CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

5.7 Ontwerp Bodem en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027

Commissie Ruimte 21 september 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven49.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Reguliere systemen kunnen we in dit gebied toestaan in het eerste watervoerende pakket en MTO, HTO en OGT in bodemlagen dieper dan het derde watervoerende pakket. Voor een aantal gebieden is een programma van kracht voor de gebiedsgerichte aanpak van grondwater, als voortzetting van of vergelijkbaar met het gebiedsgerichte grondwaterbeheer op grond van de voormalige Wet bodembescherming. Dit kan resulteren in beperkingen voor de toepassing van ondiepe bodemenergie, zoals een dieptebeperking, die een aanvullend toetsingskader vormen specifiek voor het betreffende gebied. 3.7.2 Aquathermie <kaart 6A, hele provincie> Aquathermie is het benutten van warmte en/of koude uit water. We onderscheiden thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) en drinkwater (TED). Om energie uit water te benutten wordt gebruik gemaakt van een combinatie van bewezen technieken. De bron is oppervlakte-, afval- of drinkwater waaraan met een warmtewisselaar vooral warmte en in sommige situaties koude wordt onttrokken. De warmte wordt direct afgenomen of opgeslagen in bijvoorbeeld een open bodemenergiesysteem. Uit dit systeem kan vraaggestuurd warmte worden geleverd. Deze warmte kan in het koude seizoen worden benut om met behulp van een warmtepomp gebouwen te verwarmen. Wat zijn onze doelen? ƒ

In 2050 willen we aquathermie optimaal benutten op een manier die veilig en verantwoord is voor mens, bodem, water, milieu en natuur.

ƒ

We zorgen ervoor dat de benutting van aquathermie in samenhang gebeurt met andere boven- en ondergrondse belangen.

Welke beleidskeuzes maken we? 66. We stimuleren het toepassen van aquathermie, omdat dit een duurzame warmtebron is die kan bijdragen aan onze ambitie om zo snel mogelijk energieneutraal te zijn. 67. We stellen als voorwaarde dat het gebruik van aquathermie gebeurt op een manier die veilig en verantwoord is voor bodem, water, milieu en natuur. Wij dragen bij aan en volgen de resultaten van diverse onderzoeken naar kansen, risico’s en effecten van een grootschalige ontwikkeling van aquathermie op het bodem- en watersysteem. De uitkomst van die onderzoeken bepaalt of een aanvullend provinciaal beleidskader ten behoeve van een robuust bodem- en watersysteem noodzakelijk is.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 69

^

^ Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Stimuleren ƒ

We denken mee en/of brengen kennis in bij initiatieven vanuit de markt en bij energietransitieprojecten op wijk- of gebiedsniveau.

ƒ

We dragen bij aan onderzoeken gericht op het vergroten van kennis over veilig, verantwoord en doelmatig gebruik van aquathermie in combinatie met open bodemenergie.

ƒ

We delen kennis met partners zoals gemeenten en waterschappen en in regionale en interprovinciale netwerken.

ƒ

We dragen bij aan Regionale Energiestrategieën (RES-en) en het ontwikkelen van gemeentelijke Transitievisies Warmte (TVW’s) door kennis over kansen en randvoorwaarden in te brengen.

Participeren ƒ

We participeren in het ontwikkelen van kennis omtrent kansen, risico’s en effecten van grootschalig gebruik van aquathermie op het bodem- en watersysteem. Hierbij focussen we op effecten op de waterkwaliteit en ecologie en de combinatie van aquathermie met open bodemenergiesystemen.

ƒ

We denken mee in de ontwikkeling van een uniform toetsingskader voor aquathermie.

Reguleren ƒ

De Omgevingsverordening bevat regels voor open bodemenergiesystemen, die in combinatie met aquathermie moeten worden aangelegd.

ƒ

Als uit onderzoeken blijkt dat er door grootschalig gebruik van aquathermie risico’s en effecten optreden voor het bodem- en watersysteem, zullen we zo nodig een aanvullend beleidskader en eventueel regels in de Omgevingsverordening opnemen.

Toelichting op beleidskeuze 66 Aquathermie is een techniek die nog maar beperkt wordt toegepast in onze provincie en in heel Nederland. Het wordt gezien als een duurzame bron voor warmte en (in mindere mate) koude, die kansrijk is om bij te dragen aan onze ambitie om zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2-neutraal te zijn (Programmaplan energietransitie 20202025). Door de energietransitie verwachten we dat de ontwikkeling van aquathermie in combinatie met ondiepe bodemenergie de komende vijf tot tien jaar een enorme groei gaat doormaken. We stimuleren de ontwikkeling van aquathermie door mee te denken bij nieuwe initiatieven en bij te dragen aan regionale kennisopbouw en kennisdeling over de kansen en risico’s van aquathermie in relatie tot het bodem- en watersysteem. Toelichting op beleidskeuze 67 Voor ondiepe bodemenergie is er provinciaal beleid en zijn er regels, die ook gelden wanneer het betreffende bodemenergiesysteem als onderdeel van een aquathermiesysteem wordt aangelegd. Voor het onttrekken of lozen van warm of koud water in het oppervlaktewater is er geen provinciaal beleid, aangezien dit primair een taak van de waterschappen is. Het is nog onduidelijk of provinciaal beleid en regels in de toekomst nodig zijn.

Als de verwachte groei in het gebruik van aquathermie doorzet en deze techniek grootschalig wordt toegepast, is het van belang om de effecten op het bodem- en met name watersysteem (waterkwaliteit en ecologie) goed te volgen. De kortetermijneffecten voor de ecologie lijken vooralsnog gunstig, maar wat de langetermijneffecten zijn is nog onbekend. Er vindt qua temperatuur van het oppervlaktewater een afvlakking en verschuiving van seizoenfluctuatie plaats als de hoeveelheid geloosd koud water een significant effect heeft op de temperatuur. De vraag is hoeveel effect dit heeft op de ecologie. We volgen en dragen bij aan diverse onderzoeken naar de kansen, risico’s en effecten van een grootschalige ontwikkeling van aquathermie op het bodem- en watersysteem. Ook leveren we een bijdrage aan de ontwikkeling van een toetsingskader voor aquathermie, waarbij we streven naar een zo uniform mogelijk toetsingskader voor alle watergangen in de provincie. We koppelen het toetsingskader aan de KRW-doelen en de doelen voor overig water. Op grond van de resultaten bepalen we in overleg met onze waterpartners of het noodzakelijk is om een aanvullend provinciaal beleidskader of aanvullende regelgeving voor aquathermie te ontwikkelen ten behoeve van een robuust bodem- en watersysteem in onze provincie.

70 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ 3.7.3 Aardwarmte <kaart 6B> Aardwarmte, of geothermie, is een relatief nieuwe vorm van mijnbouw die als duurzame energiebron een belangrijke bijdrage kan leveren aan de warmtetransitie. Aardwarmte is lokale, duurzame warmte die uit de diepe ondergrond kan worden gewonnen. De gewonnen warmte stroomt via een netwerk van buizen (een warmtenet) naar onder andere woningen, gebouwen, fabrieken en kassen. We spreken van aardwarmte als de warmwaterbron zich op een diepte beneden de 500 meter bevindt. Het opsporen en winnen van aardwarmte is een mijnbouwactiviteit en valt onder de Mijnbouwwet, waarvoor het ministerie van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag is. De provincie Utrecht heeft een adviserende rol bij het verlenen van vergunningen onder de Mijnbouwwet. Wat zijn onze doelen? ƒ

In 2050 willen we aardwarmte optimaal benutten op een manier die veilig en verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu.

ƒ

We willen dat het benutten van aardwarmte in samenhang gebeurt met andere boven- en ondergrondse belangen.

Welke beleidskeuzes maken we? 68. We stimuleren een veilige en verantwoorde toepassing van aardwarmte, omdat dit een duurzame warmtebron is die kan bijdragen aan de provinciale ambitie om zo snel mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2-neutraal te zijn. 69. Aardwarmte is op grond van onze provinciale belangen niet overal (zonder voorwaarden) acceptabel. Voor aardwarmte maken we onderscheid in onderstaande soorten gebieden, waarbij de invulling samenvalt met de belangen waar we als provincie Utrecht verantwoordelijk voor zijn: ƒ

Rood: strijdig met provinciaal belang en daarom niet acceptabel.

ƒ

Geel: strijdig met provinciaal belang, maar onder aanvullende voorwaarden mogelijk acceptabel.

ƒ

Wit: niet strijdig met provinciaal belang.

Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Stimuleren ƒ

We stimuleren een veilig en verantwoord gebruik van aardwarmte. Dit vullen we in door naast de uitvoering van onze wettelijke adviesrol in de verschillende fasen van de voorbereiding en uitvoering van een project in gesprek te gaan met initiatiefnemers, het bevoegd gezag en andere stakeholders. Die gesprekken hebben betrekking op de kansen en risico’s van het gebruik van aardwarmte. We leveren ook een bijdrage aan het steeds preciezer in beeld brengen van de ondergrondse potentie van aardwarmte en de koppeling met de vraag naar warmte. We dragen bij aan Regionale Energiestrategieën en het ontwikkelen van gemeentelijke TVW’s door kennis over kansen en randvoorwaarden in te brengen.

Participeren ƒ

We participeren in het opbouwen van kennis over aardwarmte en de effecten op en ontwikkeling van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem. We delen kennis met partners zoals gemeenten, waterschappen, drinkwaterbedrijven en het Rijk, en in regionale en interprovinciale netwerken.

ƒ

Ook leveren we een bijdrage aan landelijke wet- en regelgevingstrajecten om een veilige en verantwoorde ontwikkeling van aardwarmte mogelijk te maken. Extra aandacht gaat daarbij uit naar: »

Risico’s voor de bodem- en (grond)waterkwaliteit en maatregelen die genomen kunnen worden om risico’s zo klein mogelijk te maken.

»

De ondergrondse potentie van aardwarmte.

Reguleren ƒ

We geven uitvoering aan onze wettelijke adviesrol in het kader van de Mijnbouwwet. Onderdeel van de advisering is dat wij aangeven waar wij op grond van de provinciale belangen aardwarmte wel, niet of onder voorwaarden mogelijk achten. Onze advisering stemmen we af met gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 71

^

^ Toelichting op beleidskeuze 68 Aardwarmte is een techniek die nog niet in de provincie wordt toegepast. Het wordt wel gezien als een kansrijke duurzame warmtebron, die kan bijdragen aan onze ambitie om zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2-neutraal te zijn (zie ook Programmaplan Energietransitie 2020-2025). Aardwarmte is een mijnbouwactiviteit die zonder de juiste maatregelen risico’s met zich meebrengt voor bodem, water, milieu en de mens. Het gebruik kan effecten hebben op andere functies en ander gebruik van de ondergrond. Daarom stimuleren we een veilige en verantwoorde toepassing van aardwarmte. De provincie Utrecht volgt de diverse landelijke onderzoeken rondom de kansen en risico’s van het gebruik van aardwarmte en zal een bijdrage leveren aan onderzoeken naar risico’s en effecten bij aardwarmteprojecten in de regio. We delen kennis over de kansen en risico’s van het gebruik van aardwarmte met partners zoals gemeenten, waterschappen, drinkwaterbedrijven en het Rijk (ook in wet- en regelgevingstrajecten) en in regionale en interprovinciale netwerken. Door een gebrek aan informatie over de diepe ondergrond is over de exacte potentie van aardwarmte in de provincie Utrecht nog veel onbekend.

De verwachting is dat er in de komende planperiode steeds meer informatie over de ondergrond beschikbaar komt, door landelijk onderzoek naar de opbouw van de diepe ondergrond (Seismische Campagne Aardwarmte Nederland) en het starten van de eerste aardwarmteprojecten in de provincie. De regionale potentie van aardwarmte zal stapsgewijs steeds beter in beeld gebracht kunnen worden. De provincie Utrecht gaat een bijdrage leveren om de regionale ondergrondse potentie steeds beter in beeld te brengen, omdat dit een veilige en verantwoorde ontwikkeling van aardwarmte stimuleert. Steeds meer inzicht in de regionale opbouw van de ondergrond en de potentie van aardwarmte leidt namelijk tot: ƒ

Geleidelijke vermindering van risico’s tijdens de uitvoering van aardwarmteprojecten.

ƒ

Informatie voor gemeenten om mee te nemen in het opstellen van de Regionale Structuurvisies Warmte (RSW’s) en gemeentelijke Transitievisies Warmte (TVW’s).

ƒ

Informatie die we zelf meenemen bij onze verdere adaptieve aanpak van de strategische grondwatervoorraad en het duurzaam gebruik van de ondergrond.

Toelichting op beleidskeuze 69 Aardwarmte is een mijnbouwactiviteit waarvoor het ministerie van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag is. De provincie Utrecht heeft op grond van de Mijnbouwwet een adviserende rol bij vergunningaanvragen. In de advisering bij vergunningaanvragen voor aardwarmte richting het ministerie en in de gesprekken met initiatiefnemers van aardwarmteprojecten, brengen we diverse aandachtspunten, randvoorwaarden en adviezen in. Centraal hierbij staan de volgende aspecten: ƒ

Het zoeken naar en winnen van aardwarmte gebeurt zorgvuldig, veilig en milieuhygiënisch verantwoord, en is ruimtelijk goed ingepast.

ƒ

In alle fasen van een aardwarmteproject dienen zowel de landelijke wet- en regelgeving als de provinciale, gemeentelijke en waterschapsregels te worden meegenomen. Activiteiten worden beschouwd in samenhang met ander lokale en regionale belangen.

ƒ

De omgeving en met name de inwoners worden zorgvuldig betrokken bij de voorbereiding en realisatie van een aardwarmteproject.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat neemt het advies van de provincie Utrecht mee in de besluitvorming. Het Rijk heeft aangegeven de regels in de provinciale omgevingsverordening in acht te nemen bij het verlenen van vergunningen. In delen van de provincie is de winning van aardwarmte strijdig met een of meerdere provinciale belangen. Het beleid en de regels die de diverse provinciale belangen vastleggen en de toepassing daarvan, zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze informatie is gebundeld in de beleidskaart Aardwarmte. Als de winning van aardwarmte botst met provinciaal beleid of provinciale regels, betekent dit dat we het winnen van aardwarmte in delen van de provincie niet acceptabel (rood op de kaart) vinden, of acceptabel onder de juiste voorwaarden (oranje op de kaart). In gebieden waar het winnen van aardwarmte niet strijdig met provinciale belangen

72 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ is, vinden we het winnen acceptabel. Een verdere toelichting per provinciaal belang wordt gegeven in bijlage 2. De beleidskaart Aardwarmte vormt geen nieuw vast te stellen beleidskader omdat beleid en regels van diverse provinciale belangen, reeds eerder vastgelegd in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening, erin samenkomen. Aardwarmte strijdig met provinciale belangen en daarom niet acceptabel In een deel van de provincie (rood op de kaart) is de winning van aardwarmte strijdig met provinciale belangen en daarom vinden we die winning in dit gebied niet acceptabel. Het betreft de volgende gebieden en belangen: ƒ

Drinkwater: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones.

ƒ

Waterveiligheid: primaire en regionale keringen en vrijwaringszones waterkeringen.

ƒ

Natuur: Natura 2000-gebieden en oude bosgroeiplaatsen.

Aardwarmte strijdig met provinciale belangen, maar onder voorwaarden toch acceptabel In een deel van de provincie (oranje op de kaart) is de winning van aardwarmte strijdig met provinciale belangen, maar onder de juiste voorwaarden toch acceptabel. Binnen dit gebied verschillen de mate van voorwaarden sterk, afhankelijk van de provinciale belangen die specifiek voor een bepaald gebied spelen en meegenomen moeten worden in de verschillende fases van het aardwarmteproject. De invulling van de voorwaarden volgt uit het betreffende thematische provinciale beleid. Het betreft de volgende gebieden en belangen: ƒ

Drinkwater: 100-jaarsaandachtsgebieden, strategische grondwatervoorraad en beschermingszones oppervlaktewater.

ƒ

KRW-oppervlaktewater.

ƒ

Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour.

ƒ

Stiltegebieden.

ƒ

Aardkundige waarden.

ƒ

Landschap.

ƒ

Archeologie.

ƒ

Cultuurhistorie.

ƒ

Unesco Werelderfgoed: Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Aardwarmte niet strijdig met provinciale belangen en daarom acceptabel In de rest van de provincie is de ontwikkeling van aardwarmte niet strijdig met provinciale belangen en daarmee acceptabel. 3.7.4 Overige mijnbouw Bij overige mijnbouw maken we onderscheid in: ƒ

Winning van aardolie en aardgas.

ƒ

Ondergrondse opslag van stoffen.

ƒ

Winning van schaliegas.

3.7.4.1 Winning van aardolie en aardgas <kaart 6C, hele provincie> Aardolie en aardgas zijn fossiele brandstoffen die in delen van Nederland diep onder de grond aanwezig zijn. Bij de verbranding van fossiele brandstoffen komt CO2 vrij. Het opsporen en winnen van aardolie en aardgas is een mijnbouwactiviteit en valt onder de Mijnbouwwet, waarvoor het ministerie van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag is. De provincie Utrecht heeft een adviserende rol bij het beoordelen en verlenen van vergunningen onder de Mijnbouwwet. Wat is ons doel? ƒ

Er vindt geen olie- en gaswinning plaats in de provincie, omdat dit niet past bij onze ambitie om zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2-neutraal te zijn.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 73

^

^ Welke beleidskeuze maken we? 70. We vinden het winnen van aardolie en aardgas in de hele provincie Utrecht niet acceptabel, omdat dit strijdig is met diverse provinciale belangen. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Participeren ƒ

We zetten ons ervoor in om bij initiatiefnemers voor olie- en gaswinning en bij het Rijk (vroegtijdig) onder de aandacht te brengen dat we op grond van onze provinciale belangen olie- en gaswinning niet acceptabel vinden. We willen dat onze provinciale belangen vroeg in het proces worden meegewogen bij de beslissing van een vergunningaanvraag voor een mijnbouwactiviteit.

Reguleren ƒ

We geven uitvoering aan onze wettelijke adviesrol in het kader van de Mijnbouwwet. In ons advies zullen we aangeven dat we op grond van onze provinciale belangen de conventionele winning van koolwaterstoffen niet acceptabel vinden. Onze advisering stemmen we af met gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven.

Toelichting op beleidskeuze 70 Het winnen van olie en gas is in strijd met het provinciaal belang van het bevorderen van en voldoende ruimte bieden aan het gebruik van duurzame energiebronnen. We willen geen olie- en gaswinningen in onze provincie, vanwege onze ambitie om de warmtevraag uiterlijk in 2050 volledig duurzaam in te vullen. Bovendien is het druk in de ondergrond van de provincie en wordt deze steeds intensiever gebruikt. Naast gebruik van de ondergrond voor winning van grondwater voor drinkwater (nu en in de toekomst) willen we de ondergrond met name gebruiken voor het winnen van ondiepe bodemenergie en het winnen van aardwarmte als duurzame energiebron. Ook diverse andere provinciale belangen vinden we onverenigbaar met olie- en gaswinning in de provincie Utrecht. Daarmee is er ook op grond van deze provinciale belangen geen ruimte voor olie- en gaswinning in de provincie. Het betreft de volgende gebieden en belangen: ƒ

Grond- en oppervlaktewater voor drinkwater: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones, 100-jaarsaandachtsgebieden en beschermingszones oppervlaktewater.

ƒ

Strategische grondwatervoorraad voor de toekomstige drinkwateropgave.

ƒ

Natura 2000-gebieden en gebieden in het NNN, bosgroeiplaatsen en Groene Contour.

ƒ

Stiltegebieden.

ƒ

Vrijwaringszones waterkeringen.

ƒ

Zeer open landschappen in het Groene Hart, de Kromme Rijn en het Eemland.

ƒ

Aardkundige waarden.

ƒ

Archeologische zones: Limes, Utrechtse Heuvelrug en Dorestad.

ƒ

Unesco Wereld Erfgoed: Nieuwe Hollandse Waterlinie.

3.7.4.2 Ondergrondse opslag van stoffen <kaart 6C, hele provincie> De ondergrondse opslag van stoffen omvat zowel de opslag van radioactief afval en verbruikte splijtstof als andere stoffen zoals koolstofdioxide (CO2) en waterstof (H2). Het opslaan van stoffen onder de grond dieper dan 100 meter beneden het aardoppervlak is een mijnbouwactiviteit en valt onder de Mijnbouwwet, waarvoor het ministerie van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag is. De provincie Utrecht heeft een adviserende rol bij het beoordelen en verlenen van vergunningen onder de Mijnbouwwet. Wat is ons doel? ƒ

We willen in de provincie Utrecht geen ondergrondse opslag, omdat de risico’s nog onvoldoende in beeld zijn.

74 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ Welke beleidskeuze maken we? 71. We beschikken niet over voldoende kennis over de risico’s van ondergrondse opslag van stoffen in de provincie. Daarom vinden we ondergrondse opslag niet acceptabel. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Participeren ƒ

We zetten ons ervoor in om de provinciale belangen bij het Rijk onder de aandacht te brengen. Wij willen dat onze provinciale belangen vroeg in het proces worden meegewogen bij landelijke beleidsontwikkelingen over ondergrondse opslag.

ƒ

In de komende jaren volgen we de onderzoeken met betrekking tot de eindberging van radioactief afval en verbruikte splijtstof, op basis waarvan overwogen zal worden of ons standpunt ongewijzigd blijft of moet worden aangepast.

Reguleren ƒ

Mocht zich onverwacht een initiatief voordoen, dan geven we uitvoering aan onze wettelijke adviesrol in het kader van de Mijnbouwwet. In ons advies zullen we aangeven dat wij op grond van onze provinciale belangen de ondergrondse opslag van stoffen niet acceptabel vinden. Onze advisering stemmen we af met gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven.

Toelichting op beleidskeuze 71 Op basis van de Richtlijn 2011/70/Euratom is iedere lidstaat verantwoordelijk voor het eigen radioactieve afval en de verbruikte splijtstoffen. Het Nationaal Programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (24 juni 2016) richt zich op het veilig en verantwoord beheer van radioactief afval, nu en in de toekomst. Radioactief afval en verbruikte splijtstof worden bovengronds opgeslagen voor een periode van ten minste honderd jaar. De geologische (ondergrondse) eindberging van radioactief afval staat gepland voor het jaar 2130. In het Onderzoeksprogramma Eindberging Radioactief Afval is onderzoek verricht naar de manier waarop radioactief afval op termijn veilig in de diepe ondergrond van Nederland opgeborgen kan worden. De resultaten van het onderzoek zijn begin 2018 gepubliceerd. Door de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) is de conclusie getrokken dat al het Nederlandse radioactieve afval veilig kan worden opgeborgen in diepe kleilagen onder Nederland, op geologisch gezien goed gekozen locaties. Aanbevolen wordt om veiligheidsvraagstukken verder te verfijnen door herhaaldelijk steeds specifiekere en meer gedetailleerde bergingsconcepten te ontwikkelen. Zo kan de kennis over eindberging verder worden ontwikkeld, opdat rond het jaar 2100 een weloverwogen besluit over eindberging kan worden genomen.

Bij de ondergrondse berging van radioactief afval moet absolute zekerheid gegeven kunnen worden dat de risico’s op bijvoorbeeld besmetting van grondwater volledig zijn uitgesloten. Er is wat ons betreft nog steeds onvoldoende kennis over de risico’s van ondergrondse opslag van kernafval. Dit zal in de komende decennia verder onderzocht moeten worden om in de toekomst een weloverwogen besluit te kunnen nemen. Ondergrondse opslag CO2 en H2 (waterstof) De ondergrondse opslag van CO2 en H2 is in de provincie Utrecht niet aan de orde, omdat we geen lege gasvelden, grotten of zoutcavernes hebben die daarvoor gebruikt kunnen worden. Daarnaast wordt ondergrondse opslag van CO2 op land door het kabinet vooralsnog uitgesloten. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) adviseert het ministerie van Economische Zaken en Klimaat over de veiligheid van de ondergrondse opslag van stoffen en houdt hier ook toezicht op. Verder heeft SodM wetenschappelijk onderzoek uitgezet naar de risico’s van ondergrondse opslag. Naast gebruik van de ondergrond voor winning van grondwater voor drinkwater, stellen we ruimte in de ondergrond beschikbaar voor de winning van ondiepe bodemenergie en aardwarmte. Dit valt moeilijk te combineren met de ondergrondse opslag van stoffen.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 75

^

^ 3.7.4.3 Winning van schaliegas <kaart 6C, hele provincie> Schaliegas is aardgas dat gewonnen kan worden uit kleisteenlagen in de ondergrond. Het opsporen en winnen van schaliegas is een mijnbouwactiviteit en valt onder de Mijnbouwwet, waarvoor het ministerie van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag is. De provincie Utrecht heeft een adviserende rol bij het beoordelen en verlenen van vergunningen onder de Mijnbouwwet. Wat is ons doel? ƒ

Zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 willen we CO2-neutraal zijn. Schaliegaswinning past niet bij deze ambitie en daarom zullen we niet bijdragen aan de ontwikkeling ervan.

Welke beleidskeuze maken we? 72. Winning van schaliegas vinden we niet acceptabel in de hele provincie Utrecht. Dit is in lijn met het landelijke beleid. Sinds juli 2019 is de winning van schaliegas in heel Nederland verboden. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Participeren ƒ

We zetten ons ervoor in om bij het Rijk onder de aandacht te brengen dat we op grond van onze provinciale belangen schaliegaswinning niet acceptabel vinden. We willen dat onze provinciale belangen vroeg in het proces worden meegewogen bij eventuele landelijke beleidswijzigingen over de winning van schaliegas.

Reguleren ƒ

Mocht zich onverwacht een initiatief voordoen, dan geven we uitvoering aan onze wettelijke adviesrol in het kader van de Mijnbouwwet. In ons advies zullen we aangeven dat we op grond van onze provinciale belangen de winning van schaliegas niet acceptabel vinden. Onze advisering stemmen we af met gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven.

Toelichting op beleidskeuze 72 Het winnen van schaliegas is strijdig met diverse provinciale belangen. Zo is het in strijd met het bevorderen van en voldoende ruimte bieden aan de realisatie van duurzame energiebronnen. De manier waarop schaliegas gewonnen wordt heeft zoveel nadelige impact op bodem, water en milieu dat we de winning ervan niet acceptabel vinden. In de Nationale Omgevingsvisie is opgenomen dat de opsporing en winning van schaliegas in Nederland wordt uitgesloten. Behalve voor de winning van grondwater voor drinkwater, geven we ruimte aan duurzame technieken als de winning van ondiepe bodemenergie en aardwarmte. Deze functies en dit gebruik zijn niet te combineren met de winning van schaliegas.

76 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^

4 GEBIEDSGERICHTE UITWERKING De provincie Utrecht kent een divers bodem- en watersysteem waarbinnen rivieren, kanalen, sloten en beken voor de wateraanvoer en -afvoer een belangrijke functie hebben. In het vorige hoofdstuk gingen we uitgebreid in op het gebiedsgerichte bodem- en grondwaterbeleid dat we toepassen in de volgende fysieke gebieden: het Veenweidegebied, Rivierengebied, Stad, Utrechtse Heuvelrug en Gelderse Vallei en Randmeren (zie figuur 5). Dit hoofdstuk beschrijft welke hoofdopgaven voor bodem en water in deze fysieke gebieden samenkomen en wat het Bodem- en waterprogramma en gerelateerde provinciale programma’s bijdragen aan het realiseren van deze opgaven. Ook gaan we in op de samenwerking met onze partners, waaronder de waterschappen in Utrecht waarmee de waterbeheerprogramma’s worden afgestemd.

Figuur 5: Het bodem- en watersysteem van de provincie Utrecht.

4.1 VEENWEIDEGEBIED Omschrijving van het gebied Het Veenweidegebied, gelegen in het westelijk deel van onze provincie en in het Eemland, is een waterrijk gebied met een weids en open karakter en een kenmerkende historische verkavelingsstructuur. Het is een belangrijk gebied voor landbouw, natuur, rust en recreatie. Het typische patroon van smalle weiden en sloten laat de geschiedenis van de ontwatering en veenontginning zien. De bodem bestaat voor een groot deel uit veen en lokaal komt ook klei en zand voor. In combinatie met de lage ligging van het landschap spelen in dit landschap specifieke opgaven.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 77

^

^ Gebiedsopgaven Bodemdaling is een van de hoofdthema’s in dit gebied. In de veenweidegebieden nemen we een mix aan maatregelen met als doel in 2030 de bodemdaling voor gemiddeld 50% tegen te gaan. De provincie Utrecht werkt samen met gebiedspartners aan het opstellen van een Regionale Veenweidestrategie (RVS). Het opstellen van de RVS is een verplichting uit het Klimaatakkoord (2019) voor alle provincies waarin veenweidegebieden voorkomen. In het Klimaatakkoord is de doelstelling opgenomen dat in de veenweidegebieden uiterlijk in 2030 gezamenlijk 1 megaton CO2-equivalent minder aan broeikasgassen wordt uitgestoten. De provincie Utrecht en haar partners moeten in de RVS ook aangeven hoe ze deze doelstelling gaan realiseren. Het resultaat hiervan is een strategie voor de middellange termijn, dat wil zeggen voor de komende tien jaar, met een doorkijk naar 2050. We hanteren voor het programma een gebiedsgerichte aanpak, waarbij zoveel mogelijk andere opgaven, zoals landbouw en natuurontwikkeling, ook worden meegenomen. Een van de andere opgaven in het Veenweidegebied is klimaatadaptatie. Het gebied is kwetsbaar voor droogte, maar ook voor wateroverlast na hevige lokale buien. Relatie met BWP of andere (provinciale) programma’s ƒ

Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) betekent dat bij droogte vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek extra zoetwater naar West-Nederland wordt aangevoerd. Dit ter voorkoming van onder andere bodemdaling in het veenweidegebied en verzilting in de Hollandsche IJssel. We ondersteunen het waterschap bij de optimalisatie van de KWA in tijden van droogte.

ƒ

Conform de afspraken in het Klimaatakkoord faciliteren we het proces dat is gericht op het opstellen van de RVS. Vanuit onze regierol werken we samen met de waterschappen, gemeenten, de agrarische sector, bewoners, terreinbeheerders en maatschappelijke partijen. Voor wat betreft de waterschappen gaat het met name om Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) en het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV).

ƒ

Met het project Toekomstbestendig Amsterdam-Rijnkanaal Noordzeekanaalgebied maken we samen met naburige provincies en waterbeheerders de relatie inzichtelijk tussen ontwikkelingen in (en beperkingen van) het watersysteem en ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit die inzichten geven we onderbouwd advies bij grote ruimtelijke opgaven in de regio’s Amsterdam en Utrecht.

ƒ

In het kader van afstemming met de Utrechtse waterschappen zijn de waterbeheerprogramma’s van met name HDSR en AGV relevant.

4.2 RIVIERENGEBIED Omschrijving van het gebied Het landschap van het Kromme Rijngebied en het Langbroekerweteringgebied, samen met de Lek/Nederrijn, noemen we het Rivierengebied. De rivieren Lek/Nederrijn en de Kromme Rijn hebben in dit gebied voor de landschappelijke variatie gezorgd. Ook de Vijfheerenlanden en het Eiland van Schalkwijk maken onderdeel uit van het Rivierengebied. Langs de rivieren liggen uiterwaarden waarin de natuur en de rivier de ruimte krijgen. Er zijn oeverwallen en dijken, waar de meeste bebouwing en veel fruitteelt te vinden is. Ook zijn er de lage komgronden, die meestal in gebruik zijn als grasland. De bodem bestaat hier afwisselend uit zand en klei. Het Rivierengebied is aantrekkelijk voor (water) recreatie. Gebiedsopgaven Vanuit de omliggende steden ligt er druk op het Rivierengebied. Een stijgende groei van inwoners in combinatie met toenemende droogte en hitte, vraagt om uitbreiding van de drinkwatervoorziening en beleid om de recreatiedruk in dit gebied in goede banen te leiden. Bij de versterking van de primaire waterkeringen voor een klimaatbestendige en waterveilige provincie, zetten we samen met de waterschappen en gemeenten en het Rijk in op het combineren van verschillende ambities voor onder andere natuur, recreatie en cultuurhistorie. Zo vergroten we de omgevingskwaliteit van dit gebied.

78 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ De beschikbaarheid van water vanuit het hoofdwatersysteem neemt de komende decennia af, als gevolg van klimaatverandering, lagere rivierafvoeren en een andere landelijke waterverdeling. Een voorbeeld van die andere verdeling is een toename van de vraag vanuit de Kleinschalige Wateraanvoervoorzieningen (KWA): het stelsel van stuwen, watergangen en gemalen dat in tijden van watertekort zoetwater naar West-Nederland aanvoert. Het afnemende aanbod in het hoofdwatersysteem betekent dat de watertekorten in de Vijfheerenlanden zullen toenemen. Voor het Eiland van Schalkwijk is aanpassing van het watersysteem de belangrijkste doelstelling. Dat watersysteem is namelijk niet berekend op de huidige en toekomstige opgaven, met name als het gaat om het voorkomen van wateroverlast en de wateraanvoer ten behoeve van de fruitteelt. Relatie met BWP of andere (provinciale) programma’s ƒ

Met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde programmaplan Mooie en veilige dijken zetten we in op een integrale aanpak en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit op en rond de Nederrijn en Lekdijk. Dat doen we samen met de waterschappen HDSR, Rivierenland en Vallei en Veluwe

ƒ

We zetten in op de ontwikkeling van een robuuste groenblauwe en recreatieve structuur langs de Kromme Rijn.

ƒ

Samen met de drinkwaterbedrijven onderzoeken en benutten we de mogelijkheden voor nieuwe grondwaterwinningen en uitbreiding van bestaande grondwaterwinningen. Een nieuwe winning bij Schalkwijk zien we als de beste optie en daarom is deze locatie als zoekgebied voor drinkwaterwinning aangewezen.

ƒ

Het project Toekomstbestendig Amsterdam-Rijnkanaal Noordzeekanaalgebied (zie voorgaande paragraaf) is ook voor het Rivierengebied van belang.

ƒ

We monitoren de ‘waterbalans’ op regionaal watersysteemniveau en evalueren indien nodig het onttrekkingenbeleid.

4.3 STAD Omschrijving van het gebied Het stedelijk gebied omvat het stadsgewest Utrecht (Utrecht, Nieuwegein, Houten en IJsselstein), maar ook steden als Woerden, Amersfoort en Veenendaal. Hier spelen stedelijke opgaven en die zijn ook vanuit bodem- en waterperspectief bezien vaak anders dan in de andere gebieden. Het is ook een van de snelst groeiende regio’s van Nederland. Het gebied kenmerkt zich onder andere door een grote verscheidenheid aan aantrekkelijke en cultuurhistorische landschappen. Gebiedsopgaven De huidige manier waarop steden en ook dorpen zijn ingericht, samen met onder meer de woningbouwopgave en de energietransitie, zorgen voor een toenemend probleem van wateroverlast, droogte- en hittestress en toenemende drukte in de ondergrond. Zowel bij ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied als bij uitbreidingslocaties is het van belang om voldoende waterberging te realiseren, teneinde wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te beperken. Mogelijkheden tot verkoeling zijn ook belangrijk, dus meer natuur, groen en recreatievoorzieningen, zoals zwemwater. Ook bij de locatiekeuze van nieuw stedelijk gebied is het bodem en watersysteem van belang bij de integrale afweging. Hiervoor worden samen met andere overheden lange termijn verstedelijkingsstrategieën opgesteld en door de gemeenten omgevingsvisies. Relatie met BWP of andere (provinciale) programma’s ƒ

Via het programma klimaatadaptatie, programma versnelling woningbouw en regionaal programmeren wonen en werken stimuleren wij gemeenten om de nieuwe stedelijke locaties (zowel herstructureringen als uitbreiding) klimaatadaptief te ontwikkelen. De provincie Utrecht pakt hiervoor onder andere de regie op om samen met gemeenten, waterschappen en ketenpartners te werken aan afspraken rond klimaatadaptief bouwen.

ƒ

Met het programma Groen groeit mee zetten we als overheden gezamenlijk in op het realiseren van groenblauwe verbindingen en groene scheggen. In het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie combineren we in ons beleid de doelen natuurontwikkeling, recreatie en waterberging.

ƒ

In het project Toekomstbestendig Amsterdam-Rijnkanaal Noordzeekanaalgebied onderzoeken we mede de kansen en knelpunten vanuit het watersysteem in relatie tot de stedelijke ontwikkeling.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 79

^

^ ƒ

We zorgen dat de mogelijkheden voor de winning van duurzame energie uit het bodem- en watersysteem op verantwoorde en veilige manier optimaal worden benut, in samenhang met ander gebruik en andere functies van de ondergrond.

ƒ

Ook in het stedelijk gebied is de afstemming van maatregelen in de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen noodzakelijk.

4.4 UTRECHTSE HEUVELRUG Omschrijving van het gebied Op de Utrechtse Heuvelrug infiltreert een groot deel van het regenwater en vormt zo een belangrijke bron voor de drinkwatervoorziening, de (levensmiddelen)industrie en de natuur- en landbouwgebieden langs de flanken. Een deel van het grondwater komt in kwelgebieden aan de flanken aan de oppervlakte, hetgeen zorgt voor een bijzondere biodiversiteit. Gebiedsopgaven Door de klimaatverandering wordt de Utrechtse Heuvelrug steeds droger. Maatregelen zijn nodig, bijvoorbeeld aan de flanken van de Utrechtse Heuvelrug. We benutten het hydrologische systeem van de Utrechtse Heuvelrug om regenwater vast te houden en te infiltreren. Relatie met BWP of andere (provinciale) programma’s ƒ

Om verdroging op de Utrechtse Heuvelrug tegen te gaan, werken we in het project Blauwe Agenda (zie onderstaand kader) samen met gemeenten, de waterschappen HDSR en Vallei en Veluwe, drinkwaterbedrijven, particuliere grondeigenaren en terreinbeherende organisaties aan integrale wateroplossingen. Hierbij wordt ook veel aandacht besteed aan de grondwatervoorraad ten bate van de drinkwatervoorziening.

ƒ

We streven ook naar samenwerking met de provincie Noord-Holland en/of de Metropool Regio Amsterdam (MRA).

Op 12 mei 2020 hebben Gedeputeerde Staten besloten om het project Blauwe Agenda te starten, waarin we samenwerken met een aantal partners, waaronder Vitens, de waterschappen HDSR en Vallei en Veluwe, het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug, UPG (Utrechts Particulier Grondbezit), LTO Nederland, natuurorganisaties en gemeenten. Het doel van de Blauwe Agenda is om op de Heuvelrug samen op te trekken bij projecten die als doel hebben om het watersysteem meer robuust te maken. We selecteerden acht lokale projecten die we gaan ondersteunen en formuleerden vier doelen: ƒ

Meer water infiltreren.

ƒ

Meer water vasthouden.

ƒ

Het uitvoeren van integrale wateroplossingen.

ƒ

De waterkwaliteit verbeteren.

Naast het opstellen van een visie willen we ook meer kennis ontwikkelen en de bewustwording over het watersysteem onder burgers, eigenaren en bedrijven vergroten.

4.5 GELDERSE VALLEI EN RANDMEREN Omschrijving van het gebied Het landschap van de Gelderse Vallei wordt gekenmerkt door een rijk gevarieerde kleinschaligheid. Het is een stelsel van beken, griften en kanalen, met hierin gelegen de Grebbelinie en de overgang van Vallei naar stuwwal (de ‘luwe Flank’). Het is een vlak gebied en bestaat voor het grootste gedeelte uit zand, met lokaal klei en veen. De Gelderse Vallei kent een grote variëteit aan agrarische bedrijven; zowel grondgebonden melkveehouderij als nietgrondgebonden veehouderij (pluimvee, varkens, kalveren en geiten). Ten noorden van de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei liggen de Randmeren, bestaand uit het Eemmeer, het Ketelmeer, het Veluwemeer en het Gooimeer.

80 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ Gebiedsopgaven In het gebied ligt een verstedelijkingsopgave (wonen, werken en bereikbaarheid) die in samenhang met andere opgaven wordt bekeken, zoals klimaatadaptatie en de drinkwatervoorziening. Daarnaast kent het gebied opgaven rond landbouw en veeteelt. Waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit zijn belangrijke thema’s, die onder andere door de effecten van klimaatverandering, woningbouw en landbouw onder druk staan. Verder kan lokaal bodemdaling optreden en bij hogere waterstanden kan de afvoer naar de Randmeren bemoeilijkt worden, wat voor wateroverlast kan zorgen. De agrarische bedrijfsvoering in dit gebied brengt ook verschillende opgaven met zich mee. Met name het behalen van de KRW-doelen wordt bemoeilijkt door de uitspoeling van nutriënten en het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen. Relatie met BWP of andere (provinciale) programma’s ƒ

In de Eemvallei kan een groenblauwe ontwikkeling worden gecombineerd met een meer circulaire en natuurinclusieve landbouw. Bij Eemdijk hebben we tevens een zoekgebied drinkwaterwinning aangewezen.

ƒ

Het provincie-overschrijdende en gevarieerde landschap in de Gelderse Vallei leent zich bij uitstek voor een verdere combinatie van bestaande en nieuwe functies, zoals landbouw, (natte) natuur, recreatie, waterberging en kleinschalige opwekking van duurzame energie.

ƒ

De provincie Utrecht draagt bij aan realisatie van het project Grebbedijk. Na afronding van dit project wordt mogelijk een heroverweging van de regionale status van de Slaperdijk onderzocht.

ƒ

In het kader van afstemming met de waterschappen is het Blauwe Omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe relevant. Het BOP bevat vier programma’s, voor de gebieden NoordVeluwe, Eemland, Gelderse Vallei en IJssel Vallei. Per gebiedsprogramma heeft het waterschap blauwe sleutelgebieden benoemd.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 81

^

5.1 UITVOERING EN SAMENWERKING We willen de doelen in dit Bodem- en Waterprogramma (BWP) bereiken in samenwerking met de andere overheden en met burgers, bedrijven en kennisinstellingen. Participatie bij de verdere uitvoering van het BWP In de Omgevingsvisie staat hoe we omgaan met participatie onder de Omgevingswet. Bij het werken aan onze doelen betrekken we alle relevante belanghebbenden. Een mooi voorbeeld is het project Blauwe Agenda (zie paragraaf 4.4). Samenwerking met gemeenten binnen bestaande samenwerkingsverbanden Voor vraagstukken rondom bodem- en grondwaterbeleid werkt de provincie Utrecht al samen met gemeenten in onder andere de Begeleidingsgroep transitieagenda, met Amersfoort, Nieuwegein, Utrecht, Woerden en Zeist. Daarin wordt onder andere gewerkt aan (het ontsluiten van) bodeminformatie en wordt nagedacht over toekomstige beleidskeuzes. Door gebiedsgericht samen te werken hopen we projecten beter en meer integraal op te pakken en uit te voeren. Een voorbeeld hiervan is het gebiedsgericht grondwaterbeheer in Woerden en Veenendaal. Samenwerking met de Utrechtse waterpartners Zoals geschetst in de Omgevingsvisie, werken we met de waterpartners samen aan vergelijkbare doelen, zoals het beschermen en versterken van het bodem- en watersysteem, het duurzaam gebruik van de ondergrond en het vormgeven van gebiedsgericht beleid.

Deze vaak complexe en integrale opgaven vragen om intensieve samenwerking, waarbij ieder vanuit zijn wettelijke taken en verantwoordelijkheden een bijdrage levert. We willen de huidige samenwerking met de vier Utrechtse waterschappen graag voortzetten. Een onderdeel van de samenwerking is periodieke afstemming met de Utrechtse waterpartners, waarin naast de waterschappen ook de drie drinkwaterbedrijven (Oasen, Vitens en Waternet) en Rijkswaterstaat Midden-Nederland zijn vertegenwoordigd. In deze periodieke overleggen vindt onder andere afstemming plaats in het kader van de uitvoering van de waterbeheerprogramma’s. Samenwerking met belangen- en natuurorganisaties Uiteraard blijft de provincie Utrecht de samenwerking zoeken met belangenorganisaties als LTO Nederland, Natuur en Milieufederatie Utrecht, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Het Utrechts Landschap en Utrechts Particulier Grondbezit. 5.2 MONITORING De Omgevingswet stelt het verplicht om programma’s die vallen onder de Omgevingswet te monitoren, zodat kan worden gecheckt of de in het BWP gestelde doelen ook gehaald worden. Het gaat dan onder andere om het voldoen aan de Europese verplichtingen, zoals de KRW, de zwemwaterrichtlijn, de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn Overstromingsrisico’s. Gemonitord worden de kwaliteit en kwantiteit van het grondwater, de veiligheid van regionale keringen en de waterbalans.

Voor het monitoren van de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit is een uitgebreid provinciaal meetnet beschikbaar. Een deel van de monitoringsgegevens wordt door andere overheden verzameld, zoals de waterschappen die de kwaliteit van het oppervlaktewater meten.

82 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

5 SAMENWERKING EN MONITORING

^

^ Figuur 6: De beleidscyclus (bron: Omgevingsbesluit, Rijksoverheid, juli 2018)

Relatie met Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Het monitoren van de doelen in het BWP kan niet los gezien worden van de monitoring van de Omgevingsvisie en de daaraan gekoppelde Omgevingsverordening (zie figuur 6). De monitoring van de Omgevingsvisie wordt nog uitgewerkt en zal beschikbaar zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Beoogd is om de Omgevingsvisie elke vier jaar te herzien op basis van de resultaten van de monitoring en een evaluatie. De Omgevingsverordening vraagt om meer flexibiliteit om tijdig in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen; naar verwachting gaat dit eens per jaar plaatsvinden. De monitoring van de doelen in het BWP willen we zoveel mogelijk laten aansluiten op de monitoring van de Omgevingsvisie, zowel qua timing als inhoudelijk. We stemmen de monitoring- en evaluatiemomenten van het BWP af met de momenten waarop de Omgevingsvisie herzien zal worden. Monitoring van het BWP Een belangrijke kanttekening bij het monitoren van de doelen in het BWP is dat effecten van maatregelen op het watersysteem, zeker op het grondwatersysteem, pas na jaren zichtbaar zijn. Op basis van de resultaten van de monitoring zal het BWP eens per twee jaar geëvalueerd worden.

Vragen die hierbij beantwoord worden zijn onder andere: zijn de gestelde doelen nog steeds haalbaar? Zijn er aanvullende maatregelen of inspanningen nodig? Voldoen de gestelde kaders nog en zijn er nieuwe ontwikkelingen op basis waarvan gehandeld moet worden? Relevante uitkomsten van de monitoring van de waterbeheerprogramma’s door de waterschappen worden meegenomen in deze tweejaarlijkse evaluatie. Monitoringsplan We werken een monitoringsplan uit dat beschikbaar is bij de vaststelling van het BWP. Dit plan bevat een overzicht van beleidsthema’s en onderwerpen met doelen uit het BWP en daaraan gekoppeld een concrete indicator om hiermee meetbaar te maken of de doelen gehaald worden. We laten ook zien welke informatiebronnen en monitoringsystemen we gebruiken. Hiermee kan, indien nodig, tijdig de uitvoering van het BWP bijgesteld worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het herijken van onze rol of het nemen van aanvullende maatregelen of acties.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 83

^

1. In samenwerking met andere betrokken partijen ontwikkelen we een gebiedsgerichte 3D-systematiek. We zetten deze systematiek in zodat de ondergrond integraal, gebiedsgericht, driedimensionaal en gekoppeld met (bovengrondse) maatschappelijke opgaven wordt beschouwd, gericht op veilig en duurzaam gebruik. 2.

We blijven activiteiten uitvoeren die bijdragen aan circulaire bodem- en waterketens. Dat doen we in samenwerking met onze partners.

3.

We overwegen een grotere rol van de provincie Utrecht in circulair bodem- en waterbeheer.

4.

We leggen de doelen en de begrenzing van de KRW-oppervlaktewaterlichamen vast.

5.

We stellen de biologische doelen voor niet-KRW-wateren vast om de actuele kwaliteiten en ambities zichtbaar te maken als toetsingskader voor het beleid voor ruimtelijke ontwikkeling, omgevingsplannen en -vergunningen.

6.

We geven de ligging van de waterparels weer op de kaart en integreren deze ook in het natuurbeleid. Dat laatste is vooral het geval bij de verbetering van de biodiversiteit en de aanpak van zogenoemde ‘invasieve exoten’, ter bescherming van hydrobiologische waarden.

7.

Voor opkomende stoffen zijn de ambities van de gezamenlijke provincies beschreven in het position paper Delta-aanpak waterkwaliteit. We willen op regionaal niveau invulling geven aan deze ambities en daarvoor in de komende planperiode beleidsdoelen opstellen. Op dit onderwerp willen we de samenwerking tussen de regionale partners voortzetten.

8.

We behouden de aanwezige officiële zwemwaterlocaties in oppervlaktewater of breiden ze uit, tegen maatschappelijk verantwoorde kosten. Indien bij een structureel slechte waterkwaliteit de classificatie ‘aanvaardbaar’ onhaalbaar of onevenredig duur is, leggen we een permanent zwemverbod op en trekken de aanwijzing met functie zwemwater in.

9.

We zorgen voor ruimtelijke bescherming van oppervlaktewaterwinningen door een ‘beschermingszone’ vast te leggen in de Omgevingsverordening.

10. We werken samen met onze gebiedspartners voor bescherming van de oppervlaktewaterbronnen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, in gebiedsgesprekken, bij gebiedsdossiers en bij uitvoeringsprogramma’s van de innamepunten waterwinning Nieuwegein Cornelis Biemond en Nieuwersluis. 11. We kiezen voor een gecoördineerde en gezamenlijke integrale aanpak en een gebiedsgericht beleid, teneinde de grondwaterlichamen te laten voldoen aan de doelen van de KRW en de Grondwaterrichtlijn. 12. We zetten in op het verminderen van verontreiniging van het grondwater, zowel door de landbouw en industrie als door particulieren. 13. We hebben de voorkeur voor een gecoördineerde en gezamenlijke aanpak van het grondwaterbeleid. We werken dit beleid samen met onze partners uit in de werkgroep Beleidskeuzes.

84 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

LIJST MET BELEIDSKEUZES

^

^ 14. We zetten in op het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door het opstellen van een integrale gebiedsgerichte aanpak in samenwerking met onze partners in de gebieden. 15. De grondwaterkwaliteit moet aansluiten op de functies en opgaven in een gebied. 16. We voorkomen verslechtering van de huidige kwaliteit van het grondwater. Dit doen we door te voorkomen dat historische grondwaterverontreinigingen door menselijk handelen in het grondwater worden verspreid. Hierin gaan we beleidsneutraal over ten aanzien van de Wbb. 17. Waar nodig en mogelijk zetten we, bijvoorbeeld bij nieuwe activiteiten, in op een geleidelijke verbetering van de grondwaterkwaliteit. 18. In de beoordeling van verontreinigingen gaan we zoveel mogelijk beleidsneutraal over ten aanzien van de Wbb. We wijzen daarom de ‘signaleringsparameters’ uit artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als verontreinigende stoffen als bedoeld in de KRW. We wijzen geen gevaarlijke verontreinigende stoffen aan. Voor stoffen die in deze lijst niet genormeerd zijn kan de provincie Utrecht op een later moment aanvullende normen stellen. 19. Bij een gebiedsaanpak wijken we mogelijk af van algemene regels ten aanzien van historische grondwaterverontreinigingen, mits de risico’s voor de grondwaterkwaliteit en de functies in het gebied worden beheerst. 20.

Bij het voorkomen en aanpakken van verontreinigingen geven we de voorkeur aan preventie aan de (verontreinigings)bron, gevolgd door beherende en sanerende maatregelen. Leidt dit niet tot resultaat, dan volgen maatregelen dicht bij of in (kwetsbare) objecten. 21. We laten de ondergrond bepalend zijn voor het type grondwaterbeschermingszone. 22. We achten grootschalige stedelijke ontwikkeling ongewenst als deze in de buurt is van bestaande en mogelijke toekomstige grondwaterwinningen voor drinkwater. 23. We zetten ons ervoor in dat historische verontreinigingen waterwinningen ten behoeve van de drinkwatervoorziening niet bedreigen als gevolg van een onttrekkingsactiviteit van derden. 24. Ook zetten we in op maatregelen op het vlak van de ruimtelijke bescherming, aanwezige verontreinigingen in het grondwater (historische bodemverontreinigingen, gewasbeschermingsmiddelen, medicijnresten en opkomende stoffen) en activiteiten aan het maaiveld of in de ondergrond (zoals landbouw, infrastructuur, bodemenergie). 25. We zijn terughoudend om beschermingszones in te stellen ter bescherming van het grondwater voor industriële winningen of eigen winningen voor menselijke consumptie. 26. We beperken het onttrekken van grondwater voor de kleinere industriële winningen en eigen winningen zoveel mogelijk.

Het gebruik van leidingwater is in veel gevallen een veiliger en betrouwbaarder alternatief. 27. De grondwaterkwaliteit moet aansluiten op de functie van het oppervlaktewater. 28. We beschouwen de KRW-oppervlaktewaterlichamen als kwetsbaar object.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 85

^

^ 29. De kwaliteit van het grondwater moet aansluiten op de kwaliteitsdoelen van het Natura 2000-gebied. 30. We beschouwen de grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden en de gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland als kwetsbaar object. 31. We organiseren een zorgvuldige transitie waarin we met gemeenten, omgevingsdiensten en waterschappen afspraken maken over de wijze van samenwerken, uitgaande van een beleidsneutrale overgang. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven we met elkaar in gesprek om (onverwachte) gevallen te bespreken waarover nog geen (afdoende) afspraken over zijn gemaakt. 32. We blijven ons met onze partners inzetten voor een gecoördineerde en gezamenlijke aanpak bij regio-overstijgende bodemproblematiek. 33. We transformeren van kennishouder naar kennispartner op het gebied van de bodemkwaliteit. 34. We zetten in op een provinciebreed bodeminformatiesysteem waar al onze partners op aangesloten zijn en dat voor iedereen te raadplegen is. 35. We zoeken gebiedsgericht naar mogelijkheden voor een vitale bodem als basis voor een kringlooplandschap. Dat doen we met als startpunt de Samenwerkingsagenda Landbouw 2019. Voor de bosgebieden werken we aan revitalisering van bosbodems vanuit het ‘Perspectief Vitaal Bos’, in het nieuwe provinciale strategisch bosbeleid. 36. We beschermen de aardkundige waarden.

Als een voorgestelde ingreep botst met de aardkundige waarden in een gebied, is een gedegen afweging tussen de ingreep en het behoud van de aardkundige waarden nodig. Hierbij moet rekening gehouden worden met de bescherming van het natuurlijk reliëf, de bodemopbouw en eventuele actieve landschapsvormende processen. 37. Waar mogelijk willen we ons inzetten om de recreatieve en educatieve rol van de aardkundige monumenten te versterken. Om het verhaal van het ontstaan van de provincie nog completer te maken, wijzen we nieuwe aardkundige monumenten aan. 38. We willen dat nieuwe ontgrondingen voor delfstoffenwinning een duidelijke meerwaarde opleveren voor de ruimtelijke kwaliteit of functievervulling van de ontgrondingslocatie en de omgeving. 39. Op de Utrechtse Heuvelrug mag geen delfstoffenwinning plaatsvinden. 40. We brengen voor periodes van waterschaarste een actuele regionale rangorde aan (regionale verdringingsreeks). 41. Om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem kiezen we voor een integrale gebiedsgerichte benadering. 42. Vanuit die integrale gebiedsgerichte benadering werken we de omgevingswaarden (normen) voor wateroverlast en de aanduiding voor waterbergingsgebieden verder uit. Tot dat moment blijven de huidige in de Omgevingsverordening opgenomen omgevingswaarden voor wateroverlast en waterbergingsgebieden van kracht.

86 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ 43. Peilbesluiten moeten actueel zijn en aansluiten op het gebruik van een gebied. Ze moeten echter ook aansluiten op langetermijnontwikkelingen, die bijvoorbeeld samenhangen met bodemdaling of klimaatverandering. 44. We zetten in op circulaire waterketens. Hierbij sluiten we aan op doelstellingen uit het nationale Delta-programma en het Nationaal Waterplan. 45. De grondwatervoorraad mag benut worden, maar zonder deze wezenlijk aan te tasten of andere belangen te schaden. 46. We monitoren de ‘waterbalans’ op regionaal watersysteemniveau en evalueren indien nodig het onttrekkingenbeleid. 47. We stimuleren het besparen en hergebruiken van water en het benutten van alternatieven voor het gebruik van grondwater. 48. Voor grondwateronttrekkingen hanteren we een indeling in winningen voor hoogwaardig, middelwaardig en laagwaardig gebruik. 49. We overwegen het intrekken van vergunningen voor laagwaardig gebruik als die een nieuwe hoogwaardige onttrekking hinderen. 50. Te ruim vergunde onttrekkingen, waarbij structureel minder grondwater wordt onttrokken dan vergund, worden aangepast. 51. Bij onttrekkingen uit de strategische grondwatervoorraad en de Nationale Grondwaterreserves geldt als uitgangspunt dat deze voorraden niet worden uitgeput. 52. Bij de keuze voor een nieuwe bron voor drinkwater wegen we grondwaterwinningen af tegen winningen uit oevergrondwater of oppervlaktewater.

53. Nieuwe grondwaterwinningen voor de drinkwatervoorziening worden in de strategische grondwatervoorraad gerealiseerd en onttrekken in principe uit het tweede of derde watervoerende pakket. 54. Bij het ontwikkelen van nieuwe winningen voor de drinkwatervoorziening zoeken we naar een combinatie van functies, zoals het winnen van grondwater voor de drinkwatervoorziening in combinatie met natuurontwikkeling rond de winning. 55. Om ervoor te zorgen dat ook in de toekomst voldoende schoon grondwater voor drinkwater uit de strategische grondwatervoorraad kan worden onttrokken, beschermen we deze tegen functies en activiteiten die daar een bedreiging voor vormen. We vragen dit ook van onze partners en hebben hiervoor instructieregels opgenomen in de Omgevingsverordening. Gezien de grootte van de strategische grondwatervoorraad is er wel enige ruimte voor andere functies en activiteiten. Het beschermingsregime is dan ook lichter dan in de grondwaterbeschermingszones rond bestaande winningen voor de drinkwatervoorziening. 56. Om te voorkomen dat op termijn de uit de strategische grondwatervoorraad te winnen hoeveelheid schoon grondwater onvoldoende wordt, hanteren we een adaptieve aanpak.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 87

^

^ 57. We kijken naar de Nationale Grondwaterreserves in samenhang met onze strategische grondwatervoorraad, bestaande onttrekkingen en ander gebruik. 58. We werken gebiedsgericht aan de verdere verbetering van het watersysteem binnen natuurgebieden en op regionaal niveau. 59. Met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde programmaplan Mooie en veilige dijken zetten we in op een integrale aanpak en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit op en om de Nederrijnen Lekdijk. 60. We waarborgen de veiligheid van de provincie tegen overstromingen vanuit regionale wateren, door omgevingswaarden vast te leggen en toezicht te houden op de naleving van afspraken door de waterschappen. 61. We willen het risico op en de gevolgen van overstromingen inzichtelijk maken. We faciliteren gemeenten om het beperken van de gevolgen van overstromingen op te nemen in het beleid. 62. Indachtig het MLV-concept geven we invulling aan onze (beperkte) wettelijke taak ten aanzien van calamiteitenbeheersing. 63. We stimuleren het toepassen van ondiepe bodemenergie, omdat dit bijdraagt aan het verduurzamen van de warmte- en koudevoorziening en daarmee aan het behalen van de klimaaten energiedoelstellingen. 64. Als het bevoegd gezag voor ondiepe open bodemenergiesystemen stellen we voorwaarden, opdat de aanleg en het gebruik veilig en verantwoord gebeurt en sprake is van duurzaam gebruik van de ondergrond.

De voorwaarden zijn deels algemeen en deels gebiedsgericht uitgewerkt, aan de hand van de kwetsbaarheid van het gebied voor risico’s van ondiepe bodemenergie. We maken het volgende onderscheid: ƒ

Algemene voorwaarden voor alle ondiepe open bodemenergiesystemen, onafhankelijk van de locatie.

ƒ

Specifieke voorwaarden voor ondiepe open bodemenergie in gebieden met een bodemenergieplan of een vergelijkbaar plan.

65. Vanuit onze wettelijke taken en beleidskeuzes op het gebied van grondwater, stellen we restricties aan het toepassen van ondiepe bodemenergie in grondwaterbeschermingszones en in gebieden met beperkingen vanwege grondwaterbeheer. 66. We stimuleren het toepassen van aquathermie, omdat dit een duurzame warmtebron is die kan bijdragen aan onze ambitie om zo snel mogelijk energieneutraal te zijn. 67. We stellen als voorwaarde dat het gebruik van aquathermie gebeurt op een manier die veilig en verantwoord is voor bodem, water, milieu en natuur. Wij dragen bij aan en volgen de resultaten van diverse onderzoeken naar kansen, risico’s en effecten van een grootschalige ontwikkeling van aquathermie op het bodem- en watersysteem. De uitkomst van die onderzoeken bepaalt of een aanvullend provinciaal beleidskader ten behoeve van een robuust bodem- en watersysteem noodzakelijk is. 68. We stimuleren een veilige en verantwoorde toepassing van aardwarmte, omdat dit een duurzame warmtebron is die kan bijdragen aan de provinciale ambitie om zo snel mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2-neutraal te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10388138/1