het te verwachten waterbezwaar en de effecten en mogelijke risico's van de bemaling beschouwd. Om constructietechnische‐ en cultuurtechnische redenen dienen de uit te voeren werkzaamheden in droge werkputten en sleuven plaats te vinden. In verband met de heersende grondwaterstanden op de locatie moet daartoe bemaling worden toegepast. Op het tracé Hoornaar bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich overwegend tussen NAP ‐8,0 m à NAP ‐9,5 m en bestaat uit klei en veen. Zeer lokaal komen zandlagen in de holocene deklaag voor. Op het meest noordelijke deel van het tracé bevindt de onderzijde van de deklaag zich op NAP ‐4,0 m à NAP ‐6,1 m. Onder de deklaag is tot een diepte van NAP ‐45 m à NAP ‐60 m het eerste watervoerend pakket aanwezig. Dit watervoerend pakket bestaat overwegend uit grof tot zeer grof zand. Plaatselijk bestaan de bovenste meters van het watervoerend pakket uit (matig) fijn zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Hoornaar varieert overwegend tussen 0,30 m ‐mv en 1,0 m ‐mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket loopt in een GHS vanuit het zuiden richting de Lek op van NAP ‐1,30 m naar NAP +0,70 m vervolgens loopt de stijghoogte noordelijk richting weer af naar NAP ‐1,30 m.

De stijghoogte is in een GLS situatie 0,2 m à 1,2 m lager. Op de delen waar een zandtussenlaag aanwezig is bevindt de stijghoogte in de zandtussenlaag zich tussen de freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket. Op het tracé Utrecht bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich op circa NAP ‐4,0 m en bestaat uit klei en veen. Onder de deklaag is het eerste watervoerend pakket aanwezig. De bovenste meters van dit pakket bestaat uit fijn tot matig grof zand met daaronder grof tot zeer grof zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Utrecht varieert overwegend tussen 1,0 m ‐mv en 2,0 m ‐mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket varieert overwegend tussen NAP ‐0,30 m en NAP ‐0,60 m. Onttrekking Voor de freatische bemaling kan worden volstaan met open bemaling. Om het opbarsten van de putbodems te voorkomen worden in de lokaal aanwezige zandtussenlagen verticale filters voorgesteld. Ten behoeve van de spanningsbemaling in het eerste watervoerend pakket wordt verticale bemaling tot een maximale diepte van 12 m‐mv voorgesteld. Het maximaal berekende waterbezwaar bedraagt 1,8 miljoen m3 (worst case GHS situatie) en het maximale berekende debiet bedraagt 390 m³/uur. De onttrekking vindt plaats in de beheergebieden van waterschap Rivierenland en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Bij beide waterschappen wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. De grondwateronttrekking is vergunningsplichtig en is een m.e.r. beoordeling noodzakelijk.

42/88

Lozing Wanneer het grondwater wordt geloosd op oppervlaktewater in beheer bij Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld het de Lek, wordt de lozingshoeveelheid van 5.000 m³/uur niet overschreden. Er is geen meld‐ of vergunningplicht. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij waterschap Rivierenland wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. Er is bij lozing op deze oppervlaktewaterlichamen een vergunning benodigd. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is uitsluitend de zorgplicht van toepassing. De noodzaak voor een vergunningaanvraag dient te worden overlegd met het hoogheemraadschap. Ten aanzien van de kwaliteit van het lozingswater dient een melding van de lozing in het kader van het Blbi plaats te vinden. Effecten Uit de zettingsberekeningen blijkt dat op het tracé Hoornaar binnen de 1,0 m verlagingscontour (stijghoogte watervoerend pakket) zettingen van 7 à 10 mm zijn te verwachten. Als gevolg van de bemalingen worden verder geen noemenswaardige effecten op de omgeving verwacht. De volgende aanbevelingen worden gedaan:  Uitvoeren m.e.r. beoordeling (zie paragraaf 4.9);  Opstellen monitoringsadvies;  Monitoren stijghoogteverlagingen;  Aanvragen vergunningen voor onttrekken grondwater uit grondwaterbeschermingsgebieden;  Monitoren grondwaterkwaliteit (ijzer, chloride, onopgeloste bestanddelen).

Conclusie De uitwerking van deze maatregelen (indien nodig) dient nog plaats te vinden, maar op basis van kennis en ervaring kan worden gesteld dat het altijd mogelijk is om belangrijke nadelige milieugevolgen in dit kader voldoende te reduceren om te komen tot aanvaardbare milieueffecten en om vergunningverlening mogelijk te maken. Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.9

Vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Volgens het Besluit milieueffectrapportage dient voor activiteiten van onderdeel D te worden bepaald of er ten gevolge van de voorgenomen activiteit sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Afhankelijk van waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is een milieueffect‐rapportage (m.e.r., de procedure) al dan niet nodig en dient er wel of geen MER (milieueffect‐rapport, het document) te worden opgesteld. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. In relatie met aardgastransportleidingen is van belang categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2‐stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën". Er is hier sprake van vormvrije m.e.r.‐beoordeling, omdat de drempelwaarde van 5 kilometer van deze categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.

43/88

Daarnaast is in relatie met de voorgenomen werkzaamheden categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage van belang: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.". Het totale waterbezwaar voor het plan betreft circa 1,7 miljoen m3. Er is hier sprake van m.e.r.‐beoordeling, omdat de drempelwaarde van deze categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage wordt overschreden. De voorgenomen activiteit heeft namelijk betrekking op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. M.e.r.‐plicht is niet aan de orde (categorie C 15.1), omdat de te onttrekken hoeveelheid minder is dan 10 miljoen m3 per jaar. In dit kader is ook beschouwd of de bestemmingsplannen voor de gastransportleidingen kaderstellend zijn voor deze activiteit van het onttrekken van grondwater. In dat geval zou er een Plan‐MER moeten worden opgesteld. Een bestemmingsplan is kaderstellend indien het de basis vormt voor het in kolom 4 genoemde besluit. Dat is in dit geval niet de situatie. De onttrekking van grondwater is een tijdelijke eenmalige activiteit die nodig is om de aanleg van de aardgastransportleiding mogelijk te maken. De bestemmingsplannen (voor elke gemeente één) doen geen uitspraak en stellen geen regels over de aanlegmethode en zijn daarvoor ook niet bedoeld.

Daarom zijn de bestemmingsplannen voor de activiteit onttrekken van grondwater niet kaderstellend. Een Plan‐MER is niet aan de orde. Voorts is van belang dat bij plannen, zoals bestemmingsplannen waarvoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, een Plan‐MER nodig is, tenzij wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van het Besluit milieueffectrapportage. Dat is hier het geval:  Het gaat om een plan waarbij een gemeente het bevoegd gezag is;  De omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente(n) is klein (voor alle zes gemeenten ruim minder dan 0,2%);  Uit de voorliggende m.e.r.‐beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieugevolgen zijn. Ook op basis hiervan is het derhalve niet aan de orde om een plan‐MER op te stellen. De aanmeldingsnotitie ten behoeve van de m.e.r.‐beoordeling (zie bijlage 12) gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu. Op basis van de onderzoeken van de verschillende aspecten kan worden geconcludeerd dat de benodigde (bemalings‐)werkzaamheden en het gebruik van het tracé niet tot waarschijnlijk belangrijke nadelige milieueffecten leiden. Op 13 september 2022 is bij besluit van het college vastgesteld dat geen MER nodig is. De gebundelde besluiten van de gemeentes waarop het tracé betrekking heeft is opgenomen in bijlage 13.

44/88

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de bestemmingsplanvorm, de systematiek en leeswijzer bij de regels en ten slotte de handhaafbaarheid.

5.2

Planvorm

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat geheel uit een dubbelbestemming, zonder enkelbestemmingen. Hiervoor is gekozen, omdat enkel de gasleiding wordt mogelijk gemaakt. De andere functies in het gebied blijven hetzelfde. Het opnemen van de enkelbestemmingen zou in dat geval misleidend zijn, omdat dat niet is waar dit bestemmingsplan om gaat. Dit voorliggende bestemmingsplan vormt een ‘facetherziening’. Dat houdt in dat de bestemmingsplannen die onder het plangebied van voorliggend bestemmingsplan liggen, geldend blijven en niet worden vervangen door dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan komt er als het ware ‘overheen’ te liggen.

5.3

Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Hoofdstuk 2 geeft de planregels behorende bij de in het plangebied voorkomende dubbelbestemming. Hoofdstuk 3 bevat de algemene, voor het gehele plangebied geldende, bepalingen en hoofdstuk 4 bevat tot slot de overgangsregels en slotregel. Toepassingsregels In de planregels van het bestemmingsplan zijn de planregels van de onderliggende geldende bestemmingsplannen opnieuw van toepassing verklaard. Alle (onderliggende) bestemmingen zijn en blijven daarmee nog steeds van kracht. Dubbelbestemming Leiding ‐ Gas Het gehele plangebied bestaat uit de dubbelbestemming Leiding – Gas. Voor deze bestemming is bepaald dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht. Hiernaast is een vergunningenstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding. Deze twee bepalingen zijn voorgeschreven in artikel 14, lid 2, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

45/88

Tevens is in dit artikel, in het eerste lid, voorgeschreven dat een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding, in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Deze belemmeringenstrook moet minimaal 5 meter aan weerzijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, bedragen. In het voorliggende bestemmingsplan is deze belemmeringenstrook dan ook aangehouden en deze strook vormt de breedte van het plangebied.

46/88

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Naast de planologische haalbaarheid van het project zoals getoetst in voorgaand hoofdstuk, zal ook de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project moeten worden aangetoond.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De aanleg van de nieuwe leiding (horizontaal gestuurde boring) en de aansluitingen van de leiding worden aanbesteed. GTS heeft voor het project een raming opgesteld. GTS is zowel financieel als organisatorisch verantwoordelijk voor het project en ook het beheer van de leiding. De kosten van het gehele project komen volledig voor rekening van GTS. GTS is in staat om de werkzaamheden geheel uit eigen middelen te financieren. De economische uitvoerbaarheid is daarmee afdoende gewaarborgd. Voor wat betreft eventuele planschade die derden kunnen ondervinden als gevolg van de aanleg en aanwezigheid van de nieuwe leiding zal GTS een standaardovereenkomst met de gemeente afsluiten. Daarnaast heeft GTS met de zakelijk gerechtigden in de algemene voorwaarden een schadevergoedingsregeling opgenomen.

6.2

Grondexploitatie

In het besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels opgenomen over grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. De aanleg van een leiding worden echter niet als een dergelijk bouwplan aangemerkt. Op grond van het Bro behoeft daarom geen exploitatieplan te worden opgesteld.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties. Er is vooroverleg gevoerd met de provincie Utrecht. Naar aanleiding van het overleg met de provincie Utrecht is paragraaf 3.2 aangepast en uitgebreid met betrekking tot het grondwaterbeschermingsgebied. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode was het voor eenieder mogelijk om mondeling of schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. In deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen. Ambtshalve wijziging Vanwege optimalisatie van het ontwerp zijn er enkele (minimale) wijzigingen van de ligging van de gastransportleiding en het plangebied doorgevoerd.

47/88

Vaststelling Vervolgens stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

48/88

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Archeologisch bureau‐ en veldonderzoek

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht, gemeente IJsselstein

projectnummer 455773 revisie 0C 10 maart 2022

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht, gemeente IJsselstein projectnummer 455773 documentnummer 455773-ARC-BO+IVO-003 revisie 0C 10 maart 2022

Auteurs R.L. Fens I. Fleuren V. Van Looveren C.I. Nater

Opdrachtgever N.V. Nederlandse Gasunie Concourslaan 17 9727 KC GRONINGEN

datum vrijgave 10-03-2022

beschrijving revisie 0C concept

gecontroleerd A.J. Brokke

vrijgave R.S. Raap

Inhoudsopgave

Blz.

Samenvatting

3

1

Inleiding

5

2

Bureauonderzoek

7

2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4

Beschrijving onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Huidig en toekomstig gebruik Archeologisch beleid en regelgeving Landschappelijke situatie Historische situatie Mogelijke verstoringen Bekende waarden Archeologische waarden Ondergrondse bouwhistorische waarden Archeologische verwachting Bestaande verwachtingskaarten Gespecificeerde archeologische verwachting Conclusies en advies voor vervolgonderzoek

7 7 7 9 9 15 18 18 18 21 21 21 22 24

3

Veldonderzoek

25

3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.1.1

25 25 27 28

3.3.1.2 3.3.1.3 3.3.2

Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Bodem, lithologie en interpretatie Boringen 704 en 1675-1678: stroomgordels (Neder-Oudland, IJsselveld-Schuurenburg en / of Lampsin stroomgordel) Komgebied en stroomgordel van Lampsin: boringen 681-703 en 1679-1684 Boringen 1601-1655: Stroomgordel van Stuivenberg (stroomgordel-ID 161; 3960-3180 BP) Archeologie

4

Conclusies en advies

35

4.1 4.2

Conclusies (Selectie)advies

35 39

28 29 31 34

Literatuur en geraadpleegde bronnen

42

Lijst van afbeeldingen en bijlagen

44

Bijlagen 1 2 3

Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen en raaiprofiel

Kaartbijlagen 455773-ARCHIS 455773-ARO

Gegevens uit ARCHIS Situatiekaarten met ligging boorpunten

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem

455773 4724482100 Utrecht IJsselstein IJsselstein Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht

Kaartblad 31-O en 38-O Coördinaten N 128231 / 451702 Z 127848 / 449075 Opdrachtgever N.V. Nederlandse Gasunie Uitvoerder Antea Group Datum uitvoering maart - juni 2021, december 2021 Projectteam J.A. Kruse (projectleider) C.I. Nater (senior KNA-archeoloog) V. Van Looveren (KNA-archeoloog) R. Fens (senior KNA-archeoloog, senior KNA-prospector) I. Fleuren (archeoloog) Vrijgave conform KNA A.J. Brokke (senior KNA-archeoloog, senior KNA-prospector) Bevoegd gezag Gemeente IJsselstein Deskundige Bevoegd gezag Omgevingsdienst regio Utrecht Beheer documentatie Antea Group

Afbeelding 1. De ligging van het plangebied in de gemeente IJsselstein. (Bron: Esri & partners.)

Blad 1 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 2. Overzichtskaart met de ligging van het tracé Utrecht - Lage Weide en het tracé Hoornaar – Reijerscop. (Bron: Esri & partners.)

Blad 2 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Samenvatting In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft Antea Group in juli-december 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd gevolgd door een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in de periode maart en december 2021 voor het tracé van twee gastransportleidingen. Het gaat om een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van het nieuw aan te leggen tracé HoornaarReijerscop is in afbeelding 2 weergegeven. Het plangebied loopt door zes verschillende gemeentes: Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden. Dit rapport heeft alleen betrekking op het gedeelte van het tracé dat gelegen is binnen de gemeente IJsselstein (afbeelding 1). Conclusies bureauonderzoek Op de locaties waar het tracé de stroomgordels kruist kunnen op de oeverwal- en crevasseafzettingen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode vanaf het ontstaan van de betreffende stroomgordel tot het inactief worden. Wat betreft de Jutphaas-stroomgordel kunnen archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd verwacht worden.

Voor de stroomgordel van Neder-Oudland is er een verwachting op mogelijk ijzertijd en voor Romeinse tijd en middeleeuwen. De stroomgordel IJsselveld-Schuurenburg kan archeologische resten uit de ijzertijd, maar vooral uit de Romeinse tijd en middeleeuwen bevatten. De Stuivenbergstroomgordel was vooral in de Romeinse tijd aantrekkelijk als vestigingsplaats. Op niet door de Hollandse IJssel geërodeerde delen van de afzettingen van Lampsin en Jutphaas kunnen mogelijk archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd aanwezig zijn. De stroomgordel van Buitenzorg kan mogelijk archeologische resten uit het neolithicum tot en met ijzertijd opleveren. Op de Willeskop-stroomgordel kunnen mogelijk archeologische resten uit het neolithicum tot en met Romeinse tijd aangetroffen worden. Aan de Achtersloot heeft in de middeleeuwen of nieuwe tijd mogelijk bebouwing gestaan in het onderbroken bewoningslint, al is op historische kaarten hiervan niets zichtbaar. Ten zuiden van de Oude Wetering kunnen resten worden aangetroffen van de eendenkooi die op de kaart uit 1738 is weergegeven. De eendenkooi wordt in het huidige plan voor de uitvoering niet doorsneden. In de rest van het plangebied worden op basis van de historische kaarten geen resten uit de nieuwe tijd verwacht.

Conclusies veldonderzoek Het plangebied bevindt zich grotendeels in een relatief laaggelegen komgebied dat omringd wordt door verschillende hoger gelegen stroomgordels. Deze stroomgordels zijn prominent aanwezig in het landschap en duidelijk te zien op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN; afbeelding 13). Binnen het plangebied zijn mogelijke afzettingen behorende bij de NederOudland (ID 115; 4455-3950 BP), IJsselveld-Schuurenburg (ID 76; 3200-2715 BP), Lampsin (43653100 BP )en Stuivenberg (3960-3180 BP) stroomgordels aangetroffen. Het oeverwal(achtige) pakket bestaat over het algemeen uit sterk siltige en matig tot sterk zandige klei met zandlagen. Verder is de laag zwak tot matig roesthoudend en in de meeste gevallen matig slap tot matig stevig. Het beddingzand bestaat over het algemeen uit zeer grof tot zeer fijn en zwak tot matig siltig zand. Deze afzettingen vertonen over het algemeen geen of zwakke rijpingskenmerken. In het noordelijke gedeelte van het plangebied (boringen 1674-1678 en 704) zijn archeologische indicatoren (baksteenspikkels) aangetroffen in een half gerijpte top van een mogelijke restgeul of oeverwal, en ook (tot in grotere diepte) in de stijve komklei van meerdere boringen.

Blad 3 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Ter hoogte van boringen 1625-1642 zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel betreft het een cluster waarbij in de meeste boringen stevige vegetatiehorizonten zijn aangetroffen in de komklei of op oeverwal(achtige) afzettingen. Deze zone bevindt zich direct aan de rand van en midden op de stroomrug van Stuivenberg, waardoor de kans op het aantreffen van archeologische resten in deze zone als verhoogd wordt ingeschat. Daarnaast zal de bodem ter plaatse van de zuidelijke rand van de stroomrug in verband met de realisatie van een werkterrein tot op grotere diepte worden verstoord dan de overige delen van het plangebied. Volgens het huidige, definitieve ontwerp van het werkterrein (d.d. november 2021) vinden ter plaatse van boringen 1637-1655 géén grondroerende werkzaamheden plaats. Selectieadvies Aanbevolen wordt om de werkzaamheden ter plaatse van boring 1675-1679 en 704 (omvang advieszone 10.800 m2, afbeelding 18), en ter plaatse van boringen 1625-1636 (omvang advieszone 5600 m2, afbeelding 19) archeologisch te laten begeleiden. Op beide locaties kunnen binnen de 0,4 m -mv archeologische waarden in de ondergrond worden aangetroffen. Op beide plaatsen is een HDD-put gepland, zodat bodemverstoringen hier aan de orde zijn.

Voor het omliggende werkterrein geldt dat bodemverstoring kan worden ontzien, door niet dieper dan de teelaarde 0,4 m -mv te verstoren (bijvoorbeeld door de aanleg van een tijdelijk stabiliserend dek). Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn, dient op het werkterrein een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Een archeologische proefsleuvenonderzoek (conform BRL4000 protocol 4003) of begeleiding (conform BRL4000 protocol 4004) vindt plaats onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (opgesteld conform BRL4000, protocol 4001). De attentiezone ter plaatse van de gedempte eendenkooi is door planaanpassing effectief beschermd (afbeelding 20). Daarnaast adviseren wij de overige locaties vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Dit rapport en de adviezen hierin dienen ter beoordeling te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid. Zij zal, op voorspraak van haar adviseur, op basis hiervan overgaan tot een selectiebesluit. Revisie 0A van dit rapport is voorgelegd aan en beoordeeld namens de gemeente Montfoort door de Omgevingsdienst Regio Utrecht als onderdeel van een MER-beoordeling. In de onderhavige revisie zijn de ontvangen op- en aanmerkingen verwerkt.

De onderhavige rapportage (in revisie 0B) dient wederom aan de gemeente te worden voorgelegd voor een tweede beoordeling, mede omdat aan deze revisie ook nieuwe onderzoeksgebieden zijn toegevoegd. Meldingsplicht Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

Blad 4 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

1

Inleiding In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft Antea Group in juli-december 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd gevolgd door een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in de periode maart en december 2021 voor het tracé van twee gastransportleidingen. Het gaat om een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van het nieuw aan te leggen tracé HoornaarReijerscop is in afbeelding 2 weergegeven. Het plangebied loopt door zes verschillende gemeentes: Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden. Dit rapport heeft alleen betrekking op het gedeelte van het tracé dat gelegen is binnen de gemeente IJsselstein (afbeelding 1). Dit rapport en het uitgevoerde onderzoek is bijgewerkt naar het ontwerp-tracé van 22 oktober 2021 en de werkterreinindeling van 11 november 2021. Het bureauonderzoek is in eerste instantie separaat gerapporteerd, maar is in dit rapport integraal opgenomen als hoofdstuk 2. Het is bijgewerkt naar het huidige tracé-ontwerp (22 oktober 2021) en werkterreinindeling (11 november 2021). Eerdere uitgangspunten uit het tracéontwerp van 2019, januari 2021 en maart 2021 vervallen.

De nieuwe uitgangspunten bij het ontwerp van 22 oktober 2021 zijn verwoord in paragraaf 2.1.2. In revisie 0A uit juni 2021 is in het selectieadvies het voorbehoud gemaakt dat mocht zich een tracéwijziging voordoen, het veldonderzoek op basis daarvan weer dekkend diende te worden gemaakt. Dit aanvullend booronderzoek is uitgevoerd in december 2021, naar aanleiding van het tracéontwerp en werkterreinindeling van oktober / november 2021. Revisie 0A van dit rapport is voorgelegd aan en beoordeeld namens de gemeente Montfoort door de Omgevingsdienst Regio Utrecht als onderdeel van een MER-beoordeling. In de onderhavige revisie zijn de ontvangen op- en aanmerkingen verwerkt. De onderhavige rapportage (in revisie 0B) dient wederom aan de gemeente te worden voorgelegd voor een tweede beoordeling, mede omdat aan deze revisie ook nieuwe onderzoeksgebieden zijn toegevoegd. Het plangebied is onderzoeksplichtig conform het beleid van de gemeente IJsselstein (zie paragraaf 2.1.3). Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2).

Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie.

Blad 5 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Een karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Certificering Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen, 4001 (programma van eisen), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).

Blad 6 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2

Bureauonderzoek

2.1

Beschrijving onderzoekslocatie

2.1.1

Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het is van belang een onderscheid te maken tussen plangebied enerzijds en onderzoeksgebied anderzijds. Met plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de in de inleiding genoemde plannen en/of werkzaamheden betrekking hebben. Voor dit plangebied wordt in de regel ook de ruimtelijke procedure gevoerd waarvan dit archeologisch onderzoek een onderdeel is. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verstoord worden. Het totale plangebied betreft een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van het nieuw aan te leggen tracé HoornaarReijerscop is in afbeelding 2 weergegeven. Voor deze revisie van het bureauonderzoek is het tracé-ontwerp van oktober 2021 aangehouden. In dit ontwerp bestaat de aanleg in de gemeente IJsselstein opgeteld uit 395 m en de aanleg in de vorm van HDD-boringen over een afstand van 2345 m. De omvang van het benodigde werkterrein is circa 6,9 ha.1 Het plangebied van het onderhavige onderzoek loopt van de Zuid-IJsseldijk/Achtersloot in het noorden in zuidwaardse richting naar de Nieuwe Wetering / Noordzijdse Kadewetering (ten westen van de Stuivenbergweg).

Het onderzoeksgebied is groter dan het plangebied en beslaat een zone van circa 100 m aan weerszijden van het plangebied (tracé en werkterrein). Binnen deze zone liggende archeologische onderzoeken en vondstmeldingen worden in dit rapport meegenomen.

2.1.2

Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het gebied is momenteel in gebruik als akker- en weiland. Ook is er sprake van enkele boerderijen binnen het plangebied (afbeelding 3). Consequenties toekomstig gebruik De aan te leggen leiding betreft een DN300 (buis van 300 mm binnendoorsnede) en wordt deels in open ontgraving (veldstrekking) aangelegd. Ter plaatse van de veldstrekkingen wordt onder talud een sleuf aangelegd met een breedte van 0,6 m op putbodem en een diepte van 2,0 m. Om de 200 m veldstrekking en aan weerskanten van sloten op de veldstrekking komt een lasput van 2,5 bij 2,5 m (putbodem) en 2,5 m diep. Bij de aanleg in open ontgraving ligt de leidingsleuf binnen een werkstrook van 30 m breed. Voor de werkstrook vindt een ontgraving van de bovengrond plaats en na afloop van de werkzaamheden zal de strook inclusief de leidingsleuf cultuurtechnisch worden opgeleverd. Dit zal onder normale omstandigheden een bodemverstoring van maximaal 0,7 m -mv geven.

1

Kengetallen op basis van de tracéontwerp van 22 oktober 2021 en de werkterreinindeling van 11 november 2021.

Blad 7 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Het grootste deel van de aanleg van de transportleiding gebeurt niet in open ontgraving, maar in de vorm van ondergronds gestuurde boringen (HDD-boringen, sleufloze techniek). De HDDboringen worden aangelegd op werkterreinen met een omvang van gemiddeld circa 80 bij 80 m (6400 m2). Aan het maaiveld van de geprojecteerde HDD-leidingen wordt in veel gevallen nog wel een werkterrein aangelegd. Deze is bestemd als rijbaan om de HDD-werkterreinen te bereiken en als strook voor het uitleggen van de te boren leidingsegmenten. Ook voor dit werkterrein wordt uitgegaan van een breedte van 30 m, waarbij cultuurtechnisch herstel tot 0,7 m -mv plaatsvindt. De omvang van de te boren transportbuizen kunnen in de bodem schade aan eventuele archeologische resten toebrengen. De schade is aan de bodem betreft de omvang van de boorkop (net iets groter dan de diameter van de buis). Deze schade is relatief beperkt als dit wordt vergeleken met de omvang van het grondverzet in open ontgraving (leidingsleuf vanaf maaiveld tot 2,5 m diep). Er is niet op een effectieve wijze te onderzoeken welke schade bij sleufloze aanleg precies optreedt. Wel is te beredeneren dat deze schade kleiner is dan de aanleg in open ontgraving. Ten opzichte van open ontgraving is een HDD-boring derhalve verkiesbaar. In het licht van bovenstaande wordt vervolgonderzoek voor HDD boringen niet realistisch geacht.

Lengte aanleg totaal Lengte veldstrekking Lengte HDD Oppervlakte werkterrein totaal

2740 m 395 m 2345 m 6,9 ha

Afbeelding 3. De locatie van het plangebied op een recente luchtfoto. (Bron: Esri & partners.)

Blad 8 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.1.3

Archeologisch beleid en regelgeving Het plangebied valt volledig binnen het bestemmingsplan Landelijk Gebied noord en zuid (vastgesteld 17-12-2015).2 Hierbinnen zijn verschillende beleidsregels voor archeologie van toepassing:  gebiedsaanduiding: overige zone – archeologisch waardevol gebied – 3: onderzoeksplichtig bij bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte vanaf 10.000 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m –mv;  dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 3: onderzoeksplichtig bij bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte vanaf 100 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m – mv. De geplande bodemingrepen overschrijden deze vrijstellingsgrenzen en zijn derhalve onderzoeksplichtig. Het gemeentelijk beleid aan de hand van bestaande verwachtingskaarten wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3.1.

2.1.4

Landschappelijke situatie De archeologische verwachting volgt voor een groot gedeelte uit de opbouw van het landschap. De verspreiding van archeologische vindplaatsen heeft namelijk een duidelijk verband met de landschappelijke gesteldheid. Geologie en landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied. In dit gebied bestaat de ondergrond uit fluviatiele afzettingen die zijn gevormd gedurende het Laat-Weichselien (de laatste ijstijd) en het Holoceen - de huidige warmere periode. In het oostelijke gedeelte van het rivierengebied zijn de Holocene afzettingen plaatselijk 1,5 m dik, terwijl deze in westelijke richting kunnen toenemen tot een dikte van circa 20 m nabij de Nederlandse kust. In de ondergrond komen daarnaast ook afzettingen van de Pleistocene voorlopers van de Maas en de Rijn voor. Gedurende de koudste periodes van de Pleistocene ijstijden hadden de rivieren een brede bedding met daarin meerdere smalle geulen die in een vlechtend patroon met elkaar waren verbonden. Het sediment dat door de rivieren werd afgevoerd, bestond voornamelijk uit grof zand en grind. Tijdens de warmere zomermaanden hadden de rivieren grote piekafvoeren van smeltwater, gedurende de wintermaanden lagen de beddingen grotendeels droog.

In 2021 is er een partiële herziening van het bestemmingsplan ontwikkeld waarin staat: ‘Het huidige archeologiebeleid in het bestemmingsplan Landelijk gebied noord en zuid van de gemeente IJsselstein is niet volledig in overeenstemming met de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) van de provincie Utrecht en het gemeentelijk archeologiebeleid. In het bestemmingsplan is namelijk opgenomen dat gronden gelegen binnen bouwvlakken niet vallen binnen de beschermende werking betreffende archeologie. Dit is niet in overstemming met de PRV en het gemeentelijk archeologiebeleid. Gelet hierop dient het bestemmingsplan Landelijk gebied noord en zuid aangepast te worden. Tevens worden bouwbepalingen ten aanzien van de archeologische bescherming toegevoegd en worden 'aanduidingen' beleidsneutraal omgezet in een 'dubbelbestemming'’ en ‘Voorliggend bestemmingsplan is een partiële herziening, hetgeen inhoudt dat slechts enkele regels van het bestemmingsplan Landelijk gebied noord en zuid worden herzien en op de verbeelding worden 'aanduidingen' omgezet in een 'dubbelbestemming'. De overige regels en de verbeelding van het geldende bestemmingsplan blijven onverkort van kracht.’ Met betrekking tot het uitgevoerde booronderzoek (hoofdstuk 3) zijn in deze partiële herziening de volgende hernieuwde dubbelbestemmingen opgenomen: Waarde- Archeologie 3 en Waarde- Archeologie 6.

Ten behoeve van deze dubbelbestemmingen mogen enkel bouwwerken geen gebouw zijnde worden gebouwd met een maximale oppervlakte van 100 m2 respectievelijk 10 ha en ondieper dan 30 cm (zonder heiwerk). 2

Blad 9 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

De vlechtende rivierafzettingen uit het Weichselien worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. De Holocene afzettingen van het rivierengebied worden gerekend tot de Echteld Formatie. Holocene afzettingen in het rivierengebied zijn fluviatiel van aard, dat wil zeggen dat bodemmateriaal, in de vorm van zand, zavel en klei, door rivieren is aangevoerd en afgezet. De fysische geografie in dit rivierengebied laat zich grofweg onderverdelen in vier kenmerkende elementen: stroomgordels, fossiele stroomruggen, crevasses en komgebieden. Een stroomgordel omvat naast de watervoerende rivierbedding van een actieve rivier ook beddingafzettingen bestaande uit (grof) zand en grind en oeverafzettingen die voornamelijk uit lichte klei en zavel bestaan. In de binnenbochten van de rivierbedding vindt continu sedimentatie plaats en in de buitenbochten wordt juist materiaal geërodeerd. Langs de oevers wordt alleen materiaal afgezet bij hoogwater, voornamelijk tijdens het winterhalfjaar. Op den duur worden door deze oeverafzettingen zogenaamde oeverwallen gevormd, een soort natuurlijke dijken. Net als dijken kunnen oeverwallen bij hoogwater doorbreken of overstroomd worden. Bij een dergelijke oeverwaldoorbraak stroomt het rivierwater het lagergelegen komgebied in.

Hierbij kan tot op enkele honderden meters achter de oeverwal een pakket aan bodemmateriaal van gevarieerde sortering worden afgezet. Zo'n pakket wordt een crevasse genoemd. Een fossiele stroomgordel is een niet meer actieve rivier die is afgedekt met sedimenten van jongere stroomgordels. Tussen de actieve en fossiele stroomruggen liggen de komgebieden die lager liggen dan de actieve (en fossiele) stroomruggen. De sedimentatie in de komgebieden bestaat uit zware klei, afgezet door rivierwater van buiten de oevers getreden rivieren. Er kan door vernatting in de kommen ook veenvorming plaatsvinden. Fossiele stroomruggen kunnen in de loop der tijd door opeenvolgende pakketten klei- en veenafzettingen afgedekt raken. Sinds het begin van de bedijking van rivieren, waar men mogelijk al in de 10e eeuw na Chr. mee begon en wat een systematisch proces werd vanaf de 13e eeuw, is de dynamiek van rivieren vergaand ingeperkt; overstromingen waarbij klei in de komgebieden wordt gesedimenteerd en verlegging van een gehele stroomgordel vinden hierdoor niet meer plaats. Wel kan de bedding zich binnen de ruimte tussen de dijken nog enigszins verleggen, maar het meanderende karakter van de rivieren is niet meer aanwezig. Gedurende het Holoceen zijn er verschillende perioden geweest met sterke accumulatie van sediment, gevolgd door perioden waarin veel minder sedimentatie optrad.

Tijdens de laatstgenoemde perioden nam de begroeiing toe en ontstonden in de komgebieden donkergekleurde vegetatiehorizonten (laklagen). In dergelijke lagen kunnen archeologische resten voorkomen, omdat zij oude oppervlakken vertegenwoordigen. Komgebieden waren over het algemeen echter laaggelegen en nat en dus niet geschikt voor bewoning of bewerking. Door natuurlijke ophoging en differentiële klink, waarbij de kleiafzettingen in het komkleigebied meer inklinken dan de zanden en zavels in het stroomruggebied, kwam de oude stroomgordel als een hoger liggende rug in het omringende landschap te liggen. Uit archeologisch oogpunt zijn dergelijke ruggen zeer interessante locaties. Oevers zijn van oudsher een vestigingsplaats geweest voor mensen vanwege hun hogere ligging in het landschap en de aanwezigheid van stromend water in de directe omgeving. De kans op het aantreffen van archeologische resten is op de stroomruggen dan ook veel groter dan in de lager gelegen kommen.

Blad 10 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

rivierkomvlakte

rivierkom en oeverwalachtige vlakte

stroomrug

Afbeelding 4. De locatie van het plangebied op de geomorfologische kaart (bron: Stiboka).

Geomorfologie en AHN Op de geomorfologische kaart (afbeelding 4) is te zien dat het plangebied loopt door een stroomrug, rivierkom en rivierkomvlakte. Zoals hiervoor al aangegeven vormen deze geomorfologische eenheden een belangrijk verschil in archeologische verwachtingswaarde. De rivierkom(vlakte) heeft een lage verwachtingswaarde, de stroomruggen een middelhoge tot hoge. Deze stroomruggen zijn ook op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; afbeelding 5) goed herkenbaar als hogere delen in het landschap. Ze liggen tot ongeveer een halve meter hoger dan de rivierkomvlaktes.

Blad 11 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 5. De locatie van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Legenda: van rood (hoog) naar groen en blauw (laag). (Bron ahn.nl/ahnviewer)

Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart (afbeelding 6) bevindt het plangebied zich voornamelijk op kalkhoudende drechtvaaggronden en poldervaaggronden. Drechtvaaggronden worden gekenmerkt door een kleidek van 40 tot 80 cm dikte, met daaronder een veenpakket van ten minste 40 cm dik. Het verschil met poldervaaggronden is dat daarin geen veen voorkomt binnen de eerste 80 cm. Voor de stroomruggen en de omgeving daarvan gelden de grondwatertrappen III, V en VI, terwijl voor de komgebieden grondwatertrap II geldt.

Blad 12 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 6. De locatie van het plangebied op de bodemkaart. (Bron: Stiboka /Alterra Wageningen.)

Stroomgordelkaart Op de stroomgordelkaart van Cohen en Stouthamer (afbeelding 7) is te zien dat het tracé in de gemeente IJsselstein door verschillende stroomgordelsystemen loopt, welke ook op de geomorfologische kaart aangeduid staan en te zien zijn op het AHN. Deze stroomgordelsystemen zijn het gevolg van verschillende opeenvolgende meanderede rivieren die elkaars beddingen hier en daar gekruisd (en afgedekt en/of mogelijk (deels) geërodeerd) hebben.3 Het betreft hier de stroomgordel van Lampsin+Jutphaas (stroomgordel-ID. 359; 4455-665 BP), de stroomgordel van Hollandse IJssel boven 2 (stroomgordel-ID 362; 2514-665 BP), de stroomgordel van NederOudland (stroomgordel-ID 115; 4455-3950 BP), de stroomgordel van Lampsin (stroomgordel-ID 87; 4365-3100 BP), de stroomgordel van IJsselveld-Schuurenburg (stroomgordel-ID 76; 32002715 BP), de stroomgordel van Stuivenberg (stroomgordel-ID 161; 3960-3180 BP), de stroomgordel van Buitenzorg (stroomgordel-ID 33; 4900-4455 BP) en de stroomgordel van Willeskop (stroomgordel-ID 187; 6950-6300 BP).

Op de geomorfologische kaart en op het AHN is bijgevolg vaak enkel de aanwezigheid van de stroomgordels vast te stellen omdat er, doordat de beddingen vlak tegen elkaar liggen of elkaar kruisen, niet altijd een onderscheid gemaakt kan worden tussen de verschillende stroomgordelsystemen. 3

Blad 13 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 7. De locatie van het plangebied (rood met blauw) op de stroomgordelkaart. (Bron: Cohen en Stouthamer, 2012).

Naam Stroomgordel

Nummer Hoogste zand diepte Archeologische periode (Cohen 2012) (m +/-NAP) Lampsin+Jutphaas 359 onbekend4 onbekend5 Neder-Oudland 115 -0,3 – 0,0 ijzertijd - middeleeuws IJsselveld -Schuurenburg 76 -0,2 - -1,2 ijzertijd - middeleeuws Stuivenberg 161 -0,2 - -0,8 romeins Lampsin 87 -0,4 – 0,0 onbekend Hollandse IJssel6 68 / 356 / 362 2,1 – 1,6 middeleeuws Buitenzorg 33 -1,1 - -1,4 onbekend Willeskop 187 -4,0 - -6,4 onbekend Tabel 1. Stroomgordels binnen het plangebied met hoogste ligging en archeologische vindplaatsen.

Voor de Jutphaas-stroomgordel is dit 1,7m +NAP - 0,6m –NAP; voor de Lampsin-stroomgordel is dit -0,4 – 0,0. Voor de Jutphaas-stroomgordel is dit neolithicum - romeins; voor de Lampsin-stroomgordel is dit onbekend. 6 verschillende nummers voor hoofdstroomgordel en de Hollandse IJssel Boven en Boven 2. (zanddiepte horende bij nummer 68, onbekend voor de andere nummers.; Archeologie enkel aangemerkt bij nummer 68) 4 5

Blad 14 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.1.5

Historische situatie Het noordelijke gedeelte van het plangebied is gelegen in de niet afgegraven uiterwaarden van de Hollandse IJssel. Het kaartmateriaal laat echter geen bebouwing zien in deze zone. Verder is het plangebied gelegen in de polders Broek en Lage Biezen. Goed zichtbaar op de historische kaarten is de strokenverkaveling, aan de noordkant in met een noord-zuid-oriëntatie, en vanaf de Oude Wetering haaks daarop. Op de kaart van Hattinga (1770) naar Adan (1738) is te zien dat in dit gebied een aantal eendenkooien en molens te zien.7 Ten hoogte van perceel 148 in het noorden en perceel 10 in het zuiden doorsnijdt het tracé een eendenkooi. Op deze locaties zullen de werkzaamheden door middel van gestuurde boringen (en dus niet in open ontgraving) plaatsvinden. Ook zal er op deze locaties in het huidige ontwerp voor de werkstroken geen bovengrondse activiteiten plaatsvinden. Op de kaart van 1850 (afbeelding 10) is te zien dat de zuidelijke eendenkooi reeds gedempt is. De noordelijke eendenkooi is pas op de kaart uit 1965 niet meer te zien (afbeelding 12). Verder is er een aantal molens afgebeeld op de kaart. Deze molens zijn echter niet in de buurt van het tracé gelegen (afbeelding 9).8 Ook op de latere historische kaarten is te zien dat er, afgezien van de lintbebouwing langs de Achtersloot in het noorden, geen bebouwing in of nabij het plangebied aanwezig is.

Een onderbroken lintbebouwing is ook weergegeven op de kadastrale minuutplannen uit 1811-1832 en betreft dan zowel de noord- als de zuidzijde van de Agterslooter Dijk. Het plangebied is op deze kaart géén bebouwing aanwezig (afbeelding 8). Ook op de kaart van Hattinga (situatie 1738/1770; afbeelding 9) is er geen bebouwing aanwezig ter plaatse van het werkterrein aan de Achtersloot.

Afbeelding 8. Uitsnede uit het kadastraal minuutplan circa 1832 ter plaatse van de Achtersloot te Knollemanshoek, met weergave van het werkterrein (bij benadering) in gele cirkel (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Er is geen bebouwing aanwezig. De percelen (aangeduid 7 en 8) waren in gebruik als bouwland.

7 8

https://hetutrechtsarchief.nl. Ook in de molendatabase zijn geen molens in of nabij het plangebied aanwezig (www.molendatabase.nl).

Blad 15 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 9. Het plangebied (bij benadering; tracélijn magenta, HDD in zwart, werkterrein geel) op de kaart van de baronie IJsselstein (kaart uit 1770 door D.W.C. Hattinga naar P.J. Adan 1738). (Bron: hetutrechtsarchief.nl.)

Blad 16 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 10. De locatie van het plangebied op de topografische en militaire kaart uit 1850. (Bron: Esri & partners.)

Afbeelding 11. De locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1890. (Bron: Esri & partners.)

Blad 17 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 12. De locatie van het plangebied op de topografische kaart uit 1965. (Bron: Esri & partners.)

2.1.6

Mogelijke verstoringen Het tracé loopt door weiland en akkerland. Mogelijk is verstoringen van de bovenste bodemlagen opgetreden door grondbewerking. In Bodemloket9 zijn geen gegevens bekend over uitgevoerde (grootschalige) saneringen of bodemonderzoek in het plangebied. De lithologische/geologische boorprofielen uit TNO’s dinoloket10 zijn onvoldoende dicht en niet specifiek genoeg om uitspraken te kunnen doen omtrent archeologische verwachting en mate van verstoring van de bodem.

2.2

Bekende waarden

2.2.1

Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 100 m rondom het plangebied opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 455773–ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen AMK-terreinen. 9

www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl

10

Blad 18 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken en archeologische waarnemingen Binnen het onderzoeksgebied zijn geen archeologische waarnemingen aanwezig. In de wijdere omgeving binnen de gemeente IJsselstein zijn veel vondstmeldingen gelieerd aan de stroomgordels in het gebied, o.a. de Jutphaas en de Neder-Oudland stroomgordel (ID-78 en ID-115). OM-nummer 3035697100 betreft een waarneming nabij de boorlocatie 1679-1984. Het betreft een voormalig AMK-terrein. Volgens de oude beschrijving betreft het een terrein met sporen van bewoning uit de late ijzertijd – Romeinse tijd. Bij het graven van een sloot langs de weg is handgevormd aardewerk uit deze periode aangetroffen (mondelinge mededeling).11 OM-nummer 2459900100 betreft een archeologisch bureauonderzoek, wat de gehele Gekanaliseerde Hollandse IJssel van Nieuwegein naar Gouda beslaat. Hieruit bleek dat in de rivierbodem in principe archeologische resten vanaf de late middeleeuwen aanwezig kunnen zijn, hoewel waarnemingen in die richting ontbreken. De verwachting is daarom toch als laag beoordeeld. Er is geadviseerd tot passieve archeologische begeleiding.12 De archeologische begeleiding van baggerwerkzaamheden met OM-nummer 4568403100 vormt het vervolgonderzoek op het bureauonderzoek. Hierbij is een helm van de Nederlandse Landmacht gevonden die dateert uit de periode 1927-1933.

Overige archeologische vondsten zijn niet gedaan.13 OM-nummer 2373310100 (langs de Achtersloot) betreft een booronderzoek waarbij op een diepte variërend van 0,7 tot 1,55 m –mv een pakket oeverafzettingen is aangetroffen, onder een omgewerkte bouwvoor. Een archeologische laag is niet aangetroffen, waarop geadviseerd is tot vrijgave.14 Ook het onderzoek met OM-nummer 4005030100 resulteerde in een advies tot vrijgave, vanwege de aanwezige recente verstoringen en afwezigheid van noemenswaardige archeologische resten.15 OM-nummer 2431299100 betreft een booronderzoek, waarbij geen archeologische indicatoren bij aangetroffen, maar er is wel een mogelijke demping van een eendenkooi aangetroffen. Deze is volgens het besluit van de gemeente behoudenswaardig.16 Deze ligt in de zuidoostelijke hoek van dat plangebied, en valt binnen onderhavig plangebied. Dit is ook de eendenkooi die op de historische kaarten is weergegeven. Verder zijn er bij een vijftal boerderijen aan de Stuivenbergweg reeds verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Zaakid. 2257181100 betreft een booronderzoek uitgevoerd door IDDS. Hierbij zijn vanaf circa 0,7 m-mv onverstoorde oeverafzettingen van de Stuivenberg stroomgordel aangetroffen.

De verwachte archeologische complexen hebben voor met name de Bronstijd een lage vondstdichtheid, waardoor het ontbreken van archeologische indicatoren in het booronderzoek geen aanwijzing is voor de afwezigheid van archeologische waarden in het plangebied.17 Naar aanleiding hiervan werd aanbevolen om dit door middel van een karterend inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven te laten vaststellen. Dit onderzoek is door RAAP uitgevoerd.18 Tijdens het onderzoek is door middel van het aanleggen van 7 proefsleuven een archeologische vindplaats aangetroffen. Deze bestaat uit een aantal structuren binnen een verkavelingssysteem uit de (Midden) Bronstijd. In de grondsporen is een palissade, een driepalige spieker en een verkavelingssysteem herkend. Daarnaast was sprake van Zaakid. 3035697100. Visser en Klerks, 2014. 13 Velthuis, 2018. 14 De Jonge, 2015. 15 Van der Kant en Oudhof, 2016. 16 Pepers, 2014. 17 Blom & Moerman, 2009. 18 Zaakid. 2292084100. 11 12

Blad 19 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

een cluster van handgevormd aardewerk met een fragment (onbewerkt) natuursteen en dierlijk bot. De sporen bevinden zich in afzettingen van de Stuivenbergstroomgordel en zijn afgedekt door een vegetatieniveau. In proefsleuf 2 in het westelijke deel van het plangebied zijn daarnaast op een dieper niveau, afgedekt door een ouder vegetatieniveau, enkele paalkuilen en een greppel waargenomen. Met uitzondering van (mogelijk) huttenleem is in de sporen geen vondstmateriaal aangetroffen. Dit niveau is op basis van de stratigrafische positie en de datering van de stroomgordel in het Laat Neolithicum tot de Midden Bronstijd gedateerd.19 Bij een ander booronderzoek aan de Stuivenbergweg (nabij adres 11)20 bestond de bodemopbouw uit een verstoorde toplaag, gevolgd door oeverwalafzettingen en beddingafzettingen van de Stuivenbergsestroomgordel. Er zijn geen vegetatiehorizonten of andere aanwijzingen voor de aanwezigheid van bewoningslagen aangetroffen. Naar aanleiding van deze resultaten werd archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.21 Iets verder ten zuiden van deze locatie heeft IDDS een booronderzoek uitgevoerd22, waarbij is gebleken dat de bovenste halve meter volledig is omgewerkt. Eventuele resten vanaf de midden bronstijd (top oeverwal) tot en met de nieuwe tijd C (direct onder het maaiveld) zijn hiermee verstoord.

Er werd geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. 23 Ook ter hoogte van het adres Stuivenbergweg 7 heeft een booronderzoek plaatsgevonden.24 Slechts in 1 boring is een laklaag in de oeverwalafzettingen van de Buitenzorg stroomgordel aangetroffen. In de overige boringen ontbraken bodemvorming en andere archeologische indicatoren volledig. Archeologisch vervolgonderzoek werd niet noodzakelijk geacht.25 OM-nummer 2459900100

Toponiem Gekanaliseerde Hollandse IJssel

Type onderzoek Archeologisch: bureauonderzoek

Uitvoerder Vestigia BV

4568403100

Gekanaliseerde Hollandse IJssel Achtersloot 113a

Archeologisch: begeleiding Archeologisch: booronderzoek Archeologisch: bureauonderzoek Archeologisch: boring

ADC ArcheoProjecten ADC ArcheoProjecten Buro de Brug BV

2373310100 4005030100 2431299100

2372436100

Achtersloot 103 IJsselstein Stuivenbergweg 15

Stuivenbergweg 11 Stuivenbergweg 14 Stuivenbergweg 7

BAAC

Advies Passieve archeologische begeleiding Geen vervolg Geen vervolg Geen vervolg Deels vrijgave, deels opgraving/behoud in situ Geen vervolg

Archeologisch: MUG bv boring 2292084100 Archeologisch; RAAP Opgraving proefsleuven 2276727100 Archeologisch: BAAC Geen vervolg boring 2374786100 Stuivenbergweg 9 Archeologisch: IDDS Geen vervolg boring Tabel 2. Eerder uitgevoerde onderzoeken binnen onderzoeksgebied. (Bron: ARCHIS.)

Groot, 2011. Zaakid. 2372436100. 21 Roller, 2012. 22 Zaakid. 2374786100. 23 Koekkelkoren & Moerman, 2012. 24 Zaakid. 2276727100. 25 De Ruiter, 2010. 19 20

Blad 20 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.2.2

Ondergrondse bouwhistorische waarden Er zijn in het plangebied geen ondergrondse bouwhistorische waarden bekend.

2.3

Archeologische verwachting

2.3.1

Bestaande verwachtingskaarten Provinciale verwachtingskaart De provincie Utrecht beschikt over een Cultuurhistorische Atlas (CHAT)26, met daarin verschillende kaartlagen. Hierin is het ook het provinciaal erfgoedbeleid opgenomen. Het merendeel van het plangebied valt volgens deze kaart in het thema agrarisch cultuurlandschap, subthema Lopikerwaard. Hier is het 12e-eeuwse cope-ontginningssysteem nog nagenoeg onveranderd zichtbaar in het landschap. Gemeentelijke verwachtingskaart Op de gemeentelijke beleidsadvieskaart27 is te zien dat het plangebied diverse zones doorkruist. Een deel van het plangebied ligt in komgebieden, afgegraven uiterwaarden of anderszins verstoorde gebieden, waarvoor een lage verwachting geldt. Het actuele beleid van de gemeente IJsselstein28 stelt dat vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek wordt aanbevolen, indien er sprake is van grootschalige ontwikkelingen en/of ingrepen groter dan 10 ha. Op deze manier kunnen eventueel aanwezige vegetatiehorizonten of crevasses worden onderzocht. Verder wordt er in de beleidskaart onderscheid gemaakt tussen niet afgegraven uiterwaarden van de Hollandsche IJssel (middelhoge verwachting), ondiepe goed geconserveerde stroomgordels (hoge verwachting) en ondiep gelegen stroomgordels (middelhoge verwachting).

In alle gevallen kunnen resten worden aangetroffen uit het neolithicum t/m de Romeinse tijd op een diepte van minder dan 1,5 m –NAP en is vervolgonderzoek noodzakelijk indien de bodemingrepen dieper reiken dan 0,3 m-mv. Ter plaatse van de niet verstoorde uiterwaarden van de Hollandse IJssel kunnen resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd direct onder de bouwvoor worden aangetroffen. Door het verplaatsen van de rivier (voor de afdamming) worden er in dit gebied van het plangebied geen oudere resten in de ondergrond verwacht. Daarnaast doorsnijdt het plangebied nog twee kleine zones met relatief hooggelegen gebieden die geschikt waren voor bewoning vanaf de middeleeuwen, waar bovendien aanwijzingen zijn voor archeologische resten. Hiervoor geldt een hoge verwachting op resten uit de middeleeuwen direct onder de bouwvoor. Voor de Oude Wetering geldt dat deze is aangemerkt als waardevolle kade/dijk, en dat deze archeologisch begeleid moet worden indien behoud niet mogelijk is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12188613/1