5.7 Ontwerp Bodem en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027
Tekst van het document
Toelichting op beleidskeuze 18 We willen in de beoordeling van de grondwaterverontreinigingen voorlopig beleidsneutraal overgaan ten aanzien van de Wbb en de Circulaire Bodemsanering. We behouden daarmee het huidige beoordelingskader voor grondwaterverontreinigingen. Dit beoordelingskader is te vinden in Annex 2. We willen eerst ervaring opdoen met het nieuwe regime van de Omgevingswet. Daarna passen we onze ambities en de beoordeling mogelijk aan. Zo zullen we zodra de Risicotoolbox Grondwater (RTG) beschikbaar komt, onderzoeken hoe we die in de beoordeling van grondwaterverontreinigingen kunnen en willen gebruiken. De provincies moeten op basis van de Grondwaterrichtlijn verontreinigende stoffen aanwijzen. In de Grondwaterrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen gevaarlijke verontreinigende stoffen, waarvan de inbreng voorkomen moet worden, en niet-gevaarlijke verontreinigende stoffen, waarvan de inbreng beperkt moet worden. De provincie Utrecht kiest ervoor om in lijn met de Wbb geen gevaarlijke verontreinigende stoffen aan te wijzen. Voor de niet-gevaarlijke verontreinigende stoffen houden we vooralsnog de signaleringsparameters uit artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan. Deze zijn gelijk aan de interventiewaarden als beschreven in de Circulaire Bodemsanering.
Voor stoffen waarvoor nog geen norm is opgenomen in deze lijst met interventiewaarden, kan de provincie Utrecht op een later moment nog normen stellen. Hierbij hanteren we de richtlijn voor het omgaan met nietgenormeerde stoffen, zoals beschreven in bijlage 6 van de Circulaire Bodemsanering. In Annex 2 geven we aan hoe we historische verontreinigingen beoordelen, wanneer er sprake is van inbreng, wanneer er sprake is van risico en wanneer een verontreiniging moet worden aangepakt. In overleg met onze partners maken we afspraken over wie verantwoordelijk is voor het aanpakken van de verontreiniging. Wanneer volgens dit beoordelingskader sprake is van een nog niet eerder ontdekte historische verontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico, dan moet deze verontreiniging altijd aangepakt worden. We verkennen (met onze partners) of we algemene regels gaan opnemen in de Omgevingsverordening ten aanzien van de aanpak, of dat we maatwerkvoorschriften aan de vergunning voor de activiteit stellen. Toelichting op beleidskeuze 19 Zoals in beleidskeuze 14 aangegeven, werken we zoveel mogelijk met gebiedsgerichte aanpakken voor de aanpak van historische verontreinigingen. Hierbij putten we onder andere uit het gedachtegoed van het beleidskader van het Rijk met betrekking tot Gebiedsgericht grondwaterbeheer (GGB) en de pilots van de afgelopen jaren.
We houden niet vast aan de huidige invulling van het GGB, maar willen met verschillende invullingen experimenteren. We werken dit verder uit met onze partners in de werkgroep Beleidskeuzes. Binnen een gebiedsaanpak kan worden afgeweken van de algemene regels in de Omgevingsverordening ten aanzien van grondwaterverontreinigingen. Uitgangspunt hierbij is dat de risico’s voor kwetsbare objecten, waaronder oppervlaktewater en bronnen voor de productie van drinkwater, zoveel mogelijk beperkt moeten worden.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 37
^
^ Toelichting op beleidskeuze 20 We sluiten aan bij de methodiek uit de Wbb en blijvende landelijke wetgeving op het gebied van bodembescherming. 3.3.3 Schoon grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening <kaart 2, grondwaterbeschermingszones> Deze paragraaf beschrijft wat de provincie Utrecht doet met betrekking tot het voorkomen van de achteruitgang en waar nodig het verbeteren van de grondwaterkwaliteit bij onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening. In de provincie Utrecht zijn meerdere grond- en oppervlaktewaterwinningen voor de openbare drinkwatervoorziening aanwezig binnen de vier grondwaterlichamen. Om dit op een duurzame manier te doen zijn beschermingszones in de Omgevingsverordening ingesteld, elk met een eigen set aan regels. De provincie Utrecht onderscheidt de volgende typen grondwaterbeschermingszones, waarbinnen verschillende regels gelden:
De waterwingebieden.
De grondwaterbeschermingsgebieden.
De boringsvrije zones.
De 100-jaarsaandachtsgebieden.
De matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad.
De kwetsbare strategische grondwatervoorraad.
Toestand grondwater De toestand van het grondwater wordt in het kader van de KRW beoordeeld aan de hand van testen zoals die zijn vastgelegd in het Protocol voor toestand- en trendbeoordeling van grondwaterlichamen KRW, vastgesteld in september 2019. De regionale deeltesten voor de beschermde gebieden en kwetsbare objecten laten zien dat binnen de provincie Utrecht niet overal aan de KRW-doelen wordt voldaan. Bij enkele winningen is sprake van een stijgende trend voor wat betreft de concentratie van verontreinigende stoffen:
Bij de winningen Zeist en Lexmond zagen we over de periode 2000-2018 qua drempelwaardestoffen in ruwwater een stijgende trend in de concentratie van arseen (in Zeist) en bentazon (in Lexmond). Deze test is mede bepalend voor het eindoordeel van de toestand van het grondwater voor de KRW (artikel 4).
Ook bij de winningen Groenekan, Zeist en Amersfoort Berg zien we stijgende trends. Het gaat daar om de stoffen chlooretheen (Groenekan en Zeist), tetrachlooretheen en cis- en trans-dichlooretheen (Zeist), en alleen cis-dichlooretheen in Amersfoort Berg. Deze stoffen vallen onder de uitgebreidere drinkwatertest (artikel 7.3), waarbij getoetst wordt op ‘alle stoffen’ en ‘geen verdere achteruitgang’, met de wens dat de zuiveringsinspanning op termijn kan afnemen.
Gebiedsdossiers Het beoordelen van de toestand van de winningen voor de openbare drinkwatervoorziening gebeurt formeel middels de KRW-toets. Om inzicht te krijgen in de risico’s op achteruitgang van de grondwaterkwaliteit bij de afzonderlijke winningen, worden daarenboven risicoanalyses gemaakt. Die vormen een belangrijk onderdeel van het gebiedsdossier dat voor elke winning is opgesteld; ze zijn de basis voor maatregelen die moeten voorkomen dat de toestand van die winningen achteruitgaat. De provincie Utrecht heeft samen met de partners (gemeenten, waterschappen, omgevingsdiensten en drinkwaterbedrijven) gebiedsdossiers opgesteld. Die dossiers bevatten informatie over de grondwaterwinning en een beschrijving van de risico’s voor de grondwaterkwaliteit. Op basis van de risicoanalyse en de opgaven die uit de gebiedsdossiers naar voren zijn gekomen, zijn samen met onze partners maatregelen opgesteld en afspraken over de uitvoering gemaakt. Die afspraken en maatregelen zijn opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Drinkwater Utrecht 2021-2027. Een aantal van deze maatregelen is meegenomen op de maatregellijst voor de KRW (zie Annex 1). Wat is ons doel? We willen voorkomen dat de kwaliteit van het grondwater voor de drinkwatervoorziening achteruit gaat en deze juist verbeteren, ook om op termijn de zuiveringsinspanning te kunnen verlagen.
38 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ Welke beleidskeuzes maken we? 21. We laten de ondergrond bepalend zijn voor het type grondwaterbeschermingszone. 22. We achten grootschalige stedelijke ontwikkeling ongewenst als deze in de buurt is van bestaande en mogelijke toekomstige grondwaterwinningen voor drinkwater. 23. We zetten ons ervoor in dat historische verontreinigingen waterwinningen ten behoeve van de drinkwatervoorziening niet bedreigen als gevolg van een onttrekkingsactiviteit van derden. 24. Ook zetten we in op maatregelen op het vlak van de ruimtelijke bescherming, aanwezige verontreinigingen in het grondwater (historische bodemverontreinigingen, gewasbeschermingsmiddelen, medicijnresten en opkomende stoffen) en activiteiten aan het maaiveld of in de ondergrond (zoals landbouw, infrastructuur, bodemenergie). Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Realiseren
We treffen generieke en specifieke maatregelen per grondwaterwinning voor de openbare drinkwatervoorziening. Maatregelen zijn beschreven in het Uitvoeringsprogramma Drinkwater Utrecht 20212027.
De Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) voert periodiek een gebiedsschouw uit bij kwetsbare wingebieden voor de drinkwatervoorziening.
We voeren periodiek een grondwatermonitoring uit om de kwaliteit van het grondwater vast te stellen.
We stellen samen met onze partners gebiedsdossiers op voor de winningen voor de openbare drinkwatervoorziening en houden deze actueel, zodat de opgaven en risico’s in beeld zijn. Onze partners zijn drinkwaterbedrijven, omgevingsdiensten, gemeenten en waterschappen.
We voeren gesprekken met relevante partners in het gebied waar een winning voor de productie van drinkwater is gelegen. We bespreken de (ruimtelijke) ontwikkelingen, de aandachts- of knelpunten met betrekking tot de grondwaterkwaliteit en de bescherming van de winningen. We maken afspraken over het oplossen van deze punten.
We beoordelen voorstellen voor de herijking van het beschermingsbeleid binnen de provincie Utrecht. De voorstellen staan op https://Herijkinggrondwaterbeschermingsbeleid.ireport.royalhaskoningdhv.com
We onderzoeken welke risico’s spelen bij onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening buiten de huidige beschermde zones.
Reguleren
We nemen onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening op in het beoordelingskader voor historische grondwaterverontreinigingen als ‘kwetsbaar object’.
We wijzen waterwinlocaties en grondwaterbeschermingszones aan met specifieke milieuregels en ruimtelijke regels. Deze regels worden geüpdatet als de omstandigheden veranderen.
Toelichting op beleidskeuze 21 De regelgeving voor activiteiten binnen de grondwaterbeschermingszones voor de openbare drinkwatervoorziening stemmen we af op de mate van kwetsbaarheid van de specifieke locatie. We maken onderscheid tussen kwetsbare winningen zonder afdichtende beschermende kleilaag in de ondergrond, en niet-kwetsbare winningen mét afdichtende kleilaag in de ondergrond. Alle winningen zijn allereerst beschermd door de aangewezen waterwingebieden, waarin overal dezelfde strenge regels gelden. Aanvullend zijn de kwetsbare winningen beschermd door de aangewezen grondwaterbeschermingsgebieden, 100-jaarsaandachtsgebieden en een enkele keer door een boringsvrije zone. Niet-kwetsbare winningen zijn alleen aanvullend beschermd door een boringsvrije zone.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 39
^
^ Toelichting op beleidskeuze 22 Verstedelijking brengt altijd risico’s met zich mee voor de grondwaterkwaliteit. Daarom vinden we stedelijke ontwikkeling ongewenst in de buurt van bestaande en mogelijke toekomstige grondwaterwinningen voor drinkwater (zie ook paragraaf 3.5.3, strategische grondwatervoorraden). Binnen de beschermingszone van een winning voor de drinkwaterproductie is het aan de gemeenten om te voorkomen dat ruimtelijke plannen bij uitvoering leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de bronnen (‘stand-still/step forward-principe’). Dit geldt met name voor ontwikkelingen in de buurt van kwetsbare winningen. Bij niet-kwetsbare winningen kan in de boringsvrije zone wel stedelijke ontwikkeling plaatsvinden, maar moet logischerwijs rekening worden gehouden met de beperking op boren. Dit is ook van toepassing bij de aanleg van bodemenergiesystemen. In onze Omgevingsverordening vragen we gemeenten om in hun ruimtelijke plannen ook rekening te houden met de niet-kwetsbare winningen en de matig kwetsbare strategische grondwatervoorraden. Toelichting op beleidskeuze 23 De locatie waar een onttrekking plaatsvindt ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening is een kwetsbaar object.
Die locatie wordt beschermd zoals onder de Wbb en de Circulaire Bodemsanering, waarbij geldt dat de kwaliteit van het grondwater dat wordt onttrokken voor menselijke consumptie niet zodanig negatief wordt beïnvloed dat de zuiveringsinspanning dient te worden vergroot. Initiatiefnemers van een onttrekking, bijvoorbeeld ten behoeve van een bouwput, moeten aantonen dat een historische verontreiniging in het grondwater niet zodanig verspreidt dat een waterwinning wordt bedreigd. Toelichting op beleidskeuze 24 Een deel van de maatregelen uit het Uitvoeringsprogramma Drinkwater 2021-2027 is meegenomen bij het formuleren van de maatregelen voor de KRW. In de periode 2021-2027 omvat de opgave voor de grondwaterwinningen de volgende onderdelen:
Beter benutten van de vergunningscapaciteit (beperkingen in de binnen de vergunning te onttrekken hoeveelheid opgepompt water per tijdseenheid, oftewel het ‘debiet’, zijn bijvoorbeeld aanwezige bodemverontreinigingen, de toestand van de natuur, verzilting en verstopping).
Beperken van de invloed van gewasbeschermingsmiddelen op drinkwaterbronnen.
Beter inzicht in de aanwezigheid en risico’s van bodemenergiesystemen.
Verminderen van de invloed van aanwezige bodemverontreiniging op drinkwaterbronnen.
Beperken van de invloed van infrastructuur (bijvoorbeeld wegen) op drinkwaterbronnen.
Verbeteren van het inzicht in de kwaliteit van ruwwater en van toestromend grondwater.
Verbeteren van de monitoring op de waterkwaliteit.
Beperken van de invloed van nutriënten op de kwaliteit van de drinkwaterbronnen.
Beperken van de invloed van rioleringen, rioolwaterzuiveringsinstallaties en leidingen op de drinkwaterbronnen.
Betere ruimtelijke bescherming van drinkwaterbronnen.
3.3.4 Schoon grondwater voor overige onttrekkingen voor menselijke consumptie <kaart 2, overige winningen voor menselijke consumptie> Indachtig de KRW zijn de provincies verantwoordelijk voor de bescherming van de overige onttrekkingen voor menselijke consumptie. Dit zijn zogenaamde eigen drinkwateronttrekkingen (bijvoorbeeld op campings) en ook industriële onttrekkingen, waar het water gebruikt wordt bij de productie van levensmiddelen en (fris)dranken. Hieronder vallen ook de onttrekkingen waarvoor het waterschap het bevoegd gezag is, middels het uitgeven van de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. De KRW laat de Europese lidstaten vrij op welke wijze de bescherming gerealiseerd wordt. Mogelijke manieren zijn: monitoring, milieutechnische maatregelen of planologische bescherming en milieuregels.
40 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ Wat is ons doel?
We willen in 2027 voldoen aan de KRW-doelen voor wat betreft overige onttrekkingen voor menselijke consumptie.
Welke beleidskeuzes maken we? 25. We zijn terughoudend om beschermingszones in te stellen ter bescherming van het grondwater voor industriële winningen of eigen winningen voor menselijke consumptie. 26. We beperken het onttrekken van grondwater voor de kleinere industriële winningen en eigen winningen zoveel mogelijk. Het gebruik van leidingwater is in veel gevallen een veiliger en betrouwbaarder alternatief. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We geven advies over eventuele beschermende maatregelen aan de eigenaren van industriële winningen en eigen winningen bestemd voor menselijke consumptie.
We adviseren de eigenaren van kleinere industriële winningen en eigen winningen om over te gaan op het gebruik van leidingwater.
Realiseren
We zien toe op de actualiteit van de feitendossiers door deze elke zes jaar te updaten.
Reguleren
We continueren de vergunningplicht voor nieuwe industriële winningen en eigen winningen bestemd voor menselijke consumptie.
Bij de vergunningaanvraag vragen we aan de bedrijven om een nulmeting ten opzichte van de kwaliteit van het grondwater en ook een risicoanalyse/feitendossier. In de vergunning wordt in het kader van de KRW een monitorings- en rapportageverplichting opgenomen, ook voor winningen die onder de bevoegdheid van de waterschappen vallen.
Bij bestaande industriële en eigen winningen voor menselijke consumptie worden door de bevoegde gezagen afspraken gemaakt met de bedrijven over de monitoring van de kwaliteit van het grondwater.
Locaties waar industriële en eigen winningen voor menselijke consumptie plaatsvinden worden opgenomen als kwetsbaar object in het beoordelingskader voor historische verontreinigingen. Indien een historische verontreiniging de winning bedreigt, moet die verontreiniging aangepakt worden.
We registreren industriële en eigen winningen voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water in het geval dat er gemiddeld dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken, of als dit water bestemd is voor meer dan vijftig personen.
De overige bescherming van de winningen voor menselijke consumptie vindt plaats op basis van algemene milieuregels (Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Overgangsrecht Wbb).
Toelichting op beleidskeuze 25 Het beschermen van de openbare drinkwatervoorziening dient een groot publiek belang en verschilt daarmee van de bescherming van industriële onttrekkingen en eigen onttrekkingen voor menselijke consumptie, die beiden tot het private domein behoren. Het instellen van beschermingszones leidt tot maatschappelijke kosten en legt bovendien een ruimtelijke claim die de mogelijkheden van andere functies beperkt. Dit vinden wij ongewenst. We gaan ervan uit dat de generieke milieuregels veelal voldoende bescherming bieden voor de grondwaterkwaliteit en dat daarnaast instrumenten als de Warenwet en het Drinkwaterbesluit voldoende bescherming bieden tegen gezondheidsrisico’s. Toelichting op beleidskeuze 26 De bescherming van kleine onttrekkingen voor menselijke consumptie is lastig en relatief duur. Het gebruik van leidingwater is in veel gevallen een veiliger en betrouwbaarder alternatief. We stimuleren de kleine onttrekkers daarom om zoveel mogelijk gebruik te maken van leidingwater. Dit geldt minder voor de grote industriële onttrekkingen. Om de beschikbare capaciteit voor de winningen voor de openbare drinkwatervoorziening te ontzien,
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 41
^
^ blijven de grote industriële gebruikers van (grond)water voor menselijke consumptie bij voorkeur wel zelf het grondwater onttrekken (zie ook de paragraaf ‘Voldoende water’). 3.3.5 Schoon grondwater voor oppervlaktewater Voor wat betreft de functie van het oppervlaktewater maakt de provincie Utrecht onderscheid tussen schoon grondwater voor oppervlaktewateren die zijn aangewezen als KRW-oppervlaktewaterlichaam en schoon grondwater voor overige oppervlaktewateren. Verontreinigingen in het grondwater kunnen door (natuurlijke) stroming in het oppervlaktewater opkwellen. Dit noemen we natuurlijke lozingen op oppervlaktewater (NLO’s). Deze NLO’s kunnen een negatieve impact hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater en daarmee ook een negatieve impact op de natuur en kwaliteit van het zwemwater. Verontreinigingen worden bij het passeren van oevers en waterbodems echter ook afgebroken; het systeem heeft dus ook een zuiverende functie. Het is van belang het watersysteem en de interactie tussen oppervlaktewater en grondwater goed in beeld te hebben.
Schoon grondwater voor KRW-oppervlaktewaterlichamen In het kader van de KRW wordt beoordeeld of het behalen van de ecologische doelen in grondwaterafhankelijke oppervlaktewaterlichamen wordt belemmerd door de kwaliteit van het toestromende grondwater. In de provincie Utrecht is dit alleen het geval bij de beken in de Gelderse Vallei. Ondiep afstromend grondwater vanuit nabijgelegen landbouwpercelen belast het oppervlaktewater met extra nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Mede hierdoor voldoen deze oppervlaktewaterlichamen niet aan de KRW-doelen (zie paragraaf 3.2.1). In de beoordeling van historische verontreinigingen is altijd getoetst of de verontreiniging op kan kwellen in KRWoppervlaktewaterlichamen. Als dit aan de orde was, zijn deze verontreinigingen aangepakt. We verwachten in de toekomst geen historische verontreinigingen te vinden die opkwellen in KRW-oppervlaktewaterlichamen.
Schoon grondwater voor overige oppervlaktewateren De invloed van de kwaliteit van het toestromende grondwater op de kwaliteit en (ecologische) doelen van de overige oppervlaktewateren zijn niet specifiek onderzocht. Het is mogelijk dat de kwaliteit van het grondwater ook bij het halen van de ecologische doelen voor deze wateren een rol speelt (zie paragrafen 3.2.1 en 3.2.2). Wat zijn onze doelen?
We willen in 2027 voldoen aan de KRW-doelen.
We willen dat de kwaliteit van het grondwater voor grondwaterafhankelijke oppervlaktewateren goed blijft.
Welke beleidskeuzes maken we? 27. De grondwaterkwaliteit moet aansluiten op de functie van het oppervlaktewater. 28. We beschouwen de KRW-oppervlaktewaterlichamen als kwetsbaar object. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Participeren
We kiezen voor een gebiedsgerichte aanpak als we tegen knelpunten aanlopen, bijvoorbeeld bij de belasting van de beken in de Gelderse Vallei vanuit het grondwater met nutriënten en bestrijdingsmiddelen.
We verkennen samen met de waterschappen of er voor de overige oppervlaktewaterlichamen knelpunten zijn door een toestroom vanuit historische verontreinigde grondwaterpluimen.
Reguleren
We nemen KRW-oppervlaktewaterlichamen (voor de KRW relevante oppervlaktewateren van enige omvang) op in het beoordelingskader voor historische grondwaterverontreinigingen, als kwetsbare objecten die niet bedreigd mogen worden.
42 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ Toelichting op beleidskeuze 27 Grondwaterverontreinigingen kunnen door (natuurlijke) stroming in het oppervlaktewater terechtkomen en daar een negatieve impact hebben op de kwaliteit van het water en de functies die het oppervlaktewater vervult voor bijvoorbeeld de natuur, drinkwater en zwemwater. De provincie Utrecht wil dat de grondwaterkwaliteit aansluit op de functie van het oppervlaktewater. Toelichting op beleidskeuze 28 In het verleden is door de provincie Utrecht onderzocht welke historische grondwaterverontreinigingen een risico kunnen vormen voor KRW-oppervlaktewaterlichamen. Hier zijn destijds geen verontreinigingen uitgekomen die nadere aandacht vereisten. Als uit onderzoek blijkt dat KRW-oppervlaktewaterlichamen worden bedreigd door een historische verontreiniging, zal die verontreiniging moeten worden aangepakt. Als er voor de historische verontreiniging geen veroorzaker kan worden aangesproken, zal de provincie Utrecht de aanpak zelf op zich nemen, mits hiervoor voldoende financiering beschikbaar is vanuit het Rijk en/of samenwerkingsafspraken kunnen worden gemaakt. Overige oppervlaktewateren wijzen we bij het omgaan met historische grondwaterverontreinigingen niet aan als kwetsbare objecten. Wel moet het risico van die verontreinigingen worden onderzocht, in het geval er in een gebied voor een gebiedsgerichte aanpak wordt gekozen.
Ook willen we onderzoeken of we samen met de waterschappen knelpunten kunnen identificeren voor de overige wateren ten aanzien van toestromende historische verontreinigde grondwaterpluimen. 3.3.6 Schoon grondwater voor natuur <kaart 4C, verdrogingsgevoelige natuurgebieden Natura 2000 en NNN> De provincie Utrecht is verantwoordelijk voor het realiseren van een goede kwaliteit van het grondwater dat richting verdrogingsgevoelige natuurgebieden stroomt.
Natura 2000-gebieden De provincie Utrecht ziet in de Natura 2000-gebieden toe op maatregelen die de effecten van bodemverontreiniging tegengaan en neemt de noodzakelijke maatregelen om de natuurdoelen (de vogel- en habitatrichtlijndoelen) te realiseren (zie ook paragraaf 3.5.4). Bij de beoordeling van historische verontreinigingen in het kader van de KRW was de vraag relevant of er binnen deze natuurgebieden sprake is van schade aan het ecosysteem door verontreiniging van het grondwater. Dat bleek niet het geval; wel is in een aantal gebieden aanpassing van het watersysteem noodzakelijk om voldoende (grond)water van de gewenste kwaliteit in het gebied te kunnen realiseren.
NNN-gebieden Ook in gebieden met verdrogingsgevoelige natuur in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kwaliteit van het toestromend grondwater in het algemeen geen knelpunt. Wel is het net als in een aantal Natura 2000-gebieden gewenst om de kwaliteit van de natuur verder te verbeteren middels herstel van de hydrologie. Wat is ons doel?
Het behouden van een goede kwaliteit van het grondwater in de verdrogingsgevoelige natuurgebieden.
Welke beleidskeuzes maken we? 29. De kwaliteit van het grondwater moet aansluiten op de kwaliteitsdoelen van het Natura 2000-gebied. 30. We beschouwen de grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden en de gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland als kwetsbaar object.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 43
^
^ Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Participeren
Om te zorgen dat de kwaliteit van het grondwater aansluit op het kwaliteitsdoel in de verdrogingsgevoelige natuurgebieden, nemen we gebiedsgerichte maatregelen en werken we samen met partners.
Realiseren
We continueren de grondwatermonitoring.
We ontwikkelen een toetsingskader voor het beoordelen van historische verontreinigde grondwaterpluimen nabij verdrogingsgevoelige natuurgebieden (zowel Natura 2000 als NNN).
We zijn (mede)verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van de beheerplannen van de Natura 2000-gebieden in de provincie Utrecht.
We maken afspraken met andere (gebieds)partijen om hun bevoegdheid in te zetten voor het behalen van de KRW-doelen. Als grondwaterbeheerder zijn wij verantwoordelijk voor de uitvoering van aan het grondwater gerelateerde maatregelen in Natura 2000-gebieden.
Reguleren
We nemen de verdrogingsgevoelige Natura 2000- en NNN-gebieden op in het beoordelingskader voor historische grondwaterverontreinigingen als kwetsbare objecten die niet bedreigd mogen worden.
We nemen regels op in de Omgevingsverordening ter bescherming van kwetsbare grondwaterafhankelijke natuur en ten bate van de aanpak van grondwaterverontreinigingen.
Toelichting op beleidskeuze 29 Voor het realiseren van de kwaliteitsdoelen van natuurgebieden speelt de toestand van het grondwater een rol. Vaak is het een combinatie van zowel de kwaliteit van het oppervlaktewater als de kwaliteit en het peil van het grondwater:
In gebieden waar het oppervlaktewater infiltreert geldt dat als de kwaliteit van het oppervlaktewater beter wordt, ook de kwaliteit van het grondwater omhoog gaat.
De kwaliteit van het grondwater wordt beter als de hydrologie verbetert. Dat kan door hogere peilen toe te staan (water vasthouden) en tegelijkertijd de kwel te versterken (peilen in de omgeving ook verhogen).
De kwaliteit van het grondwater kan in bepaalde gebieden een probleem worden als er teveel fosfaat in zit. De oorzaak is moeilijk aan te pakken, omdat het vaak komt door lage peilen en de combinatie van veenafbraak in veenbodems en bemesting.
Maatregelen ter verbetering van het watersysteem in Natura 2000-gebieden worden opgesteld en uitgevoerd in het kader van het Natura 2000-beheerplan dat voor elk Natura 2000-gebied wordt vastgesteld. De grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden in de provincie Utrecht zijn:
Oostelijke Vechtplassen.
Hel en Blauwe Hel (onderdeel van het Binnenveld).
Botshol.
Kolland en Overlangbroek.
De Schraallanden van de Meije (onderdeel van de Nieuwkoopse Plassen & de Haeck).
Zouweboezem.
Toelichting op beleidskeuze 30 De kwaliteit van het grondwater in verdrogingsgevoelige natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) mag niet verslechteren door ingrepen van derden, bijvoorbeeld door onttrekkingen of het verspreiden van historische grondwaterpluimen. We beschouwen de gebieden als kwetsbaar object in het kader van het beoordelen van (historische) bodemverontreinigingen en maken daarom, in samenwerking met de waterschappen, een toetsingskader voor de verspreiding van historische verontreinigde grondwaterpluimen door onttrekkingen nabij verdrogingsgevoelige natuurgebieden.
44 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ 3.4 BODEM: KWALITEIT, VRUCHTBAARHEID, AARDKUNDIGE WAARDEN, ONTGRONDINGEN De taken en verantwoordelijkheden van de provincie Utrecht ten aanzien van de bodem en ondergrond gaan veranderen met het ingaan van de Omgevingswet. In de volgende paragrafen beschrijven we hoe we invulling geven aan die transitie en onze nieuwe rol daarin. We lichten toe hoe we bijdragen aan het verhogen van de sponswerking van de bodem. Dankzij die verhoging kunnen agrarische gronden een bijdrage aan de klimaatadaptatie leveren. Ook kan meer koolstof worden vastgelegd en een hogere gewasopbrengst worden gerealiseerd. 3.4.1 Bodemkwaliteit <kaart 3, hele provincie> Het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Bodemconvenant 2016-2020 is op 1 maart 2016 door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Het biedt een overzicht van onze activiteiten ten aanzien van bodem en ondergrond voor de periode 2016 tot en met 2020. Met het uitstel van de Omgevingswet hebben we besloten om ook dit programma met een jaar te verlengen. Met de komst van de Omgevingswet gaat een aantal bevoegdheden op het gebied van de vaste bodem over naar gemeenten. Die krijgen een aantal nieuwe taken in de bodem en worden (overgangsrechtsituaties uitgezonderd) het bevoegd gezag voor de bodemkwaliteit.
De gemeenten Utrecht en Amersfoort hebben een bijzondere positie, want zij zijn nu al het bevoegd gezag voor zowel de bodemkwaliteit als de grondwaterkwaliteit. We gaan met hen in overleg over de verdeling van taken en bevoegdheden en een eventuele omgekeerde overdracht van de verantwoordelijkheid met betrekking tot de grondwaterkwaliteit, die in de Omgevingswet juist weer aan de provincie Utrecht is toebedeeld. De waterschappen blijven het bevoegd gezag voor het saneren van waterbodems, onttrekkingen (tot 150.000 m3, met uitzondering van winningen voor de openbare drinkwatervoorzieningen en open warmte-koudeopslag) en lozingen op oppervlaktewater. In de Omgevingswet is de verdeling van taken slechts op hoofdlijnen ingevuld en niet altijd helder. Dit geeft veel ruimte voor een eigen invulling van bevoegdheden, taken en rollen. Onder de Omgevingswet is samenwerken tussen de verschillende overheden essentieel. De taken op bodemgebied die de provincie Utrecht onder de Omgevingswet behoudt zijn onder andere:
Het bevoegd gezag voor de locaties die onder het overgangsrecht vallen.
Opdrachtgever bij het saneren van een aantal spoedlocaties waar geen veroorzaker of eigenaar voor is aan te spreken.
Aanpakken van spoedlocaties, uitgevoerd door de Regionale Uitvoeringsdienst.
Beoordelen grondwatersaneringen in relatie tot de KRW-doelen.
We beschrijven nu hoe we invulling geven aan de transitie en onze nieuwe rol. Onze aanpak van historische (grondwater) verontreiniging en de relatie met mobiele verontreinigingen in de bodem staan beschreven in paragraaf 3.3.2. Wat is ons doel?
Een zorgvuldige transitie naar nieuw beleid en afspraken maken over taken en rollen onder de Omgevingswet.
Welke beleidskeuzes maken we? 31. We organiseren een zorgvuldige transitie waarin we met gemeenten, omgevingsdiensten en waterschappen afspraken maken over de wijze van samenwerken, uitgaande van een beleidsneutrale overgang. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven we met elkaar in gesprek om (onverwachte) gevallen te bespreken waarover nog geen (afdoende) afspraken over zijn gemaakt. 32. We blijven ons met onze partners inzetten voor een gecoördineerde en gezamenlijke aanpak bij regio-overstijgende bodemproblematiek. 33. We transformeren van kennishouder naar kennispartner op het gebied van de bodemkwaliteit. 34. We zetten in op een provinciebreed bodeminformatiesysteem waar al onze partners op aangesloten zijn en dat voor iedereen te raadplegen is.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 45
^
^ Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We ondersteunen onze partners bij het leren kennen van en vertrouwd worden met de taken ten aanzien van de bodem en het grondwater. We nemen de tijd om samen met onze partners afspraken te maken over het samenwerken onder de Omgevingswet. We zetten daarom ook in op een overgangsperiode na ingang van de Omgevingswet, waarin we onze kennis delen met gemeenten en waterschappen.
We stimuleren het proces van kennisontwikkeling en kennisdeling bij gebiedsoverstijgende bodemproblematiek, door op verzoek van de partijen dat proces te coördineren.
Participeren
In samenwerking met de waterschappen, gemeenten en omgevingsdiensten dragen we bij aan de ontwikkeling van een provinciebreed bodeminformatiesysteem (BIS). In dit systeem nemen we ook onze informatie over grondwaterverontreinigingen op en stellen we die kennis beschikbaar aan onze partners.
Realiseren
We stellen een nieuw uitvoeringsprogramma bodem op als opvolger van het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Bodemconvenant (PUB) 2016-2020.
We ronden de bodem- en grondwatersaneringen af die vallen onder het overgangsrecht, of dragen deze indien gewenst over aan de gemeente of gemeenten in kwestie.
Samen met de waterschappen, gemeenten en omgevingsdiensten stellen we een visie op voor de BIS.
We nemen de tijd voor het maken van samenwerkingsafspraken die voortkomen uit de overdracht van bodeminformatie in het kader van het eindigen van de Wbb.
Toelichting op beleidskeuze 31 De provincie Utrecht heeft de regierol in de transitie die bestaat uit een zorgvuldige overdracht van de bodeminformatie door de provincie Utrecht aan de waterschappen, gemeenten en omgevingsdiensten. Ook moeten samenwerkingsafspraken worden gemaakt over de uitvoering van het bodembeleid en het grondwaterbeleid onder de Omgevingswet. Deze overdracht moet zodanig plaatsvinden dat gemeenten en waterschappen de nieuwe bodemtaken en grondwatertaken gedegen op kunnen pakken, waarbij die taken goed aansluiten bij de grondwatertaken van de provincie Utrecht. Toelichting op beleidskeuze 32 In de afgelopen jaren is gebleken dat de aanwezigheid van nieuwe stoffen in de bodem (bijvoorbeeld lood en PFAS) en inzichten in risico’s kunnen leiden tot nieuwe bodemproblematiek. De ontdekking van die nieuwe stoffen resulteert in nieuwe verontreinigingen die een risico vormen voor de fysieke leefomgeving. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de provincie Utrecht niet langer verantwoordelijk voor diffuse bodemverontreinigingen. We hebben wel een taak op het moment dat de verontreiniging ook het grondwater bereikt. Tegelijkertijd zien we dat er bij regiooverstijgende bodemverontreinigingen behoefte bestaat aan coördinatie tussen de verschillende partijen. Die rol neemt de provincie Utrecht in zo’n geval op verzoek graag op zich.
Toelichting op beleidskeuze 33 Landelijk is vastgesteld dat de huidige kennis- en informatiestructuur voor bodem en grondwater ontoereikend is. Bestaande kennisprogramma’s worden te weinig gebruikt en er is een gebrek aan onderlinge afstemming. De huidige maatschappelijke vraagstukken vragen om een integrale aanpak om de ontsluiting van zowel bestaande als nieuwe kennis over bodem en grondwater te verbeteren. De decentralisatie van taken als gevolg van de Omgevingswet leidt tot meer afwegingsruimte op lokaal niveau; daarom moet de kennispositie van lokale overheden structureel worden versterkt. In 2021 maken we samen met onze partners afspraken over kennisnetwerken en het inrichten van regionale schakelpunten. Toelichting op beleidskeuze 34 De provincie Utrecht stelt de bodemdossiers digitaal beschikbaar middels een bodeminformatiesysteem (BIS). Dit kan door iedereen geraadpleegd worden. De gemeenten kunnen er terecht voor informatie die ze nodig hebben om hun bodemtaken uit te voeren en om hun omgevingsvisie, omgevingsplan of bodemkwaliteitskaart op te stellen.
46 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ De waterschappen vinden er informatie over grondwaterverontreinigingen, die ze nodig hebben bij het beoordelen van vergunningen en meldingen. Alle relevante bodeminformatie op dit platform moet uiteindelijk ook beschikbaar zijn voor de burger. Het BIS wordt continue up-to-date gehouden met nieuwe informatie uit bodemrapportages. In het BIS wordt per grondwaterverontreiniging ook bijgehouden of er een nadere beoordeling van de verontreiniging noodzakelijk is en of er voor de verontreiniging een beroep wordt gedaan op de uitzonderingsbepaling op de ‘prevent and limit’-doelstelling binnen de Grondwaterrichtlijn. In het BIS wordt een onderbouwing van dat beroep opgenomen, waarmee het systeem als naslagwerk dient voor alle uitzonderingsbepalingen. 3.4.2 Sponswerking en bodemvruchtbaarheid <kaart 3, hele provincie> In deze paragraaf geven we aan welke stappen we willen zetten om de bodemkwaliteit te verbeteren, opdat de bodem bijdraagt aan het halen van de klimaatdoelen (mitigatie). Door het verhogen van de sponswerking van de bodem worden agrarische gronden ook klimaatbestendiger (er kan meer water infiltreren). Een ‘vitale bodem’ wil zeggen dat er geen verdichting is in het bodemprofiel en dat de beworteling, het bodemleven en de bodemchemie op orde zijn. Dit bevordert de sponswerking, want de bodem kan water beter opnemen en vasthouden.
Bovendien neemt de uitspoeling van nutriënten af en wordt de kans op gewasziektes kleiner, wat betekent dat minder chemische hulpstoffen nodig zijn. Een vitale bodem is de basis voor een zogeheten ‘kringlooplandschap’, waarin we duurzaam omgaan met de bodem. Wat is ons doel?
We willen bijdragen aan een verbeterde sponswerking van de bodem, zodat deze meer water vasthoudt en de vochtlevering in droge tijden verbetert. Hierdoor worden agrarische gronden klimaatbestendiger. Verder wordt er meer koolstof in de grond vastgelegd en wordt dankzij een betere bodemvruchtbaarheid een hogere gewasopbrengst gerealiseerd, vooral op zandgronden. We willen een vitale bodem in bosgebieden creëren door de verzuring van de zandgronden af te remmen en een gevarieerder bos te realiseren. Dat laatste doen we bijvoorbeeld door een deel van de naaldbossen te ‘verloven’. In zo’n gevarieerder bos is er meer biodiversiteit en een bomenbestand dat bijdraagt aan een goede bodemkwaliteit.
Welke beleidskeuze maken we? 35. We zoeken gebiedsgericht naar mogelijkheden voor een vitale bodem als basis voor een kringlooplandschap. Dat doen we met als startpunt de Samenwerkingsagenda Landbouw 2019. Voor de bosgebieden werken we aan revitalisering van bosbodems vanuit het ‘Perspectief Vitaal Bos’, in het nieuwe provinciale strategisch bosbeleid. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We ondersteunen de transitie naar kringlooplandbouw door het belang van een vitale bodem te agenderen binnen de diverse samenwerkingsprojecten in de landbouw. Voorbeeld is het Actieplan Duurzame Landbouw met Natuur.
We dragen bij aan onderzoek naar duurzaam bodembeheer en de ontwikkeling van bodemindicatoren waarmee de kwaliteit van landbouwbodems kan worden vastgesteld.
Participeren
Met partijen op de Utrechtse Heuvelrug werken we in het kader van de ‘Blauwe Agenda’ aan infiltratie en het vergroten van de grondwatervoorraad onder bosgebieden. Water vasthouden in de (bos-)bodem en het afremmen van verzuring zijn hiervan onderdeel.
Realiseren
In diverse plattelandsontwikkelingsprogramma’s (‘POP3-projecten’) rondom kringlooplandbouw en bodembeheer doen agrariërs de komende jaren ervaring op met het verbeteren van de bodemkwaliteit. Het gaat dan zowel om het verbeteren van de vruchtbaarheid als de structuur en het bodemleven. De resultaten van deze projecten gebruiken we voor de uitvoering van de Samenwerkingsagenda Landbouw. Kennis die we daar opdoen dragen we uit, onder meer via de Samenwerkingsagenda Landbouw en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 47
^
^ 3.4.3 Aardkundige waarden en monumenten Door de landschappen heen liggen zogenoemde aardkundige waarden, die het structurerende reliëf in het Utrechtse landschap vormen. De bodem van de provincie Utrecht is ontstaan gedurende een periode van vele tienduizenden jaren. Landijs, de wind, rivieren en de zee hebben het landschap gevormd. Aardkundige waarden zijn plekken waar sporen hiervan nog zichtbaar zijn, in het reliëf en/of in de bodem. De aardkundige waarden zijn soms zeer opvallend en vertellen duidelijk het verhaal van het ontstaan van onze provincie. Deze aardkundige waarden heeft de provincie Utrecht benoemd tot aardkundige monumenten.
3.4.3.1 Aardkundige waarden <kaart 3> Wat is ons doel?
We willen dat de aardkundige waarden behouden blijven en bijdragen aan de variatie in het landschap in de provincie Utrecht.
Welke beleidskeuze maken wij? 36. We beschermen de aardkundige waarden. Als een voorgestelde ingreep botst met de aardkundige waarden in een gebied, is een gedegen afweging tussen de ingreep en het behoud van de aardkundige waarden nodig. Hierbij moet rekening gehouden worden met de bescherming van het natuurlijk reliëf, de bodemopbouw en eventuele actieve landschapsvormende processen. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Participeren
Waar nodig zetten we ons in om de kwaliteit van de aardkundige waarden zo goed mogelijk te beschermen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Reguleren
We hebben ter bescherming van de aardkundige waarden regels opgenomen in de Omgevingsverordening.
Toelichting op beleidskeuze 36 Bij het beschermen van de aardkundige waarden is het belangrijk dat het reliëf in stand blijft. Aardkundige waarden worden vaak gekenmerkt door een bijzondere opbouw van de bodem. Soms zijn de processen die de aardkundige waarden gevormd hebben nog actief, bijvoorbeeld verstuiving door de wind in stuifzandgebieden. Ook deze processen vallen onder de bescherming.
3.4.3.2 Aardkundige monumenten <kaart 3> Wat is ons doel?
We willen dat de bestaande en nieuwe aardkundige monumenten het verhaal van het aardkundig erfgoed blijven vertellen en dat ze bijdragen aan de recreatieve beleving van het landschap.
Welke beleidskeuze maken we? 37. Waar mogelijk willen we ons inzetten om de recreatieve en educatieve rol van de aardkundige monumenten te versterken. Om het verhaal van het ontstaan van de provincie nog completer te maken, wijzen we nieuwe aardkundige monumenten aan.
48 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We zetten ons in om de recreatieve en educatieve rol van de bestaande aardkundige monumenten te versterken. Dit doen we door de informatievoorziening over het aardkundige monument, zowel ter plaatse als digitaal, op peil te houden. Waar mogelijk haken we aan bij andere ontwikkelingen die het aardkundige monument aangaan.
We benoemen, in overleg met betrokkenen, nieuwe aardkundige monumenten. Daarbij denken we onder andere aan een ijssmeltwaterdal, een geïsoleerde stuwwal en een beek met dekzandrug.
Toelichting op beleidskeuze 37 Aardkundige monumenten zijn bijzondere en opvallende aardkundige waarden die een goed beeld geven van het ontstaan van de provincie Utrecht. Op dit moment heeft de provincie Utrecht acht aardkundige monumenten benoemd:
Grebbeberg
Plantage Willem III
Zwerfsteneneiland
Riviereiland de Bol
Oostbroek en Niënhof
Lange en Korte Duinen
Waaien in Eemland
Westbroekse Zodden
Bij het benoemen van nieuwe aardkundige monumenten vinden we het belangrijk dat er een zo groot mogelijke variatie is in de ontstaanswijze van de monumenten. Daarnaast letten we erop dat er sprake is van spreiding over de provincie. 3.4.4 Ontgrondingen <kaart 3, hele provincie> Er zijn verschillende ontwikkelingen waarvoor een ontgronding noodzakelijk kan zijn. Te denken valt aan het winnen van oppervlaktedelfstoffen voor bijvoorbeeld de bouw of de aanleg van infrastructuur. Deze paragraaf gaat over dergelijke ontgrondingen voor delfstoffenwinning. Het Rijk beschouwt het als haar rol om de voorwaarden te scheppen waaronder de winning van delfstoffen betrouwbaar, betaalbaar, ecologisch haalbaar en veilig kan plaatsvinden, passend binnen de circulaire economie (paragraaf 3.2 NOVI). De provincies voeren het rijksbeleid uit, als het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunningen voor ontgrondingen. De delfstoffenwinning moet worden onderscheiden van ontgrondingen die gewenst zijn voor het aanleggen, verbeteren of onderhouden van bijvoorbeeld natuur, landbouwgronden, sport- en speelterreinen of waterkeringen. Deze ontgrondingen hebben slechts ten doel het realiseren van een aangepaste ruimtelijke inrichting waarvoor grondverzet nodig is (ook wel secundaire ontgrondingen genoemd). Ze zijn veelal ondiep en de uitvoeringsduur is beperkt; de effecten voor de omgeving zijn veelal klein.
Ontgrondingen zijn op basis van artikel 5.1 van de Omgevingswet in principe vergunningsplichtig. Veel kleine ontgrondingen, bijvoorbeeld voor natuurontwikkeling of bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn vanwege de beperkte effecten echter vrijgesteld in hoofdstuk 16 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De vrijstellingen hebben geen betrekking op ontgrondingen voor de delfstoffenwinning. Wat is ons doel?
Ontgrondingen raken de provinciale belangen van onder andere het behoud van aardkundige waarden (zie paragraaf 3.4.3), het behoud van de landschappelijke kwaliteit en natuurbehoud. Als een ontgronding voor delfstoffenwinning in een gebied botst met die belangen, is een gedegen afweging tussen beiden nodig.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 49
^
^ Welke beleidskeuzes maken we? 38. We willen dat nieuwe ontgrondingen voor delfstoffenwinning een duidelijke meerwaarde opleveren voor de ruimtelijke kwaliteit of functievervulling van de ontgrondingslocatie en de omgeving. 39. Op de Utrechtse Heuvelrug mag geen delfstoffenwinning plaatsvinden. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Reguleren
De provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor ontgrondingen op land, in regionale wateren en in het winterbed van de grote rivieren. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor ontgrondingen voor delfstoffenwinning hanteert de provincie Utrecht als beleid dat de herinrichting van de locatie een duidelijke meerwaarde moet opleveren voor de ruimtelijke kwaliteit of functievervulling van de ontgrondingslocatie en de omgeving. Dit wordt vastgelegd in de voorschriften bij de omgevingsvergunning.
In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van de Utrechtse Heuvelrug. Vanwege het reliëf en de overige kwaliteiten van de Heuvelrug willen we in dit gebied geen ontgrondingen voor de delfstoffenwinning. In lijn met de opdracht in de Omgevingswet wordt dit beleid in de vorm van instructieregels op het omgevingsplan vertaald.
Toelichting op beleidskeuze 38 Primaire ontgrondingen (ontgrondingen voor het winnen van delfstoffen) hebben meestal betrekking op grotere hoeveelheden (>100.000 m3) en/of grotere diepten (>2 meter). Delfstoffenwinning voorziet in een maatschappelijke behoefte aan bouwgrondstoffen en is daarom van nationaal belang (zie paragraaf 3.2, ‘Nationale belangen en opgaven’, onder 13, van de NOVI). Delfstoffenwinning kan conflicteren met andere belangen, zoals het behoud van archeologische en aardkundige waarden, landschap en natuur en kan de waterhuishouding van een gebied ingrijpend beïnvloeden. Overeenkomstig de Omgevingswet moeten bij het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning alle doelen van de Omgevingswet worden afgewogen. Voor de ontgrondingslocatie zelf is er met name in het omgevingsplan voldoende geregeld. Overeenkomstig de wet moet een locatie van primaire ontgrondingen landschappelijk goed worden ingepast en heringericht en ook het beheer is geregeld. Voor de omgeving van de locatie is sprake van een disbalans. Een ontgronding met delfstoffenwinning als doel kan namelijk jarenlang een verstoord ruimtelijk beeld opleveren, met overlast voor de omgeving. Het gaat onder ander om overlast door transport, geluidshinder, stank, verdroging, trilling, visuele overlast en gevolgen voor het grondwater.
Deze overlast zal zoveel mogelijk beperkt moeten blijven en gereguleerd worden met voorschriften in de omgevingsvergunning voor de ontgrondingen. In enige mate zal de overlast op basis van een belangenoverweging ook geaccepteerd moeten worden, mede vanwege het bouwstoffenbelang. Om deze disbalans te herstellen dient er met de herinrichting van een delfstoffenwinningslocatie een meerwaarde gerealiseerd te worden voor de ruimtelijke kwaliteit of functievervulling van de locatie, ook voor en in de omgeving. Dit als compensatie voor de overlast en ter vergroting van het draagvlak voor dit soort activiteiten. De provincie Utrecht verbindt als het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning voor de ontgronding, om deze meerwaarde te borgen. Toelichting op beleidskeuze 39 De Utrechtse Heuvelrug kenmerkt zich door het doorlopende reliëf en het dominant voorkomen van bos. Bij ontwikkelingen in het landschap van de Utrechtse Heuvelrug vragen wij dan ook aandacht voor het in stand houden van het reliëf en het samenhangend boscomplex. Vanwege deze kwaliteiten willen wij in dit gebied geen ontgrondingen voor de delfstoffenwinning. De begrenzing van het gebied is opgenomen in bijlage 15 van onze Omgevingsverordening.
Kleinschalige ontgrondingen voor natuurontwikkeling of recreatieve ontwikkeling in de Utrechtse Heuvelrug zijn wel mogelijk, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten. Dit wordt geborgd met instructieregels op het omgevingsplan.
50 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ 3.5 VOLDOENDE WATER EN VOORKOMEN WATEROVERLAST <kaart 4A t/m 4F> Het watersysteem is de bron voor onze drinkwatervoorziening en de basis voor wonen en werken, de natuur en de landbouw. Het watersysteem is echter niet overal robuust genoeg om alles en iedereen te voorzien van voldoende water (niet te veel, maar ook niet te weinig) van voldoende kwaliteit. De zoetwatervoorziening wordt steeds complexer en kwetsbaarder als gevolg van de sterke bevolkingsgroei, ingrepen in het watersysteem en klimaatverandering. Wat betreft dat laatste gaat het om de stijging van de zeespiegel en langere droge en warme periodes, met als gevolg een toenemende vraag naar water en drinkwater. Daarnaast betekent meer gevallen van extreme neerslag een grotere kans op wateroverlast in met name onze lage polders en gebieden aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug. Het voorkómen van deze wateroverlast wordt door de veranderende omstandigheden steeds complexer. Meer dan ooit is een goede afstemming noodzakelijk tussen beheer van het watersysteem en ruimtelijke ontwikkelingen. In de komende paragrafen gaan we in op de zoetwatervoorziening vanuit het oppervlaktewater en het onderwerp wateroverlast.
We omschrijven ook ons beleid voor het onttrekken van grondwater voor de functies die grondwaterafhankelijk zijn, de (strategische) grondwatervoorraad voor de openbare drinkwatervoorziening en het beleid voor de verdrogingsgevoelige natuurgebieden. 3.5.1 Zoetwatervoorziening, waterbeschikbaarheid en wateroverlast <kaart 4A-waterberging/verdringingsreek, 4D-wateroverlast, 4E-AmsterdamRijnkanaal, 4F-zoetwaterregio’s> De juiste hoeveelheid water op het juiste moment is van belang voor de aanwezige functies in een gebied. We werken aan een toekomstbestendig regionaal watersysteem dat optimaal is afgestemd op het hoofdwatersysteem en goed in staat is om water vast te houden, te bergen en ten slotte af te voeren. Hiervoor zijn nodig: een betere buffering in het bodem- en watersysteem tijdens natte perioden, beperking van de afstroming en benutting van waterberging. Daarmee kan waterlast worden voorkomen en is voldoende water beschikbaar tijdens droge perioden. Wat is ons doel?
We willen via samenwerking en regelgeving ervoor zorgen dat er voldoende (niet teveel en niet te weinig) zoetwater beschikbaar is voor de aanwezige functies in onze provincie op het gebied van landbouw, natuur, drinkwater en stedelijk gebied.
Welke beleidskeuzes maken we? 40. We brengen voor periodes van waterschaarste een actuele regionale rangorde aan (regionale verdringingsreeks). 41. Om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem kiezen we voor een integrale gebiedsgerichte benadering. 42. Vanuit die integrale gebiedsgerichte benadering werken we de omgevingswaarden (normen) voor wateroverlast en de aanduiding voor waterbergingsgebieden verder uit. Tot dat moment blijven de huidige in de Omgevingsverordening opgenomen omgevingswaarden voor wateroverlast en waterbergingsgebieden van kracht. 43. Peilbesluiten moeten actueel zijn en aansluiten op het gebruik van een gebied. Ze moeten echter ook aansluiten op langetermijnontwikkelingen, die bijvoorbeeld samenhangen met bodemdaling of klimaatverandering. 44. We zetten in op circulaire waterketens. Hierbij sluiten we aan op doelstellingen uit het nationale Delta-programma en het Nationaal Waterplan.
BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 51
^
^ Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Stimuleren
We stimuleren onderzoek en maatregelen, onder meer via financiële bijdragen, en vervullen zo mogelijk een coördinerende rol. Dat doen we onder andere bij het project Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug.
Via het programma Klimaatadaptatie werken we mee aan de versterking van groen- blauwe inrichtingsprincipes, onder andere door deze onderdeel te laten uitmaken van nieuwbouw en herontwikkeling van woonwijken en bedrijventerreinen.
Participeren
We werken samen met medeoverheden en gebiedspartners om te komen tot een robuust watersysteem in de provincie Utrecht.
We nemen deel aan ‘regionale droogte-overleggen’, waarin we inhoudelijke inbreng leveren over de effecten van extreme droogte voor functies van provinciaal belang, voornamelijk voor de natuur en de drinkwatervoorziening. Ook stellen we mogelijke maatregelen voor.
In samenspraak met de waterbeheerders en het Rijk stellen we handreikingen op voor het gebruik van water in tijden van schaarste.
We participeren in het proces voor een toekomstbestendig Amsterdam Rijnkanaal-Noordzeekanaalgebied. Dit proces heeft tot doel het waterbeheer, de gebruiksfuncties en ruimtelijke ontwikkeling in het gebied met elkaar in balans te brengen.
Ook nemen we deel aan het Deltaprogramma Zoetwater, met name in West-Nederland en in het ZON-gebied (Zoetwater Oost-Nederland). In het Utrechtse deel van het ZON- gebied vervult de provincie Utrecht via de Blauwe Agenda een actieve/stimulerende rol bij het verbeteren van het watersysteem op en rond de Utrechtse Heuvelrug.
In de werkregio’s Klimaatadaptatie stellen we samen met waterschappen en gemeenten regionale adaptatiestrategieën op, waarin de thema’s wateroverlast en watertekort/droogte een plek krijgen.
Realiseren
We vergroten onze kennis van het watersysteem en de wisselwerking met het omliggende gebied en brengen deze kennis actief in bij verschillende processen die betrekking hebben op de ruimtelijke ordening.
In verschillende samenwerkingsverbanden (waaronder het Deltaprogramma en de Blauwe agenda) worden projecten uitgevoerd om het watersysteem te verbeteren.
Reguleren
Om wateroverlast te voorkomen, zijn omgevingswaarden van kracht, die onderdeel uitmaken van de Omgevingsverordening.
In waterbergingsgebieden geldt een instructieregel ter voorkoming van ontwikkelingen die in strijd zijn met de waterbergingsfunctie.
In de Omgevingsverordening is een regionale rangorde opgenomen, te gebruiken bij waterschaarste. Deze rangorde bij waterschaarste geeft kader voor het optreden van waterbeheerders in dergelijke perioden.
Toelichting op beleidskeuze 40 Voor situaties van extreme droogte, waarbij sprake is van een (dreigend) tekort aan water, is voor de waterbeheerders de rangorde bij waterschaarste (verdringingsreeks) van toepassing. In aanvulling op de landelijke rangorde (categorie 1 en 2) zijn categorie 3 en 4 van de rangorde opgenomen in de Omgevingsverordening. Voor tijden van waterschaarste zijn afspraken gemaakt over de verdeling van het beperkte beschikbare water en over het inzetten van specifieke maatregelen voor de aanvoer van zoetwater. Het waterbeheer ligt op een dergelijk crisismoment in handen van de waterschappen en Rijkswaterstaat. Zij voeren de feitelijke maatregelen uit, waar de rol van de provincie Utrecht beperkt is. In een dergelijke situatie nemen we deel aan de regionale droogte-overleggen, waarin (acute) knelpunten en mogelijke maatregelen met de waterbeheerders worden besproken. In deze overleggen heeft de inbreng van de provincies vooral betrekking op mogelijke schade aan de natuur, de landbouw en de drinkwatervoorziening.
52 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT
^
^ Toelichting op beleidskeuze 41 Een integrale en gebiedsgerichte benadering is noodzakelijk om tot een toekomstbestendige leefomgeving te komen. De opgave rond waterbeschikbaarheid en wateroverlast vraagt om maatregelen in het watersysteem, maar ook om keuzes in de ruimtelijke inrichting met betrekking tot onder andere de natuur, de landbouw en de drinkwatervoorziening. De waterbeheerders hebben vooral een rol bij het nemen van maatregelen in het watersysteem, waar de provincie Utrecht het voortouw neemt bij het maken van de ruimtelijke keuzes. We richten ons op de verbinding tussen het watersysteem en het gebruik van het omliggende gebied. Vanuit een integrale en gebiedsgerichte benadering verbinden we de opgave ter voorkoming van wateroverlast en verdroging met andere thema’s, zoals de natuur, de landbouw, de drinkwatervoorziening en ruimtelijke ordening. Hierbij streven we naar een circulair watersysteem, met aandacht voor waterconservering en hergebruik. We participeren in verschillende integrale gebiedsprojecten. Ook participeren we in het Deltaprogramma Zoetwater. Hiervan start in 2021 de tweede fase, waarvoor de strategieën en te nemen maatregelen op hoofdlijnen bekend zijn. Binnen het Deltaprogramma Zoetwater werkt de provincie Utrecht samen in de volgende twee deelgebieden:
De Zoetwatervoorziening Oost Nederland: het ZON-gebied dat voor het Utrechtse deel wordt beheerd door het waterschap Vallei en Veluwe (Utrechtse Heuvelrug en Gelderse Vallei).
De Zoetwaterregio West-Nederland: het gebied ten westen van de Utrechtse Heuvelrug, voor Utrecht de beheergebieden van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.
Voor de Zoetwaterregio Rivierengebied (beheergebied van het Waterschap Rivierenland), waaronder de gemeente Vijfheerenlanden, wordt nog gezocht naar een geschikte samenwerkingsvorm. In Oost-Nederland ligt de focus op het op orde krijgen van het watersysteem, in het bijzonder de waterconservering. Samen met onze partners dragen we punten aan voor op de blauwe agenda in het regionale overleg over het ZONgebied. De provincie Utrecht kiest hier voor een gebiedsgerichte en integrale aanpak met een goede verbinding tussen de thema’s zoetwatervoorziening, klimaatadaptatie, anti-verdroging van natuurgebieden, de landbouw en de drinkwatervoorziening. Binnen de Zoetwaterregio West-Nederland zijn we onder andere betrokken bij onderzoeken naar een klimaatbestendige wateraanvoer voor West-Nederland, zoals het onderzoek Adaptieve Oostelijke Regionale en Tijdsafhankelijke Aanvoer (AORTA). In het Rivierengebied participeert de provincie Utrecht in het door Rijkswaterstaat getrokken programma Integraal riviermanagement. Opgaven als waterveiligheid, bevaarbaarheid, de beschikbaarheid van zoetwater, de waterkwaliteit, de natuur en de zorg voor een gezonde leefomgeving worden in dit programma gezamenlijk opgepakt. Binnen het thema zoetwatervoorziening wordt intensief samengewerkt met de vier Utrechtse waterschappen, de drinkwaterbedrijven en Rijkswaterstaat.
Via de werkregio’s Klimaatadaptatie en de gebiedsspecifieke projecten wordt de samenwerking gezocht met de gemeenten, LTO Nederland en terreinbeherende organisaties: de grote terreineigenaren, de regionale overheden en particuliere grondeigenaren. Via een integrale aanpak en samenwerkingen willen we beter bestand zijn tegen periodes van droogte en wateroverlast die in de toekomst vaker verwacht worden. Toelichting op beleidskeuze 42 Om wateroverlast te voorkomen zijn in de Omgevingsverordening normen voor wateroverlast opgenomen en waterbergingsgebieden aangewezen. De huidige normering voor wateroverlast gaat uit van het gebruik van het gebied op het niveau van ‘peilgebied’, waarbinnen één en hetzelfde peil wordt nagestreefd. Om de waterschappen meer ruimte te kunnen bieden, wordt samen met hen de mogelijkheid onderzocht om water vast te houden voor droge perioden. Ook een meer gebiedsgerichte aanpak is een voorbeeld van een nieuwe aanpak van wateroverlast die de huidige normering kan vervangen. Naast het beheer van de watersystemen is het gebruik en de inrichting van het gebied van belang, aangezien het vasthouden van water in het gebied zelf gebeurt. Er is een aantal gebieden aangewezen als waterbergingsgebieden, waar een instructieregel geldt ter voorkoming van ontwikkelingen die in strijd zijn met de waterbergingsfunctie.