CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

5.8 Ontwerp Omgevingsverordening Provincie Utrecht 2022

Commissie Ruimte 21 september 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven51.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 7

ii. iii.

de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater; de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt; iv. de vrijkomende grond wordt niet zonder bodembeschermende maatregelen opgeslagen of verspreid over het perceel; v. indien de horizontale boring voor de aanleg van een riool is, wordt de mantelbuis voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers; e. het diepste punt van de boring; f. de lengte van de boring tussen in- en uittredepunt; g. de totale lengte van de boring; h. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.62 Specifieke vereisten melding grondwerken in boringsvrije zone In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld in artikel 3.60, eerste lid, onder a, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. doel waarvoor wordt ontgraven; d. aard van het oppervlak van de ontgraving; e. diepte tot waar wordt ontgraven in meter beneden maaiveld; f.

aard van het bodemprofiel ter plaatse; g. de wijze hoe het bodemprofiel hersteld wordt zodat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; h. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.63 Specifieke vereisten melding funderingswerken in boringsvrije zone In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld in artikel 3.60, eerste lid, onder b, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. doel waarvoor de fundering wordt geplaatst; d. de aard van de te gebruiken funderingstechniek: i. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; ii. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht, iii. schroefpalen; e. diepte tot waar de fundering kom in meters beneden maaiveld; f. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.64 Specifieke eis verwijdering van heipalen Bij verwijdering van heipalen in de Boringsvrije zones Langerak en Lexmond wordt het ontstane gat zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet.

3.3 (afdeling) Grondwaterverontreiniging 3.3.1 (paragraaf) Algemene bepaling grondwaterverontreiniging Artikel 3.65 Oogmerk grondwaterverontreiniging De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem. 3.3.2 (paragraaf) Instructieregels grondwaterverontreiniging Artikel 3.66 Instructieregel programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging 1. Een programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging is gericht op: a. het zoveel mogelijk voorkomen van de risico’s van verspreiding van verontreiniging buiten het aangewezen gebied; b. het zoveel mogelijk verminderen van de vracht van de verontreiniging; en c. de bescherming van bestaande en beoogde functies van, in en op de bodem binnen het aangewezen gebied. 2. Het programma wordt vastgesteld door gedeputeerde staten. 3. Het programma bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de doelstellingen van de gebiedsgerichte aanpak binnen het beheergebied en de maatregelen die ter verwezenlijking hiervan worden genomen; 37

b. c. d.

4. 5.

de termijn waarbinnen deze doelstellingen zullen worden verwezenlijkt; een beschrijving van de verrichte onderzoeken; de wijze waarop het plan past binnen het omgevingsplan, het regionale waterprogramma en het waterbeheerprogramma; e. een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht van de daarvoor beschikbare middelen; f. de wijze waarop belemmeringen voor een doelmatige gebiedsgerichte aanpak zullen worden weggenomen; en g. de verontreinigingen in het grondwater binnen het aangewezen gebied. In het programma wordt rekening gehouden met de gevolgen van de gebiedsgerichte aanpak voor locaties die daarvan geen onderdeel uitmaken, en worden zo nodig voorzieningen opgenomen om voor die locaties optredende gevolgen te monitoren en maatregelen om dan in te grijpen. Het programma kan betrekking hebben op gevallen van ernstige verontreiniging waarop op grond van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, van toepassing is.

3.3.3 (paragraaf) Grondwatersanering Artikel 3.67 Toepassingsbereik grondwatersanering Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van verontreinigd grondwater en op het verrichten van activiteiten met het oogmerk verontreinigd grondwater te verminderen of te verplaatsen voor zover dit niet valt onder de activiteit zoals gedefinieerd in artikel 4.1241 en 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.68 Meldplicht grondwatersanering 1. Het is verboden zonder melding verontreinigd grondwater te saneren. 2. De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht. 3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een nieuwe melding gedaan van de grondwatersanering. 4. Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over de locatie en startdatum van de grondwatersanering. 5. Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over uitvoerder en milieukundige beheerder. 6. Binnen vier weken na afronding van de activiteit wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens BRL SIKB 6000 en aan gedeputeerde staten verstrekt. 7. Gewijzigde gegevens worden onverwijld aan gedeputeerde staten verstrekt na het wijzigen van: a.

de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit; b. naam of het adres van de sanering. Artikel 3.69 Specifieke vereisten melding grondwatersanering In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld in artikel 3.68 tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een vooronderzoek bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een verkennend bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. een nader bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7d van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. een beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen en een motivering van de keuze voor deze maatregelen; e. een beschrijving van de effecten die met de maatregelen worden beoogd, waaronder een aanduiding van de terugsaneerwaarde; f. een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de maatregelen niet tot die effecten zouden leiden; g. een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting moeten worden getroffen; en h. een evaluatieverslag. Het evaluatieverslag bevat in ieder geval: i. een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit hebben voorgedaan; ii.

een beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, indien van toepassing, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit; iii. als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen; en iv. als na de activiteit nazorgmaatregelen nodig zijn: een beschrijving van deze nazorgmaatregelen. Artikel 3.70 Specifieke gegevens en bescheiden grondwatersanering 1. De gegevens en bescheiden met betrekking tot grondwatersanering bevatten tenminste: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. De gegevens en bescheiden met betrekking tot de uitvoerder en milieukundige begeleider bevatten tenminste: a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en 38

b.

de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.

Artikel 3.71 Specifieke eis uitvoering van de activiteit grondwatersanering 1. De grondwatersanering wordt zodanig verricht dat: a. het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt; en b. nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven. 2. De activiteit wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000. 3. De activiteit wordt verricht overeenkomstig de beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen, bedoeld in artikel 2.66, tweede lid, onder d. 4. Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de activiteit verricht overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in artikel 2.66, tweede lid, onder f. Artikel 3.72 Specifieke eis evaluatieverslag grondwatersanering 1. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar na de activiteit een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in het evaluatieverslag. 2. Degene die de activiteit heeft verricht, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het evaluatieverslag, is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen.

Artikel 3.73 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de artikelen 3.68 tot en met 3.72. 3.4 (afdeling) Grondverzet en rommelterrein Artikel 3.74 Oogmerk grondverzet en rommelterrein De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Artikel 3.75 Toepassingsbereik grondverzet en rommelterrein 1. Deze afdeling is in het Landelijk gebied van toepassing op het: a. storten van stoffen of inrichten van een stortplaats; b. ophogen of egaliseren van gronden; en c. inrichten of hebben van een rommelterrein. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. een rommelterrein dat in geen enkel seizoen zichtbaar is vanaf een voor het publiek zichtbare plaats; en b. stortplaatsen die zijn aangewezen in een omgevingsplan of zich bevinden in een gebouw. Artikel 3.76 Specifieke zorgplicht grondverzet en rommelterrein Degene die stort, een stortplaats inricht, gronden ophoogt of egaliseert of een rommelterrein inricht of houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen voor de belangen, bedoeld in artikel 3.74, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, b.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 3.77 Verbod rommelterrein Het is verboden in het Landelijk gebied een rommelterrein in te richten of te hebben. Artikel 3.78 Omgevingsvergunning storten, ophogen en egaliseren Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Landelijk gebied stoffen te storten, een stortplaats in te richten of gronden op te hogen of te egaliseren, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de artikelen 3.79 tot en met 3.84. Artikel 3.79 Vrijstelling activiteiten bij infrastructurele werken en werken van groot maatschappelijk belang 1. Voor het uitvoeren of onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang wordt alleen gestort, opgehoogd en geëgaliseerd als: a. de activiteiten plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek; en b. de werken zijn aangewezen in het omgevingsplan. 2. Voor onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden op bouwpercelen wordt alleen gestort, opgehoogd of geëgaliseerd als het bouwperceel is aangewezen in het omgevingsplan.

39

Artikel 3.80 Vrijstelling activiteiten bij agrarische percelen 1. Op agrarische weide- en akkerpercelen wordt alleen gestort en opgehoogd als dat nodig is voor het aanleggen van rijpaden op die percelen. 2. Op of onmiddellijk aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel wordt alleen een stortplaats of rommelterrein ingericht als dat noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Artikel 3.81 Vrijstelling activiteiten bij normaal onderhoud van oppervlaktewaterlichamen 1. Als baggerspecie vrijkomt uit normaal onderhoud van oppervlaktewaterlichamen wordt deze baggerspecie alleen gestort, geëgaliseerd en gebruikt om op te hogen als: a. losse plantenresten bovenaan het talud van het oppervlaktewaterlichaam worden neergelegd; b. het oorspronkelijke maaiveld met niet meer dan 10 centimeter wordt opgehoogd; c. de baggerspecie niet wordt gestort op gronden die in agrarisch natuurbeheer zijn; en d. de baggerspecie gelijkmatig over de oever van een perceel, dat gelegen is naast het oppervlaktewaterlichaam, wordt verspreid, waarbij aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten. 2. In het landelijk gebied buiten natuurnetwerk Nederland en Groene contour wordt alleen bagger in een baggerdepot gestort als: a.

het depot niet is of wordt aangelegd op een locatie, die in de kwaliteitsgidsen landschap van de provincie Utrecht als open of extreem open is aangeduid; b. het depot voor inklinken maximaal 1,50 meter hoog is ten opzichte van het laagste naastgelegen maaiveld; c. de kaden tenminste 2 meter uit de slootkant worden aangelegd en zowel eind juni als in november worden gemaaid; d. het perceel waarop het baggerdepot zich bevindt na ophogen, inklinken, verspreiden en egalisatie maximaal 10 hoger ligt dan het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen; en e. na inklinken, dan wel maximaal na 3 jaar na de activiteit, de bagger en de om het depot opgeworpen kaden gelijkmatig worden verspreid tot 1 meter uit de oever van het oppervlaktewaterlichaam, waarbij aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten. Artikel 3.82 Vrijstelling activiteiten bij een viaduct, ecoduct, faunapassage of planmatige inrichting en ontwikkeling van een natuurterrein of ecologische zone Voor een takkenril, stobbewal en broeihoop nabij een viaduct, ecoduct of faunapassage of planmatige inrichting en ontwikkeling van een natuurterrein of ecologische zone worden alleen grond en baggerspecie, met inbegrip van blad, takken, stobben en boomstronken gestort als: a.

de beheerder van het betrokken natuurterrein of de ecologische zone heeft ingestemd en dit is vastgelegd en verantwoord is; b. de grond en bagger een maximale hoogte van 1 meter boven het maaiveld hebben; c. de ecologische meerwaarde vanuit provinciaal of gemeentelijk beleid wordt aangetoond; d. het gestorte element onderdeel uitmaakt van een ecologische zone of daarbij aansluit; en e. uitsluitend gebiedseigen materiaal wordt gebruikt. Artikel 3.83 Vrijstelling activiteiten bij takkenwallen en takkenrillen Voor een takkenwal of takkenril, anders dan bedoeld in artikel 3.82, wordt alleen takhout gestort als: a. de wallen en rillen worden aangelegd tegen de buitenrand van een houtopstand; b. het gebruikte takhout afkomstig is van die nabije houtopstand; c. aanwezige of potentiële natuurwaarden op deze manier worden versterkt; d. de wallen en rillen aan de voet maximaal 1 meter breed zijn en een maximale hoogte van 1,50 meter hebben gemeten vanaf het maaiveld; en e. de wallen en rillen geen stobben of boomstronken bevatten. Artikel 3.84 Vrijstelling activiteiten in tuinen, parken, landgoederen of sportaccommodaties In een tuin, park, landgoed of sportaccommodatie wordt alleen grond gestort voor een wal of grondlichaam als: a.

een landschapstype dat aan de stortlocatie grenst niet wordt doorkruist of onderbroken, tenzij dit aanvaardbaar is vanuit cultuurhistorische overwegingen; b. aanwezige bomen niet in het grondlichaam komen te staan; c. de wal of het grondlichaam wordt ingepland met een gebiedseigen beplantingsmengsel; en d. de wal of het grondlichaam maximaal 2 meter breed is en een maximale hoogte heeft van 1 meter gemeten vanaf het maaiveld. Artikel 3.85 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning storten, ophogen en egaliseren In aanvulling op de algemene aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.78, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. kaart van de planlocatie; b. locatie van het werk; c. materialen die worden toegepast; 40

d. e. f. g. h. i. j.

hoeveelheid materialen die worden toegepast; herkomst van de materialen; of de grond toepasbaar is op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving; afmetingen van de werkzaamheden; permanente of tijdelijke werkzaamheden; de reden van de demping; start- en einddatum van de werkzaamheden.

Artikel 3.86 Meldplicht ophogen of egaliseren in gebruik zijnde agrarische weide- of akkerpercelen 1. Het is verboden zonder melding in gebruik zijnde agrarische weide- of akkerpercelen op te hogen of te egaliseren. 2. De melding wordt twee weken voor het begin van de activiteit gedaan. Artikel 3.87 Specifieke vereisten melding ophogen of egaliseren agrarisch gebruikte weide- of akkerpercelen In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding als bedoeld artikel 3.86 tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. kaart van de planlocatie; b. locatie van het werk; c. is de locatie binnen of buiten natuurnetwerk Nederland en Groene contour; d. welke functie de planlocatie in het omgevingsplan heeft; e. of grond, heideplagsel en/of bosstrooisel wordt gestort; f. of grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei, veen op veen; g. of bij het verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten; en h. of de percelen eens in de 5 jaar worden opgehoogd met maximaal 10 centimeter na uitvlakking. Artikel 3.88 Specifieke eis bij infrastructurele werken en werken van groot maatschappelijk belang De activiteiten bedoeld in artikel 3.85 duren niet langer dan noodzakelijk.

Artikel 3.89 Specifieke eisen in gebruik zijnde agrarische weide- of akkerpercelen 1. Bij een stortplaats of rommelterrein is het te storten of opgeslagen materiaal afkomstig uit het eigen agrarisch productieproces of bestemd voor de verwerking in dat productieproces. 2. Bij een stortplaats of rommelterrein is het aanwezige materieel benodigd voor het eigen agrarisch productieproces. 3. Op een stortplaats of rommelterrein zijn rijkuilen, sleufsilo’s en hooi- en kuilgrasbalen afgedekt of gewikkeld in plasticfolie. 4. Op een stortplaats of rommelterrein ligt niet meer dan één hoop grond van maximaal 50 m3. 5. Voor het ophogen en egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen binnen het landelijk gebied buiten natuurnetwerk Nederland en Groene contour geldt dat: a. alleen grond, heideplagsel en bosstrooisel wordt gestort; b. grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei en veen op veen; c. bij verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten; en d. de opgehoogde percelen na inklinking van de opgebrachte laag niet meer dan 10 centimeter hoger liggen ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen. 6.

Het ophogen of egaliseren van in gebruik zijnde akker- of weidepercelen wordt binnen vier weken na aanvang afgerond. 3.5 (afdeling) Gesloten stortplaats Artikel 3.90 Oogmerk gesloten stortplaats De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu. Artikel 3.91 Toepassingsbereik gesloten stortplaats Deze afdeling is van toepassing op activiteiten op een gesloten stortplaats. Artikel 3.92 Omgevingsvergunning activiteiten op gesloten stortplaats Het is op een gesloten stortplaats verboden zonder omgevingsvergunning: a. een bouwactiviteit te verrichten; b. een milieubelastende activiteit te verrichten; of c. een boom of houtopstand te kappen. Artikel 3.93 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gesloten stortplaats De omgevingsvergunning voor een activiteit op een gesloten stortplaats wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:

41

a. b. c.

er worden maatregelen genomen die strekken tot het in stand houden en onderhouden, het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem; voorzieningen ter bescherming van de bodem worden regelmatig geïnspecteerd; en de bodem onder de stortplaats wordt regelmatig onderzocht.

Artikel 3.94 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning gesloten stortplaats In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld artikel 3.92 tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een beschrijving van de activiteit; a. een tekening met de locatie van de uit te voeren activiteit; en b. een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om beschadiging van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te voorkomen. Artikel 3.95 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaats Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt op een gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang.

42

4. (hoofdstuk) Bereikbaarheid en mobiliteit 4.1 (afdeling) Bereikbaarheid Artikel 4.1 Instructieregel bereikbaarheid 1. Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkelingen tot gevolg hebben; b. een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerwijzen; c. een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen kunnen ontstaan; en d. een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen verslechtert en of de reistijd significant toeneemt. 3. Indien uit de analyse blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, wordt een mobiliteitstoets als bedoeld in de bijlage XIV Mobiliteitstoets bij deze verordening uitgevoerd. Binnen deze mobiliteitstoets worden mogelijke oplossingen voor de geconstateerde knelpunten uitgewerkt, waarbij ook realisatie en financiering van deze maatregelen aan bod komen. Artikel 4.2 Instructieregel behoud provinciale OV-netwerk 1.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die het Provinciaal OV-netwerk belemmeren, wordt het belang van de instandhouding en uitbreiding van het provinciaal OV-netwerk in acht genomen. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop het provinciale OVnetwerk in acht is genomen. Artikel 4.3 Instructieregel behoud provinciaal bereikbaarheidsnetwerk 1. Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die het Provinciaal bereikbaarheidsnetwerk belemmeren, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van het provinciaal bereikbaarheidsnetwerk. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening gehouden is met het Provinciaal bereikbaarheidsnetwerk. Artikel 4.4 Instructieregel behoud regionaal fietsnetwerk 1. Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die het Regionaal fietsnetwerk belemmeren, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van dit regionaal fietsnetwerk. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening gehouden is met het regionaal fietsnetwerk. 4.2 (afdeling) Provinciale weg 4.2.1 (paragraaf) Algemene bepalingen provinciale weg Artikel 4.5 Oogmerk provinciale weg 1.

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg behoort. 2. Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de provinciale weg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden; b. het beschermen van ecologische waarden en natuur; c. het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden; en d. het beschermen van recreatieve en toeristische belangen. Artikel 4.6 Aanwijzing provinciale weg Een provinciale weg bestaat uit: a. het Beperkingengebied bouwwerken provinciale weg; b. het Beperkingengebied vrij zicht provinciale weg; en c. het Beperkingengebied beheer provinciale weg.

43

4.2.2 (paragraaf) Instructieregels provinciale weg Artikel 4.7 Instructieregel bouwwerken bij provinciale weg 1. Voor zover een omgevingsplan voorziet in het realiseren of wijzigen van bouwwerken binnen het Beperkingengebied bouwwerken provinciale weg, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de provinciale weg. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de instandhouding en uitbreiding van de provinciale weg. 4.2.3 (paragraaf) Regels over activiteiten provinciale weg 4.2.3.1 (sub paragraaf) Algemene bepalingen activiteiten provinciale weg Artikel 4.8 Toepassingsbereik provinciale weg 1. Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied vrij zicht provinciale weg en het Beperkingengebied beheer provinciale weg die nadelig zijn voor de belangen, bedoeld in artikel 4.5. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg. Artikel 4.9 Specifieke zorgplicht provinciale weg 1.

Degene die een activiteit in het Beperkingengebied vrij zicht provinciale weg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.5, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van wegen wordt verzekerd; b. het gebruik van de weg, in overeenstemming met haar bestemming als openbare weg, wordt verzekerd; c. het vrije zicht niet wordt beperkt; d. werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hieruit geen schade voor de weg kan ontstaan; e. geen vaste stoffen of voorwerpen worden gedeponeerd, anders dan bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen; f. het Beperkingengebied beheer provinciale weg niet wordt verontreinigd met hinderlijke of schadelijke vaste stoffen, hinderlijke of schadelijke vloeistoffen, en hinderlijke of schadelijke voorwerpen of met beplantingsresten; g.

beplanting in een zodanige conditie wordt gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor de weggebruikers en geen schade veroorzaakt aan de weg; h. borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame en licht- of geluidgevende voorzieningen op een zodanige plaats of wijze worden aangebracht dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht; i. bermsloten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg alleen worden gedempt, afgedamd of de afvoercapaciteit daarvan gewijzigd door of namens de wegbeheerder; j. aanleg of wijziging van de provinciale weg alleen geschiedt door of namens de wegbeheerder; en k. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet. Artikel 4.10 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteit provinciale weg algemeen In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van deze paragraaf tenminste de volgende de gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de activiteit plaatsvindt op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop de activiteit wordt begonnen; en c. de duur van de activiteit. Artikel 4.11 Specifieke eis verwijderen of verleggen van werk en object 1.

Met het oog op het belang van aanleg, verruiming of wijziging van een provinciale weg worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning op grond van deze paragraaf is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de aanleg, verruiming of wijziging van die weg door of namens de wegbeheerder. 2. Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast. 44

Artikel 4.12 Specifieke eis uitsteken van beplanting 1. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg steekt beplanting boven het Beperkingengebied beheer provinciale weg niet lager dan 4,50 meter boven de verkeersbanen en fietspaden uit en niet lager dan 3 meter boven voetpaden uit. 2. In aanvulling op artikel 1.5 geldt het eerste lid ook voor de rechthebbenden op de beplanting. 4.2.3.2 (sub paragraaf) Activiteiten uitweg bij provinciale weg Artikel 4.13 Omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg: a. het hebben of maken van een uitweg naar de provinciale weg; b. het maken van wijzigingen aan een bestaande uitweg naar de provinciale weg; c. het veranderen van het gebruik van een bestaande uitweg naar de provinciale weg van particulier naar bedrijfsmatig gebruik; en d. het intensiveren van het gebruik van een bedrijfsmatige uitweg. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op verkooppunten als bedoeld in artikel 4.33. Artikel 4.14 Beoordelingsregel omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. de uitweg kan worden aangesloten op een parallelweg of op een weg van een gemeente, een waterschap of op een andere weg van lagere orde; b.

de aanvraag betrekking heeft op een tweede uitweg van het perceel, tenzij een tweede uitweg in het belang van de verkeersveiligheid noodzakelijk is; c. de uitweg wordt aangesloten op een stroomweg; d. de uitweg wordt aangelegd op minder dan 50 meter van bochten, kruispunten, splitsingen, rotondes of verkeersregelinstallaties; e. de verkeersveiligheid door de verkeersaantrekkende werking van het gebruik van het te ontsluiten perceel onevenredig wordt aangetast. Artikel 4.15 Beoordelingsregel omgevingsvergunning tijdelijke uitweg bij provinciale weg Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een tijdelijke uitweg wordt, aanvullend op artikel 4.14, in ieder geval geweigerd indien: a. de uitweg niet noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard; en b. het werkverkeer kan worden ontsloten via een bestaande uitweg. Artikel 4.16 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg In aanvulling op het in artikel 4.10 bepaalde wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.13, aangegeven of er obstakels zijn die voor de beoogde aanleg of wijziging van de uitweg verwijderd moeten te worden.

Artikel 4.17 Specifieke eis uitvoering en onderhoud uitwegen Uit oogpunt van verkeersveiligheid, doorstroming en een uniforme inrichting van de provinciale weg bepalen gedeputeerde staten in de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een uitweg zoals bedoeld in artikel 4.13 dat: a. de aanleg en het onderhoud van de uitweg in het beperkingengebied beheer provinciale wegen door of in opdracht van de provincie wordt uitgevoerd; en b. een financiële vergoeding verschuldigd is voor de in het eerste lid van artikel 4.13 genoemde aanleg en onderhoud. 4.2.3.3 (sub paragraaf) Activiteiten kabels, leidingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken Artikel 4.18 Omgevingsvergunning kabels, leidingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en ander werken Het is verboden zonder omgevingsvergunning kabels, leidingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, tenzij een meldplicht geldt. Artikel 4.19 Beoordelingsregel omgevingsvergunningen kabels, leidingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien er een aanmerkelijke kans bestaat op schade of aantasting van het veilig en doelmatig gebruik van een weg.

Artikel 4.20 Intrekking of wijziging van omgevingsvergunning kabels en leidingen Een omgevingsvergunning voor kabels of leidingen op grond van artikel 4.18 kan ingetrokken of gewijzigd worden indien:

45

a. b.

een kabel of leiding of een deel daarvan, moet worden verlegd als gevolg van werkzaamheden van de provincie of derden, en er geen ruimte is om de kabel of leiding te laten liggen of terug te plaatsen; de vergunninghouder niet voldoet aan het verzoek tot het nemen van maatregelen of het doen van aanpassingen, die nodig zijn voor de realisering van provinciale infrastructurele maatregelen of voor de uitvoering van beheer en onderhoud.

Artikel 4.21 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning kabels, leidingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen, tenminste de gegevens en bescheiden overeenkomstig de vereisten als bedoeld in artikel 4.26. Artikel 4.22 Meldplicht lasgaten en huisaansluitingen 1. Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg lasgaten en huisaansluitingen voor de watervoorziening, de energievoorziening of de telecommunicatie te hebben, leggen of wijzigen als daarvoor geen verhardingen van de weg worden opgebroken of gekruist. 2. De melding wordt ten minste drie weken en ten hoogste twee maanden gedaan voordat de activiteit wordt verricht. 3. Ten minste drie weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gemelde gegevens, wordt een nieuwe melding gedaan. 4. De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond. 5. De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Specifieke eisen kabels en leidingen bij deze verordening.

Artikel 4.23 Meldplicht telecom en laag- of middenspanning elektriciteit kabels en leidingen 1. Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg de volgende activiteit te verrichten: a. het aanleggen, plaatsen, in stand te houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen in de zin van de Telecommunicatiewet of laag- en middenspanning elektriciteitskabels, met inbegrip van: b. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; en c. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen. 2. De melding wordt ten minste vier weken en ten hoogste twee maanden gedaan voordat de activiteit wordt verricht. 3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gemelde gegevens, wordt een nieuwe melding gedaan. 4. De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond. 5. De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Specifieke eisen kabels en leidingen. Artikel 4.24 Meldplicht gedenkteken 1. Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een gedenkteken te plaatsen. 2.

Het gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval wordt onder voorwaarden door de provincie ter beschikking gesteld en wordt alleen in overleg met de directe nabestaanden geplaatst. Artikel 4.25 Specifieke vereisten melding lasgaten en huisaansluitingen Een melding bevat naast de in artikel 1.12 gevraagde gegevens een tekening met wegnummer en hectometrering van de beoogde ligging van de lasgaten en huisaansluitingen. Artikel 4.26 Specifieke vereisten melding telecom en laag- of middenspanning elektriciteit kabels en leidingen In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding: i. een beschrijving van de soort kabel of leiding; ii. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding; iii. de kilometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding op tekening; iv. als een gestuurde boring wordt gebruikt: een boorplan; en v. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering; b. voor het in stand houden van een kabel of leiding: i. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en ii. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening; en c.

voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding: 46

i. ii.

een beschrijving van de wijze van verwijderen; en de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening.

Artikel 4.27 Specifieke vereisten melding gedenkteken [Gereserveerd] 4.2.3.4 (sub paragraaf) Activiteiten borden en vergelijkbare objecten Artikel 4.28 Omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame, kunstuitingen, licht- of geluidgevende voorzieningen of vergelijkbare objecten te hebben, plaatsen of wijzigen in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, tenzij een meldplicht geldt. 2. Het verbod geldt niet voor verkeerstekens en onderborden als bedoeld in artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994 Artikel 4.29 Beoordelingsregel omgevingsvergunningen borden en vergelijkbare objecten Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. niet voldaan wordt aan artikel 4.9, tweede lid, sub h; b. er sprake is van commerciële aanduidingen; c. het object in zichthoeken komt te staan; d. het object botsgevaarlijk is; e. het object bevestigd wordt aan wegmeubilair. Artikel 4.30 Beoordelingsregel omgevingsvergunningen borden en vergelijkbare objecten ter aanduiding van objecten en terreinen Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor borden of vergelijkbare objecten ter aanduiding van objecten en terreinen, al dan niet met een toeristisch karakter, wordt, aanvullend op artikel 4.29, in ieder geval geweigerd indien: a.

er op basis van de algemene geografische bewegwijzering kan worden gereden naar een geografische bestemming waar het terrein of object is gelegen of waarmee het terrein of object wordt geassocieerd; b. hiermee de verkeersveilige afwikkeling en doorstroming van het verkeer gehinderd wordt. Artikel 4.31 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bord of vergelijkbaar object, bedoeld in artikel 4.28, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn. Artikel 4.32 Meldplicht borden, tijdelijke verwijsborden en vergelijkbare objecten 1. Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale wegen: a. borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame, kunstuitingen, licht- of geluidgevende voorzieningen of vergelijkbare objecten te hebben, plaatsen of wijzigen buiten het Gebied landschappelijke waarden; en b. tijdelijke verwijsborden, kort voor en tijdens een evenement te plaatsen. 2. De melding wordt ten minste twee weken voor het begin ervan gedaan. 3.

De in het eerste lid genoemde objecten moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 4.29. Artikel 4.33 Specifieke vereisten melding tijdelijke verwijsborden, borden en vergelijkbare objecten Bij een melding voor een tijdelijk verwijsbord, een bord of vergelijkbaar object, bedoeld in artikel 4.32, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn. 4.2.3.5 (sub paragraaf) Activiteiten standplaats en verkooppunt Artikel 4.34 Omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg: a. een standplaats voor handel of bedrijf in te nemen en te hebben; en b. een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen in te richten en te hebben.

47

Artikel 4.35 Beoordelingsregel omgevingsvergunningen standplaats en verkooppunt Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. er een aanmerkelijke kans bestaat op overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer en de omgeving; b. toestemming van de desbetreffende gemeente ontbreekt. Artikel 4.36 Beoordelingsregel omgevingsvergunningen standplaats en verkooppunt op carpoolplaats Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een standplaats of verkooppunt op een carpoolplaats wordt, aanvullend op artikel 4.35 in ieder geval geweigerd indien: a. op de carpoolplaats op hetzelfde tijdstip al een standplaats of verkoopplaats van de betreffende productgroep vergund is; b. onvoldoende parkeerruimte overblijft. Artikel 4.37 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt In aanvulling op het in artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.34, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. omschrijving van de aanleiding, doelstelling en doelgroep van de standplaats of verkooppunt; b. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een duurzame opzet van de standplaats of verkooppunt; c. de wijze waarop het terrein zal worden schoongehouden; d. de wijze waarop zorg wordt gedragen voor toezicht en sociale veiligheid; e.

de vereiste diploma's voor en de opgedane ervaring met het exploiteren van een standplaats of verkooppunt; f. indien van toepassing: de wijze waarop een energievoorziening wordt gerealiseerd; en g. indien van toepassing: de wijze waarop de standplaats of verkooppunt wordt gepromoot. 4.2.3.6 (sub paragraaf) Activiteiten evenement Artikel 4.38 Omgevingsvergunning evenement Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een evenement te houden waarbij de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid op de provinciale weg worden belemmerd. Artikel 4.39 Beoordelingsregel omgevingsvergunningen evenement 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een evenement wordt in ieder geval geweigerd indien: a. een evenement onaanvaardbare verstoring van of schade aan natuur en landschap tot gevolg zou hebben. De route van een evenement ligt buiten het natuurnetwerk Nederland en voldaan moet worden aan het bepaalde in paragraaf 9.4.2 (regels over activiteiten Stiltegebied); b. een evenement plaatsvindt op dagen waarop door bijzondere gebeurtenissen of omstandigheden extra verkeersdrukte verwacht kan worden; c. de bereikbaarheid van het verkeer, waaronder het openbaar vervoer en hulpdiensten, en de verkeersveiligheid onvoldoende geborgd zijn; d.

de politie of hulpdiensten negatief adviseren over de gevolgen van het evenement voor het gebruik van en de veiligheid op de provinciale weg. 2. Indien voor dezelfde datum meerdere evenementen aangevraagd worden die gelijktijdig plaatsvinden en die in verband met situering, schaalgrootte en verkeersaantrekkende werking niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden geldt de volgende rangorde: a. internationale evenementen; b. nationale evenementen; c. regionale evenementen; d. lokale evenementen. Artikel 4.40 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning evenement In aanvulling op het in artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.38, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam en Kamer van Koophandel inschrijving van de vereniging die het evenement organiseert; b. een kopie van de verzekeringspolis waaruit blijkt dat de organisatie verzekerd is tegen de wettelijke aansprakelijkheid voor schade, die uit het (organiseren van) het evenement kan voortvloeien; c. de doelgroep van het evenement; d. het verwachte aantal deelnemers; e. het verwachte aantal bezoekers; f. een indicatie van vanwaar de bezoekers afkomstig zijn (plaatselijk, regionaal, landelijk of internationaal); g. het aantal volgauto’s indien van toepassing; h. de te treffen verkeersmaatregelen: i. de benodigde afsluitingen van de wegen; ii.

de benodigde en geregelde parkeergelegenheid; iii. de benodigde en geregelde fietsenstallingen; iv. Indien van toepassing: De benodigde omleidingen van het openbaar vervoer en het overige verkeer; i. de organisatie die de verkeersmaatregelen uitvoert; j. het aantal, de soort en de plaats waar objecten zoals podia, kramen en tenten worden geplaatst; 48

k.

een topografische kaart waarop de plaats van het evenement is aangegeven of waarop de gehele route van het evenement is aangegeven, inclusief rijrichting en eventuele controleposten; l. indien van toepassing: Een routebeschrijving, met tijdschema, waarin alle wegen die binnen de provincie Utrecht bereden worden staan vermeld, evenals de gemeenten waarbinnen ze gelegen zijn. Bij provincie overschrijdende evenementen moeten ook de wegen in de andere provincie vermeld worden; m. een verklaring waaruit blijkt dat de gemeentelijke overheid bereid is medewerking te verlenen aan het te houden evenement; n. een verklaring waaruit blijkt dat er overeenstemming is met betrokken wegbeheerders over de eventuele omleidingsroutes; o. een verklaring van de beheerder(s) van in de route opgenomen onverharde weggedeelten of eigen wegen, dat tegen het berijden daarvan geen bezwaren bestaan, dan wel een verklaring van de organisatie dat bedoelde verklaring van geen bedenkingen mondeling is verkregen; en p. de wijze waarop de belangen van aanwonenden zijn meegenomen. Artikel 4.41 Meldplicht tijdelijk verwijsbord evenement 1. Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg tijdelijke verwijsborden kort voor en tijdens een evenement te plaatsen. De melding wordt ten minste twee weken voor het begin van het evenement gedaan. 2.

Tijdelijke verwijsborden moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 4.29 Beoordelingsregel omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten. Artikel 4.42 Specifieke vereisten melding tijdelijk verwijsbord evenement Bij een melding voor een tijdelijk verwijsbord, bedoeld in artikel 4.41, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn. Artikel 4.43 Specifieke eis tijdelijk verwijsbord evenement 1. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg zijn tijdelijke verwijsborden alleen kort vóór en tijdens een evenement aanwezig. 2. De borden zijn niet groter dan 1 meter bij 1 meter. 3. De borden worden binnen 24 uur na afloop van het evenement verwijderd. 4. Er worden niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie aangebracht. 5. De borden worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van ten minste 2,5 meter uit de kant van de verharding.

4.3 (afdeling) Lokale spoorweg 4.3.1 (paragraaf) Algemene bepalingen lokale spoorweg Artikel 4.44 Oogmerk Lokale spoorweg De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg behoort. Artikel 4.45 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg Het Beperkingengebied lokale spoorweg bestaat uit: a. de Kernzone lokale spoorweg; en b. de Beschermingszone lokale spoorweg. 4.3.2 (paragraaf) Instructieregels lokale spoorweg Artikel 4.46 Instructieregel beperkingengebied lokale spoorweg Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Beperkingengebied lokale spoorweg laat: a. geen nieuwe gebouwen toe; en b. geen wijziging van de functie van gebouwen toe die de hinder van geluid, trillingen, elektromagnetische straling of emissies van koper- of ijzerslijpsel, veroorzaakt door de lokale spoorweg, doen toenemen. Artikel 4.47 Beoordelingsregel ontheffing beperkingengebied lokale spoorweg 1. Ontheffing van artikel 4.46 kan alleen worden verleend, als maatregelen worden genomen om de hinder van geluid, trillingen, elektromagnetische straling of emissies van koper- of ijzerslijpsel, veroorzaakt door de lokale spoorweg, nu en in de toekomst te voorkomen. 2.

Ontheffing van artikel 4.46 wordt niet verleend voor bestaande gebouwen die getransformeerd worden tot geluidgevoelige gebouwen waarvan de binnenwaarde hoger is dan 33 dB.

49

4.3.3 (paragraaf) Regels over activiteiten lokale spoorweg Artikel 4.48 Toepassingsbereik lokale spoorweg Deze paragraaf gaat over activiteiten in het beperkingengebied lokale spoorweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.44. Artikel 4.49 Vrijstelling vergunningplicht beschermingszone lokale spoorweg Het verbod, bedoeld in artikel 9.48, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een activiteit in een beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg te verrichten, geldt niet voor activiteiten in de Beschermingszone lokale spoorweg, met uitzondering van: a. het bouwen en in stand houden van bouwwerken en het plaatsen en behouden van objecten, met inbegrip van bomen, met een hoogte die groter is dan de kortste afstand van het bouwwerk of object tot de bovenleiding; b. het planten en behouden van bomen waarvan de kroon binnen een afstand van 5 meter vanaf de bovenleiding kan groeien; c. het gebruiken van een ladder, hijskraan of hoogwerker met een hoogte die groter is dan de kortste afstand van de locatie waar de hijskraan of hoogwerker wordt gebruikt tot de bovenleiding; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden; e. het uitvoeren van graafwerkzaamheden met een diepte van meer dan 1/10 van de afstand tot buitenste spoorstaaf; f. het onttrekken van grondwater; en g.

andere activiteiten die van invloed zijn op het lokale spoor. Artikel 4.50 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning lokale spoorweg In aanvulling op paragraaf 7.1.7 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een werkplan waarin wordt beschreven hoe de activiteit wordt verricht, inclusief RI&E. De punten f t/m k kunnen ook onderdeel zijn van het werkplan; b. een beschrijving van de locatie en de inrichting van het werkterrein waarop in ieder geval is aangegeven de locatie van bouwketen, werkmaterieel inclusief draaicirkels en (werk)hoogte, opslagtanks en aan- en afvoerwegen; c. een omschrijving van de gevolgen van de werkzaamheden voor de toegankelijkheid, de veiligheid en het doelmatig gebruik van de spoorweginfrastructuur; d. een Veiligheid & Gezondheid plan Uitvoeringsfase (V&G U-plan) conform het Kader Werkzaamheden Tramweg (KWT); e. een uitvoeringsplan waarin wordt aangetoond dat de baan veilig berijdbaar is tijdens en na de werkzaamheden en indien van toepassing een Plan Veilige Berijdbaarheid; f. een werktekening met diepteligging onder trambaan, route en diameter of diameters van te boren of persen leidingen) en een kraterberekening indien van toepassing; en g. een monitoringsplan als graaf-, hei- of bronneringswerkzaamheden worden verricht.

4.4 (afdeling) Vaarweg 4.4.1 (paragraaf) Algemene bepaling vaarweg Artikel 4.51 Oogmerk vaarweg 1. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de instandhouding en de bruikbaarheid van vaarwegen en de bijbehorende werken; en b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op vaarwegen. 2. Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de vaarweg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden; en b. de natuurbescherming. 4.4.2 (paragraaf) Algemene bepalingen vaarwegbeheer Artikel 4.52 Toedeling vaarwegbeheer 1. De provincie Utrecht is belast met het vaarwegbeheer van de Vaarweg in beheer bij provincie Utrecht, bedoeld in lijst A van bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, onder de nummers 1 tot en met 4 opgenomen regionale wateren en sluizen. 2. Het vaarwegbeheer van Vaarweg niet in beheer bij provincie Utrecht, bedoeld in lijst A van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, onder de nummers 5 tot en met 13 opgenomen regionale wateren en sluizen, wordt uitgevoerd door de deze lijst aangegeven bestuursorganen. 3.

Met het vaarwegbeheer van de in lijst B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, opgenomen regionale wateren en sluizen zijn belast de op de betreffende lijst aangegeven bestuursorganen. 4. Het nautisch beheer van de in lijst A, B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, opgenomen regionale wateren en sluizen ligt bij het op de betreffende lijst aangegeven bestuursorgaan. 50

Artikel 4.53 Vaarwegonderhoud door vaarwegbeheerder 1. De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg. Het onderhoud omvat: a. het behouden of realiseren van de vaarwegdiepte en vaarweghoogte, zoals vastgesteld in het Besluit minimaal benodigde doorvaarthoogten en het Besluit minimaal benodigde vaarwegdiepten; b. het in goede staat houden of brengen van oevers, oevervoorzieningen en kunstwerken; en c. het schoonhouden van de vaarweg. 2. Ontheffing van het realiseren van de vaarweghoogte wordt alleen verleend als bij de bouw van een vaste brug redelijkerwijs niet aan die vaarweghoogte kan worden voldaan. Artikel 4.54 Bediening bruggen en sluizen De vaarwegbeheerder draagt er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden. Artikel 4.55 Verhaalplicht 1. Schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen worden op aanwijzing van de vaarwegbeheerder verhaald, als onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt. 2. Behoudens in spoedgevallen wordt de zakelijk gerechtigde of de gebruiker van een schip, een samenstel van schepen of van een drijvend voorwerp ruimschoots van tevoren door de vaarwegbeheerder schriftelijk in kennis gesteld van de te verrichten onderhoudswerkzaamheden aan een vaarweg of bijbehorend werk.

4.4.3 (paragraaf) Regels over activiteiten vaarweg Artikel 4.56 Toepassingsbereik vaarweg Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied vaarweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.51. Artikel 4.57 Specifieke zorgplicht vaarweg 1. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.51, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. geen stoffen of voorwerpen in het Beperkingengebied vaarweg worden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer; b. houtopstand zo wordt onderhouden dat geen hinder voor de scheepvaart wordt veroorzaakt; en c. bij het verrichten van activiteiten geen belemmering of hinder voor de scheepvaart wordt veroorzaakt. Artikel 4.58 Omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied vaarweg de volgende activiteiten te verrichten: a. het veranderen van de loop of de vaarwegdiepte van de vaarweg; b. het aanbrengen, hebben, veranderen of verwijderen van werken of objecten; en c. het aanbrengen, hebben of veranderen van een ligplaats of afmeervoorziening. 2. Het verbod geldt niet voor activiteiten door of namens de provincie in het kader van het vaarwegbeheer. Artikel 4.59 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg [Gereserveerd] Artikel 4.60 Intrekking omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning intrekken, als de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd. 4.4.4 (paragraaf) Regels over activiteiten vaarweg varend ontgassen Artikel 4.61 Verbod ontgassen 1. Het is de vervoerder en de schipper in het gebied Verbod varend ontgassen verboden een ladingtank met restladingdampen van de volgende stoffen vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen: a. benzeen (UN-nummer 1114); b. ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267); c. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); d. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); e. brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993; en 51

2.

f. koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295). Van een restladingladingsdamp als bedoeld het eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10388139/1