CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

5.8 Ontwerp Omgevingsverordening Provincie Utrecht 2022

Commissie Ruimte 21 september 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven51.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

een kaart van de grond met de plaats waarop de te bestrijden planten of delen van planten van Aziatische duizendknoopsoorten zich bevinden; b. de termijn of termijnen waarbinnen aan de opruimplicht moet zijn voldaan; en c. de geschikte methode(n) voor bestrijding van de Aziatische duizendknoopsoort. Artikel 6.61 Specifieke vereisten melding beperken verspreiding Aziatische duizendknoop In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld artikel 6.59, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. locatie van de maatregelen; b. datum en tijdstip van het uitvoeren van de maatregelen; c. frequentie van de maatregelen; d. aard en manier van de uitvoering van de maatregelen.

66

7. (hoofdstuk) Cultuurhistorie en landschap 7.1 (afdeling) Cultuurhistorie 7.1.1 (paragraaf) Werelderfgoed Artikel 7.1 Oogmerk (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone). Artikel 7.2 Aanwijzing (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed bestaat uit: a. het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies; en b. het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone). Artikel 7.3 Instructieregel instandhouding en versterking (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties in het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies: a. neemt de uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies in acht en bevat regels ter instandhouding en versterking daarvan; en b. bevat geen regels die activiteiten toestaan die die waarde aantasten. 2. Als uitzonderlijke universele waarde Hollandse Waterlinies gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV Cultuurhistorie bij deze verordening en de Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies.

3. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies; en b. een beschrijving van de wijze waarop die waarde in acht is genomen Artikel 7.4 Instructieregel instandhouding en versterking (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed NederGermaanse Limes (bufferzone) 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties in het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone) bevat regels ter instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes. 2. Als uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV Cultuurhistorie bij deze verordening. 3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties in het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone) bevat in ieder geval een verbod op het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van activiteiten met een oppervlakte van 100 m2 of meer, waarbij de bodem tot meer dan 30 centimeter onder maaiveld wordt geroerd. 4. De oppervlakte- en dieptemaat kunnen zowel naar boven als naar beneden worden bijgesteld, voor zover archeologische gegevens hier aanleiding toe geven en de bijstelling ondersteund wordt door een motivering, opgesteld door een archeologisch deskundige. 5.

Het archeologisch onderzoek en ex-situ behoud in de vorm van een opgraving wordt uitgevoerd conform de geldende kwaliteitsregels in de Nederlandse archeologie, door een daartoe op grond van artikel 5.3 Erfgoedwet gecertificeerd bedrijf. 6. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in (de directe omgeving van) het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes; en b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop die waarde wordt beschermd. Artikel 7.5 Beoordelingsregel ontheffing het (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies Ontheffing van artikel 7.3, eerste lid, kan alleen worden verleend als: a. er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang; b. reële alternatieven die de Hollandse Waterlinies niet of minder aantasten ontbreken; c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt; en d. er op of nabij de locatie waarvoor ontheffing wordt gevraagd voldoende compenserende maatregelen worden genomen, in de vorm van versterking van de (resterende) uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies. Artikel 7.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed NederGermaanse Limes (bufferzone) De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend: 67

a. b.

als door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de voorgenomen activiteit geen archeologische waarden van de Limes zal aantasten; of op voorwaarde dat de archeologische waarden van de Limes ex-situ, in de vorm van een opgraving, behouden blijven, wanneer in situ behoud niet mogelijk is.

7.1.2 (paragraaf) Cultuurhistorische hoofdstructuur Artikel 7.7 Oogmerk Cultuurhistorische Hoofdstructuur De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en benutten van de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. Artikel 7.8 Aanwijzing Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) en deelgebieden CHS 1. De Cultuurhistorische hoofdstructuur bestaat uit vijf gebieden: a. de Historische buitenplaatszone; b. het Militair erfgoed; c. het Agrarisch cultuurlandschap; d. de Historische infrastructuur; en e. de Archeologisch waardevolle zone. 2. Deze vijf gebieden bestaan uit deelgebieden: a. de Historische buitenplaatszone bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; b. het Militair erfgoed bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; c. het Agrarisch cultuurlandschap bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, Kockengen-KamerikZegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Cope-ontginningscomplex Hei- en Boeicop e.o. en Zouweboezem; d. de Historische infrastructuur bestaat uit de deelgebieden Route Impériale, Via Regia en Wegh der Weegen; en e.

de Archeologisch waardevolle zone bestaat uit de deelgebieden Utrechtse Heuvelrug, Limes en Dorestad. Artikel 7.9 Instructieregel beschermen en benutten van de Cultuurhistorische hoofdstructuur 1. In een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. 2. De waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur zijn per gebied vastgelegd in de Bijlage XV Cultuurhistorie bij deze verordening. 3. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en b. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden. Artikel 7.10 Instructieregel uitzondering verstedelijkingsverbod Historische buitenplaatszone en Militair erfgoed 1. In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan verstedelijking toestaan in de Historische buitenplaatszone en het Militair erfgoed, onder voorwaarde dat de verstedelijking: a. kleinschalig is; b. gericht is op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone dan wel het Militair erfgoed; en c.

zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving. 2. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. 7.2 (afdeling) Kwaliteit van landschap 7.2.1 (paragraaf) Instructieregels kwaliteit van landschap Artikel 7.11 Instructieregel landschap 1. Landschap bestaat uit: a. het landschap Eemland; b. het landschap Gelderse Vallei; c. het landschap Groene Hart; d. het landschap Rivierengebied; en e. het landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage XVI Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 68

3. 4.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.

Artikel 7.12 Instructieregel aardkundige waarden 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Aardkundige waarden bevat regels ter bescherming van de in het plangebied aangewezen aardkundige waarden. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige aardkundige waarden; b. de daaraan toe te kennen waardering; c. het door de gemeente te voeren beleid voor aardkundige waarden; en d. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de aardkundige waarden in het plan. 7.2.2 (paragraaf) Regels over activiteiten landschap Artikel 7.13 Oogmerk activiteiten landschap De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Artikel 7.14 Toepassingsbereik activiteiten landschap 1. Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten in het Gebied landschappelijke waarden. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten die niet zichtbaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats; b. borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten in het inwendige deel van een onroerende zaak; c. onverlichte kunstuitingen; d.

borden voor educatieve of geografische informatie over een gebied of bezienswaardigheid; e. borden die zijn aangebracht ter voldoening aan een wettelijk voorschrift; f. borden voor verkiezingen van een openbaar bestuur; en g. onverlichte, officiële binnenlandse en buitenlandse vlaggen op locaties waar geen vlaggen zijn geplaatst als bedoeld in de onderdelen A, B, D, E en H van bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten bij deze verordening. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 7.15 wel van toepassing op de borden, bedoeld in onderdeel d tot en met f van dat lid. Artikel 7.15 Specifieke zorgplicht borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten 1. Degene die een bord, spandoek, vlag, informatiezuil of vergelijkbaar object plaatst of behoudt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen voor de belangen, bedoeld in artikel 7.13, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen of vergelijkbare objecten worden verwijderd zodra zij hun feitelijke betekenis hebben verloren; b. borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten en dragende hulpconstructies in goede staat worden gehouden; c. borden en spandoeken voor of tegen een gebouw niet boven de goot- of dakrand uitsteken en vlaggen voor een gebouw niet boven de nok uitsteken; en d. als borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten worden verlicht: i. geen verlichting wordt gebruikt tussen 23:00 en 6:00 uur, tenzij de openingstijden van het gebouw die verlichting vereisen; ii. geen knipperende verlichting of bewegende beelden of letters worden gebruikt; en iii. Led of vergelijkbare schermen voldoen aan de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde. Artikel 7.16 Verbod borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten 1. Het is verboden in het Gebied landschappelijke waarden een bord, spandoek, vlag, informatiezuil of vergelijkbaar object te plaatsen. 69

2.

Het verbod geldt niet voor borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen of vergelijkbare objecten die voldoen aan bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten bij deze verordening.

Artikel 7.17 Wijze van meten activiteiten landschap Voor de toepassing van Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten bij deze verordening wordt als volgt gemeten: a. de afmetingen van een bord of spandoek worden bepaald door de buitenomtrek met inbegrip van de ondergrond, achtergrond, draagconstructie en steunconstructie die kennelijk tot het bord behoren; b. het oppervlak van een vlag en een informatiezuil wordt bepaald door de projectie van het totale oppervlak op een plat vlak; c. de hoogte boven het maaiveld wordt gemeten vanaf het hoogste punt van het bord, spandoek, vlag, informatiezuil of object tot aan het maaiveld; en d. dubbelzijdige borden gelden als één bord, tenzij in Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten bij deze verordening anders is bepaald.

70

8. (hoofdstuk) Landbouw 8.1 (afdeling) Agrarisch bedrijf Artikel 8.1 Instructieregel agrarisch bedrijf 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat geen regels die voorzien in: a. nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden landbouwbedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en b. een omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden veehouderij. 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal één bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan. 3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing: b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid. 4.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten; b. de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel; c. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en d. omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. Artikel 8.2 Instructieregel landbouwontwikkelingsgebied 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landbouwontwikkelingsgebied kan regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een niet-grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid. 2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. Artikel 8.3 Instructieregel landbouwstabiliseringsgebied Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landbouwstabiliseringsgebied bevat geen regels die voorzien in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel van een bestaand niet-grondgebonden landbouwbedrijf. Artikel 8.4 Instructieregel geitenhouderij 1. Een omgevingsplan bevat geen regels die voorzien in: a. de vestiging van een geitenhouderij of uitbreiding van een bestaande geitenhouderij; b. de gehele of gedeeltelijke omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een geitenhouderij; c. uitbreiding van het aantal geiten dat wordt gehouden; d. het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het aantal vergunde of gemelde geiten aantoonbaar niet toeneemt; en e. het tijdelijk gebruik van bouwwerken en gronden voor een geitenhouderij. 2. Een omgevingsplan kan regels bevatten die activiteiten, bedoeld in het eerste lid, toestaan, voor activiteiten waarvoor: a. geen meldingsplicht is opgenomen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. voor 11 juli 2018 een op dat moment ontvankelijke melding voor die activiteit is gedaan; c.

voor 11 juli 2018 een op dat moment ontvankelijke aanvraag voor een vergunning voor die activiteit bij het bevoegd gezag is ingediend, uitgezonderd een aanvraag voor een vergunning voor het slopen van een bouwwerk in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht. Artikel 8.5 Instructieregel glastuinbouw niet toegestaan Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Concentratiegebied glastuinbouw bevat geen regels die: a. de bedrijfsoppervlakte maximeren; 71

b. c.

uitbreiding van de glastuinbouwbedrijven onmogelijk maken; op een andere wijze een belemmering vormen voor de glastuinbouw.

Artikel 8.6 Instructieregel concentratiegebied glastuinbouw 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Glastuinbouw niet toegestaan bevat geen regels die glastuinbouw toestaan, tenzij het de verplaatsing van solitaire glastuinbedrijven, gevestigd in de Ronde Venen en omgeving, naar de gronden in aansluiting op bestaand kassengebied in de Polder Derde Bedijking betreft. 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Glastuinbouw niet toegestaan kan regels bevatten die toestaan dat bestaande glastuinbouwbedrijven worden uitgebreid mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de uitbreiding is beperkt tot een omvang die noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het glastuinbouwbedrijf tot een maximum van 2 hectare; b. er is geen sprake van zwaarwegende landschappelijke bezwaren; en c. bestaande omringende activiteiten worden niet onevenredig aangetast of beperkt. 3. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; en b. dat verplaatsing van het glastuinbouwbedrijf naar een Concentratiegebied glastuinbouw niet mogelijk is.

8.2 (afdeling) Bodembewerking veengebied Artikel 8.7 Instructieregel beperken bodembewerking Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Beperken bodembewerking bevat geen regels die bodembewerking toestaan in gronden voor agrarisch gebruik die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht, tenzij de bodembewerking plaatsvindt voor graslandvernieuwing of de aanleg van een andere blijvende teelt.

72

9. (hoofdstuk) Wonen, werken, recreëren 9.1 (afdeling) Stedelijke functies in landelijk gebied 9.1.1 (paragraaf) Bestaande en nieuwe stedelijke functies landelijk gebied Artikel 9.1 Oogmerk kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op behoud van de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied. Artikel 9.2 Aanwijzing landelijk gebied en stedelijk gebied De provincie Utrecht bestaat uit: a. het Landelijk gebied; en b. het Stedelijk gebied. Artikel 9.3 Instructieregel verstedelijkingsverbod Landelijk gebied Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied laat geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Artikel 9.4 Instructieregel ruimte voor experimenten 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het locaties binnen Eiland van Schalkwijk kan regels bevatten: a. die activiteiten mogelijk maken die voldoen aan de voorwaarden, genoemd in de pijlers één tot en met zeven in de Bijlage XIII Eiland van Schalkwijk bij deze verordening; en b. over woningbouw tot een maximum van 250 woningen. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 9.5 Instructieregel legalisatie van bestaand gebruik en bebouwing bij stedelijke functie 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan voorzien in legalisatie van het bestaand gebruik van en bestaande bebouwing voor stedelijke activiteiten, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. er is gemotiveerd dat tegen dit gebruik en tegen deze bebouwing redelijkerwijs niet meer juridisch kan worden opgetreden; en b. de legalisatie heeft, op de schaal van het gehele buitengebied van een gemeente, slechts betrekking op enkele gevallen. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 9.6 Instructieregel woning, woonschip en woonark in landelijk gebied 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied bevat geen regels die toestaan dat een woning, woonschip of woonark landschappelijk niet goed inpasbaar is. 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan regels bevatten die: a. de uitbreiding van bestaande woningen mogelijk maken onder de voorwaarde dat de regels voorzien in een maximale inhoudsmaat, zodanig dat de woning landschappelijk goed inpasbaar is; b.

voorzien in de vergroting van ligplaatsen van woonschepen of woonarken of in de vergroting van de maatvoering van woonschepen of woonarken onder de voorwaarde dat de regels voorzien in een maximale oppervlakte van de ligplaats en een maximale maatvoering van het woonschip of woonark, zodanig dat het woonschip landschappelijk goed inpasbaar is, of c. nieuwe vervangende ligplaatsen voor woonschepen of woonarken toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: i. het gaat om woonschepen en woonarken die afkomstig zijn uit zeer kwetsbare gebieden en de nieuwe locatie is uit ruimtelijk oogpunt aanmerkelijk minder bezwaarlijk, of de vervangende ligplaats is uitsluitend bestemd voor woonschepen of woonarken met een historische waarde; en ii. de maatvoering van woonschepen of woonarken en ligplaats is zodanig, dat het woonschip of woonark landschappelijk goed inpasbaar is. 3. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt deel uit van de onderbouwing, indien het nieuwe besluit substantieel grotere maten mogelijk maakt ten opzichte van het vigerende besluit. Artikel 9.7 Instructieregel bebouwingsenclave en -lint 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan regels bevatten die toestaan dat in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. gelijktijdig met de verstedelijking wordt de omgevingskwaliteit verhoogd; b. bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten; en c. belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast. 73

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Artikel 9.8 Instructieregel recreatiewoning Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Recreatiewoning bevat regels die het recreatief gebruik van recreatiewoningen en bijbehorende gronden garanderen en omvorming van deze recreatiewoningen en gronden ten behoeve van permanente bewoning uitsluiten. Artikel 9.9 Instructieregel bestaande stedelijke functie, anders dan wonen 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan regels bevatten die toestaan dat: a. percelen voor specifieke stedelijke functies een andere stedelijke functie krijgen, niet zijnde permanente bewoning van een recreatiewoning, kantoor of detailhandel, onder de voorwaarde dat de functiewijziging naar aard en omvang, op basis van een integrale afweging, niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving, dat bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; b. stedelijke functies worden uitgebreid met maximaal 20% van de bebouwingsmogelijkheden onder het vigerende planologisch regime. Van deze maximale uitbreiding kan afgeweken worden mits er sprake is van een economische noodzaak. Ook het bestemmingsvlak kan worden uitgebreid indien er sprake is van een economische noodzaak. 2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 9.10 Instructieregel kernrandzone 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Kernrandzone kan ten behoeve van het versterken van de ruimtelijke kwaliteit regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de verstedelijking gaat gepaard met versterking van de ruimtelijke kwaliteit die in een redelijke verhouding staat tot de aard en de omvang van de verstedelijking, tenzij de verstedelijking betrekking heeft op kernrandactiviteiten; b. de verstedelijking is ruimtelijk en landschappelijk goed inpasbaar en wordt, met uitzondering van windenergie en zonnevelden, in aansluiting op stedelijk gebied gerealiseerd, of in samenhang met overige verstedelijkte structuur; c. tijdige en duurzame realisatie van de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit is geborgd; en d. omliggende functies worden niet onevenredig geschaad. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt op welk gebied deze toepassing betrekking heeft en dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beschrijving van de in het plangebied voorkomende ruimtelijke kwaliteit en de wijze waarop met het versterken daarvan is omgegaan.

Hierbij wordt aangegeven hoe de verstedelijking aansluit op de ruimtelijke en landschappelijke structuur; en c. een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. Artikel 9.11 Instructieregel functiewijzing (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar stedelijke functie (anders dan wonen) 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan regels bevatten die toestaan dat op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bedrijfswoning en overige bedrijfsgebouwen een stedelijke functie, niet zijnde wonen, krijgen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; b. door sloop wordt de oppervlakte van de fysiek aanwezige bebouwing met 50% gereduceerd, waarbij te behouden historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing niet in de berekening wordt betrokken, tenzij: i. het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening; of ii. het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve beleving of recreatief gebruik waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat; iii.

het gaat om de hervestiging van één of enkele bedrijven die op hun oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormden of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten en die op de nieuwe locatie, nabij de kern, goed inpasbaar zijn; iv. het gaat om vestiging van bedrijven die vanwege hun werkzaamheden met zwaar rijdend materieel zich voornamelijk richten op het landelijk gebied; v. er is sprake van twee of meer bouwpercelen waar de agrarische functie is beëindigd en op de betrokken bouwpercelen gezamenlijk wordt het vereiste slooppercentage van 50% wel gehaald; of vi. de ruimtelijke kwaliteit wordt op een andere wijze verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage dan 50% rechtvaardigt; 74

c.

2.

te handhaven en nieuw op te richten bedrijfsgebouwen worden zo compact mogelijk gesitueerd binnen het voormalige bouwperceel en het bouwperceel wordt evenredig met de oppervlakte gesloopte gebouwen verkleind; d. de bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden; en e. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Artikel 9.12 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locatie binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat een agrarisch bedrijfsperceel waar het agrarisch gebruik is beëindigd een woonbestemming wordt gegeven aan de bedrijfswoning en de tot het hoofdgebouw behorende aangebouwde bedrijfsruimte, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw, of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; b. de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden of versterkt; c. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; en d. een kantoor of bedrijf aan huis is mogelijk indien de omvang van die activiteiten ondergeschikt blijft aan de woonfunctie. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 9.13 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’) 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van één of meerdere nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m2 tot 2.500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m2 of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; c.

de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en d. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. 9.1.2 (paragraaf) Uitbreiding woningen en bedrijventerreinen in landelijk gebied Artikel 9.14 Instructieregel eenmalige uitbreiding tot 50 woningen voor lokale vitaliteit van een kern 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Uitbreiding woningbouw onder voorwaarden kan regels bevatten voor een eenmalige uitbreiding tot 50 woningen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de eenmalige uitbreiding tot 50 woningen is noodzakelijk voor de vitaliteit van de kern; b. aangetoond is dat niet binnen de kern in de behoefte voorzien kan worden; c. de woningbouw vindt plaats in aansluiting op het stedelijk gebied en qua aard en omvang past bij de kern; d. de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling; e.

de woningbouw draagt bij aan een goede kwaliteit van de nieuwe kernrandzone; en f. omliggende functies worden niet onevenredig geschaad. 2. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. Artikel 9.15 Instructieregel uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk kan regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken of is opgenomen in de Bijlage XIX Wonen en werken; 75

b. c. d.

2.

de woningbouw vindt plaats in aansluiting op het stedelijk gebied; de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling; de woningbouw wordt in samenhang ontwikkeld met lokale en regionale groenontwikkeling waarbij de omvang van de woningbouw in evenwichtige verhouding staat tot de hoeveelheid te ontwikkelen natuur en recreatie; en e. de realisatie van natuur en recreatie en de duurzame instandhouding daarvan is verzekerd, en f. de woningbouw draagt bij aan een goede kwaliteit van de nieuwe kernrandzone. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Artikel 9.16 Instructieregel uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk kan regels bevatten voor uitbreiding bedrijventerreinen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken of is opgenomen in de Bijlage XIX Wonen en werken; b. de uitbreiding bedrijventerrein leidt niet tot extra bodemdaling; c. de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd; en d. de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein, of, wanneer dat niet mogelijk is, in aansluiting op het stedelijk gebied. 2. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. 9.2 (afdeling) Stedelijke functies in stedelijk gebied Artikel 9.17 Instructieregel verstedelijking 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan regels bevatten voor verstedelijking. 2.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling; 3. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 9.18 Instructieregel bedrijventerreinen stedelijk gebied 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan regels bevatten voor bedrijventerreinen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd; c. de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein; en d. de uitbreiding bedrijventerreinen leidt niet tot extra bodemdaling. 2. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 9.19 Instructieregel kantoren 1. Een omgevingsplan laat uitsluitend nieuwvestiging van zelfstandige kantoren toe, voor zover het betrekking heeft op: a.

zelfstandige kantoren met een lokaal vestigingsgebied, voor zover deze niet gevestigd kunnen worden in gerealiseerde gebouwen of binnen plancapaciteit op basis van het vigerende omgevingsplan; b. een eenmalige uitbreiding van gerealiseerde kantoren met ten hoogste 10% van het bestaande bvo van het gebouw, voor zover deze niet gerealiseerd kan worden op basis van het omgevingsplan; of c. transformatie naar zelfstandige kantoren tot een maximum bvo van 1.500 m2 per gebouw. 2. Voor zover een omgevingsplan onbenutte plancapaciteit voor zelfstandige kantoren bevat, wordt deze uitsluitend in stand gelaten als er sprake is van: a. een verleende vergunning voor een zelfstandig kantoor; b. een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor een zelfstandig kantoor die voor terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan is ingediend; c. behoefte aan zelfstandige kantoren, waarbij in de behoeftebepaling rekening wordt gehouden met de geraamde vraag naar kantoren binnen een redelijke termijn en het actuele aanbod van kantoren in bestaande panden; d. zicht op realisatie van zelfstandige kantoren met een lokaal vestigingsgebied, voor zover deze niet gevestigd kunnen worden in gerealiseerde gebouwen; e. uitbreidingsmogelijkheden voor zelfstandige kantoren als bedoeld onder a en b of reeds gerealiseerde kantoren; of 76

f. 3. 4.

5. 6.

7. 8.

zelfstandige kantoren die voorzien zijn ter plaatse van bestaande gebouwen met een andere functie, tot een maximum bvo van 1500 m2 per gebouw. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een locatie binnen Kantoren op knooppunt Utrecht Centraal en Kantoren op knooppunt Leidsche Rijn Centrum mits de behoefte aan kantoren is aangetoond. Tot 1 januari 2029 zijn het eerste en tweede lid op locaties binnen Reductielocaties niet van toepassing op delegatiebesluiten als bedoeld in artikel 2.8 van de wet, alsmede het besluit tot verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit afwijken van de binnenplanse regels van het omgevingsplan, waar ingevolge het Inpassingsplan Kantoren nog plancapaciteit voor zelfstandige kantoren aanwezig is. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Reductielocaties kan de verplaatsing van plancapaciteit voor zelfstandige kantoren toelaten, mits gelijktijdig binnen dezelfde locatie reductie plaatsvindt van ten minste hetzelfde bvo voor zelfstandige kantoren op een onbebouwd perceel. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Gebiedstransformatie of herstructurering kan regels bevatten voor verplaatsing van bestaande plancapaciteit voor zelfstandige kantoren, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

verplaatsing van bestaande plancapaciteit voor zelfstandige kantoren naar een ander bouwperceel binnen de locatie is noodzakelijk voor gebiedstransformatie of herstructurering; b. het bvo voor zelfstandige kantoren op het nieuwe bouwperceel is ten hoogste gelijk aan het bvo op basis van de maximale gebruiksmogelijkheden van het te verlaten bouwperceel; c. het betreft geen bestaande plancapaciteit voor een voormalig zelfstandig kantoor dat is getransformeerd in een andere functie; en d. gelijktijdig met de verplaatsing van plancapaciteit worden de gebruiksmogelijkheden voor zelfstandige kantoren op het te verlaten bouwperceel beëindigd. Een omgevingsplan kan nieuwvestiging van ondergeschikte kantoren toelaten. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Artikel 9.20 Instructieregel detailhandel 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Detailhandel buiten bestaand winkelgebied bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel dan wel het wijzigen van brancheringsregels voor detailhandel, tenzij: a. het gaat om detailhandel waaraan een aantoonbare behoefte bestaat als gevolg van een wijziging van een omgevingsplan dat voorziet in grootschalige toevoeging van woningen of andere stedelijke ontwikkeling; b. het gaat om brand- of explosiegevaarlijke detailhandel op bedrijventerreinen; c. het gaat om nieuwvestiging of uitbreiding van volumineuze detailhandel indien daarvoor aantoonbare behoefte bestaat en in de regio geen mogelijkheden voor volumineuze detailhandel aanwezig is; d. het gaat om oppervlakteneutrale verplaatsing van volumineuze detailhandel die noodzakelijk is vanuit het oogpunt van hinder, veiligheid, verkeersaantrekkende werking of het maatschappelijk functioneren van het gebied en onder de voorwaarde dat de bouwvlakken van de te verplaatsen detailhandel een andere bestemming krijgen; e. het gaat om verplaatsing of uitbreiding van detailhandel in aansluiting op het gebied Bestaand winkelgebied indien dit noodzakelijk is voor het maatschappelijk functioneren van het bestaande winkelgebied; f.

het gaat om kleinschalige ondergeschikte detailhandel op locaties binnen Bovenlokaal dagrecreatieterrein ten behoeve van de recreatieve functies op het bovenlokaal dagrecreatieterrein; of g. het gaat om detailhandel die qua aard en omvang vergelijkbaar is met detailhandel hiervoor genoemd onder a t/m f of waarvan aard en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen Bestaand winkelgebied. 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Detailhandel buiten bestaand winkelgebied bevat regels die voorzien in een functiewijziging van bestaande detailhandelsbestemmingen naar andere functies indien: a. nog geen vergunning is aangevraagd; en b. er geen zicht is op realisatie van de functie binnen 10 jaar. 3. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 9.21 Instructieregel ontwikkelingen rond Seveso-inrichtingen [Gereserveerd] 9.3 (afdeling) Recreëren Artikel 9.22 Instructieregel bovenlokaal dagrecreatieterrein 1. In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Bovenlokaal dagrecreatieterrein ten behoeve van de dagrecreatieve functie regels bevatten die ontwikkeling van aan het

77

2.

recreatieve gebruik gerelateerde voorzieningen op bestaande bovenlokale dagrecreatieterreinen toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de recreatieve waarde van het gebied wordt versterkt; b. de voorzieningen zijn noodzakelijk voor de duurzame exploitatie van het bestaande bovenlokale dagrecreatieterrein; en c. de voorzieningen worden zo veel mogelijk op één plek geconcentreerd, op zodanige wijze dat nabij gelegen natuurgebieden worden ontzien. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Artikel 9.23 Instructieregel recreatiezone 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Recreatiezone bevat regels ter bescherming van de instandhouding en de bereikbaarheid van bestaande recreatieve voorzieningen. 2. In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Recreatiezone regels bevatten die voorzien in nieuwe bovenlokale recreatieve voorzieningen. 3. In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Recreatiezone ten behoeve van bovenlokale recreatievoorzieningen regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de verstedelijking wordt in samenhang met de realisatie van de bovenlokale recreatieve voorzieningen ontwikkeld waarbij de omvang van de verstedelijking in evenwichtige verhouding staat tot de hoeveelheid extra bovenlokale recreatieve voorzieningen; en b. de tijdige realisering van de recreatievoorziening en de duurzame instandhouding daarvan is verzekerd. 4. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een integrale visie en een beeldkwaliteitsparagraaf maken onderdeel uit van de onderbouwing.

9.4 (afdeling) Stiltegebied 9.4.1 (paragraaf) Algemene bepalingen en instructieregels stiltegebied Artikel 9.24 Oogmerk stiltegebied De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van stilte in een gebied. Artikel 9.25 Aanwijzing stiltegebied en aandachtsgebied stiltegebied 1. Een Stiltegebied bestaat uit: a. de Stille kern; en b. de Bufferzone stiltegebied. 2. Een Aandachtsgebied stiltegebied is een zone van 1500 meter rondom een Stiltegebied. Artikel 9.26 Doelstelling voor het geluidsniveau in stiltegebied De regels in deze paragraaf zijn gericht op het bereiken en behouden van: a. een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van ten hoogste 40 dB(A) in de Stille kern van stiltegebieden; en b. een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van bij voorkeur 40 dB(A) maar ten hoogste 45 dB(A) in de Bufferzone stiltegebied. Artikel 9.27 Instructieregel geluidsniveau in stiltegebied 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stiltegebied bevat regels die rekening houden met de doelstellingen voor het geluidsniveau bedoeld in artikel 9.26 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met de doelstelling voor het geluidsniveau is omgegaan. Artikel 9.28 Instructieregel windturbines in stiltegebied 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stiltegebied kan regels bevatten die de realisatie van windturbines toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de windturbines zijn regionaal afgestemd; b. de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; c. de windturbines worden zodanig opgesteld dat de effecten op het Stiltegebied zo beperkt mogelijk zijn; d. er wordt voor wat betreft de effecten op het stiltegebied zoveel mogelijk aangesloten op de doelstelling voor het geluidsniveau in stiltegebieden, bedoeld in artikel 9.25; en e. er wordt voorzien in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; en b. een onderbouwing waaruit blijkt dat de locatie binnen Stiltegebied het meest geschikt is voor windturbines.

78

Artikel 9.29 Instructieregel activiteiten aandachtsgebied stiltegebied 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Aandachtsgebied stiltegebied bevat regels die rekening houden met de doelstellingen voor het geluidsniveau bedoeld in artikel 9.26. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met de doelstelling voor het geluidsniveau is omgegaan. 9.4.2 (paragraaf) Regels over activiteiten Stiltegebied Artikel 9.30 Toepassingsbereik stiltegebied 1. Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in Stiltegebied kan worden verstoord. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; b. de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van kabels en buisleidingen voor het transport van energie of voor de openbare drinkwatervoorziening, met inbegrip van toestellen noodzakelijk voor dat transport en voorzieningen voor de directe aansluiting van eindgebruikers in de nabije omgeving; c. de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele of telecommunicatiewerken; d. de bouw of het onderhoud van gebouwen; en e. de bescherming, het onderhoud of het beheer van het gebied, inclusief dijkwerkzaamheden. Artikel 9.31 Specifieke zorgplicht stiltegebied 1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor Stiltegebied, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor activiteiten in Stiltegebied houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van het stiltegebied worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; en c. geen significante verstoring wordt veroorzaakt. Artikel 9.32 Omgevingsvergunning activiteiten in stiltegebied Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor activiteiten in Stiltegebied: a. een muziekinstrument of ander vergelijkbaar geluidsapparaat te gebruiken, tenzij het geluidsniveau op een afstand van 50 meter van de activiteit minder dan LAeq,1h = 35 dB(A) bedraagt; b. een motorrijtuig te gebruiken buiten de openbare weg, voor bestemmingsverkeer openstaande wegen, en andere locaties met de functie Verkeer, tenzij het gaat om het gebruik van een motorrijtuig: i.

bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; ii. door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; iii. voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; iv. voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig; v. bij het rijden naar en parkeren op een tijdelijk parkeerterrein met ten hoogste 30 parkeerplaatsen voor personenvoertuigen; of vi. bij het parkeren, bedoeld in artikel 3.9 Instructieregel parkeren Bethunepolder; c. een vaartuig te gebruiken, tenzij het gaat om gebruik van een vaartuig: i. met een snelheid van minder dan 12 kilometer per uur; ii. zonder verbrandings- of explosiemotor; iii. voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; iv. bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of v. voor de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; d. vuurwerk te gebruiken, tenzij het gaat om: i. het gebruik van vuurwerk dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen; ii. het gebruik van vuurwerk voor het afwenden van dreigend gevaar; of iii. het gebruik van consumentenvuurwerk op een afstand van minder dan 50 meter van het eigen woonhuis, ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende de in het Vuurwerkbesluit aangewezen periode; e. een airgun of ander knalapparatuur te gebruiken; f.

een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen te gebruiken voor seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen. g. een omroepinstallatie, sirene, hoorn of ander vergelijkbaar toestel bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid te gebruiken, tenzij het gaat om gebruik voor: i. de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; ii. het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of iii. de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; 79

h.

een modelvliegtuig, modelboot, modelauto of onbemande luchtvaartuigsystemen (UAS) te gebruiken, tenzij het gaat om: i. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto zonder een verbrandingsmotor; of ii. het gebruik van onbemande luchtvaartuigsystemen (UAS) voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar, het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels, of de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; i. een vuurwapen te gebruiken, tenzij het gaat om gebruik door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie, of in geval van nood; j. een toertocht voor motorrijtuigen te houden of daaraan deel te nemen, tenzij het gaat om een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen; k. een motorrijtuig of vaartuig proef te draaien, tenzij het gaat om proefdraaien van een eigen motorrijtuig of vaartuig bij een woning; en l. activiteiten met een toestel anders dan, bedoeld onder a tot en met k te verrichten. Artikel 9.33 Beoordelingsregel omgevingsvergunning in stille kern Een omgevingsvergunning voor een activiteit binnen Stille kern wordt slechts verleend, voor zover: a. zwaarwegende maatschappelijke belangen daartoe dwingen; b. alternatieven buiten Stille kern ontbreken; c. de activiteit op kaart Bestaand evenement of activiteit staat; en d. rekening wordt gehouden met de doelstelling van artikel 9.26.

Artikel 9.34 Beoordelingsregel omgevingsvergunning en maatwerkvoorschrift in bufferzone stiltegebied 1. Voor niet-plaatsgebonden activiteiten kunnen maximaal 12 omgevingsvergunningen per kalenderjaar worden verleend, elk met een tijdsduur van maximaal 24 uur. 2. Bij de verlening van een vergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt rekening gehouden met doelstelling van artikel 9.26. 3. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt rekening gehouden met de doelstelling van artikel 9.26. Artikel 9.35 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning in stiltegebied In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 9.32, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijd van de activiteit; b. voor zover relevant een plattegrond van de activiteit; c. de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken; d. de motivering van de keuze voor de locatie, onderzochte alternatieve locaties en bezwaren daartegen; e. als de locatie binnen de Stille kern is gelegen: of het een activiteit betreft, bedoeld in artikel 9.32, of een beschrijving van het maatschappelijk belang van de activiteit; en f.

mogelijk samenhangende besluiten. Artikel 9.36 Afschrift omgevingsvergunning naar gemeenten Een afschrift van een verleende vergunning wordt toegezonden aan de gemeente of gemeenten waarbinnen Stiltegebied ligt. 9.4.3 (paragraaf) Overige bepalingen stiltegebieden Artikel 9.37 Plaatsing borden stiltegebied a. Gedeputeerde staten plaatsen op of bij de grenzen van stiltegebieden borden langs alle openbare wegen, paden en vaarwegen die toegang geven tot een stiltegebied of die daaraan grenzen. b. Bijlage IV Modelborden bij deze verordening bevat het model voor dat bord.

80

10. (hoofdstuk) Uitvoering en procedures 10.1 (afdeling) Schadevergoeding 10.1.1 (paragraaf) Algemeen nadeelcompensatie Artikel 10.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de toekenning van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 15.1 van de wet. Artikel 10.2 Aanwijzing adviseur Gedeputeerde staten wijzen één of meer onafhankelijke adviseurs aan die adviseert over een aanvraag voor nadeelcompensatie, tenzij: a. de aanvraag zonder meer zal worden afgewezen; b. de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld; of c. het een soortgelijke aanvraag betreft waarvoor al eerder een advies is gegeven en waardoor hernieuwde advisering overbodig is. Artikel 10.3 Wraking adviseur 1. Alvorens tot aanwijzing van een adviseur als bedoeld in artikel 10.2 over te gaan, stellen gedeputeerde staten de aanvrager schriftelijk in kennis van de voorgenomen aanwijzing. 2. Binnen twee weken na in het eerste lid bedoelde in kennisstelling kan de aanvrager schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij gedeputeerde staten indienen. 3. Gedeputeerde staten beslissen binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs. Artikel 10.4 Werkwijze adviseur 1.

Gedeputeerde staten stellen aan de adviseur ambtelijke ondersteuning ter beschikking ten behoeve van de uitvoering van de adviesopdracht. 2. De adviseur kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Als daarmee kosten zijn gemoeid, wordt deze bevoegdheid pas uitgeoefend na instemming van gedeputeerde staten. 3. De adviseur kan ter plaatse de situatie onderzoeken, indien zij dit nodig achten. 4. De adviseur hoort aanvrager, gedeputeerde staten, een andere betrokken bestuursorganen, belanghebbende en eventueel door hen ingeschakelde deskundigen. De adviseur bepaalt datum, tijd en plaats van de hoorzitting en de wijze waarop deze zal plaatsvinden. 5. De adviseur draagt er zorg voor dat van de hoorzitting en van de plaatsopneming een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het uit te brengen advies. 6. Binnen zestien weken na de aanwijzing van de adviseur zendt deze een concept van het advies aan: a. gedeputeerde staten; b. de aanvrager; c. een betrokken bestuursorgaan; en d. een belanghebbende. 7. De adviseur kan de in het zesde lid genoemde termijn onder opgaaf van redenen met ten hoogste vier weken verlengen. 8. De aanvrager, een betrokken bestuursorgaan en een belanghebbende kunnen binnen vier weken na de toezending van het concept van het advies hierop schriftelijk reageren. 9. Indien binnen de in het achtste lid genoemde termijn: a.

een reactie is ingediend, brengt de adviseur binnen vier weken na het verstrijken van die termijn een advies uit aan gedeputeerde staten, waarbij de ontvangen reacties zijn betrokken; b. geen reactie is ingediend, brengt de adviseur binnen twee weken na het verstrijken van die termijn een advies uit aan gedeputeerde staten. Artikel 10.5 Voorschot 1. Gedeputeerde staten kennen de aanvrager op zijn schriftelijk verzoek een voorschot toe indien naar het oordeel van gedeputeerde staten aannemelijk is dat: a. de aanvraag zal leiden tot het toekennen van een vergoeding in geld; en b. het belang van aanvrager een voorschot redelijkerwijs rechtvaardigt. 2. Gedeputeerde staten kunnen advies vragen aan één of meer onafhankelijk adviseurs over het nut en de noodzaak van het toekennen van een voorschot. 10.1.2 (paragraaf) Schadevergoeding faunaschade Artikel 10.6 Aanvraagvereisten tegemoetkoming faunaschade 1. Een aanvraag om een tegemoetkoming als genoemd in artikel 15.53 van de wet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

81

2. 3.

De aanvraag wordt uiterlijk binnen 7 werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd, ingediend. Als een aanvraag om tegemoetkoming niet voldoet aan het eerste en tweede lid, komt de schade niet voor tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 10.7 Taxatie van de faunaschade a. Het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, worden pas geoogst of van het bedrijf afgevoerd, nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur. b. Bedenkingen over de taxatie worden binnen acht werkdagen na ontvangst van het taxatierapport kenbaar gemaakt aan BIJ12. 10.2 (afdeling) Coördinatie uitvoering en handhaving Artikel 10.8 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op de uitvoeringstaak, bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, van de Omgevingswet en de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de Omgevingswet, door of in opdracht van gedeputeerde staten: a. voor wat betreft de taken die in het verband van een omgevingsdienst worden uitgevoerd; en b. voor wat betreft de taken die niet in het verband van een omgevingsdienst worden uitgevoerd voor zover door gedeputeerde staten nader bepaald. Artikel 10.9 Betrokkenheid van provinciale staten Provinciale staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de uitvoeringstaak en handhavingstaak in het licht van de voor de provincie Utrecht vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving. Artikel 10.10 Kwaliteitsdoelen 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10388139/1