CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Facetherziening buisleiding Hoornaar – MR Reijerscop

Raadsvergadering 2 februari 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Bestemmingsplan Facetherziening Buisleiding Hoornaar - MR Reijerscop25.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

FACETHERZIENING BUISLEIDING HOORNAARMR REIERSCOP (IJSSELSTEIN) IJsselstein 15-09-2022

1/2

2/2

DATUM KENMERK

15-09-2022 NL.IMRO.0353.BPGasleidingEneco-Va01

PROJECT PROJECTLEIDER

Facetherziening buisleiding Hoornaar-MR Reijerscop (IJsselstein) I. De Feijter

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente IJsselstein 20191066.003

AUTEUR STATUS

E. Barendregt Ontwerp

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Geldende planologische regeling

11

1.3

Leeswijzer

11

Planbeschrijving

13

2.1

Omschakeling van grootverbruikers naar hoogcalorisch gas

13

2.2

Beschrijving tracés en omgeving

13

2.3

Technische beschrijving nieuw tracé

14

2.4

Plangebied gemeente IJsselstein

15

2.5

Wijziging ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen

17

Ruimtelijk beleidskader

19

3.1

Rijksbeleid

19

3.2

Provinciaal beleid

21

3.3

Gemeentelijk beleid

22

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

23

4.1

Archeologie

23

4.2

Bodem

25

4.3

Ecologie

26

4.4

Externe veiligheid

37

4.5

Geluid

39

4.6

Luchtkwaliteit

40

4.7

Niet gesprongen explosieven

41

4.8

Water

41

4.9

Vormvrije m.e.r.‐beoordeling

43

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

45

5.1

Inleiding

45

5.2

Planvorm

45

5.3

Planregels

45

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

3/88

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

47

6.1

Economische uitvoerbaarheid

47

6.2

Grondexploitatie

47

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

47

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Archeologisch bureau‐ en veldonderzoek

Bijlage 2

Historisch vooronderzoek bodem

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 4

Bureaustudie ecologie

Bijlage 5

Natuurtoets

Bijlage 6

Passende beoordeling stikstofdepositie

Bijlage 7

Addendum passende beoordeling

Bijlage 8

Advies Veiligheidsregio

Bijlage 9

QRA aardgasleiding

Bijlage 10

Bureaustudie CE

Bijlage 11

Geohydrologisch rapport

Bijlage 12

Aanmeldingsnotitie mer‐beoordeling

Bijlage 13

Gebundelde m.e.r.‐beoordelingsbesluiten

4/88

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

79

Artikel 1

Toepassingsregels

79

Artikel 2

Begrippen

80

Artikel 3

Wijze van meten

81

Bestemmingsregels

83

Artikel 4

Leiding ‐ Gas

83

Hoofdstuk 3

Algemene regels

85

Artikel 5

Anti‐dubbeltelregel

85

Overgangs‐ en slotregels

87

Artikel 6

Overgangsrecht

87

Artikel 7

Slotregel

88

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

5/88

6/88

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Als gevolg van de aardbevingen in Groningen werkt de rijksoverheid aan een zo snel mogelijke afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld. Eén van de maatregelen om dit te realiseren, is de omschakeling van de grootste afnemers van laagcalorisch gas. Dit houdt in dat een groep van negen bedrijven verplicht moet omschakelen naar hoogcalorisch gas of een duurzaam alternatief voor oktober 2022. Gasunie Transport Services (GTS) is verantwoordelijk om deze negen bedrijven aan te sluiten op het hoogcalorisch gasnet. Voor de omschakeling van één van deze bedrijven dient het tracé DN300 van Hoornaar (S‐238) tot meet‐ & regelstation (M&R) Reijerscop (A‐107) aangelegd te worden, zodat het bedrijf aangesloten kan worden op het hoogcalorisch gasnet. Ten behoeve hiervan dienen de geldende bestemmingsplannen in zes gemeenten zodanig te worden aangepast dat de leidingen worden mogelijk gemaakt en/of worden voorzien van de relevante leidingspecificaties. Het tracé loopt door de volgende zes gemeenten: 1. Utrecht 2. Montfoort 3. IJsselstein 4. Lopik 5. Vijfheerenlanden 6. Molenlanden Het tracé doorkruist een redelijk groot gebied. Het nieuwe gasleidingtracé voor hoogcalorisch gas is niet in zijn geheel in overeenstemming met de huidige planologische kaders. Een herziening van de geldende bestemmingsplannen is noodzakelijk.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch‐planologische kaders om het voornemen mogelijk te maken in de gemeente IJsselstein. Hierbij zal worden aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.

9/88

Figuur 1.1. Tracé Hoornaar‐ MR Reijerscop (tracé is weergegeven met de rode lijn).

10/88

1.2

Geldende planologische regeling

Voor de gronden waarop het tracé Hoornaar ‐ Reijerscop is geprojecteerd, gelden de volgende bestemmingsplannen. Tabel 1.1. Overzicht geldende bestemmingsplannen Gemeente

bestemmingsplan

identieficatie

vaststellingsbesl uit

Utrecht

Meet‐ en regelstation Rijerscop, De Meern Zuid

NL.IMRO.0344.BPMEETREIJDEMEERN‐ 2018‐04‐26 VA01

Utrecht

Rijnenburg, Utrecht

NL.IMRO.0344.BPRIJNENBURGUTRECH 2015‐03‐05 ‐VA01

Montfoort

Buitengebied 2012

NL.IMRO.0335.BPBuitengebied2012‐v 2013‐03‐11 g01

IJsselstein

Landelijk Gebied noord en zuid

NL.IMRO.0353.201203Lgebied‐VG02

Lopik

Landelijk gebied Lopik

NL.IMRO.0331.01Herzlandelijkgb‐BP01 2022‐03‐08

Lopik

BP Uiterwaarde

NL.IMRO.0331.09Uiterwaarden‐BP01 2013‐01‐29

Vijfheerenlanden

Buitengebied Zederik

NL.IMRO.0707.BPBuitengebiedZDR‐VG 2015‐06‐29 02

Vijfheerenlanden

Reparatieplan Buitengebied Zederik

NL.IMRO.0707.BPZDRREPBUITENGEB‐ 2018‐11‐19 VG01

Molenlanden

Buitengebied Giessenlanden

NL.IMRO.0689.BP8001‐gu01

2015‐12‐17

2015‐03‐11

Het tracé is in deze bestemmingsplannen bestemd voor agrarisch, verkeer, bedrijf, gemengd, natuur, groen, water en waterkeringen. De aanleg van een planologisch relevante leiding is binnen deze bestemmingen niet mogelijk.

1.3

Leeswijzer

Vanwege de samenhang en uit praktische overwegingen is ervoor gekozen om voor de facetherziening van de geldende bestemmingsplannen zoveel mogelijk één toelichting te schrijven.  In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het project, het tracé en op de technische aspecten van de verbinding. Paragraaf 2.4 is specifiek per gemeente uitgewerkt.  In hoofdstuk 3 wordt het project getoetst aan het relevante ruimtelijk‐planologisch beleidskader.  In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de relevante ruimtelijke en milieu aspecten.  In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

11/88

12/88

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Omschakeling van grootverbruikers naar hoogcalorisch gas

In navolging van de verschillende forse aardbevingen in Groningen in 2018 en 2019 werkt de rijksoverheid aan een zo snel mogelijke afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld. Eén van de maatregelen om dit te realiseren, is de omschakeling van de grootste afnemers van laagcalorisch gas naar hoogcalorisch gas. Op 29 maart 2018 heeft het kabinet aangekondigd dat de gaswinning in Groningen zo snel mogelijk volledig wordt beëindigd (Kamerstuk 33 529, nr. 457). Dat is de beste manier om de veiligheid te garanderen en de veiligheidsbeleving in Groningen te verbeteren. In die brief is het basispad geschetst waarlangs de gaswinning uit het Groningenveld wordt beëindigd. Voor het behalen van het basispad is het essentieel dat tenminste de grootste verbruikers (> 100 miljoen Nm3) voor oktober 2022 van het laagcalorisch gas afschakelen (dit betreft nu negen bedrijven). Deze groep vertegenwoordigt een dusdanig verbruik dat omschakelen wezenlijk bijdraagt aan de reductie van de winning uit het Groningerveld en is daarmee essentieel voor het behalen van het basispad. Het is realistisch om deze groep bedrijven in 2022 om te schakelen. Op maandag 3 december 2018 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) een verplichting tot omschakeling aangekondigd.

Deze verplichting houdt in dat bedrijven met een verbruik van meer dan 100 miljoen Nm3 laagcalorisch gas per jaar om moeten schakelen naar hoogcalorisch gas of een duurzaam alternatief. Dit betekent concreet dat een groep van negen bedrijven verplicht moet omschakelen naar hoogcalorisch gas of een duurzaam alternatief voor oktober 2022. Voor deze omschakeling dient een aantal werkzaamheden uitgevoerd te worden, waaronder de aanleg van (gedeelten van) gasleidingen om bedrijven aan te kunnen sluiten op het hoogcalorisch gasnet.

2.2

Beschrijving tracés en omgeving

De tracés worden aangelegd in het kader van de ombouw van delen van het gastransportnet van G‐gas (laag calorisch gas) naar H‐gas (hoog calorisch gas). Daarnaast worden verschillende bestaande faciliteiten aangepast. De aan te leggen leiding betreft een DN300 (diameter 300 mm) en wordt deels in open ontgraving en deels via horizontaal gestuurd boren (HDD) aangelegd (zie figuur 2.1). Het tracé bestaat uit twee gedeeltes: 1. Tracédeel 'Utrecht': Loopt van afsluiterschema S‐6227 (Utrecht) naar S‐6265 (Lage Weide) te Utrecht. Het tracé heeft een lengte van circa 2,6 km. Het betreft een regionale leiding. 2. Tracédeel 'Zuid: Loopt van meet‐ en regelstation (M&R) Reijerscop (A‐107) zuidwaarts richting gasontvangststation (GOS) Hoornaar (S‐238). Het tracé heeft een lengte van circa 24,6 km. Het betreft een hoofdtransportleiding.

13/88

Figuur 2.1 Ligging tracés en werkzaamheden Ligging tracés en werkzaamheden (bron: Anteagroup) De leiding loopt door het buitengebied over voornamelijk agrarische gronden van de gemeenten Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden Aan de betreffende grondeigenaren waar het tracé doorheen loopt, is een (opstal)overeenkomst aangeboden om dit gedeelte van het tracé te kunnen aanleggen. Het proces met de grondeigenaren is nog lopende. Voor de kruising met de lek wordt een vergunning op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken aangevraagd. Verder kruist het tracé verschillende regionale waterkeringen met een waterstaatkundige functie die in eigendom en beheer zijn van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Rivierenland. De aanleg in deze gronden wordt geregeld met een ontheffing op grond van de Keur Waterkeringen van het Waterschap.

2.3

Technische beschrijving nieuw tracé

De aan te leggen leiding betreft een DN300 met een druk van 66,2 bar en wordt deels in open ontgraving met een dekking van 1,5 à 1,6 m aangelegd, waarbij tot circa 2,1 à 2,2 m‐mv dient te worden ontgraven, en verder in HDD's, zie figuur 2.1. Ten behoeve van het aanleggen wordt een werkstrook (inclusief de leidingsleuf zelf) met een breedte van in totaal 25 meter aangelegd. Ter plaatse van kruisingen wordt voor het aanleggen van zinkers en het maken en aansluiten van boringen plaatselijk dieper gegraven, tot maximaal 4,0 m‐mv.

14/88

Werkzaamheden in watergangen, waarbij bodem, (onderwater)vegetatie en oeverzones aangetast worden, zijn niet uitgesloten als gevolg van de aanleg van de leiding (in open ontgraving). Daarnaast zullen naar verwachting enkele bomen (die onderdeel uitmaken van een houtopstand) gekapt moeten worden. Ten behoeve van open ontgravingen zal te allen tijde grond worden vergraven en over grote delen ook vegetatie (met name grasvegetatie in de graslandpolders) worden verwijderd. Voor de uitvoering wordt gegraven, waarbij de grondlagen gescheiden worden ontgraven en lokaal worden opgeslagen. Na de werkzaamheden wordt het plangebied zoveel mogelijk in oude staat hersteld. Hiervoor wordt de tijdelijk opgeslagen grond gebruikt. Om constructietechnische en cultuurtechnische redenen dienen de uit te voeren werkzaamheden in droge bouwputten plaats te vinden. In verband met de heersende grondwaterstanden moet daartoe bemaling worden toegepast.

2.4

Plangebied gemeente IJsselstein

2.4.1

Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit het nieuwe tracé van de gastransportleiding vanaf de noordelijke gemeentegrens met Montfoort tot aan de zuidelijke gemeentegrens met Montfoort. In figuur 2.1 is het nieuwe tracé weergegeven zoals het door de gemeente IJsselstein loopt. Het plangebied ligt aan de noordwestkant van de gemeente IJsselstein, tegen de gemeente Montfoort aan. Het gebied is momenteel in gebruik als weiland, akkerbouw en fruitteeltgronden. In het landschap wordt geen wijziging zichtbaar als gevolg van de aanleg van de leiding.

Figuur 2.1 De ligging van het plangebied in de gemeente IJsselstein. (Bron: Esri & partners.)

15/88

2.4.2

Vigerende bestemmingsplannen

Het plangebied van de facetherziening heeft betrekking op het hieronder genoemde bestemmingsplan. In de meest rechtse kolom is aangegeven welke enkelbestemmingen er momenteel gelden ter plaatse van het leidingentracé . Tabel 2.1. Overzicht bestemmingsplannen die worden herzien bestemmingsplan

identificatie

vastgesteld door de gemeenteraad op

Landelijk Gebied noord en zuid

NL.IMRO.0353.20 17 december 2015 1203Lgebied‐VG0 2

(enkel)bestemmingen Artikel 3 Agrarisch Artikel 6 Agrarisch met waarden‐ openheid Artikel 19 Verkeer Artikel 21 Water

In onderstaand figuur is het tracé zichtbaar gemaakt in het vigerende bestemmingsplan.

16/88

Figuur 2.2. Fragment uit bestemmingsplan Landelijk gebied Noord en Zuid

2.5

Wijziging ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen

De aanleg en het gebruik van de aardgasleiding wordt mogelijk gemaakt via een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan (hierna: basisplan). Het gaat om een facetherziening waarbij het basisplan en de geldende bestemmingen van toepassing blijven en waarbij uitsluitend de dubbelbestemming Leiding‐Gas wordt toegevoegd aan het plan.

17/88

18/88

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI:  een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;  de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;  de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden.

Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven‐ en industriegebied;  de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;  het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;  het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water‐ en bodemsystemen. Conclusie Het onderhavige bestemmingsplan ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid geformuleerd in de NOVI.

19/88

Structuurvisie Buisleidingen 2012‐2035 Het beleid voor buisleidingen op land is verder uitgewerkt in de Structuurvisie Buisleidingen. Deze is op 12 oktober 2012 vastgesteld. Deze Structuurvisie geeft aan langs welke hoofdverbindingen in de toekomst nog nieuwe buisleidingen van nationaal belang voor gevaarlijke stoffen gelegd kunnen worden. Het Rijk wil langs deze verbindingen ruimte hiervoor vrijhouden (buisleidingenstroken). Op een visiekaart zijn de hoofdverbindingen die van nationaal belang aangegeven. Op basis van de hoofdlijnen uit de Structuurvisie kunnen provincies en gemeenten het exacte buisleidingtracé bepalen. De uitwerking ligt dus bij provincies en gemeenten. Uitgangspunt daarbij is zoveel mogelijk bundeling met bestaande buisleiding(‐stroken). De nieuwe gastransportleiding van Reijerscop naar Hoornaar is niet opgenomen in het nationale beleid voor buisleidingen, maar is een gevolg van de in juni 2020 gewijzigde Gaswet welke voorziet in de omschakeling van verschillende bedrijven van laagcalorisch naar hoogcalorisch gas om de gaswinning in Groningen terug te dringen. Conclusie Het onderhavige bestemmingsplan ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid geformuleerd in de structuurvisie en is een gevolg van de gewijzigde Gaswet.

Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb) De volgende buisleidingen vallen onder de reikwijdte van het Bevb/Revb:  aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPA (16 Bar) of meer;  aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer (aardolie, aardgasolie, vloeibare aardolieproducten, en derivaten);  brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa (16 Bar) of meer;  giftige stoffen, (stoffen die zijn geclassificeerd als acuut toxisch) en;  specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer (kooldioxide, zuurstof en stikstof). Het Bevb is niet van toepassing op:  Leidingen op het continentaal plat of in de territoriale zee. Voor buisleidingen in de mijnbouw geldt een aparte regeling (zie artikel 3 van de Revb);  Gasleidingen (<1600 kPa) die deel uitmaken van het gasdistributienet (deze vallen onder de Gaswet);  Andere mogelijk planologisch relevante buisleidingen zoals elektriciteits‐, afvalwater‐ en rioolwaterleidingen (zie verder in dit document);  Leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen die deel uitmaken van een inrichting.

Op grond van het Bevb (artikel 14, eerste lid) geeft een bestemmingsplan de ligging weer van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Alleen voor buisleidingen voor aardgas met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa (16 tot en met 40 Bar) geld een belemmeringenstrook van ten minste 4 meter. Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven)regionale transportfunctie of leidingen die op een

20/88

andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Er is voor deze leidingen geen sprake van externe veiligheidscontouren. De leidingen vallen niet onder het Bevb. Wel krijgt een dergelijke leiding ter bescherming van de leiding en om beheer en onderhoud niet onmogelijk te maken, een dubbelstemming ter grootte van de belemmeringenstrook of zakelijk rechtsstrook (aan weerszijden van de leiding). In vrijwel alle gevallen wordt hiervoor ook 5 meter aan weerszijden van een buisleiding aangehouden, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Conclusie Het onderhavige bestemmingsplan sluit aan op het Bevb, in die zin dat een belemmeringenstrook aan weerszijden van de leiding is opgenomen voor de nieuwe leiding. Op de externe veiligheidsaspecten wordt voorts in paragraaf 4.4 nader ingegaan.

3.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (2021) De provincie heeft geen specifiek beleid voor nieuwe aardgasleidingen. Wel streeft de Provincie Utrecht naar een gezonde en veilige leefomgeving. Een gezonde en veilige leefomgeving is belangrijk voor iedereen, nu en in de toekomst. De beperkte ruimte in de provincie wordt intensief gebruikt. Veel ruimtevragende functies blijven groeien en er komen nieuwe ruimtevragers bij. Inrichting en gebruik van de leefomgeving hebben invloed op gezondheid. Bij veiligheid gaat het om externe veiligheid vanwege opslag, be‐ en verwerken en transport van gevaarlijke stoffen, veiligheid vanwege ontwikkelingen zoals energietransitie en klimaatverandering (bijvoorbeeld overstromingen en natuurbranden) en verkeersveiligheid. Veiligheid heeft te maken met de inrichting van de omgeving en neemt vaak ook letterlijk ruimte in. De buisleiding wordt aangelegd in het gebied volgens de Interim omgevingsverordening aangeduid als matig kwetsbare strategische watervoorraad. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op deze aanduiding moet rekening houden met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. Voor de aanleg van de buisleiding zijn er geen beperkingen.

Wel is het van belang om de uitvoering zorgvuldig te doen, met het oog op de grondwaterkwaliteit en de bescherming van de scheidende lagen binnen de grondwatervoorraad in dit gebied. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de effecten op de drinkwaterwinning. Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat er geen negatieve effecten op de drinkwaterwinning worden verwacht. Conclusie Het onderhavige bestemmingsplan ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid en de verordening van de provincie.

21/88

3.3

Gemeentelijk beleid

De gemeente IJsselstein heeft geen specifiek beleid voor gasleidingen. Vanuit de Omgevingsvisie IJsselstein (ontwerp, 2021) zijn er geen belemmeringen voor het aanleggen van de leiding In mei 2021 heeft de gemeente IJsselstein de Nota Bodembeheer vastgesteld. In deze Nota heeft de gemeente haar bodembeleid geactualiseerd. Het in deze Nota beschreven beleid, is een leidraad voor de uitvoering van de taken die de gemeente heeft als bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit (grondverzet) en voor bodemsaneringen (niet‐ernstige gevallen) en na inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor alle nieuwe bodemsaneringsgevallen. Deze leidraad wordt gevolgd bij de werkzaamheden. Conclusie In de ontwerp Omgevingsvisie is de voorgenomen ontwikkeling niet expliciet opgenomen of wordt hier nader op ingegaan. Dit bestemmingsplan voorziet in de planologisch inpassing van het tracé middels de dubbelbestemming 'Leiding ‐ Gas'. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig is met het gemeentelijk beleid.

22/88

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Archeologie

Provinciale verwachtingskaart De provincie Utrecht beschikt over een Cultuurhistorische Atlas (CHAT), met daarin verschillende kaartlagen. Hierin is ook het provinciaal erfgoedbeleid opgenomen. Het merendeel van het plangebied valt volgens deze kaart in het thema agrarisch cultuurlandschap, subthema Lopikerwaard. Hier is het 12e‐eeuwse cope‐ontginningssysteem nog nagenoeg onveranderd zichtbaar in het landschap. Gemeentelijk archeologiebeleid Het plangebied valt binnen volledig binnen het bestemmingsplan Landelijk Gebied noord en zuid (vastgesteld 17‐12‐2015). Hierbinnen zijn verschillende beleidsregels voor archeologie van toepassing:  gebiedsaanduiding: overige zone – archeologisch waardevol gebied – 1: onderzoeksplichtig bij bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte vanaf 2.500 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m –mv;  gebiedsaanduiding: overige zone – archeologisch waardevol gebied – 3: onderzoeksplichtig bij bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte vanaf 10.000 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m –mv;  dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 3: onderzoeksplichtig bij bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte vanaf 100 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m – mv. Bij deze dubbelbestemmingen gelden verschillende vrijstellingsgrenzen. In dergelijke gevallen worden de strengste normen voor het gehele plangebied gehanteerd.

De geplande bodemingrepen overschrijden deze vrijstellingsgrenzen en zijn derhalve onderzoeksplichtig. Onderzoek Voor de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. Hieruit kan het volgende geconcludeerd worden. Bureauonderzoek Op de locaties waar het tracé de stroomgordels kruist kunnen op de oeverwal‐ en crevasse‐afzettingen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode vanaf het ontstaan van de betreffende stroomgordel tot het inactief worden. Wat betreft de Jutphaas‐stroomgordel kunnen archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd verwacht worden. Voor de stroomgordel van Neder‐Oudland is er een verwachting op mogelijk ijzertijd en voor Romeinse tijd en middeleeuwen. De stroomgordel IJsselveld‐Schuurenburg kan archeologische resten uit de ijzertijd, maar vooral uit de Romeinse tijd en middeleeuwen bevatten. De Stuivenberg‐stroomgordel was vooral in de Romeinse tijd aantrekkelijk als vestigingsplaats. Op niet door de Hollandse IJssel geërodeerde delen van de afzettingen van Lampsin en Jutphaas kunnen mogelijk archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd aanwezig zijn. De stroomgordel van Buitenzorg kan mogelijk archeologische resten uit het neolithicum tot en met ijzertijd opleveren.

Op de Willeskop‐stroomgordel kunnen mogelijk archeologische resten uit het neolithicum tot en met Romeinse tijd aangetroffen worden. Aan de Achtersloot heeft in de middeleeuwen of

23/88

nieuwe tijd mogelijk bebouwing gestaan in het onderbroken bewoningslint, al is op historische kaarten hiervan niets zichtbaar. Ten zuiden van de Oude Wetering kunnen resten worden aangetroffen van de eendenkooi die op de kaart uit 1738 is weergegeven. De eendenkooi wordt in het huidige plan voor de uitvoering niet doorsneden. In de rest van het plangebied worden op basis van de historische kaarten geen resten uit de nieuwe tijd verwacht. Inventariserend veldonderzoek Het plangebied bevindt zich grotendeels in een relatief laaggelegen komgebied dat omringd wordt door verschillende hoger gelegen stroomgordels. Deze stroomgordels zijn prominent aanwezig in het landschap en duidelijk te zien op het Actueel Hoogtebestand van Nederland. Binnen het plangebied zijn mogelijke afzettingen behorende bij de Neder‐Oudland, IJsselveld‐Schuurenburg, Lampsin en Stuivenberg stroomgordels aangetroffen. Het oeverwal(achtige) pakket bestaat over het algemeen uit sterk siltige en matig tot sterk zandige klei met zandlagen. Verder is de laag zwak tot matig roesthoudend en in de meeste gevallen matig slap tot matig stevig. Het beddingzand bestaat over het algemeen uit zeer grof tot zeer fijn en zwak tot matig siltig zand. Deze afzettingen vertonen over het algemeen geen of zwakke rijpingskenmerken.

In het noordelijke gedeelte van het plangebied (boringen 1674‐1678 en 704) zijn archeologische indicatoren (baksteenspikkels) aangetroffen in een half gerijpte top van een mogelijke restgeul of oeverwal, en ook (tot in grotere diepte) in de stijve komklei van meerdere boringen. Ter hoogte van boringen 1625‐1642 zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel betreft het een cluster waarbij in de meeste boringen stevige vegetatiehorizonten zijn aangetroffen in de komklei of op oeverwal(achtige) afzettingen. Deze zone bevindt zich direct aan de rand van en midden op de stroomrug van Stuivenberg, waardoor de kans op het aantreffen van archeologische resten in deze zone als verhoogd wordt ingeschat. Daarnaast zal de bodem ter plaatse van de zuidelijke rand van de stroomrug in verband met de realisatie van een werkterrein tot op grotere diepte worden verstoord dan de overige delen van het plangebied. Volgens het huidige, definitieve ontwerp van het werkterrein (d.d. november 2021) vinden ter plaatse van boringen 1637‐1655 géén grondroerende werkzaamheden plaats. Selectieadvies Aanbevolen wordt om de werkzaamheden ter plaatse van boring 1675‐1679 en 704, en ter plaatse van boringen 1625‐1636 archeologisch te laten begeleiden. Op beide locaties kunnen binnen de 0,4 m ‐mv archeologische waarden in de ondergrond worden aangetroffen.

Op beide plaatsen is een HDD‐put gepland, zodat bodemverstoringen hier aan de orde zijn. Voor het omliggende werkterrein geldt dat bodemverstoring kan worden ontzien, door niet dieper dan de teelaarde 0,4 m ‐mv te verstoren (bijvoorbeeld door de aanleg van een tijdelijk stabiliserend dek). Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn, dient op het werkterrein een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Een archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform BRL4000 protocol 4003) of begeleiding (conform BRL4000 protocol 4004) vindt plaats onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (opgesteld conform BRL4000, protocol 4001). De attentiezone ter plaatse van de gedempte eendenkooi is door planaanpassing effectief beschermd. Daarnaast is het advies de overige locaties vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling.

24/88

Meldingsplicht Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister. Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Conclusie Aanbevolen wordt om de werkzaamheden ter plaatse van boring 704 door middel van HDD boringen uit te voeren. Het betreft een zone waar op grotere diepte archeologische indicatoren in de vorm van baksteenspikkels zijn aangetroffen in een half gerijpt niveau in de klei. Indien de voorgestelde alternatieve aanlegstrategie niet mogelijk is, dient er op deze locatie archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het aspect archeologie aangetoond. Het aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2

Bodem

Onderdeel van een ruimtelijke procedure is inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied om na te gaan of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. De geplande leiding is gelegen in het buitengebied van Utrecht. De gronden hebben een overwegend agrarische bestemming. Deze functie wijzigt niet, alleen de ondergrondse gastransportleiding zal worden aangelegd. Een bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Onderzoek Met het oog op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is (historisch vooronderzoek) bodemonderzoek uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 2. Het historisch vooronderzoek ter plaatse van het onderzoekstracé tussen Utrecht en Hoornaar is volgens de NEN 5725: 2017 uitgevoerd. In afwijking op de NEN 5725 is nog geen terreinbezoek uitgevoerd. Over het algemeen blijkt dat op onverdachte delen langs het tracé in het landelijk gebied binnen de gemeenten Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden geen tot licht verhoogde gehalten/ concentraties kunnen voorkomen. In de gemeente Utrecht kan arseen plaatselijk wel (van nature) verhoogd voorkomen in het grondwater Verder zijn bodembedreigende activiteiten langs het tracé bekend. Dit betreffen slootdempingen, boomgaarden en voormalige sporen en wegen. Deze zijn aangegeven op de tekeningen in de bijlage.

Verder kunnen plaatselijk puinhoudende (fundatie)lagen of dammetjes gekruist worden, die kunnen worden aangemerkt als asbestverdacht. Uit de bodemkwaliteitskaarten blijkt dat enkele gebieden zijn uitgesloten van de kaarten. Dit betreffen voornamelijk wegen, sporen en bermen en het stedelijk gebied in de gemeente Utrecht, wegen en bermen van rijks‐ en provinciale wegen en het buitendijks gebied ter plaatse van de Hollandse IJssel en de Lek. Op basis van de resultaten uit het historisch vooronderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. De resultaten van dit onderzoek geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek of voor sanerende maatregelen.

25/88

Een aandachtspunt ligt bij de kruising van voormalige stortplaatsen aan de Provincialeweg te Montfoort en de Achtersloot te IJsselstein (horizontaal gestuurde boring). De boorlijn bevindt zich hier volgens het huidige ontwerp op NAP ‐25 m, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid dieper is dan de onderzijde van de stortplaats. Mocht de HDD toch ondieper worden gelegd of indien de stortplaatsen op een andere wijze dan door middel van een HDD worden gekruist, dan dient rekening te worden gehouden met de voormalige stortplaatsen op het tracé. Conclusie Het aspect bodem geeft geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan en de uitvoering van de werkzaamheden. Wel moet rekening worden gehouden met het gegeven aandachtspunt indien de geplande werkzaamheden wijzigen.

4.3

Ecologie

Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden:  Natuurnetwerk Nederland (NNN) en,  Natura 2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000 gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale omgevingsverrdening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende

26/88

bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Utrecht in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage II bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bunzing, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek In het kader van voorliggend planvoornemen is een bureaustudie ecologie uitgevoerd door Anteagroup. De bijbehorende rapportage is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Daarnaast is voor de beoogde ontwikkeling ook een natuurtoets uitgevoerd, zie bijlage 5. De tracés liggen in de stad Utrecht en tussen de stad Utrecht en Hoornaar (Provincie Utrecht en Zuid‐Holland). De tracés lopen voor een groot deel door agrarisch gebied en voor een klein deel door stedelijk gebied en natuurgebied. De tracés doorkruisen diverse wegen en watergangen, agrarische percelen, natuur (uiterwaarden en moerassen) en diverse groenelementen. Beschermde soorten Uit de bureaustudie is gebleken dat soorten die een beschermde status hebben in de Wet natuurbescherming mogelijk voor kunnen komen op de tracés.

Het betreffen de volgende beschermde soorten:  Jaarrond beschermde nesten (nest van boomvalk, buizerd of ransuil, kerkuil, steenuil,  Algemene broedvogels (nestplaatsen aanwezig);  Vleermuizen (vliegroutes en verblijfplaatsen in de omgeving);  Waterspitsmuis;  Kamsalamander;  Poelkikker;  Heikikkers;  Rugstreeppadden;  Ringslang;  Grote modderkruiper;  Groene glazenmaker;  Platte schijfhorens. In tabel 4.1 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende project. Aangegeven is of een nader onderzoek nodig is, of er sprake is van een overtreding van de Wet Natuurbescherming, of dit middels maatregelen voorkomen kan worden en of bij de uitvoering van het project een ontheffing nodig is.

27/88

28/88

Tabel 4.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortenbescherming (bron: Anteagroup). Beschermde gebieden Natura 2000‐gebieden Het HTL tracé kruist middels een HDD‐boring de Natura 2000‐gebieden 'de Uiterwaarden Lek' en 'de Zouweboezem'. De Natura 2000‐gebieden worden niet fysiek aangetast. Significante negatieve effecten ten gevolge van geluid, licht,

29/88

trillingen en visuele verstoring op de doelstellingen voor de Natura 2000‐gebieden door de HDD‐boringen en overige werkzaamheden buiten de gebieden kunnen worden uitgesloten door de afstand tussen de werkzaamheden en Natura 2000‐gebieden, de tussenliggende afschermende elementen en de al aanwezige achtergrondverstoring.

Figuur 4.1 Ligging tracés ten opzichte van Natura‐2000 gebieden (bron: ESRI Nederland en het Kadaster). Rood gearceerd Natura‐2000 gebied Uiterwaarden Lek, groen gearceerd Natura‐2000 gebied Zouweboezem en blauw gearceerd Natura‐2000 gebied Lingegebied & Diefdijk‐Zuid.

30/88

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het HTL tracé kruist meerdere malen een gebied behorende tot het NNN. De gebieden worden gekruist middels een HDD‐boring of door de rij‐ en werkstroken. Op drie locaties in de polder Achthoven, nabij de Zouweboezem, lopen rij‐ en werkstroken door het NNN‐gebieden. Voorafgaand aan werkzaamheden in deze gebieden, dienen deze te worden afgestemd met het bevoegd gezag. In het kader van de leidingaanleg vindt bemaling plaats. Er is onderscheid te maken tussen freatische bemaling in de slecht doorlatende deklaag die op het tracé aanwezig is, en spanningsbemaling in de goed doorlatende zandlagen onder de deklaag. Het invloedsgebied van de freatische bemaling is, als gevolg van het slecht doorlatende karakter van de deklaag, zeer beperkt (het invloedsgebied beperkt zich tot de werkstrook). Het invloedsgebied van de spanningsbemaling is aanzienlijk groter en reikt tot aan de natuurgebieden (Natura 2000 en NNN). Als gevolg van de relatief korte bemalingsduur (maximaal 2 weken per werkput en 3 dagen per segment veldstrekking) en de hoge geohydrologische weerstand van de deklaag in vergelijking tot de bemalingsduur, heeft de spanningsbemaling geen noemenswaardig effect op de freatische grondwaterstand ter plaatse van natuurgebieden. De bemaling heeft dan ook geen significant effect op de beschermde natuurgebieden.

31/88

Figuur 4.2 Ligging NNN‐gebieden ten opzichte van de tracés (bron; ESRI Nederland en het Kadaster). Belangrijk weidevogelgebied en ganzenrustgebied Het HTL tracé loopt middels open ontgravingen en rij‐ en werkstroken door weidevogelkerngebieden en belangrijke weidevogelgebieden in de provincie Utrecht en Zuid‐Holland. Indien op deze locaties gedurende het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 juli) werkzaamheden plaatsvinden, kunnen negatieve effecten niet uitgesloten worden. Er

32/88

dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden of er dient toestemming verkregen te worden bij de betreffende provincie. Indien in het broedseizoen wordt gewerkt, wordt overleg met de provincie geïnitieerd. De wettelijke stappen worden hierbij opgevolgd. Het HTL tracé loopt tevens door een ganzenrustgebied in de provincie Utrecht. Vanuit het oogpunt van ecologie heeft het de voorkeur om in dit gebied buiten de periode van 1 november tot 1 mei te werken. Uit vooroverleg met de provincie Utrecht is naar voren gekomen dat de werkzaamheden gedurende de periode van 1 november tot 1 maart enkel doorgang kunnen vinden indien voldoende ganzenrustgebied overblijft. Gezien met een verstoringszone van 100 meter aan weerzijden van het tracé slechts vier procent van het ganzenrustgebied tijdelijk ongeschikt gemaakt wordt, blijft voldoende ganzenrustgebied behouden. De werkzaamheden in dit gebied kunnen dus in principe jaarrond worden uitgevoerd indien er overdag (tot een uur voor zonsondergang) gewerkt wordt en de oorspronkelijke situatie zoveel mogelijk wordt hersteld. Wel dient nog definitieve toestemming te worden verkregen bij de provincie. Het HTL tracé loopt door de groene contour, natuurparels en een waterparel. Al deze gebieden worden middels een HDD‐boring gekruist. Deze categorieën beschermde gebieden kennen geen externe werking. Effecten kunnen worden uitgesloten.

Het tracé liggen op grote afstand van beschermd grasland in de bollenstreek, de groene buffer, ganzenrustgebied (Zuid‐Holland) en gebieden met de status strategische reservering natuur.

33/88

Figuur 4.3 Ligging belangrijk weidevogelgebied in Zuid‐Holland ten opzichte van de tracés (bron; ESRI Nederland en het Kadaster).

34/88

Tabel 4.2 Overzicht conclusies gebiedsbescherming (bron: Anteagroup). Stikstofdepositie Voorheen werd het Programma Aanpak Stikstof (PAS) gebruikt als kader om te bepalen of de stikstofdepositie als gevolg van een plan of project toelaatbaar is op grond van de Wnb. Echter is sinds 29 mei 2019 vastgesteld dat het PAS niet correct passend beoordeeld is en daarmee in strijd is met de Europese Vogel‐ en Habitatrichtlijnen. Daarom mag het (PAS) niet meer gebruikt worden voor vergunningverlening. Het gevolg is dat nu voor elk plan en project beoordeeld moet worden of de stikstoftoename leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige beschermde natuurwaarden in de Natura 2000‐gebieden. Voor de aanleg van het tracé zullen tijdelijk werkzaamheden plaatsvinden. Ten behoeve van de werkzaamheden zullen onder andere mobiele werktuigen met verbrandingsmotoren worden ingezet welke een emissie van NOx naar de omgeving met zich meebrengen. Voor de aanleg is daarom onderzocht (zie bijlage 6) of er (significant) negatieve effecten zijn als gevolg van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden op onder andere de voorgenoemde Natura 2000‐gebieden. Deze drie eerder genoemde Natura 2000‐gebieden bevatten namelijk allen stikstofgevoelige natuurwaarden.

Gezien de omvang van het project en het feit dat een project soms ook op grotere afstand tot stikstofdepositie kan leiden, is een effect als gevolg van stikstofdepositie op andere stikstofgevoelige Natura 2000‐gebieden niet uit te sluiten. Uit de AERIUS‐berekening komt naar voren dat er sprake is van een tijdelijke toename (van maximaal twee jaar) in stikstofdepositie op habitattypen en leefgebieden van diverse Natura 2000‐gebieden. Er is geen sprake van een permanente toename of een depositie in de gebruiksfase. Een aantal van de habitattypen in deze Natura 2000‐gebieden zijn wat betreft stikstofdepositie ‘overbelast’, omdat de Kritische Depositie Waarde (KDW) op dit

35/88

moment wordt overschreden als gevolg van de hoge achtergronddepositie. Op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het recent opgestelde ‘Stappenplan Toestemmingsverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten’ (www.rijksoverheid.nl) dient het risico op aantasting van de natuurlijke kenmerken ecologisch te worden beoordeeld. Daarom is de een passende beoordeling opgesteld (bijlage 6). Ten behoeve van de verduidelijking van de effecten van de werkzaamheden op het Habitattype Blauwgraslanden in het Natura 2000‐gebied Zouweboezem en op beschermde vogels in de Vogelrichtlijngebieden Oostelijke Vechtplassen en Zouweboezem is een addendum opgesteld, zie bijlage 7. Wanneer geen sprake is van een relevante stikstofdepositiebijdrage kan eenvoudigweg geen sprake zijn van ecologische doorwerking en is er geen sprake van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. Om deze rede zijn drie Natura 2000‐ gebieden nader beschouwd (waarbij sprake is van habitattypen met een depositie hoger dan 0,05 mol/ha/jr). Dit betreft de Natura 2000‐gebieden Zouweboezem, Uiterwaarden Lek, Lingegebied & Diefdijk Zuid en Oostelijke Vechtplassen. Op basis van deze beoordeling is gebleken dat voor het project, ook cumulatief, significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

Hiermee kan uit deze passende beoordeling worden geconcludeerd dat ‐ gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000‐gebieden ‐ de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000‐gebieden niet zal aantasten. Conclusie Het HTL tracé loopt middels open ontgravingen en rij‐ en werkstroken door weidevogelkerngebieden en belangrijke weidevogelgebieden in de provincie Utrecht en Zuid‐Holland. Indien op deze locaties gedurende het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 juli) werkzaamheden plaatsvinden, kunnen negatieve effecten niet uitgesloten worden. Er dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden of er dient toestemming verkregen te worden bij de betreffende provincie. Ter plaatse van de Natura 2000‐gebieden wordt het tracé aangelegd door middel van HDD's. Deze boringen zijn niet van invloed op aangewezen soorten en habitattypen. De in‐ en uittredepunten bevinden zich op grote afstand en/of het tussenliggende gebied heeft voldoende afschermende/bufferende werking, zodat er geen sprake is van verstorende invloeden. Ook van de boringen zelf is geen (wezenlijke) invloed te verwachten. Trillingen zijn verwaarloosbaar en er worden maatregelen (conform de Waterwet en de NEN 3651) getroffen tegen mogelijke kwel en bijbehorende wijzigingen in de (geo)hydrologie.

Wel kan er sprake zijn van indirecte negatieve effecten door stikstofdepositie tijdens de aanleg van de gasleidingtracés, ook voor het in de omgeving gelegen Lingegebied & Diefdijk‐Zuid. In de omgeving van de tracés liggen ook NNN‐gebieden. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in de nabijheid van het project worden niet verwacht. De ontwikkeling in de tracés heeft geen effect op de directe omgeving van de tracés. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN‐gebieden in de omgeving van de tracés geen belemmeringen. Uit de AERIUS‐berekening komt naar voren dat er sprake is van een tijdelijke toename (van maximaal twee jaar) in stikstofdepositie op habitattypen en leefgebieden van diverse Natura 2000‐gebieden. Er is geen sprake van een

36/88

permanente toename of een depositie in de gebruiksfase. Op basis van de Passende beoordeling is gebleken dat voor het project, ook cumulatief, significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Hiermee kan uit deze passende beoordeling worden geconcludeerd dat ‐ gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000‐gebieden ‐ de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000‐gebieden niet zal aantasten.

4.4

Externe veiligheid

Toetsingskader Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen wordt bij ruimtelijke procedures, zoals hier het bestemmingsplan, de relaties tussen de activiteiten en hun omgeving conform wet‐ en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet‐ en regelgeving. De normen en richtlijnen zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In artikel 8, lid 1 van het Bevb is bepaald dat bij een voorgenomen wijziging van de leidinggegevens een onderzoek naar de invloed van die wijziging op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) moet worden uitgevoerd. In artikel 6 is geregeld dat de exploitant de aanleg of vervanging van een buisleiding zodanig uitvoert dat het PR van de buisleiding op een afstand van vijf meter gemeten vanuit het hart van de buisleiding niet hoger is dan 10‐6 per jaar. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is indien een persoon zich permanent op een bepaalde plek bevindt. De wetgever beschouwt een overlijdenskans van eens in de miljoen jaar (aangeduid met 10‐6) voor nieuwe situaties als acceptabel.

In de wetgeving is dit risico vertaald naar een afstandsnormering (PR=10‐6 contour). Voor de afstand tussen de risicoveroorzakende activiteiten en kwetsbare objecten is die norm een harde grenswaarde. Voor de afstand tot beperkt kwetsbare objecten is die norm een richtwaarde waarvan mag worden afgeweken als daar een gegronde reden voor is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan op het overlijden van een groep mensen als gevolg van een calamiteit. Het Bevb verplicht ertoe dat het groepsrisico wordt beschreven en gemotiveerd. Voor het toetsen van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is geen harde wettelijke norm maar een houvast om te toetsen of het groepsrisico acceptabel is al dan niet in combinatie met maatregelen voor de bestrijding van ongevallen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling in het plangebied dient te worden getoetst aan het aspect externe veiligheid: het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Hiertoe is een risicoanalyse (QRA) uitgevoerd, zie bijlage 9. Het advies van de veiligheidsregio is opgenomen in bijlage 8 en is verwerkt in onderstaande paragraaf.

37/88

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar op een dodelijk ongeval ten gevolge van een ongewoon voorval (ongevalsscenario) indien een persoon (onbeschermd in de buitenlucht) zich bevindt op een bepaalde plaats waar hij voortdurend (24 uur per dag en gedurende het hele jaar) wordt blootgesteld aan de schadelijke gevolgen van een voorval. Het PR is onafhankelijk van de aanwezigen in de omgeving van de leiding. Het PR wordt weergegeven door middel van PR‐contouren. De PR 10‐6 per jaar contour laat die plaatsen zien waar de kans op het overlijden van een persoon eens in de miljoen jaar bedraagt. Ter vergelijking: de gemiddelde overlijdenskans voor een willekeurige Nederlander is circa 10‐4 per jaar, een factor 100 hoger. Het PR is onafhankelijk van de bevolkingsverdeling in de omgeving van de inrichting. Uit het onderzoek blijkt dat er geen PR10‐6/jaar contour wordt berekend. Hierdoor wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico rondom de nieuw aan te leggen buisleidingen, gesteld vanuit het Bevb. Doordat er geen PR10‐6‐contour wordt berekend, zijn er geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten die aan een te hoog plaatsgebonden risico worden blootgesteld. Hiermee wordt voldaan aan de normstelling omtrent kwetsbare objecten in het Bevb.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico wordt beschreven in een zogenaamde F(N)‐curve en is afhankelijk van de bevolkingsverdeling in de omgeving van de inrichting. Op de verticale as wordt de kans weergegeven dat meer dan N‐slachtoffers ten gevolge van het beschouwde scenario komen te overlijden. De kans wordt uitgedrukt in de eenheid 'per jaar'. Op de horizontale as staat het aantal slachtoffers weergegeven. Het groepsrisico kent, in vergelijking tot het plaatsgebonden risico, echter geen strikte normering. Wel wordt er uitgegaan van een oriëntatiewaarde, die recht doet aan risicoaversie (hoe groter de ramp, hoe lager het acceptabele risico). De oriëntatiewaarde geeft een eerste inzicht in het niveau van het risico. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde (= 1) niet overschrijdt. Voor leiding A‐555‐08 is over de gehele lengte van de leiding een maximaal groepsrisico berekend van 6.471E‐004 maal de oriëntatiewaarde, voor die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 11410.00 en stationing 12410.00. Het berekende groepsrisico is over de gehele leiding ruim beneden de oriëntatiewaarde gelegen. Er wordt hierdoor voldaan aan de norm voor het groepsrisico conform het Bevb.

De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico voor het leidingtransport vormt geen belemmering voor het plan, daarom kan een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

38/88

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het is van belang dat de hulpdiensten in geval van een incident het plangebied kunnen bereiken. Hierbij is het van belang dat de toegangsweg voor de hulpdiensten niet geblokkeerd wordt door bouwmateriaal. Het plangebied ligt nabij de A2 en A27. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt.

De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om in bebouwing afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Er is voor de buisleiding geen PR10‐6‐contour berekend en het berekende groepsrisico is over de gehele leiding ruim beneden de oriëntatiewaarde gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.

4.5

Geluid

In de Wet geluidhinder zijn regels met betrekking tot geluid voorgeschreven. Hierin is voorgeschreven dat in bepaalde nieuwe situaties akoestisch onderzoek moet worden verricht. Het gaat daarbij om nieuwe geluidgevoelige functies (zoals woningen en scholen) en om nieuwe geluidveroorzakende functies (zoals wegen en bedrijven). Conclusie De aanleg van een gastransportleiding leidt niet tot een extra geluidbelasting, want dit heeft geen verkeersaantrekkende werking. Tevens is de gasleiding geen geluidgevoelige functie. Onderzoek naar het aspect geluid is daarom niet nodig.

39/88

4.6

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

40 µg/m³

jaargemiddelde concentratie

24‐uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekende mate In dit Besluit niet in betekende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Conclusie De aanleg van de gastransportleiding kan niet onder deze getalsmatige grenzen worden geschaard. Deze ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking en zal daarom niet leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

40/88

4.7

Niet gesprongen explosieven

Als gevolg van gevechtshandelingen kunnen er conventionele explosieven (CE) in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen en beroeren van CE uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane CE vondsten kunnen resulteren in meerwerkkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. Plansituatie Om de risico's als gevolg van de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (CE) bij de aanleg van de nieuwe leiding in te kunnen schatten, is een bureaustudie naar de aanwezigheid van CE uitgevoerd. Het bureauonderzoek betreft een historisch vooronderzoek volgens de WCSC‐OCE. Het vooronderzoek CE is uitgevoerd voor het gehele tracé. In het rapport 'Bureaustudie CE, (d.d. 18‐05‐2021, kenmerk: 455773 ), zijn hiervan de bevindingen beschreven (zie bijlage 10). Op basis van de bevindingen tijdens het historische vooronderzoek naar de aanwezigheid van CE wordt het volgende geconcludeerd:  In het gebied kunnen CE aanwezig zijn als gevolg van de volgende handelingen / gebeurtenissen: 1. Het dumpen van wapens en munitie na de capitulatie. 2. Ontploffing van een munitieschip.

 Als gevolg van de bij het vorige punt genoemde handelingen kunnen de volgende soorten CE aanwezig zijn: 1. Gedumpte munitie. 2. CE verspreidt door de explosie van het munitieschip.  De verdachte gebieden zijn op de bodembelastingkaart in het rapport in bijlage 1 weergegeven.  Na vaststelling van het definitieve tracé kan een strategie voor het vervolgtraject met betrekking tot CE worden opgesteld. Conclusie Het aspect explosieven geeft geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan en de uitvoering van de werkzaamheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12188613/1