20230313 t NL.IMRO.0353.DeKroon-Va01
Tekst van het document
Een deel van het foerageergebied blijft intact (bomenrij langs Hoogland). Het overige foerageergebied zal naar verwachting in kwaliteit afnemen. Er zijn geen verblijfplaatsen aangetoond. In de nieuwe situatie zal er naar verwachting afdoende foerageergebied aanwezig blijven voor de lokale populatie vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Onderzoek heeft uitgewezen dat de onderzoekslocatie uitsluitend gebruikt wordt door algemene soorten met vrijstelling. Mogelijk kan de rugstreeppad het gebied koloniseren tijdens de ingrepen. Ter voorkoming van het koloniseren na graafwerkzaamheden wordt geadviseerd een amfibieënscherm te plaatsen langs de west- en zuidgrens van het plangebied. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is, met voorbehoud ten aanzien van stikstofdepositie, van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Ten aanzien van stikstofdepositie dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd om te bepalen of er effecten optreden ten aanzien van het Natura 2000-gebieden. Een voortoets of 'nee-tenzij'toets is niet noodzakelijk.
Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan omtrent het PAS. Het PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is het PAS buiten werking gesteld. In de AERIUS Calculator versie 2022 van januari 2023 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Iedere toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/j op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd, dient in principe worden uitgelegd als een significant negatief effect, tenzij uit een gebiedspecifieke, ecologische beoordeling blijkt dat dit niet het geval is.
42
Het initiatief gaat in de aanleg- en de gebruiksfase gepaard met uitstoot van stikstof. Om die reden is een stikstofonderzoek uitgevoerd (Langelaar Milieuadvies, 13 maart 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 15). In de aanlegfase leidt de inzet van machines en verkeersbewegingen tot NOx- en NH3-emissie. In de gebruiksfase leiden zowel verkeersbewegingen als mobiele werktuigen tot NOx- en NH3-emissie. Voorwaarde is wel dat het onderhavige bestemmingsplan borgt dat het plangebied geen aardgasaansluiting krijgt en er ook geen biogene en fossiele brandstoffen mogen worden verbrand ten behoeve van industriële processen in stationaire bronnen. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura2000-gebieden. De grootste depositietoename reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden vindt plaats in Natura 2000-gebied “Uiterwaarden Lek“ en is maximaal 0,02 mol/ha/jr in de gebruiksfase. De beëindiging van het agrarisch grondgebruik dat plaats vindt voorafgaand aan de vaststelling van het plan, is het onlosmakelijke (positieve) gevolg van uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan.
Rekening is gehouden met vermeden emissies door bemesting van de agrarische percelen (grasland) en de inzet van landbouwmachines op de percelen. Verschilberekening met de AERIUS Calculator 2022 tussen de vermeden emissies en de emissies in de aanleg- en gebruiksfase maken duidelijk dat per saldo de NOx depositie op alle kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan in de aanleg- en gebruiksfase niet groter is dan bij het huidige agrarische gebruik. Gezien het voorgaande kunnen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof op voorhand uitgesloten worden. Houtopstanden Met betrekking tot de bescherming van houtopstanden is er een meldings- en herplantplicht. De herplanting van bodem is aan de zuidzijde van het plangebied voorzien. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Zorgplicht In alle gevallen is de algemene zorgplicht van toepassing. Geadviseerd wordt alle verstorende werkzaamheden uit te voeren conform een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol. Bij voorkeur buiten kwetsbare periodes, zoals het broedseizoen.
Mocht dit niet mogelijk zijn dan wordt geadviseerd voorafgaand aan de werkzaamheden maatregelen te treffen, zoals een broedvogelinspectie. Er wordt geadviseerd om de volgende maatregelen te treffen:
• •
geadviseerd wordt de migratiefunctie in het gebied zo veel mogelijk te handhaven; de nieuwe plannen voorzien in ruime hoeveelheid waterpartijen, geadviseerd wordt deze natuurvriendelijk in te richten.
43
4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
44
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een bedrijventerrein en daarmee (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk.
Met de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.
45
Uitsnede Atlas Leefomgeving, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)
In verband met de voorgenomen ontwikkeling van bedrijventerrein De Kroon in IJsselstein zijn de externe veiligheidsrisico’s van de nabijgelegen risicobronnen in beeld gebracht middels een onderzoek (Adviesgroep AVIV, 18 augustus 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 16) uitgevoerd. De belangrijkste conclusies naar aanleiding van het onderzoek worden navolgend benoemd. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Tankstation aan de rijksweg A2 - Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. - Groepsrisico Er is geen sprake van een groepsrisico. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid wel beschouwd. Hier wordt navolgend op ingegaan. - Effectafstand Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk binnen de effectafstand van 160 m. Er zijn geen zeer kwetsbare objecten binnen de effectafstand voorzien. Vee- en vleeshandel Kruiswijk Aan de Kamerlingh Onneslaan 18 is een vee- en vleeshandelbedrijf gevestigd. Dit bedrijf betreft een slachterij en is geen Bevi-inrichting. Het bedrijf beschikt onder andere over een installatie met 1.100 liter ammoniak, hetgeen een gevaarlijke stof betreft. De PR 10-6-contour bedraagt 15 m. Het invloedsgebied is maximaal 70 m. De PR 10-6-contour reikt niet tot het plangebied.
Het invloedsgebied van maximaal 70 m overlapt het plangebied wel, maar reikt niet tot (beperkt) kwetsbare objecten. Derhalve behoeft geen rekening te worden gehouden met deze inrichting. Het voorliggende bestemmingsplan geen inrichtingen mogelijk die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
46
Transportroutes van gevaarlijke stoffen Rijksweg A2 - Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. - Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de voorgenomen ontwikkeling. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Hier wordt navolgend op ingegaan. Provinciale weg N210 - Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. - Groepsrisico Het groepsrisico is en blijft kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Hier wordt navolgend op ingegaan.
Buisleidingen DPO-leiding - Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. - Groepsrisico Er is geen sprake van een groepsrisico. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. - Belemmeringenstrook Aan beide zijden van de leiding geldt een belemmeringenstrook van ca. 15 m. In het voorliggende bestemmingsplan is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor ingrepen binnen de belemmeringenstrook. Uitgangspunt hierbij is dat gevaar en schade worden voorkomen en dat het onderhoud van de leiding niet in onevenredige mate wordt bemoeilijkt. Hogedrukgasleiding Ten oosten van het plangebied is een hogedrukgasleiding met een diameter van 6,6 inch en een werkdruk van 40 bar gelegen. Deze leiding heeft geen PR 10-6-contour. Het invloedsgebied van deze leiding bedraagt 80 m en reikt niet tot het plangebied. De afstand van het plangebied tot deze leiding bedraagt ca. 180 m. Vanuit deze hogedrukgasleiding gelden derhalve geen belemmeringen voor het voorgenomen plan. Verantwoording groepsrisico Omdat de voorgenomen ontwikkeling gelegen is binnen het invloedsgebied van transportroutes voor gevaarlijke stoffen, een DPO-leiding en een LPG-tankstation is een verantwoording van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en inzetbaarheid van hulpdiensten noodzakelijk. De verantwoording van het groepsrisico is met de Veiligheidsregio Utrecht gedeeld.
Door de Veiligheidsregio Utrecht is op 5 oktober 2021, voorafgaand aan het overleg ex artikel 3.1.1 van het Bro, een advies uitgebracht, waarna de verantwoording van het groepsrisico is aangevuld. In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Bro heeft de Veiligheidsregio Utrecht tevens een advies uitgebracht.
47
Transportroutes voor gevaarlijke stoffen - Bestrijdbaarheid BLEVE Het maatgevende scenario op de rijksweg A2 en de N210 is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankwagen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE ontstaat een brand waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Bestrijding van een dreigende warme BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het koelen van de tank. Bij voldoende koeling zal een (dreigende) warme BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Noodzakelijk voor het voorkomen van een (dreigende) warme BLEVE is:
• • • •
tijdige aankomst brandweer; tijdige bereikbaarheid tankwagen; tijdige beschikbaarheid bluswater; inzet waterkanonnen voor tweezijdige koeling tankwagen.
Wanneer de warme BLEVE niet te voorkomen is, dient het gebied tweezijdig toegankelijk te zijn voor een goede bestrijdbaarheid en voorzien te zijn van voldoende bluswatervoorzieningen. Een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand; de maximale druk en temperatuur worden niet bereikt. Het effect is daarom beperkter dan bij een warme BLEVE, maar er is geen vluchttijd, omdat de explosie direct plaatsvindt. Voor effectief optreden na het plaatsvinden van een warme of koude BLEVE is het volgende relevant:
• • •
het gebied tweezijdig toegankelijk is; een effectieve bluswatervoorziening; passende slagkracht van de brandweer (in de omgeving).
De brandweer heeft na het optreden van een BLEVE binnen een afstand van 140 m weinig mogelijkheden om hulp te verlenen. Het aandachtsgebied van de brandweer gaat met name uit naar het gebied tussen 140 en 230 m, waar de inzet gericht is op redden van personen en het voorkomen van uitbreiding van de brand. Een BLEVE bestaat uit een vuurbal en een drukgolf. Slachtoffers vallen door de warmtestraling en de drukgolf, alsmede door rondvliegende brokstukken en glasscherven die zware schade kunnen aanbrengen aan personen en gebouwen. Een warme BLEVE treedt op bij een externe brand, een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het optredende effect en het moment van exploderen is afhankelijk van de inhoud van de tank. Toxisch scenario Op de rijksweg A2 is een toxisch scenario mogelijk. Door een incident op de transportroute met een tankwagen met toxische vloeistof scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten.
Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is.
48
Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank zal de effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. - Zelfredzaamheid BLEVE Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd (maximaal 20 minuten). Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. Binnen de 140 m zijn personen (ook in gebouwen) bij het maximale beschreven scenario onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Voor personen binnen de 140 m is vluchten dus de beste optie om de calamiteit te overleven. Ontsluitingswegen die leiden in westelijke richting zijn geschikte vluchtroutes ten aanzien van een incident op de A2. De Baronieweg en de N210 zijn in westelijke richting geschikte vluchtroutes.
Indien een BLEVE optreedt op de N210 zijn wegen die leiden in oostelijke richting geschikt. Via de Parallelweg kan in oostelijke richting worden gevlucht. De aanwezige personen binnen het bedrijf zijn zelfredzaam. De bedrijfsgebouwen bestaan in hoofdzaak uit enkele bouwlagen en zijn derhalve relatief eenvoudig te ontvluchten. Het verdient aanbeveling om (nood)uitgangen van de risicobron af te realiseren. Omdat het plangebied is ingeklemd tussen N210 en A2, zou het voor de veiligheid goed zijn wanneer zowel de oost- als westzijde van het gebouw een uitgang heeft. Daarnaast is het aan te bevelen de aanwezigen te instrueren en informeren over de risico’s. Hierdoor zijn de aanwezigen zich bewust van de risico’s en het handelingsperspectief bij een incident. In zijn algemeenheid zullen de volgende aspecten de zelfredzaamheid vergroten:
• • • • •
inpandige vluchtwegen van de risicobron africhten; het glasoppervlak aan de risicobronzijde beperken; het gebruik van brandwerende materialen; de aanwezigheid bluswatervoorzieningen in het plangebied; risicocommunicatie en voorbereiding, waaronder het hebben van een verzamelplaats.
Toxisch scenario Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden, is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de rijksweg A2 is schuilen. Hiervoor is het noodzakelijk dat ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-havenprincipe). Geadviseerd wordt om bij gebruik van mechanische ventilatie in alle bouwwerken in het plangebied een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Om binnen afgeschermd te zijn van toxische stoffen moet de ventilatie centraal dan wel met een noodknop uit te zetten zijn. Aanwezigen moeten adequaat geïnstrueerd worden om binnen te schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Het plangebied is tevens gelegen binnen het dekkingsgebied van een waarschuwing- en alarmeringsinstallatie (WAS). Ten aanzien van de rijksweg A2 is het plangebied relatief gunstig gelegen ten opzichte van de meest voorkomende windrichting (uit het zuidwesten) in Nederland.
49
Maatregelen die de zelfredzaamheid verder vergroten zijn:
• •
risicocommunicatie om risicobewustzijn te vergroten; het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de BHV inrichten, oefenen conform het toxisch scenario.
DPO-leiding - Bestrijdbaarheid Om de kans op een leidingbreuk te verkleinen, geldt dat in overleg met de leidingbeheerders maatregelen getroffen kunnen worden om de ongestoorde ligging van de transportleiding te garanderen. Dit kan bijvoorbeeld door middel van permanent toezicht om de kans op een incident te verkleinen. Andere maatregelen aan de bron die de kans of het effect zullen verkleinen, zijn:
• • •
ondergrondse afdekking met waarschuwingslint, betonplaten of een combinatie van beide;
• •
maatregelen tegen corrosie door leidingeigenaar;
fysieke barrières op maaiveld ter plaatse van de leiding; beperkingen graafwerkzaamheden beheermaatregelen;
grondeigenaar,
vergaande
restricties;
verbod
op
de werkdruk van de leiding ter plaatse verlagen.
Om een calamiteit goed en snel te kunnen bestrijden, is van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. De werkzaamheden van de brandweer zullen met name gericht zijn op het voorkomen van uitbreiding van de brand naar de vierde ring en redden van personen in de derde ring. De leidingbeheerder dient de toevoer van kerosine af te sluiten bij een incident (het zogenaamde inblokken). Er zijn dus geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. De brandweer heeft bij een optreden bij een plasbrand het volgende nodig:
• • •
tweezijdige toegankelijkheid van het gebied; effectieve (grootschalige) bluswatervoorziening; passende (grootschalige) slagkracht van de brandweer; de benodigde omvang van de inzet is afhankelijk van de omgeving.
- Zelfredzaamheid De 100% letaliteitsgrens, de zogenaamde eerste ring, van de brandstofleiding is gelegen op circa 30 m. Binnen dit gebied geldt een hittestraling van meer dan 35 kW/m² in geval van een incident. Aanwezige personen die in de buitenlucht zijn binnen 30 m, op het moment dat de plasbrand optreedt, hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredding vanwege de grote hittestraling. De aanwezige personen zullen naar schatting in 90% van de gevallen overleven, maar wel gewond kunnen raken. Vanaf circa 65 m tot een afstand van 80 m, de zogenaamde derde ring, geldt een straling van ten minste 12,5 kW/m². Hierbinnen treden secundaire branden op. Binnen deze zone zullen in de bebouwing geen dodelijke slachtoffers vallen en in de buitenlucht vrijwel geen. De processen en taken van de brandweer zijn primair gericht op het voorkomen van uitbreiding van de brand in de derde ring (van 65 tot 80 m). Het gaat dus om het redden van personen in de derde ring en het voorkomen dat de brand uitslaat naar de vierde ring (van 80 tot 110 m). Een gedeelte van het plangebied is gelegen binnen de eerste ring (100% letaliteit), wanneer in het plangebied een breuk van de leiding optreedt en ontsteking plaatsvindt.
Ontvluchting in het geval van een plasbrandincident (is zichtbaar en hoorbaar voor aanwezigen) is mogelijk buiten de zone van 50 m, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Wanneer de plasbrand is opgetreden, is het alleen mogelijk te vluchten binnen de zone van 50 m, wanneer de hittestraling voldoende wordt afgeschermd door bijvoorbeeld bebouwing en wanneer personen zelfredzaam zijn.
50
De volgende aspecten zullen de zelfredzaamheid vergroten, in ogenschouw nemende dat het groepsrisico ter plaatse bijzonder laag is:
• • • •
geen gebouwen toestaan waarin personen verblijven die niet zelfredzaam zijn;
• • •
brandwerende gevels en materialen toepassen in het plangebied;
(nood)uitgangen van buisleiding africhten; het plangebied uitrusten met infrastructuur die van de bron af gericht is; de infrastructuur binnen 50 m van de leiding afschermen tegen hittestraling gedurende ontvluchting; bedrijfsnoodplan en BHV inrichten en oefenen met scenario plasbrand; een verzamelplaats kiezen en inrichten op scenario plasbrand.
LPG-tankstation Bij een LPG-tankstation is een BLEVE-scenario het meest maatgevende scenario. Het BLEVE-scenario is nader omschreven bij de transportroutes. Voor een algemene beschrijving van dit scenario wordt daarom hiernaar verwezen, waarbij ook de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid voor dit scenario zijn beschreven. De afstand van het vulpunt tot (beperkt) kwetsbare objecten in het plangebied bedraagt circa 140 m. Derhalve is bij het optreden van een BLEVE ter plaatse van het LPG-tankstation schuilen in gebouwen de beste strategie. Naderhand kan het beste gevlucht worden in verband met secundaire branden. Ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen zijn geen belemmeringen. Vluchtroutes in westelijke richting zijn geschikte vluchtroutes. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.8 Waterhuishouding 4.8.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Daarnaast zullen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de komende jaren richtinggevend worden voor het regionale waterbeheer in Nederland. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
51
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In het NBW hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is meesturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, dat de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen. Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De KRW is inmiddels geïmplementeerd in Nederlandse regelgeving door middel van de Waterwet.
De Waterwet geeft op nationaal niveau onder andere invulling aan de KRW. De KRW is daarmee indirect van toepassing op onderhavig plan. 4.8.2 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan 2022-2027 Voor de planperiode 2022-2027 is het Waterbeheerplan (WBP) van HDSR van toepassing. Het waterbeheerprogramma is een koersdocument, waarbij 'stroomopwaarts' centraal staat, oftewel voorbereiden op de toekomst en pro-actieve samenwerking vanaf het begin van het proces. Het hoogheemraadschap heeft de ambitie om bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen water een meer sturende rol te geven voor een toekomstbestendige leefomgeving. Hierbij wordt extra ingezet op de volgende thema's:
• • • •
zuiver afvalwater, energieneutraal en circulair; robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied; waterveilige leefomgeving; waterbewust leven en genieten van water.
Door verschillende opgaven neemt de druk op de fysieke ruimte toe, waardoor een multifunctioneel ruimtegebruik essentieel is. Door klimaatverandering en maatschappelijke ontwikkelingen veranderen de wateropgaven fundamenteel, wat een andere rol van het hoogheemraadschap vraagt.
52
Keur 2019 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); De bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Omdat de oude Keur niet meer in onze veranderende wereld paste heeft HDSR een volledig nieuwe Keur opgesteld, die sinds 1 mei 2019 van kracht is. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het ruimtelijk plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.
Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe'-maatregelen.
Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:
• •
duurzaam bouwen; het toepassen berm- of bodempassage;
53
• •
toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
•
adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
• •
het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
•
het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. 4.8.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Ten behoeve van het beoogde plan is een waterhuishoudkundig plan (Antea Group, 27 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 17). Het waterhuishoudkundig plan geeft kaders voor de waterhuishoudkundige uitwerking van het plangebied.
In toelichting paragraaf 3.2.2 is aandacht voor de ligging van de planlocatie binnen de boringsvrije zone Nieuwegein, een gebied rondom de grondwaterwinning Nieuwegein. Compenserende waterberging De hoeveelheid te dempen oppervlaktewater en de verhardingstoename wordt gecompenseerd door de realisatie van extra waterberging en wadi's. In overleg met het waterschap is een maatwerkberekening uitgevoerd. Uitgaande van het stedenbouwkundig plan (SVP Architectuur en Stedenbouw, september 2022) volgt hieruit het volgende:
•
Deelgebied noord: 80 m³ berging benodigd ter compensatie van de te dempen sloot bij de carpoolplaats.
•
Deelgebied noord: 1.574 m³ berging benodigd met een peilstijging van 0,40 m ter compensatie van 33.689 m² verharding.
•
Deelgebied zuid: 3.342 m³ berging benodigd met een peilstijging van 0,30 m ter compensatie van 71.548 m² verharding.
54
De navolgende tabel toont een overzicht van de bergingsopgave. Oppervlak Benodigde berging voor de compensatie van de te dempen sloot bij de carpoolplaats Toename verhard oppervlak Benodigde berging voor compensatie van verhardingen Reservering berging voor mogelijk toekomstige uitbreiding carpoolplaats à 992 m² verharding Waterberging en wadi voorzien in plan (incl. taluds) ter compensatie van verhardingen en mogelijk toekomstige uitbreiding carpoolplaats Waterberging en wadi voorzien in plan (incl. taluds) ter compensatie van verhardingen en mogelijk toekomstige uitbreiding carpoolplaats
Deelgebied noord 80 m³
Deelgebied zuid
32.697 m² 1.527 m³
71.548 m² 3.342 m³
47 m³ 4.735 m²
15.837 m²
1.574 m³
3.928 m³
Overzichtstabel benodigde compenserende waterberging (bron: Antea Group, waterhuishoudkundig plan, 27 oktober 2021)
In zowel het noordelijk als het zuidelijk deelgebied worden watergangen gedempt en bestaand verhard oppervlak herstemd. Voor het te dempen water wordt geen aanvullende compensatie gerealiseerd omdat voor het gehele plangebied de benodigde waterbergingsopgave is berekend door het waterschap. Hierdoor voldoet het gehele gebied aan de benodigde watercompensatie voor de plansituatie. In deelgebied noord wordt minimaal 1.654 m³ berging gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de benodigde berging van 1.527 m³(compensatie toename verhardingen), 47 m³ benodigde berging voor de mogelijk toekomstige uitbreiding van de carpoolplaats en 80 m³ ter compensatie van de te dempen sloot. Het plan van deelgebied zuid voorziet in het realiseren van 8.581 m² wadi en 7.256 m² water (betreft het oppervlak op de insteekhoogte). Uitgaande van 30 cm peilstijging kunnen de wadi en de watergangen in totaal 3.928 m³ bergen. Hieruit blijkt dat deelgebied zuid voldoet met 3.928 m³ berging aan de benodigde berging van 3.342 m³. Waterkeringen en watergangen Het plangebied bestaat uit twee afzonderlijke peilgebieden die zijn gescheiden door de waterkering Hoogland. Deze peilscheiding wordt gerespecteerd, wat betekent dat de huidige peilen gehandhaafd blijven en elk peilgebied 'de eigen broek ophoudt'. In de zone 50 m uit de waterkering Hoogland worden de watergangen niet dieper gegraven dan NAP +0,50 m.
Hierdoor vinden er geen werkzaamheden plaats in het theoretische ontwerpprofiel van de waterkering. Om de deelgebieden noord en zuid met elkaar te verbinden wordt een weg aangelegd die kruist met de waterkering. Het theoretisch profiel van de waterkering (leggerhoogte) ligt op NAP +1,0 m. De nieuwe weg wordt op maaiveldhoogte aangelegd en krijgt daarmee een hoogte van ca. NAP +1,2 m of hoger. Het doorsnijden van de hoge gronden voor een verbindingsweg tussen de beide deelgebieden vormt daarom geen bezwaar voor het waterkerend vermogen van de waterkering. Verwerking hemelwater In het ontwerp stromen de openbare wegen en kavels (daken en verhardingen op de kavels) via een gescheiden stelsel af naar een wadi die de zogenaamde first-flush van 10 mm opvangt. De wadi’s ledigen middels bodeminfiltratie. Pas bij meer dan 10 mm neerslag vindt overstort richting het oppervlaktewater plaats. De bodem onder de deklaag is geschikt voor infiltratie. De deklaag heeft een beperkte dikte en bij de aanleg van de wadi’s zal de deklaag afgegraven moeten worden om voldoende infiltratie (en daarmee ledigingstijd) te kunnen garanderen.
55
De huidige fiets- en voetpaden en carpoolplaats behouden de bestaande afwatering via oppervlakkige afstroom naar de bermen en voor zover aanwezig naastgelegen watergangen die behouden blijven. Het direct en indirect afvoeren van hemelwater van verhardingen naar openwater sluit aan op het beleid om de afvoer naar de zuivering te ontlasten. In het ontwerp is voorzien om de overstorten vanuit de wadi’s richting de watergangen op de doodlopende uiteinden van de watergangen te concentreren om zo de doorspoeling te bevorderen. Verwerking vuilwater In de toekomstige situatie ontstaan nieuwe vuilwaterstromen. Hiervoor dient een vuilwaterriool aangelegd te worden. Hiervoor bestaan verschillende mogelijkheden. Het huidige afvoertracé naar de zuivering kan opgewaardeerd worden. Daarnaast bestaan mogelijkheden om het aan te sluiten op het bestaande stelsel in het westelijk gelegen bedrijventerrein of direct op de transportleiding in de Lage Dijk. Deze laatste twee mogelijkheden lijken vooralsnog niet logisch en zullen in het kader van de technische uitwerking van het ontwerp hydraulisch getoetst moeten worden, omdat zowel het rioolsysteem als de transportleiding al zwaar belast zijn. Waterkwaliteit Vanuit het oogpunt waterkwaliteit is het voornemen om het watersysteem zodanig te ontwerpen dat er geen doodlopende watergangen ontstaan (eis van het waterschap).
Hieraan is tegemoet gekomen door op de bovenstrooms gelegen watergangen de hemelwaterafvoer te plaatsen van nieuwe aan te leggen verhardingen. Concreet loost het hemelwaterstelsel op de wadi, waarna het hemelwater vertraagd toestroomt naar de bovenstroomse gelegen watergangen. Hierdoor ontstaat doorstroming. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Zoals in toelichting paragraaf 2.1 is beschreven, zijn de historische en cultuurhistorisch waardevolle structuren door de aanleg van de A2 en de N210 grotendeels verloren gegaan. Het Hoogland, de hoger gelegen dijk die het plangebied doorsnijdt, is de oude dijk van de Hollandsche IJssel en wordt als waardevol beschouwd. In het verleden was deze dijk, die bekend stond als de 'Hoge Dijk', samen met de verder gelegen 'Lage Dijk' belangrijk voor de ontsluiting van het gebied en de verkavelingsrichting. De dijk ligt nog op zijn oorspronkelijke plaats en is met de bomenrijen aan beide zijden van de weg kenmerkend voor het gebied. Het Hoogland is ingepast in het stedenbouwkundig plan en blijft in zijn huidige vorm behouden. Het dijkprofiel houdt ook zijn waterkerende functie.
De weg zal in de beoogde situatie gebruikt blijven worden voor langzaam verkeer, waarmee het onderdeel is van een doorgaande fietsroute. Gemotoriseerd verkeer zal geen gebruik maken van het Hoogland.
56
4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In het kader van de beoogde ontwikkeling van bedrijvenpark De Kroon is er allereerst een archeologisch bureauonderzoek (Buro de Brug, juli 2016, zie bijlagen bij toelichting bijlage 18) uitgevoerd.
Vervolgens zijn er een inventariserend veldonderzoek (Laagland Archeologie, oktober 2019, bijlagen bij toelichting bijlage 19) en een proefsleuvenonderzoek (Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie, 12 mei 2021, bijlagen bij toelichting bijlage 20) uitgevoerd. Archeologisch bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens de gemeentelijke verwachtingskaart geldt voor het noordelijk deel van het plangebied een middelhoge verwachting op resten uit de Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd, direct onder de bouwvoor, vanwege de ligging op de niet afgraven uiterwaarden van de Hollandse IJssel. Deze relatief hoge gebieden waren vanaf de Middeleeuwen geschikt voor bewoning, maar er zijn geen directe aanwijzingen voor bewoning in die tijd. Het historisch kaartmateriaal toont geen bewoning vanaf de 19 e eeuw, met als uitzondering twee erven aan de Hoogedijk. Voor het zuidelijk deel van het plangebied (ten zuiden van het Hoogland, vroegere Hoogedijk) geldt een hoge verwachting voor resten uit het Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd en/of Romeinse tijd op rivierafzettingen ondieper dan 1,5 m -NAP. Direct onder de bouwvoor kunnen resten uit de Middeleeuwen of Nieuwe tijd aangetroffen worden, hoewel ook hier geen directe aanwijzing voor bewoning in die tijd is.
Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied op de Over-Oudlandstroomgordel en op basis van elders op deze stroomgordel aangetroffen archeologische resten kunnen in het hele plangebied archeologische resten worden aangetroffen uit de Bronstijd tot en met de Romeinse tijd. Deze resten worden verwacht op of in de top van de oeverafzettingen van de Over-Oudlandstroomgordel, maximaal ca. 1,5 m beneden het maaiveld. Afhankelijk van het complextype en de vondstdichtheid zullen de resten zich manifesteren als een archeologische laag of als een aardewerk- en vuursteenstrooiing. Geadviseerd wordt om binnen het gehele plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek Het verkennende booronderzoek had tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Op basis van de aanwezigheid van een intacte bodemopbouw of verstoorde of afgegraven bodem, de ligging in oever-op-beddingafzettingen, oever-op-komafzettingen en komafzettingen in de voormalige brede bedding van de Hollandsche IJssel en zones met (resten van) oude woongronden kan een onderverdeling in zones met een bepaalde specifieke archeologische verwachting gemaakt worden. In bepaalde mate wordt bij de bepaling ook de aanwezigheid van archeologische indicatoren gebruikt.
Verder ligt het plangebied en ligt de bovenzijde van oeverafzettingen met een hoge archeologische potentie hoger dan die van onderzochte vindplaatsen in de nabijheid.
57
De specifieke archeologische verwachting is hoog waar intacte oever-op-beddingafzettingen aanwezig zijn, al dan niet met (resten van) oude woongronden, middelhoog waar intacte oever-op-komafzettingen aanwezig zijn en laag waar de oeverafzettingen (ongeveer) zijn afgegraven tot op de beddingafzettingen (zuidelijk deel), een verstoorde bodemopbouw aanwezig is, of in de oude, verlande, brede bedding ligt van de Hollandse IJssel (noordelijk deel). Voor het deel ten zuiden van het Hoogland geldt specifiek een middelhoge en hoge archeologische resten vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd op rivierafzettingen ondieper dan 1,5 m -NAP. Voor het gebied ten noorden van het Hoogland geldt een middelhoge verwachting op resten uit de Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd, direct onder de bouwvoor, vanwege de ligging op de niet afgraven uiterwaarden van de Hollandse IJssel. Het type vindplaats dat voornamelijk te verwachten is zijn nederzettingen en/of huisplaatsen. Grafvelden zijn mogelijk ook in het gebied ten zuiden van de Hoogland te verwachten. Geadviseerd wordt om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek naar de gronden waar een hoge en middelhoge archeologische verwachting geldt volgens de specifieke archeologische verwachtingskaart.
Aan de hand van de aangetroffen archeologische indicatoren, die meer als bijvangst van het verkennend booronderzoek gezien kunnen worden, bevindt zich een duidelijke concentratie aan potentiële vindplaatsen rondom het Hoogland en het zuidelijk deel van het terrein (waar ook een deel lijkt te zijn afgekleid). Verder zijn de meeste archeologische indicatoren in de A-horizont en bovenin de oeverafzettingen aanwezig. Om die reden dient er in ieder geval een vlak te worden aangelegd bovenin de oeverafzettingen, direct onder de bouwvoor. Omdat de oeverafzettingen meestal binnen 30 à 50 cm zandiger worden, kan een tweede vlak op ca. 30 cm onder het eerste vlak worden aangelegd. Verder wordt geadviseerd om het uiterste noordwestelijke deel van het terrein en de zuidelijke zone, waar een lage archeologische verwachting geldt, volgens de specifieke archeologische verwachtingskaart vrij te stellen van een vervolgonderzoek. Proefsleuvenonderzoek Het proefsleuvenonderzoek betrof de aanleg van 14 sleuven (werkputten) op het zuidelijk deel en middendeel van het plangebied. Zowel het landschappelijke onderzoek middels de profielopbouw als het onderzoek van het archeologisch vlak geven geen aanleiding om van één of meerdere vindplaatsen binnen het plangebied te kunnen spreken. Het enige te duiden sporencluster is de herkende percelering uit ca. maximaal de laatste 150 jaar.
De oorspronkelijk hoge archeologische verwachting voor het plangebied kan dan ook op basis van de resultaten naar een lage archeologische verwachting worden bijgesteld. Gezien het ontbreken van archeologische waarden in het plangebied wordt geadviseerd de archeologische verwachting voor het onderzochte deel van het plangebied af te schalen tot laag. Het meest noordelijke deel kon door aanwezige bodemverontreiniging en beplanting niet worden onderzocht. Gezien het tot nu toe geheel ontbreken van archeologische waarden in het plangebied is het minder kansrijk dat in het meest noordelijk deel wel sprake kan zijn van een archeologische vindplaats. Het plangebied is vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in het plangebied onverhoopt toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag (in deze de gemeente IJsselstein). Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
58
4.10 Duurzaamheid Voor bedrijvenpark De Kroon zijn er grote duurzaamheidsambities. Doelstelling is om van het bedrijvenpark één van de meest duurzame bedrijvenzones te maken. In de stedenbouwkundige visie (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) wordt dit aspect beschreven. De thema's die relevant zijn voor het bestemmingsplan worden hierna toegelicht. Levensloop Duurzaamheid richt zich niet alleen op het heden en de toekomst, maar ook op de gehele levensloop van het gebied. Dit betekent dat duurzaamheid verankerd wordt in de volgende gebiedsfasen: 1.
2.
3.
4.
In de ontwerpfase wordt duurzaamheid geborgd door een heldere duurzaamheidsambitie, de vertaling van de ambitie in het Beleidsplan Duurzaamheid en de verdere integratie van duurzaamheid in bijvoorbeeld bestekken en contractdocumenten. Vervolgens wordt duurzaam gebouwd, mede door het maken van zorgvuldige keuzes bij de inrichting van het gebied en de bouw van energieneutrale gebouwen en toepassing van circulaire materialen. De fase die volgt is de langste fase, namelijk de gebruiksfase. De stappen die genomen zijn in de ontwerp- en bouwfase vertalen zich in een duurzaam ingericht gebied dat vervolgens duurzaam gebruikt dient te worden. Duurzaam gebruik richt zich onder andere op een gezonde leefomgeving, de opwekking van duurzame energie, stimulering van openbaar vervoer en gebruik van de fiets, versterking van de natuur, verminderen van emissie van schadelijke stoffen, een goede waterhuishouding, circulaire processen waarbij grondstoffen worden hergebruikt, etc. Tot slot wordt bij de bouw al rekening gehouden met mogelijkheden voor circulariteit bij de sloop.
Belangrijke thema's Binnen het spectrum van duurzaamheid voeren landelijk drie thema's de boventoon, die ook bij de ontwikkeling van De Kroon van toepassing zijn: 1.
2.
3.
Energietransitie – De noodzaak om het gebruik van fossiele brandstoffen af te bouwen en over te stappen op schone energie is onmiskenbaar. Dit betekent onder andere dat de gebouwen een goed isolerende schil krijgen, geen aardgasaansluitingen hebben, elektrisch materieel gebruiken, dat er zonnepanelen op de daken komen en het gebruik van elektrisch rijden gestimuleerd wordt door oplaadpunten te plaatsen. Circulariteit – Ook hier ligt een noodzaak om het gebruik van primaire grondstoffen te reduceren en het hergebruik van grondstoffen te vergroten. Hiertoe worden materialen toegepast die in de toekomst herbruikbaar zijn (grondstoffen van de toekomst) en worden de materialen zodanig toegepast dat ze in gescheiden stromen gedemonteerd of gesloopt kunnen worden. In de gebruiksfase zijn er kansen om grondstoffen uit de regio te hergebruiken of nuttige grondstoffen te delen met andere ondernemers. Gezondheid – Waar energietransitie en circulariteit over grondstoffen en materialen gaan, gaat gezondheid over mensen. Een gezond bedrijventerrein kenmerkt zich door onder andere schone (binnen)lucht, aangename omgevingstemperatuur, lage geluidbelasting en geluidluwe buitenruimten, groene wandelpaden en een goede verlichting.
Daarnaast stimuleert de omgeving tot bewegen, zijn er vergaderplekken in het groen, is er aanbod van gezonde voeding en alle gelegenheid elkaar te ontmoeten en de sociale cohesie te versterken.
Het streven is om het gebied als geheel energieneutraal te maken (gebouwen, bedrijfsvoering en terreininrichting). De bedrijven die worden gevestigd op het terrein hebben elk andere wensen en behoeften qua energieprofiel. De gebouwen krijgen samen een groot dakoppervlak, dat veel kansen biedt voor het opwekken van duurzame energie (elektriciteit en/of warmte). Tegelijkertijd zijn er ook bedrijven met een grote vraag naar elektriciteit voor productieprocessen. Dit biedt mogelijk kansen voor het ontwikkelen van een energievoorziening waarmee het mogelijk is onderling energie uit te wisselen. Vooraf wordt voor het gehele gebied een energieplan opgesteld om deze kansen maximaal te benutten. Daarnaast wordt de
59
noodzakelijke energietransitie vormgegeven door alle bedrijven gasloos te bouwen. Ook worden oplaadpunten aangeboden voor elektrisch rijden en wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van bodemwarmte. Lichtuitstraling De lichtuitstraling van het gebied op de omgeving wordt zoveel mogelijk beperkt door niet meer openbare verlichting langs de rand van het gebied toe te passen dan nodig is en armaturen zo te ontwerpen dat uitstraling wordt geminimaliseerd. Ook de verlichting van de gevels wordt zodanig uitgevoerd dat de lichtvervuiling beperkt blijft. Bodem en water De bestaande bodem in het gebied wordt waar mogelijk benut en behouden bij de inrichting van het gebied. Waar nodig wordt de bodem voorbelast met zand en voor het plaatsen van bomen en planten wordt geschikte grond gebruikt waarbij gelet wordt op de kwaliteit van de grond, bemesting en bodemleven (bijvoorbeeld RAG-substraten). Het water dat het gebied binnenkomt (met name hemelwater) wordt in het gebied gebufferd en vertraagd afgevoerd naar de omliggende watergangen. De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt daarbij verbeterd door de filterende werking van de bodem en beplanting. Op afzonderlijke bedrijfslocaties wordt groen, halfverharding en waterdoorlatende verharding toegepast.