CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Facetherziening buisleiding Hoornaar – MR Reijerscop

Raadsvergadering 2 februari 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Bestemmingsplan Facetherziening Buisleiding Hoornaar - MR Reijerscop25.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

utrecht.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=bcc6e7f9aa7c47e6beb8368b1f4c1f9b. https://services.geodan.nl/public/viewer/index.html?config=698af9d9-324d-43bf-b4e79a778f01f6a9&a=OBEHOIVYVSRV. 28 Van Rooij & De Boer, 2011. 26 27

Blad 21 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.3.2

Gespecificeerde archeologische verwachting Datering Op de locaties waar het tracé de stroomgordels kruist kunnen op de oeverwal- en crevasseafzettingen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode vanaf het ontstaan van de betreffende stroomgordel tot het inactief worden. Voor de stroomgordel van Neder-Oudland is er een verwachting op mogelijk ijzertijd en voor Romeinse tijd en middeleeuwen. De stroomgordel IJsselveld-Schuurenburg kan archeologische resten uit de ijzertijd, maar vooral uit de Romeinse tijd en middeleeuwen bevatten. De Stuivenberg-stroomgordel was vooral in de Romeinse tijd aantrekkelijk als vestigingsplaats. Op niet door de Hollandse IJssel geërodeerde delen van de afzettingen van Lampsin (waarop nog geen archeologische resten aangetroffen zijn) en Jutphaas kunnen mogelijk archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd aanwezig zijn. De stroomgordel van Buitenzorg heeft nog niet eerder archeologische resten opgeleverd maar zou op basis van haar datering mogelijk archeologische resten uit het neolithicum tot en met ijzertijd kunnen opleveren. Op de Willeskop-stroomgordel, waarop ook niet eerder archeologische waarden aangetroffen zijn, kunnen op basis van haar datering mogelijk archeologische resten uit het neolithicum tot en met Romeinse tijd aangetroffen worden.

Aan de Achtersloot kunnen mogelijk bewoningsresten aangetroffen worden Ten zuiden van de Oude Wetering ligt in de nabijheid van het plangebied een eendenkooi. In de rest van het plangebied worden op basis van de historische kaarten geen resten uit de nieuwe tijd verwacht. Verder geldt er voor het plangebied een theoretische verwachting voor de periode Tweede Wereldoorlog. Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed zijn echter geen militaire waarden in het gebied aanwezig. Wel is er een schijnvliegveld verder naar het noorden te zien.29 Complextype Vanaf het laat neolithicum tot en met de Romeinse tijd kunnen op de oeverwal- en crevasseafzettingen resten van grotere huizen/nederzettingen worden verwacht, net als schuren, spiekers en opstallen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals perceleringsgreppels. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven. Ook off-site materiaal kan worden verwacht. Uit de middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen eveneens nederzettingen en resten van agrarische activiteit worden verwacht. Omvang De omvang kan variëren van puntvondsten tot nederzettingen van enkele honderden vierkante meters. Diepteligging Sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen direct in of onder de moderne bouwvoor verwacht worden.

Oudere sporen kunnen worden verwacht in de top van de oeverwal- en crevasse-afzettingen van de betreffende stroomgordels.

29

www.ikme.nl

Blad 22 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Naam Stroomgordel

Nummer (Cohen 2012)

Hoogste zand diepte (m +/NAP) onbekend30

Hoogte maaiveld Maximale ter plaatse (m +/verstoringsdiepte NAP) (m +/-NAP) Lampsin+Jutphaas 359 Tussen circa 1,04 -1,16 en 1,5 Neder-Oudland 115 -0,3 – 0,0 Tussen circa 0,64 -1,56 en 0,99 IJsselveld 76 -0,2 - -1,2 Tussen circa 0,29 -1,91 Schuurenburg en 0,45 Stuivenberg 161 -0,2 - -0,8 Tussen circa 0,06 -2,14 en 0, 44 Lampsin 87 -0,4 – 0,0 Tussen circa 0,27 -1,93 en 0,44 Hollandse IJssel31 68 / 356 / 2,1 – 1,6 Tussen circa 1,04 -1,16 362 en 1,5 Buitenzorg 33 -1,1 - -1,4 Tussen circa -0,53 -2,73 en 0,03 Willeskop 187 -4,0 - -6,4 Tussen circa -0,71 -2,91 en -0,68 Tabel 3. Stroomgordels met hoogste ligging van de stroomgordelafzettingen, de hoogte van het maaiveld ter plaatse en de maximale verstoringsdiepte ter plaatse.

Locatie Archeologische sporen worden vooral verwacht op oeverwal- en crevasse-afzettingen. In de rivierkom(vlaktes) geldt een lage verwachting. Bebouwingsresten uit de middeleeuwen/nieuwe tijd kunnen worden aangetroffen langs de Achtersloot, al is dat niet op historische kaarten aanwezig. Ten zuiden van de Oude Wetering lag in de nabijheid van het plangebied een eendenkooi. Uiterlijke kenmerken Laat neolithicum tot en met late middeleeuwen: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch bestaan. Nederzettingen: paalgaten (huizen, spieker, opstallen, schuren), greppels, waterputten (met of zonder houten beschoeiingen) en afvalkuilen. Tussen het laat neolithicum en de bronstijd/ijzertijd: periodespecifieke wijze van het begraven/cremeren van de doden. Middeleeuwen en nieuwe tijd: nederzetting- en ontginningssporen en resten van agrarische landinrichting. Mogelijke verstoringen Er zijn geen specifieke gegevens bekend over recente verstoringen. Mogelijk is de bodemopbouw enigszins verstoord geraakt door recente agrarische activiteiten. Ook kunnen er kabels en leidingen aanwezig zijn die bodemverstoring kunnen hebben veroorzaakt. Eerder onderzoek in de omgeving van het plangebied heeft uitgewezen dat de bodem ter hoogte van de noordelijke (gedempte) eendenkooi verstoord is. Waarschijnlijk betreft het hier de demping van de eendenkooi.

In de directe omgeving van de eendenkooi is de bodem echter in grote mate onverstoord.32 Voor de Jutphaas-stroomgordel is dit 1,7 - -0,6; voor de Lampsin-stroomgordel is dit -0,4 – 0,0. verschillende nummers voor hoofdstroomgordel en de Hollandse IJssel Boven en Boven 2. (zanddiepte horende bij nr 68, onbekend voor de andere nrs.) 32 Pepers, 2014. 30 31

Blad 23 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.4

Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Op de locaties waar het tracé de stroomgordels kruist kunnen op de oeverwal- en crevasseafzettingen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode vanaf het ontstaan van de betreffende stroomgordel tot het inactief worden. Voor de stroomgordel van Neder-Oudland is er een verwachting op mogelijk ijzertijd en voor Romeinse tijd en middeleeuwen. De stroomgordel IJsselveld-Schuurenburg kan archeologische resten uit de ijzertijd, maar vooral uit de Romeinse tijd en middeleeuwen bevatten. De Stuivenberg-stroomgordel was vooral in de Romeinse tijd aantrekkelijk als vestigingsplaats. Op de niet door de Hollandse IJssel geërodeerde delen van de afzettingen van Lampsin (waarop nog geen archeologische resten aangetroffen zijn) en Jutphaas kunnen mogelijk archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd aanwezig zijn. De stroomgordel van Buitenzorg heeft nog niet eerder archeologische resten opgeleverd maar zou op basis van haar datering mogelijk archeologische resten uit het neolithicum tot en met ijzertijd kunnen opleveren. Gezien de diepteligging van bovenstaande stroomgordelafzettingen worden eventuele archeologische resten op deze stroomgordels bedreigd door de geplande werkzaamheden.

Op de Willeskop-stroomgordel, waarop ook niet eerder archeologische waarden aangetroffen zijn, kunnen op basis van haar datering mogelijk archeologische resten uit het neolithicum tot en met Romeinse tijd aangetroffen worden. Gezien de diepe ligging van deze stroomgordelafzettingen worden eventuele archeologische resten op de Willeskop-stroomgordel niet bedreigd door de geplande werkzaamheden. In de rest van het plangebied worden op basis van de historische kaarten geen resten uit de nieuwe tijd verwacht. De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodem in het plangebied verstoord is geraakt en of de verwachting op grond van bekende gegevens ook op basis van de daadwerkelijke veldsituatie kan worden ondersteund. Het uitvoeren van een booronderzoek is een belangrijke stap in het toetsen van de verwachting uit dit bureauonderzoek. Antea Group adviseert dan ook om in het plangebied een archeologisch booronderzoek uit te voeren in de zones waar de leiding door middel van open ontgraving wordt aangelegd. Dit onderzoek vindt plaats in die delen van het gebied waar stroomgordelafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn en die op grond daarvan een middelhoge tot hoge verwachting hebben en/of waarvoor een andere verwachting geldt die niet aan eventuele stroomgordels is gebonden.

Op die locaties wordt een karterend booronderzoek geadviseerd met een boorpuntsafstand van 25 m. In de overgangszones naar de veenkommen met een veelal lage tot gematigde verwachting wordt een onderzoek met een boorpunstafstand van 50 m geadviseerd (verkennende fase).

Blad 24 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

3

Veldonderzoek

3.1

Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende en karterende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Een karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen33: 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? 2. Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en wat zijn hiervan de fysisch geografische kenmerken? 3. Zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die op de aanwezigheid van een vindplaats kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en) en met welke stroomgordel (indien van toepassing) en welk type afzetting zijn deze verbonden? 4.

Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen? 5. Hoe is de overgang van stroomgordel naar komgebied en zijn er in de profielen aanwijzingen te vinden voor (pre)historisch gebruik van de komgebieden? 6. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen? 7. Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt? 8. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? 9. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan?

3.2

Onderzoeksopzet en werkwijze Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in twee fasen:  Fase 1 is uitgevoerd in maart en april 2021 en gebaseerd op het advies uit het bureauonderzoek, bijgewerkt naar het ontwerp-tracé van januari 2021. Hierbij is ervan uitgegaan dat alle delen in open ontgraving (veldstrekking) zouden worden onderzocht door middel van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek (SIKBmethode B2) met boringen op elke 25 m in die delen van het tracé waar stroomgordelafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn en die op grond daarvan een 33

Zoals verwoord in het Plan van Aanpak (Fens, 2021). Het plan van aanpak is niet voorgelegd aan de bevoegde overheid.

Blad 25 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

middelhoge tot hoge verwachting hebben en/of waarvoor een andere verwachting geldt die niet aan eventuele stroomgordels is gebonden. Voor de onderdelen van het tracé die in open ontgraving (veldstrekking) waren gepland, maar waarvoor een lage verwachting geldt, zoals in de overgangsgebied naar de veenkommen, is onderzoek op elke 50 m tracé uitgevoerd (verkennend). Fase 2 is uitgevoerd in december 2021 en gebaseerd op het tracé-ontwerp en de werkterreinindeling van oktober 2021. Alle veldstrekkingen uit dit tracé-ontwerp die nog niet in fase 1 waren onderzocht, zijn alsnog onderzocht met boringen op elke 25 m (verkennend en karterend B2). Bovendien zijn alle werkterreinen en uitlegstroken uit dit ontwerp meegenomen in deze fase van het onderzoek, tenzij in het bestemmingsplan of beleidskaart nadrukkelijk alleen een diepe verwachting gold (bijvoorbeeld dieper dan 1 of 1,5 m). Ter plaatse van de uitlegstroken/werkterreinen wordt immers niet dieper dan 0,7 m -mv verstoord.

Uitvoering veldwerk Datum uitvoering

23, 25 maart en 1, 22, 23 december 2021

Veldteam Weersomstandigheden

R. Fens, senior KNA-prospector, senior KNA-archeoloog I. Fleuren, archeoloog Divers, meestal wisselvallig

Boortype

Edelman 6 cm, guts 2 en 3 cm.

Methode conform Leidraad SIKB

–Karterend booronderzoek: B2 (arch. laag): 20 x 25 m - 3 cm guts boormes Boringen: 1601-1655, 1675-1678 en 704, 1679-1684

Motivatie boormethode

Verkennend booronderzoek De methode betreft voor de lage verwachtingsgebieden een verkennend onderzoek met één boring per 50 m. De boordichtheid van 50 m is een beproefde methode om de verwachting te toetsen en om de aard van de bodemopbouw en bestaande verstoringen in kaart te brengen. Vindplaatsen worden met deze methode echter niet opgespoord. Daarvoor is een eventueel nader karterend onderzoek nodig. Boringen: 681-703 Karterend onderzoek Methode B2 is erop gericht vindplaatsen te herkennen met een archeologische laag, waarvan het complex een middelgrote omvang heeft, zoals een nederzetting. Vindplaatsen kunnen met deze methode worden opgespoord en daarnaast biedt de methode (met guts) de kans op een nauwkeurige lithologische beschrijving en fysisch geografische interpretatie en daarmee is het ook een landschappelijke kartering. De landschappelijke kartering is vervolgens ook de toets van de archeologische verwachting. De methode is niet geschikt voor het opsporen van kleinschalige vindplaatsen of vindplaatsen met een lichte materiaalscatter (en zonder archeologische laag). Boringen: 1601-1655, 1675-1678 en 704, 1679-1684.

Aantal boringen

79

Diepte boringen

Uitgaande van een aanleg op 2 m -mv en diepere putten ter plaatse van de HDD-boringen worden de boringen doorgezet tot een diepte van 2,5 m (in de praktijk meestal 3 m -mv) respectievelijk 4 m -mv, dan wel tot in het beddingzand.

Blad 26 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleo-landschap

Voor werkterreinen (zonder open ontgraving) is een diepte van 1,2 m als minimaal vereiste boordiepte aangehouden op basis van een geplande ingreep tot 0,7 m -mv. Deze boringen zijn echter ten behoeve van de landschappelijke reconstructie doorgezet tot in het beddingzand of tot 2,5 m. Omdat het tracé hoofdzakelijk noord-zuid gericht is en de stroomgordels hoofdzakelijk oost-west gericht zijn, worden deze over het algemeen dwars doorsneden door het tracé. Deze omstandigheid verhoogt de herkenbaarheid in het profiel van de bedding, de oevers en de kom en derhalve ook van de kansrijke en kansarme zones. Dit is met name het geval ter hoogte van boringen 1601-1655, waar de stroomgordel van Stuivenberg wordt doorsneden. Boringen 1601-1624 lopen in west-oostelijke richting en volgen de loop van de stroomgeul. Het tracégedeelte ter hoogte van boringen 1633-1655 loopt in zuid-noordelijk richting, waardoor de stroomgordel dwars doorsneden wordt.

3.3

Wijze inmeten boringen

Toughpad GPS

Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering

-

Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering Afwijkingen t.o.v. PvA

n.v.t.: slechte vondstzichtbaarheid

Doelen en wensen opdrachtgever Randvoorwaarden

Niet bekend

NEN 5104/ASB snijden/verbrokkelen, doorwoelen en visuele inspectie van de boorkernen n.v.t.

Niet aan de orde: geen vondstzichtbaarheid aan het oppervlak -

Geen

Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3 en de situatiekaart in de kaartenbijlage. In het raaiprofiel in bijlage 3 zijn alle 79 boringen op volgorde en op absolute hoogte gerangschikt en deze weergave vormt de beste basis voor de landschappelijke interpretatie van de boorprofielen, daarbij geholpen met gegevens zoals verzameld in het bureauonderzoek, met name de digitale kaart van fossiele stroomgordels.34 Het raaiprofiel beschrijft de ondergrond van zuid naar noord en hierin is te zien dat plangebied meerdere stroomgordels doorsnijdt. Tussen deze stroomgordels liggen de veenkommen. Hieronder volgt een puntsgewijze opdeling in en algemene karakteristiek te herkennen aan de hand van de landschappelijke reconstructie uit het raaiprofiel. In paragraaf 3.3.2 zal in meer detail op individuele boorprofielen en archeologische verwachting (kansrijke en kansarme zones) worden ingegaan. 34

Cohen et al. 2012.

Blad 27 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

3.3.1

Bodem, lithologie en interpretatie Het plangebied bevindt zich grotendeels in een relatief laaggelegen komgebied dat omringd wordt door verschillende hoger gelegen stroomgordels. Deze stroomgordels zijn prominent aanwezig in het landschap en duidelijk te zien op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN; afbeelding 13). In het noordelijke gedeelte van het plangebied, ter plaatse van boringen 702 t/m 704 zijn volgende de stroomgordelkaart van Cohen en het AHN stroomgordels in de ondergrond aanwezig. Het betreft de stroomgordel van Stuivenberg (stroomgordel-ID 161; 39603180 BP), de stroomgordel van Neder-Oudland (stroomgordel-ID 115; 4455-3950), de stroomgordel van Lampsin (stroomgordel-ID 87; 4365-3100 BP) en de stroomgordel van IJsselveld-Schuurenburg (stroomgordel-ID 76; 3200-2715 BP). Het plangebied wordt hier onder van noord naar zuid beschreven.

1675 – 1678 en 704

681 - 703

1679 - 1684

(1637 – 1655)

1601 - 1636

Afbeelding 13. Het plangebied (bij benadering) op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN). (Bron: Esri en partners).

3.3.1.1

Boringen 704 en 1675-1678: stroomgordels (Neder-Oudland, IJsselveldSchuurenburg en / of Lampsin stroomgordel) Boring 704 en 1675-1678 Deze boringen bevinden zich ten zuiden van de Hollandsche IJssel en liggen aanzienlijk hoger in het landschap dan de boringen aan de zuidkant van het plangebied. Boringen 1675-1677 bestaan uit een dik pakket (kom)klei met hierboven een 0,55 tot 0,8 m dikke laag omgewerkte grond. In boring 1675 is de komklei stijf en bevat deze baksteen- en

Blad 28 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

houtskoolspikkels. Ook op grotere diepte zijn nog houtskoolspikkels waargenomen. Ook boring 1676 bevat wat baksteen in de (stevige) komklei. In boring 1677 is de klei tevens stijf, en bevat deze op een diepte van 1,1 tot 1,3 m-mv (0,3 tot 0,5 m -NAP) een vegetatiehorizont. In boring 1678 bestaat de basis uit een oeverwalachtig pakket van matig stevige en sterk siltige klei met siltlaagjes. De klei is matig roesthoudend met roestvlekken en ligt op een begindiepte van 0,95 m-mv (0,15 m -NAP). Verder is in deze boring in de komklei onder de bouwvoor een stijve vegetatiehorizont waargenomen. Het oeverwalachtige materiaal behoort tot een van de stroomgordels die in deze zone aanwezig zijn, namelijk de IJsselveld-Schuurenburg, Lampsin en/of Neder-Oudland stroomgordels. Ter plaatse van boring 704 bestaat de bovenste 1,5 m uit omgewerkte grond. Het pakket bevat brokken baksteen en beton en is zwak tot matig zandige klei en fijn zand. Mogelijk bevat het pakket verstoorde oeverafzettingen van de IJsselveld-Schuurenburg en/of Lampsin stroomgordel(s). Hieronder volgt een dun laagje matig slappe en sterk siltige, neutraalgrijze klei. Tussen de 1,6 en 1,8 m-mv (0,8 tot 1 m -NAP) is de klei stevig, matig roesthoudend en bevat deze spikkels baksteen. Hierna volgt tot de einddiepte van 4 m-mv een heterogeen pakket matig slappe klei met veel rietresten, zandlagen en humeuze niveaus.

3.3.1.2

Komgebied en stroomgordel van Lampsin: boringen 681-703 en 1679-1684 Boringen 681-703 De bodemopbouw bestaat over het algemeen uit een dunne bouwvoor met hieronder een laag matig siltige en zwak tot matig roesthoudende komklei (afbeelding 14). In het zuidelijke gedeelte van het plangebied (boringen 681 t/m 693) volgt hieronder een laagje matig kleiig veen met veel plantenresten en wat hout. Het veen wordt gevolgd door een dikke laag sterk siltige en zwak humeuze klei. De klei bevat een afwisseling van venige en kleiige lagen en veel plantenresten. Vanaf boring 695 bevat het bodemprofiel geen laagje veen meer, maar een stevig tot stijf vegetatielaagje. Deze klei komt in noordwaartse richting steeds hoger te liggen (van een diepte van 0,8 m-mv in boring 695 tot een diepte van 0,3 m-mv in boring 703). Onder het vegetatieniveau volgt een pakket matig siltige klei met roestvlekken, gevolgd door een laag matig siltige klei met veenlaagjes en plantenresten. In boring 697 volgt hieronder nog, op een diepte van 2,7 m-mv (3,3 -NAP), een laag uiterst siltige en matig zandige klei met zandlagen en humeuze laagjes. Mogelijk betreft het afzettingen behorende tot de Neder-Oudland stroomgordel (stroomgordel-ID 115) Vanaf boring 701 bestaat de ondergrond uit sterk siltige klei met plantenresten. In boring 702 vertoont deze laag restgeulachtige kenmerken.

In boring 703 is vanaf 1,35 m-mv (1,75 m -NAP) een oeverwalachtig pakket aangetroffen. Het pakket bestaat uit een laag uiterst siltige en matig roesthoudende klei met wat siltlaagjes, gevolgd door uiterst siltige en uiterst zandige klei met veel zandlagen. Mogelijk zijn de oeverwalafzettingen onderdeel van de Lampsin stroomgordel (stroomgordel-ID 87).

Blad 29 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 14. Dwarsprofiel boringen 681-703. Goed te zien is het oplopende profiel waarbij de veenlaag op humeuze of venige klei geleidelijk overgaat in een vegetatiehorizont op een stroomrug.

Boringen 1679-1684 Boringen 1681-1684 bestaan uit een dik pakket geul- en komafzettingen. De klei is matig tot uiterst siltig en bevat in de basis humeuze trajecten, plantenresten en schelpenresten. Naar boven toe wordt het pakket iets steviger en siltiger. In boring 1679 bestaat de basis uit beddingzand (zeer fijn, matig siltig), met hierboven op een oeverwal (matig stevige, matig zandige en sterk siltige klei, met wat roest en zandlaagjes). Ook in boring 1680 is een oeverwal aanwezig (maar geen beddingzand). De oeverwallen zijn gelegen op een diepte van 0,8 respectievelijk 0,5 m-mv / (0,6 respectievelijk 0,4 m -NAP). Hierboven volgt een laag(je) komklei onder een laag omgewerkte grond. In boring 1682-1684 is deze laag matig stevig tot stijf en zwak tot matig humeus. In boring 1684 bevat de laag veel vegetatievlekken, maar er heeft zich geen duidelijke vegetatielaag ontwikkeld. Het bedding- en oeverwal(achtige) materiaal behoort mogelijk tot de stroomgordel van Lampsin.

Blad 30 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

3.3.1.3

Boringen 1601-1655: Stroomgordel van Stuivenberg (stroomgordel-ID 161; 3960-3180 BP) Op het AHN en de stroomgordelkaart is duidelijk te zien dat deze locatie zich op de stroomgordel van Stuivenberg bevindt. Boringen 1601-1624 lopen in west-oostelijke richting en volgen de loop van de stroomgeul (afbeelding 15). Het tracégedeelte ter hoogte van boringen 1633-1655 loopt in zuid-noordelijk richting, waarbij de stroomgordel dwars doorsneden wordt (afbeelding 16). In het huidige ontwerp van het werkterrein (d.d. november 2021) vinden ter plaatse van boringen 1637-1655 géén vergravingen plaats. West-oost profiel: boringen 1601-1624 De boringen op deze locatie zijn tot een diepte van 1,2 m-mv doorgezet, aangezien er op deze locatie een toegangsweg wordt aangelegd. Met de voorgenomen werkzaamheden zal de bodem op deze locatie niet tot grote diepte worden verstoord. Over het algemeen bestaat de bodemopbouw, van onder naar boven, uit beddingzand, al dan niet afgedekt met een gelaagd, geulachtig pakket, gevolgd door een oeverwalachtige laag. Hierboven volgt een laagje komklei onder een omgewerkte bouwvoor. Het beddingzand ligt in het oostelijke gedeelte wat hoger dan in het westelijke gedeelte, terwijl de oeverwallen wat dikker zijn in het westelijke gedeelte.

Op het AHN is duidelijk te zien dat de tracélijn in westelijke richting ook wat dichter bij de ‘rand’ en dus de oeverzone van de stroomrug ligt. Het beddingzand is aangetroffen op een diepte van 0,75 m-mv (0,45 m -NAP; boring 1601) tot 1,5 m-mv (1,2 m -NAP; boring 1623) en bestaat in het oostelijke gedeelte uit matig tot zeer grof, en zwak tot matig siltig zand met wat roest. In het westelijke gedeelte (vanaf boring 1616) is het beddingzand echter minder grof (matig tot zeer fijn zand) en bevat het ook geen roest meer. De oeverwal of oeverwalachtige laag is op een gemiddelde diepte van circa 0,5 m-mv (circa 0,3 m -NAP) aangetroffen en ligt plaatselijk direct onder de bouwvoor. Het pakket bestaat over het algemeen uit sterk siltige en matig tot sterk zandige klei met zandlagen. Verder is de laag zwak tot matig roesthoudend en in de meeste gevallen matig slap tot matig stevig. In een enkele boring is de laag stevig te noemen (boring 1606, 1613, 1622), maar nergens zijn duidelijke tekenen van rijping waargenomen. De al dan niet aanwezige komklei is matig stevig tot stevig, matig siltig en zwak roesthoudend. In boring 1606 is het pakket gerijpt (stijf en veel roestvlekken) en in boringen 1619 en 1620 is de klei stijf met wat vegetatievlekken. Er zijn echter nergens duidelijke vegetatiehorizonten of (niet onverstoorde) humeuze lagen aangetroffen.

Blad 31 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 15. Dwarsprofiel boringen 1601-1624.

Zuid-noord dwarsdoorsnede: (1625-1632 en) 1633-1655 Met boringen 1625 t/m 1655 is een duidelijk dwarsprofiel van de Stuivenberg stroomgordel in beeld gebracht. Boornummers 1633 t/m 1655 betreffen het zuid-noord gerichte lengte tracé (afbeelding 16). Boringen 1625 t/m 1632 betreft een cluster aan boringen aan de zuidzijde van het tracé, op de geplande locatie van een werkterrein. In boringen 1625 t/m 1636 is geen beddingzand in de ondergrond aangetroffen, en bestaat de basis uit geul- of komafzettingen. De geulafzettingen bestaan over het algemeen uit gelaagd kleiig zand of zandige klei met humeuze laagjes en/of plantenresten. In de helft van deze boringen zijn boven op de geul oeverwalachtige afzettingen aangetroffen (boringen 1625, 16271629, 1631-1632, 1635), bestaande uit zwak zandige en sterk siltige klei met silt- en/of zandlaagjes en wat roest. Daarnaast is in de meeste boringen een vegetatiehorizont in de komklei aangetroffen. In boringen 1625 en 1628 is deze laag uiterst humeus, stijf en direct op het oeverwalachtige materiaal gelegen. In boringen 1629 en 1633 tot en met 1636 is de laag aanwezig in een pakket komklei, stijf en ook uiterst humeus. Daarnaast bevatten ook boringen 1631 en 1635 een iets minder prominente vegetatielaag/vegetatielaagje in de komklei op oeverwalachtige afzettingen.

In boringen 1637 t/m 1652 bestaat de basis van het profiel uit beddingzand, al dan niet afgedekt met een geulachtige laag, en in veel gevallen gevolgd door een oeverwal of oeverwalachtige laag. Hierboven volgt een pakket komklei onder een bouwvoor. Het beddingzand is in boring 1637 op 1,9 m-mv (1,8 m-NAP) aangetroffen. Vervolgens loopt de hoogte van het zand op tot 0,6 m-mv (0,4 m -NAP) in boring 1646 (om vervolgens weer in hoogte af te nemen). Het beddingzand is kalkrijk, aan de randen van de stroomrug zeer fijn, en in het midden matig fijn tot matig grof. De oeverwal of het oeverwalachtige materiaal is aangetroffen op een gemiddelde diepte van 0,5 m-mv (0,3 m -NAP), maar is een aantal boringen direct onder de bouwvoor aangetroffen (bijvoorbeeld in boring 1637 op een diepte van 0,15 m-mv /0,05 m -NAP). Het oeverwalachtige materiaal is over het algemeen matig slap tot matig stevig en bestaat uit sterk siltige en zwak zandige klei met wat roest en silt-/zandlaagjes en vertoont geen duidelijke rijpingskenmerken.

Blad 32 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Boring 1642 is het hoogst gelegen punt en bevindt zich op een hoogte van 0,3 m +NAP. In deze boring is in de komklei onder de bouwvoor een stijve en donkerzwartgrijze vegetatiehorizont aangetroffen. Ook in boring 1640 is een stijve en relatief dikke (45 cm) vegetatielaag aangetroffen. In de nabijgelegen boringen (1638, 1639, 1641) is ook nog een matig humeus of gevlekt laagje aangetroffen onder de bouwvoor. In boring 1638 ligt het laagje direct op een oeverwalachtige laag. In boringen 1653 en 1654, de noordelijke rand van de stroomrug, is wederom geen beddingzand aanwezig. Het boorprofiel bestaat uit een dik pakket geul- en komafzettingen. De komklei onder de bouwvoor is stijf, humeus en bevat veel vegetatievlekken.

Afbeelding 16. Dwarsdoorsnede Stuivenberg stroomgordel (boring 1629-1655).

Blad 33 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

3.3.2

Archeologie Binnen het plangebied zijn afzettingen aangetroffen die zijn toe te schrijven aan de verschillende stroomgordels die in het gebied gelopen hebben. In principe kunnen er archeologische resten worden verwacht in de top van het beddingzand en de (gerijpte) top van de oeverwalafzettingen. Voor de stroomgordel van Neder-Oudland is er een verwachting op mogelijk ijzertijd en voor Romeinse tijd en middeleeuwen. De stroomgordel IJsselveld-Schuurenburg kan archeologische resten uit de ijzertijd, maar vooral uit de Romeinse tijd en middeleeuwen bevatten. Op niet door de Hollandse IJssel geërodeerde delen van de afzettingen van Lampsin (waarop nog geen archeologische resten aangetroffen zijn) kunnen mogelijk archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd aanwezig zijn. Op de stroomgordel van Stuivenberg kunnen resten uit de Romeinse tijd worden aangetroffen. Over het algemeen zijn er geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Een uitzondering hierop vormen de baksteenspikkels en houtskoolspikkels die zijn aangetroffen in het noordelijke gedeelte van het gebied (locatie boringen 1675-1678 en boring 704). Ter hoogte van boringen 1675-1678 zijn in de lagen onder de bouwvoor archeologische indicatoren aangetroffen. In boring 1675 is de komklei stijf en bevat deze baksteen- en houtskoolspikkels.

Ook op grotere diepte zijn nog houtskoolspikkels waargenomen. Ook boring 1676 bevat wat baksteen in de (stevige) komklei. Daarnaast zijn boring 704 zijn op een diepte van 1,6 m-mv baksteenspikkels aangetroffen in een half-gerijpte (mogelijke) top van een restgeul. Verder geldt er een archeologische verwachting voor de (stijve) vegetatieniveaus in de klei. In deze lagen zijn echter géén archeologische indicatoren aangetroffen. Met betrekking tot de boringen in het veenkomgebied kan worden gesteld dat de afwezigheid van indicatoren naar alle waarschijnlijkheid duidt op de afwezigheid van een vindplaats. De stroomgordels in de direct omgeving van dit gebied bieden betere bewoningslocaties. De vegetatiehorizont kenmerkt een rustige periode in de sedimentatie met plantengroei en zwakke bodemvorming.

Blad 34 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

4

Conclusies en advies

4.1

Conclusies 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Het plangebied bevindt zich grotendeels in een relatief laaggelegen komgebied dat omringd wordt door verschillende hoger gelegen stroomgordels. Deze stroomgordels zijn prominent aanwezig in het landschap en duidelijk te zien op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN; afbeelding 13). In de verschillende deelgebieden zijn deze stroomgordels in de ondergrond aangetroffen. Het betreft de stroomgordel van Stuivenberg (stroomgordel-ID 161; 3960-3180 BP), de stroomgordel van Neder-Oudland (stroomgordel-ID 115; 4455-3950), de stroomgordel van Lampsin (stroomgordel-ID 87; 4365-3100 BP) en de stroomgordel van IJsselveldSchuurenburg (stroomgordel-ID 76; 3200-2715 BP). In het noordelijke gedeelte van het plangebied, ter plaatse van boringen 704 en 1675-1679, bestaat de ondergrond uit een dik pakket komklei waarin ook stevige en humeuze kleilagen zijn aangetroffen. In boring 1678 en 704 zijn ook (verstoorde) oeverwalachtige lagen aangetroffen. In meerdere boringen zijn houtskoolspikkels en/of baksteenspikkels aangetroffen, ook op grotere diepte. Het gros van boringen 681 t/m 703 is gelegen in een (veen)komgebied. De bodemopbouw bestaat over het algemeen uit een dunne bouwvoor met hieronder een laag matig siltige en zwak tot matig roesthoudende komklei.

In het zuidelijke gedeelte van het plangebied (boringen 681 t/m 693) volgt hieronder een laagje matig kleiig veen met veel plantenresten en wat hout. Het veen wordt gevolgd door een dikke laag sterk siltige en zwak humeuze klei. De klei bevat een afwisseling van venige en kleiige lagen en veel plantenresten. Vanaf boring 695 richting het noorden bevat het bodemprofiel geen laagje veen meer, maar een stevig tot stijf vegetatielaagje. Deze klei komt in noordwaartse richting steeds hoger te liggen. In boring 697 volgt hieronder nog, op een diepte van 2,7 m-mv, een laag uiterst siltige en matig zandige klei met zandlagen en humeuze laagjes. In boring 703 is vanaf 1,35 m-mv (1,75 m -NAP) een oeverwalachtig pakket aangetroffen. Het pakket bestaat uit een laag uiterst siltige en matig roesthoudende klei met wat siltlaagjes, gevolgd door uiterst siltige en uiterst zandige klei met veel zandlagen. Boringen 1681-1684 bestaan uit een dik pakket geul- en komafzettingen. In boring 1679 bestaat de basis uit beddingzand met hierboven op een oeverwal. Ook in boring 1680 is een oeverwal aanwezig (maar geen beddingzand). Hierboven volgt een laag(je) komklei onder een laag omgewerkte grond. In boring 1682-1684 is deze laag matig stevig tot stijf en zwak tot matig humeus.

In boringen 1601-1655 bestaat de bodemopbouw, van onder naar boven, over het algemeen uit beddingzand, al dan niet afgedekt met een geulachtig pakket, en in veel gevallen gevolgd door een oeverwal of oeverwalachtige laag. Hierboven volgt een laagje komklei onder een omgewerkte bouwvoor. Daarnaast is in de meeste boringen een vegetatiehorizont in de komklei aangetroffen. Voor nadere details omtrent de bodemopbouw wordt verwezen naar hoofdstuk 3.3.1.

Blad 35 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2. Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en wat zijn hiervan de fysisch geografische kenmerken? Binnen het plangebied zijn mogelijke afzettingen behorende bij de Neder-Oudland, IJsselveldSchuurenburg, Lampsin en Stuivenberg stroomgordels aangetroffen. Het oeverwal(achtige) pakket bestaat over het algemeen uit sterk siltige en matig tot sterk zandige klei met zandlagen. Verder is de laag zwak tot matig roesthoudend en in de meeste gevallen matig slap tot matig stevig. Het beddingzand bestaat over het algemeen uit zeer grof tot zeer fijn en zwak tot matig siltig zand. Het beddingzand is aangetroffen op een diepte van 0,75 m-mv (0,45 m -NAP; boring 1601) tot 1,5 m-mv (1,2 m -NAP; boring 1623) aangetroffen en bestaat in het oostelijke gedeelte uit matig tot zeer grof, en zwak tot matig siltig zand met wat roest. In het westelijke gedeelte (vanaf boring 1616) is het beddingzand echter minder grof (matig tot zeer fijn zand) en bevat het ook geen roest meer. Daarnaast is in boring 704 op een diepte van 1,35 m-mv (1,75 m -NAP) een laagje sterk siltige klei aangetroffen. Het betreft de top van een onderliggende (mogelijke) restgeul. De klei is niet gelaagd, maar vertoont wel rijpingskenmerken (stevig, roesthoudend). 3.

Zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die op de aanwezigheid van een vindplaats kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en) en met welke stroomgordel (indien van toepassing) en welk type afzetting zijn deze verbonden? In de meest noordelijke zone, ter hoogte van boringen 1675-1679 zijn in de lagen onder de bouwvoor archeologische indicatoren aangetroffen. In boring 1675 is de komklei stijf en bevat deze baksteen- en houtskoolspikkels. Ook op grotere diepte zijn nog houtskoolspikkels waargenomen. Ook boring 1676 bevat wat baksteen in de (stevige) komklei. Daarnaast zijn boring 704 zijn op een diepte van 1,6 m-mv baksteenspikkels aangetroffen in een half-gerijpte (mogelijke) top van een restgeul. 4. Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen? In principe kunnen er archeologische resten worden aangetroffen in de top van het beddingzand en de (gerijpte) top van de oeverwalafzettingen. Verder betreffen de (stijve) vegetatieniveaus in de klei mogelijk relevante archeologische lagen In de noordelijke zone (nabij de Hollandsche IJssel) is een oeverwalachtig pakket vanaf 0,95 m-mv (0,15 m -NAP) aangetroffen.

Daarnaast bevat een dik pakket omgewerkte grond in boring 704 mogelijk resten van oeverafzettingen en zijn tevens op grotere diepte (1,6 en 1,8 m-mv (0,8 tot 1 m -NAP) nog matig gerijpte afzettingen van een stroomgordelsysteem aangetroffen. In boringen 1601-1624 is het beddingzand van de Stuivenbergse stroomgordel aangetroffen op een diepte van 0,75 m-mv (0,45 m -NAP; boring 1601) tot 1,5 m-mv (1,2 m -NAP; boring 1623) en bestaat in het oostelijke gedeelte uit matig tot zeer grof, en zwak tot matig siltig zand met wat roest. In het westelijke gedeelte (vanaf boring 1616) is het beddingzand echter minder grof (matig tot zeer fijn zand) en bevat het ook geen roest meer. Het beddingzand is in boring 1637 op 1,9 m-mv (1,8 m-NAP) aangetroffen. Vervolgens loopt de hoogte van het zand op tot 0,6 m-mv (0,4 m -NAP) in boring 1646 (om vervolgens weer in hoogte af te nemen). Het beddingzand is kalkrijk, aan de randen van de stroomrug zeer fijn, en in het midden matig fijn tot matig grof. De oeverwal of oeverwalachtige laag ligt in het zuidelijke gedeelte van het plangebied op een gemiddelde diepte van circa 0,5 m-mv (circa 0,3 m -NAP) en is plaatselijk direct onder de

Blad 36 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

bouwvoor (maar zonder intacte top) gelegen. Hoewel deze afzettingen op veel locaties zijn aangetroffen, vertonen ze over het algemeen zwakke vormen van rijping. Daarnaast is in boring 703 is op een dieper niveau (vanaf 1,35 m-mv /1,75 m -NAP) nog een mogelijk een oeverwalachtig pakket aangetroffen Verder zijn op meerdere locaties stevige tot stijve vegetatiehorizonten in de komklei aangetroffen. Deze lagen bevinden direct onder de bouwvoor, maar plaatselijk betreft het ook een niveau dat in een dikker pakket komklei is gevormd. In boringen 1625 en 1628 is deze laag uiterst humeus, stijf en direct op het oeverwalachtige materiaal gelegen. In boringen 1629 en 1633 t/m 1636 is de laag aanwezig in een pakket komklei, stijf en ook uiterst humeus. Verder bevatten ook boringen 1640 en 1642 een stijve en donkerzwartgrijze vegetatiehorizont. 5. Hoe is de overgang van stroomgordel naar komgebied en zijn er in de profielen aanwijzingen te vinden voor (pre)historisch gebruik van de komgebieden? Boringen 681-703 bevinden zich in een (veen)komgebied. Vanaf boring 695 (in noordelijke richting) en 1655 (in zuidelijke richting) komen de stroomgordels steeds prominenter in beeld en bevat het bodemprofiel geen laagje veen meer. Wel zijn er in de boringen zonder veen veelal stevige tot stijve vegetatielaagjes aanwezig. Deze klei komt in noordwaartse en zuidwaartse richting steeds hoger te liggen.

Er zijn in de profielen geen aanwijzingen aangetroffen voor prehistorisch gebruik van de komgebieden. 6. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen? Indien de geplande werkzaamheden in open ontgraving plaatsvinden, bestaat de kans dat er in de ondergrond aanwezige archeologische lagen verstoord zullen raken. In het gebied zijn meerdere zones aan te wijzen waar de kans op het aantreffen van archeologica in de ondergrond groot wordt geacht. Concreet gaat het hierbij om drie zones: Zone 1: Gehele noordelijke zone: boringen 1674-1678 en 704 Concreet gaat het hierbij om de zone ter plaatse van boringen 1675-1679, 704. Op deze locatie zijn archeologische indicatoren (baksteenspikkels) aangetroffen in een half gerijpte top van een mogelijke restgeul of oeverwal, en ook (tot in grotere diepte) in de stijve komklei van meerdere boringen. Zone 2: 1625 t/m 1642: Stroomrug Stuivenberg In deze zone zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel betreft het een cluster waarbij in de meeste boringen stevige vegetatiehorizonten zijn aangetroffen in de komklei of op oeverwal(achtige) afzettingen. Deze zone bevindt zich direct aan de rand van en midden op de stroomrug van Stuivenberg, waardoor de kans op het aantreffen van archeologische resten in deze zone als verhoogd wordt ingeschat.

Daarnaast zal de bodem ter plaatse van de zuidelijke rand van de stroomrug in verband met de realisatie van een werkterrein tot op grotere diepte worden verstoord dan de overige delen van het plangebied. Binnen dit gebied vinden grondroerende werkzaamheden plaats ter hoogte van boringen 1625-1636. Zone 3: Eendenkooi zuidzijde Oude Wetering Verder dient er te worden opgemerkt dat er ten zuiden van de Oude Wetering mogelijke resten verwacht kunnen worden van een eendenkooi die in 1738 en 1850 op historische kaarten op deze locatie is aangeduid. Het gebied zelf is tijdens het onderhavige booronderzoek niet verder

Blad 37 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

onderzocht, aangezien voor deze zone reeds een archeologische advies en selectiebesluit ligt.35 Bij eerder onderzoek zijn ter plaatse van de eendenkooi dempingslagen aangetroffen die geen behoudenswaardige vindplaats vertegenwoordigen. De gemeente heeft echter aangegeven dat er wel degelijk sprake is van behoudenswaardigheid en het verdient dan ook de aanbeveling om deze resten in situ te bewaren. De eendenkooi wordt in het huidige plan voor het werkterrein (d.d. november 2021) niet doorsneden met een werkstrook (zie afbeelding 17), terwijl de HDD-boring hier ruim onderdoor gaat.

Afbeelding 17. Ligging van de eendenkooi op de kaart uit circa 1850, detailweergave van afbeelding 10 (bron: Esri & partners).

7. Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt? In zone 3 is door planaanpassing de kans op verstoring vermeden (in eerder ontwerp werd de eendenkooi doorsneden door een werkstrook. De verstoring ter plaatse van zone 1 en 2 is niet te vermijden, aangezien dit precies HDD-werkputten betreft. 8. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? De resultaten stemmen grotendeels overeen met de verwachtingen zoals opgesteld in de bureaustudie. Binnen het plangebied zijn afzettingen aangetroffen die zijn toe te schrijven aan de verschillende stroomgordels die in het gebied gelopen hebben. De afzettingen vertonen echter over het algemeen slechts zwakke tot matige tekenen van rijping.

35

Pepers, 2014.

Blad 38 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

9. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie paragraaf 4.2.

4.2

(Selectie)advies Aanbevolen wordt om de werkzaamheden ter plaatse van boring 1675-1679 en 704 (omvang advieszone 10.800 m2, afbeelding 18), en ter plaatse van boringen 1625-1636 (omvang advieszone 5600 m2, afbeelding 19) archeologisch te laten begeleiden. Op beide locaties kunnen binnen de 0,4 m -mv archeologische waarden in de ondergrond worden aangetroffen. Op beide plaatsen is een HDD-put gepland, zodat bodemverstoringen hier aan de orde zijn. Voor het omliggende werkterrein geldt dat bodemverstoring kan worden ontzien, door niet dieper dan de teelaarde 0,4 m -mv te verstoren (bijvoorbeeld door de aanleg van een tijdelijk stabiliserend dek). Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn, dient op het werkterrein een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Een archeologische proefsleuvenonderzoek (conform BRL4000 protocol 4003) of begeleiding (conform BRL4000 protocol 4004) vindt plaats onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (opgesteld conform BRL4000, protocol 4001). De attentiezone ter plaatse van de gedempte eendenkooi is door planaanpassing effectief beschermd (afbeelding 20). Daarnaast adviseren wij de overige locaties vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Dit rapport en de adviezen hierin dienen ter beoordeling te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid.

Zij zal, op voorspraak van haar adviseur, op basis hiervan overgaan tot een selectiebesluit. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Antea Group Heerenveen, maart 2022

Blad 39 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 18. Advieskaart vervolgonderzoek (zone 1). Bron: Esri & partners.

Afbeelding 19. Advieskaart vervolgonderzoek (zone 2). Bron: Esri & partners.

Blad 40 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 20. Attentiegebied eendenkooi (zone 3), conform de huidige plannen zijn hier geen maatregelen noodzakelijk. Bron: Esri & partners.

Blad 41 van 45

Antea Group Archeologie 2021/77 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Literatuur en geraadpleegde bronnen Barends et al., 1986: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Berendsen, H.J.A., 2004 (4e druk): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Pierik, H.J. en Geurts, A.H., 2012: Digitaal basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Fens, R., 2021. Plan van Aanpak Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen. Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht, gemeente Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfherenlanden en Molenlanden. Antea Group, Heerenveen. Groot, R.W. de, 2011: Plangebied Stuivenbergweg, gemeente IJsselstein; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven). RAAP-rapport 2202. RAAP Archeologisch Adviesbureau b.v., Weesp. Jonge, N. de, 2015: Achtersloot 113a te IJsselstein (Utrecht). Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek. ADC Rapport 3115. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Jongmans, A.G., M.W. van den Berg, M.P.W. Sonneveld, G.J.W.C. Peek & R.M van den Berg van Saparoea, 2013. Landschappen van Nederland; geologie, bodem en landgebruik. Wageningen Academic Publishers, Wageningen. Kant, K.M. van der, en J.W.

Oudhof, 2016: Archeologisch bureauonderzoek Achtersloot 103 IJsselstein. B16-300. Buro de Brug. Koekkelkoren, A.M.H.C. & S. Moerman, 2012: Stuivenbergweg 9, IJsselstein. Gemeente IJsselstein. Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. IDDS Archeologie rapport 1433. IDDS, Noordwijk. Krol, T.N., 2012: Archeologisch bureau- en booronderzoek Stuivenberg 11 te IJsselstein, gemeente IJsselstein (UT). MUG-publicatie 2012-78. MUG Ingenieursbureau b.v., Leek. Moerman, J. & S. Blom, 2009: Archeologisch bureauonderzoek & IVO verkennende fase: Stuivenbergweg, IJsselstein, gemeente IJsselstein. Becker en Van de Graaf-rapport 810. Becker & Van de Graaf bv, Noordwijk. Nater, C.I. en V. Van Looveren, 2019. Bureauonderzoek Gasunie-tracé Hoornaar-ReijerscopUtrecht; gemeente IJsselstein. Antea Group Archeologie 2019/121. Antea Group, Oosterhout. Pepers, K.H.J., 2014: IJsselstein, Plangebied Stuivenbergweg 15. Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC Rapport V-13.0288. BAAC bv, ’s-Hertogenbosch. Rooij, J.A.G. van & A. de Boer, 2011: Onderbouwing bij het geactualiseerde archeologiebeleid van de gemeente IJsselstein. ADC-rapport 2743. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort.

Blad 42 van 45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12188613/1