CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

5.7 Ontwerp Bodem en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027

Commissie Ruimte 21 september 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven49.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

We leveren input aan de waterschappen.

Realiseren ƒ

We beschermen de hydrobiologische waarden van de waterparels via ons natuurbeleid, met name bij de verbetering van de biodiversiteit en de aanpak van invasieve exoten.

Reguleren ƒ

We leggen de huidige toestand en zowel het korte- als langetermijndoel voor overig water vast als kader voor de verbetering van de waterkwaliteit.

ƒ

We leggen de biologische doelen voor overig water vast als beleidskader voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen.

ƒ

We beschouwen de inspanningen om de biologische doelen te bereiken als een inspanningsverplichting.

Toelichting op beleidskeuze 5 We verankeren de beleidsdoelen om het watersysteem (aquatische ecosystemen en daarmee verband houdende gebieden) voor verdere achteruitgang te behoeden en te beschermen. Een tweede reden is dat we willen dat de biologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater goed is.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 21

^

^ De waterschappen hebben behoefte aan biologische doelen voor overig water, zodat er een toetsingskader komt op basis waarvan kan worden ingeschat wat de directe of indirecte invloed is van de kwaliteit van de kleine wateren op die van de KRW-wateren. Ook het principe van geen achteruitgang kan met behulp van zo’n toetsingskader worden waargemaakt. De biologische doelen spelen als toetsingskader ook een rol bij nieuwe ontwikkelingen en als kompas voor maatregelen voor inrichting, beheer en onderhoud door het waterschap of andere beheerders. In de afgelopen planperiode zijn met de waterschappen Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en Waterschap Vallei en Veluwe afspraken gemaakt. Deze zijn vastgelegd in de Samenwerkingsovereenkomst Ecologische doelen overige wateren provincie Utrecht 2018, die is vastgesteld op 18 mei 2018. Zoals afgesproken in de overeenkomst hebben de waterschappen biologische doelen voor overig water opgesteld, zoveel mogelijk in samenwerking met gebiedspartijen en in afstemming met de betrokken (buur) provincies. Waterschap Rivierenland (WSRL) heeft op vergelijkbare wijze doelen afgeleid en volgt eenzelfde aanpak.

In de hele provincie Utrecht zijn de doelen bepaald op basis van de landelijk afgesproken methodiek, zoals beschreven in de Handleiding doelafleiding overige wateren (Evers et al., 2013, STOWA 2013-20) en zoals vastgesteld door de Stuurgroep Water in november 2013. Wij sluiten aan bij de KRW voor wat betreft systematiek, rollen en verantwoordelijkheden. Bij het bepalen van de doelen is rekening gehouden met het effect op KRWstroomgebied en de prioriteiten die in een gebied zijn gesteld op basis van de KRW (en ook overig beleid). De waterschappen hebben het overig water, waarvoor doelen zijn opgesteld, in kaart gebracht. Op basis van monitoring en de waargenomen gebiedskenmerken is de huidige toestand en het watertype bepaald. Er is onderscheid gemaakt tussen stedelijk water, water in agrarisch gebied met verschillende niveaus van natuurwaarden en water met hoge natuurwaarden. De volgende zaken zijn van toepassing: ƒ

De waterschappen hebben zoveel mogelijk in samenwerking met de gebiedspartijen voor verschillende biologische parameters de huidige toestand, een eventueel tussendoel en een potentie bepaald, zowel voor de korte als middellange en lange termijn. »

Bij de huidige toestand geldt het principe van ‘geen achteruitgang’, zoals vastgelegd in de KRW.

»

Bij het bepalen van een eventueel tussendoel zijn maatregelen benoemd die in de komende planperiode kunnen worden gerealiseerd.

»

Met ‘potentie’ bedoelen we: een langetermijndoel waarvoor op dit moment geen concrete maatregelen worden vastgelegd. Er wordt gedoeld op de biologische potentie van het betreffende water. Wanneer geen potentie of tussendoel is benoemd, wordt de huidige toestand gehanteerd tot het waterschap potentie en tussendoel heeft vastgesteld. Op basis van ontwikkelingen en nieuwe inzichten kunnen potenties en tussendoelen in een volgende planperiode (gemotiveerd) worden bijgesteld.

ƒ

De waterschappen leiden de doelen voor overig water af op een vergelijkbare manier als voor de KRWwaterlichamen.

ƒ

We verwachten van de waterschappen dat bij het afleiden en realiseren van de doelen de gebiedspartijen zoveel mogelijk worden betrokken.

ƒ

In de waterbeheerplannen en programma’s van de waterschappen staan de maatregelen die zij uitvoeren in de periode 2022-2027 om deze doelen te realiseren.

ƒ

De waterschappen rapporteren, net als bij uitvoering van de KRW, tenminste eens in de drie jaar over de voortgang van maatregelen en het doelbereik. Er worden afspraken gemaakt met de waterschappen over de wijze van rapportage aan de provincie Utrecht en het signaleren van knelpunten.

ƒ

Voor wat betreft monitoring van de toestand van overige water wordt aangesloten bij de Handleiding doelafleiding overige wateren (Evers et al., 2013, STOWA 2013-20). Hieruit volgt dat de monitoring in principe overeenkomt met de Richtlijnen monitoring voor de KRW-waterlichamen. Van de frequentie kan, mits goed onderbouwd, worden afgeweken. Bij het geheel ontbreken van monitoringsgegevens kan op basis van een inschatting door een expert een oordeel worden gegeven.

ƒ

Het principe van ‘geen achteruitgang’ geldt, net als voor KRW-waterlichamen, ook voor overig water. Het betreffende (cluster van) overig water mag vergeleken met de vastgestelde huidige toestand niet in een lagere toestandsklasse terechtkomen. Dit wordt per planperiode van zes jaar beoordeeld, conform KRWregelgeving. Voor overig water wordt specifiek gekeken naar het biologische kwaliteitselement (of de

22 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ biologische kwaliteitselementen) waarvoor een doel is vastgesteld. ƒ

De doelen overig water kunnen worden gebruikt als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen, het opstellen van omgevingsplannen en het verlenen van vergunningen.

ƒ

Voor de chemische doelen sluiten we aan bij de normen voor de chemie van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Sinds 2016 gelden de normen uit het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water (Bkmw 2009) voor alle oppervlaktewateren in de provincie Utrecht, zowel de KRW-waterlichamen als overige wateren. De daarin opgenomen stoffen en de daar vermelde getalswaarden dienen als uitgangspunt te worden gehanteerd.

Vastleggen van de biologische doelen voor de niet-KRW-wateren De provincie Utrecht legt de doelen vast voor de niet-KRW-wateren van de waterschappen. In Annex 1, Deel 3, is een overzicht opgenomen van de niet-KRW-wateren met daarbij de huidige toestand, het kortetermijndoel en de potentie voor de lange termijn. Op kaart 1B t/m 1E zijn de biologische doelen voor niet-KRW-wateren in kaartbeeld weergegeven per waterschap met een toelichting. Toelichting op beleidskeuze 6 Het bodem- en waterbeleid is verweven met het natuurbeleid. We zetten ons ervoor in om de in de waterparels aanwezige kwaliteiten te beschermen en te behouden en hanteren daartoe de instrumenten van het natuurbeleid, waaronder het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) en de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap (SKNL). Waterparels die zijn aangewezen als natuurparel (zowel binnen als buiten het NNN) vallen onder de Uitvoeringsverordening subsidie biodiversiteit (USB). Op kaart 1F is de ligging van de Waterparels weergegeven. 3.2.3 Opkomende stoffen <kaart 1G, hele provincie> Als het gaat om een goede waterkwaliteit voor een gezonde leefomgeving, zijn alle wateren belangrijk. In dit Bodemen Waterprogramma nemen we doelstellingen op voor de KRW-waterlichamen en biologische doelen voor het overige oppervlaktewater.

Deze zijn door de waterschappen opgesteld op basis van watersysteemanalyses, aan de hand van een methodiek die werkt met ecologische sleutelfactoren. Eén van deze sleutelfactoren is de toxiciteit. Giftige stoffen of grotere hoeveelheden niet-giftige stoffen, zoals hormoonverstorende stoffen of medicijnresten, kunnen een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit en de ecologie. Van een groot aantal chemische stoffen is over de emissies en de effecten op ecosystemen en op de mens nog weinig bekend. De onderwerpen medicijnresten, het gebruik van vislood door de sportvisserij en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen krijgen veel maatschappelijke aandacht. In het position paper Delta-aanpak waterkwaliteit zijn de ambities van de gezamenlijke provincies beschreven voor opkomende stoffen, microplastics, medicijnresten en gewasbeschermingsmiddelen. Wat is ons doel? ƒ

Een effectieve aanpak van opkomende stoffen zoals hormoonverstorende stoffen, microplastics, medicijnresten en gewasbeschermingsmiddelen, omdat deze stoffen een bedreiging kunnen vormen voor schoon en gezond oppervlaktewater en grondwater.

Welke beleidskeuze maken we? 7. Voor opkomende stoffen zijn de ambities van de gezamenlijke provincies beschreven in het position paper Delta-aanpak waterkwaliteit. We willen op regionaal niveau invulling geven aan deze ambities en daarvoor in de komende planperiode beleidsdoelen opstellen. Op dit onderwerp willen we de samenwerking tussen de regionale partners voortzetten.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 23

^

^ Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? De provincie Utrecht zet de komende planperiode in op een probleemanalyse en continuering van de huidige aanpak door middel van de volgende acties. Stimuleren ƒ

We delen kennis over de aanpak van opkomende stoffen met onze waterpartners en het Rijk. Daarnaast volgen we en nemen we deel aan onderzoeken die door onze waterpartners en het Rijk worden geïnitieerd.

ƒ

We ondersteunen pilots gericht op het ontwikkelen van zogenaamde ‘best beschikbare technieken’, gericht op de vermindering van de verspreiding of verbeteren van de zuivering van opkomende stoffen.

Participeren ƒ

We continueren de in 2018 opgerichte samenwerking met de waterpartners in de werkgroep Opkomende Stoffen.

ƒ

We voeren samen met onze partners onderzoek uit om effecten van opkomende stoffen op de waterkwaliteit in beeld te brengen, met name in de categorie (zeer) zorgwekkende stoffen (ZZS). We delen deze kennis met de ketenpartners.

ƒ

We werken samen met regionale ketenpartners op het gebied van kennisontwikkeling over de verspreiding van (zeer) zorgwekkende stoffen en het terugdringen ervan.

ƒ

We stemmen onze aanpak af op de landelijke aanpak voor het terugdringen van opkomende stoffen en de ontwikkelingen voor de Rijkswateren en geven hier met de waterpartners invulling aan in de regio.

Realiseren ƒ

We verkennen de mogelijkheden om als opdrachtgever te helpen om het gebruik van opkomende stoffen te verminderen.

Reguleren ƒ

In gebiedsspecifieke situaties met urgente aanleiding, waarbij het ontbreken van landelijke regelgeving leidt tot ongewenste situaties, verkennen we de noodzaak van het opstellen van regelgeving om het gebruik en de verspreiding van opkomende stoffen te verminderen. Hierbij betrekken we de waterpartners en in het bijzonder de gemeenten.

Toelichting op beleidskeuze 7 We definiëren opkomende stoffen als niet (wettelijk) genormeerde stoffen, waarvan de schadelijkheid nog niet (volledig) is vastgesteld. Omdat ze niet genormeerd zijn, hebben ze geen invloed op de huidige oordelen over waterkwaliteit. Er komen in het milieu veel meer stoffen voor dan die regulier gemonitord worden. Dankzij verbeterde analysemethoden komen die stoffen wel steeds meer in beeld. Hoewel ze op dit moment geen probleem vormen voor het halen van de bestaande normen, hebben we er aandacht voor vanuit een algemene zorg voor het milieu en een provinciaal belang voor een goede kwaliteit van het water voor menselijke consumptie. Om inzicht te krijgen in welke opkomende stoffen er worden aangetroffen en de verspreiding daarvan, monitoren we regelmatig het ondiepe en diepe grondwater. (zie ook Rapportage en toelichting meetronde freatisch grondwater 2020 provincie Utrecht.pdf (provincie-utrecht.nl) In de komende planperiode is het beleid gericht op een continuering van de samenwerking met onze partners om de hoeveelheid opkomende stoffen in het (grond)water terug te dringen. We willen de bewustwording vergroten en de aard en omvang van de problematiek scherper in beeld krijgen.

De waterschappen zijn verantwoordelijk voor een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en zetten zich in voor het terugbrengen van de hoeveelheid medicijnresten die vanuit rioolwaterzuiveringsinstallaties in het oppervlaktewater terechtkomt. Daarnaast is er een landelijke aanpak van opkomende stoffen, zoals de aanpak van (zeer) zorgwekkende stoffen (ZZS), en is het Rivierdossier Rijndelta aangelegd, dat is gericht op het duurzaam veiligstellen van de drinkwaterwinningen vanuit de Rijn. In het bijzonder de persistente mobiele en toxische stoffen (PMT’s) vormen een bedreiging voor de drinkwatervoorziening. Beleid gericht op schoon water voor drinkwater (uit grondwater) staat beschreven in hoofdstuk 3.3.3. Maatregelen gericht op het beschermen en verbeteren van de grondwaterkwaliteit ten bate van de drinkwatervoorziening staan beschreven in het Uitvoeringsprogramma Drinkwater. Ook de verspreiding van mobiele stoffen vanuit de bodem richting het grond- en oppervlaktewater kan een bedreiging vormen voor het grond- en oppervlaktewater. Beleid gericht op het voorkomen en beperken van deze verontreinigingen staat beschreven in hoofdstuk 3.3.2.

24 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ De provincie Utrecht houdt toezicht, handhaaft en verleent vergunningen op milieugebied bij een aantal bedrijven. In die rol worden we geconfronteerd met het lozen en verspreiden van ZZS. Het beleid hiervoor wordt nader uitgewerkt in het programma Gezond en Veilig provincie Utrecht, dat zal worden gelieerd aan ons beleid ten aanzien van opkomende stoffen zoals beschreven in dit BWP. Het gebruik van vislood door de sportvisserij leidt niet tot normoverschrijdingen, maar desondanks is hier maatschappelijke aandacht voor. Vandaar dat bij verhuur van eigen water bezien zal worden of bij afloop van de verhuurperiode de voorwaarden kunnen worden aangepast. Dit laatste volgt dan op het Rijksbeleid over verhuur van water en het gebruik van lood door de huurder voor het uitoefenen van sportvisserij. Zie ook: greendeal sportvisserij-loodvrij. 3.2.4 Zwemwater <kaart 1G, zwemwater> Het onderwerp zwemwater is nauw verbonden met andere thema’s die spelen, zoals vrijetijdsbesteding/recreatie/ toerisme, klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving, gezondheid en gezonde leefomgeving, en ten slotte waterkwaliteit. Zwemwateren zijn beschermde gebieden zoals beschreven in de KRW. Veilig en schoon zwemwater draagt bij aan een positieve beleving van water. De mogelijkheid tot vrijetijdsbesteding is een belangrijk onderdeel van de leefbaarheid in steden, dorpen en het buitengebied.

Zwemwateren zijn onderdeel van een goede toeristischrecreatieve structuur. We constateren een toenemende vraag naar nieuwe zwemlocaties door bevolkingsgroei en klimaatverandering. De verandering van het klimaat leidt tot meer en langere periodes van hitte. Om verkoeling te zoeken is een toename in het gebruik van zwemwater te zien. Wat is ons doel? ƒ

We bieden voldoende gelegenheid om te zwemmen en we zien toe op de veiligheid en waterkwaliteit van de aangewezen zwemwaterlocaties.

Welke beleidskeuze maken we? 8. We behouden de aanwezige officiële zwemwaterlocaties in oppervlaktewater of breiden ze uit, tegen maatschappelijk verantwoorde kosten. Indien bij een structureel slechte waterkwaliteit de classificatie ‘aanvaardbaar’ onhaalbaar of onevenredig duur is, leggen we een permanent zwemverbod op en trekken de aanwijzing met functie zwemwater in. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Stimuleren ƒ

We communiceren over de aangewezen zwemlocaties via de website, borden en huis-aan-huisbladen.

Participeren ƒ

We participeren in gebiedsprojecten en ruimtelijke plannen waarin mogelijk een nieuwe zwemwaterlocatie aan de orde is.

Reguleren ƒ

Uitvoering van de Wet- en het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz/ Bhvbz). Daarmee voldoen we aan de verplichtingen die de EU Zwemwaterrichtlijn (2006/7/EG) oplegt.

ƒ

Artikel 4.8 Waterbesluit (zwemwater in Rijkswateren). Bovenstaande regelgeving gaat naar verwachting per 1 januari 2022 op in de Omgevingswet.

Toelichting op beleidskeuze 8 We streven naar gezond en veilig zwemwater met een resultaatsverplichting voor de waterbeheerder en houder van de zwemlocatie. Doel is om voor alle aangewezen zwemlocaties ten minste de classificatie ‘aanvaardbaar’ te behouden en zo mogelijk de classificatie ‘goed’ of ‘uitstekend’ te realiseren. Jaarlijks dienen voor aanvang van het zwemseizoen

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 25

^

^ de zwemlocaties in de provincie Utrecht door Gedeputeerde Staten te worden aangewezen. Dit gebeurt op basis van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz). Na invoering van de Omgevingswet staat deze bepaling in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De lijst met zwemlocaties komt tot stand op basis van een vierjaarlijkse beoordeling van de waterkwaliteit (classificatie) en de jaarlijkse beoordeling van de veiligheid voor zwemmers. De werkzaamheden in het kader van de uitvoering van de zwemwaterregelgeving (controle, toezicht en handhaving) worden uitgevoerd door de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Utrecht in opdracht van de provincie Utrecht. De provincie Utrecht heeft veel te bieden op het gebied van recreatie en toerisme. De beleidsdoelen wat dit aangaat worden uitgewerkt in het Programma Recreatie en Toerisme. In het nieuw op te stellen programma voor de periode 2021-2024 zal de nodige aandacht worden besteed aan zwemlocaties. Het voorstel is om te starten met het laten uitvoeren van onderzoek naar de toenemende behoefte aan zwemwateren in de verschillende regio’s.

Vanuit onze bevoegdheden op het gebied van ruimtelijke ordening (het ‘ruimtelijk spoor’) bekijken we vroegtijdig wat de mogelijkheden zijn voor de ontwikkeling van een zwemwaterfunctie, bij voorkeur op zo’n manier dat de algehele ruimtelijke kwaliteit van het gebied erdoor wordt versterkt. De 27 officiële zwemlocaties in oppervlaktewater in de provincie Utrecht (in het jaar 2020) Naam zwemgelegenheid

Plaats

Waterbeheerder*

Houder

1.

Vinkeveense plassen, eiland 1

Vinkeveen

AGV

Recreatie Midden Nederland

2.

Vinkeveense plassen, eiland 2

Vinkeveen

AGV

Recreatie Midden Nederland

3.

Vinkeveense plassen, eiland 3

Vinkeveen

AGV

Recreatie Midden Nederland

4.

Vinkeveense plassen, eiland 4

Vinkeveen

AGV

Recreatie Midden Nederland

5.

Vinkeveense plassen, eiland 5

Vinkeveen

AGV

Recreatie Midden Nederland

6.

Vinkeveense plassen, eiland 8

Vinkeveen

AGV

Recreatie Midden Nederland

7.

Zwemlust

Nieuwersluis

AGV

Zwemvereniging Zwemlust

8.

De Meent

Breukelen

AGV

Stichting Zwembad de Meent

9.

Maarsseveense plas Strandbad

Maarssen

AGV

Recreatie Midden Nederland

10. Maarsseveense plas zuidhoek

Maarssen

AGV

Recreatie Midden Nederland

11. De Wilgenplas

Maarssen

AGV

Recreatieoord De Wilgenplas

12. Rietplas

Houten

HDSR

Gemeente Houten

13. De Kikker

Groenekan

HDSR

Stichting Zwembad de Kikker

14. Strijkviertel

Utrecht

HDSR

Recreatie Midden Nederland

15. Voorveldse Polder

Utrecht

HDSR

Gemeente Utrecht

16. Haarrijnse plas

Utrecht

HDSR

Gemeente Utrecht

17. Down Under

Nieuwegein

HDSR

De Houten Gein BV

18. Plas Cattenbroek

Woerden

HDSR

Gemeente Woerden

19. Henschotermeer noordzijde

Woudenberg

V&V

Mooi Meer B.V.

20. Henschotermeer zuidzijde

Woudenberg

V&V

Mooi Meer B.V.

21. Everstein

Vianen

WSRL

Recreatiecentrum Everstein

22. Middelwaard

Vianen

RWS

Gemeente Vijfheerenlanden

23. Gravenbol

Wijk bij Duurstede

RWS

Gemeente Wijk bij Duurstede

Houten

RWS

Recreatie Midden Nederland

24. Tull en ’t Waal Oost 25. Tull en ’t Waal West

Houten

RWS

Recreatie Midden Nederland

26. Honswijkerplas

Houten

RWS

Recreatie Midden Nederland

27. ’t Kleine Zeetje

Bunschoten

RWS

Gemeente Bunschoten

(*) AGV = Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. WSRL = Waterschap Rivierenland. HDSR = Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. V&V = Waterschap Veluwe en Vallei. RWS = Rijkswaterstaat.

^

^ 3.2.5 Schoon oppervlaktewater voor openbare drinkwatervoorziening <kaart 1G beschermingszone oppervlaktewater> Schoon oppervlaktewater is van belang voor de drinkwaterbedrijven die water voor de drinkwaterproductie rechtstreeks aan het oppervlaktewater onttrekken. Infiltrerend oppervlaktewater kan daarnaast ook van invloed zijn op de kwaliteit van de grondwaterwinningen. In de provincie Utrecht zijn twee oppervlaktewaterwinningen voor drinkwater aanwezig, namelijk bij Nieuwegein en Nieuwersluis. Het oppervlaktewater wordt gewonnen uit respectievelijk het Lekkanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal en wordt geleverd aan de provincie Noord-Holland. Rijkswaterstaat is kwaliteitsbeheerder van het water waaruit het drinkwater wordt gewonnen. Voor oppervlaktewaterlichamen met innamepunten voor de drinkwaterbereiding gelden voor de waterbeheerder (Rijkswaterstaat) de omgevingswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het water dat door het drinkwaterbedrijf wordt afgenomen moet voldoen aan de vereisten uit het Drinkwaterbesluit. Wat is ons doel? ƒ

We dragen er vanuit onze rol aan bij dat oppervlaktewater bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening voldoende schoon is.

Welke beleidskeuzes maken we? 9. We zorgen voor ruimtelijke bescherming van oppervlaktewaterwinningen door een ‘beschermingszone’ vast te leggen in de Omgevingsverordening. 10. We werken samen met onze gebiedspartners voor bescherming van de oppervlaktewaterbronnen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, in gebiedsgesprekken, bij gebiedsdossiers en bij uitvoeringsprogramma’s van de innamepunten waterwinning Nieuwegein Cornelis Biemond en Nieuwersluis. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Participeren ƒ

Voor de oppervlaktewaterwinning Nieuwegein Cornelis Biemond dragen we bij aan de uitvoering van de maatregelen uit het betreffende uitvoeringsprogramma van Rijkswaterstaat.

ƒ

Afspraken voor de winning Nieuwersluis worden samen met de afspraken voor de winning Bethunepolder onderdeel van het Uitvoeringsprogramma Drinkwater provincie Utrecht 2021-2026.

Reguleren ƒ

In de Omgevingsverordening zijn regionale beschermingszones aangewezen voor de innamepunten voor oppervlaktewaterwinning.

ƒ

We vragen gemeenten om te voorkomen dat binnen dit gebied ruimtelijke ontwikkelingen leiden tot meer risico op verslechtering van de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Toelichting op beleidskeuze 9 Onder de Omgevingswet worden beschermingszones aangewezen in het Nationaal Water Programma. De beschermingszone is een op kaart begrensd gebied waarbinnen zo nodig aanvullende maatregelen worden genomen om de winning van ruw water voor de bereiding van drinkwater te waarborgen. Een strook van honderd meter breed langs de oever van deze beschermingszone is tevens vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. Gemeenten moeten in hun ruimtelijk beleid rekening houden met de winningen. Functiewijzigingen mogen in deze zones niet leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater voor de waterwinning. Indien nodig moeten maatregelen genomen worden om dit te voorkomen. Toelichting op beleidskeuze 10 Voor beide innamepunten voor drinkwater zijn gebiedsdossiers opgesteld waarbij een analyse is uitgevoerd van de risico’s voor de oppervlaktewaterwinningen. De hieruit voortgekomen maatregelen zijn in twee uitvoeringsprogramma’s opgenomen. De provincie Utrecht participeert bij de uitvoering van de maatregelen. De

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 27

^

^ analyse voor de waterwinning Nieuwersluis is, vanwege de onderlinge relatie, meegenomen in het gebiedsdossier voor de winning in de Bethunepolder. De maatregelen voor de waterwinning Nieuwersluis zijn opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Drinkwater provincie Utrecht 2021-2026. Rijkswaterstaat werkt mee aan de uitvoering van de hierin opgenomen maatregelen. 3.3 SCHONE BODEM EN GRONDWATER <kaart 2> Het grondwater is onderdeel van het bodem- en watersysteem. Bodem en grondwater hebben wederzijds invloed op elkaar. De bodem is een uniek en traag systeem dat moeilijk herstelt van aantastingen en verontreinigingen. Niet alleen kunnen deze langdurige effecten hebben op de kwaliteit van de bodem, maar afhankelijk van de aard van de aantastingen en verontreinigingen ook op de kwaliteit van het grondwater. Schoon grondwater is belangrijk voor de drinkwatervoorziening en de natuur, maar ook voor de land- en tuinbouw, de frisdrank- en levensmiddelenindustrie en recreatiebedrijven. Schoon grondwater is niet vanzelfsprekend. De provincie werkt nauw samen met gemeenten, waterschappen en andere waterpartners om de kwaliteit van het grondwater te beschermen en waar mogelijk te verbeteren. In de Omgevingsvisie hebben we de ambitie opgenomen de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te realiseren en te zorgen voor voldoende schoon grondwater voor de productie van drinkwater.

De KRW is vertaald in de Waterwet en het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water (Bkmw). Deze gaan op in de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die naar verwachting per 1 januari 2022 in werking treden. De doelstellingen van de KRW worden in de Omgevingswet en het Bkl opgenomen. In artikel 4 van de KRW staan vijf milieudoelstellingen voor grondwater: ƒ

Voorkomen of beperken van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater.

ƒ

Voorkomen van de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen.

ƒ

Realiseren en behouden van een ‘goede toestand’ van de grondwaterlichamen.

ƒ

Ombuigen van door de mens veroorzaakte significante en aanhoudende stijgende trends van concentraties verontreinigende stoffen.

ƒ

Realiseren van de doelen voor beschermde gebieden, waaronder waterlichamen bestemd voor menselijke consumptie (drinkwater en water voor de voedings- en genotsmiddelenindustrie).

In artikel 7.3 van de KRW staan nog twee specifieke doelstellingen voor water bestemd voor menselijke consumptie: ƒ

Voorkomen van achteruitgang van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie.

ƒ

Streven naar verbetering van de kwaliteit van het water bestemd voor menselijke consumptie, om zo de zuiveringsinspanning te kunnen verlagen.

In de Grondwaterrichtlijn (GWR, 2006/118/EG) zijn deze doelstellingen nader uitgewerkt. De KRW bepaalt dat alle grondwaterlichamen uiterlijk in 2015, met uitstel tot 2027, in goede toestand moeten verkeren, tenzij een beroep gedaan kan worden op de uitzonderingsbepalingen. Als de grondwaterlichamen in de provincie niet in een goede toestand verkeren of dreigen niet in een goede toestand te geraken (‘at risk’ zijn), dan moet de provincie Utrecht maatregelen nemen. Maatregelen die als KRW-maatregel zijn opgenomen in de factsheets in het Stroomgebiedbeheerplan (‘SGBP3’) en betrekking hebben op de grondwaterlichamen, worden gerapporteerd bij de Europese Commissie en kennen een uitvoeringsverplichting.

Toestand en oordeel grondwaterlichamen provincie Utrecht De provincie Utrecht kent vier grondwaterlichamen: Zand Rijn-Midden, Zand Rijn-West, Deklaag Rijn-West en Zout RijnWest. Bij het toetsen aan de KRW wordt de toestand van het grondwater beoordeeld aan de hand van zes deeltesten, zoals vastgelegd in het Protocol voor toestand- en trendbeoordeling van grondwaterlichamen KRW. Er zijn drie algemene testen en drie regionale testen.

28 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ Resultaat algemene testen De grondwaterlichamen voldoen aan de drie algemene testen op het gebied van chemische toestand, grondwatervoorraad (waterbalans) en de intrusie van zout grondwater. De chemische toestand is gebaseerd op monitoringsgegevens uit het KRW-meetnet voor de grondwaterlichamen. Hij wordt getoetst aan de normen voor zes drempelwaardestoffen en de Europees genormeerde stoffen nitraat en bestrijdingsmiddelen. Een bepaald percentage aan normoverschrijdingen is hierbij toegestaan. Het oordeel over de grondwatervoorraad is gebaseerd op een zogenoemde waterbalanstest (zie paragraaf 3.5.2). Met betrekking tot de intrusie van zout grondwater is op basis van de beoordelingscriteria uit het Protocol geconcludeerd dat dit niet speelt op het niveau van de grondwaterlichamen.

Resultaat regionale deeltesten De uitslagen van drie (regionale) deeltesten tonen aan dat binnen de provincie Utrecht niet overal aan de KRWdoelen wordt voldaan. Dan gaat het om enkele winningen voor de productie van drinkwater, grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen (Natura 2000-gebieden) en grondwaterafhankelijke oppervlaktelichamen. De maatregelen die we komende jaren treffen zijn opgenomen in de paragrafen 3.3.2, 3.3.5 en 3.3.8 en in Annex 1.

Eindoordeel Het eindoordeel voor het gehele grondwaterlichaam vanuit KRW-perspectief is op basis van alle zes testen tezamen: ‘voldoet niet’ (conform het ‘one out all out’-principe in de KRW). In onderstaande paragrafen (3.3.1 tot en met 3.3.6) beschrijven we per KRW-doel wat de inzet is om de kwaliteitsdoelstelling te behouden dan wel te bereiken. In paragraaf 3.5.2 beschrijven we de inzet voor de kwantiteitsdoelstelling (waterbalans). Alle KRW-relevante informatie over de grondwaterlichamen, zoals de doelen, de toestand, de geplande maatregelen en de uitvoering daarvan, zijn per grondwaterlichaam samengebracht in een factsheet. De factsheets worden door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat samengevoegd in het Stroomgebiedbeheerplan Rijn 2022-2027. Uitgebreide en actuele informatie over de grondwaterlichamen is te raadplegen in het Waterkwaliteitsportaal van het Informatiehuis Water via Waterkwaliteitsportaal onder het kopje ‘Rapportage’. In Annex 1 zijn alle KRW-maatregelen samengevat. Het is onzeker of alle KRW-doelen tijdig in 2027 gehaald zullen zijn. Wel zal een belangrijke verbetering zijn gerealiseerd. In de Stuurgroep Water van 20 januari 2021 is afgesproken dat er, binnen de eigen verantwoordelijkheden, aanvullende maatregelen worden genomen in de periode 2022-2027 als dat noodzakelijk blijkt te zijn. Het betreft de doelen: ƒ

Voorkomen of beperken van de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater.

ƒ

Voorkomen van de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen.

ƒ

Realiseren van de doelen voor beschermde gebieden, waaronder waterlichamen bestemd voor menselijke consumptie (drinkwater en water voor de voedings- en genotsmiddelenindustrie).

ƒ

Voorkomen van achteruitgang van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie.

3.3.1 Behouden algemene goede chemische kwaliteit grondwaterlichamen <kaart 2, vier KRW-grondwaterlichamen> In deze paragraaf wordt ingegaan op de inzet van de provincie Utrecht om te voldoen aan de algemene chemische doelstellingen voor de grondwaterlichamen. De algemene chemische toestand wordt bepaald op basis van de aanwezigheid van zes stoffen waarvoor in Nederland drempelwaarden zijn vastgesteld, plus de Europees genormeerde stoffen nitraat en de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Gemeten op tien en 25 meter diepte onder het maaiveld, is de algemene chemische toestand goed. Tegelijkertijd constateren we dat de kwaliteit van het grondwater onder druk staat, zoals beschreven in paragraaf 3.3.2. Wat is ons doel? ƒ

We willen dat de kwaliteit van ons grondwater in 2027 blijvend in lijn is met de doelen van de KRW. De toestand van de grondwaterlichamen is goed voor wat betreft de algemene chemische kwaliteit en de intrusie van zout.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 29

^

^ Welke beleidskeuze maken we? 11. We kiezen voor een gecoördineerde en gezamenlijke integrale aanpak en een gebiedsgericht beleid, teneinde de grondwaterlichamen te laten voldoen aan de doelen van de KRW en de Grondwaterrichtlijn. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Participeren ƒ

We werken samen met andere provincies en partners aan de KRW-doelen. We hebben een regierol bij de kwaliteitsbewaking van het grondwater en bij de bescherming van bronnen voor de bereiding van drinkwater uit grondwater.

Realiseren ƒ

Om te voldoen aan de KRW-doelen monitoren we de toestand en trends van het grondwater (chemische kwaliteit en stijghoogten).

Reguleren ƒ

We leggen de begrenzing, de status en de huidige toestand van de grondwaterlichamen vast.

Toelichting bij beleidskeuze 11 De kwaliteit van het grondwater is afhankelijk van activiteiten aan het maaiveld, de invloed vanuit het oppervlaktewater, de inrichting van het watersysteem (onder andere de wateraanvoer en het peilbeheer), het bodembeheer en natuurlijke processen in de bodem. Om een goede grondwaterkwaliteit te realiseren en te behouden, werken we integraal en gebiedsgericht. 3.3.2 Voorkomen en beperken verontreinigende stoffen <kaart 2, hele provincie> Een belangrijke algemene doelstelling vanuit de KRW is het voorkomen en beperken van de inbreng van alle mogelijke verontreinigende stoffen in het (grond)water (‘prevent & limit’). Inbreng is kortweg dat iemand stoffen toevoegd aan het grondwater die daar niet thuishoren. Inbreng kan ook voortkomen uit verontreinigingen die al in de bodem aanwezig zijn en die uitspoelen naar het grondwater en/of zich verder in het grondwater verspreiden. Ondanks dat de kwaliteit van het grondwater op het niveau van de grondwaterlichamen voldoet aan de vereisten vanuit de KRW, meten we verspreid over de hele provincie tot steeds grotere diepten diffuse verontreinigingen met allerlei stoffen. Daarnaast meten we ook lokale ‘puntverontreinigingen’ die de kwaliteit van het grondwater negatief beïnvloeden. Dit zijn in veel gevallen historische verontreinigingen, die voor 1 januari 1987 (begin van de bodemwetgeving) zijn ontstaan.

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de Wet bodembescherming te vervallen; die regelde de aanpak van historische verontreinigingen in het grondwater. De provincies moeten voor deze historische verontreinigingen nu een eigen beleidskader opstellen. In deze paragraaf beschrijven we onze beleidskeuzes met betrekking tot het beperken en voorkomen van de verspreiding van (bestaande) grondwaterverontreinigingen. Hierbij maken we een onderscheid tussen diffuse verontreinigingen en puntverontreinigingen. Voor nieuwe verontreinigingen biedt de zorgplicht, zoals verwoord in de Omgevingswet, voldoende kaders om deze aan te pakken.

3.3.2.1 Diffuse verontreinigingen Bij metingen in het grondwater zijn diffuse verontreinigingen waargenomen. Het betrof metingen in landbouwgebieden, waarbij de verontreinigingen werden veroorzaakt door gewasbeschermings- of bestrijdingsmiddelen, maar ook in stedelijke gebieden. Verspreid over de provincie werden in het (freatisch) grondwater medicijnresten en andere opkomende stoffen aangetroffen, zoals stoffen gerelateerd aan PFAS: poly- en perfluoralkylstoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. De gemeten hoeveelheden vormen nog geen acute bedreiging voor de drinkwaterwinning in diep grondwater, maar mengsels van verontreinigende stoffen komen wel op steeds grotere diepten terecht en kunnen mogelijk op termijn de winningspunten voor de drinkwaterbereiding bereiken. Bedreigingen van diffuse stoffen bij winningen die gebruik maken van grondwater dat beïnvloed wordt door oppervlaktewater zijn wel acuter. De kwaliteit van het infiltrerend oppervlaktewater is slechter dan de kwaliteit

30 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ van diep grondwater. Met name bij uitspoelingsgevoelige gronden is het risico aanwezig dat op termijn niet kan worden voldaan aan de KRW-doelen. De aanpak van opkomende stoffen staat beschreven in paragraaf 3.2.3. In deze paragraaf concretiseren we de aanpak met betrekking tot het grondwater. Wat is ons doel? ƒ

We willen diffuse verontreinigingen in het grondwater voorkomen, dan wel zoveel mogelijk beperken. We zetten ons in om de kwaliteit van de grondwaterlichamen (schoon grondwater) te behouden en te verbeteren om te (blijven) voldoen aan de KRW en de Grondwaterrichtlijn.

Welke beleidskeuze maken we? 12. We zetten in op het verminderen van verontreiniging van het grondwater, zowel door de landbouw en industrie als door particulieren. Hoe willen we ons doel bereiken en wat is onze rol? Stimuleren ƒ

We stimuleren de landbouwsector om emissies van onder andere nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en veterinaire middelen terug te dringen en achteruitgang van de grondwaterkwaliteit te voorkomen. Onderdeel van ons landbouwbeleid is de inzet van plattelandscoaches en het promoten van kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw.

ƒ

Inzet van provinciale middelen als cofinanciering bij projecten met subsidie vanuit het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid, afgewogen op basis van het verwachte doelbereik.

Participeren ƒ

We blijven deelnemen aan landelijke trajecten en overleggen over het verminderen van emissies van verontreinigende stoffen door de industrie naar bodem, water of lucht. Hier geven we regionaal invulling aan: we meten de kwaliteit van het grondwater, delen deze informatie en participeren in projecten waarbij we onze kennis delen met uitvoeringsdiensten en gemeenten. Een voorbeeld is de Bodemkwaliteitskaart PFAS.

Realiseren ƒ

We continueren de monitoring van nieuwe diffuse verontreinigingen.

ƒ

Ook gaan we door met de uitvoering van de aanpak van opkomende stoffen en bestrijdingsmiddelen, zoals beschreven in het nieuwe Uitvoeringsprogramma Drinkwater voor de planperiode 2022-2027.

Toelichting op beleidskeuze 12 Verspreid over de provincie worden in het grondwater diffuse verontreinigingen gemeten met bestrijdingsmiddelen, nutriënten en industriële stoffen zoals stoffen gerelateerd aan de PFAS-groep. Deze verontreinigingen kunnen op termijn leiden tot problemen voor de drinkwatervoorziening en in natuurgebieden. Ook andere functies van het grondwater kunnen onder druk komen te staan, zoals de veedrenking. We stimuleren de landbouwsector om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te verminderen, of over te stappen naar alternatieve producten. We onderzoeken de mogelijkheden om het project ‘Bezem door de middelenkast’ een vervolg te geven. We werken er continu aan om de bewustwording bij hoveniers en particulieren over het gebruik van bestrijdingsmiddelen te vergroten. Voor de aanpak van stoffen die voortkomen uit emissies vanuit de industrie sluiten we aan bij landelijke projecten.

3.3.2.2 Puntverontreinigingen Puntverontreinigingen zijn verontreinigingen die op één locatie in de bodem terecht zijn gekomen. Indien het om mobiele vervuilende stoffen gaat, kan de verontreiniging zich door het grondwater verspreiden naar andere locaties. We onderscheiden twee soorten puntverontreinigingen: nieuwe en historische (grondwater)verontreinigingen.

Nieuwe verontreinigingen Nieuwe verontreinigingen vallen onder de zorgplicht van de Omgevingswet. Ze moeten door de vervuiler worden opgeruimd. Indien de verontreiniging in het grondwater terecht gekomen is, dient de provincie Utrecht betrokken te worden. De provincie Utrecht maakt procesafspraken met gemeenten en waterschappen over wie op welk moment welke taak heeft. De gemeente heeft de wettelijke taak om te zorgen dat nieuwe verontreinigingen worden

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 31

^

^ opgeruimd. Voor de provincie Utrecht is het echter belangrijk dat ze betrokken wordt bij het opstellen van de aanpak als het gaat om mobiele verontreinigingen. Deze verontreinigingen kunnen namelijk inbreng zijn in het kader van de KRW. Doel is dat de veroorzaker de verontreinigingen zodanig opruimt, dat de emissie naar het grondwater wordt voorkomen of zo laag mogelijk blijft. De activiteit saneren van het grondwater is door de provincie Utrecht ondergebracht in de Omgevingsverordening, aangezien deze niet in de Omgevingswet geregeld is. We maken in de werkgroep Beleidskeuzes afspraken met de gemeenten en waterschappen over wie wanneer het bevoegd gezag is voor deze activiteit. In deze werkgroep bespreken we met gemeenten, waterschappen en omgevingsdiensten onze beleidskeuzes met betrekking tot de bodemkwaliteit en de samenwerking op dit gebied.

Historische (grondwater)verontreinigingen In de afgelopen jaren was de Wet Bodembescherming (Wbb) het kader voor het beleid en de uitvoer van de aanpak van historische verontreinigingen. Deze wet regelde zowel de niet-mobiele verontreinigingen (alleen in het vaste gedeelte van de bodem) als de mobiele verontreinigingen (met uitspoeling naar het grondwater). De Wbb was het landelijke instrument om invulling te geven aan het voorkomen en beperken van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in het grondwater. De provincie Utrecht en de gemeenten Utrecht en Amersfoort waren verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Wbb en het beoordelen van de verontreinigingen in zowel de bodem als het grondwater.

Van Wbb naar Omgevingswet Met het einde van de Wbb en de komst van de Omgevingswet verschuiven de verantwoordelijkheden. Individuele gemeenten zijn verantwoordelijk voor de bodemkwaliteit en de directe en indirecte humane en ecologische risico’s die uit (historische) verontreinigingen kunnen volgen. Bodem bestaat uit het vaste gedeelte van de bodem en de grondwaterkwaliteit. Risico’s voor de leefomgeving kunnen ook worden veroorzaakt door een verontreiniging in het grondwater; gemeenten hebben dus ook een verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van dat grondwater. De provincie Utrecht blijft verantwoordelijk voor het behalen van de KRW-doelen voor grondwater. We hebben daarom een groot belang bij het op de juiste wijze opruimen van historische verontreinigingen. De provincie Utrecht kan derhalve besluiten sommige bevoegdheden naar zich toe te trekken, zoals het reguleren van de activiteit grondwatersanering. Daarnaast blijven we het bevoegd gezag voor historische verontreinigingen die onder het overgangsrecht vallen. Waterschappen moeten de bescherming van de grondwaterkwaliteit, en daarmee ook grondwaterverontreinigingen, meenemen in het beoordelen van wateractiviteiten.

Vanwege de overlap in verantwoordelijkheden en de beleidsruimte die de Omgevingswet alle overheden biedt, is het belangrijk om goede afspraken te maken over zowel de inhoud van de beleidskeuzes die alle overheden maken op het gebied van bodemkwaliteit, als de manier waarop we in processen (bijvoorbeeld bij vergunningverlening) samen gaan werken. De bescherming van de grondwaterkwaliteit blijft uiteindelijk een gedeelde verantwoordelijkheid van het Rijk, de provincies, de waterschappen en gemeenten. Overheden zullen elkaar vaak tegenkomen bij de aanpak van historische verontreinigingen. Goede afspraken over de verdeling van taken en de manier van samenwerken zijn daarom essentieel. Hieronder beschrijven we de opgave en de aanpak van historische grondwaterverontreinigingen onder de Omgevingswet.

De opgave We zijn in Nederland al sinds 1987 bezig met het beschermen van de bodem tegen verontreinigingen en het opruimen van historische verontreinigingen. Een eerste brede inventarisatie in 1989 naar mogelijke historische verontreinigingen leverde ruim een half miljoen potentieel verdachte locaties op. Na uitgebreid onderzoek werd dit aantal in 2005 teruggebracht naar 425.000, waarvan 250.000 locaties potentieel ernstig waren. De provincie Utrecht was goed voor bijna tienduizend potentieel ernstige locaties. Hiervan waren er 750 potentieel spoedeisende verontreinigingen. Vanaf 2006 is begonnen met de aanpak van deze historische verontreinigingen.

32 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ Ernstig en spoedeisende verontreinigingen Wbb Ernstige verontreinigingen zijn verontreinigingen waarbij in de bodem en/of het grondwater concentraties stoffen voorkomen boven de interventiewaarde uit de Circulaire Bodemsanering en waarvan de omvang groter is dan 100 m3 in het grondwater en/of 25 m3 in geval van een bodemverontreiniging. Spoedlocaties zijn ernstige verontreinigingen die direct onaanvaardbare risico’s vormen voor de gezondheid en ecologie. Ook wanneer deze verontreinigingen zich ongecontroleerd via het grondwater verspreiden of een KRW-doel bedreigen, zoals een drinkwaterwinning, natuurgebied of oppervlaktewater, worden de verontreinigingen als spoedeisend aangemerkt.

In 2010 is de lijst door nader onderzoek en door saneren teruggebracht tot 87 spoedlocaties en in 2020 zijn hiervan nog 42 locaties in uitvoering. Deze laatste locaties worden afzonderlijk aangepakt en vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet, wat betekent dat ze ook na 2021 nog onder de Wbb, en daarmee onder het bevoegd gezag van de provincie Utrecht vallen. We verwachten in de planperiode van dit programma nog enkele historische verontreinigingen te ontdekken met onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid, de natuur of het behalen van de KRW-doelen. Deze verontreinigingen vallen niet onder het regime van de Wbb, omdat ze nu niet bekend zijn en daardoor niet ‘beschikt’ zijn. In de beleidskeuzes gaan we in op hoe we met deze verontreinigingen om willen gaan. Ernstige niet-spoedeisende verontreinigingen hoefden onder de Wbb niet direct aangepakt worden; dat kon op een natuurlijk moment. Deze resterende verontreinigingen zijn op veel locaties in de bodem aanwezig en voor een groot deel beschikt. Deze beschikte locaties moeten onder de Omgevingswet op een natuurlijk moment worden opgeruimd door de initiatiefnemer. Er zijn echter ook vele niet-spoedeisende locaties waarvoor geen beschikking is afgegeven. Hiervoor is onder de Omgevingswet niet geregeld of en wanneer ze opgeruimd moeten worden.

We verkennen nu met onze partners in de werkgroep Beleidskeuzes of en hoe we deze locaties aanpakken onder de Omgevingswet.

Ernstige, niet-spoedeisende verontreinigingen Wbb Ernstige, niet-spoedeisende verontreinigingen hebben geen direct risico voor de gezondheid, ecologie of voor kwetsbare functies zoals de drinkwaterwinning, de natuur en het oppervlaktewater. Daarnaast is er bij deze verontreinigingen ook geen sprake van een ongecontroleerde verspreiding in het grondwater.

Daarnaast zijn er ook nog niet-ernstige verontreinigingen en verontreinigingen met stoffen die ‘niet genormeerd’ zijn. Niet genormeerd betekent dat deze stoffen niet zijn opgenomen in de interventiewaardenlijst van de Circulaire Bodemsanering, zoals stoffen gerelateerd aan de PFAS-groep. Ook voor de aanpak van deze verontreinigingen in het grondwater worden geen kaders opgenomen in de Omgevingswet. We kunnen niet-genormeerde stoffen opnemen in ons beoordelingskader voor grondwaterverontreinigingen, zoals we doen met stoffen gerelateerd aan de PFAS-groep.

Figuur 4: Overzicht wettelijke kaders historische grondwaterverontreinigingen BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 33

^

^ Wat is ons doel? ƒ

We zetten ons in om de kwaliteit van de grondwaterlichamen (schoon grondwater) te behouden en te verbeteren om te (blijven) voldoen aan de KRW en de Grondwaterrichtlijn.

ƒ

We stellen samen met onze partners beleid op over historische grondwaterverontreinigingen

Welke beleidskeuzes maken we? 13. We hebben de voorkeur voor een gecoördineerde en gezamenlijke aanpak van het grondwaterbeleid. We werken dit beleid samen met onze partners uit in de werkgroep Beleidskeuzes. 14. We zetten in op het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door het opstellen van een integrale gebiedsgerichte aanpak in samenwerking met onze partners in de gebieden. 15. De grondwaterkwaliteit moet aansluiten op de functies en opgaven in een gebied. 16. We voorkomen verslechtering van de huidige kwaliteit van het grondwater. Dit doen we door te voorkomen dat historische grondwaterverontreinigingen door menselijk handelen in het grondwater worden verspreid. Hierin gaan we beleidsneutraal over ten aanzien van de Wbb. 17. Waar nodig en mogelijk zetten we, bijvoorbeeld bij nieuwe activiteiten, in op een geleidelijke verbetering van de grondwaterkwaliteit. 18. In de beoordeling van verontreinigingen gaan we zoveel mogelijk beleidsneutraal over ten aanzien van de Wbb. We wijzen daarom de ‘signaleringsparameters’ uit artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als verontreinigende stoffen als bedoeld in de KRW. We wijzen geen gevaarlijke verontreinigende stoffen aan. Voor stoffen die in deze lijst niet genormeerd zijn kan de provincie Utrecht op een later moment aanvullende normen stellen. 19.

Bij een gebiedsaanpak kan men afwijken van algemene regels ten aanzien van historische grondwaterverontreinigingen, mits de risico’s voor de grondwaterkwaliteit en de functies in het gebied worden beheerst. 20. Bij het voorkomen en aanpakken van verontreinigingen geven we de voorkeur aan preventie aan de (verontreinigings)bron, gevolgd door beherende en sanerende maatregelen. Leidt dit niet tot resultaat, dan volgen maatregelen dicht bij of in (kwetsbare) objecten. Hoe willen we onze doelen bereiken en wat is onze rol? Stimuleren ƒ

In samenwerking met andere partijen pakken we historische grondwaterverontreinigingen gebiedsgericht aan. We verkennen welke andere opgaven in het gebied spelen en of het opportuun is om voor deze onderwerpen een integrale aanpak op te stellen.

ƒ

Via een zorgvuldig proces willen we samen met partners afspraken maken over het samenwerken bij het beschermen en verbeteren van de bodem- en grondwaterkwaliteit onder de Omgevingswet.

Participeren ƒ

We streven naar en dragen bij aan het opstellen en onderhouden van een (provinciebreed) Bodeminformatiesysteem (BIS). In dit systeem nemen wij onze informatie over grondwaterverontreinigingen op en stellen deze kennis beschikbaar aan gemeenten, waterschappen en andere partijen. Het BIS wordt opgezet in samenwerking met de waterschappen, gemeenten en de omgevingsdiensten. Een toelichting op de beleidskeuze voor een provinciebreed BIS is te vinden in paragraaf 3.4.1.

ƒ

We geven met gemeenten, waterschappen, omgevingsdiensten en drinkwaterbedrijven invulling aan het beleid voor historische grondwaterverontreinigingen en maken hier afspraken over in de werkgroep Beleidskeuzes.

ƒ

We maken afspraken met de waterschappen over de taakverdeling bij het beoordelen van de verspreiding van verontreinigingen en het delen van kennis hierover in de werkgroep Beleidskeuzes.

Realiseren ƒ

We nemen in het BIS alle verontreinigingen op die we niet opruimen, inclusief onderbouwing waarom we dat niet doen. Dit doen we op basis van de in artikel 6 van de Grondwaterrichtlijn toegelichte uitzonderingsbepalingen op de doelstelling ‘prevent and limit’.

34 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ ƒ

We maken afspraken met de gemeenten Amersfoort en Utrecht over de verdeling van taken en bevoegdheden ten aanzien van historische grondwaterverontreinigingen en het beheren en delen van informatie.

ƒ

We zetten de sanering van de in uitvoer zijnde spoedlocaties door en ronden deze waar mogelijk af.

Reguleren ƒ

In gebieden waar geen gebiedsaanpak voor historische verontreinigingen is vastgesteld, overwegen we de volgende algemene regels op te nemen in de Omgevingsverordening. We maken de beslissingen om regels op te nemen op basis van de uitkomsten van de werkgroep Beleidskeuzes: »

Regels over hoe een grondwatersanering moet worden uitgevoerd. We maken afspraken over wie wanneer bevoegd gezag is over deze activiteit met de gemeenten en waterschappen.

»

Regels die het vaststellen van een gebiedsgerichte aanpak mogelijk maken, evenals het afwijken van andere regels over grondwater in een gebiedaanpak.

»

We verkennen we in de werkgroep Beleidskeuzes de wens om voor mobiele bodemverontreinigingen in grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden regels op te nemen in de Omgevingsverordening over de verontreiniging in het vaste gedeelte van de bodem. Hierbij mag dan alleen gebruik mag worden gemaakt van een van de twee standaardsaneringsmethoden; de verwijderingsvariant. Deze methode bestaat uit het wegnemen van de verontreiniging uit het vaste gedeelte van de bodem.

»

We verkennen in de werkgroep Beleidskeuzes welke regels we in de Omgevingsverordening willen opnemen over het saneren van resterende verontreinigingen en toevalsvondsten in het grondwater.

ƒ

We stellen een beoordelingskader voor historische grondwaterverontreinigingen op, op basis waarvan kan worden bepaald welke verontreinigingen moeten worden aangepakt.

ƒ

We verkennen in de werkgroep Beleidskeuzes met waterschappen, gemeenten en de omgevingsdiensten of de waterschappen het bestaande toetsingskader voor de verspreiding van grondwaterverontreinigingen over kunnen nemen. We maken ook verdere afspraken over de ondersteuning die de provincie Utrecht de waterschappen biedt bij het uitvoeren van deze taak.

ƒ

We stellen een kader op voor het bepalen van de doelen van een grondwatersanering.

ƒ

Waar nodig stellen we, via maatwerkvoorschriften voor een grondwatersanering, eisen voor het monitoren (fysiek meten) van de grondwaterpluim. Dit is afhankelijk van de beoordeling van de grondwaterverontreiniging. Daarnaast wordt ook gemonitord bij bestaande historische grondwaterverontreinigingen. We richten geen aanvullende fysieke monitoring in.

Toelichting op beleidskeuze 13 We willen goed samenwerken met gemeenten, waterschappen en andere belanghebbenden op het gebied van (historische) grondwaterverontreinigingen. We streven ernaar om zoveel mogelijk draagvlak te creëren voor ons beleid op het gebied van grondwater en het voorkomen en opruimen van zowel puntverontreinigingen als diffuse verontreinigingen. De Omgevingswet is op sommige onderdelen onduidelijk over de afbakening van rollen en taken tussen de provincie Utrecht, de gemeenten en de waterschappen. Daarom willen we hier op korte termijn duidelijke afspraken over maken in de werkgroep Beleidskeuzes. Toelichting op beleidskeuze 14 We willen de historische grondwaterverontreinigingen waar mogelijk gebiedsgericht aanpakken. Daarbij analyseren we met de partners welke opgaven er liggen, welke belangen er spelen, welke maatregelen nodig zijn en op welke wijze deze worden geregeld in de kerninstrumenten van de gemeenten, de waterschappen en de provincie Utrecht. We analyseren gezamenlijk het (grond)watersysteem en benoemen bedreigingen voor de kwaliteit en meervoudig gebruik ervan. Ook bekijken we welke ontwikkelingen en welk kwaliteitsniveau gewenst zijn. Deze analyses helpen om te komen tot een gezamenlijke zorg over het grondwatersysteem in het gebied.

Binnen een gebiedsaanpak richt de provincie Utrecht zich op de belangen die voortkomen uit provinciale taken ten aanzien van drinkwater, de KRW en natuurontwikkeling.

BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT | 35

^

^ Bij een gebiedsaanpak wordt ook getoetst of er meer onderwerpen dan alleen historische grondwaterverontreiniging kunnen worden opgepakt, om te komen tot een integrale benadering van de ondergrond. In sommige gevallen zal een integrale benadering niet relevant of doelmatig zijn en volstaat een sectorale benadering. De kennis en ervaring die we opdoen via de integrale aanpak dragen bij aan het ontwikkelen van de 3D-systematiek van de ondergrond (zie 3.1.1). We stellen uitgangspunten op waaraan voldaan moet worden bij het opstellen van een gebiedsaanpak. Onderdeel hiervan zal zijn dat de risico’s voor kwetsbare objecten, waaronder oppervlaktewater en bronnen voor de productie van drinkwater, zoveel mogelijk beperkt moeten worden. In gebieden waar geen gebiedsaanpak geldt, stellen we algemeen beleid en algemene regels op ten behoeve van het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het grondwater. Toelichting op beleidskeuze 15 De doelen die we stellen bij de aanpak van grondwaterverontreinigingen moeten passen bij de huidige en toekomstige functies van het grondwater in het gebied. Voor de toetsing of grondwater geschikt is voor de gewenste functies in een gebied gaan we voorlopig uit van de interventiewaarden van de Wet Bodembescherming, opgenomen als signaleringsparameters in artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

We onderzoeken of we in de toekomst de Risicotoolbox Grondwater hiervoor willen gebruiken. Voor kwetsbare objecten, zoals bijvoorbeeld waterwingebieden, grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden en KRW-oppervlaktewateren, gelden hogere doelen dan gebieden waarin reeds meerdere grondwaterpluimen aanwezig zijn. In gebieden waar geen gebiedsaanpak is vastgesteld gelden ten opzichte van historische verontreinigingen algemene regels. Voor mobiele bodemverontreinigingen in grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden staan we vanuit de Omgevingsverordening alleen saneringsmethoden toe waarbij de verontreiniging uit het vaste gedeelte van de bodem wordt weggenomen. De reden hiervoor is natuurlijk dat de kwaliteit van het grondwater in deze gebieden heel hoog moet zijn. In gebiedsaanpakken kan worden afgeweken van deze waarden en kunnen de regels voor de in dat gebied relevante functies nader worden ingevuld. Toelichting op beleidskeuze 16 De ernstige niet-spoedeisende verontreinigingen hebben een beperkt risico voor de kwaliteit van de grondwaterlichamen, doordat ze zich zeer beperkt verspreiden. Nieuwe onttrekkingen en onzorgvuldige saneringen kunnen echter wel tot een ongewenste verspreiding leiden. Om dit te voorkomen en daarmee de huidige kwaliteit van het grondwater te beschermen, neemt de provincie Utrecht regels op voor het uitvoeren van een grondwatersanering.

Bij nieuwe onttrekkingen waarvoor de provincie Utrecht het bevoegd gezag is, beoordelen we of deze een verontreiniging verplaatsen of verminderen. Als we beoordelen dat de verontreiniging zich verplaatst, vragen we de initiatiefnemer om maatregelen te nemen om verspreiding tegen te gaan. De waterschappen zijn het bevoegd gezag voor wateractiviteiten (waaronder een groot aantal onttrekkingen2) en moeten regels stellen om onder andere de gevolgen van deze activiteiten voor de kwaliteit van het grondwater te beperken. In lijn hiermee moeten ze ook toetsen of onttrekkingen verontreinigingspluimen beïnvloeden, en zo nodig maatregelen stellen. In de werkgroep Beleidskeuzes kijken we samen met de waterschappen of het noodzakelijk is een instructieregel op te nemen. Daarnaast kijken we, ook in deze werkgroep en samen met waterschappen, gemeenten en de omgevingsdiensten, of de waterschappen het bestaande toetsingskader van de provincie Utrecht voor de verspreiding van grondwaterverontreinigingen over kunnen nemen. We maken ook verdere afspraken over de ondersteuning die de provincie Utrecht de waterschappen biedt bij het uitvoeren van deze taak. Deze regels gelden in principe voor ons hele grondgebied, met uitzondering van locaties waarbinnen een door de provincie Utrecht vastgestelde gebiedsaanpak andere afspraken zijn gemaakt.

2 Het bevoegd gezag voor grondwateronttrekkingen is verdeeld tussen het waterschap en de provincie Utrecht. De provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor onttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar, onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening en onttrekkingen ten behoeve van ondiepe open bodemenergiesystemen. De waterschappen zijn het bevoegd gezag voor alle overige onttrekkingen.

36 | BODEM- EN WATERPROGRAMMA PROVINCIE UTRECHT

^

^ Toelichting op beleidskeuze 17 Met deze beleidskeuze richten we ons vooral op de ernstige niet-spoedeisende verontreinigingen. Hoewel deze verontreinigingen geen direct risico vormen, kunnen ze op langere termijn wel een verslechtering van de grondwaterkwaliteit veroorzaken en daarmee onder de Grondwaterrichtlijn vallen. We verkennen met partners hoe we invulling gaan geven aan het aanpakken van deze verontreinigingen en hoe we dit kunnen implementeren in de ambitie van de gemeenten aangaande de bodemkwaliteit. Bij het verbeteren van de grondwaterkwaliteit zet de provincie Utrecht in op het maken van gebiedsafspraken, waarbinnen we waar mogelijk ook eigenaren, grondwatergebruikers en initiatiefnemers laten bijdragen aan de verbetering van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Waar dergelijke gebiedsafspraken nog niet zijn gemaakt, stellen we zo nodig algemene regels vast. Daarbij gaan we zoveel mogelijk beleidsneutraal over ten aanzien van de Wbb en de Circulaire Bodemsanering. De keuze voor algemene regels ter verbetering van de kwaliteit van het grondwater werken we verder uit met de gemeenten, waterschappen, drinkwaterbedrijven en omgevingsdiensten. De haalbaarheid van de ambitie voor het opruimen van de ernstige nietspoedeisende verontreinigingen wordt mede bepaald door de financiële middelen die het Rijk beschikbaar stelt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10388138/1