CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

6.1 Uitvoeringsagenda Integraal Ruimtelijk Perspectief

Commissie Ruimte 13 mei 2025, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven23.372 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Uitvoeringsagenda Integraal ruimtelijk perspectief

17 DECEMBER 2024

Inhoudsopgave 1. Aanleiding: van perspectief naar uitvoering a)

Waarom een uitvoeringsagenda IRP

b)

Lessen uit bestuurlijke analyse: samenwerkingsvraagstukken

c)

Lessen uit monitoring: inhoudelijke actualisatie

d)

Koppeling aan NOVEX-opgaven

2. Opgave: regionale wederkerigheid a)

Regionale en overlappende opgaven

b)

Projectmatig organiseren in gebiedspakketten

c)

Drie principes voor de uitvoering van het IRP

d)

Kracht in de tussenruimte en het organiseren van wederkerigheid, het bewaken van complementariteit

e)

Naar een meerjarenprogrammering

3. Sectorale lijnen: wat is er nieuw en waar moeten we de komende jaren aan werken a)

Groen, Water en Landschap

b)

Mobiliteit

c)

Wonen

d)

Werk en Economie

a)

Energie

4. Gebiedspakketten en Gebiedsallianties a)

Indeling gebiedspakketten NOVEX en IRP

b)

Inhoud gebiedspakketten a.

Gebiedspakket Noordoost

b.

Gebiedspakket Kromme Rijn

c.

Gebiedspakket Zuidwest

d.

Gebiedspakket Groot Merwede en Rijnenburg

e.

Gebiedspakket Noordwest

2

5. Strategie voor uitvoering van het IRP a)

De uitgangspunten voor realisatie van het IRP

b) De ervaring van de afgelopen jaren c)

Samenwerkingsprincipes

d)

De realisatie van de integrale en gezamenlijke opgaven: de stappen

e)

De organisatie en werkwijze

f)

Gebiedsallianties

g)

Programmalijnen

h)

Koppeling met hoger schaalniveau: Provincie, MRU, NOVEX/UNED, lobby

6. Uitvoeringsafspraken a)

Benodigde mensen, middelen en uitvoeringsafspraken

b)

Adaptief programma NOVEX

c)

Uitwerking ontwikkelpaden en adaptief programmeren in de gebiedspakketten

d)

Regionale investeringsagenda

3

1. Aanleiding

Van perspectief naar uitvoering Samengevat Dit uitvoeringsprogramma van het IRP stuurt aan op:

• De uitvoering van het IRP in allianties op het juiste schaalniveau • Het bevorderen van integrale samenhang • Het actualiseren van een aantal inhoudelijke thema’s • Het verbinden van het IRP met de NOVEX aanpak

Uitvoeringsagenda: van woorden naar daden

Utrecht is een populaire regio en doordat we hard groeien, moeten we slim omgaan met de ruimte die we hebben. De 16 colleges die in de U10 samenwerken hebben hierover afspraken gemaakt in het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP). Om richting te geven aan een strategische en integrale ontwikkeling op de toekomst is het IRP opgesteld, dat integrale keuzes maakt op basis van lokale visies en regionale opgaven. Hiermee committeren de gemeenten zich aan elkaar en aan de regionale opgaven en is er een gezamenlijke basis voor samenwerking en onderhandeling met Rijk, provincie Utrecht, andere overheden en marktpartijen. In de uitvoeringsparagraaf hebben we afgesproken het

IRP actueel, verbindend en richtinggevend te houden. Het verhaal van het IRP staat, is sterk en biedt handelingsperspectief. We houden vast aan onze doelstellingen zoals ze zijn uitgewerkt in de 7 perspectieven, die leiden tot integrale keuzes omschreven in redeneerlijnen. Er is geen aanleiding deze te aan te passen. Tegelijkertijd leiden ontwikkelingen van de afgelopen jaren en de behoefte om de uitvoering te concretiseren tot samenwerkingsvraagstukken en acties, die we de komende jaren met elkaar op te pakken hebben.

Bestuurlijke behoefte: beter samenwerken op uitvoering

Deze samenwerkingsvraagstukken hebben we het afgelopen half jaar opgehaald vanuit verschillende bestuurlijke en ambtelijke rondes. Uit deze rondes bleek dat men waardering heeft voor de uitvoering zoals deze binnen de sectorale bestuurstafels heeft plaatsgevonden. Ook de lobby is voortvarend opgepakt en heeft tot verschillende successen geleid. Successen die we daarop hebben geboekt in 2022 en 2023 zijn: •

Substantiële financiële hulp van het kabinet middels: Versnellingsafspraken woningbouw voor gemeenten verspreid over de regio;

Integraal Regionaal Perspectief voor de U10 in 2040, opgesteld in 2022.

5

•

Investeringen in lightrail en sport,- recreatie en groenvoorzieningen in het hart van de regio; en een Startbouwimpuls voor gemeenten verspreid over de regio;

•

Reservering van middelen ten behoeve van de realisatie van de Merwedelijn;

•

Zicht op Gaasperwaard als eerste van de beoogde drie regionale bedrijventerreinen;

•

Het onderbrengen en verdiepend uitwerken van de inhoud van het IRP, met name: in het Rijk-Regio gedragen Novex Ontwikkelperspectief Metropoolregio Utrecht en het Ruimtelijk voorstel;

•

Middelen voor de uitwerking van UPLG.

Maar de uitvoeringsstrategie van het IRP benoemt ook andere benodigde samenwerkingen; • De uitvoering door gebiedsuitwerkingen in allianties (beter samenwerken waar ruimtelijke samenhang is).

• Het bevorderen van de integrale samenhang (thema’s aan elkaar verbinden). Door de huidige werkwijze wordt op sommige onderwerpen concreetheid en daadkracht gemist. Waar we ten tijde van het opstellen van het IRP stuurden op integraliteit, strategie en samenwerking, kan dat in de uitvoeringsfase nog een stuk sterker.

Inhoudelijke actualisatie nodig

Naast het uitwerken in allianties en het bevorderen van de integrale samenhang is voor de uitvoering van het IRP ook een actualisatie voor een aantal inhoudelijke vraagstukken nodig. Dit uitvoeringsprogramma bevat geen nieuw beleid, maar op een aantal inhoudelijke thema’s zijn nieuwe prioriteiten ontstaan of zijn accenten verlegd. Deze krijgen in het uitvoeringsprogramma een plek. Het gaat bijvoorbeeld om: • Rekening houden met water en bodem en de transitie van het landelijk gebied als uitvoering van de redeneerlijn over groen en landschap en Groen Groeit Mee; • Netcongestie en een actualisatie van de energieopwekking en duurzame warmte als uitwerking van het thema energie;

• Actualisatie van een aantal verstedelijkingslocaties (wonen, werken en mobiliteit) en de randvoorwaarden waaronder deze te ontwikkelen zijn, o.a. voor Groot Merwede, Rijnenburg en de regiopoorten. Deze zullen worden uitgewerkt in de thematische en gebiedsgericht hoofdstukken hierna.

Koppeling aan NOVEX-opgaven

De uitvoering in allianties betekent niet alleen een uitvoering door gemeenten onderling. Voor de uitvoering wordt samengewerkt op verschillende schaalniveaus, ook met Provincie, Waterschappen en het Rijk. Sinds de totstandkoming van het IRP heeft het Rijk NOVEX gebieden aangewezen waarin wordt samengewerkt aan nationale opgaven. Door de ervaringen in de recent georganiseerde BO IRP bijeenkomsten en de integrale context weer centraal te stellen, wordt meerwaarde voor samenwerking aan regionale opgaven gezien en kunnen kansen worden benut. Voor de regio U10 zijn de belangrijkste NOVEX-gebieden de NOVEX Utrecht-Amersfoort en de NOVEX Groene Hart. In het kader van de NOVEX wordt samengewerkt aan de uitvoering van integrale opgaven. Voor het NOVEX gebied Utrecht -Amersfoort is een ontwikkelperspectief en uitvoeringsagenda opgesteld, waarin het IRP goed is verankerd, daarmee is de samenwerking met het Rijk verbreed en versterkt. In de NOVEX Groene Hart wordt uitwerking gegeven aan de vitaliteit en transitie landelijk gebied en bodemdaling. De NOVEX-samenwerkingen zijn de plek om samen uitvoering te geven aan beleid van het Rijk (o.a. voorontwerp Nota Ruimte), de Provincie (o.a. Omgevingsvisie en Ruimtelijk Voorstel), de waterschappen (o.a. Geschiktheidskaart van de Utrechtse Waterpartners) en de regio (o.a. Omgevingsvisies, Ontwikkelperspectief en het IRP).

Dit uitvoeringsprogramma van het IRP staat niet naast deze NOVEX opgaven, maar vormt een deel van de uitvoering ervan. We werken dan ook niet alleen als 16 gemeenten samen aan de uitvoering van het IRP, maar dragen daarmee ook bij en geven input aan de integrale uitvoering van visies en beleid op hoger schaalniveau.

6

Ondiep: stads en karaktervol wonen in Utrecht

Makerslab in Utrecht: innovatie, techniek

Noorderpark als onderdeel van ecologische hoofdstructuur

7

2. Opgave

Regionale wederkerigheid Samengevat De Regio Utrecht groeit en is populair om te werken, wonen en recreëren. Er ontstaat druk op ruimte: hoe kunnen verschillende opgaves en projecten elkaar versterken? • De kracht van de U10 ligt in de tussenruimte, het verbinden van sectoren, schaalniveaus en organisaties. • Zet in op integraal samenwerken aan gebiedspakketten vanuit de samenhang tussen opgaves en oplossingen. • 3 uitvoeringsprincipes voor het IRP: gezamenlijk perspectief waar de 16 gemeenten voor elkaars opgaven staan; integraliteit die actiegericht is; en integrale en sectorale verbanden vinden vanuit bestuurstafels en gebiedspakketten. De regio Utrecht is populair. Het beste vestigingsklimaat van Europa in 2022 (EU Regional Competitive Index, 2022) trekt bedrijvigheid en bewoners. In het voorontwerp van de Nota Ruimte wordt onze regio samen met de regio’s Amsterdam en Eindhoven gezien als de belangrijkste stuwende groeiregio’s van Nederland. De opgaven voor de Metropoolregio Utrecht zijn vergelijkbaar met die van de Metropoolregio Amsterdam en de Metropoolregio Eindhoven: een groei die we in het ruimtelijk domein nauwelijks kunnen bijbenen en veel van ons vraagt. Daarnaast speelt er ook een autonome opgave om het landschap, de natuur, de landbouw, het water en de cultuurhistorie die aan de basis staan van dit succes toekomstbestendig te maken.

Tegelijkertijd zorgt deze groei ook voor druk op de voorzieningen en ruimte in de stad, door de aantrekkingskracht van Utrecht Centraal, de onderwijs-, cultuur- en zorginstelling, hoogwaardige werkgelegenheid en het diverse aanbod aan stadsrecreatie.

Regionale en overlappende opgaven

De ontwikkeling van de regio, de randvoorwaarden en netwerken die nodig zijn om de regio van gezond leven te blijven en de transities waar we voor aan de lat staan voeren de druk op de ruimte op. Daarbij ligt het risico op de loer dat behoud en ontwikkeling, stad en platteland, rood en groen tegenover elkaar komen te staan. Dat willen we omdraaien. De stad Utrecht maakt met haar barcode inzichtelijk welke ruimte er nodig is voor de groei van de stad. Niet alleen om te wonen en te werken, maar ook in ruimte voor bijvoorbeeld recreatie, energie en natuur. Maar net als Utrecht heeft elke stad, elk dorp en elke gemeente haar eigen opgaven die ruimte nodig hebben. In dit uitvoeringsprogramma zoeken we naar kansen om die verschillende opgaven aan elkaar te verbinden. Hoe kunnen de agenda’s van buitengebied en dorpen en steden elkaar versterken? Hoe kan waterberging juist gecombineerd worden met recreatie of het tegengaan van bodemdaling? Hoe kan de opwek van duurzame energie juist bijdragen aan vitale kernen? In de gebiedsgerichte allianties zoeken we deze wederzijdse meerwaarde actief op.

Projectmatig samenwerken in gebiedspakketten en programmalijnen Het IRP is compleet en integraal, maar geeft nog onvoldoende sturing en is te weinig actiegericht. Prioritering en organisatie van de uitvoering komt nog onvoldoende uit de verf. In dit uitvoeringsprogramma vertalen we opgaven naar samenhangende gebiedspakketten. Deze gebiedspakketten zijn integraal en maken de samenhang tussen opgaven duidelijk. Ze lenen zich daardoor beter voor het maken van keuzes en afwegingen. In deze gebiedspakketten wordt op zoek gegaan naar de complementariteit van opgaven en wederkerigheid van afspraken. Deze gebiedspakketten

Kerckebosch in Zeist: herontwikkeling van een bestaande buurt in Zeist. Hier zijn landschap, recreatie, voorzieningen en wonen geïntegreerd.

9

worden in dit uitvoeringsprogramma benoemd maar zullen in allianties moeten worden uitgewerkt en als projecten worden uitgevoerd. Naast uitvoering in gebiedspakketten, wordt de uitvoering ook opgepakt in programmalijnen die zowel thematisch (bijvoorbeeld schuifruimte bedrijvigheid) als integraal (bijvoorbeeld Regiopoorten) kunnen zijn.

Drie principes voor de uitvoering van het IRP Om dit te kunnen doen zijn er drie dingen nodig:

1. Het IRP is een gezamenlijk perspectief: gemeenten stáán voor elkaars opgaven. Wat in het IRP staat is de uitkomst van een gezamenlijk proces van de 16 gemeenten. Samen vinden we dit de beste manier om een plek te geven aan de regionale opgaven die voor ons liggen. We nemen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de realisatie van de totale ambitie van het IRP: we staan daarvoor gezamenlijk aan de lat. Voor de gemeenten is de meerwaarde dat niet ieder voor zichzelf naar oplossingen voor zijn problemen en uitdagingen zoekt én negatief kan worden verrast door de keuzes van buurgemeenten, maar dat we gezamenlijk werken aan de inhoud en uitvoering, dat we rekening houden met elkaar en samen een optimale oplossing voor iedere gemeente vinden. We handelen daarbij vanuit onderling vertrouwen en transparantie. We spreken elkaar aan op het uitvoeren van de ambities. Met als uitgangspunt een evenwichtige verdeling van de lusten en de lasten die horen bij de ontwikkeling van de regio. 2. Integraliteit betekent niet volledig, maar actiegericht Integraliteit kan verlammend werken. Maar het doel is niet om volledig te zijn. Integraliteit willen we juist vertalen naar actiegericht. We werken gebiedsgericht, daar zorgen we dat opgaven die elkaar versterken, worden opgepakt in de uitvoering. En we leggen verbanden waar nodig.

Opgaven staan hierbij niet tegenover elkaar, maar hangen samen binnen één regionaal systeem. 3. Integrale en sectorale uitvoering versterken elkaar De uitvoering van het IRP is verdeeld in thematische tafels. Voor veel onderwerpen werkt dit goed, de integrale kansen en koppelkansen worden opgepakt in de integrale bestuurlijke tafel. Schuifruimte voor de transformatie van bedrijventerreinen wordt opgepakt aan de bestuurstafel economie, maar de urgentie komt vooral uit de bestuurstafel wonen. De pilotprojecten van Groen Groeit Mee worden door de bestuurstafel groen en landschap aangestuurd en bemenst, waardoor de koppeling met verstedelijking niet vanzelf gemaakt wordt. Het doel van de integrale bestuurstafel en de gebiedspakketten moet zijn om dit soort verbanden te leggen en daarmee vanuit de integrale opgave opdrachten neer te leggen bij de sectorale tafels. Andersom kunnen sectorale belangen om een integrale ruimtelijke afweging vragen en kunnen sectorale tafels vraagstukken bij de integrale bestuurstafel neerleggen.

Kracht in de tussenruimte en het organiseren van wederkerigheid, het bewaken van complementariteit

In het tussenveld ligt de kracht van de U10. Dit tussenveld gaat over de ruimte tussen sectoren, schaalniveaus en organisaties. Voor Groot-Merwede wordt in UNED verband gewerkt aan programma, mobiliteit en ruimte voor Groot Merwede en Rijnenburg. De U10 zorgt ervoor dat koppelkansen met GGM-projecten de Hollandse IJssel en het Kromme Rijn Linielandschap worden gevonden en verzilverd, en dat de belangen en kansen voor omliggende gemeenten als IJsselstein en Montfoort worden verzilverd. In het programma Regiopoorten wordt gesignaleerd dat er een grote opgave ligt in schuifruimte van bedrijvigheid om verstedelijking van regiopoorten mogelijk te maken. De U10 organisatie zorgt voor agendering op de bestuurstafel economie, de urgentie vanuit de integraliteit en trekt het proces om afspraken te maken over schuifruimte. De groei van steden en dorpen zorgt voor toenemende recreatieve druk. De U10 zorgt ervoor dat die druk niet zorgt voor het projecteren van stedelijke behoeften op het buitengebied, maar dat de kansen die er ontstaan ook de agenda van het platteland, de natuur en de wateropgave bedient. Naast de stedelijke vraagstukken spelen er lokaal specifieke vraagstukken, met name in de kleinere kernen in de regio, waarvoor we ook ruimte willen maken.

Deze kernen dreigen te krimpen, onder andere omdat er door demografische veranderingen gemiddeld steeds minder mensen in een woning wonen (huishoudensverdunning). Per kern worden afspraken gemaakt over wat er nodig is om vitaal te blijven. Binnen de programmalijn vitale kernen wordt ervoor gezorgd dat toegang tot werk, voorzieningen en landschap overal in de regio goed georganiseerd is.

Naar een meerjarenprogrammering

Met allianties en gebiedspakketten wordt gewerkt naar een meerjarenprogrammering. Er is namelijk prioritering nodig binnen de grote hoeveelheid aan opgaves en projecten. Door heldere projecten te formuleren en afspraken te maken over fasering kunnen ambtelijke capaciteit en middelen effectief ingezet worden. Ook komen op deze manier urgente afhankelijkheden aan het licht die aangekaart kunnen worden op de relevante tafels. Daarnaast kunnen randvoorwaardelijke condities integraal inzichtelijk gemaakt worden, wat mede de basis vormt voor een logische meerjarenprogrammering.

10

Zoektocht naar werklocaties in de regio Utrecht. (Beeld: Lage Weide in Utrecht)

Woningbouwplannen voor gezond wonen en werken in de regio (Beeld: Cartesius in Utrecht, MRP Development)

11

3.Sectorale lijnen

Wat is nieuw en waar moeten we de komende jaren aan werken In dit hoofdstuk wordt thematisch benoemd of en hoe de opgave is veranderd sinds het IRP, wat hierop georganiseerd wordt en welke vraagstukken in dit uitvoeringsprogramma moeten worden opgepakt. In dit hoofdstuk staat de sectorale opgave centraal, in het volgende hoofdstuk de integrale opgave. De sectorale lijnen worden uitgewerkt en bewaakt aan de thematische bestuurstafels. Deze bestuurstafels zullen de komende jaren verder werken aan de opgaven die in dit hoofdstuk staan beschreven. Daarnaast zal er als dat nodig is

afstemming moeten plaatsvinden met de integrale ruimtelijke opgaven van het BO IRP en in de gebiedspakketten. Onderdeel van het BO IRP zijn: de wethouders RO en de voorzitters van bestuurtafels. Ook zouden gasten zoals een gedeputeerde RO of een hoogheemraad kunnen worden uitgenodigd. In dit hoofdstuk wordt eerst de geactualiseerde werkkaart gepresenteerd, en daarna een actueel beeld geschetst van de verschillende huidige thematische opgaven en de opdracht die dit oplevert voor de bestuurstafel en voor de gebiedspakketten.

In een co-creërend proces hebben we met bestuurders, directeuren en ambtelijke tafels zowel sectoraal als integraal de opgaven geactualiseerd en vertaald naar een uitvoeringsagenda IRP.

13

Werkkaart Actualisatie IRP. Bundeling van de verschillende regionale projecten, opgaves en zoekgebieden. Water en energie zijn hierbij als thema’s nieuw toegevoegd op de kaart. (Bronnen: o.a. IRP (2021),

Actualisatiegesprekken en workshops met gemeenten (AO/DO/BO en Utrechtse Waterpartners, 2024), HDSR (2024), RES (2024))

15

3A Groen, Water en Landschap 1. Conclusies en samenwerkingsvraagstukken Groen, Water en Landschap 2024

• Groene ruimte staat reëel onder druk en krimpt als gevolg van verstedelijkingslocaties en andere opgaven. Tegelijkertijd lukt het in een deel van de gebieden goed om in allianties van gemeenten, provincie en waterschap werk te maken van de ontwikkeling van de groenblauwe ambities. Daar wordt de komende tijd in de gebiedspakketten meer expliciet de randvoorwaardelijke koppeling gelegd tussen de verstedelijkingslocaties (zoals bijvoorbeeld Groot Merwede en Rijnenburg en de voorgenomen woningbouw in de gemeenten Houten, Bunnik en Driebergen-Zeist in relatie tot Groen Groeit Mee (GGM) projecten Kromme Rijn Linielandschap en Hollandse IJssel, inclusief de wateropgave). • In andere gebieden moet de gebiedssamenwerking komende jaren nog worden opgestart of verder doorontwikkeld. Dit wordt verkend voor specifiek de Groene Polderscheg Woerden – Utrecht – Breukelen, het noordelijk deel van de Waterliniescheg (o.a. Noorderpark) en de Stichtse Lustwarande. Deze worden in de gebiedspakketten meegenomen en aangejaagd. • Het Utrechts Programma Landelijk Gebied is in belangrijke mate leidend (en biedt kansen) voor de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De U10 kijkt samen met de provincie hoe de toegezegde middelen uit de maatregelenpakketten op korte termijn kunnen worden ingezet om te komen tot uitvoering en waar mogelijk onderdeel kan worden van de gebiedspakketten.

• De proposities voor groen, water en landschap gekoppeld aan (relatief kleinere) uitleglocaties leiden op

Recreëren langs de Kromme Rijn.

steeds meer plekken tot concreet resultaat (bijvoorbeeld in Mijdrecht en Montfoort). De komende tijd moeten de ambities verder geconcretiseerd worden in projecten (bijvoorbeeld voor NOVEX Groene Hart). • De verbinding met de ontwikkeling van (relatief grote) verstedelijkingslocaties is een grote uitdaging. Daarom wordt ingezet op: • Het benutten van de bekostigingsbronnen die er wel zijn. • Heldere communicatie richting het Rijk over wat de ontwikkeling van verstedelijkingslocaties aan concrete groenblauwe maatregelen vraagt. • Het laten zien van goede voorbeelden waarop de regio zelf al aan de slag is. We besteden daarbij specifiek aandacht aan de ontwikkeling van de regiopoorten. • De wateropgaven zijn belangrijk, en zijn vaak onderdeel van gesprek in concrete gebiedsontwikkelingen of andere samenwerkingsverbanden zoals het Netwerk Water en Klimaat. Daarnaast worden aan de bestuurstafel Groen en Landschap ook wateropgaven besproken. Dat blijft zo. Ook wordt samen met gemeenten verkend hoe de samenwerking in Centraal Holland (onderdeel Deltaprogramma) tussen de partners uit de regio en het Rijk de komende periode verder vorm moet krijgen. Deze samenwerkingsvraagstukken moeten enerzijds opgepakt worden aan de Bestuurstafel Groen en Landschap en in de Programmalijn Groen Groeit Mee, en moeten anderszijds integraal opgepakt worden in gebiedsallianties.

2. Context, opgave, eerdere regionale afspraken

De Utrechtse gemeenten zijn trots op de diversiteit aan landschappen, de cultuurhistorie en de fraaie natuur- en recreatiegebieden, bossen, plassen en rivieren in de regio. Daarom is in het IRP uitgesproken dat het versterken van de landschappelijke kwaliteit van het groene en blauwe netwerk voor natuur en recreatie een voorwaarde is voor een gezonde groei van de regio. ‘Groen Groeit Mee’ is daarbij het gezamenlijke leidmotief, waarbij er ook meer kwantitatieve groei is benoemd (+10.000 ha). Nu duidelijk is waar de regio naar toe wil, gaat het om doén. Dat is de reden dat vorig jaar de Agenda Groen en landschap 2030 is opgesteld. Het bevat een inhoudelijke en gebiedsgerichte verdieping van de ambities uit het IRP én geeft inzicht in de opgaven voor Groen, Water en Landschap waar gemeenten tijdens deze collegeperiode in U10-verband en samen met onze partners aan werken. De grootste verandering sinds de vaststelling van ons IRP was de introductie van Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), en de vertaling hiervan naar het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) voor het realiseren van de doelen voor natuur, water en klimaat en de landbouw.

Echter in het Regeerprogramma van het nieuwe kabinet wordt het NPLG grotendeels vervangen door een andere aanpak waarbij boeren en beheerders meer verantwoordelijk worden voor natuurbeheer en hiervoor ook vergoed worden onder de noemer van agrarisch natuurbeheer. Voorlopig is het nog afwachten welke voorstellen en financiële toezeggingen het nieuwe kabinet aandraagt. Het UPLG (of een andere versie hiervan) kan in de komende jaren in belangrijke mate leidend zijn voor de ontwikkeling van het landelijk gebied in onze regio. Daarnaast heeft ook het programma Groen Groeit Mee zich doorontwikkeld. Kort na vaststelling van het IRP is door 39 Utrechtse partijen het Groen Groeit Mee Pact ondertekend en samen met betrokken partijen wordt, onder meer in een aantal voorbeeldgebieden, ingezet op groenontwikkeling in relatie met de woningbouwontwikkeling. Groen, water, landschap en recreatie zijn hierbij speerpunten. Groen Groeit Mee is ook afhankelijk van keuzes die door het Rijk gemaakt worden (bijv. voor financiering). Ook in relatie tot de wateropgaven is de context veranderd, onder meer onder invloed van het veranderende klimaat. Het vorige kabinet heeft ‘water en bodem’ als uitgangspunt geformuleerd voor het maken van ruimtelijke keuzes.

Wat dit betekent voor de ontwikkeling van de regio wordt inzichtelijk gemaakt, onder meer in het Ruimtelijk Voorstel van de Provincie Utrecht aan het Rijk en in de Geschiktheidskaart van de Utrechtse Waterpartners.

Tot slot is Centraal Holland als nieuwe regio toegevoegd in het Deltaprogramma met als doel: werken aan waterveiligheid, beschikbaarheid zoetwater en ruimtelijke adaptatie. De samenwerking op dit onderwerp tussen partners uit de regio (waaronder de U10-gemeenten) en het Rijk zal de komende periode verder vorm moeten krijgen. 3. Hoe staat het met de uitvoering?

• Kwantitatieve monitoring van de voortgang op onze ambities is complex vanwege de diversiteit aan bronnen en deels afhankelijk van informatie bij de provincie Utrecht en het Rijk. In samenwerking met het programma Groen Groeit Mee wordt nagedacht over hoe we kwantitatieve monitoringsinformatie waar mogelijk pragmatisch in beeld kunnen brengen. Duidelijk is wel dat in vergelijking met de toename de afgelopen jaren van rode vierkante meters dit een krimp tot gevolg heeft van groene ruimte. Kwalitatieve monitoring komt voort uit de intrinsieke wens tot samenwerking en bereidheid om verschillende ruimteclaims samen te brengen tot integrale oplossingen. In een deel van de gebieden lukt het om in allianties van onder andere gemeenten, provincie en waterschap gebiedsgericht werk te maken van onze groenblauwe ambities, met name door de inzet van het programma Groen Groeit Mee: - Concrete voorbeelden hiervan zijn het Kromme Rijn Linielandschap (zuidelijk deel van de Waterliniescheg tussen Bunnik, Houten, De Bilt, Nieuwegein, Utrecht en Zeist) en het gebied van de Hollandse IJssel (tussen IJsselstein, Nieuwegein, Utrecht en Montfoort). - Voor beide gebieden is inmiddels een samenwerking opgestart en bekrachtigd met een samenwerkingsovereenkomst.

Er wordt gewerkt aan een ontwikkelperspectief met uitvoeringsagenda en een aantal concrete projecten moet de komende jaren tot uitvoering komen. - Dit in samenhang met en deels vooruitlopend op de op handen zijnde verstedelijking in en rondom beide gebieden. Al is het organiseren van de directe samenhang met verstedelijkingstrajecten nog wel een aandachtspunt. • In andere gebieden moet de gebiedssamenwerking komende jaren nog worden opgestart of verder doorontwikkeld. - Met in het bijzonder aandacht voor gebieden waarin het cruciaal is om nu maatregelen te nemen vanwege de huidige en toekomstige verstedelijkingsdruk 17

(aansluitend op ons adagium ‘groen groeit mee’), waarin het versterken van stad-land relaties en het beleefbaar maken van groen zo mogelijk te combineren is met de te nemen maatregelen op het gebied van natuur, water en klimaat en waar draagvlak is om tot samenwerking te komen. - Hierbij is te denken aan tenminste de Groene polderscheg Woerden – Utrecht – Breukelen (onder andere Harmelerwaard) en het noordelijk deel van de Waterliniescheg (onder andere Noorderpark en Biltse Groene Gordel) en de Stichtse Lustwarande (De Bilt - Zeist - Driebergen - Doorn - tot aan Rhenen). Voor het Noorderpark is door de gemeenten De Bilt, Stichtse Vecht en Utrecht de bestuurlijke wens uitgesproken om samenwerking te starten met een brede inventarisatie van lopende en voorgenomen opgaven en programma’s in dit gebied. Waterkwaliteit en beheersing is hierin een van de leidende thema’s, wat maakt dat de bijdrage van waterschappen zeer relevant en gewenst is. - Er wordt verkend in hoeverre en op welke wijze het opportuun is om tot een samenwerking te komen in deze gebieden of de huidige samenwerking door te ontwikkelen. Ook hiervoor geldt dat de samenhang

met andere opgaven (lees: integraliteit) nog wel een aandachtspunt vormt. • In het kader van de NOVEX Groene Hart is in 2024 een ontwikkelperspectief vastgesteld. Vanuit dit perspectief wordt een realisatieagenda opgesteld met daarin sleutelprojecten. Sleutelprojecten zijn ruimtelijke opgaven die o.a. grensoverstijgend zijn, waarbij meerdere partners nodig zijn, waar meervoudig doelbereik van toepassing is en die bijdraagt aan de ontwikkeling van het Groene Hart zoals beschreven in het Ontwikkelperspectief Groene Hart. Samen met het coördinatiebureau Groene Hart, en door op de juiste manieren verbinding te leggen met de IRP-opgave, kunnen antwoorden worden gegeven op het gebied van de transitie van het landelijk gebied, de vitaliteit van kernen en de druk die vanuit de verstedelijking op het gebied ontstaat. • Het Utrechts Programma Landelijk Gebied is in belangrijke mate leidend (en biedt kansen) voor de toekomstbestendige ontwikkeling van ons landelijk gebied. Onduidelijk zijn de gevolgen van de voorstellen en koerswijzigingen van LVVN en de toekomstige financieringsruimte voor natuur en recreatieve ontwikkelingen. - Niet alleen inhoudelijk, maar ook als kansrijke en re-

18

alistische bekostigingsbron. Als onderdeel van het Concept UPLG heeft de provincie Utrecht een bedrag van 249 miljoen euro van het Rijk toebedeeld gekregen voor het indienen van zogeheten ‘maatregelpakketten’. Dit bedrag gaat naar de natuur, water, klimaat en landbouw in de provincie. Het bedrag is te besteden in 2 jaar, daarna is de financiering onduidelijk. Een langjarig perspectief voor ontwikkelingen in de agrarische sector is nog onduidelijk en mede afhankelijk van landelijke politiek. - Het toekennen van gelden voor de maatregelenpakketten van het UPLG is een hoopvol teken dat consequent en goed gestructureerd beleid in de regio, in combinatie met gebiedsgerichte samenwerking, uiteindelijk zijn vruchten afwerpt. - De relatie met de recreatieve waarde van groen, zonering en het versterken van stad-land relaties en aantrekkelijke verbindingen tussen de bestaande natuur- en recreatiegebieden is hierbij nog wel een nadrukkelijk aandachtspunt. De U10 gaat gemeenten daarom helpen om in beeld te brengen welke gebiedsgerichte voorstellen ze hiervoor kunnen inbrengen bij de totstandkoming van de UPLG-gebiedsagenda’s voor de negen werkgebieden. Daarbij wordt onder andere gekeken naar kansen voor het raamwerk Heuvelrug – Lek (Langbroekerwetering), de groene verbinding Kromme Rijn – Noorderpark en de opgaven in de Utrechtse Waarden en veenpolders.

• De proposities voor groen, water en landschap gekoppeld aan (relatief kleine) uitleglocaties leiden op steeds meer plekken tot concreet resultaat. - Het valt op dat het steeds beter lukt om invulling te geven aan ons het adagium ‘groen groeit mee’ bij uitleglocaties, mede ingegeven door aandacht en financiële ondersteuning vanuit de provincie Utrecht (via het programma Groen Groeit Mee). - Concrete voorbeelden hiervan zijn het beschikbaar stellen van financiële middelen uit de grondopbrengst van woningbouwlocatie het Oosterland in De Ronde Venen voor de realisatie van fiets- en voetverbindingen en het verhogen van natuurwaarden, en het toevoegen van extra recreatieve maatregelen en landschapselementen aan de nieuwbouwplannen voor Park Rapijnen en De Bleek in Montfoort. • De koppeling met de ontwikkeling van (relatief grote) verstedelijkingslocaties is nog wel een grotere uitdaging: - Bij grotere verstedelijkingslocaties, zoals de Metropool- en Regiopoorten ligt dit ingewikkelder.

Dit komt onder andere omdat de ondersteunende bekostigingsbronnen vanuit het Rijk zich op dit moment vooral richten op het groen in de stad óf op het landelijk gebied. Bekostigingsbronnen voor de verbinding hiertussen, inclusief het slechten van fysieke barrières en het uitbreiden van recreatiemogelijkheden ontbreken vooralsnog. - Er wordt daarom ingezet op: I. Het benutten van de bekostigingsbronnen die er wél zijn. Financiering van groen, water en landschap blijft immers een uitdaging. Succesvolle voorbeelden hiervan zijn het door BZK beschikbaar gestelde budget voor onder meer recreatie-, groen- en watervoorzieningen in Groot Merwede (BOL 2023), het GGM fonds, en de indicatieve toezegging van rijksbijdragen op de maatregelenpakketten van het UPLG, waarvan het eerste maatregelenpakket aansluit op de groene scheggen en linten en de Groen Groeit Mee voorbeeldgebieden, waarvan in de U10 bijvoorbeeld Hollandsche IJssel en Kromme Rijn Linielandschap. II. Heldere communicatie richting het Rijk over wat de ontwikkeling van verstedelijkingslocaties aan concrete groenblauwe maatregelen vraagt.

Voorbeelden hiervan zijn de Groen Groeit Mee Catalogus (november 2023) als input voor de uitvoeringsagenda van het NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort en Groene Hart en het expliciteren van randvoorwaarden voor de ontwikkeling van onze regiopoorten (als onderdeel van de ontwikkelstrategie regiopoorten). III. Het laten zien van goede voorbeelden waar in de regio al aan gewerkt wordt. Bijvoorbeeld: op verzoek van een aantal gemeenten wordt vanuit de U10 meegedacht over mogelijke invulling van de groenblauwe opgave en het versterken en bereikbaar maken van het omliggende landschap als onderdeel van de ontwikkeling van de regiopoort (o.a. Bilthoven, Driebergen-Zeist en Woerden). • “Water en bodem sturend” heeft geleid tot een Geschiktheidskaart van de Utrechtse Waterpartners voor nieuwe woon- en werklocaties. Dit heeft nog niet geleid tot het ter discussie stellen van ontwikkellocaties met uitzondering van buitendijkse bouwlocaties, maar zal wel eisen stellen aan de wijze waarop locaties ontwikkeld worden (met meer aandacht voor watersysteem). • De waterschappen hebben in beeld gebracht waar waterberging een plek moet krijgen. Gebruik als waterbufferlocatie biedt kansen voor meervoudig ruimtegebruik

19

voor o.a. recreatie natuurontwikkeling. Dit heeft verschillende aspecten: - Waterberging bij piekbelasting. Dit heeft voor een groot deel te maken met het feit dat het water in de gehele regio via het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaal naar de Noordzee moet worden afgevoerd. In dit systeem zit weinig wateroppervlak en is nauwelijks variatie in waterpeil mogelijk en heeft daarmee weinig bufferruimte. Dit betekent dat opslag nodig is voordat water het ARK bereikt. Daarvoor wordt gezocht naar grote bufferlocaties in de buurt van verstedelijkt (of te verstedelijken) gebied nabij het ARK. Concreet is hiervoor in beeld Noord-Rijnenburg. Daarnaast zijn o.a. Nieuw Wulven, De Hollandse IJssel, Noordelijke Plas Laaggraven en de kom van Langbroek aangewezen als zoekgebied voor waterberging.Waterberging ter voorkoming van droogte. Dit speelt bijvoorbeeld op de zandgronden van de heuvelrug (o.a. bossenstrategie). In de poldergebieden kan dit worden tegengegaan door water te bergen in het laagste deel van ieder peilvak, wat op hoger gelegen gronden

gebruikt kan worden bij droogte. - De waterkwaliteit kan worden verbeterd door het realiseren van groenblauwe dooradering, bijvoorbeeld het realiseren van natuurvriendelijke oevers en de aanpak van exoten. • Drinkwater: Drinkwaterbedrijven hebben een leveringsplicht en zijn daarom ingericht op de piekvraag. In de toekomst is het mogelijk dat de piekvraag naar drinkwater het aanbod overstijgt. Daarom wordt gewerkt aan verschillende strategieën: - Het vergroten van bestaande waterwingebieden - Het aanwijzen van nieuwe waterwingebieden

- Het koppelen van de leidingen van verschillende waterwin systemen in de regio zodat het systeem als geheel robuuster wordt en minder afhankelijk van lokale bronnen.

• Het vergroten van het waterwinareaal heeft nog niet geleid tot conflicten met ander voorgenomen gebruik van locaties. Het is goed om hierover afstemming te hebben met de drinkwaterbedrijven.

Geschiktheidskaart Woon- en Werklocaties De Utrechtse Waterpartners (vier waterschappen, drie drinkwaterbedrijven en Rijkswaterstaat Midden-Nederland) hebben een ‘Geschiktheidskaart Woonen Werklocaties’ ontwikkeld voor het grondgebied van de provincie Utrecht. Deze kaart geeft inzicht in de mate van geschiktheid van nieuwe woon- en werklocaties, gezien vanuit het bodemen watersysteem en vormt daarmee de ruimtelijke vertaalslag van het principe ‘water en bodem sturend’ Door water en bodem “sturend” te laten zijn in de ruimtelijke ordening en klimaatadaptief te bouwen, kunnen we in de toekomst met toenemende weersextremen en een steeds grilliger klimaat blijven wonen, werken, leven en recreëren in de provincie Utrecht, zonder dat de natuurlijke systemen waarvan we afhankelijk zijn uitgeput raken.

20

Actualisatie: themakaart water en bodem Water en bodem opgaven in de regio Utrecht: Zoekgebieden voor waterwinning, waterberging, grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones (ivm drinkwater/waterveiligheid). De 10% laagste delen van de polders moeten gereserveerd worden voor waterberging (water verzamelt zich hier automatisch) En de gebieden met ‘Nee, tenzij’ en ‘Nee’, waar toekomstige (stedelijke) ontwikkeling niet gewenst is ivm wateropgaves/waterveiligheid. In 2027 wordt de nieuwe Richtlijn voor water verwacht die invloed zal hebben op de wateropgave in de regio.

21

3B Mobiliteit 1. Conclusies en samenwerkingsvraagstukken • Het algemene concept van wiel-met-spaken zoals in het IRP geschetst is nu uitgewerkt in een aantal grote infrastructuur- en mobiliteitsprojecten, gekoppeld aan verstedelijkingslocaties. Belangrijkste en meest concrete: de Merwedelijn. Daarnaast ook de ontsluiting van het USP via een snelle verbinding naar Westraven (en verder naar Vianen en Gorinchem) en een HOV-lijn Amersfoort-USP. • Voor de verstedelijkingsstrategie van de regio is woningbouw in Groot Merwede en Rijnenburg en daarmee de aanleg van de Merwedelijn van cruciaal belang. De besluitvorming over de Merwedelijn loopt echter nog niet parallel met de besluitvorming over de verstedelijking. Er is onvoldoende budget beschikbaar voor de voorkeursvariant van de Merwedelijn. • Voor het kwalitatief hoogwaardig ontwikkelen van de Groot Merwede en Rijnenburg en voor een goede ontsluiting via de weg is ook een aanpassing in het hoofd- en onderliggend wegennet nodig. De mate waarin de A2, A12 en het onderliggend wegennet aangepast kunnen worden is nog niet duidelijk en hierover worden pas op langere termijn keuzes verwacht. Dit zorgt de komende tijd voor een onzekerheid in de manier waarop verstedelijking in Groot Merwede en Rijnenburg uitgewerkt kunnen worden.

• Bij veel verstedelijkingslocaties is in het

verleden beargumenteerd dat infrastructuur

randvoorwaardelijk is voor verstedelijking. Deze

randvoorwaardelijkheid is op veel plekken zachter

aan het worden: ook zonder nieuwe infrastructuur

moeten woningen worden gebouwd. Er wordt daarom

ingezet op het voorkomen van nieuwe (auto)mobiliteit, mobiliteitstransitie en deelmobiliteit. Daarbij gaat dit ook om accepteren dat een mate van druk op de wegen de mobiliteitstransitie stimuleert.

• Voor de ontwikkeling van de regio zijn goede (door)

fietsroutes onmisbaar. Het regionaal toekomstbeeld

fiets is daarin leidend. De benodigde ingrepen worden meegenomen in de gebiedspakketten.

• Bij het aantrekkelijk maken van (binnen)steden voor

voetgangers (zoals de Utrechtse binnenstad), moeten buslijnen omgelegd worden om zo minder verkeer

door de stad heen te hebben. De bereikbaarheid van de omliggende gemeenten en frequentie van het

OV verkeer moet hierbij ook in de gaten gehouden worden.

Deze samenwerkingsvraagstukken moeten enerzijds opgepakt worden aan de Bestuurstafel Duurzame

Bereikbaarheid en moeten anderszijds integraal opgepakt worden in gebiedsallianties.

Fiets- en OV-bereikbaarheid zijn belangrijk voor de bereikbaarheid binnen en tussen de steden en dorpen in de regio.

22

2. Context, opgave, eerdere regionale afspraken

3. Hoe staat het met de uitvoering?

In het IRP is als doelstelling voor mobiliteit ingezet op het beperken van de mobiliteitsvraag door het bij elkaar brengen van wonen, werken en voorzieningen en het duurzaam invullen van de mobiliteitsvraag (accent op wandelen, fietsen, OV) en het zo min mogelijk extra belasten van het wegennet.

• Er is geen centrale monitoring of database van

Deze doelstellingen zijn niet uitgewerkt in gekwantificeerde doelen, maar in projecten die deze mobiliteitstransitie mogelijk moeten maken. Daarin speelt het “wiel met spaken” een belangrijke rol, waarbij in Utrecht wordt ingezet op verstedelijking op subknopen (metropoolpoorten) en bij stationsgebieden in de regio (regiopoorten). Deze poorten worden bediend door treintram en HOV-buslijnen, ondersteund door een uitstekend netwerk van fietsverbindingen. Naast het wiel met spaken zijn in de regio ook andere verbindingen nodig, zoals verbindingen met de regiopoorten (bijvoorbeeld de OV verbinding Lopik – Montfoort - Woerden of verbinding tussen kernen, zoals de OV verbinding IJsselstein Nieuwegein - Houten) Voor het autoverkeer is het doel in het IRP om het doorgaande verkeer (draaischijf Utrecht) zo soepel mogelijk door en langs de regio te bewegen. Bestaande plannen zijn meegenomen, zoals de aanpak van de A27 Houten-Hooipolder, wat zowel voor landelijke als regionale doorstroming van belang is.Hiernaast is er ook aandacht voor mobiliteitsvraagstukken in de kleinere gemeenten, met als doel om de (kleinere) dorpen bereikbaar (met OV) te houden.

Sinds de vaststelling van het IRP is een aantal MIRT onderzoeken en verkenningen gestart die de basis moeten leggen voor het nieuwe mobiliteitssysteem, is er aan de weg getimmerd als het gaat om fietspaden, is het OV op verschillende plekken verschraald als gevolg van de coronapandemie, heeft de regio een alternatief voor de verbreding van de Ring Utrecht voorgesteld (ARU) waarover eind 2024 een rechterlijke uitspraak wordt verwacht.

mobiliteitsprojecten in de regio, dus er is ook geen

monitoring van de voortgang van mobiliteitsprojecten. • Het Regionaal Toekomstbeeld Fiets van de Provincie Utrecht heeft wel een overzicht van de projecten

waaraan wordt gewerkt en een monitor van gerealiseerde projecten. Met dit toekomstbeeld en het provinciale

team wordt goede voortgang geboekt. Voor sommige

projecten liggen er nog enkele opgaves en barrières om te slechten voordat er extra routes gerealiseerd kunnen worden, zoals cofinanciering bij gemeenten.

• De MIRT-Verkenning OV en Wonen Regio Utrecht

verkent een snelle tramverbinding van Utrecht-Centraal

via de Merwedekanaalzone naar Nieuwegein (en mogelijk later Rijnenburg) en de OV-ontsluiting van het USP.

De verkenning gaat over de aard en het tracé van de

ingrepen. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden vult dit een deel van het wiel met spaken in. Keuzes

gaan onder meer over de lengte van een tramtunnel, de aanlanding van de tram bij Utrecht Centraal (eventueel in de toekomst door te koppelen met een tramtunnel

onder de binnenstads), en de OV-verbindingen tussen de verschillende stadsdelen van de metropool Utrecht. • Het MIRT-Onderzoek A12-Zone verkent de

mogelijkheden voor verstedelijking van Groot Merwede

en Rijnenburg inclusief de ontsluiting. Ook daarin speelt de Merwedelijn een grote rol. o

In de MIRT-Verkenning moet in 2025 keuzes

gemaakt worden over de Merwedelijn, terwijl het MIRT-Onderzoek parallel de mogelijkheden voor verstedelijking in beeld brengt. Er moeten dus keuzes gemaakt worden over de Merwedelijn

binnen de onzekerheid over de exacte invulling

van de Groot Merwede en Rijnenburg die deze lijn

mede bedient. In het kader van de NOVEX Utrecht-

Amersfoort wordt een HOV route -USP -Amersfoort bepleit die in de toekomst ook Zeist Noord zou

kunnen aandoen. Deze verbinding is ook in het IRP opgenomen en kan doorgekoppeld worden aan de

Waterlinielijn zodat een verbinding om Utrecht heen ontstaat (en doorrijdt naar Vianen en Gorinchem) als uitwerking van het OV-wiel. • In het IRP stond een parallelweg A12 als

onderzoeksmogelijkheid ingetekend in de Groot

Merwede. Deze is in het MIRT-onderzoek A12-zone niet 23

meer als mogelijkheid teruggekomen. Wel zijn er op lange

• De regio heeft een Alternatief Ring Utrecht (ARU) opge-

het hoofdwegennet (snelwegen en het onderliggende

tief voor de verbreding van de verdiepte bak van de A27

termijn nog grote keuzes te maken in het aanpassen van wegennet) in relatie tot de ontwikkeling van Groot Merwede en Rijnenburg.

• Lokaal wordt aan een aantal wegenprojecten gewerkt: o o

N201 Mijdrecht

Tunnel Maarsbergen

• Daarnaast wordt door gemeenten en de provincie Utrecht gewerkt aan nieuwe doorfietsroutes en regionale

fietsroutes in de regio, die de bereikbaarheid van de dorpen en steden bevorderen, en het aantrekkelijk

maken om voor lange afstanden de fiets te pakken. Er

worden op dit moment negen nieuwe routes aangelegd, van 150km in totaal. Hiervoor worden bestaande

fietspaden verbeterd en met elkaar verbonden. Denk

bijvoorbeeld aan de snelfietsroutes tussen Mijdrecht en Woerden.

steld en aan de minister aangeboden. Dit is een alterna-

door Amelisweerd. De minister heeft eind oktober 2024 laten weten het ARU (nog) niet gelijkwaardig te vinden aan het tracebesluit. Een besluit over het tracébesluit versus het ARU wordt rond de zomer 2025 verwacht.

• In samenwerking met Goedopweg stellen we in diverse gemeenten met een grote bouwopgave een Mobiliteitsprogramma van Eisen (MPvE) op om mobiliteits- en

parkeerbeleid rond woningbouwlocaties goed te organiseren. Het MPvE is voor gemeenten een middel om be-

sluitvorming voor woningbouwlocaties mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is de N229 in relatie tot De Geer

III nabij Wijk bij Duurstede en de Kersenweide bij Bunnik,

waar de capaciteit van de weg onder druk komt te staan door de som van gebiedsontwikkelingen die eraan gekoppeld worden.

• Op een aantal plekken in de regio wordt gewerkt aan het versnellen (strekken) van buslijnen, zoals in De Ronde Venen, waardoor snellere verbindingen met belangrijke OV-knopen kunnen ontstaan.

24

3C Wonen 1. Conclusies en samenwerkingsvraagstukken

de landschappelijke inbedding (groen en water), de

• Op korte termijn moet gestuurd worden op het

die nodig zijn voor deze ontwikkelingen. “Dit is niet

verhogen van het tempo van woningbouw om te

voldoen aan de gestelde doelstellingen. Dit is belegd bij het team dat werkt aan de uitvoering van de woondeal

en de Bestuurstafel Gezonde Woon- en Leefomgeving. De vraag ‘hoe dit te bereiken’ is van belang. Onder

andere draagt het programma van tijdelijke woningbouw en flexwonen hieraan bij (onderdeel van de Woondeal). • Tot 2030 zijn de locaties die in de Woondeal

benoemd zijn sturend voor het bouwtempo. Binnen

de U10 moet gestuurd worden op het creëren van de

randvoorwaarden waardoor deze woningbouw mogelijk wordt. Hiervoor moet kennis en capaciteit gedeeld worden en moet de verbinding gelegd worden met

de andere bestuurstafels, met name als het gaat om randvoorwaarden op het gebied van: -

Schuifruimte voor bedrijvigheid (o.a. Woerden,

-

Mobiliteit

Bilthoven, etc.)

-

Groen, recreatie, landschap en ‘water en bodem

-

Energie (infra, opwek, warmte, slimme

sturend’

energieoplossingen)

regionale waterberging en de energie-oplossingen

alleen een Utrechts feestje”. Regionale samenwerking omtrent Groot Merwede is daarom van belang om ook de thema’s en interventies die buiten de grenzen van

het gebied vallen samen integraal op te kunnen pakken en te agenderen.

• Regiopoorten worden aantrekkelijke gemengde

gebieden waar gewoond en gewerkt wordt. Het

bijzondere aan de regiopoorten is dat iedere poort zijn eigen identiteit en potentiële bijdrage (wonen,

werken en mobiliteit) heeft. De poorten zijn daarmee

gezamenlijk complementair aan elkaar en de regio. Om deze reden vormen ze een belangrijk onderdeel van

het IRP. Uitvoering van de regiopoorten is nodig om de

opgave in het IRP waar te kunnen maken. Om ervoor de zorgen dat de regiopoorten tijdig uitgevoerd worden,

dan wel versneld uitgevoerd worden, is het belangrijk om lokale en regionale kansen en vraagstukken te adresseren. Dit is opgepakt in de programmalijn regiopoorten middels de ontwikkelstrategie

regiopoorten en zal ook in de gebiedspakketten geadresseerd moeten worden. -

• In het regeerakkoord wordt een actualisatie van de

voor automobiliteit door Woerden en inrichting

invulling aan gegeven zal moeten worden.

woningbouwimpuls aangekondigd. Hier kunnen de

stationsgebied -

gemeenten in de regio gezamenlijk op inspelen. Ook is

bedrijventerrein Breukelerwaard -

van de woningbouwopgave

Bilthoven: Transformatie versteende

stationsomgeving naar aantrekkelijk woon-werk

gebied, schuifruimte uitplaatsen bedrijvigheid, plan

• Het is van belang om met elkaar regionaal samen te werken en aan te blijven spreken op het regionaal

regiopoort (verhouding wonen-werken), oplossen mogelijkheden revitaliseren en uitbreiden

woning op het moment dat de woning gerealiseerd is.

deze bonus zal een rol moeten spelen in het versnellen

Breukelen: keuze voor programmatische invulling infrastructurele knoop rond afrit A2, uitwerken

een Realisatiebonus opgenomen: een vast bedrag per

Over de uitwerking moet nog nagedacht worden, maar

werkgebied naar gemengd woon-werkgebied,

schuifruimte uitplaatsen bedrijvigheid, oplossing

woondeals aangekondigd, waar de komende jaren

• In het regeerakkoord wordt een nieuwe

Woerden: Transformatie monofunctioneel

van aanpak voor moniliteit

programmeren binnen de integrale programmalijnen

-

Zeist-Noord: regiopoort is afhankelijk van keuzes

de gebiedspakketten.

-

Bunnik: Transformatie van verouderd

(Vitale Kernen, Regiopoorten, Metropoolpoorten) en in • Groot Merwede en Rijnenburg omvat een dusdanig

station (o.a. over A12) verbeteren, uitplaatsen

ontwikkeling is voor de regionale ruimtelijke strategie.

bedrijvigheid, uitvoeren plannen stationsgebied.

Het succes van deze planprocessen en het borgen van

Op langere termijn: keuzes voor zuidkant

de randvoorwaarden zijn dus van groot belang voor

stationsgebied en uitbreiding Kersenweide,

de gehele regio. Dit betekent dus dat de gehele regio en Rijnenburg, en daarmee ook de infrastructurele oplossingen, de schuifrumte voor bedrijvigheid is

bedrijventerrein tot groene fietspoort op

steenworp afstand van USP, fietsroutes naar

grote woningbouwopgave dat het een zeer bepalende

ook baat heeft bij het doorgaan van Groot Merwede

over aanleg HOV USP-Amersfoort

eventuele uitkomst MIRT UAD -

Driebergen-Zeist: Ontwikkeling groene poort met substantieel woon-werkprogramma in nauwe

samenhang met het landschap, cultuurhistorie en

natuur, planvorming regiopoort stationsgebied en inventariseren benodigde randvoorwaarden -

Houten: Transformatie en inbreiding en

verkenning ontwikkelingen in samenhang met bestaande kern en landschap. Ca.

2.000 nieuwe woningen kunnen al op de

korte termijn gerealiseerd worden, Uitwerken

woningbouwplannen Molenzoom, Koppeling e.o. -

Vianen: Ontwikkeling regionale mobiliteitshub

• Het is van belang om Houten-Oost in relatie te brengen tot inrichting Kromme Rijn-Linielandschap tussen

Houten en Bunnik, inclusief perspectief op uitbreiding Kersenweide.

• Gemeenten in de regio hebben een opgave om samen op te trekken in het programmeren van woningbouw

• In de regionale samenwerking moet er oog blijven voor de verdeling van doelgroepen in de regio. Dit vraagt om afstemming tussen alle gemeenten om samen

evenwichtig regionaal te programmeren. Daarnaast is in het nieuwe regeerakkoord de huisvestingswet

aangepast, waarbij er een verbod komt op de voorrang van statushouders bij de toewijzing van sociale

huurwoningen. Dit is relevant voor het (regionale)

gesprek over huisvesting urgente aandachtsgroepen. • Aandachtsgroepen en hun huisvestingsopgaven

moeten prominent op de agenda staan om hier invulling aan te geven in de planvoorraad. Zo wordt in het nieuwe regeerakkoord wordt steviger ingezet op de

realisatie van ouderenwoningen / doorstroming. Dit

is ook in de U10 een belangrijk thema, het is goed om hier gezamenlijk op in te spelen.

en uit de 1:1 dynamiek van het PPWW te komen.

Deze samenwerkingsvraagstukken moeten enerzijds

gemaakt zodat de gemeenten en de U10 vanuit een

en leefomgeving en in de Programmalijn Woondeal

Dit vereist dat in U10 verband afwegingen worden

regionaal perspectief het gesprek aangaan met de

Provincie. “Dit is het bod van de U10 in het PPWW in plaats van 16x een bod van een gemeente”

opgepakt worden aan de Bestuurstafel Gezonde woonen moeten anderzijds integraal opgepakt worden in gebiedsallianties.

Wonen in nabijheid van groen bevordert een gezonde levensstijl. 26

2. Context, opgave, eerdere regionale afspraken Op het thema wonen zit grote urgentie die gevoeld wordt in de gehele samenleving. In het IRP is afgesproken dat tot 2040 125.000 woningen moeten worden toegevoegd in de U10 regio. Voor locaties wordt de ladder van duurzame verstedelijking gebruikt met een prioriteit voor binnenstedelijk en nabij OV-knooppunten bouwen voordat er buitenstedelijk gebouwd wordt. Dit is vertaald in de Metropoolpoorten (woningbouwlocaties in/bij OV-knopen in en rond de stad Utrecht), Regiopoorten (woningbouw rond regionale OV-knooppunten) en Vitale Kernen (woningbouw voor lokale behoefte in de regio). Daarnaast staan er kwalitatieve doelen in het IRP die gaan over de kwaliteit van de leefomgeving en over het bevorderen van doorstroming in de woningmarkt. Na het IRP zijn de afspraken vertaald in de Woondeal Regio Utrecht (Rijk, Provincie, Gemeenten). Hierin zijn afspraken gemaakt over de bouw van 61.000 woningen tot 2030, inclusief het benoemen van specifieke woningbouwlocaties en afspraken over de benodigde randvoorwaarden.

In afstemming met het nieuwe regeerakkoord worden de woondeals herijkt in 2025. De afspraken worden hier bestendigd: het regionale aandeel binnen de landelijk vastgestelde bouwopgave, de programmering van deze opgave op concrete locaties en de inzet op doorstroming naar nieuwe woningen. Bij de herijking worden de volgende punten meegenomen:

o o o o

De gemaakte afspraken over de bouw van ouderenwoningen en aandachtsgroepen Aanvullende afspraken over het aantal te bouwen woningen Aanvullende afspraken over het beter benutten van de bestaande voorraad Afspraken over complexe gebiedsontwikkelingen.

De Bestuurstafel Gezonde Woon- en Leefomgeving monitort de uitvoering van de woondeal en de afspraken uit het IRP. Hiernaast wordt rond verschillende tafels ook de verbinding gemaakt met andere thema’s die bij de kwalitatieve ontwikkeling van de regio horen en die randvoorwaardelijk zijn voor de ontwikkeling van woningbouw.

27

3. Hoe staat het met wonen en woningbouw in de regio? • Er worden jaarlijks minder woningen gebouwd dan afgesproken. In de woondeal staat dat van 2022-2025 7.461 woningen per jaar worden toegevoegd en daarna 6.200 per jaar. In praktijk waren het in 2020 – 2023 gemiddeld ca. 5.400 woningen (Monitor Wonen provincie Utrecht), wat neer komt op 72% van het doel. • De focus vanuit het ministerie ligt erg op aantallen, maar in de afspraken en monitoring komt er ook steeds meer aandacht voor kwalitatieve aspecten (betaalbaarheid, woningtypologie, leefkwaliteit). • De woningopgave zorgt voor urgentie over het hele spectrum van de woningmarkt, maar is extra problematisch bij aandachtsgroepen die niet op eigen kracht huisvesting kunnen vinden. Dat zorgt voor een extra opgave die zich mede uit in ruimte voor flexwonen en tijdelijk wonen. • Er is in theorie voldoende plancapaciteit in de regio (ruim 155.500) en er vallen weinig plannen uit. Het te weinig bouwen komt bijvoorbeeld door doorschuiven (planningsoptimisme), vertraging in procedures, stapeling van eisen en krappe business cases. Een deel van de planvoorraad staat gepland na 2040 (o.a. een deel van Rijnenburg).

• Er zijn veel complexe locaties, waarbij de planhorizon steeds opschuift, mede omdat keuzes over de randvoorwaarden moeilijk te maken en te realiseren zijn (bijvoorbeeld Groot Merwede en Rijnenburg, maar ook kleinere locaties binnen dorpen en steden). • Rijnenburg is nadrukkelijker in beeld gekomen sinds de vaststelling van het IRP, vanuit de gemeente Utrecht, mede in relatie tot de aanleg van de Merwedelijn. Het gaat hier om een hoogstedelijk woon-werkmilieu dat door een uitstekende OV-verbinding moet worden verbonden met Utrecht-Centraal en landschappelijk ingebed in de omgeving. Met ca. 25.000 woningen is dit een aanzienlijk onderdeel van de planvoorraad.

• Lunetten-Koningsweg is in het IRP als belangrijk gepositioneerd, maar de uitvoering hiervan als stedelijke knoop hangt samen met keuzes in het spoornet, die worden onderzocht in het MIRT onderzoek UtrechtArnhem-Duitsland (UAD). Hier komt pas op lange termijn duidelijkheid over. Daarmee is eventuele grootschalige ontwikkeling van Lunetten-Koningsweg pas op lange termijn (na 2040) aan de orde. Wel wordt hier nu tijdelijke woningbouw gerealiseerd. • In een aantal regiopoorten lopen gemeenten tegen knelpunten en vertraging aan en/of zijn de ambities

bijgesteld. In alle regiopoorten lopen onderzoeken en processen om woningbouw mogelijk te maken. De fase waarin deze ontwikkelingen verkeren verschilt per regiopoort.

• In Houten is na de vaststelling van het IRP (en het verwerpen van de ruimtelijke koers) de nadruk meer komen te liggen op een combinatie van binnenstedelijk bouwen en uitleg in Houten-Oost in relatie tot de landschappelijke ontwikkeling van het Kromme Rijn Linielandschap. Dit past niet in het huidige ruimtelijke beleid van de Provincie Utrecht. • Samen met de Provincie Utrecht wordt een onderzoek gedaan naar Vitale Kernen. • Voor buitenstedelijke locaties wordt per gemeente een aanvraag gedaan via het PPWW. De provincie maakt vervolgens afwegingen die lokaal en regionaal niet altijd transparant gevonden worden. Meer integrale en regionale afstemming voor indiening in het PPWWproces zou beter zijn.

• Het MIRT onderzoek verstedelijking en mobiliteit onderzoekt verstedelijking (wonen en werken) in relatie tot mobiliteit, waarbij als belangrijke verstedelijkingslocaties Utrecht Zuidwest, Groot Merwede en Rijnenburg worden meegenomen. Samen (Groot-Merwede en Rijnenburg) goed voor zo’n 75.000 woningen, maar in een bijzonder complexe context (met name OV, A12/A2, uitplaatsen huidige functies en leefkwaliteit).

28

3D Werk en Economie 1. Conclusies en samenwerkingsvraagstukken • De Utrechtse regio is een economisch competitieve regio, met goed vestigingsklimaat en veel gewaardeerde ondernemers. Het is een vooruitstrevend regio waar gestreefd wordt naar een toekomstbestendige regionale economie.

• De U10 wil de discussie over werken verbreden: van “ha. Bedrijventerrein” naar het sturen op de gewenste, kwalitatieve economische ontwikkeling. De visie op economie moet breder worden dan visie en afstemming over bedrijventerreinen, maar gaan over de brede economische ontwikkeling, waarin (gemengde) werklocaties, kantoren en campussen ook een belangrijke rol vervullen. Het gaat daarbij ook over profilering en positionering van de economie. Voor wat betreft de campus- en innovatielocaties sluiten we aan op het werk van de EBU en de ROM Utrecht, die zich samen met de Provincie, richten op de propositie Heart of Health. • De U10 heeft behoefte aan meer ruimte voor bedrijvigheid dan op dit moment door de provincie geaccordeerd. Deze ruimte is nodig voor:

1. Schuifruimte voor transformatielocaties woningbouw: Er is ruimte nodig om bedrijven uit te plaatsen voor het realiseren van woningbouw. Dit speelt op korte termijn (o.a. Woerden, Merwedekanaalzone, Bilthoven), maar ook op langere termijn (o.a. Groot Merwede, DriebergenZeist). Dit geldt vooral voor Regiopoorten en Groot Merwede, maar lokaal ook voor andere kernen (juiste bedrijf op de juiste plek), zoals in Montfoort en IJsselstein waar bedrijven binnen de kernen niet

verder kunnen groeien en/of woningbouw in de weg staan.

2. Schuifruimte voor revitalisering en intensivering werklocaties: Revitalisering en intensivering kan alleen als bedrijven ruimte hebben om te bewegen/ verhuizen. 3. Er is ruimte nodig voor de transitie naar een toekomstbestendige, circulaire economie: De transitie naar een circulaire economie vraagt om ruimte voor specifieke circulaire bedrijven met een hoge(re) milieucategorie. Ook voor de doorontwikkeling van innovatieclusters is behoefte aan ruimte voor bedrijven met een hoge milieucategorie.

4. Autonoom groeiende vraag naar (regionale) bedrijventerreinen: naast de vernieuwingsopgave is er de autonome groeiopgave van bestaande bedrijven in de regio die in het IRP is becijferd.

• De regio wenst het gesprek over werklocaties en bedrijventerreinen met de provincie te voeren vanuit kwaliteit en economische profilering in plaats van gefragmenteerd per locatie en gemeente over hectares via het PPWW. Om dit te kunnen doen is een gezamenlijk verhaal, profilering en afspraken over uitgifte nodig, waarbij de koppeling met extra benodigde schuifruimte vanuit transformatielocaties expliciet gemaakt moet worden. Hiervoor is een regionale strategie in combinatie met een uitgiftebeleid voor (regionale) bedrijventerreinen een goed instrument. • Er moeten afspraken gemaakt worden over uitgifte van bedrijfsgronden op het al wel toegekende regionale bedrijventerrein Gaasperwaard. Uiteraard moet hier een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15462970/1