CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

5.8 Ontwerp Omgevingsverordening Provincie Utrecht 2022

Commissie Ruimte 21 september 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven51.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 7

Artikel 4.62 Vrijstelling om veiligheidsredenen Het verbod, bedoeld in artikel 4.61, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: a. voor drukverevening die om veiligheidsredenen moet plaatsvinden; b. tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, als het ontgassen om veiligheidsredenen noodzakelijk is. Artikel 4.63 Vrijstelling voorafgaande belading Het verbod, bedoeld in artikel 4.61, is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat: a. de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in dat artikel; of b. de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan bedoeld in dat artikel. 4.5 (afdeling) Luchtvaartterrein Artikel 4.64 Instructieregel luchtvaartterrein Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Luchtvaartterrein bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaartuigen. Artikel 4.65 Instructieregel Buffer luchtvaartterrein 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Buffer luchtvaartterrein bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaartuigen tenzij uit onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting onder de grens, genoemd in de Bijlage XVII Luchtvaartterrein bij deze verordening, blijft. 2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing en de onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan. 4.6 (afdeling) Externe veiligheid basisnet Artikel 4.66 Instructieregel externe veiligheid basisnet [Gereserveerd] Artikel 4.67 Veiligheid rond basisnet [Gereserveerd] 4.7 (afdeling) Geluid provinciale weg Artikel 4.68 Oogmerk geluid provinciale weg De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid. Artikel 4.69 Aanwijzing weg waarvoor een geluidproductieplafond geldt Voor alle openbare wegen in beheer bij de provincie worden geluidproductieplafonds vastgesteld. Artikel 4.70 Instructieregel geluidscontour van provinciale wegen 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen binnen de Geluidscontour van provinciale wegen bevat regels voor bestaande gebouwen die getransformeerd worden tot geluidgevoelige gebouwen mits zij een binnenwaarde van maximaal 33 Lden hebben. 2. Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op locaties gelegen binnen de Geluidscontour van provinciale wegen: a. zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen in het Geluidscontour buiten de bebouwde kom toegestaan tot een geluidsbelasting van maximaal 60 Lden op de gevel; b. nieuwe geluidgevoelige gebouwen in het Geluidscontour binnen de bebouwde kom toegestaan tot een geluidsbelasting van 65 Lden op de gevel; 3.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan. 4.8 (afdeling) Ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken Artikel 4.71 Oogmerk ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de doelmatige uitoefening van taken en bevoegdheden voor infrastructuur en waterstaatswerken.

52

Artikel 4.72 Vrijstelling van omgevingsvergunning voor ontgrondingsactiviteit 1. In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist voor het ontgronden, aanleggen, verbeteren, onderhouden of wijzigen van wegen, spoorwegen of andere grote infrastructurele werken als: a. de activiteit plaatsvindt door of vanwege het Rijk, de provincie, een gemeente of een waterschap; b. de grondlagen dieper dan 3 meter onder het maaiveld niet worden ontgraven; en c. de activiteit plaatsvindt ter uitvoering van een omgevingsplan. 2. In afwijking van artikel 16.7, onderdeel g, onder 1o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven. 3. In afwijking van artikel 16.7, onderdeel h, onder 2o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

Artikel 4.73 Afwijken van vergunningvrije gevallen ontgrondingsactiviteiten 1. In afwijking van artikel 16.7, onderdeel g, onder 1o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven. 2. In afwijking van artikel 16.7, onderdeel h, onder 2o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

53

5. (hoofdstuk) Energie 5.1 (afdeling) Wind, zon en biomassa Artikel 5.1 Toepassingsbereik nieuwe functies voor energie Deze afdeling is van toepassing op nieuwe functies voor energie uit wind, zon en biomassa. Artikel 5.2 Afwijking van Instructieregel verstedelijkingsverbod landelijk gebied In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan verstedelijking in het Landelijk gebied toestaan om nieuwe functies voor energie en transformatorstations mogelijk te maken. Artikel 5.3 Instructieregel Kleine windturbine 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Kleine windturbine kan regels bevatten die de realisatie van windturbines tot een ashoogte van 20 meter toestaan onder de voorwaarde dat de windturbines worden geplaatst op of in aansluiting op bestaande bouwpercelen. 2. In afwijking van het eerste lid is een windturbine tot een ashoogte van 25 meter toegestaan indien dat noodzakelijk is om volledig of bijna volledig in eigen energiebehoefte van de bestaande bouwwerken te voorzien. 3. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat de energieopbrengst van die windturbine opweegt tegen de impact die de turbine heeft op de omgeving. Artikel 5.4 Instructieregel Windenergielocatie 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Windenergie kan regels bevatten die de realisatie van windturbines met een vermogen van 3 MW of meer toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; en b. er wordt voorzien in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit. 2. Wanneer een omgevingsplan windturbines met een vermogen van minder dan 3 MW toestaat, wordt onderbouwd waarom windturbines met een vermogen van 3 MW of meer niet mogelijk zijn. 3. Wanneer een omgevingsplan een solitaire windturbine toestaat, wordt onderbouwd waarom meerdere windturbines niet mogelijk zijn en dat de energieopbrengst van die solitaire windturbine opweegt tegen de impact die een solitaire turbine heeft op de omgeving. 4. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beeldkwaliteitsparagraaf; en c. een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken. Artikel 5.5 Instructieregel Zonneveld 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Zonneveld kan regels bevatten die de realisatie van opwekking van zonne-energie toestaan door middel van zonnevelden, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

de structuren in het landschap herkenbaar blijven en voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; b. de zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die ruimte biedt voor een bij het gebied passende bodemkwaliteit en waterkwaliteit; en c. voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beeldkwaliteitsparagraaf; c. een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken; en d. een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid inzake de mogelijkheden voor kavelruil vanwege het behouden en verbeteren van een goede landbouwstructuur. Artikel 5.6 Instructieregel Energie uit biomassa landelijk gebied 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties voor Energie uit biomassa landelijk gebied kan regels bevatten die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied energie uit biomassa toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

de vestiging van kleinschalige biomassa-installaties vindt plaats in het landelijk gebied in aansluiting op bestaande bebouwde agrarische bouwpercelen of bestaande legale halfverhardingen of verhardingen op landgoederen, in overeenstemming met de schaal van de bebouwde omgeving, tenzij op een andere nabijgelegen locatie een betere landschappelijke inpassing kan worden bereikt; b. bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast of beperkt; en c. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing.

54

2.

3.

Regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van energie uit biomassa toestaan op grond van het eerste lid zijn voor bio-energie installaties met een met een nominaal ingaand thermisch vermogen groter dan 500 kilowatt slechts mogelijk als: a. redelijkerwijs geen alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn; b. de biomassa niet voor hoogwaardigere toepassingen kan worden ingezet; c. de biomassa is gecertificeerd; en d. de biomassa een aanmerkelijk lagere CO2-emissie heeft dan gangbare fossiele brandstoffen De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Artikel 5.7 Instructieregel Energie uit biomassa stedelijk gebied 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Energie uit biomassa stedelijk gebied bevat geen regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied energie uit biomassa toestaan, tenzij: a. redelijkerwijs geen alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn; b. de biomassa niet voor hoogwaardigere toepassingen kan worden ingezet; c. de biomassa is gecertificeerd; en d. de biomassa een aanmerkelijk lagere CO2-emissie heeft dan gangbare fossiele brandstoffen. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. 5.2 (afdeling) Transformatorstation Artikel 5.8 Omgevingsvergunning transformatorstation Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit een transformatorstation met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren en een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, op te richten of te wijzigen. Artikel 5.9 Beoordelingsregel omgevingsvergunning transformatorstation De omgevingsvergunning voor een transformatorstation wordt alleen verleend als: a. voldaan wordt aan artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. het transformatorstation voldoende is afgeschermd van de directe omgeving; en c.

ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen en terreinen voldoende maatregelen worden genomen om geluidbelasting te voorkomen of te beperken. Artikel 5.10 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning transformatorstation In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.8, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit; b. een situatietekening en een detailtekening met de locatie van de uit te voeren activiteit; c. een geluidsrapport; en d. een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen of te beperken.

55

6. (hoofdstuk) Natuur 6.1 (afdeling) Natuurnetwerk Nederland, Groene contour en weidevogelkerngebieden 6.1.1 (paragraaf) Algemene bepalingen natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden Artikel 6.1 Oogmerk natuurnetwerk Nederland, Groene contour en weidevogelkerngebieden De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming, het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit. Daartoe is het uitgangspunt van deze regels en bij de toepassing daarvan, dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden. 6.1.2 (paragraaf) Instructieregels natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden Artikel 6.2 Instructieregel bescherming natuurnetwerk Nederland 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland bevat regels die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan. Artikel 6.3 Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in Bijlage XI Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: a. nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten; b. nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang; of c. nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten in het natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteiten. 2.

Onder de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, en de daaraan direct grenzende strook grond die bestaand en legaal is ingericht ten dienste van die bebouwing, en bestaande legale halfverhardingen of verhardingen begrepen. 3. Aantasting van het natuurnetwerk Nederland op grond van het eerste lid is slechts mogelijk als: a. de aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en b. de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. 4. Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op Militaire terreinen of terreinen met militaire objecten binnen het natuurnetwerk Nederland. 5. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 6.4 Instructieregel bescherming Groene contour ter omvorming naar natuur 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour strekt tot het beschermen en creëren van de mogelijkheden om op de gronden gelegen binnen de Groene contour nieuwe natuur te realiseren. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 6.5 Instructieregel ontwikkelingen binnen de Groene contour 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten in verband met groot openbaar belang en: a. reële alternatieven die een verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren voorkomen of beperken, ontbreken; 56

b. c. 2. 3.

het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren, zoveel mogelijk wordt beperkt; het overblijvende verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren wordt gecompenseerd met de realisatie van nieuwe natuur binnen de Groene contour met een oppervlakte van tenminste de oppervlakte van het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Artikel 6.6 Instructieregel realisatie nieuwe natuur binnen Groene contour door verstedelijking 1. In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour ten behoeve van de realisatie van nieuwe natuur regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de verstedelijking vindt plaats in samenhang met de realisatie van nieuwe natuur; b. de omvang van de verstedelijking staat in evenwichtige verhouding tot de oppervlakte en kwaliteit van de te realiseren nieuwe natuur; c. de nieuwe natuur wordt gerealiseerd binnen de Groene contour; d. de verstedelijking vindt plaats binnen de Groene contour of, indien dit vanuit ecologisch of landschappelijk oogpunt beter is, op een locatie daarbuiten, bij voorkeur aansluitend bij een kernrand of een bestaande bebouwingsconcentratie; e. de in samenhang ontwikkelde verstedelijking en nieuwe natuur gezamenlijk leiden tot een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en f. de omliggende agrarische bedrijven worden door de activiteit niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 2.

In aanvulling op het eerste lid kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan de realisatie van opwekking van zonne-energie op locaties binnen de Groene contour door middel van zonnevelden met een procedure die de opruimplicht borgt, zoals een omgevingsvergunning, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn en bedraagt ten hoogste 25 jaar; b. na het verstrijken van de termijn worden de zonnevelden verwijderd. 3. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 6.7 Instructieregel ontwikkelingen weidevogelkerngebied 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Weidevogelkerngebied kan nieuwe ontwikkelingen toestaan, onder voorwaarde dat de kwaliteit van het leefgebied van de weidevogels aantoonbaar per saldo minimaal wordt behouden. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van agrarische bouwblokken. 3. De motivering op een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarde is voldaan.

6.1.3 (paragraaf) Regels over activiteiten compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland Artikel 6.8 Toepassingsbereik compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland Deze paragraaf is van toepassing op de uit te voeren compensatie die vereist is op grond van paragraaf 6.1.1. Artikel 6.9 Specifieke eisen compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland 1. Compensatie vindt zodanig plaats dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland versterkt. 2. De compensatie vindt in de nabijheid van de aantasting plaats indien het functioneren van het natuurnetwerk dat vereist. 3. Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid onder c, vindt de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaats en eerst op het terrein van de bestaande activiteit. Indien deugdelijk is onderbouwd dat compensatie op het terrein van de bestaande activiteit blijvend onmogelijk is, volstaat het dat de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaatsvindt. 4. Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onder a, of b, vindt de compensatie van het verlies in oppervlakte plaats: a. buiten het natuurnetwerk Nederland en in directe aansluiting op het natuurnetwerk Nederland; of b. buiten het natuurnetwerk Nederland en binnen de Groene contour; of c.

binnen agrarische gronden gelegen in het natuurnetwerk Nederland waar geen nieuwe natuur is beoogd volgens kaart 1 behorende bij het Natuurbeheerplan. 5. In afwijking van het vierde lid is compensatie van het verlies in oppervlakte binnen het natuurnetwerk Nederland mogelijk, indien gedeputeerde staten de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland uitbreiden met een oppervlakte gelijk aan de compensatie wanneer die buiten het natuurnetwerk Nederland zou plaatsvinden, en compensatie in de directe omgeving plaatsvindt op een locatie waar volgens het Natuurbeheerplan nog nieuwe natuur moet worden ontwikkeld en de compensatie leidt tot een versnelling van de realisatie van het natuurnetwerk Nederland. 6. De oppervlakte van de compensatie wordt bepaald aan de hand van Bijlage XII Berekenen compensatieopgave ontwikkeling van groot openbaar belang bij deze verordening. 57

7.

8.

Aan de compensatie ligt een compensatieplan ten grondslag, gebaseerd op recent uitgevoerd ecologisch onderzoek ter plaatse, waarin worden beschreven: a. de natuurwaarden van de locatie en de directe omgeving waar het natuurnetwerk Nederland wordt aangetast en het belang van deze waarden voor het functioneren van het natuurnetwerk Nederland in de omgeving; b. de maatregelen die worden genomen om de aantasting zoveel mogelijk te beperken; c. de overblijvende aantasting na het treffen van de maatregelen; d. de maatregelen die worden uitgevoerd ter compensatie van de overblijvende aantasting; e. de compensatieoppervlakte ten gevolge van de aantasting, als bedoeld in Bijlage XII Berekenen compensatieopgave ontwikkeling van groot openbaar belang bij deze verordening; f. de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de maatregelen genoemd onder d, plaatsvinden; en g. indien compensatie van verlies van oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland met de realisatie van nieuwe natuur plaatsvindt: een inrichting- en beheerplan, waarin in ieder geval is opgenomen: i. de uitgangssituatie van het terrein waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd; ii. de te treffen inrichtingsmaatregelen; iii. de motivering van de te treffen maatregelen; iv.

de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen en de oppervlakten daarvan worden aangegeven; en v. de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvinden. Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen.

Artikel 6.10 Specifieke eisen borging compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland 1. De realisatie van de compensatie, de ontwikkeling, de instandhouding en het beheer zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het besluit waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. 2. De realisatie van de compensatie wordt in het omgevingsplan zeker gesteld door middel van een voorwaardelijke verplichting waarin de aard en omvang van de compensatie is vastgesteld en waarin is bepaald dat de uitvoering van benodigde compensatie zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen drie jaar na de ruimtelijke ontwikkeling, is uitgevoerd/gerealiseerd en daarna in stand wordt gehouden. Artikel 6.11 Specifieke eisen aan realisatie nieuwe natuur door verstedelijking en compensatie Groene contour 1. Aan de realisatie van nieuwe natuur als bedoeld in de artikelen 6.5 en 6.6 ligt een inrichtings- en beheerplan ten grondslag waarin in ieder geval wordt beschreven: a. de uitgangssituatie van het terrein waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd; b. de te treffen inrichtingsmaatregelen; c. de motivering van de te treffen maatregelen; d. de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen en de oppervlaktes daarvan worden aangegeven; en e.

de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvindt. 2. Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen. Artikel 6.12 Specifieke eisen borging realisatie nieuwe natuur door verstedelijking en compensatie Groene contour 1. De inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de realisatie van nieuwe natuur als bedoeld in de artikelen 6.5 en 6.6 worden uiterlijk binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van het omgevingsplan uitgevoerd. 2. De realisatie van de nieuwe natuur, de ontwikkeling, de instandhouding en het beheer zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het besluit waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. 3. De realisatie van de nieuwe natuur wordt in het omgevingsplan zeker gesteld door middel van een voorwaardelijke verplichting waarin: a. de aard en omvang van de te realiseren nieuwe natuur zijn vastgesteld; en b. is bepaald dat de activiteiten pas plaats kunnen vinden nadat de realisatie van de nieuwe natuur is voltooid en de tijdige realisatie is gegarandeerd. 4.

In afwijking van het eerste lid en het derde lid, onder b, geldt voor de realisatie van nieuwe natuur als compensatie voor de plaatsing van zonnevelden dat de inrichtingsmaatregelen uiterlijk 25 jaar na plaatsing van de zonnepanelen worden uitgevoerd.

58

6.2 (afdeling) Houtopstanden en kleine landschapselementen 6.2.1 (paragraaf) Instructieregels houtopstand [Gereserveerd] 6.2.2 (paragraaf) Regels over activiteiten houtopstand Artikel 6.13 Toepassingsbereik houtopstand Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die het gebied Houtopstand betreffen. Artikel 6.14 Vrijstelling meldplicht vellen houtopstand De meldingsplicht vellen houtopstanden, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor: a. het maken van verjongingsgaten, als: i. deze niet groter zijn dan anderhalf keer de gemiddelde boomhoogte per perceel, met een maximale oppervlakte van 10 are; ii. deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; iii. dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt op dezelfde locatie; en iv. dit plaatsvindt voor duurzaam bosbeheer. b. het verwijderen van houtopstanden voor natuurherstel, als de te verwijderen houtopstand: i. ontstaan is door spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur; ii. niet ouder is dan 20 jaar; en iii. niet diende ter compensatie van herbeplanting. Artikel 6.15 Specifieke gegevens melding vellen houtopstand De melding, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat ten minste: a.

als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar; b. een situatietekening van de locatie van de te kappen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 en de kadastrale percelen; c. de oppervlakte van de velling in are en, als het rijbeplanting betreft, het aantal bomen; d. de boomsoort; e. de leeftijd van de houtopstand; en f. de reden van de velling. Artikel 6.16 Specifieke eisen aan herbeplanting Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in elk geval aan de volgende eisen: a. de oppervlakte van de herplant is tenminste even groot als de gevelde oppervlakte; b. herplant vindt plaats door het aanplanten van voldoende vitaal plantmateriaal of door natuurlijke verjonging; c. de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand, gericht op houtproductie, natuur, landschap, cultuurhistorie of beleving; d. de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van vijf jaar een kronendak met een bedekkingsgraad van tenminste 60% vormen; e. de herplant kan op termijn in ieder geval, gelijkwaardige ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen; f.

naast boomsoorten worden alleen inheemse struiksoorten toegepast; en g. herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade kunnen toebrengen aan de voor dit gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen. Artikel 6.17 Specifieke eisen aan herbeplanting op andere grond 1. Herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet aan de volgende vereisten: a. de grond is vrij van houtopstand en van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het gebruik van de grond past binnen bestaand natuur- en landschapsbeleid van de provincie en de gemeente; c. de grond is vrij van compensatieverplichtingen; d. de herbeplanting vindt plaats binnen drie jaar nadat de verplichting tot herbeplanting ontstaat; en e. de herbeplanting voldoet aan artikel 6.16. 2. De herbeplanting op andere grond vindt bij voorkeur plaats in de provincie Utrecht in de directe nabijheid van de velling. Indien dit niet mogelijk is, vindt de herbeplanting elders in de provincie Utrecht plaats.

In uitzonderingsgevallen kan, indien hiermee vergelijkbare natuur- en landschapswaarden kunnen worden teruggebracht als die door de velling verloren zijn gegaan, de herbeplanting in de directe nabijheid van de velling in een aangrenzende provincie plaatsvinden.

59

3.

De oppervlakte van de herbeplanting op andere grond bedraagt tenminste de gevelde oppervlakte aangevuld met de volgende toeslag per hectare die geveld is: Tijd dat ter plaatse van de velling een houtopstand aanwezig is Toeslag per hectare geweest (c.q. ouderdom bosgroeiplaats) 0 jaar 0 < 10 jaar 0,1 10-25 jaar 0,3 25-50 jaar 0,5 50-100 jaar 0,75 100-200 jaar 1,0 > 200 jaar 1,5

Artikel 6.18 Vrijstelling plicht tot herbeplanting De plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor houtopstanden die verwijderd zijn voor natuurherstel, als de verwijderde houtopstand: a. ontstaan is door spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur; b. niet ouder is dan 20 jaar; en c. niet diende ter compensatie van herbeplanting. Artikel 6.19 Maatwerkvoorschriften herbeplanting op andere grond Gedeputeerde staten kunnen aan de activiteiten, bedoeld in artikel 6.17, maatwerkvoorschriften verbinden. Artikel 6.20 Specifieke gegevens en bescheiden aanvraag maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond Een aanvraag tot het stellen van een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere grond gaat vergezeld van een beplantingsplan voor de herbeplanting met een locatieaanduiding voor de herbeplanting. 6.2.3 (paragraaf) Regels over activiteiten beschermd klein landschapselement Artikel 6.21 Toepassingsbereik en aanwijzing beschermd klein landschapselement 1. Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die Beschermd klein landschapselement betreffen. 2. Gedeputeerde staten kunnen besluiten kleine landschapselementen, die voldoen aan de door hen vastgestelde beleidsregels, aan te wijzen en toe te voegen aan Beschermd klein landschapselement. 3.

Beschermd klein landschapselement bevat in ieder geval een indeling op punt-, lijn-, of vlakelementen en per geometrische begrenzing van elk klein landschapselement een foto en redengevende beschrijving. Artikel 6.22 Specifieke zorgplicht beschermd klein landschapselement Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een beschermd klein landschapselement, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel 6.23 Verbod aantasting beschermd klein landschapselement 1. Het is verboden om: a. aan een beschermd klein landschapselement onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is; b. een beschermd klein landschapselement boven- of ondergronds te beschadigen, te vernielen, te vernietigen, te bewerken of te gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of het voortbestaan direct of op de langere termijn in gevaar wordt gebracht; c. een beschermd klein landschapselement te vellen of te rooien. 2. Het eerste lid geldt niet voor: a. het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud gericht op kwaliteitsverbetering of duurzame instandhouding van het landschapselement; b. het periodiek vellen van griend- en hakhout voor onderhoud; en c.

het vellen of rooien van een houtopstand op grond van de Plantgezondheidswet en ter bestrijding van boomziekten. Artikel 6.24 Meldplicht aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen 1. Het is verboden zonder melding in het Beschermd klein landschapselement activiteiten te verrichten, anders dan om de redenen als bedoeld in artikel 6.23, eerste lid. 2. De melding wordt ten minste acht weken en ten hoogste 24 weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht. 3. De activiteiten mogen pas worden verricht na acceptatie van de melding. Artikel 6.25 Specifieke vereisten melding aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld in artikel 6.24, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. elementnummer; 60

b. c. d.

welk type landschapselement betreft het (lijn-, vlak- of puntelement); contactgegevens grondeigenaar; een situatietekening van de locatie van de te vellen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart met een schaal van 1:25.000; e. een kaart met de kadastrale gegevens; f. de oppervlakte van de velling in are en voor zover het een rijbeplanting betreft: het aantal bomen; g. de boomsoort; h. de leeftijd van de houtopstand; i. de reden van de velling; j. is veller voornemens het element op dezelfde locatie te herbeplanten en indien dit niet het geval is, wat is de motivering daarvoor; k. is veller voornemens het element elders te compenseren; l. maatvoering en soort plantmateriaal; m. start- en einddatum van het werk. Artikel 6.26 Maatwerkvoorschriften beschermd klein landschapselement 1. Gedeputeerde staten kunnen aan de activiteiten, bedoeld in artikel 6.24, eerste lid, maatwerkvoorschriften verbinden. 2. Het maatwerkvoorschrift kan in ieder geval inhouden dat compenserende maatregelen worden getroffen. Artikel 6.27 Herstel- en herplantplicht beschermd klein landschapselement 1.

Als in strijd met de artikelen 6.24, 6.25 en 6.26 is gehandeld, is de zakelijk gerechtigde van de grond, dan wel degene, die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, verplicht om binnen een jaar na de overtreding het beschermd klein landschapselement op dezelfde locatie zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat te herstellen of te herbeplanten. 2. Niet aangeslagen herbeplantingen of andere mislukte herstelmaatregelen worden voor 1 april van het opvolgende jaar vervangen of hersteld. 6.3 (afdeling) Faunabeheer en wildbeheer 6.3.1 (paragraaf) Faunabeheer Artikel 6.28 Oppervlakte en begrenzing faunabeheereenheid 1. Er is één faunabeheereenheid waarvan het werkgebied zich uitstrekt tot het grondgebied van de Provincie. 2. De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid. Artikel 6.29 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid 1. In het bestuur van de faunabeheereenheid worden de bestuurszetels als volgt ingevuld: a. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de landbouw; b. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de jacht; c. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit het particulier grondbezit; d.

één bestuurszetel door Staatsbosbeheer; en e. twee bestuurszetels door maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren. 2. In ieder geval wordt één van de bestuurszetels, bedoeld in het eerste lid, onder e, ingevuld door een organisatie die zich tot doel heeft gesteld het dierenwelzijn of het milieu te beschermen en te bevorderen. 3. Elke organisatie kan één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel. 4. De organisaties kunnen, in onderling overleg, een vertegenwoordiger voordragen die namens meerdere van deze organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid. 5. Het bestuur van de faunabeheereenheid heeft een onafhankelijke voorzitter die: a. geen dienstverband bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen heeft; b. geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen is; en c. niet in het bezit is van een jachtakte. Artikel 6.30 Procedure uitbreiding bestuur faunabeheereenheid 1. De organisaties of jachthouders, bedoeld in artikel 6.28, eerste lid, dragen op verzoek van de voorzitter een kandidaat voor het bestuur van de faunabeheereenheid. 2. Als meer kandidaten worden voorgedragen dan er bestuurszetels zijn, selecteert de voorzitter de meest geschikte kandidaten. Artikel 6.31 Werkzaamheden faunabeheereenheid 1.

De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor: a. de coördinatie van de uitvoering van het door haar vastgestelde faunabeheerplan;

61

b.

2. 3. 4.

de informatievoorziening aan de leden van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over tenminste de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, de aan de faunabeheereenheid toegestane activiteiten en actuele ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer; en c. het opstellen van telprotocollen voor trendtellingen als bedoeld in artikel 6.42, tweede lid. De faunabeheereenheid adviseert gedeputeerde staten over faunabeheer. Besluitvorming door het bestuur vindt plaats bij gewone meerderheid van stemmen, waarbij iedere in het bestuur vertegenwoordigde organisatie één stem heeft. Als de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag. De faunabeheereenheid kan in haar statuten opnemen dat besluitvorming over daarbij te bepalen onderwerpen plaatsvindt bij een gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel 6.32 Verslaglegging faunabeheereenheid 1. Het jaarlijkse verslag, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. cijfermatige rapportages over de uitvoering van de vrijstellingen, opdrachten en vergunningen op basis van de paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort en naar wildbeheereenheid; b. rapportages van het gebruik van preventieve en alternatieve middelen voor het voorkomen van schade; en c. cijfermatige rapportages over de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen het aantal gedode dieren, onderscheiden naar wildsoort. 2. Het verslag wordt uiterlijk op 1 mei van het daaropvolgende kalenderjaar aan gedeputeerde staten verstrekt. 3. Het verslag wordt door de faunabeheereenheid ook op een openbaar toegankelijke website geplaatst. Artikel 6.33 Faunabeheerplan algemeen 1. De faunabeheereenheid stelt voor het werkgebied van de faunabeheereenheid één faunabeheerplan op. 2. Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van maximaal zes jaar. 3. De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. 4.

Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen. Artikel 6.34 Inhoud faunabeheerplan algemeen Het faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. een topografische kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven; b. kwantitatieve gegevens over de in het wild levende dieren binnen de provincie, waarop het faunabeheerplan van toepassing is over een periode van minimaal zes jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft en een beschrijving van de trend van deze soorten over deze periode, zowel binnen de provincie als landelijk; c. een beschrijving van de aanwezigheid van deze diersoorten gedurende het jaar; d. een beschrijving van passende en doeltreffende maatregelen die kunnen worden ingezet om schade aan de belangen bedoeld in, bedoeld in artikel 11.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te voorkomen; e. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van die schade is gewaarborgd; f.

een overzicht per diersoort, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden, van de op basis van de toepasselijke vrijstellingen, ontheffingen, opdrachten en bij de uitoefening van de jacht gedode dieren en geraapte en onklaar gemaakte eieren in de periode van minimaal zes jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft; en g. een omschrijving van de wijze waarop geborgd wordt dat de te treffen maatregelen de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft niet negatief beïnvloeden. Artikel 6.35 Inhoud faunabeheerplan, specifiek, beheer en schadebestrijding Het faunabeheerplan bevat ook de volgende gegevens over beheer en schadebestrijding van diersoorten: a. per diersoort en gewas een beschrijving van de schade in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden; b. per diersoort een beschrijving van de activiteiten die in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft zijn verricht om schade te voorkomen of beperken en, als daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van deze activiteiten; c.

per diersoort een topografische kaart waarop is aangegeven waar zich in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, gevallen van belangrijke schade hebben voorgedaan en waar in het kader van beheer- en schadebestrijding bestrijdingsacties hebben plaatsgevonden; d. per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of te beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden; 62

e. f. g.

een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen activiteiten en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten zal worden bepaald; de gewenste stand van de diersoorten waarvoor populatiebeheer wordt voorgestaan; en als het faunabeheerplan betrekking heeft op het populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen: een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.

Artikel 6.36 Inhoud faunabeheerplan, jacht Het faunabeheerplan bevat ook in ieder geval de volgende gegevens over de jacht: a. een beschrijving van de samenhang tussen de jacht op de wildsoorten, het beheren van de populaties van deze soorten en het bestrijden van schade door deze soorten; b. een omschrijving van de redelijke wildstand, bedoeld in artikel 11.65 van het Besluit activiteiten leefomgeving , en een onderbouwing van de wijze waarop de jacht hieraan zal bijdragen; en c. een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, per wildbeheereenheid, in de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft. 6.3.2 (paragraaf) Wildbeheereenheden Artikel 6.37 Oppervlakte, begrenzing en rechtsvorm wildbeheereenheden 1. Het werkgebied van de gezamenlijke wildbeheereenheden strekt zich uit tot het grondgebied van de Provincie. 2. Het werkgebied van een wildbeheereenheid: a. heeft een aaneengesloten oppervlakte van tenminste 5.000 hectare; b. strekt zich niet uit tot het grondgebied van een andere provincie; c. overlapt niet met het werkgebied van een andere wildbeheereenheid; en d. wordt in overeenstemming met alle betrokken wildbeheereenheden gewijzigd. 3. Bij wijziging van een begrenzing dragen de betrokken wildbeheereenheden zorg voor: a. het schriftelijk informeren van gedeputeerde staten; en b.

het plaatsen van de begrenzing op de website van de faunabeheereenheid. 4. Een wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsvorm. Artikel 6.38 Werkzaamheden wildbeheereenheden 1. Het secretariaat van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane activiteiten, regelgevende en ecologische feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. 2. De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied: a. de trendtellingen van diersoorten voor het faunabeheerplan; b. de verstrekking van de resultaten van deze trendtellingen aan de faunabeheereenheid; en c. de verstrekking van het overzicht van gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, aan de faunabeheereenheid. Artikel 6.39 Lidmaatschap wildbeheereenheden 1. Uitgezonderd van artikel 8.2, eerste lid, van de wet zijn: a. medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting het Utrechts Landschap, als de organisatie die zij vertegenwoordigen deel uitmaakt van het bestuur van de faunabeheereenheid, en zij hun activiteiten uitvoeren voor die organisatie; b. medewerkers van het Ganzenbeheerteam Utrecht en medewerkers van in opdracht van de faunabeheereenheid of gedeputeerde staten handelende professionele schadebestrijders. 2.

Aan lidmaatschap van een wildbeheereenheid worden alleen eisen gesteld die van belang zijn voor de uitvoering van het faunabeheerplan. 3. De wildbeheereenheid houdt een register bij van aangesloten leden. Artikel 6.40 Geschillen lidmaatschap wildbeheereenheden 1. Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan worden geweigerd of beëindigd als het lid bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 11.64 van het Besluit activiteiten leefomgeving handelt in strijd met de voor deze activiteiten geldende voorschriften. 2. In de statuten van de wildbeheereenheden wordt hiervoor een regeling getroffen. 3. Door de gezamenlijke wildbeheereenheden wordt, in overeenstemming met het bestuur van de faunabeheereenheid en gedeputeerde staten, een geschillenregeling vastgesteld voor geschillen die betrekking hebben op het lidmaatschap van een wildbeheereenheid. 4. Geschillen worden voorgelegd aan een geschillencommissie, die bestaat uit een vertegenwoordiger namens: a. het bestuur van de wildbeheereenheid; b. het bestuur van de faunabeheereenheid; en c. gedeputeerde staten.

63

6.4 (afdeling) Flora- en fauna activiteiten 6.4.1 (paragraaf) Beoordelingsregels omgevingsvergunning flora- en fauna activiteiten Artikel 6.41 Beoordelingsregel omgevingsvergunning afschot paarvormende ganzen Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, betrekking heeft op afschot van paarvormende grauwe ganzen of brandganzen, wordt deze omgevingsvergunning alleen verleend voor de periode van 1 februari tot 1 maart. 6.4.2 (paragraaf) Vrijstelling vergunningplichtige flora- en fauna activiteiten 6.4.2.1 (sub paragraaf) Vrijstelling voor ganzen Artikel 6.42 Vrijstelling verjagen schadeveroorzakende ganzen De verboden bedoeld in de artikelen 11.38, eerste lid, en 11.46, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor activiteiten die dienen voor het verjagen van de grauwe gans, kolgans en brandgans, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de activiteiten worden uitgevoerd door of in opdracht van de grondgebruiker; b. de activiteiten worden uitgevoerd op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c.

de activiteiten vinden plaats met het oog op het voorkomen van schade die in het lopende of daarop volgende jaar door de grauwe gans, kolgans of brandgans dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen of in het omringende gebied; en d. er wordt voldaan aan artikelen 6.43 en 6.44. Artikel 6.43 Specifieke eis verjagen schadeveroorzakende ganzen met ondersteunend afschot 1. Activiteiten die dienen voor het verjagen van grauwe gans, kolgans en brandgans met ondersteunend doding door afschot, vindt alleen plaats met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan kwetsbare gewassen, in de periode van 1 november tot 1 maart, tussen een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang, op percelen met nog oogstbare akker- en tuinbouwgewassen en grasland, of de direct daaraan grenzende percelen. 2. Er vinden geen activiteiten voor verjaging met ondersteunend doding door afschot plaats: a. op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar; b. op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid na 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar, met een oppervlakte kleiner dan 1 hectare; c. op percelen die zijn ingezaaid als afvanggewas op geoogste percelen. 3.

Activiteiten voor verjaging met ondersteunend doding door afschot vindt alleen plaats als een groep van meer dan vijf ganzen op het schadeperceel, of op een direct hieraan grenzend perceel, aanwezig is of hier invalt. 4. Per verjaagactie worden maximaal twee ganzen gedood. 5. Metalen ringen die zich aan gedode vogels bevinden worden binnen 48 uur naar het Vogeltrekstation, Postbus 50, 6700 AB Wageningen, gezonden onder vermelding van plaats en datum van het afschot, of worden gemeld via het Geautomatiseerd Ring Invoer en Export Loket (GRIEL) via de website www.griel.nl. 6. Kleurringen en halsbanden worden doorgegeven via de website www.geese.org. Artikel 6.44 Specifieke eis middelen verjagen schadeveroorzakende ganzen 1. Activiteiten die dienen voor het verjagen van grauwe gans, kolgans en brandgans met ondersteunend doding door afschot, als bedoeld in artikel 6.43 is alleen toegestaan nadat eerst een preventief akoestisch middel en een visueel middel zijn ingezet conform de voorwaarden voor effectief gebruik die zijn opgenomen in de Faunaschade Preventie Kit, module ganzen. 2. De grauwe gans, kolgans en brandgans mogen alleen worden gedood met een hagelgeweer of kogelgeweer. 3. Er wordt geen gebruik gemaakt van lokmiddelen.

Artikel 6.45 Specifieke gegevens en bescheiden schadebestrijding ganzen Uiterlijk twee weken na het verrichten van een activiteit, bedoeld in artikel 6.43, worden de resultaten hiervan gerapporteerd aan gedeputeerde staten. De rapportage bevat tenminste: [ PM ] Artikel 6.46 Geen schadebestrijding bij bijzondere weersomstandigheden Gedeputeerde staten kunnen de werking van de artikelen 6.42 tot en met 6.44 opschorten als weersomstandigheden daar naar hun oordeel aanleiding toe geven. Artikel 6.47 Verbod opzettelijke verstoring ganzen in ganzenrustgebied Het is verboden in Ganzenrustgebied: a. schadeveroorzakende ganzen opzettelijk te verstoren en verjagingsactiviteiten met ondersteunend doding door afschot te ondernemen; 64

b. c. d.

de foerageerfunctie van het gebied opzettelijk teniet te doen; jacht, beheer en schadebestrijding te verrichten tot 12:00 uur, met uitzondering van jacht maximaal drie dagen per jachtveld per seizoen, mits deze acties niet in hetzelfde gebied plaatsvinden en een afstand in acht wordt genomen van minimaal 300 meter tot groepen foeragerende ganzen van minimaal 100 stuks; en jacht, beheer en schadebestrijding te verrichten vanaf 12:00, mits een afstand in acht wordt genomen van minimaal 300 meter tot groepen foeragerende ganzen van minimaal 100 stuks.

6.4.2.2 (sub paragraaf) Vrijstelling voor veldmuis Artikel 6.48 Meldplicht vergunningvrije bestrijding veldmuis 1. Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het doden, vangen, verstoren of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de veldmuis, als deze activiteiten plaatsvinden door of in opdracht van de grondgebruiker met als doel om schade op diens gronden of in het omringende gebied te voorkomen. 2. Het is verboden zonder melding de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, te verrichten: a. ter voorkomen van belangrijke schade aan gewassen; of b. in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. Voor de bestrijding wordt alleen gebruik gemaakt van de methode inundatie of van bestrijdingsmiddelen. 4. De melding wordt door de grondgebruiker ten minste tien dagen gedaan voordat de activiteit wordt verricht. Artikel 6.49 Specifieke vereisten melding vergunningvrije bestrijding veldmuis In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding als bedoeld in artikel 6.48 tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. locatie van de bestrijding; b. datum en tijdstip van het uitvoeren van de bestrijding; c. frequentie van de bestrijding; d. manier van de bestrijding; e. uitvoerder van de bestrijding.

6.4.2.3 (sub paragraaf) Andere vrijstellingen Artikel 6.50 Vrijstelling vergunningplicht andere soorten Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de soorten, genoemd in de bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten bij deze verordening, als de activiteit nodig is: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer van of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchtvaartterreinen, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of e. in het kader van bestendig beheer van of onderhoud aan de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Artikel 6.51 Vrijstelling bezits- en vervoersverbod en ander bevoegd gezag De verboden, bedoeld in de artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet als voor het onder zich hebben of vervoeren van de soort een vrijstelling of vergunning is verleend door een ander bevoegd gezag.

Artikel 6.52 Vrijstelling ten behoeve van bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden De verboden, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van vogels, hun nesten en eieren en hun nietvliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee. Artikel 6.53 Vrijstelling ten behoeve van veiligstellen amfibieën tegen verkeer 1. De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving en het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor amfibieën als die activiteiten plaatsvinden om deze dieren veilig te stellen tegen het verkeer. 2. Het eerste lid is alleen van toepassing op het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats.

65

Artikel 6.54 Vrijstelling vangen amfibieën voor onderzoek en onderwijs 1. Het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het verbod om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgevingen het verbod om eieren te rapen, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor de Poelkikker (Pelophyllax lessonae), voor zover die activiteit plaatsvindt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs. 2. Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen van de Meerkikker (Pelophylax ridibundus), de Middelste groene kikker (Pelophylax kl. esculentus), de Bruine kikker (Rana temporaria) en de Gewone pad (Bufo bufo), voor zover dit plaatsvindt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs. 3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor dieren waarvan de metamorfose is voltooid. Artikel 6.55 Vrijstelling bezits- en vervoersverbod braakballen, losse veren, e.d.

De verboden op het vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot voor gebruik van deze producten bij onderzoek of onderwijs. Artikel 6.56 Vrijstelling uitzetten diersoorten Het verbod op het uitzetten van dieren of eieren van dieren, bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor dieren of eieren die zijn gevangen of geraapt op grond van artikel 6.51, mits het uitzetten van soorten of hun eieren zo spoedig mogelijk plaatsvindt op een voor de soort geschikte locatie. 6.5 (afdeling) Invasieve exoten, bestrijding Aziatische duizendknoop Artikel 6.57 Specifieke zorgplicht bestrijding Aziatische duizendknoop Degene die op of in de grond activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door die activiteiten planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten kunnen worden verspreid, is verplicht om: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die verspreiding te voorkomen; b. de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel ongedaan te maken; en c. indien de verspreiding niet kan worden voorkomen, de activiteiten achterwege te laten.

Artikel 6.58 Verbod verspreiding Aziatische duizendknoop Het is verboden om planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten, door maaien, grondverzet of anderszins te verspreiden. Artikel 6.59 Meldplicht gevolgen verspreiding Aziatische duizendknoop 1. Het is verboden zonder melding maatregelen bedoeld in artikel 6.57 uit te voeren. 2. De melding wordt ten minste 10 dagen gedaan voordat de maatregelen worden uitgevoerd. 3. Gedeputeerde staten sturen de melding zo spoedig mogelijk door aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de verspreiding zich voordoet. Artikel 6.60 Maatwerkvoorschriften maatregelen Aziatische duizendknoop 1. Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de maatregelen, bedoeld in artikel 6.57. 2. Gedeputeerde staten kunnen een perceeleigenaar, gebruiker of andere zakelijk gerechtigde van grond bij maatwerkvoorschrift verplichten om de grond te ontdoen van planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten, als dit nodig is vanwege: a. het behouden en versterken van de biodiversiteit; b. niet voldaan is aan de zorgplicht die geldt op basis van artikel 6.57; of c. de maatregelen genoemd in artikel 6.57 niet worden uitgevoerd. 3. Het maatwerkvoorschrift bevat: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10388139/1