CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

20230313 t NL.IMRO.0353.DeKroon-Va01

Raadsvergadering 11 mei 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Bedrijvenpark De Kroon, IJsselstein28.691 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De nieuwvestiging van bedrijventerreinen of uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen in het stedelijk gebied is mogelijk als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4.

de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd; de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein; en de uitbreiding bedrijventerreinen leidt niet tot extra bodemdaling.

Zoals uit toelichting paragraaf 3.2.1 blijkt is bedrijvenpark De Kroon opgenomen in het 'Kader voor de regionale programmering wonen en werken'. Hiermee past het beoogde bedrijventerrein binnen het door gedeputeerde staten programma voor bedrijventerreinen. Het bedrijventerrein in de omgeving van de planlocatie, het huidige bedrijventerrein van IJsselstein, verkeert in een goede staat, waarbij sprake is van weinig leegstand. Er is dan ook geen noodzaak tot revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen. Desondanks is een proactief herstructureringsplan opgezet dat gericht is op intensivering van het kavelgebruik bij achterblijvende percelen na verhuizing van bedrijven naar bedrijvenpark De Kroon. De planlocatie grenst aan de westzijde aan het bedrijventerrein Over Oudland, waardoor bedrijvenpark De Kroon in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein is voorzien. De ligging tussen het bestaande

24

bedrijventerrein en de rijksweg A2 maakt de locatie geschikt voor de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein. De bodemgesteldheid op de planlocatie is dusdanig dat bodemdaling, in tegenstelling tot veenweidegebieden in het (noord)westen) van de provincie Utrecht, niet verwacht wordt. In artikel 9.18 'Instructieregel detailhandel' zijn de regels ten aanzien van detailhandel opgenomen. Het plangebied is op kaart bij de Omgevingsverordening aangewezen als 'detailhandel buiten bestaand winkelgebied'. In dit gebied is nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel niet mogelijk, tenzij aan één van de uitzonderingen van artikel 9.18 sub 2 wordt voldaan. Het voorliggende bestemmingsplan maakt productiegebonden detailhandel mogelijk. Voor deze productiegebonden detailhandel wordt voldaan aan artikel 9.18 sub 2 onder g: 'detailhandel die qua aard en omvang vergelijkbaar is met detailhandel hiervoor genoemd onder a t/m f of waarvan aard en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen bestaand winkelgebied'. De productiegebonden detailhandel van een (relatief) beperkte omvang (maximaal 10% van de bedrijfsvloeroppervlakte, tot een maximum van 150 m²), die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft dusdanig beperkte ruimtelijke uitstralingseffecten dat deze aanvaardbaar is buiten het bestaand winkelgebied.

Concurrentie met en leegstand in het bestaand winkelgebied als gevolg van het plan kan uitgesloten worden. Daarnaast dient conform het Besluit ruimtelijke ordening de ladder voor duurzame verstedelijking te worden toegepast. Uit toelichting paragraaf 3.1.3 blijkt dat wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het gehele plangebied ligt in de boringsvrije zone Nieuwegein. De boringsvrije zone is een gebied rondom de grondwaterwinning Nieuwegein. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor onder andere de gemeente Nieuwegein. In de boringsvrije zone beschermt een ondergrondse laag de onderliggende waterwinning. Om te voorkomen dat activiteiten (zoals het toepassen van bodemenergiesystemen) plaats vinden die verontreiniging of lokale opwarming van het grondwater tot gevolg hebben, stelt de provincie Utrecht in haar Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht regels ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 40 m onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. De activiteiten waarvoor een verbod geldt zijn geen onderdeel van het onderhavige plan.

Daarnaast geldt voor iedereen in de boringsvrije zone de bijzondere zorgplicht (artikel 3.12 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingen worden afgestemd met het waterwinbedrijf. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat het beoogde plan in overeenstemming is met de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie IJsselstein De raad van de gemeente IJsselstein heeft de Omgevingsvisie IJsselstein op 11 november 2021 vastgesteld. In de Omgevingsvisie IJsselstein worden verschillende belangen samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030 en verder. In de omgevingsvisie wordt de identiteit en kwaliteiten van IJsselstein beschreven en wordt ingezet op het behouden en verbeteren hiervan middels nieuwe ontwikkelingen, oftewel: behoud én ontwikkeling. De koers wordt in hoofdlijnen uitgezet door middel van kwaliteits- en ontwikkelingslagen. In de kwaliteitslagen wordt stilgestaan bij de huidige kwaliteiten van IJsselstein, bij de ontwikkelingslagen wordt aangegeven met welke

25

ontwikkelingen deze kwaliteiten in de toekomst kunnen worden versterkt. Vervolgens wordt in de omgevingsvisie meer specifiek de koers per deelgebied beschreven met de daarbij horende gebiedseigen beleidsopgaven. De planlocatie maakt onderdeel uit van het deelgebied 'bedrijventerreinen'. Bedrijventerreinen IJsselstein heeft in totaal 68 hectare bedrijventerrein. De eerste bedrijventerreinen aan de IJssel en de Lage Biezen werden steeds meer ingebed in de bebouwde kom. De ruimte voor groei moet nu worden gevonden aan de nieuwe stadsgrenzen. IJsselstein kent veel productiebedrijven, waarbij een gunstige ligging aan de A2 en centraal in het land, belangrijke vestigingsfactoren zijn. Tussen de rijksweg A2, de N210 (Weg der Verenigde Naties) en de Hollandse IJssel, ligt een strook grond dat wordt ontwikkeld als bedrijvenpark De Kroon. Het terrein sluit aan op het bestaande bedrijventerrein Over Oudland dat ten westen van de N210 ligt. Planspecifiek Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de ontwikkeling van bedrijvenpark De Kroon. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de 'Omgevingsvisie IJsselstein'. 3.3.2 Toekomstvisie 2025 IJsselstein Dichtbij Op 21 januari 2010 heeft de gemeenteraad van IJsselstein de Toekomstvisie ‘IJsselstein Dichtbij’ vastgesteld.

De gemeente IJsselstein kenmerkt zich onder meer door drie belangrijke kwaliteiten:

•

IJsselstein is een stad met een sterke sociale samenhang. Mensen zijn zeer betrokken bij de gemeenschap en bij elkaar. Dit geldt voor zowel inwoners als ondernemers. De samenhang komt onder meer tot uitdrukking in een actief verenigingsleven en tal van evenementen.

•

IJsselstein is een stad met een karakteristieke historische ruimtelijke kwaliteit. Belangrijke kenmerken in deze ruimtelijke kwaliteit zijn de historische binnenstad met monumenten en de Hollandse IJssel die door de stad stroomt.

•

IJsselstein heeft een unieke ligging in zowel het Groene Hart als het stedelijk gebied van Utrecht. Hierdoor combineert de stad de rust en ruimte van het groene buitengebied met de economische dynamiek van een stad.

Voor 2025 wil de gemeente deze kwaliteiten verder versterken. De gemeente wil de nabijheid van de ruimtelijke kwaliteiten in de stad meer benutten, door inhoud te geven aan de volgende ambities:

• • • •

versterken van de historische binnenstad; groen en water meer verweven met de stad; continue werken aan vitale woonwijken; bevorderen zorgvuldig ruimtegebruik.

Planspecifiek De gemeente IJsselstein streeft ernaar ondernemers ruimte te bieden, door in wijken mogelijkheden voor wonen en werken te bieden en voor voldoende ruimte op bedrijfsterreinen te zorgen. De druk op de schaarse ruimte in de gemeente IJsselstein is hoog. Deze druk wordt onder andere veroorzaakt door de ligging in de regio in Nederland die al jaren het hoogste economische potentieel heeft. Dit leidt tot bevolkingsaanwas, groei van bedrijvigheid en daarmee extra ruimteclaims. Bij nieuwe ruimteclaims maakt de gemeente IJsselstein een zorgvuldige afweging naar de noodzaak. Daarbij wordt mede vastgehouden aan de omvang van de rode contour. De beoogde bedrijfskavels en infrastructuur zijn binnen de rode contour beoogd. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt tegemoet gekomen aan de toenemende behoefte aan bedrijventerreinen.

26

Conclusie Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de 'Toekomstvisie 2025 IJsselstein Dichtbij'.

3.3.3 Mobiliteitsvisie IJsselstein ‘Gezond op weg naar 2030’ Op 1 oktober 2020 is de 'Mobiliteitsvisie IJsselstein 'Gezond op weg naar 2030' vastgesteld. Mobiliteit is nodig voor het uitvoeren van een activiteit (bijvoorbeeld werken, wonen, sport, recreatie, sociaal bezoek, cultureel bezoek, onderwijs) die op een andere locatie wordt uitgevoerd. Maar mobiliteit heeft ook (negatieve) omgevingseffecten (uitstoot van CO2, stikstofdepositie, fijnstof, ruimtebeslag, geluid, verkeersonveiligheid en barrièrewerking). Op basis van deze trends en ontwikkelingen en de samenhang met andere beleidsvelden zijn vijf kernopgaven voor IJsselstein gedefinieerd:

•

Bereikbaar blijven: IJsselstein wil bereikbaar blijven. Daarvoor is het nodig om een omslag in het mobiliteitsgedrag tot stand te brengen: meer gebruik van de fiets, het openbaar vervoer en van slimme mobiliteitsketens. Dat moeten samen worden bereikt met de inwoners, bedrijven, werknemers en bezoekers.

•

Verbeteren van de verkeersveiligheid: IJsselstein wil het aantal verkeersslachtoffers structureel terugdringen door duurzaam veilige infrastructuur in combinatie met handhaving, bewustwording en een veilig weggedrag.

•

Zorg voor leefbaarheid: IJsselstein wil de aantrekkelijkheid van de woonomgeving en de binnenstad in stand houden en versterken, zodat IJsselstein een fijne en gezonde woonstad is met een vitale aantrekkelijke binnenstad.

•

Mobiliteit voor iedereen: IJsselsein wil het mogelijk maken, dat de inwoners zelfstandig kunnen reizen van deur tot deur met een vorm van collectief vervoer, zodat zij kunnen blijven deelnemen aan de economische, maatschappelijke en sociale activiteiten. Dit is van belang voor inwoners die niet meer zelfstandig gebruik kunnen maken van een auto, fiets of het reguliere openbaar vervoer.

•

Bijdragen aan de klimaatdoelstellingen: IJsselstein wil een aantrekkelijke gemeente blijven voor de huidige en toekomstige generaties. Daarvoor is het nodig om de auto-afhankelijkheid te verminderen en het aandeel van duurzame vormen van mobiliteit te vergroten.

Planspecifiek In 2019 is de ‘Bestuursovereenkomst duurzame mobiliteit en bereikbaarheid IJsselstein’ gesloten tussen de gemeente IJsselstein en de provincie Utrecht. In de overeenkomst staat dat die vervalt wanneer er een vastgestelde mobiliteitsvisie is. Omdat de bestuursovereenkomst een tussenproduct betrof, vormt de mobiliteitsvisie het vigerend beleid van de gemeente IJsselstein. Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de relevante kernopgaven uit de mobiliteitsvisie. Met de aanpassing van de rotonde van de N210 naar een VRI en de overige voorgestelde maatregelen blijft IJsselstein bereikbaar. In toelichting paragraaf 2.2.2.3 is aandacht voor de maatregelen die bijdragen aan een bereikbaar, verkeersveilig, leefbaar en duurzaam IJsselstein. Hierbij wordt verwezen naar de uitbreiding van de carpoolplaats, bewustwording bij bedrijven en bedrijven stimuleren om duurzame mobiliteit te promoten onder de eigen werknemers, een robuuste fiets- en wandelstructuur op het bedrijventerrein, het aantakken op de omliggende fietsinfrastructuur en optimalisatie van de OV-aansluiting. In toelichting paragraaf 2.2.2.3 is een uitgebreide inhoudelijke beoordeling inzake het aspect verkeer opgenomen. Conclusie Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

27

3.3.4 Welstandsnota IJsselstein De Welstandsnota 2013 is op 19 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein. Het nu voorliggende plangebied wordt ingedeeld in de gebieden Buitengebied, Linten en Infrastructuur. Planspecifiek Binnen het plangebied is het Hoogland aangemerkt als lint. De oorspronkelijke ontginningswegen, de bebouwingslinten, vormen herkenbare en gewaardeerde structuren binnen de stad en het buitengebied. Een deel van de geschiedenis van IJsselstein is af te lezen uit deze structuren. Deze structuren zijn in het beeld van de stad daarom zeer bepalend en belangrijk om te handhaven. De welstandseisen die voor bebouwing in de linten gelden zijn daarom vrij uitgebreid en gelden voor zowel boerderijen als woningen. Elk bouwplan in de linten in het buitengebied wordt getoetst door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit aan de hand van de in de nota opgenomen gebiedsgerichte criteria. Voor de linten in het stedelijke gebieden wordt onderscheid gemaakt in bouwplannen aan de voorzijde- en/of aan de achterzijde. Indien een bouwplan zich aan de voorzijde van het pand/perceel bevindt, vindt de welstandstoets plaats door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Aan de achterzijde wordt de welstandstoets ambtelijk uitgevoerd. In de toekomst zouden de gebiedsgerichte welstandscriteria voor bedrijventerreinen van toepassing kunnen zijn op het plangebied.

Bedrijventerreinen in IJsselstein hebben allemaal een ander karakter. Dit ligt voornamelijk aan de leeftijd van het terrein en het soort bedrijven dat er gevestigd is. Bij nieuwbouw of verbouwingen zal inspiratie worden gehaald uit de architectuur van omliggende bedrijven. De uitstraling van bedrijventerrein naar de omgeving verdient extra aandacht, bedrijfsgebouwen die aan ontsluitingswegen (zoals de N210) liggen verdienen een extra zorgvuldig en hoogwaardig ontwerp. Daarnaast worden bedrijven langs oude ontginningswegen (zoals het Hoogland) onderscheiden. Hierbij is de wens dat er kleine volumes voor de grotere bedrijfshallen gesitueerd worden. Dit refereert aan het oorspronkelijke kleinschalige karakter van de bebouwing langs ontginningswegen. Alle bouwplannen in deze gebieden worden ambtelijk getoetst. Conclusie De Commissie ruimtelijke kwaliteit van de gemeente IJsselstein heeft een positief advies gegeven op de stedenbouwkundige visie en het beeldkwaliteitsplan. Het college van B&W heeft dit document vervolgens bekrachtigd. De stedenbouwkundige visie en het beeldkwaliteitplan wordt tegelijkertijd met het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad en zal het toekomstige toetsingskader voor welstand zijn.

3.3.5 Beleidsplan Duurzaamheid gemeente IJsselstein Het Beleidsplan Duurzaamheid gemeente IJsselstein is op 9 juni 2016 door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein vastgesteld. Eind 2015 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen om de Klimaatverklaring (Parijsverklaring) te ondertekenen. Door ondertekening van de klimaatverklaring heeft de gemeente zich gecommitteerd te werken aan de volgende hoofdambitie: 1. 2.

In 2050 is IJsselstein klimaatneutraal In 2030 is de gemeentelijke organisatie CO2-neutraal

In het beleidsplan zijn voor de thema’s wonen en verkeer en het jaartal 2020 de volgende relevante doelstellingen opgenomen:

• •

besparing gasverbruik met 1,5% per jaar; 8% duurzame energie lokaal opgewekt tegenover 2% nu, waaronder: o vertienvoudiging zonne-energie; o verdubbeling adressen met zonnepanelen;

• • •

alle nieuwe gebouwen zijn (bijna) energieneutraal; alle nieuwe gebouwen worden duurzaam gebouwd en hebben een score minimaal GPR = 8 het gebruik van het aantal deelauto’s is met 20% toegenomen ten opzichte van 2016.

28

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan het Beleidsplan Duurzaamheid. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar toelichting paragraaf 4.10; in deze paragraaf vindt inhoudelijke toetsing met betrekking tot het aspect duurzaamheid plaats. Conclusie Het voorgenomen plan sluit aan bij de ambities uit het Beleidsplan Duurzaamheid gemeente IJsselstein. 3.3.6 Integrale Visie Openbare Ruimte 2021-2031 In de Integrale Visie Openbare Ruimte 2021-2031 (IVOR) komen alle aspecten van de openbare ruimte samen in één visie. De gemeenteraad heeft de IVOR op 17 juni 2021 vastgesteld. Vanuit bestaande beleidsdocumenten en strategische plannen zijn zeven thema’s uitgewerkt in de IVOR, te weten gebruik en beleving, identiteit (karakter/uitstraling), klimaatbewust, samenwerking, groen natuurlijk, gezonde en prettige leefomgeving en duurzaamheid/toekomstbestendigheid. De overkoepelende visie voor de openbare ruimte luidt: “IJsselstein heeft een openbare ruimte die ons verbindt en die bijdraagt aan een gezonde en leefbare woonen werkomgeving, voor nu én in de toekomst.” De overkoepelende visie is uitgewerkt in vier ambities, waarbinnen verschillende thema's vallen die meer gericht op een onderwerp ingaan. De vier ambities zijn:

• • • •

echt IJsselstein; toekomstbestendig; gezond en leefbaar; samenwerking.

Planspecifiek In toelichting paragraaf 2.2.2.2 is aandacht voor de openbare ruimte. Hieruit volgt dat de openbare ruimte toekomstbestendig is; klimaatadaptief, duurzaam en groen natuurlijk. Dit sluit aan bij de tweede ambitie uit de IVOR. In het vervolg zal de inrichting van de openbare ruimte nader uitgewerkt worden, waarbij rekening gehouden zal worden met het Handboek inrichting openbare ruimte van de gemeente IJsselstein. Conclusie Het voorgenomen plan sluit aan bij de ambities uit de Integrale Visie Openbare Ruimte 2021-2031.

29

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Verder is vanaf 1 januari 2021 artikel 7.28 van de Wet milieubeheer gewijzigd. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen; D11.3: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van 75/100 ha of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorgenomen ontwikkeling omvat een bruto oppervlakte van ca. 20 ha, waarvan 9 ha uitgeefbare kavels. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

30

a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-procedure noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.procedure plaatsvinden.

In het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden de belangrijkste milieugevolgen, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, in beeld gebracht in een aparte aanmeldnotitie (Buro SRO, 30 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Op basis van de aanmeldnotitie kan geconcludeerd worden dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag heeft op basis van de aanmeldnotitie een besluit genomen over de uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Er is besloten dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden en dat er geen m.e.r. opgesteld hoeft te worden. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij het besluit over de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk Planspecifiek Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater inzichtelijk te maken heeft Amos Milieutechniek diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Navolgend zijn de resultaten hiervan weergegeven. Verkennend bodemonderzoek In januari 2019 is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 (Amos Milieutechniek, 14 januari 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6) uitgevoerd. Hieruit blijken de volgende resultaten:

•

In de bovengrond in het gebied zijn met name lichte verontreinigingen met onder andere zware metalen en enkele malen PAK, minerale olie en PCB’s aangetoond.

•

Ter plaatse van boring B57 (gelegen op de grens tussen de percelen 802 en 549) zijn in de bovengrond matige verontreinigen met zink en PAK aangetoond. Mogelijk dat op de perceelsgrens in het verleden een verlaging in het maaiveld aanwezig is geweest, die aangevuld is met de verontreinigde, geroerde bodemlaag. De mogelijkheid bestaat dat de matige verontreiniging gerelateerd is aan een nabijgelegen sterke verontreiniging en daarmee wellicht aan een geval van ernstige bodemverontreiniging.

•

Ter plaatse van boring B77, gelegen op perceel 549, op het braakliggende en sterk met doornenstruiken overwoekerde terreindeel, is in de geroerde bovengrond een sterke verontreiniging met koper aangetoond. De verontreiniging is nog niet ingekaderd en derhalve is vooralsnog onbekend of er al dan niet sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

•

Ter plaatse van boring B91, gelegen op het perceel 696, op het adres aan de Hoogland 7/7a is in de geroerde bovengrond een sterke verontreiniging met PAK aangetoond. De verontreiniging is nog niet ingekaderd en derhalve is vooralsnog onbekend of er al dan niet sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. OCB’s (bestrijdingsmiddelen) worden in vrijwel het gehele gebied ten minste licht verhoogd aangetroffen. Echter, met name op (het zuidelijke deel van) het perceel 795 en deels ook ter plaatse van perceel 796 worden matige en sterke verhoogde gehalten aan DDE (maakt deel uit van OCB’s) aangetoond. Het is aannemelijk dat de verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen het gevolg zijn van het voormalige gebruik als boomgaard. Gezien de

31

afstanden tussen de verontreinigde boringen kan op basis van de momenteel beschikbare gegevens reeds gesteld worden dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m³ sterk verontreinigd).

•

Ter plaatse van boring B51, gelegen naast een opstal op het adres aan het Hoogland 14a is in de geroerde bovengrond tevens een sterke verontreiniging met DDE aangetoond. Op het overige deel van het perceel 199 zijn hoogstens lichte verontreinigingen aangetoond. De verontreiniging is nog niet ingekaderd en derhalve is vooralsnog onbekend of er al dan niet sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

• •

In de ondergrond zijn geen verontreinigingen door de onderzochte parameters aangetoond.

•

Op drie locaties is asbestverdacht materiaal aangetroffen op het maaiveld. In twee gevallen bleek het aangetroffen materiaal asbesthoudend te zijn.

In het grondwater komt een licht tot plaatselijk matig verhoogde concentratie aan barium voor, waarvan aangenomen wordt dat dit een van nature verhoogde achtergrondwaarde betreft. Eenmaal is zink licht verhoogd aangetoond en eenmaal is xylenen licht verhoogd aangetoond. De lichte verontreinigingen geven geen beperkingen voor de voorgenomen herinrichting tot bedrijventerrein.

Verkennend en nader asbestonderzoek en verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek d.d. 14 januari 2019 heeft Amos Milieutechniek een verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek conform NEN 5740 en NTA 5755 en een verkennend en nader onderzoek naar asbest in grond en puin conform NEN 5707 en 5897 (Amos Milieutechniek, 13 december 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7) uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek perceel H518 (deellocatie M) Uit toetsing van de grondmengmonsters die verkregen zijn ter plaatse van het te onderzoeken deel van perceel H518 is gebleken dat de kleiige boven- en ondergrond ten hoogste licht verontreinigd is met de onderzochte parameters. De zandige ondergrond blijkt niet verontreinigd. In het grondwater is enkel een licht verhoogde concentratie aan barium en/of zink aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen komen overeen met de lichte verontreinigingen die over het hele projectgebied zijn aangetoond. Er zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond, waarmee de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik (bedrijventerrein). Aanvullend bodemonderzoek PFAS Uit de toetsingsresultaten blijkt dat vier grondmengmonsters (MM302, MM307, MM311 en MM312) voldoen aan de achtergrondwaarde.

Dit betreft de grond ter plaatse van de voormalige vuilstort, de bovengrond ter plaatse van en rondom perceel H518 en de ondergrond op het midden en noorden van de onderzoekslocatie. Het PFAS gehalte in de overige grondmengmonsters overschrijdt de achtergrondwaarde, maar voldoet aan de maximale toepassingsnorm. Nader onderzoek Deellocaties A, C, H en J Middels het nader bodemonderzoek conform NTA 5755 is vastgesteld dat de eerder aangetoonde sterke verontreinigingen met koper, PAK en OCB’s ter plaatse van de deellocaties A, C, H en J niet reproduceerbaar zijn. De betreffende lagen blijken nu, in overeenstemming met nabijgelegen, geanalyseerde bodemlagen ten hoogste licht verontreinigd met de betreffende parameters. Er bestaat geen vermoeden meer dat in de nabijheid van deze deellocaties een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig zou kunnen zijn. De aangetoonde kwaliteit van de grond ter plaatse is geschikt voor het beoogde gebruik (bedrijventerrein).

32

Deellocatie B De matig met zink en PAK verontreinigde laag ter plaatse van een voormalige watergang achter Hoogland 12 (deellocatie B) blijkt onderdeel uit te maken van een stortlaag. De stortlaag bestaat vrijwel volledig uit stortmateriaal (glas, ijzer, plastic) en bevat nagenoeg geen grond. Op basis hiervan is vastgesteld dat de stortlaag geen onderdeel uitmaakt van de bodem. Uit de analyseresultaten van de boven en onderliggende grondlagen blijkt dat deze ten hoogste licht verontreinigd zijn. Er bestaat geen vermoeden meer dat in de nabijheid van deze deellocatie een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig zou kunnen zijn. De aangetoonde kwaliteit van de grond ter plaatse in geschikt voor het beoogde gebruik (bedrijventerrein). Deellocatie I De matig tot sterke verontreiniging met OCB’s ter plaatse van de voormalige boomgaard op de percelen H795 en H796 (deellocatie I) is middels enkele boringen horizontaal en verticaal ingekaderd. De verontreiniging beperkt zicht tot het terrein van de toenmalige boomgaard. Verkennend asbest in grondonderzoek Hoogland 14 (deellocatie D) Visueel is geen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) op het maaiveld en in de opgegraven grond waargenomen. Analytisch is in de fractie < 20 mm (grondmengmonster AMM113) geen asbest aangetoond boven de detectiegrens.

Nader asbest in grondonderzoek Hoogland 5 (deellocatie K) Visueel is geen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) op het maaiveld en in de opgegraven grond waargenomen. Analytisch is in de fractie < 20 mm (grondmengmonster AMM107) een asbestgehalte van 68 mg/kgds vastgesteld. Met betrekking tot toplaag onder de drup van het asbesthoudende dak ter plaatse van Hoogland 5 (AMM107) kan worden gesteld dat in de bodem een asbestgehalte is aangetoond die de interventiewaarde niet overschrijdt waardoor aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Middels een SEM-analyse is vastgesteld dat er geen respirabele vezels in het monster aanwezig waren. Hoogland 14 (deellocatie E) Op het maaiveld en in de opgegraven grond uit de sleuven rondom de schuur op het voorterrein van Hoogland 14 is asbesthoudend materiaal aangetroffen. In de vier sleuven in de verontreiniging zijn gewogen asbestgehalten boven de interventiewaarde aangetoond. Middels een SEM-analyse is vastgesteld dat er geen respirabele vezels in het monster aanwezig waren. Naar aanleiding van deze resultaten zijn zes inkaderende sleuven gegraven waaruit vier grondmengmonsters zijn samengesteld. Visueel is geen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) op het maaiveld en in de opgegraven grond waargenomen. Analytisch is tevens geen asbest in de grondmengmonsters uit de inkaderende sleuven aangetoond.

Verkennend asbest in puinonderzoek Hoogland 5 (deellocatie K) Een inspectie van het maaiveld bleek niet mogelijk in verband met de aanwezigheid van een asfaltverharding. Visueel is geen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) in het opgegraven puin waargenomen. Analytisch is in de fractie < 20 mm (puinmengmonster AMM108) geen asbest aangetoond boven de detectiegrens. Hoogland 7 (deellocatie L) Visueel is geen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) op het maaiveld en in het opgegraven puin waargenomen. Analytisch is in de fractie < 20 mm (puinmengmonster AMM106) geen asbest aangetoond boven de detectiegrens.

33

Nader asbest in puinonderzoek Hoogland 18 (deellocatie H) Op het maaiveld van de puinverharding ter plaatse van Hoogland 14 zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. In het opgegraven puin uit de sleuven S101, S102 en S104 t/m S106 is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in de grove fractie (> 20 mm). In sleuf S103 is een geringe hoeveelheid asbesthoudend materiaal aangetroffen in de grove fractie (> 20 mm). Uit de toetsingsresultaten blijkt dat in de boven- en onderlaag van de puinverharding geen tot een geringe hoeveelheid asbest is aangetoond. Het aangetoonde gehalte aan asbest in sleuf S103 (AMM102) overschrijdt de interventiewaarde niet. Aanbevelingen OCB verontreiniging percelen H795 en H796 (deellocatie I) Op basis van de resultaten van onderhavig bodemonderzoek is de verontreiniging met OCB’s ter plaatse van perceel H795 en H796 horizontaal en verticaal ingekaderd. De oppervlakte van de verontreiniging betreft ca. 30.000 m² en is aanwezig tot ca. 0,5 à 0,7 m-mv. De totale hoeveelheid matig tot sterk verontreinigde grond betreft hiermee ca. 18.000 m³. De verontreiniging betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging. Asbestverontreiniging Hoogland 14 (deellocatie E) Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek is gebleken dat er ter plaatse van een schuur op het voorterrein van Hoogland 14 sprake is van een verontreiniging met asbest.

De oppervlakte van de verontreiniging betreft ca. 440 m² en is aanwezig tot ca. 0,2 à 0,3 m-mv. De totale hoeveelheid met asbest verontreinigde grond betreft hiermee ca. 110 m³. De verontreiniging betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging. Slootdemping achter Hoogland 12 (deellocatie B) Op basis van de veldwerkzaamheden is vastgesteld dat ter plaatse van de voormalige watergang sprake is van een stortlaag. De stortlaag bestaat voornamelijk uit glas, plastic, ijzer en behoort formeel niet tot de bodem. Geadviseerd wordt om voor de afvoer van de betreffende stortlaag een afnemer te zoeken en vervolgens onder begeleiding van visuele waarnemingen te ontgraven en af te voeren. In dit kader is in overleg met van de Omgevingsdienst regio Utrecht een plan van aanpak opgesteld voor de verwijdering/afvoer van stortmateriaal in de voormalige watergang. PFAS gehalten projectgebied Over het algemeen zijn in de boven en ondergrond binnen het projectgebied licht verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond die in de meeste gevallen de achtergrondwaarde overschrijden. Geen van de geanalyseerde monsters overschrijdt de toepassingsnorm. Op basis van de aangetoonde PFAS gehalten dient alvorens grond van de locatie afgevoerd wordt een partijkeuring plaats te vinden waarmee de aanwezigheid van PFAS wordt onderzocht.

Asbest in puinverharding Hoogland 18 (deellocatie H) Hoewel het gehalte aan asbest de interventiewaarde niet overschrijdt (20,6 mg/kgds), wordt het niet raadzaam geacht om het puin te breken ten behoeve van eventueel hergebruik. Aanvullend bodemonderzoek Amos Milieutechniek heeft een aanvullend bodemonderzoek (Amos Milieutechniek, 29 oktober 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8) uitgevoerd. Dit onderzoek betreft een aanvulling op de eerder uitgevoerde onderzoeken van 14 januari 2019 en 13 december 2019. Ter plaatse van de eerder aangetoonde verontreinigingen (B51, B77, B91) zijn in de nieuw geplaatste boringen (B1003, B1001 en B1002) ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond met de betreffende parameters. Er bestaan geen vermoedens meer dat er sterke verontreinigingen aanwezig zijn. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In het puin ter plaatse van Hoogland 18 is PAK aangetoond. Het aantreffen van PAK in het puin bekrachtigt het vermoeden dat het in 2005 genomen grondmonster verontreinigd is door vermenging van de puinlaag

34

met de onderliggende grond ten tijde van de bemonstering. Op basis hiervan wordt het in 2019 genomen grondmonster, die is verkregen van de onderliggende laag na het verwijderen van puinlaag middels een graafmachine, als representatief voor de laag geacht. Derhalve bestaan er geen vermoedens (meer) dat de onderliggende laag (sterk) verontreinigd is met PAK. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Aanvullend en actualiserend bodemonderzoek Naar aanleiding van de resultaten van de onderzoeken van 14 januari 2019 en 13 december 2019 is een aanvullend en actualiserend bodemonderzoek (Amos Milieutechniek, 8 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9) uitgevoerd. Met deze bodemonderzoeken is een geval van ernstige bodemverontreiniging door OCB’s in de bovengrond aangetoond. Doel van het onderzoek is het gedetailleerder in beeld brengen van de verontreinigingssituatie om zo een betere schatting te kunnen geven van de omvang van de verontreiniging. In vrijwel alle boringen die geplaatst zijn binnen de contouren van de voormalige (in de jaren ’90 aanwezige) boomgaard zijn lichte verontreinigingen met OCB’s aangetoond. De geroerde laag ter plaatse van de boringen B206, B216, B221, B246, B251, B254 en B271 uit het onderzoek van 2021, alsmede de boringen B105, B107/B110, B119/B109, B122 en B123 uit de voorgaande onderzoeken blijkt sterk verontreinigd te zijn.

Rondom de sterke verontreinigingen bevinden zich enkele boringen waarin lichte verontreiniging aanwezig is, echter waarbij de waarden dermate verhoogd zijn dat deze grond niet voor hergebruik elders in aanmerking komt. Uit analyse blijkt dat de aangetoonde sterke verontreinigingen enkel in de geroerde (licht humeuze) kleiige bovengrond aanwezig zijn. De verontreiniging heeft een diffuus heterogeen karakter. De bodemkwaliteitskaart geeft voor de locatie de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ aan. Voor een groot aantal van de boringen geldt dat de analysewaarden voldoen aan deze gewenste kwaliteit. Verdeeld over perceel H 795 zijn 6 ‘vlekken’ te onderscheiden waarbij de milieuhygiënische kwaliteit van de grond niet voldoet aan de gewenste milieuhygiënische kwaliteit. Het totale oppervlak waarover niet-toepasbare grond aanwezig is geschat op ca. 10.600 m². Uitgaande van een gemiddelde dikte van 40 cm, wordt de omvang van de aanwezige 'niet-toepasbare grond’ geschat op ca. 4.250 m³. Raming saneringskosten Binnen het plangebied is sprake van een grondverontreiniging met bestrijdingsmiddelen (OCB) en een erf waar sprake is van een grondverontreiniging met asbest. Daarnaast zijn er twee locaties waar geen sprake is van een bodemverontreiniging, maar waar in het kader van de ontwikkeling wel sanerende maatregelen noodzakelijk zijn.

Dit zijn een voormalige sloot die is gedempt met stortmateriaal en een erf waar een puinverharding is aangebracht en asbest is aangetroffen (20 mg/kg). Er is een kostenraming voor saneringswerkzaamheden ter plaatse van het plangebied opgesteld. De initiatiefnemer heeft deze kostenraming meegenomen in de exploitatie. De saneringskosten vormen geen belemmering voor de economische haalbaarheid van het plan. Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater is met de uitgevoerde onderzoeken in voldoende mate vastgesteld. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Geadviseerd wordt om op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken een saneringsplan op te stellen. Na sanering is de bodem geschikt voor het beoogde gebruik. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect bodem.

35

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' verslechtert. Indien het plan wel 'in betekenende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Planspecifiek Er is een onderzoek luchtkwaliteit (Econsultancy, 16 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 10) uitgevoerd. Met de realisatie van het plan treden verschillende milieueffecten op en is meer inzicht in de luchtkwaliteitseffecten noodzakelijk. De uitbreiding van het bedrijventerrein is niet opgenomen in het NSL. Het effect van het plan op de luchtkwaliteit dient derhalve te worden beoordeeld. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn zowel luchtkwaliteitseffecten ten gevolge van het extra verkeer over de ontsluitende wegen als de activiteiten binnen de inrichtingen op het bedrijventerrein inzichtelijk gemaakt. Voor de toetsing van de luchtkwaliteit voor de toekomstige situatie met peiljaar 2030 zijn op een aantal representatieve locaties langs de wegen en het bedrijventerrein rekenpunten opgenomen. Op de rekenpunten langs de wegvakken en in de nabijheid van het bedrijventerrein vinden beperkte bijdragen plaats en worden geen overschrijdingen van de grenswaarden berekend. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect luchtkwaliteit.

36

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder mogelijk. Er wordt tevens geen geluidgezoneerd industrieterrein of een nieuwe spoorweg mogelijk gemaakt. Er dient wel inzichtelijk gemaakt te worden of de geluidbelasting op woningen in de omgeving toeneemt als gevolg van de toename van de verkeersintensiteit op de N210 en de Baronieweg en de nieuwe wegen op het beoogde bedrijventerrein. Als gevolg van deze nieuwe ontwikkeling zou mogelijk de geluidbelasting ter plaatse van de woningen aan of nabij de Maria Montessoristraat kunnen veranderen en kan er in de meest ongunstigste situatie geluidstechnisch gezien sprake zijn van een reconstructie van de weg. Hiertoe is het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Munsterhuis Geluidsadvies, d.d. 19 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Daarnaast zijn met dit onderzoek de akoestische gevolgen voor de woning aan het Hoogland 7-7a in kaart gebracht.

Ten aanzien van de bestaande woningen gelegen aan of nabij de Maria Montessoristraat blijkt uit het akoestisch onderzoek dat er als gevolg van de toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot bedrijvenpark De Kroon geen sprake is van een reconstructie volgens de Wgh. De geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe infrastructuur op de bestaande woningen aan de Maria Montessoristraat voldoet ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de woning aan het Hoogland 7-7a, die met het voorliggende plan onder het (persoonsgebonden) overgangsrecht worden gebracht, is beoordeeld of het akoestisch woon- en leefklimaat als gevolg van wegverkeer in de toekomst verslechtert. Hiertoe is deze woning beoordeeld in de huidige situatie (2021) en toekomstige situatie (2032). Uit de berekening van de nieuwe ontsluitingsweg van het bedrijventerrein De Kroon blijkt dat de geluidbelasting, inclusief 5 dB aftrek, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximale geluidbelasting bedraagt 50 dB op Hoogland 7a en 49 dB op Hoogland 7. Voor de woning aan het Hoogland 7-7a zijn hogere waarden noodzakelijk van respectievelijk 50 en 49 dB. Uit de berekeningen van de gecumuleerde geluidbelasting, exclusief aftrek, volgt dat in de toekomst de akoestische situatie maximaal 2,7 dB verslechtert op Hoogland 7 en 2,6 dB op de Hoogland 7a als gevolg van de reconstructie.

Het treffen van geluidreducerende bron- en overdrachtsmaatregelen is gezien de tijdelijkheid van de situatie niet doelmatig. Bovendien is bij het bepalen van de geluidbelasting uitgegaan van een worst-case benadering waarbij er nog geen bedrijfspanden op het terrein zijn gerealiseerd. De geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe infrastructuur zal lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde wanneer het bedrijventerrein is ingevuld. Ook de toename van de gecumuleerde geluidbelasting zal in de praktijk lager zijn, of zelfs lager dan in de huidige situatie, door de afschermende werking van toekomstige bebouwing. Gezien de toekomstige invulling van het bedrijventerrein zal het akoestisch woon- en leefklimaat bij de woning aan het Hoogland 7-7a niet verslechteren. Ondanks deze tijdelijke situatie met een hogere geluidbelasting dienen hogere waarden te worden vastgesteld, zodat rechtszekerheid wordt geboden voor de bewoner. De Omgevingsdienst regio Utrecht stelt namens de gemeente het benodigde hogere waardenbesluit op. Het ontwerp hogere waardenbesluit heeft gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegen. Het definitieve besluit zal gelijktijdig met het vastgestelde bestemmingsplan gepubliceerd worden.

37

Omdat een hogere waarde zal worden vastgesteld, zal in een vervolgstadium onderzoek gedaan moeten worden naar het geluidniveau in de woning als gevolg van de nieuwe infrastructuur. Als het geluidniveau hoger is dan 33 dB, dan moeten geluidisolerende gevelmaatregelen worden aangeboden aan de eigenaar. Als de eigenaar deze maatregelen accepteert, moeten de maatregelen vervolgens worden aangebracht. Bij het bepalen van de maatregelen moet rekening gehouden met de gecumuleerde bijdrage van de rijksweg A2 en de provinciale weg N210. In toelichting paragraaf 4.5 is aandacht voor het aspect milieuzonering (industrielawaai). Er dient geconcludeerd te worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan.

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Milieubelastende activiteiten Het voorliggende bestemmingplan maakt milieubelastende activiteiten mogelijk, te weten bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 of 4.1. Derhalve dient beoordeeld te worden of het voorgenomen plan geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving. Om te bepalen op welke plek binnen het plangebied milieubelastende met een bepaalde milieucategorie plaats mogen vinden dient er voldaan te worden aan de richtafstanden volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', waarbij de woningen in de directe omgeving van het plangebied als maatgevend worden gezien. Het plangebied ligt tussen de N210 en de A2. Tevens wordt het plangebied (aan de andere kant van de N210) begrensd door het bedrijventerrein Over Oudland: een grootschalig bedrijventerrein met middelzware

38

en zwaardere bedrijven tot en met milieucategorie 4.2. Gelet op deze ligging is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een 'rustige woonwijk'. Het plangebied kan worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. Hiermee gelden voor het plangebied de richtafstanden inzake een 'gemengd gebied'. De richtafstanden gelden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan mogelijk is. Aan de noordzijde van het plangebied zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 beoogd. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 m tot woningen. Aan de noordzijde van het plangebied is op dit moment de woning aan de Oude Utrechtseweg 1 maatgevend. De woning is op een afstand van ca. 175 m gelegen. Echter dient er tevens rekening te worden gehouden met de geplande woningbouw aan de overzijde van de N210. Het voornemen is om de driehoek tussen de Weg der Verenigde Naties (N210), de Baronieweg en de Parallelweg te herontwikkelen ten behoeve van woningen. Door aan de noordzijde van het plangebied bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toe te staan zal worden voldaan aan de richtafstand van 50 m tot de toekomstige woningen aan de overzijde van de N210. In het midden en aan de zuidzijde van het plangebied zijn bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 beoogd.

Hiervoor geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 100 m tot woningen. In dit geval zijn de woningen aan de Parallelweg 3-5, aan de oostzijde van de rijksweg A2, maatgevend. De woningen liggen op een afstand van ca. 165 m tot de grens van het plangebied. Daarmee wordt er voldaan aan de relevante richtafstand van 100 m en zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de Parallelweg 3-5. Het voorgenomen plan maakt milieubelastende activiteiten mogelijk. Geconcludeerd wordt dat er wordt voldaan aan de relevante richtafstanden en dat het voorgenomen plan geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving vormt. Gevoelige bestemmingen Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen gevoelige bestemmingen mogelijk. Er wordt van uitgegaan dat bestaande woningen in het plangebied op termijn gesloopt zullen worden. Derhalve hoeft formeel gezien niet beoordeeld te worden of er sprake is van hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen door milieubelastende activiteiten in het plangebied en in de omgeving. De woning aan het Hoogland 7-7a behoeft speciale aandacht. Deze woning wordt met het voorliggende bestemmingsplan onder het (persoonsgebonden) overgangsrecht gebracht. De huidige bewoner kan onder de werking van het overgangsrecht in de woning blijven wonen.

Hierover hebben de ontwikkelende partij en de huidige bewoner afspraken gemaakt. De ontwikkelende partij zal zich inspannen voor een geschikte inpassing van de tijdelijke situatie en een acceptabel woon- en leefklimaat bij de vestiging van bedrijven rondom de woning. In de huidige situatie wordt er reeds afbreuk gedaan aan het woon- en leefklimaat bij de woning aan het Hoogland 7-7a. Met name de aanwezigheid van de rijksweg A2, de provinciale weg N210 en het bedrijventerrein Over Oudland is bepalend. Deze functies leiden tot hinder voor wat betreft de aspecten geluid, geur en luchtkwaliteit. De effecten wijzigen niet of in zeer beperkte mate als gevolg van het planvoornemen. Wat wel van invloed kan zijn, is de toekomstige vestiging van bedrijven rondom de betreffende woning. Omdat het niet gewenst wordt geacht om het gebruik van de woning aan het Hoogland 7-7a onbeperkt en/of door een andere persoon voort te kunnen zetten, wordt deze woning onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. Ondanks dat de betreffende woning onder het overgangsrecht wordt gebracht, wordt deze in het voorliggende bestemmingsplan in bepaalde mate beschermd tegen geluidhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten.

In de planregels is opgenomen dat de geluidbelasting (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau) binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - maximale geluidbelasting' op de meest nabijgelegen woning niet meer mag bedragen dan 55 dB(A). De aanduiding is opgenomen ter hoogte van het bestaande woonperceel en binnen een contour van 100 m vanaf dit woonperceel. In aanvulling hierop geldt dat toekomstige bedrijven te allen tijde, ook voor andere aspecten dan geluid, aan het Activiteitenbesluit milieubeheer moet voldoen.

39

Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er ca. 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden.

Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Om die reden is een quickscan flora en fauna (Econsultancy, 13 november 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12) uitgevoerd. Soortenbescherming De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is onderzocht en weergegeven in de onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

40

Overzichtstabel soorten- en gebiedsbescherming (bron: Econsultancy d.d. 13 november 2019)

Door de geplande ingrepen treden mogelijk effecten voor broedvogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen, libellen, dagvlinders en vaatplanten op. Derhalve is er nader onderzoek uitgevoerd naar beschermde soorten (Econsultancy, 17 juni 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 13). Navolgend zijn de belangrijkste resultaten hiervan weergegeven. Buizerd De onderzoekslocatie wordt als secundair foerageergebied gebruikt door buizerd. Dit foerageergebied zal verdwijnen, waardoor de foerageermogelijkheden afnemen. Het gaat hier echter om een marginale afname (tussen 1 en 3%). Deze afname zal geen significante betekenis hebben voor de lokale populaties.

41

Ransuil Op vrijdag 29 januari 2021, dinsdag 4 mei 2021 en donderdag 6 mei 2021 is het onderzoeksgebied, in aanvulling op het nader onderzoek, geïnspecteerd op mogelijke nestlocaties van ransuil (Econsultancy, 31 mei 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 14). Gezien de afwezigheid van waarnemingen van ransuil in (broed)jaar 2021 en het ontbreken van ransuilnestlocaties binnen de onderzoekslocatie en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, wordt niet verwacht dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van een broedterritorium. Zodoende zal het verdwijnen van de onderzoekslocatie als foerageergebied geen significant effect hebben op in de omgeving verblijvende ransuilen. Wel wordt geadviseerd mitigerende maatregelen te treffen om de mogelijke verbindingsfunctie van de onderzoekslocatie te behouden (zie rapportage nader onderzoek). Grondgebonden zoogdieren In de onderzoekslocatie zijn geen streng beschermde zoogdieren aangetroffen. Wel is een migratie-route vastgesteld langs de provinciale weg. Deze migratieroute wordt onder andere gebruikt door reeën, hazen en fazanten. Onderzoek met cameravallen heeft aangetoond dat de onderzoekslocatie leefgebied is voor algemene en licht beschermde zoogdieren, zoals bunzing, spitsmuis, aardmuis en bosmuis. Vleermuizen De onderzoekslocatie doet dienst als foerageergebied voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12533894/1