5.7 Ontwerp Bodem en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027
Tekst van het document
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 53
^
^ Toelichting op beleidskeuze 43 Naast het evalueren van de normeringssystematiek voor wateroverlast en waterbergingsgebieden (beleidskeuze 42) is het van belang dat waterschappen meer ruimte krijgen om in de peilbesluiten te anticiperen op langetermijnontwikkelingen in het waterbeheer. Met name in het veenweidegebied zijn de marges in het waterbeheer klein. Bij de uitvoering van het beleid ten aanzien van de bodemdaling en de klimaatadaptatie kan een ander peilregime doeltreffender zijn, maar minder toegerust zijn op ander gebruik in het gebied. Leidend is in zo’n geval de opgave van bodemdaling en klimaatadaptatie. Het huidige artikel over actuele peilbesluiten in de Omgevingsverordening blijft vooralsnog ongewijzigd van kracht. Toelichting op beleidskeuze 44 In verschillende samenwerkingsverbanden streven we naar een circulair watersysteem waarbij onder andere het vasthouden en hergebruiken van water worden onderzocht en waar mogelijk toegepast. Bij hergebruik van water geldt dat de kwaliteit van het water moet overeenkomen met de toepassing, zodat dit veilig en verantwoord gebeurt. Een voorbeeld hiervan is water voor kwetsbare natuurgebieden of voor de drinkwatervoorziening. 3.5.2 Voldoende grondwater <kaart 4B, hele provincie Utrecht> De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat ons watersysteem behoorlijk onder druk staat.
In tijden van grote droogte is de vraag naar (grond)water en drinkwater hoog, zeker als ook sprake is van hoge temperaturen, zoals tijdens de droge perioden in 2018, 2019 en 2020. Anderzijds kan in perioden met grote hoeveelheden neerslag het hemelwater onvoldoende in de bodem infiltreren, wat leidt tot wateroverlast. De provincie Utrecht wil het watersysteem robuuster maken, zodat het systeem beter kan anticiperen op perioden van droogte én neerslagoverschot. In dit robuustere systeem mag de (grond)watervoorraad worden benut, maar alleen als dat de voorraad niet wezenlijk aantast en andere van het water afhankelijke belangen niet schaadt. Vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) hebben we de taak te zorgen voor een goede kwalitatieve en kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen. In deze paragraaf gaan we in op de kwantiteit, waar we in paragraaf 3.3 de kwalitatieve aspecten beschrijven. Uitgebreide en actuele informatie over de grondwaterlichamen is te raadplegen in het Waterkwaliteitsportaal van het Informatiehuis Water. Die is te vinden op www.waterkwaliteitsportaal.nl, onder het kopje ‘Rapportage’. Voor de KRW-periode 2016-2021 concluderen we dat op het niveau van de grondwaterlichamen de waterbalans goed is. Dit kan op lokaal niveau anders zijn. We signaleren de volgende twee ontwikkelingen:
De vraag naar drinkwater stijgt als gevolg van bevolkingsgroei en dit heeft effect op de waterbalans.
Het klimaat verandert, met als gevolg dat tijdens langdurige droge periodes meer vraag ontstaat naar water voor landbouw, natuur en verkoeling.
Wat is ons doel?
We willen de kwantitatieve toestand van het grondwaterlichaam goed houden. De beschikbare hoeveelheid grondwater moet voldoende zijn om grondwaterafhankelijke functies in stand te houden of te verbeteren. In het bijzonder doelen we dan op kwetsbare en vitale functies, zoals waardevolle natuur of winningen voor drinkwater.
Welke beleidskeuzes maken we? 45. De grondwatervoorraad mag benut worden, maar zonder deze wezenlijk aan te tasten of andere belangen te schaden. 46. We monitoren de ‘waterbalans’ op regionaal watersysteemniveau en evalueren indien nodig het onttrekkingenbeleid. 47. We stimuleren het besparen en hergebruiken van water en het benutten van alternatieven voor het gebruik van grondwater.
54 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ 48. Voor grondwateronttrekkingen hanteren we een indeling in winningen voor hoogwaardig, middelwaardig en laagwaardig gebruik. 49. We overwegen het intrekken van vergunningen voor laagwaardig gebruik als die een nieuwe hoogwaardige onttrekking hinderen. 50. Te ruim vergunde onttrekkingen, waarbij structureel minder grondwater wordt onttrokken dan vergund, worden aangepast. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We stimuleren gebruikers om zuinig om te gaan met het grondwater.
We agenderen waterbesparing en bewust omgaan met water op de verschillende beleidstafels.
Participeren
We werken met de drinkwaterbedrijven een (interprovinciale) strategie uit om zowel voor de korte als de langere termijn te anticiperen op de stijgende vraag naar drinkwater.
We helpen gemeenten bij het stimuleren van burgers om meer hemelwater af te koppelen (Operatie Steenbreek en de Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug).
Realiseren
We meten online en analoog de grondwaterstanden (de ‘stijghoogten’).
We onderzoeken samen met de waterschappen of een meetprogramma voor de grondwatervoorraad kan worden opgesteld. Doel is samen data te verzamelen en te interpreteren. De eerste stap is het uitvoeren van een nulmeting.
We stellen een plan van aanpak op voor waterbesparing.
Reguleren
Het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) en de Omgevingsverordening bevatten verplichtingen voor het leveren van informatie over meldingen en vergunningen voor onttrekkingen voor degenen die grondwater onttrekken.
Toelichting op beleidskeuze 45 De provincie Utrecht beschikt over een grote voorraad kwalitatief goed grondwater die geschikt is voor vele doeleinden. We willen echter voorkomen dat daar zoveel aanspraak op wordt gemaakt dat er onvoldoende aanvulling plaats kan vinden. Daarom zullen we bij elke nieuwe onttrekking kijken wat het belang van de aanvrager is en hoe deze zich verhoudt ten opzichte van de andere belangen en de grondwatervoorraad in zijn totaliteit. Grondwateronttrekkingen kunnen namelijk negatieve effecten hebben op andere van het grondwater afhankelijke belangen. In het geval van significante negatieve effecten moeten maatregelen worden getroffen om die effecten zoveel mogelijk tegen te gaan. Bij beoordeling ervan wordt gekeken of:
Er aanvaardbare alternatieven voor de onttrekking voorhanden zijn.
De onttrekking anders kan worden uitgevoerd, zodat de omvang ervan kan worden beperkt.
De effecten van de onttrekking (op korte termijn) omkeerbaar zijn.
In het uiterste geval schadecompensatie mogelijk is.
Vergunningen worden verleend op basis van het volgende toetsingskader:
Kwalitatief goed grondwater wordt zoveel mogelijk alleen gebruikt voor hoog- en middelwaardige doeleinden.
De initiatiefnemer beschrijft welke alternatieve bronnen zijn overwogen en waar waterbesparende maatregelen zijn genomen om de aanvraag te beperken.
Het belang van de aanvrager van de vergunning wordt afgewogen tegen de effecten van de onttrekking op andere van het grondwater afhankelijke belangen. De beoordeling van effecten wordt gedaan op basis van de cumulatieve effecten van alle onttrekkingen in de omgeving en op de vergunningscapaciteit.
Waar mogelijk wordt gekeken of het onttrokken water zoveel mogelijk terug in de bodem kan worden gebracht. Hierbij wordt gehoor gegeven aan de voorkeursvolgorde van het lozen.
Waar de effecten van onttrekkingen tot buiten de provincie reiken, worden andere grondwaterbeheerders (provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat) bij de belangenafweging betrokken. Dit verwachten we ook van de andere grondwaterbeheerders.
Via toezicht en handhaving wordt naleving van de voorschriften bewerkstelligd, zowel op korte als op lange termijn.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 55
^
^ Toelichting op beleidskeuze 46 Op dit moment is onvoldoende duidelijk hoeveel grondwater in totaal nodig is voor de drinkwatervoorziening, de verdrogingsgevoelige natuurgebieden en de landbouw en industrie. De komende periode brengen we samen met de waterpartners het watersysteem en de onttrekkingen binnen de provincie in beeld. We monitoren samen met onze partners de waterbalans om vast te stellen of sprake is van een positieve of negatieve balans. Indien nodig passen we naar aanleiding van tussenevaluaties ons onttrekkingenbeleid aan en/of stellen we samen met de waterpartners een verdringingsreeks voor grondwater op. Toelichting op beleidskeuze 47 Het onttrekken van grondwater heeft consequenties voor de omgeving. Als teveel grondwater wordt onttrokken kan dat negatieve effecten hebben op bijvoorbeeld natuur en landbouw. De provincie Utrecht vraagt bestaande (permanente) onttrekkers om in hun proces te zoeken naar mogelijkheden voor waterbesparing, zodat minder grondwater onttrokken hoeft te worden. De waterschappen vragen we om bij tijdelijke onttrekkingen, zoals in het geval van bronbemalingen, te stimuleren dat de aanvragers het onttrokken water terug de bodem in brengen. Dit kan bij industriële onttrekkingen ook een optie zijn, na zuivering van het gebruikte water.
Ook initiëren en ondersteunen we bewustwordingscampagnes voor het beperken van het gebruik van drinkwater door particulieren en bedrijven. We sluiten zoveel mogelijk aan bij andere initiatieven in de waterketen die zijn gericht op waterbesparing en hergebruik. Bij nieuwe aanvragen of wijzigingen van bestaande vergunningen voor bedrijven, kijken we hoe door het bedrijf wordt ingezet op waterbesparing en het gebruik van alternatieve bronnen. Toelichting op beleidskeuze 48 Op grond van het gebruiksdoel, de benodigde kwaliteit en het openbaar belang is een drietal gebruikscategorieën onderscheiden; hoogwaardig, middelwaardig en laagwaardig gebruik. Dit wordt gebruikt bij de afweging van grondwateronttrekkingen onderling, dus niet zozeer bij de afweging ten opzichte van andere (grondwaterafhankelijke) belangen. Binnen de categorieën bestaat geen rangorde. Het type gebruik wordt meegenomen in het proces van vergunningverlening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor meerdere in het overzicht opgenomen onttrekkingen. De provincies stellen de kaders voor deze onttrekkingen. De waterschappen hebben dit onderscheid tussen hoog-, middel- en laagwaardig gebruik ook vastgelegd in hun beleids- en uitvoeringsregels. Hoogwaardig grondwatergebruik (activiteit vraagt een goede grondwaterkwaliteit én er is een groot openbaar belang)
Middelwaardig grondwatergebruik (activiteit vraagt een goede grondwaterkwaliteit óf er is een groot openbaar belang)
Laagwaardig grondwatergebruik (activiteit kan volstaan met lage grondwaterkwaliteit en er is géén groot openbaar belang)
openbare drinkwatervoorziening
watervoorziening van natuurgebieden ondiepe open bodemenergie industriële winningen voor menselijke consumptie eigen winningen voor menselijke consumptie
industriële winningen voor proceswater tijdelijke en permanente onttrekkingen voor bouwwerken en infrastructuur bodemsanering beregening en bevloeiing artesische bronnen bestrijding grondwateroverlast watervoorziening waterpartijen veedrenking
Toelichting op beleidskeuze 49 Soms komt het voor dat het verlenen van een onttrekkingsvergunning voor hoogwaardiger gebruik onevenredig wordt belemmerd door een bestaande onttrekking voor laagwaardiger gebruik. In dergelijke gevallen overwegen we de vergunning voor het laagwaardiger gebruik in te trekken. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een bodemenergiesysteem aanwezig is in het te beschermen intrekgebied van een nieuwe (of verplaatste) winning voor de drinkwatervoorziening. Als in het uiterste geval wordt geconcludeerd dat het bodemenergiesysteem de toekomstige winning negatief zal beïnvloeden, kan de vergunning voor het bodemenergiesysteem worden ingetrokken. Hierbij wordt wel een zorgvuldige procedure in acht genomen en wordt schade vergoed conform de voorschriften in de Waterwet (binnenkort de Omgevingswet).
56 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ Toelichting op beleidskeuze 50 Het kan voorkomen dat een groter (jaar)debiet is vergund dan de vergunninghouder in de praktijk gebruikt, bijvoorbeeld omdat uiteindelijk minder water nodig blijkt te zijn dan op voorhand door de vergunninghouder is ingeschat, of als gevolg van waterbesparende maatregelen. Als de vergunninghouder aangeeft de ‘grotere’ vergunning niet meer nodig te hebben, of als wij menen dat de vergunninghouder de vergunning niet meer nodig heeft, overwegen wij die te beperken en zo ruimte te maken voor ander gebruik of andere gebruikers. 3.5.3 Strategische grondwatervoorraad en nieuwe zoekgebieden <kaart 4B> Drinkwaterbedrijven en overheden zijn samen verantwoordelijk voor het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening, zoals beschreven in respectievelijk artikel 7 en artikel 2 van de Drinkwaterwet. Dit wordt de ‘zorgplicht drinkwater’ genoemd. Voor de bescherming van de bestaande winningen voor de drinkwatervoorziening in de provincie Utrecht hebben we een beschermingszone drinkwaterwinning aangewezen. Onze aanpak met betrekking tot het beschermen van de grondwaterkwaliteit staat in paragraaf 3.3. Onze rol met betrekking tot oppervlaktewater staat in paragraaf 3.2. We gaan nu in op de kwantitatieve aspecten van het grondwater voor het drinkwater.
Vanwege de bevolkingsgroei en de toenemende bedrijvigheid tot 2050 is extra drinkwater nodig, waardoor meer grondwater en mogelijk ook oppervlaktewater zal moeten worden onttrokken. Hiervoor ontwikkelen we samen met de drinkwaterbedrijven nieuwe grondwaterwinningen en breiden we bestaande grondwaterwinningen uit. We kijken ook naar alternatieven voor grondwaterwinning. Voor de komende vijftien jaar beschouwen we een nieuwe grondwaterwinning bij Schalkwijk en uitbreiding van de bestaande winning Eemdijk als goede opties. Beide locaties zijn als zoekgebied drinkwaterwinning aangewezen3. Voor de langere termijn moeten we voorbereid zijn op een mogelijk extremere groei van de vraag naar drinkwater. Hiervoor hebben we een strategische grondwatervoorraad aangewezen, waar we voor de toekomst goede mogelijkheden zien voor de winning van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Aanvullend heeft het Rijk in de Structuurvisie Ondergrond (juni 2018) de Nationale Grondwater Reserves vastgelegd. Dit betreft een globale begrenzing die deels overlapt met de strategische grondwatervoorraad die is aangewezen door de provincie Utrecht. Wat is ons doel?
We zien erop toe dat de hoeveelheid extra winbaar zoet grondwater van goede kwaliteit uit de strategische grondwatervoorraad ook op de lange termijn en bij extreme groei van de vraag voldoende is om aan de vraag te voldoen. Nieuwe locaties voor de winning van grondwater voor de drinkwatervoorziening worden in de strategische grondwatervoorraad gerealiseerd.
Welke beleidskeuzes maken we? 51. Bij onttrekkingen uit de strategische grondwatervoorraad en de Nationale Grondwater Reserves geldt als uitgangspunt dat deze voorraden niet worden uitgeput. 52. Bij de keuze voor een nieuwe bron voor drinkwater wegen we grondwaterwinningen af tegen winningen uit oevergrondwater of oppervlaktewater. 53. Nieuwe grondwaterwinningen voor de drinkwatervoorziening worden in de strategische grondwatervoorraad gerealiseerd en onttrekken in principe uit het tweede of derde watervoerende pakket. 54. Bij het ontwikkelen van nieuwe winningen voor de drinkwatervoorziening zoeken we naar een combinatie van functies, zoals het winnen van grondwater voor de drinkwatervoorziening in combinatie met natuurontwikkeling rond de winning.
3
De twee zoekgebieden zijn opgenomen in de Omgevingsvisie en onderdeel van het bijbehorende milieueffectrapport.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 57
^
^ 55. Om ervoor te zorgen dat ook in de toekomst voldoende schoon grondwater voor drinkwater uit de strategische grondwatervoorraad kan worden onttrokken, beschermen we deze tegen functies en activiteiten die daar een bedreiging voor vormen. We vragen dit ook van onze partners en hebben hiervoor instructieregels opgenomen in de Omgevingsverordening. Gezien de grootte van de strategische grondwatervoorraad is er wel enige ruimte voor andere functies en activiteiten. Het beschermingsregime is dan ook lichter dan in de grondwaterbeschermingszones rond bestaande winningen voor de drinkwatervoorziening. 56. Om te voorkomen dat op termijn de uit de strategische grondwatervoorraad te winnen hoeveelheid schoon grondwater onvoldoende wordt, hanteren we een adaptieve aanpak. 57. We kijken naar de Nationale Grondwater Reserves in samenhang met onze strategische grondwatervoorraad, bestaande onttrekkingen en ander gebruik. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We stimuleren drinkwaterbedrijven om alternatieve bronnen te betrekken in de afweging hoe te voorzien in de toenemende vraag naar drinkwater.
Participeren
In het proces om te komen tot nieuwe zoekgebieden trekken we gezamenlijk op met de drinkwaterbedrijven.
We overleggen met het Rijk, andere provincies, drinkwaterbedrijven en andere belanghebbenden over het doel, het beleid en de regels voor de Nationale Grondwater Reserves en de begrenzing daarvan.
Realiseren
We hanteren een adaptieve aanpak om ervoor te zorgen dat er ook op lange termijn voldoende (extra) grondwater voor drinkwater kan worden onttrokken uit de strategische grondwatervoorraad.
Reguleren
In de Omgevingsverordening hebben we regels opgenomen ter bescherming van de strategische grondwatervoorraad. Zo nodig passen we deze aan om zo die bescherming op te voeren voor de gehele strategische grondwatervoorraad of delen daarvan.
We voeren een nadere begrenzing door van de strategische grondwatervoorraad in de gemeente Vijfheerenlanden, in overleg met drinkwaterbedrijf Oasen en belanghebbenden.
Toelichting op beleidskeuze 51 In het kader van de Beleidsnota Drinkwater en de Structuurvisie Ondergrond van het Rijk is afgesproken dat de provincies in samenwerking met de drinkwaterbedrijven Aanvullende Strategische Voorraden (ASV’s) aanwijzen en beschermen. Die ASV’s moeten voldoende schoon en winbaar grondwater bevatten om ook bij een extreme groei van de vraag naar drinkwater aan die vraag te kunnen voldoen. Uitgangspunt hiervoor is het Deltascenario Stoom voor 2050, dat voor onze provincie vrijwel hetzelfde drinkwatergebruik voorspelt als het WLO Global Economyscenario voor 2040. Landelijk veronderstelt dit een toename van de vraag met circa 30%; in de provincie Utrecht zou de groei zelfs nog hoger uitvallen. We hebben in ons Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 een strategische grondwatervoorraad aangewezen (‘Aanvullende Strategische Voorraden’), met als doel te kunnen blijven voldoen aan de toekomstige vraag naar drinkwater. De strategische grondwatervoorraad overlapt deels met de Nationale Grondwaterreserves, die het Rijk heeft vastgesteld om er op nationale schaal voor te zorgen dat er ook in de verre toekomst voldoende grondwaterreserves beschikbaar zijn. We bewaken de goede kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen, zoals voorgeschreven in de KRW en de Grondwaterrichtlijn en uitgewerkt in paragraaf 3.5.2.
Vanwege de bijzondere functie van de strategische grondwatervoorraad en de Nationale Grondwaterreserves voor de drinkwatervoorziening in de toekomst, waken we er specifiek voor deze gebieden voor dat ze niet worden uitgeput. Toelichting op beleidskeuze 52 Het drinkwater voor onze provincie wordt bereid uit grondwater (deels oevergrondwater). Ook voor de toekomst zien we grondwater als een belangrijke bron voor drinkwater. Als we samen met de drinkwaterbedrijven zoeken
58 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ naar nieuwe mogelijkheden voor winning, kijken we ook naar mogelijkheden voor alternatieve bronnen, zoals oppervlaktewater of meer oevergrondwater. Redenen om naar die alternatieven te kijken zijn de toenemende drukte in de ondergrond, de druk op het grondwatersysteem en mogelijke ongewenste (cumulatieve) effecten van grondwateronttrekking. Toelichting op beleidskeuze 53 Grondwaterwinning uit het tweede en derde watervoerende pakket heeft als voordeel dat de winning van nature beter beschermd is tegen negatieve invloeden vanaf het maaiveld en dat de effecten van de winning op de omgeving kleiner zijn. Daardoor zijn minder ingrijpende regels nodig om de winning te beschermen. Bijkomend voordeel is dat er in gebieden met een scheidende laag in de ondergrond boven het tweede watervoerende pakket, in het eerste watervoerende pakket ruimte beschikbaar blijft voor ander gebruik van de ondergrond, zoals ondiepe bodemenergie. Daarom heeft het onze sterke voorkeur dat nieuwe grondwaterwinningen voor de productie van drinkwater uit deze watervoerende pakketten onttrekken. Nieuwe toekomstige winningen voor de drinkwatervoorziening buiten de strategische grondwatervoorraad zijn in uitzonderingsgevallen mogelijk. Een aanvraag daartoe zal alleen gehonoreerd worden als een geschikte locatie binnen de strategische grondwatervoorraad aantoonbaar niet voorhanden blijkt.
Bij vergunningverlening voor een nieuwe winning voor de drinkwatervoorziening in de strategische grondwatervoorraad, op een locatie in de nabijheid van stedelijk gebied of door ons vastgestelde ontwikkellocaties, houden we rekening met vergunde bodemenergiesystemen. Dat doen we ook wat betreft nog ongebruikte potentie voor grootschalige bodemenergie binnen stedelijk gebied en de genoemde ontwikkellocaties. Toelichting op beleidskeuze 54 Samen met de drinkwaterbedrijven zoeken we naar functiecombinaties (‘meekoppelkansen’) die bijdragen aan onze gezamenlijke ambities. Dat doen we bij nieuwe locaties voor winningen voor de productie van drinkwater, maar ook bij bestaande. Voorbeelden zijn combinaties met natuurontwikkeling en het beleefbaar maken van cultureel erfgoed, zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Toelichting op beleidskeuze 55 Het is van groot belang de strategische grondwatervoorraad te beschermen. Risico’s voor de kwaliteit en kwantiteit van het grondwater kunnen gelegen zijn in activiteiten in de watervoerende pakketten zelf, maar ook in activiteiten en bestemmingen aan het maaiveld, of juist op grotere diepte. Grootschalige stedelijke ontwikkeling in de strategische grondwatervoorraad is ongewenst. Ook aardwarmtewinning of (grootschalige) toepassing van ondiepe bodemenergie tast de bruikbaarheid van de strategische grondwatervoorraad aan.
De benodigde mate van bescherming is afhankelijk van de bodemopbouw ter plaatse. Daarom onderscheiden we binnen de strategische grondwatervoorraad een kwetsbaar deel en een matig kwetsbaar deel. In de matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad biedt de natuurlijke bodemopbouw bescherming aan de kwaliteit van het grondwater in de dieper gelegen watervoerende pakketten. In de kwetsbare strategische grondwatervoorraad is dit niet het geval. In onze verordening staan instructieregels om ervoor zorg te dragen dat ruimtelijke plannen van derden geen risico voor het belang van de drinkwatervoorziening vormen. Hierbij beschermen we de kwetsbare strategische grondwatervoorraad extra goed. In aanvulling op bescherming via de verordening zetten we ook ons vergunningenbeleid voor ondiepe open bodemenergie in als instrument om de strategische grondwatervoorraad te beschermen (zie Annex 3: Voorwaarden ondiepe bodemenergie). Toelichting op beleidskeuze 56 De hoeveelheid schoon grondwater die extra kan worden onttrokken uit de strategische grondwatervoorraad voor drinkwaterbereiding, is ruim voldoende om te voorzien in de vraag naar drinkwater in de provincie bij het Deltascenario Stoom voor 2050.
Die omvang van de strategische grondwatervoorraad maakt het mogelijk om nieuwe winningen voor de drinkwatervoorziening te ontwikkelen op locaties die gunstig zijn omdat ze dichtbij de afnemers zijn gelegen en beperkte effecten hebben op de omgeving. De omvang stelt ons ook in staat om enige
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 59
^
^ ruimte te bieden aan andere functies en activiteiten binnen de strategische grondwatervoorraad, zoals aardwarmte en ondiepe bodemenergie. Een flexibele, adaptieve drinkwaterstrategie is nodig. Zowel de toekomstige vraag naar drinkwater is onzeker als de ontwikkelingen binnen de strategische grondwatervoorraad vanuit opgaven als de energietransitie en woningbouw. Voor de korte termijn maken we concrete afspraken om maatregelen te nemen die nu nodig zijn. Voor de langere termijn creëren we ruimte om flexibel in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Die adaptieve aanpak omvat jaarlijkse monitoring van de drinkwatervraag, de vergunningscapaciteit en ruimtelijke ontwikkelingen. Zo nodig volgen daar maatregelen op zoals het tussentijds aanscherpen van het beschermingsregime, het aanpassen van de begrenzing en het aanwijzen van een zoekgebied voor nieuwe winning. Vierjaarlijks vindt een bredere evaluatie plaats. Vooral de energietransitie leidt tot toenemend gebruik van de ondergrond voor ondiepe bodemenergiesystemen en mogelijk ook aardwarmte. Hieraan zijn mogelijke risico’s verbonden voor de grondwaterkwaliteit. Mogelijke maatregelen tegen deze risico’s die wij in 2021 en 2022 al gaan onderzoeken zijn allereerst een beperking van de toegestane diepte voor gesloten bodemenergiesystemen.
Ten tweede verkennen we mogelijke aanvullende provinciale regels voor de toepassing van aardwarmte in delen van de strategische grondwatervoorraad, ter bescherming en behoud van de grondwaterkwaliteit. Wij onderzoeken samen met belanghebbenden of dit nodig en haalbaar is. In de afweging betrekken wij, naast het belang van de drinkwatervoorziening, het belang van verduurzaming van de warmtevoorziening en houden we rekening met de beschikbaarheid van andere duurzame warmtebronnen (zie ook paragraaf 3.7 en Annex 3: Voorwaarden ondiepe bodemenergie). Toelichting op beleidskeuze 57 Het Rijk heeft in haar Structuurvisie Ondergrond Nationale Grondwaterreserves aangewezen, met een indicatieve 2D-begrenzing. Deze worden in samenspraak met onder andere provincies en drinkwaterbedrijven nader begrensd in 3D. Ook vindt overleg plaats over de benodigde mate en wijze van bescherming. Het aanwijzen en beschermen van Nationale Grondwaterreserves door het Rijk is er primair op gericht om diepe, oude, schone grondwaterreserves als natuurlijk kapitaal veilig te stellen voor toekomstige generaties. Van secundair belang is de mogelijke inzet van deze Nationale Grondwaterreserves in crisissituaties.
Het Rijk treedt in overleg met provincies en gemeenten om per Nationale Grondwaterreserve te bepalen welke mogelijkheden er zijn voor andere vormen van benutting, zoals bodemenergie, en welke restricties of randvoorwaarden daarbij eventueel van toepassing zijn. 3.5.4 Verdrogingsgevoelige natuurgebieden <kaart 4C> Een van de doelen van de KRW is ervoor te zorgen dat de hydrologie en de (grond)waterkwaliteit in Natura 2000-gebieden kwantitatief en kwalitatief voldoende zijn toegerust voor alle door de richtlijnen beschermde grondwaterafhankelijke plant- en diersoorten en habitats. Doel is verdroging tegen te gaan en ervoor te zorgen dat de beschermde soorten en habitats niet verder achteruitgaan en zelfs verbeteren. De maatregelen om dit te realiseren worden voor elk Natura 2000-gebied vastgelegd in het Natura 2000-beheerplan en vanuit dat kader tot stand gebracht. Voor verdere kwaliteitsverbetering van de grondwaterafhankelijke soorten en habitats in Natura 2000-gebieden zien we kansen voor het verminderen van de verdroging door verbetering van de hydrologie op regionaal niveau. Ook in andere gebieden in het NNN (Natuurnetwerk Nederland) komt bijzondere grondwaterafhankelijke natuur voor. De belangrijkste verdrogingsgevoelige natuurgebieden binnen de provincie Utrecht zijn opgenomen op de zogenoemde TOP-lijst verdroging.
Dit gaat zowel om de hierboven genoemde Natura 2000-gebieden als andere gebieden in het NNN met bijzondere grondwaterafhankelijke natuur. Uit de Evaluatie Verdrogingsbestrijding 2020, waarin de stand van zaken van de gebieden op de TOP-lijst in beeld is gebracht, blijkt dat in de meeste van deze gebieden maatregelen zijn genomen. In meer dan de helft van deze gebieden is de hydrologie inmiddels als redelijk
60 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ tot goed beoordeeld. Er wordt verdere verbetering verwacht van de hydrologie en de ecologie na uitvoering van de geplande maatregelen. Ook in deze gebieden streven we naar verdere verbetering van de hydrologische condities. Dit kan gaan om aanvullende maatregelen binnen de bestaande natuurgebieden en om verbetering van de hydrologie op regionaal niveau. Wat zijn onze doelen?
We willen een verdere bestrijding van de verdroging ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van de grondwaterafhankelijke natuur in het NNN.
We willen in 2027 voldoen aan de KRW-doelen, wat betekent dat de grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden hydrologisch op orde zijn.
Welke beleidskeuze maken we? 58. We werken gebiedsgericht aan de verdere verbetering van het watersysteem binnen natuurgebieden en op regionaal niveau. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
Voor stimulering van anti-verdrogingsmaatregelen verwijzen we naar subsidieregelingen zoals de Subsidie Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL).
Participeren
We coördineren het plan van aanpak Verdroging.
We werken samen met onder andere de waterschappen en de natuurbeheerders aan kennisontwikkeling over mogelijke maatregelen gericht op de verbetering van het watersysteem in natuurgebieden.
We werken samen in gebiedsprocessen, zoals de Blauwe Agenda, om de grondwatervoorraad te behouden en aan te vullen.
We doen onderzoek naar noodzakelijke aanvullende hydrologische maatregelen in het Natura 2000-gebied Botshol.
We doen onderzoek naar effectieve aanvullende hydrologische maatregelen in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.
Realiseren
We breiden het grondwatermeetnet uit in natuurgebieden in het NNN met grondwaterafhankelijke natuurdoelen.
We stellen een plan van aanpak op voor een verdere bestrijding van de verdroging ten behoeve van kwaliteitsverbetering van de natuur in het NNN.
Waar nodig nemen we maatregelen op in andere provinciale programma’s, zoals het nieuwe uitvoeringsprogramma voor het landelijk gebied.
We maken afspraken met de betrokken partijen over het uitvoeren van hydrologische herstelmaatregelen als beschreven in de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden en voeren deze uit.
Toelichting op beleidskeuze 58 We stellen een plan van aanpak op voor een verdere bestrijding van de verdroging ten behoeve van kwaliteitsverbetering van de natuur in het NNN. Dit plan is gericht op:
Aanpak van de nog resterende opgave met kansrijke, aanvullende lokale maatregelen tegen verdroging in een aantal gebieden op de TOP-lijst verdroging en mogelijk andere verdrogingsgevoelige natuurgebieden in het NNN. Dit omvat ook het uitvoeren van voortgangsmonitoring en uitbreiding van het grondwatermeetnet. Daarnaast kan aandacht gegeven worden aan het optimaliseren van het beheer en onderhoud van water- en natuurgebieden.
Het uitvoeren van een verkenning om kansen in beeld te brengen voor gebiedsgerichte verbetering van het watersysteem op regionaal niveau. De uitkomst van deze verkenning wordt het kader voor verbetering van de kwaliteit van de natuur in verdrogingsgevoelige natuurgebieden. Hiervoor zoeken we aansluiting bij provinciale gebiedsprocessen en opgaven zoals bodemdaling, klimaatadaptatie, stikstofaanpak en het
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 61
^
^ Programma Natuur. Het laatste is een gezamenlijk plan van Rijk en provincies om de natuur in Nederland de komende jaren verder te versterken en te verbeteren. Met de betrokken partijen moet vervolgens afstemming plaatsvinden om te beoordelen in hoeverre de mogelijke regionale maatregelen per gebied maatschappelijk haalbaar zijn. Regionale maatregelen in de Natura 2000-gebieden worden nu niet voorzien, maar kunnen gezien de landelijke ambitie van het Programma Natuur alsnog in beeld komen. Om die reden stellen we voor die mee te nemen in de genoemde verkenning. Uit de evaluatie verdrogingsbestrijding 2020 blijkt dat in 27 van de 36 onderzochte gebieden in de provincie Utrecht de verdroging nog onvoldoende is bestreden. De ecologische ontwikkeling is niet alleen afhankelijk van de hydrologische omstandigheden, maar ook van externe invloeden zoals stikstofdepositie of klimaatverandering. Beheer en onderhoud spelen ook een rol; dan gaat het bijvoorbeeld om beheer van de waterhuishouding, het wegwerken van achterstallig onderhoud bij het natuurbeheer en het uitvoeren van gerichte ecologische maatregelen om natuurkwaliteiten te behouden of te vergroten. Onder andere in het kader van onze rol inzake het Subsidiestelsel Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) gaan wij hierover in gesprek met de terreinbeheerders.
Het Programma Natuur richt zich op verdere kwaliteitsverbetering van de natuur in het NNN. Hierbij gaat het vooral om maatregelen in en rondom overbelaste, stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Om verbetering van de hydrologische condities in natuurgebieden daadwerkelijk te kunnen realiseren, is het belangrijk dat dit wordt meegenomen in programma’s en gebiedsgerichte projecten. Relatie regionale kwel en aanpak stikstof Toename van regionale kwel is belangrijk voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen van een aantal Natura 2000-gebieden en de natuurkwaliteit in andere gebieden in het NNN. In de grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden en andere gebieden in het NNN komen vegetaties voor die voedselarme en gebufferde condities nodig hebben. Teveel stikstofdepositie heeft op de natuur twee belangrijke negatieve effecten: vermesting en verzuring. Door vermesting en verzuring veranderen de voedselrijkdom en chemische evenwichten in de bodem. Dit zorgt voor een verschuiving van het evenwicht in de natuur. Zeldzame vegetaties en bijzondere soorten verdwijnen, waardoor biodiversiteit afneemt. De instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden worden hierdoor niet gehaald of negatief beïnvloed. Ook als het zure regenwater dieper in de bodem kan doordringen, zoals bij lage grondwaterstanden, veroorzaakt dit verzuring in de bodem.
De buffercapaciteit van de bodem voorkomt verzuring. Deze buffercapaciteit wordt gestimuleerd door een voortdurende aanvoer van kalkrijk, voedselarm regionaal grondwater. Versterken van deze regionale kwel is daarom belangrijk voor het herstel van de gebufferde condities in de wortelzone, die nodig is voor de ontwikkeling van de grondwaterafhankelijke vegetaties. Het stimuleren van kwel draagt bij aan het oplossen van bovengenoemde problemen, die zijn ontstaan door te hoge stikstofdepositie. 3.6 WATERVEILIGHEID Het grootste deel van onze provincie ligt in overstroombaar gebied. De waterveiligheidsnormen voor de primaire waterkeringen langs de Nederrijn en de Lek zijn in 2017 aangescherpt. In 2017 zijn de waterschappen in het kader van het hoogwaterbeschermingsprogramma gestart met dijkverbeteringsprojecten. De provincie Utrecht is bij dit proces betrokken, zowel in de rol van het bevoegd gezag als van projectpartner. De waterschappen werken ook aan het versterken van de regionale keringen. Hierbij werken we samen met de waterschappen en hebben we een toezichthoudende rol. Tevens werken we met onze gebiedspartners samen aan het inzichtelijk maken van de mogelijke gevolgen van overstromingen en zoeken we naar mogelijkheden om die gevolgen te beperken. 3.6.1 Primaire waterkeringen <kaart 5> De primaire waterkeringen zijn de dijken langs de grote rivieren.
Het Rijk legt hiervoor de normen vast, het beheer ligt bij de waterschappen. In Utrecht gaat het om de dijken langs de Nederrijn, de Lek, de Eem en de randmeren van het IJsselmeer. Drie van de vier waterschappen gelegen in de provincie Utrecht hebben primaire waterkeringen in beheer. In totaal ligt er ongeveer 80 kilometer aan primaire waterkeringen in de provincie.
62 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ Wat zijn onze doelen?
De provincie is in 2050 klimaatbestendig en waterveilig ingericht. Primaire waterkeringen langs de Nederrijn, de Lek, het Eemmeer en de Eem beschermen onze provincie tegen grootschalige overstromingen. Indachtig de veiligheid van de burgers en de bescherming van economische waarden, willen we dat deze waterkeringen op orde zijn.
We hebben in 2030 een aantrekkelijke en toekomstbestendige dijk en omgeving langs de Nederrijn en de Lek. Naast een veiligheidsfunctie hebben de dijken langs de Nederrijn en de Lek ook grote en bovenlokale betekenis voor de natuur, de recreatie, de cultuurhistorie en de landschappelijke kwaliteit. Qua veiligheid reikt de betekenis van de dijken tot diep in het Groene Hart, Rivierenland, de Randstad en de Drechtsteden. De provincie Utrecht heeft de ambitie de Nederrijn- en Lekdijken verder te ontwikkelen tot belangrijke iconen. Het dijken- en rivierenlandschap kan immers bijdragen aan de identiteit en kwaliteit van ons landschap.
Welke beleidskeuze maken we? 59. Met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde programmaplan Mooie en veilige dijken zetten we in op een integrale aanpak en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit op en om de Nederrijnen Lekdijk. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Participeren
De provincie Utrecht zet zich samen met de waterschappen en andere gebiedspartners in voor een betere omgevingskwaliteit in het gebied op en rond de dijken langs de Nederrijn en Lek. We dragen met kennis, menskracht en geld bij aan de ruimtelijke, landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten bij de dijkverbeteringen. Hoe en waar we dit doen staat beschreven in het programmaplan Mooie en veilige dijken.
Reguleren
Voor de dijkversterkingen van de primaire keringen hebben provincies een wettelijke taak bij de toetsing van het projectbesluit van het waterschap. Het doel van die toetsing is het waarborgen van een samenhangende benadering van de onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving.
We zijn het bevoegd gezag voor het beoordelen van milieueffectrapportages.
We hebben de mogelijkheid een provinciaal projectbesluit vast te stellen.
3.6.2 Regionale waterkeringen <kaart 5> Een regionale waterkering is een niet-primaire waterkering die is aangewezen op basis van de Omgevingsverordening. Niet-primaire waterkeringen zijn bijvoorbeeld boezemkades, waterkeringen langs kanalen en regionale rivieren en droge compartimenteringskeringen. De regionale waterkeringen zijn nodig tegen overstromingen vanuit regionale wateren. Elk van de vier waterschappen gelegen in de provincie Utrecht heeft regionale waterkeringen in beheer. In de provincie ligt in totaal 578 kilometer aan regionale waterkeringen. Voor de niet-primaire waterkeringen die in het beheer zijn bij de waterschappen is een ‘omgevingswaarde’ vastgelegd in de Omgevingsverordening. Met de omgevingswaarde kan de verwachte economische schade worden uitgedrukt die ontstaat als de waterkering faalt. De regionale waterkeringen zijn in IPO-veiligheidsklassen ingedeeld, oplopend van een overschrijdingskans van 1/10 per jaar tot een overschrijdingskans van 1/1000 per jaar. Met ‘overschrijdingskans’ wordt bedoeld: de kans dat een maximale waterstand die een dijk moet keren wordt overschreden. In de provincie Utrecht zijn regionale waterkeringen aangewezen met een overschrijdingskans van 1/1250 per jaar. Hoe groter de mogelijke gevolgen zijn van een dijkdoorbraak, hoe strenger de omgevingswaarde is.
De omgevingswaarden voor de regionale waterkeringen in het westen van onze provincie zijn in nauw overleg met de waterschappen en de provincies Zuid-Holland en Noord-Holland vastgelegd. De omgevingswaarden voor de regionale waterkeringen in het oosten van de provincie zijn in nauw overleg met het waterschap Vallei en Veluwe en de provincie Gelderland vastgelegd.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 63
^
^ Wat is ons doel?
We willen dat de regionale waterkeringen in de provincie op orde zijn en we willen voorkomen dat ze overstromen. Als provincie Utrecht hebben we een toezichthoudende en regulerende rol bij de regionale waterkeringen. Het toezicht houden en reguleren is een wettelijke taak en vindt plaats via de Omgevingsverordening. De waterschappen rapporteren jaarlijks over de voortgang van het verbeterproces en over de toetsing van de regionale keringen.
Welke beleidskeuze maken we? 60. We waarborgen de veiligheid van de provincie tegen overstromingen vanuit regionale wateren, door omgevingswaarden vast te leggen en toezicht te houden op de naleving van afspraken door de waterschappen. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
In het Ontwikkelingsprogramma Regionale Waterkeringen werken we samen met de andere provincies, de waterbeheerders en de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer aan het doel om kennis en instrumenten te ontwikkelen om de veiligheid van de regionale waterkeringen te waarborgen.
Binnen het West-Nederland-verband werken we samen met waterschappen en andere provincies met als doel om kennis en inzichten te delen ter uniformering van het proces van toetsen en het op orde brengen van de regionale waterkeringen.
Reguleren
De provincie Utrecht houdt toezicht op de regionale waterkeringen. Regulering vindt plaats via de Omgevingsverordening. Hierin zijn de omgevingswaarden voor de regionale waterkeringen opgenomen en een instructieregel met betrekking tot de vrijwaringszone aan weerszijden van de regionale waterkering.
Toelichting op beleidskeuze 60 Voor Waterschap Amstel Gooi en Vecht, Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en Waterschap Rivierenland is in 2014 het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland vastgesteld. Daarin zijn afspraken vastgelegd over het toetsen en op orde brengen van de regionale waterkeringen. Dit is een continu proces; elke twaalf jaar moeten de regionale waterkeringen getoetst worden. De eerstvolgende keren zullen zijn in 2024 en 2036. Wordt een waterkering in de toetsronde van 2024 afgekeurd, dan dient hij in 2030 te voldoen aan de omgevingswaarden. In 2015 is het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen voor Waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. De afspraken daarin zijn gelijk aan de hiervoor genoemde afspraken met de West-Nederlandse waterschappen. Een uitzondering betreft de Slaperdijk in het beheergebied van Waterschap Vallei en Veluwe. De status van die regionale waterkering wordt opnieuw bekeken zodra het verbeteren van de Grebbedijk op orde is, gelegen tussen Wageningen en Rhenen. Voor wat betreft onze samenwerking met de andere provincies, de waterbeheerders en Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer binnen het Ontwikkelingsprogramma Regionale Waterkeringen, vindt in de periode tot 2024 een herbeschouwing plaats van de veiligheidsbenadering voor de regionale waterkeringen.
Ook wordt de zorgtaak voor de regionale keringen uitgewerkt. Op termijn kan de herbeschouwing leiden tot nieuwe en aangepaste omgevingswaarden en een nieuwe toezichtstrategie. Omdat de oorzaken en gevolgen van een overstroming veranderen als gevolg van klimaatverandering en ruimtelijke ontwikkelingen, overweegt de provincie Utrecht de aanwijzing en normering van de regionale waterkeringen te actualiseren, om te voorkomen dat het overstromingsrisico toeneemt. 3.6.3 Gevolgbeperking overstromingen <kaart 5, overstroombaar gebied> Het concept meerlaagsveiligheid (MLV) is in 2009 in het Nationaal Waterplan geïntroduceerd. Het concept is bedoeld voor een duurzaam waterveiligheidsbeleid voor overstromingen vanuit het hoofdwatersysteem en bevat drie lagen. De eerste laag is preventie: het zoveel mogelijk voorkomen van een overstroming. De tweede laag richt
64 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ zich op het realiseren van een duurzame ruimtelijke inrichting van ons gebied. De derde laag zet in op een betere (organisatorische) voorbereiding op een mogelijke overstroming en het herstel en de terugkeer naar het overstroomde gebied. Soms wordt dat herstel als een aparte vierde laag beschouwd. In deze paragraaf gaat het over laag 2 en 3. Wat is ons doel?
Een groot deel van de provincie Utrecht is kwetsbaar voor overstromingen. Wanneer het gebied overstroomt, kan dit grote gevolgen hebben. Het kan tot schade leiden voor mens, milieu of economie. Dat willen we zoveel mogelijk beperken.
Welke beleidskeuzes maken we? 61. We willen het risico op en de gevolgen van overstromingen inzichtelijk maken. We faciliteren gemeenten om het beperken van de gevolgen van overstromingen op te nemen in het beleid. 62. Indachtig het MLV-concept geven we invulling aan onze (beperkte) wettelijke taak ten aanzien van calamiteitenbeheersing. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We adviseren in projecten die gaan over ‘overstromingsrobuust inrichten’ en zorgen er in samenwerking met anderen voor dat initiatiefnemers meer rekening houden met overstromingsrisico’s.
We geven invulling aan de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s. We leveren een bijdrage aan het invullen van de overstromingsgevaar- en risicokaarten en het opstellen van het Overstromingsrisicobeheerplan.
We dragen financieel bij aan de gecoördineerde crisisbeheersing. Bij grootschalige watercalamiteiten en tijdens de voorbereiding daarop brengen we onze provinciale belangen en kennis in en houden we toezicht bij gevaar voor de veiligheid van de regionale waterkeringen.
We dragen samen met de provincies Noord- en Zuid-Holland en betrokken waterbeheerders bij aan de doorontwikkeling van het overstromingsmodel van de Randstad.
Participeren
We zijn samen met de Veiligheidsregio Utrecht trekker van het project Gevolgbeperking Overstromingen.
Reguleren
De Omgevingsverordening bevat een instructieregel dat gemeenten bij de locatiekeuze en ruimtelijke inrichting binnen het overstroombare gebied rekening houden met overstromingsrisico’s.
Toelichting op beleidskeuze 61 Het doel van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) is de beperking van de negatieve gevolgen van overstromingen voor de volksgezondheid, het milieu, het cultureel erfgoed en de economie. De ROR verplicht ons om voor gebieden met significant overstromingsrisico kaarten te maken waarop het overstromingsgevaar en de risico’s te zien zijn. Ook dienen we plannen te maken waarin de doelen en maatregelen voor het overstromingsrisicobeheer staan beschreven. Concreet verplicht de ROR de lidstaten tot het maken van een voorlopige risicobeoordeling, die in Nederland door de provincies in samenwerking met de waterbeheerders in december 2018 is opgeleverd. De verplichte overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten kwamen gereed in december 2019 en het Overstromingsrisicobeheerplan zal naar verwachting beschikbaar komen in december 2021. De overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten voor Nederland zijn gepubliceerd op www.risicokaart. nl. De overstromingsgevaarkaarten geven de mogelijke gevolgen van een overstroming weer, zoals het potentieel aantal getroffenen. Voor de productie van veel kaarten worden overstromingsscenario’s gebruikt. In het Overstromingsrisicobeheerplan zijn alle doelen en maatregelen opgenomen om de overstromingsrisico’s te beheren.
De provincies dragen bij aan de totstandkoming van dit plan, door het aanleveren van regionale informatie aan het Rijk, die de regie heeft. Kaarten en plannen voor de gebieden met significant overstromingsrisico worden elke zes jaar geüpdatet.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 65
^
^ De provincie Utrecht wil overstromingen voorkomen door het nemen van zogenoemde waterveiligheidsmaatregelen. Als het ondanks deze maatregelen toch misgaat willen we voorbereid zijn. Daarom hebben we een instructieregel voor gemeenten over de wijze waarop zij rekening moeten houden met overstromingsrisico’s binnen overstroombaar gebied. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten, woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. Binnen het project Gevolgbeperking Overstromingen werkt de provincie Utrecht samen met de Veiligheidsregio Utrecht, waterbeheerders en gemeenten aan een aanpak van het beperken van de gevolgen van overstromingen. Het project richt zich op de ontwikkeling van (ruimtelijke) maatregelen voor een meer overstromingsrobuuste inrichting en op maatregelen die leiden tot vermindering van schade, letsel en overlast. De vitale en kwetsbare functies in een gebied worden hierbij sterk meegewogen. Met de informatie en kennis die uit het project volgen zal het gesprek worden aangegaan met overheidspartners en faciliteren we gemeenten om het beperken van de gevolgen van overstromingen vast te leggen in beleid en maatregelen. Daarnaast stimuleren we assetbeheerders om maatregelen te nemen. De uitwerking van het project vindt plaats in de werkregio’s die het adaptatiebeleid ontwikkelen.
Toelichting op beleidskeuze 62 Het concept meerlaagsveiligheid speelt een belangrijke rol in hoe we omgaan met waterveiligheid. Het kan gebeuren dat er ondanks de vele projecten die gericht zijn op het waterveilig en klimaatbestendig maken van de provincie Utrecht toch sprake zal zijn van een overstroming of grootschalige wateroverlast, bijvoorbeeld door extreem weer. In zo’n geval dient duidelijk te zijn welke afspraken er intern en extern zijn gemaakt. Het moet helder zijn welke overheid welke verantwoordelijkheid heeft en wie welke actie onderneemt. De coördinatie bij calamiteiten ligt in eerste instantie bij de Veiligheidsregio Utrecht en bij de waterbeheerders. De provincie Utrecht draagt samen met de andere betrokken partijen bij om de negatieve effecten van een overstroming of wateroverlast te minimaliseren, letsel bij bewoners te voorkomen en schade aan de omgeving zoveel mogelijk te beperken. We dragen bij aan gezamenlijke kennisontwikkeling en zorgen voor actuele draaiboeken. De draaiboeken dienen als een hulpmiddel en beschrijven de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en taken van de betrokken organisaties in geval van een watercalamiteit. 3.7 ENERGIE UIT BODEM EN WATER De provincie Utrecht stelt zich ten doel om zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2-neutraal te zijn.
Duurzame energie uit bodem en water kan een belangrijke bijdrage leveren aan het waarmaken van deze ambitie en willen we daarom de ruimte geven. Beschikbare duurzame bronnen uit bodem en water zijn in te delen in drie categorieën: ondiepe bodemenergie¸ aquathermie en aardwarmte. Voor alle technieken geldt dat verkeerd of onzorgvuldig gebruik kan leiden tot negatieve effecten op mens, bodem, water en milieu. De benutting van duurzame energie uit bodem en water moet dus veilig en verantwoord gebeuren en daarom stellen we voorwaarden. Dit sluit aan bij de ambities ten aanzien van een gezonde en veilige provincie uit de Omgevingsvisie en het in ontwikkeling zijnde programma Gezond en Veilig provincie Utrecht. Als gevolg van de energietransitie zal er steeds meer vraag zijn naar duurzame energie uit bodem en water. Toenemend gebruik van de ondergrond vraagt wel om goede afstemming met de andere functies en het andere gebruik in de provincie (zie ook paragraaf 3.1.1 Duurzaam gebruik ondergrond). Andere vormen van mijnbouw dan aardwarmte, zoals (fossiele) olie- en gaswinning, vinden we niet passen bij duurzaam gebruik van het bodem- en watersysteem en duurzame energievoorziening. Deze mijnbouwactiviteiten zullen we zoveel mogelijk weren.
3.7.1 Ondiepe bodemenergie <kaart 6A> Onder ondiepe bodemenergie vallen bodemenergiesystemen die worden toegepast tot een diepte van 500 meter beneden maaiveld. Deze zijn te verdelen in open bodemenergiesystemen, waarbij grondwater wordt verpompt, en gesloten bodemenergiesystemen. Voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen zijn we op grond van de Omgevingswet het bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen en het handhaven daarvan. Voor gesloten bodemenergiesystemen zijn de gemeenten het bevoegd gezag. Systemen voor hogetemperatuur-
66 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ en middelhogetemperatuuropslag (HTO en MTO) en ondiepe geothermie (OGT) zijn specifieke vormen van open bodemenergiesystemen. Worden ze toegepast op minder dan 500 meter onder maaiveld, dan zijn wij het bevoegd gezag. Voor diepere systemen is dat het Rijk, in het kader van de Mijnbouwwet. Wat zijn onze doelen?
We willen in 2050 ondiepe bodemenergie optimaal benutten op een veilige en verantwoorde wijze voor mens, bodem, water en milieu.
We willen dat ondiepe bodemenergie wordt benut in samenhang met alle andere boven- en ondergrondse belangen.
Welke beleidskeuzes maken we? 63. We stimuleren het toepassen van ondiepe bodemenergie, omdat dit bijdraagt aan het verduurzamen van de warmte- en koudevoorziening en daarmee aan het behalen van de klimaaten energiedoelstellingen. 64. Als het bevoegd gezag voor ondiepe open bodemenergiesystemen stellen we voorwaarden, opdat de aanleg en het gebruik veilig en verantwoord gebeurt en sprake is van duurzaam gebruik van de ondergrond. De voorwaarden zijn deels algemeen en deels gebiedsgericht uitgewerkt, aan de hand van de kwetsbaarheid van het gebied voor risico’s van ondiepe bodemenergie. We maken het volgende onderscheid:
Algemene voorwaarden voor alle ondiepe open bodemenergiesystemen, onafhankelijk van de locatie.
Specifieke voorwaarden voor ondiepe open bodemenergie in gebieden met een bodemenergieplan of een vergelijkbaar plan.
65. Vanuit onze wettelijke taken en beleidskeuzes op het gebied van grondwater, stellen we restricties aan het toepassen van ondiepe bodemenergie in grondwaterbeschermingszones en in gebieden met beperkingen vanwege grondwaterbeheer. De uitwerking van de onder 64. en 65. genoemde voorwaarden is beschreven in Annex 3. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We dragen bij aan (onderzoeks-)projecten gericht op het vergroten van kennis over veilig, verantwoord en doelmatig gebruik van ondiepe bodemenergie.
We delen kennis met partners, zoals gemeenten en drinkwaterbedrijven, en in regionale en interprovinciale netwerken.
Participeren
We dragen bij aan Regionale Energiestrategieën en gemeentelijke Transitievisies Warmte door kennis over kansen en randvoorwaarden voor ondiepe bodemenergie in te brengen.
We leveren een bijdrage aan gemeentelijke bodemenergieplannen en aan een gebiedsgerichte grondwateraanpak.
Realiseren
We kijken naar het nut en de mogelijkheden om in drukke gebieden bodemenergiesystemen dichter op elkaar te plaatsen, teneinde op gebiedsniveau een grotere CO2-reductie te realiseren.
Reguleren
We zijn het bevoegd gezag voor de aanleg en het gebruik van ondiepe open bodemenergiesystemen en hebben in dit programma een VTH-kader opgenomen (vergunningverlening, toezicht en handhaving).
In onze Omgevingsverordening zijn regels voor open en gesloten bodemenergiesystemen opgenomen ter bescherming van winningen voor de drinkwatervoorziening.
Wanneer een gemeentelijk bodemenergieplan of daarmee vergelijkbaar gemeentelijk beleid met ons is afgestemd en in lijn is met ons beleid, stellen Gedeputeerde Staten de daaruit voorvloeiende beleidsregels vast als aanvullend toetsingskader voor vergunningverlening.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 67
^
^ Toelichting op beleidskeuze 63 Het benutten van ondiepe bodemenergie levert een bijdrage aan de klimaat- en energiedoelstellingen (zie ook Programmaplan Energietransitie 2020-2025). Het draagt bij aan een duurzame warmte- en koudevoorziening en daarom stimuleren we de toepassing ervan, mits dat veilig en verantwoord gebeurt. Of ondiepe bodemenergie de beste keuze is voor het duurzaam verwarmen en koelen van een gebouw hangt af van veel factoren. De energievraag van het gebouw en het gebied spelen bijvoorbeeld een rol en ook de beschikbare alternatieve duurzame bronnen, de opbouw van de ondergrond en ander gebruik van die ondergrond. De keuze tussen diverse duurzame warmtebronnen wordt gemaakt bij nieuwbouw en renovatie, of wijkgericht in het kader van de warmtetransitie. Naast gebouweigenaren en initiatiefnemers spelen gemeenten hierin een belangrijke rol. Behalve stimuleren stellen we kaders om ervoor te zorgen dat de toepassing veilig en verantwoord gebeurt en het voor initiatiefnemers duidelijk is wat we daaronder verstaan. We dragen bij aan kennisopbouw en kennisdeling en zorgen voor een goede positionering van ondiepe bodemenergie binnen de warmtetransitie. Via een gebiedsgerichte aanpak werken we aan duurzaam gebruik van de ondergrond.
In gebieden waar grote drukte van bodemenergiesystemen wordt verwacht of een grote energievraag bestaat, is het wenselijk om te sturen op optimale benutting van de potentie voor ondiepe bodemenergie. Een bodemenergieplan of vergelijkbaar plan kan hiervoor een nuttig instrument zijn. Het ligt voor de hand dat een gemeente het voortouw neemt bij het opstellen van een dergelijk plan en dat gemeente en de provincie Utrecht samen optrekken bij de uitwerking. In uitzonderlijke gevallen nemen wij het initiatief. We verkennen ook mogelijkheden voor het verdichten van bodemenergiesystemen in gebieden waar de vraag naar bodemenergie groot is of zal worden ten opzichte van de beschikbare ruimte in de ondergrond. Het dichter op elkaar plaatsen van systemen dan gebruikelijk kan leiden tot enige verslechtering van het rendement van een individueel systeem. Die verslechtering mag niet zodanig zijn dat het doelmatig functioneren van dat systeem significant wordt geschaad. Op gebiedsniveau is door verdichting een grotere energiebesparing en een grotere reductie van CO2-uitstoot mogelijk, doordat er meer en/of grotere bodemenergiesystemen kunnen worden gerealiseerd. Toelichting op beleidskeuze 64
Zie ook uitwerking in Annex 3 De provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving (VTH) op het gebied van open bodemenergiesystemen. De Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving stellen landelijke kaders, maar geven ons ook ruimte voor nadere invulling van onze VTH-taken voor open bodemenergie. Hiervan maken we gebruik door voorwaarden te stellen en zo bij te dragen aan het realiseren van onze ambitie dat bodemenergie optimaal wordt benut op een veilige en verantwoorde wijze voor mens, bodem, water en milieu. De algemene voorwaarden die in de hele provincie gelden, richten zich op bescherming van andere belangen en op een doelmatig gebruik van de ondergrond voor bodemenergie. De bescherming van andere belangen is grotendeels geborgd in het toetsingskader voor grondwateronttrekkingen, dat ook van toepassing is op open bodemenergiesystemen. Omdat open bodemenergiesystemen, anders dan ‘gewone’ grondwateronttrekkingen, ook thermische effecten hebben, geldt hiervoor een aanvullend kader. In het kader van het doelmatig gebruik van de ondergrond voor open bodemenergie en efficiënt werkende systemen die daadwerkelijk bijdragen aan de energietransitie, stellen we voorwaarden ten aanzien van de energiebalans, het rendement, de productiviteit en de capaciteit.
Middelhoge- en hogetemperatuuropslag (MTO en HTO) en ondiepe geothermie (OGT) zijn nieuwe technieken waar op provinciaal en landelijk niveau nog weinig ervaring mee is opgedaan. Aan het verlenen van een vergunning verbinden we daarom extra voorwaarden ten aanzien van de monitoring en maatregelen om in geval van eventuele onverwachte ongewenste effecten deze te ondervangen. MTO, HTO en OGT mogen alleen worden toegepast in het tweede watervoerende pakket en dieper. Indien vooraf wordt aangetoond dat op een specifieke locatie toepassing in het eerste watervoerende pakket mogelijk is zonder risico voor andere belangen, kunnen we hier vergunning voor verlenen (‘nee, tenzij’-principe). Vanwege de bescherming van de grondwaterkwaliteit in bepaalde gebieden kan daar een aanvullende beperking gelden voor de beschikbare watervoerende pakketten (zie beleidskeuze 65).
68 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ Toelichting op beleidskeuze 65
Zie ook uitwerking in Annex 3 Het aanleggen en gebruiken van ondiepe bodemenergiesystemen heeft effecten die een risico kunnen vormen voor grondwater dat wordt gebruikt als bron voor drinkwater. Vanuit onze wettelijke rol en onze taken in het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening, beperken we de toepassing van ondiepe bodemenergie in de nabijheid van grondwateronttrekkingen voor drinkwater. Hiertoe hebben we regels opgenomen in onze Omgevingsverordening, zowel voor open als voor gesloten bodemenergiesystemen. Vanwege de kwetsbaarheid zijn bodemenergiesystemen niet toegestaan in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. In boringsvrije zones zijn ze alleen toelaatbaar boven de dieptegrens van de betreffende winning. De Omgevingsverordening bevat geen rechtstreeks werkende algemene regels, zoals een verbod of dieptebeperking, voor de toepassing van ondiepe bodemenergie in de strategische grondwatervoorraad. Wel is een instructieregel opgenomen op grond waarvan gemeenten rekening moeten houden met het belang van grondwaterwinning voor de openbare drinkwatervoorziening. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een nieuwe woonwijk die middels bodemenergie duurzaam zal worden verwarmd. We verlenen geen vergunning voor open bodemenergiesystemen in het tweede en derde watervoerende pakket van de strategische grondwatervoorraad.