20230307 t NL IMRO 0353 Hitteschild2en4-Va01
Tekst van het document
4.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
26
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.
Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor
27
dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)
Transport gevaarlijke stoffen Rijksweg A2 is aangewezen als transportroute van toxische stoffen. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 725 m van de A2. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plangebied binnen het invloedsgebied van een toxisch incidentscenario van de A2 is gelegen. Omdat de afstand tot de Rijksweg meer dan 200 meter bedraagt hoeft het groepsrisico niet berekend te worden. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) wordt geborgd dat, ondanks een kleine kans, ook het effect van een ongeval met gevaarlijke stoffen wordt beoordeeld op de punten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bij een dergelijke calamiteit met een giftige gaswolk zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Voor hulpdiensten is de toegang tot het plangebied gegarandeerd middels het Satellietpad en Spoetnikhof.
28
Inrichtingen Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in de nabijheid van het plangebied, op ca. 180 m van het plangebied, buisleidingen zijn gelegen. Het betreft een aardgasleiding, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied is gelegen op voldoende afstand van de aardgasleiding Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
29
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of als gevolg van het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden ca. 28 woningen gerealiseerd De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide.
De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18 μg/m³ PM10, 11 μg/m³ PM2,5 en 21 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2019/179/r, d.d. 5 april 2019,bijlagen bij toelichting bijlage 3) uitgevoerd. Onderstaand de resultaten van het oriënterend onderzoek.
30
Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen gebouwen hebben mogelijk een essentiële betekenis voor vleermuizen in de vorm van vaste rust- en/of verblijfplaatsen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Aanvullend vleermuisonderzoek Op basis van het oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen of een essentieel leefgebied van vleermuizen niet worden uitgesloten. Om de mogelijke negatieve effecten voor vleermuizen in kaart te brengen is in de periode september 2019 – juni 2020 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de te saneren bebouwing op de planlocatie geen essentiële functie heeft voor vleermuizen.
De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen). De sloopwerkzaamheden lijden niet tot overtreding van Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2. Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn geen nesten van vogels aangetroffen binnen het plangebied. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen (indicatief betreft dit de periode 15 maart t/m 15 juli). De te saneren bebouwing is zeer beperkt geschikt voor nestlocaties van algemene broedvogels. Desondanks kan altijd een broedgeval van bijvoorbeeld een duif optreden. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake.
Stikstofdepositie Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van 28 beneden-bovenwoningen ter plaatse van een voormalige basisschool. Stikstofdepositie ten gevolge van dit project kan mogelijk een negatief effect hebben op verschillende Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Om dit inzichtelijk te maken zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd voor de bouwfase en voor de gebruiksfase (Buro SRO, d.d. 22 februari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). De berekening van de bouwfase is uitgevoerd op basis van de uitstoot van de mobiele werktuigen en voertuigbewegingen die tijdens de bouwfase plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van NOx emissie van 49,1 kg/j en een NH3 emissie van 2,0 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er in de nieuwe situatie geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000gebieden zijn. Met de berekening voor de gebruiksfase is de toekomstige situatie in beeld gebracht. De nieuwe woningen worden gasloos uitgevoerd en deze zijn dan ook niet meegenomen in de berekening. Met betrekking tot wegverkeer wordt uitgegaan van een totale verkeersgeneratie van 101 voertuigbewegingen in licht verkeer en 0,56 voertuigbewegingen in zwaar verkeer per etmaal. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van NOx emissie van 9,9 kg/j en een NH3 emissie van <1 kg/j.
Uit de berekening blijkt dat er in de nieuwe situatie geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn.
31
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er zowel voor de bouw- als gebruiksfase geen sprake is van een significante toename van de stikstofdepositie op verschillende rekenpunten: er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000gebieden. Daarmee is geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Het plan is uitvoerbaar wat betreft stikstofdepositie. Conclusie De beoogde sanering van de bebouwing in het plangebied leidt, mits vooraf aan de werkzaamheden enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Tevens is middels een aanvullend vleermuisonderzoek vastgesteld dat de te saneren bebouwing op de planlocatie geen essentiële functie heeft voor vleermuizen. Te treffen maatregelen
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
•
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
4.8 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
32
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) van toepassing. In dit plan geeft het hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:
• • • • •
waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.
Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringenswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Gezond water is voor Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.
Het laatste thema betreft genieten van water. Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan.
33
Keur en uitvoeringsregels In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (2018) staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting. Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Voor oppervlakken tot 500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied gelden algemene regels. Wordt er nieuwe verharding of uitbreiding van bestaande verharding aangebracht boven de gestelde ondergrens (500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied), moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. In de watervergunning worden hierover voorwaarden opgenomen. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is.
Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: 'het standstill beginsel'.
Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. De ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, hebben een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Watergangen Ten noorden van het plangebied is een watergang gelegen die in onderhoud is bij het waterschap. De breedte van de beschermingszone betreft 5 m, de beschermingszone van deze watergang reikt niet tot het plangebied. Ten zuiden van het plangebied is een watergang gelegen waarvoor ook een beschermingszone van 5 m geldt, het plangebied is op voldoende afstand van de watergang gelegen. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de leggerkaart van HDSR.
34
Uitsnede leggerkaart (bron: hdsr.nl)
Verhard oppervlak Een belangrijk deel van het plangebied is in de huidige situatie reeds verhard (bebouwing en verhardingen). In de nieuwe situatie neemt het verharde oppervlak enigszins toe, maar er heeft geen toename aan verharding plaats van meer dan 500 m². Conform de eisen van HDSR hoeft niet voorzien te worden in compensatie door middel van de aanleg van (extra) waterberging. Waterafvoer In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Bezien wordt of dit in de groene zone kan ten oosten van de beoogde nieuwbouw. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
35
4.9 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. In de Erfgoedwet zijn diverse voorgaande wetten, zoals de Monumentenwet 1988 gebundeld. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) uit de Monumentenwet gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van invoering van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Op grond van de Erfgoedwet zijn gemeenten verplicht om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met archeologische waarden. Tevens zijn op basis van de Erfgoedwet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Hiervan dient melding te worden gedaan bij de gemeente. Planspecifiek Archeologie Op basis van de gemeentelijke beleidskaart archeologie is in het plangebied sprake van archeologische waarden met een vrijstellingsregel van 10 ha en 30 cm.
Onderhavig plangebied heeft een oppervlakte van ca. 3.500 m², ver beneden die vrijstellingsgrens. Archeologisch onderzoek is dan ook niet nodig. De mogelijk aanwezige archeologische waarden dienen wel in het op te stellen bestemmingsplan ten behoeve van onderhavige ontwikkeling door middel van een gebiedsaanduiding te worden veiliggesteld. Hierin voorziet de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Voorliggende bestemmingsplan maakt de bouw van een appartementengebouw met 28 appartementen woningen mogelijk. In fysieke zin worden hiermee geen cultuurhistorische kwaliteiten in de omgeving aangetast. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Per 1 juli 2018 is de Gaswet veranderd. Hierdoor krijgen nieuwe gebouwen geen gasaansluiting meer. Dit komt door een verandering van de gasaansluitplicht. De wetswijziging heeft invloed op nieuwe gebouwen waarvan de bouwvergunning is aangevraagd na 30 juni 2018. Deze verandering geldt voor alle kleinverbruikers (max 40 m³ gas/uur), zoals woningen en kleine bedrijfsgebouwen. Energie (EPC) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). BENG vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD.
36
Milieuprestatie Gebouw (MPG) Vanaf 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²). GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Beleidsplan Duurzaamheid In het Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein, Actualisatie Visiedocument IJsselstein Duurzaam (2016) wordt gestreefd naar toekomstbestendige gebouwen waar gekozen is voor duurzaamheid, flexibiliteit, multifunctionaliteit en een goed binnenklimaat (minimaal frisse scholen klasse C).
Gedacht kan worden aan hoge plafonds, meer daglicht, energiezuinige systemen, hogere eisen aan ventilatie, verlichting en isolatie, zo min mogelijk dragende binnenmuren en het makkelijk kunnen splitsen en samenvoegen van ruimtes. Bovendien wordt voor alle nieuwe gebouwen uitgegaan van een score van minimaal GPR = 8. Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht De provincie Utrecht heeft de ambitie dat er jaarlijks 10.000 woningen worden gebouwd, op een duurzame, toekomstbestendige manier. Om deze ambitie te behalen, moet er veel veranderen in de manier waarop er gebouwd wordt, de materialen die worden gebruikt en klimaatadaptief bouwen. Afspraken hierover zijn vastgelegd in het Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht (maart 2022). Planspecifiek Er zal worden voldaan aan de geldende eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De concrete maatregelen die hiervoor worden getroffen zijn nog niet volledig bekend; dit wordt nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunningen. Wel is duidelijk dat met de beoogde ontwikkeling meerdere maatregelen getroffen met betrekking tot duurzaamheid, zoals goede isolatie, duurzaam materiaalgebruik, zonnepanelen op het dak en de ontwikkeling wordt aardgasloos uitgevoerd. tevens worden de uitgangpunten van het Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht al zoveel mogelijk bij de verdere uitwerking van het plan betrokken.
Ook is en wordt aandacht besteed aan klimaatadaptatie en het tegengaan van hittestress. Dat gebeurt in de vorm van de landschappelijke inpassing met het behoud van diverse volwassen bomen en het aanvullen met nieuwe bomen. Tevens wordt het parkeren op eigen terrein zoveel mogelijk uitgegaan van half-open verharding. Ook is het mogelijk om bijvoorbeeld één of meerdere parkeerplekken van laadpalen te voorzien, ter ondersteuning van elektrificatie van het wagenpark. Bij de verdere uitwerking zal ook aandacht besteed worden aan de toe te passen steensoort en kleur, waarbij donkere steensoorten en kleuren uit een oogpunt van klimaatadaptatie/hittestress niet aan te bevelen zijn. Gesteld kan worden dat het initiatief in lijn is met de ambities ten aanzien van duurzaamheid.
4.11 Verkeer en Parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
37
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt Planspecifiek Bestaande situatie Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van IJsselstein. In de bestaande situatie is het plangebied bebouwd met een schoolgebouw. CROW-publicatie 381 geeft hiervoor geen cijfers van de bijbehorende verkeersgeneratie. Binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Noordoost' is het mogelijk ter plaatse een wijkcentrum (klein) te realiseren. Uitgaande van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'sterk stedelijk' bedraagt de maximale verkeersgeneratie van een klein wijkcentrum (gemiddeld) met een oppervlakte van ca. 1.170 m² volgens CROW-publicatie 381 ca. 716 verkeersbewegingen per etmaal. Als uitgegaan wordt van het voormalige gebruik als basisschool, waarbij de verkeersdruk vooral ontstaat door het halen en brengen van kinderen, dan ligt dat cijfer lager, orde grootte zo'n 200-300 motorvoertuigen per etmaal.
Ontwikkeling De autoverkeersontsluiting vindt ook in toekomstige situatie plaats op de Ruimtevaartbaan middels het Satellietpad en Spoetnikhof. Aan de noordzijde van het plangebied worden het Satellietpad en Spoetnikhof middels een eenrichtingsweg met elkaar verbonden. De beoogde situatie betreft de realisatie van 28 beneden-bovenwoningen. Volgens CROW-publicatie 381 geldt hiervoor een verkeersgeneratie van maximaal ca. 101 verkeersbewegingen per etmaal, uitgaande van de norm voor 'huur, appartement, midden/goedkoop'. Ten opzichte van de voormalige situatie is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen per etmaal. Ontsluitingsstructuur Het plangebied wordt ontsloten via het Satellietpad en Spoetnikhof. Deze woonstraten sluiten aan op de buurtverzamelweg Ruimtevaartbaan, die vervolgens aansluit op de wijkverzamelwegen Televisiebaan en De Baan. Satellietpad en Spoetnikhof zijn relatief smalle woonstraten zonderaparte voetgangersvoorzieningen. Dit nodigt uit tot een aangepast verkeersgedrag met een lage snelheid en een hoog attentieniveau. Eventueel gevaar is dus beperkt, ook voor de voetgangers die op de rijbaan moeten lopen. De huidige krappe inrichting maakt het Satellietpad en Spoetnikhof niet geschikt voor de afwikkeling van grote hoeveelheden verkeer.
De grenswaarde voor wegen zonder voetgangersvoorzieningen zijn niet hard vastgelegd in de verkeerskundige handboeken, maar de grens ligt in het algemeen rond 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Op dit moment worden 4 woningen ontsloten via Satellietpad en circa 18 woningen via Spoetnikhof. Uitgaande van de CROW-normen voor 'koop, huis, tussen/hoek', bedraagt de verkeersgeneratie resp. circa 28 en 128 motorvoertuigen per etmaal. De intensiteit ligt zowel met als zonder het onderhavige project ruim onder de algemene grenswaarde voor een prettige menging van auto’s en voetgangers. Gesteld kan worden dat de bestaande infrastructuur in staat is om de verkeersgeneratie te verwerken, temeer ten opzichte van de voormalige (planologische) situatie sprake is van een afname van het aantal verkeersbewegingen per etmaal. Initiatiefnemer en de gemeente zijn daarnaast voornemens om tussen het Satellietpad en Spoetnikhof een eenrichtingssituatie vast te stellen, waarbij vanuit zowel gemeente als ontwikkelaar wordt ingezet op eenrichtingsverkeer in westelijke richting. Dit zal gedaan worden vastgelegd middels een verkeersbesluit op basis van de Wegenverkeerswet. Conclusie Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11.2 Parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het onderzoeken en beschrijven van het effect van een beoogd nieuw project op het parkeren in en rondom het plangebied.
38
Planspecifiek Bestaande situatie Voorheen was er binnen het plangebied een basisschool gevestigd met in totaal 8 leslokalen. De parkeerbehoefte in de bestaande situatie, gebaseerd op het 'Parkeerbeleidsplan IJsselstein' (2006) en uitgaande van de parkeernorm horende bij het gebiedstype 'rest bebouwde kom' en de functie 'basisonderwijs' met 8 leslokalen bedraagt 6,4 parkeerplaatsen. Hierbij werd gebruik gemaakt van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Toekomstige situatie Het 'Parkeerbeleidsplan IJsselstein' van de gemeente IJsselstein bevat de gemeentelijke parkeernormen die aangehouden dienen te worden bij een ontwikkeling. Deze parkeernormen zijn uitgangspunt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. De parkeerbehoefte voor de 28 middenhuurwoningen wordt berekend aan de hand van de parkeernomen horende bij ‘woningen goedkoop’. Conform het parkeerbeleid van de gemeente IJsselstein dient uitgegaan te worden van een parkeernorm van 1,4 - 1,7 parkeerplaatsen per woning. Op basis van eerdere verkenningen door de gemeente IJsselstein mag hier uitgegaan worden van een parkeernorm van 1,4 parkeerplaatsen per woning. In totaal betreft de parkeerbehoefte in dat geval (28 x 1,4 =) 39,2 parkeerplaatsen.
Daarnaast wordt rekening gehouden met correcties ten gevolge van het vervallen van 2 parkeerplaatsen aan het Loenapad en 2 plaatsen aan Spoetnikhof en met het beschikbaar komen van 6,4 parkeerplaatsen die toegekend kunnen worden aan de voormalige school. Daarmee komt de totale behoefte op (39,2 + 2 + 2 - 6,4 =) 36,8 parkeerplaatsen, afgerond 37 parkeerplaatsen. Het voorgenomen plan voorziet in 40 parkeerplaatsen, waarmee voldaan wordt aan de gestelde parkeernormen. Conclusie Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Bezonning Bij bezonning bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat derhalve geen directe wettelijke basis. Wel bestaande er de zogenaamde TNO-normen, met een ‘lichte’ en een ‘strenge’ norm:
• •
De ‘lichte’ TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. De ‘strenge’ TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. De ‘TNO-normen’ geven een richtlijn of er sprake is van voldoende bezonning en of er sprake is van goede bezonning. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer. De norm is echter ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes. Landelijk wordt veelal enkel de lichte norm gehanteerd. Planspecifiek Om de effecten van de beoogde ontwikkeling ten aanzien van bezonning op de omliggende gebouwen in beeld te brengen is een bezonningsstudie opgesteld (INBO, 3 maart 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8). Er is daarbij getoetst of in de geplande bebouwingssituatie wordt voldaan aan de zogeheten 'lichte' TNOnorm, al is deels ook de 'strenge' TNO-norm doorgerekend.
39
In de bezonningsstudie zijn voor de volgende maatgevende dagen de situaties in beeld gebracht:
• • • •
22 december: de dag dat de zon het laagst staat; 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat; 21 maart: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (zomertijd); 23 september: de dat dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd).
De volgende tijdstippen worden gehanteerd: 9.00 uur, 12.00 uur, 15.00 uur, 18.00 uur. Op 21 december is 18.00 uur niet relevant, omdat de zon dan al onder is. In juni is ook 20.00 uur relevant. Voor de standpunten west en zuid is de bezonningsimpact van de nieuwe bebouwing op de omgeving inzichtelijk gemaakt. De bezonningsstudie gaat enkel in op de invloed van het nieuwe gebouw op de bestaande woningen in de directe omgeving. Daarbij is de schaduwwerking van de bestaande omliggende bebouwing onderling buiten beschouwing van de bezonningsstudie gehouden. De posities van kozijn/gevelopening van de bestaande omliggende bebouwing zijn niet opgenomen in het model. Conclusie Uit de bezonningsstudie blijkt dat voor de omliggende woningen sprake blijft van een acceptabele situatie waarbij in ieder geval wordt voldaan aan de 'lichte' TNO-norm. Het aspect bezonning vormt daarmee geen belemmering voor het voorgenomen plan.
40
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
41
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen, waarbij inhoudelijk is aangesloten op de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Noordoost': Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, alsmede toegangspaden en verhardingen ten behoeve van de aangrenzende woningen. Tevens zijn binnen deze bestemming speelvoorzieningen en de bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en verhardingen toegestaan. Verder mag slechts ten dienste van de bestemming worden gebouwd en er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten, zoals lichtmasten, speeltoestellen e.d. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, wandel- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het verkeer. Tevens zijn binnen deze bestemming parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen toegestaan. Verder mag slechts ten dienste van de bestemming worden gebouwd en er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten, zoals lichtmasten, speeltoestellen e.d. Wonen Aan het te realiseren woongebouw is de bestemming 'Wonen' toegekend. Er is een bouwvlak aangeduid, waarbinnen het hoofdgebouw moet worden opgericht.
Voor het hoofdgebouw is middels de aanduiding 'maximum bouwhoogte' een maximale bouwhoogte van 10 m geregeld. Hierbinnen worden ten hoogste drie bouwlagen gerealiseerd. Verder is op de verbeelding middels een aanduiding het aantal wooneenheden per bouwvlak geregeld. Binnen de bestemming 'Wonen' is het mogelijk zowel gestapelde als aaneengebouwde woningen te realiseren. Er mogen geen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak worden gebouwd. Verder gelden de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten. In de Algemene gebruiksregels is een bepaling opgenomen voor het parkeren en voor laden en lossen. Waarde - Archeologie 5 Voor het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. De gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.
42
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek De Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening schrijven voor dat inzicht dient te bestaan in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd vanuit een private exploitatie. De gemeente zal de grond één op één verkopen aan Keystone. Ten behoeve hiervan is tussen beide partijen een ontwikkelingsovereenkomst gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over (onder andere) de kosten van de planontwikkeling. Over de economische uitvoerbaarheid is afgesproken dat de kosten (onder andere voor eventuele planschade, de bestemmingsplanprocedure, sloop en bouwrijp maken) in de verkoopprijs worden verdisconteerd. De economische uitvoerbaarheid wordt derhalve geborgd in de koopovereenkomst.
43
7 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie In het kader van participatie zijn er verschillende informatieavonden voor de omwonenden georganiseerd. Tijdens de informatieavonden zijn de plannen toegelicht en was er de gelegenheid om vragen te stellen.
•
Op 19 februari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders een plan van aanpak en programma vastgesteld en de gemeenteraad per brief van 21 februari 2019 hierover geïnformeerd.
•
Op 8 mei 2019 heeft er een bewonersavond voor omwonenden plaatsgevonden. Er was een opkomst van circa 70 personen. Hierbij zijn maquettes van appartementencomplexen getoond, is de planning besproken en zijn de onderzoeksgebieden getoond. Op 24 april 2019 en op 18 juni 2019 zijn omwonenden per brief geïnformeerd over vervolgstappen en uitkomsten van de bewonersavond. Tevens is hierin uitleg gegeven over de redenen waarom er in afwijking van de visie IJsselveld-Oost gekeken is naar een andere invulling dan eensgezinswoningen.
•
•
Op 10 juli 2019 heeft, mede vanuit de vraag van omwonenden in de eerste bewonersavond, een tweede bewonersavond plaatsgevonden. Hierbij was ook de destijds verantwoordelijk wethouder aanwezig.
•
Op 16 september 2019 zijn omwonenden geïnformeerd via een nieuwsbrief. Hierin is op meerdere punten uitleg gegeven over de gemaakte keuzes onder andere betreffende de typologie.
•
Gemeenteraad heeft op 3 oktober 2019 met inachtname van de wensen van omwonenden voorbereidingskrediet vrijgegeven en ingestemd met de afwijking van de Structuurvisie IJsselveld Oost (uit 2010) om de gewenste appartementenbebouwing mogelijk te maken voor de herontwikkeling van Hitteschild 2 - 4.
•
Op 27 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de ontwikkelstrategie van Inkoop Bureau Midden Nederland (IBMN): '(Her-)Ontwikkeling Hitteschild 24'. De ontwikkelstrategie heeft tot doel om in een selectie te komen tot één marktpartij waarmee de herontwikkeling van Hitteschild 2 - 4 in gezamenlijkheid wordt opgepakt. Uitgegaan wordt van het volgende ontwikkel kader: circa 30 vrije sectorappartementen voor één- en
44
• • •
tweepersoonshuishoudens (jongeren en senioren) met een oppervlakte van 50-70 m² in het middenhuursegment. Over dit programma en het plan van aanpak is de gemeenteraad bij brief van 28 oktober 2020 geïnformeerd. Op 4 december 2020 is een informatieve brief naar omwonenden verstuurd. Hierin is onder andere verwezen naar de nog te doorlopen bestemmingsplanprocedure en de door ontwikkelaar te organiseren bewonersavond. Op 9 december 2020 is de formele aanbestedingsprocedure gestart en op 3 februari 2021 is bekend geworden welke ontwikkelaar verder betrokken is.
•
Op 2 december 2020 hebben omwonden een alternatief plan voor de bouw van 16 grondgebonden woningen opgesteld (zie hieronder).
•
Omwonenden hebben meermaals ingesproken bij de raadscommissie Ruimte, bijvoorbeeld op 15 oktober 2019 en 12 januari 2021. De inbreng op de laatste datum heeft geleid tot de motie van GroenLinks en SDIJ op 18 maart 2021 om met bewoners in gesprek te gaan om te komen tot een nieuw plan of beide plannen aan de raad voor te leggen. Bij behandeling hiervan is het alternatieve plan van omwonenden besproken. Gemeenteraad heeft deze motie verworpen.
•
Op 13 april 2021 is de buurt door ontwikkelaar uitgenodigd voor een online-bijeenkomst om de eerste ruimtelijke verkenning te presenteren. Vanuit de buurt kwam in eerste instantie weerstand tegen de planontwikkeling doordat er sprake was van een appartementengebouw bestaande uit 4 bouwlagen en 30 woningen. Vanuit de buurt kwam de wens qua karakter de uitstraling van eengezinswoningen te realiseren.