5.8 Ontwerp Omgevingsverordening Provincie Utrecht 2022
Tekst van het document
is gedurende het badseizoen verantwoordelijk voor een veilige en hygiënische zwemlocatie; b. treft maatregelen op grond van de resultaten van het jaarlijkse, conform de Handreiking fysieke veiligheid zwemmers in oppervlaktewater door of namens gedeputeerde staten uitgevoerde, veiligheidsonderzoek om de veiligheid te waarborgen of te verbeteren; c. draagt er zorg voor dat de maatregelen worden getroffen op basis van het zwemwaterprofiel die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend; d. voert periodiek voldoende beheer en onderhoud uit gericht op de veiligheid en hygiëne voor de bezoekers; e. draagt er zorg voor dat maatregelen worden genomen, die redelijkerwijs tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend, als er naar aanleiding van de monitoring uitgevoerd door de waterbeheerder van het oppervlaktewater zwemwaterverontreinigingen worden vastgesteld; f. voert periodiek voldoende onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemwaterlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van de bezoekers; g. draagt zorg voor adequate sanitaire voorzieningen voor de bezoekers;
22
h. i. j. k.
draagt er zorg voor door middel van afbakening van een veilige zwemzone dat bezoekers veilig kunnen zwemmen en niet in aanraking kunnen komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de bezoekers in gevaar kunnen brengen; duldt, op aangeven van de provincie, en met het oog op gevaren voor de veiligheid en hygiëne van de bezoekers, tekens bij de zwemlocatie om bezoekers te informeren over een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod; houdt voldoende toezicht op de veiligheid van de zwemmers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor het publiek, voor die locaties waar entree wordt geheven aan de bezoekers voor het gebruik van de zwemlocatie; en stelt bij onverwachte situaties die negatieve gevolgen kunnen hebben op de kwaliteit van het zwemwater of de gezondheid en veiligheid van de zwemmers de provincie zo snel mogelijk hiervan op de hoogte.
2.3.2 (paragraaf) Activiteiten met woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats 2.3.2.1 (sub paragraaf) Algemene bepaling woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats Artikel 2.28 Oogmerk woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. 2.3.2.2 (sub paragraaf) Activiteiten met woonschip Artikel 2.29 Toepassingsbereik woonschip Deze sub paragraaf is van toepassing op activiteiten met woonschepen in het Gebied ligplaatsen. Artikel 2.30 Omgevingsvergunning woonschip 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonschip ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, anderszins in het water te plaatsen of te houden. 2. Het is verboden om bij een woonschip een aanlegplaats en daarmee verband houdende oever- en afmeervoorzieningen te maken of te hebben, als: a. het woonschip in strijd met het eerste lid is afgemeerd; b. voor het woonschip een omgevingsvergunning met oeverbeleid geldt; of c. voor het woonschip een voorschrift als bedoeld in artikel 2.32, zesde lid, aan de omgevingsvergunning is verbonden.
Artikel 2.31 Vrijstelling woonschip Het verbod, bedoeld in artikel 2.30, eerste lid, geldt, met uitzondering van woonschepen waarvoor een omgevingsvergunning geldt op basis van type- of oeverbeleid, niet voor: a. een woonschip bij een lig- en aanlegplaats, die als zodanig in een omgevingsplan is aangewezen, als: i. dat omgevingsplan voldoet aan artikel 9.4; of ii. een woonschip voldoet aan de maximale maatvoering, bedoeld in artikel 2.32, tweede lid, onder a; en b. één woonschip in een jacht- of bedrijfshaven, dat daar in gebruik is als verenigingsaccommodatie. Artikel 2.32 Beoordelingsregel omgevingsvergunning woonschip 1. De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.30, eerste lid, wordt alleen verleend voor: a. een woonschip op een ligplaats, waarvoor op de datum van inwerkingtreding van deze verordening al een ontheffing gold op grond van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011 of de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017; of b. een woonschip op een ligplaats die als zodanig in een omgevingsplan is aangewezen. 2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a.
de lengte, breedte en hoogte van een woonschip, met inbegrip van een eventueel in het verlengde van de lengterichting van het woonschip, dan wel aan de waterzijde van het woonschip, aangelegd terras, respectievelijk ten hoogste 30 meter, 6 meter en 4 meter zijn; b. de onderlinge afstand tussen twee woonschepen tenminste 5 meter bedraagt; en c. bij woonschepen in een uiterwaard: de aanlegplaats op de oever minimale voorzieningen heeft en het woonschip het uiterlijk heeft van een varend voormalig binnenvaartschip. 3. De maten worden gemeten waar zij, met inbegrip van al hetgeen vast aan het woonschip verbonden is, boven of onder water het grootst zijn en de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn. 4. Bij het vaststellen van de maten blijven stuurhutten, masten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen buiten beschouwing. 5. Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van het tweede lid. 6. Gedeputeerde staten kunnen aan een omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat deze na afloop van de geldigheidsduur niet meer zal worden verleend aan dezelfde of een andere vergunninghouder of voor hetzelfde of een ander woonschip. 7. Bij de toepassing van het eerste tot en met zesde lid kunnen gedeputeerde staten het type- of oeverbeleid betrekken. 23
8.
Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of een andere toepasselijke waterbeheerder, zijn adviseur voor de omgevingsvergunning, tenzij de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op eigendomsoverdracht van een bestaande omgevingsvergunning of verlenging van de periode waarvoor omgevingsvergunning is verleend.
Artikel 2.33 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning woonschip In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.30, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam van het woonschip; b. lengte van het woonschip in centimeters; c. breedte van het woonschip in centimeters; d. hoogte van het woonschip vanaf de waterspiegel tot het plat dak of goothoogte in combinatie met nokhoogte in centimeters; e. kenmerk van het gemeentelijk bestemmingsplan waarin de ligplaats is geregeld; f. een tekening in A4-formaat op schaal met daarop het woonschip, de ligplaats en eventuele afmeervoorzieningen zoals steigers, vlonders en afmeerpalen; g. de reden voor de aanvraag: i. verlenging van een bestaande omgevingsvergunning; ii. wijziging van de tenaamstelling van de omgevingsvergunning; iii. vervanging van het woonschip; iv. verbouwing van het woonschip; v. nieuwe ligplaats; h. en indien van toepassing: het kenmerk van een eerder verleende omgevingsvergunning of een eerder verleende provinciale ontheffing. Artikel 2.34 Verzoek omgevingsvergunning op naam van ander De houder van een omgevingsvergunning kan gedeputeerde staten verzoeken de omgevingsvergunning: a. op naam van een ander te stellen; of b. te verlenen voor een vervangend woonschip op dezelfde locatie.
2.3.2.3 (sub paragraaf) Activiteiten met voorwerpen in en op het water Artikel 2.35 Toepassingsbereik voorwerpen in en op het water Deze sub paragraaf is van toepassing op activiteiten met vaartuigen en voorwerpen in het Gebied landschappelijke waarden. Artikel 2.36 Verbod voorwerpen in en op het water 1. Het is verboden een voorwerp, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden. 2. Het verbod geldt niet voor een drijvend voorwerp of vaartuig aangemeerd op plaatsen waarbij één van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement en bijlage 7 van het Rijnvaartpolitiereglement zijn geplaatst. 3. Het verbod geldt ook niet voor: a. vaartuigen en voorwerpen in jacht- of bedrijfshavens en waterscoutinglocaties; b. vaartuigen en drijvende voorwerpen, die worden gebruikt bij het vervoer van uitsluitend bedrijfsmiddelen, voor zover zij tijdelijk voor het laden en lossen van die bedrijfsmiddelen worden afgemeerd; c. één open vaartuig met een maximale lengte van 7 meter bij een direct aan het water gelegen erf, mits er geen gebruik wordt gemaakt van onderdeel d; d.
één vaartuig, of één boatsaver met inliggend vaartuig, in een insteekhaven binnen een direct aan het water gelegen erf, als voor de insteekhaven een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.42, is verleend en mits het vaartuig of de boatsaver met inliggend vaartuig volledig binnen de begrenzing van de insteekhaven past; e. één vaartuig bij een direct aan het water gelegen erf in de periode 1 april tot en met 30 september, voor zover het aanmeren dient voor het zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is in- of uitladen, of vaarklaar maken van het vaartuig voor recreatief gebruik; f. het tijdelijk afmeren van vaartuigen voor het laten in- of uitstappen van passagiers bij horecagelegenheden, die als zodanig zijn aangewezen in een omgevingsplan; en g. historische vaartuigen, die hetzij als varend monument, hetzij als historisch casco zijn ingeschreven in het register van de Federatie Varend Erfgoed Nederland en in goede staat van onderhoud verkeren, bij aanlegplaatsen voor historische vaartuigen, die als zodanig in een omgevingsplan zijn aangewezen. Artikel 2.37 Omgevingsvergunning vaartuig en omgevingsvergunning boatsaver Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een vaartuig, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden.
24
b.
een boatsaver in een natuurlijke inham op eigen terrein ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden.
Artikel 2.38 Beoordelingsregel partyschip Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.37, kan worden verleend voor ten hoogste één partyschip bij een als zodanig in het omgevingsplan aangewezen horecagelegenheid, mits het vaartuig voldoet aan een landschapsplan, waarin zowel het partyschip als de aanlegplaats op landschappelijke aspecten positief zijn beoordeeld. Artikel 2.39 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning vaartuig en omgevingsvergunning boatsaver In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.37, eerste lid, onder a, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam van het vaartuig; b. lengte van het vaartuig of de boatsaver in centimeters; c. breedte van het vaartuig of de boatsaver in centimeters; d. hoogte van het vaartuig of de boatsaver in centimeters; e. type vaartuig of boatsaver (open of gesloten); f. omschrijving van de ligplaats (eigen erf, oeverzone tussen vaarweg en weg, oeverland); g. een tekening in A4-formaat op schaal met daarop het vaartuig of de boatsaver, de ligplaats en eventuele afmeervoorzieningen zoals steigers, vlonders en afmeerpalen.
2.3.2.4 (sub paragraaf) Activiteiten haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp Artikel 2.40 Toepassingsbereik haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp Deze sub paragraaf is van toepassing op activiteiten havens en aanlegplaatsen voor vaartuigen en voorwerpen in het Gebied landschappelijke waarden. Artikel 2.41 Omgevingsvergunning haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp Het is verboden zonder omgevingsvergunning (insteek)havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen, zoals steigers, meerpalen en vlonders, te maken of te houden, of als zakelijk gerechtigde dan wel gebruiker van een oever toe te laten of te gedogen dat (insteek)havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen op of aan de betreffende oever worden aangelegd. Artikel 2.42 Vrijstelling haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp Het verbod, bedoeld in artikel 2.41, geldt niet voor: a. aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen in jacht- of bedrijfshavens en waterscoutinglocaties; b. één aanlegsteiger met maximaal twee meerpalen per direct aan het water gelegen erf, mits deze aanlegsteiger: i. geen grotere oppervlakte heeft dan 7,2 m2; en ii. geen afbreuk doet aan het karakter van een eventueel aanwezige natuurlijke of natuurvriendelijke oever. Artikel 2.43 Beoordelingsregel omgevingsvergunning insteekhaven 1.
Een omgevingsvergunning voor een insteekhaven wordt alleen verleend als: a. de haven is of wordt uitgegraven in een erf, waarbij per erf slechts één insteekhaven is of wordt uitgegraven; b. een dubbele insteekhaven op de grens van twee naast elkaar gelegen erven ligt; c. de haven dwars op de vaarweg aangelegd wordt of aansluit op de cultuurhistorische verkavelingsrichting van sloten en waterwegen in het achterliggende landschap, tenzij het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid gemotiveerd aangeeft dat een insteekhaven dwars op de vaarweg op de betreffende locatie niet mogelijk is; d. lengte en breedte van een enkele insteekhaven ten hoogste 8 meter en 3,25 meter bedragen; e. een dubbele insteekhavens niet in de lengterichting van de vaarweg ligt; f. lengte en breedte van een dubbele insteekhaven ten hoogste 8 meter en 6 meter bedragen. 2. Als op grond van het eerste lid, onder c, de haven wel dwars maar niet loodrecht op de vaarweg kan worden aangelegd, kan een geringe afwijking van de lengtemaat worden toegestaan. Artikel 2.44 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.41 tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. lengte van de haven of aanlegplaats in centimeters; b.
breedte van de haven of aanlegplaats in centimeters; c. een tekening in A4-formaat op schaal met daarop de haven of aanlegplaats met eventuele voorzieningen zoals steigers, vlonders en afmeerpalen.
25
2.3.3 (paragraaf) Activiteiten dempen van oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.45 Oogmerk dempen van oppervlaktewaterlichaam De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Artikel 2.46 Toepassingsbereik dempen van oppervlaktewaterlichaam 1. Deze paragraaf is van toepassing op het in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam geheel of gedeeltelijk dempen van oppervlaktewaterlichamen. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de wet, als de activiteiten plaatsvinden op het perceel waarop de vergunning betrekking heeft. Artikel 2.47 Specifieke zorgplicht dempen van oppervlaktewaterlichaam Degene die een oppervlaktewaterlichaam geheel of gedeeltelijk dempt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen voor de belangen, bedoeld in artikel 2.28, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c.
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 2.48 Omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaam Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam geheel of gedeeltelijk oppervlaktewateren te dempen, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de artikelen 2.49 en 2.50. Artikel 2.49 Vrijstelling dempen bij infrastructureel werk en werk van groot maatschappelijk belang 1. Voor het uitvoeren of onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang wordt alleen gedempt als: a. het peilscheidingen van het waterschap betreft; b. de activiteiten plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek; of c. de werken zijn aangewezen in het omgevingsplan. 2. Voor onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden op bouwpercelen wordt alleen gedempt als het bouwperceel is aangewezen in het omgevingsplan. 3. De activiteiten duren niet langer dan noodzakelijk. Artikel 2.50 Vrijstelling dempen bij agrarisch perceel 1. Op agrarische weide- en akkerpercelen wordt alleen gedempt voor het aanleggen van verbindingen tussen die percelen. 2. Bij het aanleggen van verbindingen tussen de percelen wordt: a. de onderlinge verbinding tussen de percelen door dammen ingericht; b.
de verbinding maximaal 5 meter breed, gemeten vanaf maaiveld in de lengterichting van het afgedamde oppervlaktewaterlichaam tussen de aansluitingen van de dam op de oorspronkelijke oever; c. niet dusdanig veel verbindingen aangebracht dat dit een onaanvaardbare aantasting oplevert van de belangen, bedoeld artikel 2.28. Artikel 2.51 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaam In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.48 tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. kaart van de planlocatie; b. locatie van het werk; c. materialen die worden toegepast; d. hoeveelheid materialen die worden toegepast; e. herkomst van de materialen; f. of de grond toepasbaar is op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving; g. afmetingen van de demping; h. permanente of tijdelijke demping; i. of de dam een duiker heeft? j. de reden van de demping; k. start- en einddatum van de werkzaamheden.
26
3. (hoofdstuk) Ondergrond en bodem 3.1 (afdeling) Grondwaterbeheer 3.1.1 (paragraaf) Algemene bepaling grondwaterbeheer Artikel 3.1 Oogmerk grondwaterbeheer De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater en het vervullen van de functies van grondwaterlichamen. 3.1.2 (paragraaf) Instructieregels grondwaterbeheer Artikel 3.2 Instructieregel melden, meten en registreren grondwateronttrekking 1. Een waterschapsverordening regelt dat de informatieverplichting, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van de bruidsschat waterschapsverordening, geldt voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. Het waterschap verstrekt aan gedeputeerde staten uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging: a. gegevens die op grond van het eerste lid worden verkregen; en b. een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt. Artikel 3.3 Instructieregel onttrekking voor menselijke consumptie 1.
Met het oog op de verplichtingen op grond van artikel 7 van de Kaderrichtlijn water regelt het waterschap in ieder geval dat: a. de locaties en debieten van de onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie bekend zijn; b. de eigenaar van een onttrekking van grondwater voor menselijke consumptie, voor zover dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken of water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen, het ruwwater monitort volgens de methoden en parameters uit tabel II en tabel IIIC van het Drinkwaterbesluit voor de eerste keer bij aanvang van de onttrekking en vervolgens ten minste elke zes jaar een meting en analyse van een beperkter parameterpakket, afhankelijk van de uitkomsten van de eerste en daaropvolgende metingen en de verwachte risico’s; c. de eigenaar van de onttrekking van grondwater voor menselijke consumptie voor aanvang van de winning een risicoanalyse van de omgeving van de onttrekking uitvoert; en d. het dagelijks bestuur de gegevens, bedoeld onder a tot en met c, uiterlijk binnen vier maanden nadat ze zijn verkregen aan gedeputeerde staten verstrekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op onttrekkingen als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.1.3 (paragraaf) Activiteiten met grondwater Artikel 3.4 Vrijstelling vergunningplicht klein open bodemenergiesysteem 1.
In afwijking van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is in het gebied Klein open bodemenergiesysteem geen omgevingsvergunning vereist voor het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3/u. 2. Het eerste lid geldt niet voor het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem dat gelegen is in een interferentiegebied, opgenomen in het omgevingsplan. 3.2 (afdeling) Grondwaterbeschermingszone 3.2.1 (paragraaf) Algemene bepalingen grondwaterbeschermingszone Artikel 3.5 Oogmerk grondwaterbeschermingszone De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie. Artikel 3.6 Aanwijzing grondwaterbeschermingszone 1. Een Grondwaterbeschermingszone bestaat uit: a. het Waterwingebied; b. het Grondwaterbeschermingsgebied; c. de Boringsvrije zone; d. de Beschermingszone oppervlaktewaterwinning; e. het 100-jaarsaandachtsgebied; f. de Kwetsbare strategische grondwatervoorraad; en 27
2. 3.
g. de Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad. Waterwingebied bestaat uit waterwingebieden met uitzondering van het waterwingebied Bethunepolder. Grondwaterbeschermingsgebied bestaat uit: a. de Grondwaterbeschermingsgebieden; en b. het Waterwingebied Bethunepolder.
3.2.2 (paragraaf) Instructieregels grondwaterbeschermingszone Artikel 3.7 Instructieregel ruimtelijke bescherming grondwater 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Boringsvrije zone, Beschermingszone oppervlaktewaterwinning of Kwetsbare strategische grondwatervoorraad laat geen activiteiten toe die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop het waterwinbelang in acht is genomen. Artikel 3.8 Instructieregel toepassen verwijderingsvariant in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied en Grondwaterbeschermingsgebied bevat de regel dat het saneren van de bodem wordt uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in: a. waterwingebieden; en b. grondwaterbeschermingsgebieden op locaties waar sprake is van een grondwaterverontreiniging boven de tussenwaarde. 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied en Grondwaterbeschermingsgebied bevat de regel dat maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over het eerste lid.
Artikel 3.9 Instructieregel parkeren Bethunepolder 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied Bethunepolder staat parkeren van motorrijtuigen uitsluitend toe in perioden van drukte in verband met zomer- of winterrecreatie. 2. Een omgevingsplan voor locaties binnen Waterwingebied Bethunepolder bevat voor het parkeren van motorrijtuigen regels die het waterwinbelang beschermen. Artikel 3.10 Instructieregel aanleg begraafplaats of uitstrooiveld 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Grondwaterbeschermingsgebied verbiedt het aanleggen van een nieuwe begraafplaats of uitstrooiveld, genoemd in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats. 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Grondwaterbeschermingsgebied stelt, met betrekking tot het hebben of uitbreiden van een bestaande begraafplaats, uitstrooiveld of dierenbegraafplaats in een grondwaterbeschermingsgebied, regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de openbare drinkwaterwinning. Artikel 3.11 Instructieregel matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad houdt rekening met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. 2.
De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarde is voldaan. 3.2.3 (paragraaf) Activiteiten in grondwaterbeschermingszone Artikel 3.12 Specifieke zorgplicht grondwater 1. Degene die in een Grondwaterbeschermingszone een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De zorgplicht houdt in ieder geval in dat, wanneer er sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater, gedeputeerde staten onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.
28
Artikel 3.13 Plaatsen borden waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied Het drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die toegang geven tot een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied of daaraan grenzen, op of bij de grenzen van dat gebied borden waarvan het model is vastgesteld in Bijlage IV Modelborden bij deze verordening. 3.2.4 (paragraaf) Activiteiten in waterwingebied Artikel 3.14 Toepassingsbereik activiteiten waterwingebied [Gereserveerd] Artikel 3.15 Verbod bestrijdingsmiddelen en glyfosaat waterwingebied Bethunepolder 1. Het is in het Waterwingebied Bethunepolder verboden bestrijdingsmiddelen voorhanden te hebben, in voorraad te hebben of toe te passen. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het in een besloten ruimte voorhanden hebben, in voorraad hebben of toepassen van een geringe hoeveelheid van een bestrijdingsmiddel, als dit: a. zonder bewerking kan worden toegepast; b. dient of gediend heeft voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig is van normaal gebruik binnen een gebouw; c. bewaard wordt in een deugdelijke verpakking; en d. afdoende beschermd is tegen weersinvloeden. 3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de toepassing van glyfosaathoudende bestrijdingsmiddelen voor het bestrijden van de onkruiden grote brandnetel, ridderzuring, akkerdistel en ruwe smele in grasland, indien deze toepassing plaatsvindt: a. als bestrijding met niet-chemische middelen redelijkerwijs niet kan worden geëist; b. volgens de onkruidbestrijkingsmethode; c. door een deskundige met een licentie als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; d. als de weersomstandigheden dat toelaten en de hoogte van het gras redelijkerwijs geen beletsel vormt om de onkruiden aan te strijken zonder het gras te raken; en e. met inachtneming van een afstand van tenminste 1 meter tot geulen en greppels en tenminste 2 meter tot sloten. Artikel 3.16 Verboden activiteiten waterwingebied 1. Het is in het Waterwingebied verboden de volgende activiteiten te verrichten: a. een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het toepassen of aanwezig hebben van een (potentieel) schadelijke stof; c. het aanbrengen van een constructie of uitvoeren van andere werkzaamheden op of in de bodem; d. het op of in de bodem brengen van mogelijk schadelijke stoffen, waaronder het toepassen van grond en baggerspecie, het gebruik van meststoffen en het uitstrooien van as; e.
het schuin boren onder een waterwingebied, uitgevoerd vanaf een locatie buiten het waterwingebied; f. het toepassen van uitloogbare materialen; en g. het gebruiken van een locatie als parkeerterrein of voor evenementen. 2. Als een (potentieel) schadelijke stof worden in ieder geval aangemerkt: a. een zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM; b. stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst'; c. stoffen met een schadelijke werking op de smaak of geur van het grondwater en mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan en die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken; en d. gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel 3.17 Vrijstelling activiteiten waterwingebied Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, geldt niet voor: a. alle noodzakelijke activiteiten in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening; b. reguliere bodemwerkzaamheden, zoals groenonderhoud en tuinieren, die de beschermende bodemlagen niet aantasten; c. het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidsbestrijding; d. het aanwezig hebben van stoffen die nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; e.
het vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, als deze afdoende zijn beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; f. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, voor normaal gebruik, als deze bewaard worden in een deugdelijke verpakking en afdoende zijn beschermd tegen externe invloeden; g. het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van beweiding; h. de aanleg van verharde of onverharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer; 29
i. j.
werkzaamheden in de bodem, gericht op behoud van de natuurfunctie of ten dienste van extensieve recreatie; en aanleg en onderhoud van kabels en onderhoud van leidingen.
Artikel 3.18 Vrijstelling riolering waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen en in stand houden van rioleringen in Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal die aansluiten op bestaande rioleringen. Artikel 3.19 Vrijstelling gebruik kunstmest Waterwingebieden Lexmond, Woerden en Vianen Het verbod als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, geldt niet voor het gebruik van kunstmest in Waterwingebieden Lexmond, Woerden en Vianen. Artikel 3.20 Meldplicht activiteiten waterwingebied 1. Het is verboden zonder melding in Waterwingebied de volgende activiteiten te verrichten: a. het toepassen van grond of baggerspecie met een kwaliteit die voldoet aan de achtergrondwaarde; b. civiel- en bouwtechnische werken nodig voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur en waterbeheer; c. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het met inachtneming van paragraaf 3.2.26 van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. buitengebruikstelling van een boorput. 2. De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht.
Artikel 3.21 Specifieke vereisten melding activiteiten waterwingebied bij toepassing grond of baggerspecie Bij een melding, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, onder a, worden tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. betreft het grond of baggerspecie; d. hoeveelheid grond of baggerspecie in m3; e. herkomst van de grond of baggerspecie; f. voldoet de grond of baggerspecie aan de achtergrondwaarde; g. klasse baggerspecie h. bij toepassing op land: i. landbouw en natuur; ii. wonen; iii. industrie; i. bij toepassing op waterbodem: i. klasse A; ii. klasse B; j. een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; k. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.22 Specifieke vereisten melding activiteiten waterwingebied bij civiel- en bouwtechnische werken voor regulier beheer en onderhoud Bij een melding, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, onder b, worden tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.
bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. beschrijving van het civiel technische en/of bouwtechnische type van de activiteit; d. oppervlakte van de werken (lengte, breedte); e. indien wordt ontgraven, tot welke diepte de werken worden uitgevoerd; f. een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; g. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.23 Specifieke vereisten melding activiteiten waterwingebied bij verspreiding baggerspecie uit watergang Bij een melding, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, onder c, worden tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; 30
c. d. e. f. g.
hoeveelheid grond of baggerspecie in m3; herkomst van de grond of baggerspecie; voldoet de baggerspecie aan het Besluit activiteiten leefomgeving; klasse baggerspecie bij toepassing op land: i. landbouw en natuur; ii. wonen; iii. industrie. h. bij toepassing op waterbodem: i. klasse A; ii. klasse B. i. een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; j. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.24 Specifieke vereisten melding activiteiten waterwingebied bij onderzoek en sanering van bodem Bij een melding, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, onder d, worden tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. herkomst van de (verwachte) verontreiniging; d. omvang van de (verwachte) verontreiniging in m3; e. maximale diepte van de verontreiniging in meter beneden maaiveld; f. beschrijving van de te gebruiken saneringstechniek; g. een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; h. start en einde van de werkzaamheden.
Artikel 3.25 Specifieke vereisten melding buitengebruikstelling boorput In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bij een melding, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, onder e, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. aantal boorputten dat wordt afgedicht; d. het te gebruiken afdichtmateriaal; e. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.26 Specifieke eis buitengebruikstelling boorput Bij buitengebruikstelling van een boorput in Waterwingebied laat de eigenaar of exploitant binnen twee weken daarna die boorput afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101. 3.2.5 (paragraaf) Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebied Artikel 3.27 Verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebied Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit uit te voeren, bedoeld in de lijst verboden activiteiten in Bijlage V Verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden bij deze verordening. Artikel 3.28 Verbod opslag van schadelijke stoffen in grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof voorhanden te hebben, bedoeld in bijlage VI Niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffen bij deze verordening. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een kleine werkvoorraad van maximaal 25 liter of kilogram. 3. Het is verboden een potentieel voor het grondwater schadelijke stof voorhanden te hebben, als de hoeveelheid meer is dan: a. in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof genoemd in bijlage VI Niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffen bij deze verordening: b. de in Bijlage VII Tabel hoeveelheidsdrempel voor stoffen aangegeven hoeveelheidsdrempel bij deze verordening; of c. in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof: i. maximaal 5 m2 per opslageenheid bij een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof; en ii. maximaal 5.000 kilogram per opslageenheid bij een viskeuze of vaste stof. 4. Bij het voorhanden hebben van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof met een hoeveelheid die minder is dan de hoeveelheid, bedoeld in het derde lid, worden bodembeschermende voorzieningen en 31
maatregelen toegepast die de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat opslag bovengronds en boven een vloeistofdichte bodemvoorziening plaatsvindt en dat processen of overslag boven een vloeistofdichte of vloeistofkerende bodemvoorziening plaatsvinden. Artikel 3.29 Verbod boren en grond- of funderingswerken in grondwaterbeschermingsgebieden 1. Het is verboden in de Grondwaterbeschermingsgebieden Bethunepolder, Bilthoven, Bunnik, Cothen, Groenekan, Linschoten, Zeist en in waterwingebied Bethunepolder: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone. 2. Het is verboden in de Grondwaterbeschermingsgebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 3 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone. 3.
Het is verboden in de Grondwaterbeschermingsgebieden Driebergen, Leersum en Rhenen a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 10 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 10 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone. 4. Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied Beerschoten: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 30 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 30 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone. Artikel 3.30 Verbod aanleggen van een buisleiding 1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding voor het transport van gassen niet zijnde aardgas, olie of chemicaliën of een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën, aan te leggen, te vervangen of te verleggen. 2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet als met een risicoanalyse van een deskundige overeenkomstig de Handreiking “Publicatiereeks gevaarlijke stoffen” is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door dat vervangen, veranderen of verleggen gelijk blijft of kleiner wordt ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie. Artikel 3.31 Verbod energietoevoeging en -onttrekking in grondwaterbeschermingsgebied Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of activiteiten te verrichten met als doel het direct of indirect warmte of koude aan de bodem te onttrekken of toe te voegen. Artikel 3.32 Verbod meststoffen in de bodem brengen 1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied meststoffen op of in de bodem te brengen. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het op of in de bodem brengen van: a. dierlijke meststoffen; b. anorganische meststoffen, compost of kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Artikel 3.33 Verbod diepinfiltratie Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied afstromend hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te lozen. Artikel 3.34 Vrijstelling boren of grond- en funderingswerken in grondwaterbeschermingsgebied De verboden, bedoeld in artikel 3.29, gelden niet voor: a.
boorputten voor de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening; b. het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening; c. bronbemalingen; d. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van paragraaf 3.2.23 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; e. sonderingen; f. ontgrondingen in het kader van paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
32
Artikel 3.35 Omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem voor innovatief duurzaamheidsproject Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een Grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of activiteiten te verricht voor een open bodemenergiesysteem voor een innovatief duurzaamheidsproject, als is aangetoond dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak. Artikel 3.36 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem voor innovatief duurzaamheidsproject [Gereserveerd] Artikel 3.37 Meldplicht horizontaal gestuurde boring 1. Het is verboden zonder melding in Grondwaterbeschermingsgebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden horizontaal gestuurde boringen te verrichten als andere werkmethoden aantoonbaar niet toepasbaar zijn en voldaan wordt aan de voorwaarden: a. de diepte van de onderkant van de boring is niet dieper dan 10 meter onder het maaiveld; b. de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het in- en uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet; 2. De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht. 3.
De dieptegrens, bedoeld in het eerste lid onder a, geldt niet voor de aanleg van waterleidingen door een drinkwaterbedrijf indien aanleg op een diepte van minder dan 10 meter redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Artikel 3.38 Meldplicht boren of grond- en funderingswerken in grondwaterbeschermingsgebied 1. Het is verboden zonder melding in Grondwaterbeschermingsgebied de volgende activiteiten te verrichten: a. aardgasleidingen aanleggen, vervangen of verleggen; b. grondwerken, voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en c. funderingswerken, voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: i. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; ii. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; of iii. schroefpalen; d. buitengebruikstelling van een boorput in een grondwaterbeschermingsgebied; 2. verwijdering van heipalen in de Grondwaterbeschermingsgebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Lexmond, Soestduinen en Woerden. 3. De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht.
Artikel 3.39 Specifieke vereisten melding horizontaal gestuurde boring In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bij een melding, bedoeld in artikel 3.37, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. doel van de horizontaal gestuurde boring; d. bevestiging dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: i. indien het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan; ii. de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater; iii. de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt; iv. de vrijkomende grond wordt niet zonder bodembeschermende maatregelen opgeslagen of verspreid over het perceel; v. indien de horizontale boring voor de aanleg van een riool is, wordt de mantelbuis voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers; e.
het diepste punt van de boring; f. de lengte van de boring tussen in- en uittredepunt; g. de totale lengte van de boring; h. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.40 Specifieke vereisten melding boren of grond- en funderingswerken in grondwaterbeschermingsgebied bij aanleg van aardgasleiding In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bij een melding als bedoeld artikel 3.38, eerste lid, onder a, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; 33
b. c. d. e. f.
kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; de lengte van de aardgasleiding; het diepste punt van de aardgasleiding in meter beneden maaiveld; het te gebruiken afdichtmateriaal; start en einde van de werkzaamheden.
Artikel 3.41 Specifieke vereisten melding grondwerken in grondwaterbeschermingsgebied bij grondwerk In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, onder b, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. doel van het ontgraven; d. oppervlakte van de ontgraving in m2; e. diepte tot waar wordt ontgraven in meter beneden maaiveld; f. de wijze hoe het bodemprofiel wordt hersteld zodat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; g. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.42 Specifieke vereisten melding funderingswerken in grondwaterbeschermingsgebied bij funderingswerk In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bij een melding, bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, onder c, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c.
doel waarvoor de fundering geplaatst wordt; d. de aard van de te gebruiken funderingstechniek: i. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; ii. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is verbreed en grondverdringend wordt ingebracht; iii. schroefpalen; e. diepte tot waar de fundering komt in meter beneden maaiveld; f. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.43 Specifieke vereisten melding boren of grond- en funderingswerken in grondwaterbeschermingsgebied bij buitengebruikstelling boorput In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bij een melding, bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, onder d, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. aantal boorputten dat wordt afgedicht; d. het te gebruiken afdichtmateriaal; e. start en einde van de werkzaamheden.
Artikel 3.44 Specifieke vereisten melding boren of grond- en funderingswerken in grondwaterbeschermingsgebied bij verwijdering heipaal In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bij een melding, bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. aantal van de te verwijderen heipalen; d. diepte tot welke de heipalen worden verwijderd; e. het te gebruiken afdichtmateriaal; f. start en einde van de werkzaamheden. Artikel 3.45 Specifieke eis buitengebruikstelling boorput Bij buitengebruikstelling van een boorput in Grondwaterbeschermingsgebied laat de eigenaar of exploitant binnen twee weken daarna die boorput afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101. Artikel 3.46 Specifieke eis verwijdering van heipalen Bij verwijdering van heipalen in de Grondwaterbeschermingsgebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Lexmond, Soestduinen en Woerden wordt het ontstane gat zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet.
34
Artikel 3.47 Specifieke eis lozen afstromend hemelwater 1. Bij het lozen van afstromend hemelwater in een Grondwaterbeschermingsgebied wordt mogelijke verontreiniging van het grondwater zoveel mogelijk beperkt. 2. Aan het gestelde in het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de Leidraad Afkoppelen Provincie Utrecht wordt gevolgd. Artikel 3.48 Specifieke eis aanleggen parkeerplaats 1. Bij het aanleggen of hebben van een parkeerplaats voor motorrijtuigen in een grondwaterbeschermingsgebied wordt mogelijke verontreiniging van het grondwater zoveel mogelijk beperkt. 2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als: a. er sprake is vloeistofdichte bodemvoorziening; of b. de Leidraad Afkoppelen provincie Utrecht wordt gevolgd. 3.2.6 (paragraaf) Activiteiten in boringsvrije zone Artikel 3.49 Toepassingsbereik boringsvrije zone Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten [PM] Artikel 3.50 Verbod mijnbouwactiviteiten in boringsvrije zone Het is verboden in een Boringsvrije zone mijnbouwactiviteiten te verrichten bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.51 Verbod boren en grond- of funderingswerken in boringsvrije zone algemeen Het is verboden in Boringsvrije zones Bilthoven, Benschop, Bunnik, Cothen, De Meern, Eempolder, Leidsche Rijn, Lexmond-Noord, Linschoten, Nieuwegein, Vianen en Vianen-Panoven: a.
boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone. Artikel 3.52 Verbod boren en grond- of funderingswerken in boringsvrije zones specifiek locaties 1. Het is verboden in de Boringsvrije zones Amersfoort-Koedijkerweg, Rhenen en Woudenberg: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 10 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 10 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone. 2. Het is verboden in de Boringsvrije zones Langerak en Lexmond: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 3 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen, grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone. 3. Het is verboden in de Boringsvrije zone Veenendaal: a.
boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 30 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen, grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 30 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone. 4. Het is verboden in de Boringsvrije zone Tull en ‘t Waal: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 55 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 55 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone. 5. Het is verboden in de Boringsvrije zone WCB Nieuwegein: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 60 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 60 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone.
Artikel 3.53 Verbod energietoevoeging en -onttrekking in boringvrije zone Het is verboden in een Boringsvrije zone werken tot stand te brengen of activiteiten te verrichten met als doel direct of indirect warmte of koude aan de bodem te onttrekken of toe te voegen op een diepte lager dan de grenzen genoemd in de artikelen 3.51 en 3.52.
35
Artikel 3.54 Vrijstelling oprichten van boorputten en uitvoeren van grond- of funderingswerken in boringsvrije zone De verboden, bedoeld in de artikelen 3.51 en 3.52, gelden niet voor: a. boorputten voor de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening; b. het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening; c. bronbemalingen; d. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. sonderingen; f. ontgrondingen in het kader van paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; g. grondwerken, voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en h. funderingswerken, voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: i. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; ii. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; of iii. schroefpalen.
Artikel 3.55 Omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem Het is verboden zonder omgevingsvergunning in Boringsvrije zone werken tot stand te brengen of activiteiten te verrichten ten behoeve van een open bodemenergiesysteem voor een innovatief duurzaamheidsproject op een diepte lager dan de grenzen genoemd in de artikelen 3.51 en 3.52, als is aangetoond dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak. Artikel 3.56 Omgevingsvergunning boorput voor industriële winning Het is verboden zonder omgevingsvergunning in Boringsvrije zone boorputten op te richten en te hebben voor het onttrekken van grondwater voor industriële winningen ten behoeve van de menselijke consumptie. Artikel 3.57 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem [Gereserveerd] Artikel 3.58 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning boorput voor industriële winning [Gereserveerd] Artikel 3.59 Meldplicht horizontaal gestuurde boringen in boringsvrije zone 1. Het is verboden zonder melding in Boringsvrije zones Langerak en Lexmond horizontaal gestuurde boringen te verrichten als andere werkmethoden aantoonbaar niet toepasbaar zijn en voldaan wordt aan de voorwaarden: a.
de diepte van de onderkant van de boring is niet dieper dan 10 meter onder het maaiveld; b. de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het in- en uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet; 2. De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht. 3. De dieptegrens, bedoeld in het eerste lid onder a, geldt niet voor de aanleg van waterleidingen door een drinkwaterbedrijf indien aanleg op een diepte van minder dan 10 meter redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Artikel 3.60 Meldplicht grond- of funderingswerken in boringsvrije zone 1. Het is verboden zonder melding in Boringsvrije zone de volgende activiteiten verrichten: a. grondwerken, voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; b. funderingswerken, voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: i. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; ii. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; of iii. schroefpalen. 2. De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht.
Artikel 3.61 Specifieke vereisten melding horizontaal gestuurde boring In aanvulling op het in artikel 1.12 bepaalde worden, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bij een melding, bedoeld in artikel 3.59, tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bedrijfsnaam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. doel van de horizontaal gestuurde boring; d. bevestiging dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: i. indien het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan; 36