CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

6.1 Uitvoeringsagenda Integraal Ruimtelijk Perspectief

Commissie Ruimte 13 mei 2025, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven23.372 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zoektocht naar schuifruimte voor bedrijvigheid in de regio. (Foto: Gaasperwaard, Vianen)

29

koppeling plaatsvinden met de hierboven genoemde opgave. Ook is het nodig om het gesprek te voeren over het oppervlak aan regionale bedrijventerreinen dat nog gerealiseerd kan worden dan wel nodig is. Daarnaast moet het gesprek met gemeenten worden gevoerd hoe de uitbreiding van door de Provincie toegekende ha bedrijventerrein gaat qua voortgang. Soms is er een verwachting dat het op ‘korte’ termijn wordt gerealiseerd terwijl het voor een gemeente helemaal niet haalbaar is om dan een bedrijventerrein uit te geven (al dan niet door externe factoren, bijvoorbeeld netcongestie).

• Stichtse Vecht staat open om een tweede regionaal bedrijventerrein te realiseren voor zowel nieuwe bedrijven als schuifruimte voor andere regionale ontwikkelingen. We onderzoeken hoe we dit mogelijk kunnen maken.

• De U10 en provincie willen zich beiden inzetten voor de intensiveringsopgave, maar hebben hier wel een verschil van inzicht in. De Provincie hanteert een forse ambitie op gebied van intensivering en voert daarom afgewogen en selectief ruimtelijk beleid vanuit het principe dat schaarste zal leiden tot efficiënter en intensiever gebruik van bestaande bedrijventerreinen. Binnen de U10 wordt het principe van verdichting omarmd, maar zijn geen afspraken gemaakt over wat intensivering en verdichting betekent en wat ervoor nodig is. Gemeenten ervaren de praktijk van intensivering als weerbarstig en weinig realistisch. Zo is er voor verdichting en intensivering van bestaande bedrijventerreinen schuifruimte nodig voor (tijdelijke) verplaatsing en nieuwbouw en zijn er ook een aantal afhankelijkheden met andere opgaves. Ook voor nieuwe bedrijventerreinen zijn geen afspraken gemaakt over dichtheid, stapeling, efficiënt ruimtegebruik. De U10 vraagt daarom om een meer realistisch beleid (minder selectief) en een bijstelling van ambities als blijkt dat het in de praktijk niet zo snel gaat. Monitoring op deze intensiveringsopgave is van belang. De evaluatie van de OMU door de provincie is een belangrijk moment om deze ambities nog een keer tegen het licht te houden.

• In nieuwe gebiedsontwikkelingen wordt gekeken naar mogelijkheden voor het mengen van wonen en werken, zoals bijvoorbeeld in Rijnenburg. Dit draagt ook bij aan de regionale economie en aan levendige gebieden. Zo kunnen wonen en werken elkaar versterken. De praktijk van mengen blijkt vooralsnog weerbarstig, hier moet rekening mee gehouden worden bij ambities en doelen. • Ook is het van belang om gezamenlijk en kwalitatief te sturen op realisatie en invulling van regionale bedrijventerreinen in samenwerking met de Provincie, inclusief een uitgifteprotocol. Hierbij is nog de vraag of deze sturing op regionaal of op gebiedspakketniveau gedaan moet worden. Regionaal sturen lijkt vooralsnog

de beste garantie te geven om tot een goede afweging te komen voor invullingen, mogelijk zou hiervoor een ‘werkdeal’ gesloten kunnen worden tussen de regio en Provincie.

Er zijn een aantal samenwerkingsvraagstukken om de economische doelstellingen en ambities in de regio te realiseren (ook in de samenhang met andere thema’s en ambities):

• Er is een kwalitatieve verdieping nodig op het beoogde programma voor de regionale bedrijventerreinen, waarbij helderheid wordt geboden op de functie van deze terreinen ten behoeve van transformatielocaties, circulaire economie en regionaal economische ontwikkeling en profilering. Hierbij is het ook van belang om als regio te bepalen op welk schaalniveau deze regionale bedrijventerreinen een rol kunnen vervullen en wat dat betekent voor onze zoektocht naar aanvullende locaties. De mogelijkheden om hier publiekrechtelijk op te sturen zijn echter wel beperkt, wel kan privaatrechtelijk of met zachte strategieën richting geven worden. • Voor zowel de regionale als de lokale terreinen is de wens van gemeenten veelal groter dan wat de provincie toekent in het PPWW. Hierdoor ontstaat een dynamiek waarbij gemeenten en provincie tegenover elkaar komen te staan als vragers en bieders. Ook wordt veelal 1:1 tussen gemeenten en provincie wordt gesproken, waardoor regionale samenhang en consistentie ontbreekt in de dialoog met de provincie.

• Hiernaast is het van belang bedrijventerreinen en werklocaties goed te ontsluiten. Openbaar vervoer en snelfietsroutes zijn van belang voor het faciliteren van woon-werkverkeer. Daarnaast zijn goede infrastructurele verbindingen nodig voor vrachtverkeer en andere bedrijfsmatige activiteiten. • Netcongestie heeft invloed op de regionale economische ontwikkelen. In eerste instantie omdat netcongestie de ontwikkeling en het toevoegen van nieuwe bedrijven onmogelijk maakt op de korte termijn. Pas wanneer weer meer ruimte ontstaat op het net kunnen nieuwe bedrijven aangesloten worden. In tweede instantie omdat een van de doelstellingen is om opwek en gebruik dichterbij elkaar te brengen, en de verbinding met energienetwerken dus een grotere rol gaat spelen in de ruimtelijke ordening.

Deze samenwerkingsvraagstukken moeten enerzijds opgepakt worden aan de Bestuurstafel Economische Positionering en in de Programmalijn Werklocaties, en moeten anderszijds integraal opgepakt worden in gebiedsallianties. Per gebiedsalliantie zullen de werkgelegenheidsopgaven verschillen: denk bijvoorbeeld aan het verschillen tussen focus op denkers en doeners in stad en ommeland.

2. Context, opgave, eerdere regionale afspraken De Utrechtse regio is al meerdere malen uitverkozen tot meest competitieve regio van Europa. Wij koesteren ons goede vestigingsklimaat. De Bestuurstafel Economische Positionering werkt aan onze regionale economie. In de afgelopen jaren is veel aandacht uitgegaan naar ruimte voor werken. In het IRP wordt onze economische opgave beperkt kwalitatief uitgewerkt. Er is een doelstelling om tot 2040 80.000 arbeidsplaatsen toe te voegen, grotendeels in gemengde stedelijke gebiedsontwikkelingen en voor een ander deel op bedrijventerreinen. De opgave varieert per deelgebied in de U10. Volgens het IRP is hier 60ha aan nieuwe regionale bedrijventerreinen nodig, naast een lokale opgave. Daarnaast is in de afgelopen periode duidelijk geworden dat uit transformatiegebieden, waar werken plaatsmaakt voor wonen, een extra ruimtebehoefte van ongeveer 60 ha: (netto)voortkomt (‘Inventarisering en bekostigingsvraag potentiële bedrijfsverplaatsingen Utrecht10’). Deze economische ontwikkelingen hebben ook impact op andere thema’s, zoals een groeiende energievraag en mobiliteitsvraag. In de uitvoering is de afgelopen periode veel aandacht uitgegaan naar de realisatie van nieuwe bedrijventerreinen en dan met name het kwantitatieve aspect (hectares). Ook in de komende jaren is hier volop aandacht voor nodig.

Het is echter wel van belang om een sterkere verbinding te maken met kwalitatieve doelen verbonden aan de uitleg van nieuwe bedrijventerreinen. We vinden het belangrijk om een regionale verhuisketen van bedrijven te kunnen faciliteren, zodat bedrijven op de juiste plekken in de regio kunnen worden gehuisvest. De realisatie van nieuw bedrijventerreinareaal is een instrument om te kunnen werken aan doelstellingen op het gebied van profilering, herstructurering, intensivering, circulaire economie, lokaal economische vitaliteit en het mogelijk maken van transformatie. Door hier meer aandacht aan te geven verbinden we kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen meer aan elkaar en kunnen we scherper sturen op een goede economische ontwikkeling van onze regio. Realisme in de maakbaarheidsgedachte is daarbij een belangrijk aandachtspunt. 3. Hoe staat het met werk en economie? Wat is er gerealiseerd van de opgave: • De banengroei overtreft de doelstellingen. In de afgelopen jaren kwamen er per jaar ca. 16.800 banen bij, wat vier keer zoveel is als het uitgangspunt in het IRP. In dezelfde periode werden er ca. 5.300 woningen per jaar gebouwd. Het gaat dus om ruim 3 banen voor iedere toegevoegde woning. • Van de behoefte aan 60 ha: (netto)nieuwe regionale bedrijventerrein uit het IRP is 30 ha in het PPWW reeds toegekend (Gaasperwaard 3 in Vijfheerenlanden).

Daarnaast is er op een aantal lokale terreinen uitbreiding toegekend (o.a. op bedrijventerrein Mijdrecht) via de systematiek van het Provinciaal Programma Wonen en Werken. • Op verschillende plekken in de regio (o.a. in Regiopoorten, Merwedekanaalzone deelgebied 6 en Groot Merwede, maar ook in verschillende vitale kernen) zijn woningbouwplannen op werklocaties die daarvoor getransformeerd moeten worden. Dit levert een vraag naar schuifruimte voor bedrijvigheid op ten behoeve van woningbouw en kantoren. Deze is in een rapport (‘Inventarisering en bekostigingsvraag potentiële bedrijfsverplaatsingen Utrecht10’) inzichtelijk gemaakt en becijferd op ongeveer 60 ha: (netto). • De provincie heeft kleinere uitbreiding van bedrijventerreinen (tot 1 ha) makkelijker gemaakt om lokaal ruimte te maken voor groei. Het gaat hierbij om maximaal 1 ha per bedrijventerrein per 10 jaar, tot 3 ha per gemeente. Dit gaat alleen om uitbreiding aansluitend IBIS-contouren, en inbreiding/verdichting valt hierbuiten. Deze kleine uitbreidingen spelen tevens een rol bij het vitaal houden van kleinere kernen. Deze uitbreidingen zijn in kwantitieve zin onderdeel van het PPWW en worden meegerekend met het totale geplande programma tot aan 2030/2040. • Aan de westzijde van de regio wordt door U10gemeenten samengewerkt om ruimte te zoeken voor een tweede regionaal bedrijventerrein.

Er liggen kansen om in Utrecht-West een aanvullend regionaal bedrijventerrein te ontwikkelen. Hierbij onderzoeken wij in eerste instantie de kansen in de gemeente Stichtse Vecht. Dit wordt afgestemd met de U10 Bestuurstafel Economische Positionering en hierover wordt samengewerkt met de provincie. • Aan de oostzijde van de regio is door Bunnik de mogelijkheid geopperd om ten zuiden van de A12 ruimte te maken voor bedrijvigheid. Het bedrijventerrein is deels nodig voor de eigen schuif- en transformatieruimte, maar kan wellicht ook een bovenlokale functie vervullen voor bedrijvigheid uit buurgemeenten, bijvoorbeeld voor bedrijven uit de Spoorzone van Bilthoven. • De OMU werkt aan de herstructurering en transformatie van werklocaties in de provincie Utrecht. De OMU speelt daarmee een belangrijke rol in de intensiveringsopgave. Binnen de U10 wordt het principe van verdichting omarmd, maar zijn geen afspraken gemaakt over wat intensivering en verdichting betekent en wat ervoor nodig is. Voor nieuwe bedrijventerreinen wordt er wel gesproken met de provincie over minimale bouwhoogte, kavelgrootte en milieucategorieën, maar hier zijn nog geen provinciale besluiten over. Gemeenten ervaren de praktijk van intensivering als weerbarstig.

31

• Er zijn een aantal intensiveringslocaties in de regio, waarbij Lage Weide een voorbeeld is. Hier wordt verkend hoe bedrijvigheid kan verdichten en ruimte efficiënter gebruikt kan worden. • Het Utrecht Science Park is het grootste science park van Nederland en een belangrijke motor van onze regionale economie. Het USP is in de afgelopen jaren gegroeid. Niet alleen op de locatie Utrecht, maar ook op de satellietlocaties in Bilthoven en Zeist. Hier komen innovatie, onderzoek, onderwijs, zorg en bedrijfsleven samen, waar ook convenanten over gesloten zijn. Zo onstaat ontwikkelruimte op de USPB met het vertrek van het RIVM naar USP. • De Economic Board Utrecht (EBU) vervult een belangrijke rol in het organiseren van samenwerking tussen leiders van bedrijven, kennisinstituten en overheden in de Metropoolregio Utrecht (MRU). Kerntaak van de EBU is het versterken van het profiel van de regio en de gezamenlijke lobbykracht. De EBU werkt aan het profileren van de Metropoolregio Utrecht als Heart of Health. De uitdaging is om de verbinding te blijven zoeken tussen de regiopositionering van de EBU en het lokale en regionale bedrijfsleven.

• Daarnaast is de Regionale Ontwikkel Maatschappij (ROM) Utrecht sinds 2020 operationeel. De ROM zet zich in voor innovatieve ondernemers en werkt onder meer aan innovatie-ecosystemen en versterkt de economische netwerken. • Bij het bouwen van nieuwe bedrijventerreinen en het zoeken naar nieuwe locaties is het van belang dat het principe ‘water en bodem sturend’ wordt geconcretiseerd. Dit betekent bouwen op geschikte locaties en klimaatbestendig inrichten, rekening houdend met onder andere wateroverlast, bodemdaling en waterveiligheid. • In de regio wordt gewerkt aan de transitie naar de circulaire economie. Denk hierbij aan duurzaam en gezamenlijk inkopen (circulaire vraag); grondstof terugwinnen uit afval en het sluiten van grondstofproduct ketens (circulair aanbod). De U10 faciliteert kennisuitwisseling, om als regionale overheden bij te dragen aan een steeds groenere Utrechtse regio. • Voor een goed lopende economie is het van belang het onderwijs en de arbeidsmarkt goed op elkaar aan te laten sluiten. Samen met de Utrecht Talent Alliantie (UTA) en het Talentfonds zorgen we voor het verbeteren hiervan.

32

3E Energie 1.

Conclusies en samenwerkingsvraagstukken

• Netcongestie is een groot en actueel probleem en vereist volle inzet van de regionale partners om het energienet te laten uitbreiden en verzwaren. Het gaat hierbij over het aanleggen van nieuwe infrastructuur en het beter op elkaar afstemmen van verbruik en opwek. Er is steeds beter in beeld wat hiervoor nodig is en er wordt gewerkt aan de uitvoering. Het is belangrijk om de uitvoering hiervan snel, voortvarend, op het juiste schaalniveau en binnen de juiste tafels op te pakken, inclusief soepele ruimtelijke procedures.Gemeenten zoeken naar aanvullende locaties voor opwek en de provincie is voornemens enkele aanvullende windlocaties aan te wijzen. --> Het energiesysteem, de opwek van zon- en windenergie, het benutten van duurzame warmte en de realisatie van warmtenetten zijn randvoorwaardelijk en zijn deels sturend voor de ruimtelijke ordening in de regio. • Een toekomstbestendige energievoorzienig is randvoorwaardelijk voor het goed functioneren van bestaande en nieuwe woon- en werkgebieden en transport. Dat vereist dat slimme energiekeuzes en de ruimteclaim voor vitale energie-infrastructuur integraal onderdeel zijn van het ontwerpproces en de inrichting van nieuwe ontwikkeling en herinrichting van bestaande gebieden.

Bij locatiekeuze vraagt de ene locatie meer aanpassing aan en realisatie van het energiesysteem (inclusief opwek, warmte, uitwisseling en opslag) meer ruimte en inspanning dan op andere locaties en is dit sneller of minder snel op termijn te realiseren. • De Provincie beschrijft in haar energievisie een integrale visie op het energiesysteem in 2050 en hoe daar te komen. Ook in de concept RES Herijking wordt de koppeling gelegd met het energiesysteem van de toekomst. Voor de toekomstige energievoorzieningen voor wonen, werken en transport is het vaak een randvoorwaarde dat nieuwe opwek zoveel mogelijk wordt ontwikkeld dichtbij het verbruik. Voor de beschikbaarheid van energie is het wenselijk dat we alle beschikbare fossielvrije bronnen zoveel mogelijk benutten: zon- en windenergie en ook warmte uit rioolwater, oppervlaktewater en uit de bodem. In het energiesysteem van de toekomst is sprake afstemming tussen opwek en verbruik, uitwisseling, opslag en omzetting van energie. De gekozen warmteoplossing heeft een groot effect op het energiesysteem. • Voor de energievoorziening van nieuwe werkgebieden en woongebieden is het realiseren van lokale opwek in de nabijheid en op een zo laag mogelijk netvlak in veel gevallen een randvoorwaarde (netvlak is het fysieke deel van het net waarop is aangeslo Daarbij wordt onderscheid gemaakt in laag-, midden- en hoogspanning).

• Inmiddels is circa de helft van de opwekambitie uit de RES 1.0 (1,8TWh) voor 2030 ingevuld. Er is nog een forse stap nodig om de gehele ambitie tijdig te realiseren. • De RES deelnemers zetten zich in het resterende deel ook te realiseren en onder andere met aanvullende locaties voor opwek.

• Volgens de huidige inzichten gebruiken we rond 2050 tot drie keer zoveel stroom voor onze energievoorziening. Voor een (bijna) energieneutrale energievoorziening is dan ook tot drie keer zoveel duurzame opwek nodig in de regio Utrecht. In de RES Herijking wordt voorgesteld in de volgende collegeperiode een besluit te nemen over een opgave na de 1,8 TWh. Samenwerkingsvraagstukken en uitvoeringsopgaven voor energie en opgaven voor de gebiedspakketten: • Lokaal, bovenlokaal en regionaal zal ruimte moeten worden ingepast voor aanpassingen aan het energiesysteem, voor energieopwek en voor de warmtevoorziening Het gaat om enorme uitbreidingen boven en onder de grond, ook in het stedelijk gebied waar de ruimte beperkt is. Dit heeft grote impact op de ruimtelijke inrichting. • Lokaal kunnen slimmere relaties tussen energie opwek, energieopslag en energieverbruik gemaakt worden voor de toekomstige energievoorziening, waarvoor in de gebiedspakketten en planuitwerking aandacht nodig is. We zullen in de toekomst netbewust moeten bouwen aan de regio. • • De lang termijn beleidsdoelstellingen voor energie zijn duidelijk: de meeste gemeenten hebben als doel om energieneutraal/klimaatneutraal te zijn in de periode 2040-2050. Een concrete uitwerking van hoe en wanneer (roadmap) is er echter nog niet.

--> Maatregelen voor het energiesysteem, energieopwekking moeten worden meegenomen in de gebiedspakketten. Daar kan lokaal gezocht worden naar de beste inpassing en het benutten van de aanwezige energie, denk bijvoorbeeld aan aquathermie. Ook vraagt het ons om op een andere manier naar woningbouw, mobiliteit en bedrijvigheid te kijken en de impact daarvan op het net te beperken. Bijvoorbeeld door in te zetten op netbewust bouwen en netbewuste mobiliteit. • In de regio wordt gezocht naar extra zoekgebieden voor energieopwek. Deze opwek wordt als onderdeel van een toekomstbestendig energiesysteem (infrastructuur, opwek, opslag, afname en warmte) meegenomen in de gebiedspakketten. • Uitwerken van perspectief voor industrie met een hoge warmte- of energievraag. Voor deze bedrijven is beschikbaarheid van energie-infrastructuur die kan voorzien in de warmtevraag noodzakelijk, bijvoorbeeld door beschikbaarheid van waterstof. Daarnaast kan dit soort industrie ook voor restwarmte zorgen, waarvan gebruik kan worden gemaakt in de gebouwde omgeving. Deze samenwerkingsvraagstukken moeten enerzijds opgepakt worden aan de Bestuurstafel Klimaatneutrale Regio en in de Programmalijn RES, en moeten anderzijds integraal opgepakt worden in gebiedsallianties: in alle gebiedspakketten is een robuust energiesysteem onderdeel van de ontwerpopgave.

2. Context, opgave, eerdere regionale afspraken

We zitten midden in de energietransitie. We gaan van een energiesysteem gebaseerd op (centrale) fossiele energiebronnen zoals kolen, olie en aardgas over naar een toekomstbestendige energievoorziening met (meer decentrale) CO2-vrije energiebronnen zoals wind, zon en omgevingswarmte. Voor deze omslag is een grondige aanpassing van ons energiesysteem noodzakelijk. De huidige netcongestie laat wel zien dat het bestaande systeem kraakt. Met de verdergaande elektrificatie van onze energievoorziening, voor o.a. verwarmen van woningen, maakprocessen en transport, is op termijn tot drie keer meer stroom nodig, de pieken op het stroomnet kunnen stijgen tot een veelvoud daarvan. Alleen het verzwaren van het net is daarom onvoldoende. Dit vraagt om slimme oplossingen in ons energiesysteem. Alleen door slimmer met energie om te gaan kunnen (nieuwe) woon- en werkgebieden en duurzame mobiliteit gefaciliteerd worden. De aanpassingen aan het energiesysteem vragen ruimte en bij de ontwikkeling van nieuwe woon- en werkgebieden moet in het ontwerp rekening worden gehouden

met slimme energiekeuzes en de daarvoor benodigde ruimte. Regionaal wordt in de Regionale Energiestrategie (de RES) samengewerkt aan de energieopgave. De regionale ambitie omvat 1,8 TWh aan duurzame opwek in 2030. Dit gebeurt met zonnedaken, zonnevelden en windparken. Daarnaast wordt in RES-verband onderzocht welke bovenlokale warmtebronnen aanwezig zijn en hoe deze kunnen worden benut om woningen en ander gebouwen aardgasvrij te verwarmen. Uiterlijk in 2026 hebben gemeenten hun warmteprogramma’s gereed met keuzes en een roadmap op gemeenteniveau. In de RES Herijking (vaststelling medio 2025) ligt er meer nadruk op de integratie met het gehele energiesysteem en wordt ook gekeken naar de ambities na 2030. Sinds de vaststelling van het IRP is een aantal zaken

gewijzigd: • De RES is deels uitgevoerd en wordt geactualiseerd (RES Herijking) • De provincie heeft planMER opgesteld over windenergie. Uit deze planMER komen 27 meest kansrijke locaties voor wind • Netcongestie is als een urgent probleem in beeld

Eén van de windmolens langs het Amsterdam Rijnkanaal bij Houten.

34

gekomen voor de gehele regio • De provincie Utrecht heeft de Energievisie vastgesteld waarin een integrale visie wordt gepresenteerd op het energiesysteem van de toekomst. (inclusief opwek, duurzame warmte, opslag en uitwisseling van energie) • Het energiesysteem is daardoor een nieuw en actueel thema op de regionale agenda

3. Hoe ziet het energiesysteem van de toekomst eruit en hoe staat het met netcongestie en de energieopwekking?

Energiesysteem van de toekomst Het huidige systeem is niet ingericht voor de opgave waar we in de regio voor staan. De netcongestie beïnvloedt het tempo waarin regionale doelen, zoals de woningbouw of RES, gerealiseerd kunnen worden. Daarom zijn robuuste keuzes nodig over het energiesysteem van de toekomst. In de energievisie van de provincie Utrecht staat beschreven hoe de toekomst van het energiesysteem er grofweg uit komt te zien. De keuzes die worden gemaakt vanuit deze energievisie hebben mogelijk ook ruimtelijke consequenties. Hierbij kan worden gedacht aan het concentreren van bedrijven die een hoge energie- of warmtevraag hebben

of het zoveel mogelijk combineren van vraag en aanbod van energie. Tenslotte is versnelling van de warmtetransitie (o.a. realiseren van collectieve warmtevoorzieningen) noodzakelijk om aan de veranderende warmtevraag te kunnen voldoen. Hoe staat het met netcongestie Het huidige elektriciteitsnet zit vol. Hierdoor is er onvoldoende ruimte op het elektriciteitsnet beschikbaar voor (grootschalige) ontwikkelingen. Om hiervoor voldoende netcapaciteit beschikbaar te maken is er meer energieinfrastructuur nodig. Netbeheerders TenneT en Stedin werken daarom aan de uitbreiding en verzwaring van het nationale, regionale en lokale elektriciteitsnet. De kaart op de volgende pagina geeft een aantal belangrijke grootschalige projecten weer van TenneT en Stedin tot 2035. Door deze investeringen in de infrastructuur kunnen bijvoorbeeld bedrijven, zonneparken of gebiedsontwikkelingen in de toekomst weer een aansluiting met transportcapaciteit krijgen en ontstaat ruimte voor teruglevering van duurzame elektriciteit. Naast deze grootschalige projecten vragen de

*Peildatum 1-10-2024

35

netverzwaringen om tientallen nieuwe onderstations, en twee tot drie keer zoveel transformatorhuisjes in de wijken en op bedrijventerreinen en vele kilometers ondergrondse kabelverbindingen. Hoewel de totale omvang van de benodigde elektriciteitsinfrastructuur een enorme ruimtelijke opgave met zich meebrengt, speelt zich dit vooral op de specifieke locatie van de uitbreiding af en zijn deze minder sturend in de regionale ruimtelijke ordening. Wel spelen sommige factoren mee: zoals verbruik en opwek dichterbij elkaar brengen (op hetzelfde netvlak); voor zware industrie die hoge temperatuur warmte nodig heeft die moeilijk te elektrificeren is; en wordt energie-infrastructuur onderdeel van de Nota Ruimte. De realisatie van de benodigde elektriciteitsinfrastructuur kan de vraag vanuit nieuwe ontwikkelingen echter niet volgen. Binnen een nieuwe ontwikkeling wordt energie deels ruimtelijk structurerend zowel boven- als ondergronds. Er moet rekening gehouden worden met een grote hoeveelheid trafohuisjes, midden- en hogespanningsstations en het dichtbij elkaar situeren van opwek en verbruik. Tegelijkertijd groeit de vraag naar elektriciteit door de landelijke energietransitie, specifiek elektrificatie, economische groei en bevolkingsgroei door. Hierdoor is

het bijbouwen van nieuwe infrastructuur niet genoeg: ook in het gebruik van elektriciteit voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving, de mobiliteitstransitie en voor nieuwbouw zijn veranderingen nodig. Hoe staat het met energieopwekking (wind en zon) • In de regio hebben we afgesproken in 2030 1,8 TWh duurzame elektriciteit op te wekken met zonnevelden, windparken en zon op het dak. De regionale ambitie wordt ingevuld met de bijdragen van de gemeenten. • Wij zijn sinds de RES 1.0 voortvarend aan de slag gegaan en de helft van de ambitie is inmiddels ingevuld (vergunningaanvraag tot en met gerealiseerd). • Voor het andere deel zijn zoekgebieden in beeld die nog verder worden uitgewerkt en waarover nog besluitvorming moet plaatsvinden. Een deel van deze zoekgebieden zal nog uitvallen om technische, ruimtelijke, juridische en politieke redenen. Netcongestie, een verslechterende business case voor zonprojecten en strijdigheid in beleid (energietransitie vs cultuurhistorie en natuur) speelt een aantal projecten parten. • Als regio en als RES-partners vinden we het belangrijk dat we de regionale opwekambitie halen. De provincie

Circulair paviljoen The Green House in Utrecht. (Beeld: cepezed) 36

is voornemens enkele windlocaties aan te wijzen (projectbesluiten). En gemeenten zoeken naar aanvullende zoekgebieden voor wind en zon. Dit gebeurt als bijdrage aan de regionale ambitie en ook voor het realiseren van de eigen klimaatambities na 2030. • Volgens de huidige inzichten (o.a. Nationaal programma Energie en Energievisie Utrecht) gebruiken we rond 2050 tot drie keer zoveel stroom door de elektrificatie van onze energievoorziening. Voor een (bijna) energieneutrale energievoorziening is dan ook tot drie keer zoveel duurzame opwek nodig in de regio Utrecht. Zonder goede beleidskeuzes en slimme oplossingen in ons energiesysteem nemen de pieken op het net meer dan drie keer toe. • De bestaande netcongestie laat zien dat voor nieuwe zoekgebieden integratie met het energiesysteem essentieel is. Lukraak realiseren van zonnevelden en windparken is naar de toekomst toe geen begaanbare weg. Het zorgt voor overbelasting van het net en de

economische haalbaarheid is in het geding. Dat tekent zich nu al af. • Daarnaast speelt synergie met ruimtelijke ontwikkelingen een belangrijke rol. Steeds duidelijker wordt dat nabijheid van voldoende opwek en het benutten van beschikbare warmtebronnen randvoorwaarden zijn voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werkgebieden en de verduurzaming van bestaande gebieden en transport. • Tot slot moet de energie ook beschikbaar zijn op het moment dat deze wordt gebruikt. Dat vraagt om een goede afstemming tussen opwek en verbruik en slimme oplossingen rond uitwisseling, opslag en omzetting van energie op het niveau van wijken en bedrijventerreinen. Hierbij bestaat er een belangrijke samenhang met de aardgasvrije warmteoplossing.

37

4. Gebiedspakketten en gebiedsallianties

4. Gebiedspakketten en gebiedsallianties Om het IRP uit te voeren zijn er vele projecten en opgaven die verder gebracht moeten worden. Om samenhang te bewaken, te prioriteren en te structureren wordt voorgesteld om dit (naast de sectorale uitwerkingen) via gebiedspakketten te doen in gebiedsallianties. Doordat de uitvoering van verschillende onderdelen van het IRP vaak los van elkaar gebeurt (op verschillende tafels en uitvoeringsniveaus) verdwijnt de ruimtelijke samenhang, het overzicht en de integraliteit. Er is daarom behoefte om rond ruimtelijk en inhoudelijk samenhangende gebieden de samenwerking neer te zetten. Gebiedspakketten zijn hiervoor een belangrijk hulpmiddel, gebiedsallianties de samenwerkingsvorm. • Gebiedspakket = wat er in ruimtelijke samenhang, integraal gezamenlijk opgepakt moet worden • Gebiedsalliantie = samenwerking die nodig is voor de uitvoering

Gebiedspakketten en programmalijnen

Gebiedspakketten zijn ruimtelijk samenhangende opgaven in deelgebieden gestuurd door allianties. Programmalijnen zijn enerzijds thematisch samenhangende opgaven in de gehele regio, aangestuurd door bestuurstafels, zoals de uitvoering van de woondeal (GWL), Groen Groeit Mee (G&L) en programmalijn werklocaties (EP) of de RES (KNR). De gebiedspakketten en programmalijnen informeren elkaar: zo landen bepaalde thema’s uit programmalijnen in de gebiedspakketten en kunnen bevindingen uit de gebiedspakketten ook weer agenderend werken voor de programmalijnen. Anderzijds zijn er de integrale regiobrede programmalijnen zoals regiopoorten, vitale kernen, metropoolpoorten die via het BO IRP worden opgepakt. Voor zover relevant en nodig worden deze in de gebiedspakketten ruimtelijk in samenhang gebracht. Dit geldt voor de onderdelen waarvoor samenwerking nodig is binnen de gebiedspakketten.

In dit hoofdstuk zetten we neer wat de gebiedspakketten zijn, hoe ze georganiseerd worden en hoe dit leidt tot uitvoering.

Gebiedspakketten omvat wat er in de regionale samenwerking integraal opgepakt moet worden. 39

Indeling gebiedspakketten NOVEX en IRP Gebiedspakketten zijn ook het instrument dat wordt gebruikt in de uitvoering van de NOVEX. Gebiedspakketten brengen projecten en maatregelen in samenhangende gebieden bij elkaar en leggen de link met uitvoeringsaspecten: tijd, geld en verantwoordelijkheid. De gebiedspakketten zijn daarmee ook een vehikel om de samenwerking met andere bestuurlijke niveaus te structureren. In de gebiedspakketten maken we afspraken over wie waarvoor verantwoordelijk is. Voor de uitvoering van de NOVEX Utrecht-Amersfoort is de U10 ingedeeld in vijf deelgebieden waarvoor gebiedspakketten worden opgesteld. De grenzen van de gebieden zijn niet hard, omdat opgaven overlappen en in elkaar overlopen. De flexibiliteit van gebiedsallianties geven hier ook ruimte voor. In het

NOVEX-traject en in de IRP-actualisatie is per gebiedspakket geïnventariseerd welke projecten allemaal spelen in de deze gebieden. In het NOVEX-traject worden deze uitgewerkt in een factsheet per project, en dat levert per gebiedspakket dus een flinke stapel factsheets op. Deze gebiedspakketten en factsheets zijn op dit moment nog in opbouw.

Duiding van de 5 verschillende gebiedspakketten in de U10

De gebiedspakketten sluiten grotendeels aan bij de deelgebieden van het IRP, met als uitzondering dat de IRP deelgebieden Noordoost en Kromme Rijn in de NOVEX-uitwerking samen één gebiedspakket Oost vormen. De gebiedspakketten voor de uitvoering van het IRP zijn: • Kromme Rijn: Utrecht-Oost (Lunetten-Koningsweg), Zeist, Bunnik, Houten, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede • Noordoost: Utrecht Noordoost (USP, Overvecht), De Bilt, Zeist en een deel van Stichtse Vecht (In het NOVEX traject zijn Kromme Rijn en Noordoost samen gebiedspakket Utrecht-Oost). • Noordwest: Utrecht Noordwest (Lage Weide, Leidsche Rijn), Stichtse Vecht, De Ronde Venen, Woerden • De Waard en Vijfheerenlanden: Nieuwegein, Montfoort, IJsselstein, Oudewater, Lopik, Vijfheerenlanden • Groot Merwede en Rijnenburg: Utrecht Zuid-West (Groot Merwede en Rijnenburg), Nieuwegein

40

Doelen en uitgangspunten voor de uitvoering van gebiedspakketten Iedere gebiedsalliantie moet met heldere doelen en uitgangspunten, het juiste mandaat en een passende organisatie op pad gaan. Omdat de opgave per gebiedspakket anders is, kan ook de wijze van samenwerking per gebiedspakket verschillen. In het ene pakket is meer intensieve samenwerking en integratie nodig, terwijl een ander gebiedspakket af kan met een goede afstemming. Wat we samen organiseren kan dus per pakket verschillen. Wat wel voor ieder gebiedspakket en voor iedere alliantie hetzelfde is, is het doel waaraan gewerkt wordt en een aantal uitgangspunten voor de samenwerking.

Doelen gebiedsallianties: 1.

Ontwikkelingen in het gebied, omgeving en regionaal op elkaar afstemmen, zodat ze elkaar versterken;

o

Regionaal en vanuit de gezamenlijke visie sturen op resultaat en samenhang bewaken;

o

Voorkomen van ontwikkelingen die het realiseren van het toekomstperspectief in de weg staan;

o

Elkaar regelmatig informeren en relevante zaken tijdig signaleren;

• Aansturen, aanjagen en voortgang bewaken op regionaal op te leveren beslisinformatie; • Zorgen dat de juiste discussie aan de juiste tafel gevoerd wordt; • De regio(nale ontwikkelingen) goed betrekken bij afwegingen over de ontwikkeling van het gebied; • Draagvlak creëren en input voor de gezamenlijke lobby formuleren. • Voorzien in een eenduidige regionale inzet richting het Rijk, richting U Ned, BOL en BO MIRT.

2. De gezamenlijke opgave verder concretiseren en commitment organiseren;

• Om regie te kunnen voeren is een duidelijke overlegstructuur nodig.

3.

De ontwikkel- en uitvoeringstrategie opstellen, organiseren en tot uitvoering brengen;

4.

Gezamenlijke lobby en prioritering organiseren, met coördinatie door de U10 en al dan niet met gebruik van het MRU label;

5.

Borgen van regionaal draagvlak.

• Om het juiste gesprek tussen de bestuurlijke tafel en de ambtelijke organisaties te organiseren en om commitment en doorwerking naar de individuele organisaties te borgen is het noodzakelijk dat de juiste verantwoordelijk bestuurders, directieleden en medewerkers in positie komen om vorm te kunnen geven aan de gewenste gezamenlijke regie.

Per gebiedspakket moeten deze doelen uitgewerkt worden in concrete (korte termijn) acties die de gebiedsalliantie op moet pakken. Welke acties dit zijn volgt uit de inhoudelijke opgave van de gebiedspakketten.

Uitgangspunten gebiedsallianties: Binnen de verschillende gebiedsallianties wordt samengewerkt vanuit een aantal uitgangspunten waar de alliantie zich bewust van is en zich aan committeert. Ook dit geeft richting aan de manier waarop samen wordt gewerkt aan de opgave. Deze uitgangspunten zijn: • Gebiedsontwikkeling vergt gezamenlijk commitment en regie, waarmee we: o

Zorgen voor een gezamenlijk verhaal, met een gezamenlijke boodschap/lobby richting het Rijk;

o

Een gedeeld beeld vormen over de totale ontwikkelopgave de verschillende deelontwikkelingen in het gebied en de context samenkomen;

• Een effectieve gesprekstafel vraagt om een beperkt aantal partijen aan tafel per gesprek en moet een toegevoegde waarde hebben ten opzichte van bestaande gremia. • Op een later moment kan de governance worden aangepast, afhankelijk van wat dan nodig of wenselijk is. Indien nodig kunnen er gezamenlijk beslissingen worden genomen over regionale inzet, ontwikkelingen of handelingsafspraken. • Om de gezamenlijke regie en bijbehorende governance goed in te richten en te laten werken zijn voldoende middelen van de betrokken partijen nodig in tijd, capaciteit en geld. Dit moet nog nader worden ingevuld. De bovenstaande doelen en uitgangspunten geven samen met de inhoud van de gebiedspakketten richting aan de manier waarop de gebiedsallianties georganiseerd worden. Op de volgende pagina’s worden de gebiedspakketten verder toegelicht. Hier liggen nog een aantal dingen open. De komende periode is het aan de allianties om per alliantie te gaan werken aan een startnotitie waar deze elementen in uitgewerkt worden.

41

Inhoud gebiedspakketten A) Gebiedspakket Noordoost Het Noordoosten van de regio staat voor de opgave om landschap, cultuurhistorie, stedelijke ontwikkeling en het brandpunt van de kenniseconomie in samenhang met elkaar door te ontwikkelen. De stad Utrecht groeit door binnen de stadsgrenzen, maar brengt daarmee ook opgaven met zich mee naar het landelijk gebied en naar de omliggende kernen. Ook De Bilt en Zeist groeien binnenstedelijk door (samen zo’n 3.000 woningen tot 2030) en bouwen daarmee verder aan het ontspannen en groene woon-werkmilieu dat deze deelregio kenmerkt. Bilthoven kan zich als regiopoort doorontwikkelen, maar heeft daarvoor wel schuifruimte voor bedrijven nodig waarvoor de gemeente zelf geen plek heeft. Het USP is het hart van de regionale kenniseconomie en moet beter verbonden worden met de omgeving, waarvoor een HOV-lijn USP-Amersfoort in onderzoek is. Afhankelijk van deze HOV-verbinding ontstaan er ook andere ruimtelijke kansen, zoals een regiopoort in Zeist-Noord. Langs deze lijn dient zich de forse opgave van het ministerie van defensie aan die via de samenwerking A-Z (Amersfoort-Zeist) integraal

met andere ontwikkelingen op de Heuvelrug wordt opgepakt. De samenwerking met de Regio Amersfoort hierin is een belangrijke opgave voor dit gebiedspakket.

De volgende ontwikkelingen vragen erom in samenhang te worden opgepakt: • Het Noorderpark is het groen-blauwe overwegend landelijke gebied grenzend aan het groeiende Utrecht-Noord (waaronder Overvecht) en tegelijkertijd een natuur- en recreatiegebied voor de gehele regio. Het Noorderpark is tot nu toe vooral als een opgave vanuit de Utrechtse Barcode gezien, terwijl de agenda voor het gebied breder is. Gemeenten Utrecht, De Bilt en Stichtse Vecht, Provincie Utrecht en Waterschap verkennen een samenwerking als gebiedsalliantie om tot een integraal uitvoeringsprogramma te komen waarin alle ruimtelijke opgaven in samenhang worden meegenomen. Zo zal onder andere onderzocht worden waar en hoe ruimtelijke opgaven uit de U10 Agenda Groen & Landschap 2030 gerealiseerd kunnen worden. Denk hierbij aan wateropgaves, recreatie, cultuurhistorie en ecologie. De verkenning van de drie gemeenten wordt ondersteund door de U10 adviseurs Groen & Landschap met het organiseren van inventariserende ateliers.

Opgaves in gebiedspakket Noordoost 42

Samenwerking in gebiedspakket Noordoost: NAAM

WAT

WIE

Verkenning

Regiopoort Bilthoven + plan van aanpak mobiliteitsopgave

Realisatie

GDB, Provincie Utrecht (PU)

USP en regio

Afstemming, beleid

HOV USP – Amersfoort

MIRT Onderzoek

GU, GDB, Gemeente Bilthoven (GB), Gemeente Zeist (GZ), PU

Regiopoort Zeist-N Nieuwe Hollandse Waterlinie + Stichtse Lustwarande + Utrechtse Heuvelrug

Ontwikkeling binnen stedelijke contouren

Alliantie: gemeente Utrecht (GU), gemeente De Bilt (GDB), gemeente Stichtse Vecht (GSV)

PLANNING

Noorderpark

PRIO

2024: verkenning

+

Voor 2030 plannen uitvoeren

+

UNED: I&W, BZK, PU, GU, GZ, gem.Amersfoort (GA)

Middellange termijn

+

Onderzoek

GZ

Middellange

Afstemming, beleid

Alliantie: GU, GSV, GDB, Waterschap, PU

Afstemming

GU, GDB, GB, GZ, PU

• Waar relevant leggen we een link met UPLG-deelgebied Oostelijke Vechtplassen, waar met gebiedspartijen wordt gewerkt aan de opgaven voor natuur, water, klimaat en landbouw uit het (concept) Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG). • Regiopoort Bilthoven kan zich op korte termijn ontwikkelen met 700 -850 woningen. Hiervoor is nog een aantal randvoorwaarden nodig, met name het vinden van schuifruimte voor de bedrijvigheid. De ontwikkeling van Regiopoort Bilthoven moet ook een impuls vormen voor het USP en het USP-B en de groenopgave in de Biltse Groene Gordel. Regiopoort Bilthoven is ook onderdeel van de programmalijn Regiopoorten. Gedeeltelijk ter ondersteuning hiervan is het ook noodzakelijk een plan van aanpak voor de mobiliteitsopgave op te stellen. • Ontwikkeling USP, verbinding aan regio: het Utrecht Science Park ontwikkelt zich razendsnel en is het brandpunt voor de regionale kenniseconomie en daarmee één van de motoren van de Nederlandse economie. De groei van het USP op zich is verantwoordelijkheid van de Gemeente Utrecht, maar de verbinding met de omgeving is een regionaal vraagstuk. Daarbij gaat het om programmatische verbinding: de spinoff van het USP in de regio, bijvoorbeeld de verbinding met het USP-B en USP-Z. Welke kansen liggen daar in samenwerking? Daarnaast gaat het

€€€

Niet in beeld, geen middelen beschikbaar

termijn

om verbindingen op het gebied van mobiliteit, zoals de fietsverbinding naar Zeist en de HOV-verbindingen met de omgeving, o.a. naar station Bilthoven en Amersfoort. • HOV USP-Amersfoort: Onderdeel van deze verbinding is de HOV Utrecht – USP – Amersfoort, al dan niet verbonden aan de Waterlinielijn (verbinding USP – Westraven). Deze HOV lijn wordt onderzocht (MIRT onderzoek) en biedt bij aanleg ook ruimtelijke kansen, zoals in ZeistNoord, maar ook verderop in het gebied tussen Amersfoort en Zeist (deels buiten de U10). De HOV lijn versterkt de regionale as tussen Amersfoort en Utrecht, samen met de treinverbindingen en doorfietsroutes. De HOV lijn vult een deel van het wiel met spaken in. •

Regiopoort Zeist-Noord: In het IRP staat gekoppeld aan de HOV-lijn USP-Amersfoort een regiopoort Zeist-Noord ingetekend. Deze regiopoort wordt op dit moment niet verder uitgewerkt, omdat er eerst duidelijkheid nodig is over de HOV-lijn. Afstemming tussen OV en ruimtelijke kansen voor wonen en werken moeten hierin bewaakt worden.

•

Bewaken, versterken en integreren Nieuwe Hollandse Waterlinie, Stichtse Lustwarande, Utrechtse Heuvelrug: Het deelgebied Noordoost bevat het Noordelijke deel van drie grote sturende cultuurhistorische en natuurlijke 43

structuren in de regio. De integraliteit en samenhang van deze structuren moet bewaakt worden. De Heuvelrug heeft haar eigen opgaven waaraan gewerkt wordt (natuur, wateropgave, recreatie). De Stichtse Lustwarande als ketting van landgoederen is belangrijk in het karakter van het gebied, maar wordt nog niet in samenhang onderzocht of ontwikkeld. o

•

o

Bewaken in gebiedspakket en alliantie en verkennen wat de Stichtse Lustwarande aanvullend kan betekenen in het gebied Deze grote landschappelijke structuren worden gedeeld met gebiedspakket Kromme Rijn.

Afstemming met een aantal ontwikkelingen binnen de contour stedelijke ontwikkeling (die niet onder de regiopoorten vallen). Denk hierbij aan Schapenweide, PGGM en het Hessing-terrein. Bij elkaar tellen deze ontwikkelingen op tot 2.000 woningen.

Deelnemers en rollen gebiedsalliantie Noordoost:

Gemeenten De Bilt en Zeist verkennen ambtelijk welke samenwerking er nodig is om de opgaven in het gebiedspakket verder te brengen. Ook is er separaat een verkenning voor samenwerking opgestart rond het Noorderpark tussen Utrecht, Stichtse Vecht en De Bilt. De ontwikkelingen in het gebied vragen afstemming met de samenwerking A-Z en de regio Amersfoort. De organisatie van veel van de projecten is goed op orde, met uitzondering van de Stichtse Lustwarande. De verwachting (ambtelijk) is dat deze gebiedsalliantie genoeg heeft aan een lichte vorm van samenwerking waarin met name de samenhang en voortgang van Noorderpark, de regiopoorten, HOV Utrecht-Amersfoort en ontwikkeling van het USP afgestemd wordt. Deelnemers:

• Gemeente De Bilt

(trekkende gemeente)

• Gemeente Zeist

(trekkende gemeente)

• Gemeente Utrecht

(afstemming belangen en verbinden koppelkansen)

• Gemeente Stichtse Vecht

(afstemming belangen en verbinden koppelkansen)

• U10 organisatie

(hoeder IRP, verbinder, aanjager en ondersteuner uitvoering, procesbegeleiding)

• Provincie Utrecht

(hoeder POVI, ondersteuning uitvoering)

• HDSR (trekker wateropgave) Acties korte termijn: Opstellen startnotitie met daarin verkenning en duiding samenwerkingsbehoefte en gezamenlijke opgave.

44

B) Gebiedspakket Kromme Rijn De Kromme Rijnstreek staat in 2024 voor een aantal integrale ruimtelijke opgaven. Het robuuster maken van het landschap, dat overloopt in de scheg van de Kromme Rijn, raakt op een aantal plekken verstedelijkingslocaties. Zo kan de stadsrand van Utrecht kwalitatief worden verbeterd (Lunetten/Koningsweg). De ontwikkelingen rond de knooppunten en aan de randen van Bunnik en Houten geven extra aanleiding om in de landschapsopgave te investeren. De landschapsopgave is opgepakt binnen Kromme Rijn Linielandschap (KRLL). Hier is een gebiedsperspectief opgesteld met de ontwikkelrichting van het landschap. Zo wordt gezorgd voor de benodigde robuuste structuur die een contramal vormt binnen de dynamiek van stedelijke ontwikkelingen. De groenalliantie KRLL is hiermee een voorbeeld

van hoe de groenopgave met regionale partners kan worden opgepakt. Dit leidt ook al tot resultaat, zoals het opnemen van het landschap in verstedelijkingsafspraken en het maken van afspraken met het Rijk. De scope van KRLL is een perspectief op landschap en de functies die daarbinnen passen. De verstedelijkingsvraagstukken zijn door de gemeenten zelf opgepakt. Om de verstedelijkingsopgave in samenhang en met de gewenste kwaliteit in te vullen is een betere afstemming nodig binnen het gebied. De opgaven voor het gebied zijn complex en vragen om een gezamenlijk onderzoek naar de mogelijkheden in relatie tot de ambities die de verschillende gemeenten hebben.

Uitsnede werkkaart actualisatie IRP (in ontwikkeling): de opgaves in gebiedspakket Kromme Rijn

45

Samenwerking in gebiedspakket Kromme Rijn: NAAM

Doorontwikkelen Kromme Rijn Linielandschap (KRLL)

FASE

WIE

PLANNING

PRIO

Alliantie: GU, GB, GZ, GH, GUH, GWbD, PU, waterschap

Voor 2030

+

Onderzoek

GU, Rijk (I&W), PU

Na 2035

-

Uitvoering

GB

Voor 2030

+

Uitvoering

Integraal toekomst- Onderzoek beeld KRLL: koppeling landschap en stedelijke ontwikkeling en mobiliteit Perspectief Lunetten Koningsweg

Regiopoort Bunnik

Visie Kersenweide in Onderzoek relatie tot landschap

Alliantie: GU, GB, GZ, gemeete Houten (GH), gemeente Utrechtse Heuvelrug (GUH), gemeente Wijk bij Duurstede (GWbD), PU, waterschap

Loopt

+

€€€

GB, Alliantie

Regiopoort Houten

Uitvoering

GH

Voor 2030

+

Visie Houten-Oost in relatie tot landschap

Onderzoek

GH, Alliantie

Loopt

+

Regiopoort Driebergen-Zeist

GZ, GUH

Onderzoek

Alliantie

Loopt, voor 2030

+

Mobiliteit KRLL: verkeersstructuur KRLL, N229/A12/ Limesbaan

Onderzoek, planvorming

Vitaliteit kernen Wijk bij Duurstede en kleinere kernen: afstemming tussen kernen en KRLL

Afstemming, beleid

Alliantie, U10, PU

Bewaken en integreren Nieuwe Hollandse Waterlinie, Stichtse Lustwarande, Utrechtse Heuvelrug

Afstemming, beleid

Alliantie

Voor 2030

De volgende ontwikkelingen vragen erom in samenhang te worden opgepakt:

landbouw uit het (concept) Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG).

• Kromme Rijn Linielandschap verder doorontwikkelen. Vanuit de samenwerking tussen gemeenten wordt een toekomstpespectief gemaakt, inclusief aandacht voor recreatie, natuur, cultuurhistorie, landbouw en de wateropgave (o.a. waterberging Laagravenseplas Noord en Nieuw Wulven). Waar relevant leggen we een link met de UPLG-deelgebieden Kromme Rijnstreek, Utrechtse Heuvelrug en Vallei Utrecht, waar met gebiedspartijen wordt gewerkt aan de opgaven voor natuur, water, klimaat en

• Kromme Rijn Linielandschap koppelen aan stedelijke ontwikkeling en mobiliteit: Als je de verschillende woningbouwlocaties in het Kromme Rijngebied bij elkaar optelt heeft het gebied de potentie om een grote bijdrage te leveren aan de woningbouwopgave voor de regio en het gebied zelf, op korte en langere termijn. De samenhang en de wenselijkheid van de verschillende locaties vraagt om afstemming. 46

Het gebied wordt omringd door 5 treinstations en heeft daarmee de potentie om ontwikkeld te worden vanuit de uitgangspunten van de mobiliteitstransitie. Hiervoor zijn nieuwe (fiets-) verbindingen nodig tussen stations en de verschillende locaties. Waar locaties meer afhankelijk zijn van automobiliteit vraagt dit om een gezamenlijk verhaal voor provinciale wegen (N229, N227 Doorn, N421 Limesbaan) In dit gebied ontstaat ook het gesprek over schuifruimte. De regiopoort Bunnik vraagt om de verplaatsing van bedrijven en er is de wens om een aantal bedrijven uit de kernen te verplaatsen om zo ruimte te creëren voor woningbouw ihkv vitaliteit. In welke omvang en op welke plaats dit gefaciliteerd wordt is onderdeel van afstemmingsbehoefte. De mate waarin en de timing van de ontwikkeling van Lunetten-Koningsweg is nog onduidelijk. Forse verstedelijking op deze metropoolpoort heeft zijn effecten op het Kromme Rijngebied. Zo kan het leiden tot investeringen in, en het verbeteren van de treinverbinding Utrecht-Arnhem. Vanuit KRLL is het gewenst om de stad-land-relatie te versterken en het groene uitloopgebied te creëren voor de stad. De ontwikkelingen bij elkaar kunnen zo een stevige basis vormen voor de realisatie van het groenprogramma.

• Onderdeel integraal beeld Kromme Rijn Linielandschap: Toekomstperspectief Lunetten-Koningsweg in relatie tot spoorcorridor Utrecht-Arnhem en Waterlinieweg. In de toekomst kan het station en knooppunt Lunetten-Koningsweg een belangrijke rol spelen in het OV- en stedelijke systeem en daarmee ook de aanhaking met het KRLL sterk veranderen. Dit is echter afhankelijk van keuzes die over de spoorcorridor naar Arnhem gemaakt moeten worden en op dit moment geen prioriteit. Er wordt op korte termijn tijdelijke woningbouw gerealiseerd. • Onderdeel integraal beeld Kromme Rijn Linielandschap: Regiopoort Bunnik. De ontwikkeling van het stationsgebied van Bunnik speelt op korte termijn. Hiervoor zijn visies ontwikkeld en wordt gewerkt aan de benodigde randvoorwaarden, waaronder fietsinfrastructuur en uitplaatsen van bedrijvigheid. • Onderdeel integraal beeld Kromme Rijn Linielandschap: Visie doorontwikkeling Kersenweide. Op langere termijn kan Odijk-Kersenweide verder worden uitgebreid en kan het gebied ten zuiden van de A12 in beeld komen voor ontwikkeling voor werken of wonen. Door dit te onderzoeken vanuit het Kromme Rijn Linielandschap en de samenhang in het gebied kan een wenselijk perspectief ontstaan.

• Onderdeel integraal beeld Kromme Rijn Linielandschap: Regiopoort Houten. De ontwikkeling van het stationsgebied van Houten speelt op korte termijn. Hiervoor zijn visies ontwikkeld en wordt gewerkt aan de benodigde randvoorwaarden. • Onderdeel integraal beeld Kromme Rijn Linielandschap: Houten-Oost. De ontwikkeling van Houten-Oost als woningbouwlocatie is een uitgesproken wens van de Gemeente Houten die is vertaald in drie mogelijke ontwikkelmodellen. Deze ontwikkeling past nu niet in provinciaal beleid. Door Houten-Oost te onderzoeken vanuit het Kromme Rijn Linielandschap en de samenhang in het gebied kan een wenselijk perspectief ontstaan. • Onderdeel integraal beeld Kromme Rijn Linielandschap: Regiopoort Driebergen-Zeist. De gemeenten Zeist en Utrechtse Heuvelrug moeten onderzoeken hoe de ontwikkeling van de regiopoort, met wonen en werken, samen kan komen met andere functies zoals landschappelijke ontwikkeling. • Onderdeel integraal beeld Kromme Rijn Linielandschap: onderzoek naar de mobiliteit, N229/A12/Limesbaan is verstandig als alle ontwikkelingen in dit gebiedspakket in samenhang worden bekeken. Onderzoeken richten zich tot nu toe op gemeenten of individuele ingrepen. Onderzocht moet worden of en hoe de huidige infrastructuur in samenhang moet worden ontwikkeld met het gebied. Hierbij speelt ook de toegang tot OV en de fietsinfrastructuur een belangrijke rol.

• Vitale kern Wijk bij Duurstede en kleinere kernen: De ontwikkeling van het Kromme Rijn Linielandschap heeft invloed op Wijk bij Duurstede en andere kernen in het gebied. Daarom is afstemming belangrijk. De ontwikkeling van woningen en werkprogramma in Wijk bij Duurstede is een zelfstandige opgave die past in de programmalijn Vitale Kernen. • Bewaken en integreren Nieuwe Hollandse Waterlinie, Stichtse Lustwarande, Utrechtse Heuvelrug: Het deelgebied Kromme Rijn bevat een groot deel van drie grote sturende cultuurhistorische en natuurlijke structuren in de regio. De integraliteit en samenhang van deze structuren moet bewaakt worden. De Heuvelrug heeft haar eigen opgaven waaraan gewerkt wordt (natuur, wateropgave, recreatie). o o

Bewaken in gebiedspakket en alliantie Deze grote landschappelijke structuren worden gedeeld met gebiedspakket Noordoost

47

Deelnemers en rollen binnen alliantie Kromme Rijn:

De gemeenten Houten en Bunnik nemen het initiatief om de samenwerking binnen de alliantie te verkennen en haken hierbij ook andere gemeenten aan. • Gemeente Bunnik

(trekkende gemeente)

• Gemeente Houten

(trekkende gemeente)

• Gemeente Wijk bij Duurstede

(afstemming belangen en verbinden koppelkansen)

• Gemeente Utrechtse Heuvelrug (afstemming belangen en verbinden koppelkansen) • Gemeente Utrecht

(afstemming belangen en verbinden koppelkansen)

• Gemeente Zeist

(afstemming belangen en verbinden koppelkansen)

• U10 organisatie

(hoeder IRP, verbinder, aanjager en ondersteuner uitvoering, procesbegeleiding)

• Provincie Utrecht

(hoeder POVI, ondersteuning uitvoering)

• HDSR (trekker wateropgave) Acties korte termijn: Opstellen startnotitie met daarin uitgewerkt: • Een gedeeld beeld over de ontwikkelopgave • Prioritering van gebiedsopgave • Governance en overlegstructuur (inclusief relevante stakeholders) • Benodigde organisatie en middelen • Nadere roldefiniëring en eigenaarschap Aanhaking bij het regionale programmeren, adaptief programmeren (financiering, prioritering)

48

C) Gebiedspakket De Waard en Vijfheerenlanden Het zuidwesten van de regio staat voor een opgave die voor een belangrijk deel gaat over het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied en de kernen in de Lopikerwaard en Vijfheerenlanden. Veel aandacht gaat naar transitievraagstukken, de toekomst van de landbouw, watersysteem, natuur en recreatie, maar ook naar perspectief voor vitale kernen, haar bewoners en bedrijven. In Vijfheerenlanden spelen naast deze opgaven de regiopoort Vianen, het regionale bedrijventerrein Gaasperwaard,

woningbouw in Leerdam en de aanpak van de A27 een grote rol. Aan de rand van het gebied zuidwest, wordt binnen het gebiedspakket Groot Merwede en Rijnenburg gewerkt aan de grootste woningbouwlocatie van Nederland. Effecten daarvan landen in het buitengebied van zuidwest. De wederkerigheid die nodig is om deze effecten te laten landen moet worden georganiseerd.

Uitsnede werkkaart actualisatie IRP (in ontwikkeling): de opgaves in Gebiedspakket De Waard en Vijfheerenlanden.

49

Samenwerking in gebiedspakket De Waard en Vijfheerenlanden: NAAM

FASE

WIE

PLANNING

PRIO

AanpakVitale Kernen

Afstemming, beleid, onderzoek

Alliantie, U10, PU

Opstart onderzoek 2024

+

Voor 2027

+

Uitvoeringsprogram- Uitvoering ma NOVEX Groene Hart

Regiopoort Vianen

Alliantie NOVEX Groene Hart: Loopt, projecten + gemeente Vijfheerenlanden naar uitvoering (GVHL), gemeente IJsselstein (GIJ), gemeente Montfoort (GM), gemeente Lopik (GL), gemeente Oudewater (GO), gemeente Woerden (GW)

Onderzoek

GV, U10 PU

Uitvoering Regionaal Uitvoering bedrijventerrein Gaasperwaard III

GV, U10, PU

Afstemming voor wederkerigheid met Gebiedspakket Groot Merwede en Rijnenburg

Alliantie De Waard en Vijfheerenlanden en Alliantie Groot Merwede en Rijnenburg

Afstemming

Opstart onderzoek 2024

De volgende ontwikkelingen vragen erom in samenhang te worden opgepakt: •

Uitvoering NOVEX Groene Hart: de opgaven voor landschap, landbouw, bodemdaling en de transities die hierbij horen, worden opgepakt in de NOVEX Groene Hart, samen met gebieden in Zuid-Holland die met vergelijkbare opgaven te maken hebben. Hierin is een tabel met projecten gemaakt die de basis vormt voor de uitvoering van het onderdeel groen, water landschap en vitaliteit in dit deel van de regio. Deze samenwerking verloopt goed en is actiegericht.

•

Aanpak vitale kernen: In dit deelgebied is de aanpak van vitale kernen van bijzonder groot belang. In U10verband wordt met de Provincie een onderzoek gestart naar de toekomst van vitale kernen. Het gaat om lokaal specifieke opgaven, die vaak over woningbouw in relatie tot landschap gaan, maar soms ook over het verplaatsen van bedrijvigheid naar een betere plek.

•

•

Uitvoering Regiopoort Vianen: Regiopoort Vianen is een belangrijke mobiliteitshub voor verkeer van en naar het Zuiden van de regio. Rond deze regiopoort is beperkt stedelijke ontwikkeling mogelijk, het accent van de poort ligt op de mobiliteitsfunctie, maar deze heeft een rol voor de wijde omgeving van het gebied, ook als overstapplek (P+R). Regionaal bedrijventerrein Gaasperwaard-III: In Vianen komt een nieuw regionaal bedrijventerrein van ca.

€€€

+

30 ha (netto). Dit is tot heden het enige regionale bedrijventerrein dat door de Provincie in de U10 is voorzien. Het terrein vormt daarmee in de regio een belangrijk puzzelstuk in de vraag naar bedrijfsruimte, zowel voor autonome groei als schuifruimte. Daarom moet met deze ruimte zorgvuldig worden omgegaan (dichtheid) en zijn regionale afspraken nodig over de uitgifte en prioritering van soorten bedrijven die hier een plek vinden. Daarnaast zijn er vraagstukken over de ontsluiting. Deze is voorzien via de bestaande afrit Hagestein aan de A27. Doordat knooppunt Everdingen incompleet is betekent dit dat er geen directe verbinding is met de A2 richting Utrecht en Amsterdam, waardoor verkeer door de kern van Vianen, Nieuwegein of via de Galecopperzoom/A12 zal rijden.

•

Waar relevant leggen we een link met de UPLG-deelgebieden Utrechtse Waarden en Vijfheerenlanden, waar wordt gewerkt aan de opgaven voor natuur, water, klimaat en landbouw uit het (concept) Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG).

•

Afstemming voor wederkerigheid met gebiedspakket Groot Merwede en Rijnenburg. Effecten van deze ontwikkelingen landen deels in het buitengebied van zuidwest. Afstemming is nodig om de wederkerigheid van de effecten te organiseren is nodig.

50

Deelnemers en rollen binnen alliantie De Waard en Vijfheerenlanden:

De samenwerking op veel van de opgaven binnen deze gebiedsalliantie is al belegd op verschillende tafels. De transitie van het landelijk gebied wordt in NOVEX-gebied Groene Hart en het UPLG opgepakt, voor Vitale Kernen loopt in U10 verband een programmalijn. De wederkerigheid tussen deze alliantie en Groot Merwede en Rijnenburg moet georganiseerd worden. Invulling van Gaasperwaard vereist regionaal afstemming via de bestuurstafel Economische Positionering en aan de regiopoort Vianen wordt in de programmalijn Regiopoorten gewerkt. Het is dus nog een vraag of de opgaven binnen de alliantie wordt opgepakt of dat er juist ingezet wordt op het verder ontwikkelen van bestaande samenwerkingen. Als alternatief wordt gesuggereerd om de NOVEX Groene Hart tot separaat gebiedspakket met alliantie te maken, inclusief de opgaven landelijk gebied voor gemeenten Stichtse Vecht en De ronde Venen. -

Gemeente Vijfheerenlanden Gemeente IJsselstein Gemeente Montfoort Gemeente Lopik Gemeente Oudewater Gemeente Woerden

-

U10 organisatie Provincie Utrecht HDSR

(hoeder IRP, verbinder, aanjager en ondersteuner uitvoering, procesbegeleiding) (hoeder POVI, ondersteuning uitvoering) (trekker wateropgave)

Acties korte termijn: Opstellen startnotitie met daarin meningsvorming over opgave en organisatie van de alliantie.

51

D) Gebiedspakket GrootMerwede en Rijnenburg Het gebied Groot Merwede is het belangrijkste verstedelijkingsgebied van de regio. De combinatie van lopende binnenstedelijke projecten in Utrecht-Zuidwest en Nieuwegein met de grootschalige vertedelijkingslocaties a12-zone en Rijnenburg maken dit tot één van de grootste woningbouwlocaties van Nederland (met ca. 70.000 nieuwe woningen en 35.000 arbeidsplaatsen). Deze grote ontwikkelingen zijn gekoppeld aan randvoorwaardelijke keuzes in het mobiliteitssysteem om de bereikbaarheid en de leefbaarheid te borgen. En tegelijk is het nodig om de koppeling met het landschappelijke systeem, de wateropgave en het energiesysteem te maken en ervoor te zorgen dat de aansluiting met de omliggende gemeenten zorgt voor het verzilveren van koppelkansen. Veel van het werk in Groot Merwede wordt al gedaan in het kader van de woondeal (woningbouwlocaties tot 2030) en het MIRT onderzoek A12-zone in samenhang met Rijnenburg. Het werk van de regio zit hem met name in het verbinden met de opgaven voor groen, water en landschap,

energie en het aansluiten op en verzilveren van meekoppelkansen voor de omliggende gebieden. Er is op dit moment een alliantie in oprichting om deze vraagstukken een plek te geven en te kunnen sturen op ruimtelijke en inhoudelijke samenhang. De volgende ontwikkelingen vragen erom in samenhang te worden opgepakt: •

Uitvoering geven aan de woningbouwplannen in Utrecht Zuidwest en Nieuwegein die in dit gebied zijn omschreven in de woondeal (voor 2030), inclusief de randvoorwaardelijke maatregelen in groen, mobiliteit en schuifruimte voor bedrijvigheid. Het gaat om ca. 25.000 woningen in bestaand stedelijk gebied.

•

Keuzes maken binnen de MIRT verkenning OV en wonen, onder andere over tracé en aard van de Merwedelijn en de verbinding tussen Westraven en USP. Deze OV ingrepen zijn deels nodig voor de woningbouw

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15462970/1