CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bestemmingsplan ‘Achtersloot 144 tm 148 in IJsselstein’

Commissie Ruimte 16 september 2025, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 22:00 uur Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Achtersloot 144 t/m 148 in IJsselstein31.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Deze paardenbak ligt op een grotere afstand van de nieuw beoogde woning dan 30 meter. De afstand van de paardenbak tot aan de nieuwe woonbestemming bedraagd circa 50 meter. De afstand tot de nieuw te bouwen woning bedraagt circa 70 meter. Geluid Voor het aspect geluid geldt eveneens een richtafstand van 30 meter. De nieuw te realiseren woning is voorzien op een afstand van 15 meter van de agrarische bestemming. De afstand tot de bestaande bedrijfsontsluiting is meer dan 30 meter. Als gevolg van de bestaande bebouwing aan de noordzijde van het perceel van het agrarische bedrijf en de situering van de tuin aan die zijde volgt logischerwijs dat de bedrijfsactiviteiten veel meer ten oosten en ten zuiden van de nieuw beoogde woning plaatsvinden. De afstand van de woning tot die delen van het agrarische erf waar daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten plaatsvinden is daarmee groter dan 30 meter. Een goed woon- en leefklimaat is daarmee aanwezig. Voor de daadwerkelijke bedrijfsvoering geldt dat met name verkeers- en transportbewegingen geluid produceren. Gedurende de dagperiode mogen deze bedrijfsactiviteiten vergunningstechnisch buiten beschouwing gelaten worden. Daarmee wordt het naastgelegen agrarische bedrijf niet gehinderd in haar bedrijfsvoering. Al met wordt in kader van de belangenafweging de beperking in de daadwerkelijke mogelijkheden op het perceel niet onredelijk geacht.

Overige hinder afkomstig van veehouderijen De veehouderijen kunnen niet alleen hinder veroorzaken op het gebied van geur, maar ook hinder in de vorm van stof, geluid en gevaar. In de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering, editie 2009’ worden voor deze vormen van hinder richtafstanden genoemd. Uit deze publicatie blijkt dat de grootste richtafstand ten gevolge van een (pluim)veehouderij voor stof (50 m), geluid (50 m) en gevaar (10 m) bedraagt. Deze afstand is de richtafstand tot een ‘rustige woonwijk’ of een vergelijkbaar omgevingstype zoals 'rustig buitengebied'. Aan de richtafstand van 50 meter wordt striktgenomen niet voldaan. Van richtafstanden kan gemotiveerd afweken worden (ECLI:NL:RVS:2007:BC0539). Binnen een straal van 50 meter zijn er geen stallen aanwezig, behoudens de stal aan de Achtersloot 142 die nu aangewend wordt voor (stille)opslag. Om overlast van stof te beperken, als gevolg van de uitloop en deze stal, voorziet het inrichtingsplan aan zuidzijde in een groensingel. De westgevel van de beoogde woning moet als gevolg van verkeerslawaai al doof worden uitgevoerd. Daarmee wordt ook eventueel 'industrielawaai' van de westelijk gelegen agrarische bedrijven ondervangen. Voor de zuidgevel geldt dat deze niet doof uitgegevoerd hoeft te worden.

De huidige erfinrichting van het perceel Achtersloot 142 brengt met zich mee dat de emissie van geluid, als gevolg van mobiele werktuigen, veelal afgeschermd wordt door bestaande (woon)bebouwing. Aanvulling in reactie op zienswijze

21

Op verzoek van de gemeente IJsselstein en de Omgevingsdienst Regio Utrecht is verzocht de akoestische situatie nader te beschouwen en daarmee uit te sluiten van het naastgelegen bedrijf in haar bedrijfsvoering wordt gehinderd. Door De Milieuadviseur is daarvoor een akoestisch onderzoek uitgevoegd (De Milieuadviseur, 28 mei 2025). Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuw beoogde woning voldaan kan worden aan de geldende grenswaarden, voorheen Activiteitenbesluit nu omgevingsplan gemeente IJsselstein. Nu voldaan kan worden aan de grenswaarden kan ook geconcludeerd worden dat het naastgelegen bedrijf niet gehinderd wordt in zijn bedrijfsvoering. De Omgevingsdienst regio Utrecht heeft in haar advies van 10 juni 2025 de onderzoeksresultaten van De Milieuadviseur beoordeeld en onderschreven. De Omgevingsdienst concludeert dat de berekende waarden op de gevels van de nieuwe woning ruimschoots voldoen aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit en het Omgevingsplan IJsselstein. Dit betekent dat de naastgelegen veehouderij niet in haar geluidsruimte wordt beperkt. De berekende waarden op de gevels van de nieuwe woning voldoen ook aan de richtwaarden (stap 2) van de VNG-publicatie, omgevingstype gemengd gebied. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat. Achtersloot 65 Aan de Achtersloot 65 is een paardenhouderij en aannemersbedrijf aanwezig.

Beide zijn eigendom van de initiatiefnemer. De paarden aan de achtersloot 65 worden gehouden in de L-vormige bebouwing. De overige bebouwing wordt aangewend voor het aannemersbedrijf, nagenoeg overeenkomstig de aanduiding in het geldende bestemmingsplan. De kortse afstand van de bestaande bedrijfsbebouwing waar paarden worden gehouden is circa 53 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden uitgaande van de bebouwing. Voor dit bedrijf geldt dat de woning aan Achtersloot 148 reeds de maatgevende woning is. Daarmee wordt het bedrijf niet verder gehinderd in zijn bedrijfsvoering als gevolg van de te realiseren woning. Achtersloot 63 Aan de Achtersloot 63 is een rundveebedrijf gevestigd. De stallen van het bedrijf zijn gelegen achter de bestaande boerderij. De afstand van de stallen tot de te realiseren woning is circa 68 meter. Uitgaande van deze bestaande bebouwing wordt voldaan aan de minimaa aan te houden afstand. Het bouwvlak is zo opgenomen in het geldende bestemmingsplan dat bestaande bebouwing direct aan de Achtersloot gesloopt zou moeten worden wil het mogelijk worden dat een schuur aan de Achtersloot wordt opgericht. Dit is geen aannemelijk scenario waarmee uitgegaan kan worden van de feitelijke situatie. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de woning er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Ook kan geconcludeerd worden dat het bestaande agrarische bedrijf aan de Achtersloot 142 niet verder gehinderd wordt in de bedrijfsvoering. Nader onderzoek als gevolg van de ingediende zienswijze Op het ontwerp bestemmingsplan is een zienswijze ingediend. Deze zienswijze is aanleiding geweest om het uitgevoerde geuronderzoek te actualiseren. Voor het nieuwe onderzoek is het advies van de ODRU (8 juli 2024) als uitgangspunt genomen. In het nieuwe onderzoek van de Milieuadviseur (5 december 2024) is geconcludeerd dat de geurbelasting maximimaal 8,5 OUE /m3 bedraagt. Daarnaast wordt in het onderzoek geconcludeerd dat de beoogde bouw van de nieuwe woning geeft gevolgen heeft voor de huidige en toekomstige bedrijfsvoering van de varkenshouderij. Gezien de korte afstand van tot de huidige woningen is er in de huidige situatie geen uitbreidingsruimte in westelijke richting. In de uitgevoerde berekeningen is ook rekening gehouden met de geuremissie van paarden, zoals deze vergund, zijn. Omdat de geurbelasting aanvaardbaar is kan de gemeente IJsselstein een kortere geurafstand dan 50 meter toestaan. Het onderzoek van de Milieuadviseur is getoetst door de ODRU. In het advies van 10 februari 2025 concludeert de ODRU dat het onderzoek akkoord bevonden kan worden en het onderzoek een onderbouwing geeft voor het benodigde maatwerk.

Wel wordt een kanttekening gemaakt bij de conclusie dat de varkenshouderij geen uitbreidingsruimte zou zijn. In optiek van de ODRU is er nog wel (beperkte)

22

uitbreidingsruimte. Daarmee zijn de eventuele effecten van de nieuwbouw van de woning nog minder ingrijpend dat voorzien in het rapport van de Milieuadviseur.

4.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële

23

regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

Transport gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in de nabijheid of in de invloedssfeer van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Inrichtingen Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een propaantank op een afstand van ca. 1,3 km. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de inrichting. Buisleidingen

24

Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

•

scholen;

25

• •

kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of als gevolg van het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt één vrijstaande woning gerealiseerd De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide.

De specifieke concentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18.39 μg/m³ PM10, 11.27 μg/m³ PM2,5 en 17.53 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. De advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarde voor PM 10 maar niet voor PM2,5. Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Gebiedsbescherming

26

Het plangebied is gelegen op een ruime afstand van het Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op grond van de afstand en de omvang van de ontwikkeling zijn significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied uit te sluiten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Uiterwaarden Lek' en is op een afstand van ca. 6,5 km gelegen. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied bedraagt ca. 420 m. Gezien de afstand tot het Natura 2000 gebied zijn negatieve effecten als gevolg van trillingen, licht- of geluidshinder op voorhand uit te sluiten. Negatieve effecten als gevolg van de depositie van stikstof zijn eveneens op voorhand uit te sluiten. Voor zowel de bouw- als gebruiksfase geldt dat de emissie van stikstof dusdanig beperkt is dat gezien de afstand van 6,5 km tot het Natura 2000 gebied er geen berekenbare depositie optreedt. Soortenbescherming In de huidige situatie betreft het plangebied een grasweide met weinig opgaande bomen, struiken of andere opgaande begroeiing. De aanwezige weide wordt intensief gemaaid. Het is dan ook geen geschikte rust- of verblijfplaats voor vleermuizen of gebouwbewonende vogels. Tussentijds is de planlocatie in gebruik geweest als werkterrein voor het Hoogheemraadschap. In die periode is het terrein intensief in gebruik geweest voor opslag en stalling van materieel.

Gesteld kan worden dat het plangebied niet geschikt is voor beschermde soorten van de Wet natuurbescherming. Geconcludeerd wordt dat ook het aspect soortenbescherming geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.8.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn

27

Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

4.8.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:

• • • • •

waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringenswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Gezond water is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het laatste thema betreft genieten van water.

Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Keur en uitvoeringsregels In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (2018) staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen

28

aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting. Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Voor oppervlakken tot 500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied gelden algemene regels. Wordt er nieuwe verharding of uitbreiding van bestaande verharding aangebracht boven de gestelde ondergrens (500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied), moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. In de watervergunning worden hierover voorwaarden opgenomen. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.

4.8.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Op 7 juli 2020 is de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de digitale watertoets blijkt dat het ruimtelijk plan geen groot effect heeft op het water. Op basis van de uitkomsten van de watertoets blijkt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: 'het standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. De ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, hebben een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Watergangen Ten westen van het plangebied is een watergang gelegen die in onderhoud is bij het waterschap.

De breedte van de beschermingszone betreft 5 m, de beschermingszone van deze watergang reikt tot het plangebied, echter zal de toekomstige bebouwing niet binnen de beschermingszone worden gerealiseerd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de leggerkaart van HDSR.

Uitsnede leggerkaart (bron: hdsr.nl)

Verhard oppervlak Een groot deel van het plangebied is in de huidige situatie onverhard. In de toekomstige situatie zal het verharde oppervlak toenemen, maar er vindt geen toename aan verharding plaats van meer dan 1.000 m² voor niet stedelijk gebied. Conform de eisen van HDSR hoeft niet voorzien te worden in compensatie door middel van de aanleg van (extra) waterberging. Waterafvoer

29

Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied noord en zuid' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3. Hiervoor geldt dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, tenzij het een bouwwerk een oppervlakte kleiner dan 100 m² betreft.

Het voorgenomen plan betreft het omzetten van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap en cultuur' naar een woonbestemming en de realisatie van een vrijstaande woning. Het oppervlak van deze woning is groter dan 100 m², derhalve dient een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Door Transect (rapport 2879, 10 juli 2020) is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat van de natuurlijke bodemopbouw weinig intact gebleven is. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de oorspronkelijke oeverafzettingen in het plangebied zijn omgewerkt tot een diepte van circa 65-80 cm -Mv. Tot op deze diepte is in een verstoringslaag (bouwvoor) modern baksteenpuin aangetroffen. Het restant oeverafzettingen onder de verstoringslaag is nog maar 10-50 cm dik. Ook ontbreekt een ontkalkte top evenals een oud bodemniveau hierin. Zodoende is er (nagenoeg) geen sprake meer van intacte oeverafzettingen. Het is niet uitgesloten dat de oeverafzettingen in het plangebied in het verleden afgegraven zijn, maar concrete aanwijzingen hiervoor ontbreken. De resultaten betekenen echter wel dat de kans op nog intacte archeologische resten in de ondergrond van het plangebied klein is. Op basis van het veldonderzoek is zodoende de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek naar laag bij te stellen.

4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen

30

rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Het cultuurhistorische beleid van de gemeente is vastgelegd in de Kadernota Erfgoed (vastgesteld op 4 juli 2012). Planspecifiek Uit paragraaf 3.2 blijkt dat het voorgenomen plan aan de Achtersloot geen negatief effect heeft op de cultuurhistorische waarden van het gebied. In de omgeving zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen ontbreken.

4.11 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Per 1 juli 2018 is de Gaswet veranderd. Hierdoor krijgen nieuwe gebouwen geen gasaansluiting meer. Dit komt door een verandering van de gasaansluitplicht. De wetswijziging heeft invloed op nieuwe gebouwen waarvan de bouwvergunning is aangevraagd na 30 juni 2018. Deze verandering geldt voor alle kleinverbruikers (max 40 m³ gas/uur), zoals woningen en kleine bedrijfsgebouwen. Energie (EPC) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. De energie efficiëntie wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Vanaf 1 januari 2015 geldt voor woningen een wettelijke EPC van 0,4.

Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). BENG vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. Milieuprestatie Gebouw (MPG) Vanaf 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²). GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde.

Beleidsplan Duurzaamheid In het Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein, Actualisatie Visiedocument IJsselstein Duurzaam (2016) wordt gestreefd naar toekomstbestendige gebouwen waar gekozen is voor duurzaamheid, flexibiliteit, multifunctionaliteit en een goed binnenklimaat (minimaal frisse scholen klasse C). Gedacht kan worden aan hoge plafonds, meer daglicht, energiezuinige systemen, hogere eisen aan ventilatie, verlichting en isolatie, zo min mogelijk dragende binnenmuren en het makkelijk kunnen splitsen en samenvoegen van ruimtes. Bovendien wordt voor alle nieuwe gebouwen uitgegaan van een score van minimaal GPR = 8.

31

Planspecifiek Het voorliggende initiatief past volledig binnen de doelstellingen van het Beleidsplan Duurzaamheid. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij dit streven. Qua duurzaamheid zal worden voldaan aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De concrete maatregelen die hiervoor worden getroffen zijn nog niet bekend. Wel is duidelijk dat de ontwikkeling aardgasloos wordt uitgevoerd.

4.12 Verkeer en Parkeren

4.12.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt Planspecifiek In het voorgenomen plan wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. De navolgende tabel geeft de bijbehorende verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de CROW-normering. Hierbij wordt uitgegaan van de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Verder wordt uitgegaan van de categorieën 'buitengebied' en 'sterk stedelijk' Programma Koop, vrijstaand Totaal

Aantal woningen huis,

1

Gemiddelde verkeersgeneratie per woning 8,2

Totale verkeersgeneratie 8,2

1

-

8,2

Uit de tabel volgt dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie gemiddeld 8,2 etmaal bedraagt. De bestaande infrastructuur is in staat om deze verkeersgeneratie te verwerken. Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12.2 Parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het onderzoeken en beschrijven van het effect van een beoogd nieuw project op het parkeren in en rondom het plangebied. Hierbij hanteert de gemeente IJsselstein het 'Parkeerbeleidsplan IJsselstein' (2006), zoals ook vastgelegd in het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen IJsselstein' (2018). Planspecifiek Het 'Parkeerbeleidsplan IJsselstein' van de gemeente IJsselstein bevat de gemeentelijke parkeernormen die aangehouden dienen te worden bij een ontwikkeling. Deze parkeernormen zijn uitgangspunt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. De parkeerbehoefte voor de vrijstaande woning wordt berekend aan de hand van de parkeernomen horende

32

bij 'woning duur', hiervoor geldt een parkeernorm van, gemiddeld, 2,0 parkeerplaatsen per woning. Het beoogde initiatief voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

33

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

34

• •

Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen, waarbij inhoudelijk is aangesloten op de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied noord en zuid': Wonen Het perceel ten zuiden van de Achtersloot 144 te IJsselstein is bestemd als Wonen. Binnen de bestemming Wonen zijn naast wonen de volgende functies toegestaan: niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, parkeren op eigen erf, hobbymatige agrarische activiteiten met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, met uitzondering van kelders die ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Op de verbeelding is de maximum goot- en bouwhoogte weergegeven. Waarde - Archeologie 3 Voor het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. De gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.

35

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Dit bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er wordt immers een appartementengebouw gebouwd. De gemeente heeft ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten met de initiatiefnemer. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor economisch uitvoerbaar.

36

7 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen. Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverleg In het kader van de ter inzage legging van het ontwerp is ook het wettelijk vooroverleg gevoerd. In het kader van het vooroverleg zijn geen reacties ontvangen.

7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijzen is samengevat en voorzien van een inhoudelijke beantwoording in de Nota beantwoording zienswijzen en wijziging. Als gevolg van de ingediende zienswijze is een hernieuwd geuronderzoek opgesteld. Uit dit onderzoek blijkt dat de nieuwe woning niet leidt tot een belemmering voor het nabij gelegen agrarische bedrijf.

37

bestemmingsplan

Achtersloot 144 t/m 148 in IJsselstein Gemeente IJsselstein

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0353.Asloot144tm148-VA01

Datum:

18 augustus 2025

Contactpersoon Buro SRO:

J.J. van Nuland

Kenmerk Buro SRO:

SR180098

Opdrachtgever:

SG aannemersbedrijf

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 6 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 6 1.1 plan ................................................................................................................................................................. 6 1.2 bestemmingsplan ........................................................................................................................................... 6 1.3 aanbouw ......................................................................................................................................................... 6 1.4 aanduiding ...................................................................................................................................................... 6 1.5 aanduidingsgrens ........................................................................................................................................... 6 1.6 aanduidingsvlak ..............................................................................................................................................

6 1.7 ander-werk ..................................................................................................................................................... 6 1.8 bebouwing ...................................................................................................................................................... 6 1.9 bestaand ......................................................................................................................................................... 6 1.10 bestemmingsgrens ....................................................................................................................................... 7 1.11 bestemmingsvlak .......................................................................................................................................... 7 1.12 bijgebouw ..................................................................................................................................................... 7 1.13 bouwen ........................................................................................................................................................ 7 1.14 bouwlaag ......................................................................................................................................................

7 1.15 bouwperceel ................................................................................................................................................. 7 1.16 bouwperceelgrens ........................................................................................................................................ 7 1.17 bouwvlak ...................................................................................................................................................... 7 1.18 bouwwerk..................................................................................................................................................... 7 1.19 detailhandel.................................................................................................................................................. 7 1.20 dienstverlening ............................................................................................................................................. 8 1.21 dove gevel .................................................................................................................................................... 8 1.22 erf .................................................................................................................................................................

8 1.23 gebouw ......................................................................................................................................................... 8 1.24 gebruiken ..................................................................................................................................................... 8 1.25 hoofdgebouw ............................................................................................................................................... 8 1.26 horeca........................................................................................................................................................... 8 1.27 kelder............................................................................................................................................................ 8 1.28 peil ................................................................................................................................................................ 8 1.29 seksinrichting................................................................................................................................................ 9 1.30 uitbouw ........................................................................................................................................................

9 1.31 uitvoeren ...................................................................................................................................................... 9 1.32 vloeroppervlak.............................................................................................................................................. 9 1.33 voorgevel ...................................................................................................................................................... 9 1.34 zijerf.............................................................................................................................................................. 9 Artikel 2 Wijze van meten ......................................................................................................................................... 9 2.1 afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens ............................................................................................... 9 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk .................................................................................................................... 9 2.3 dakhelling .....................................................................................................................................................

10 2.4 goothoogte van een bouwwerk ................................................................................................................... 10 2.5 horizontale diepte van een gebouw ............................................................................................................. 10 2.6 inhoud van een bouwwerk ........................................................................................................................... 10 2.7 oppervlakte van een bouwwerk ................................................................................................................... 10 2.8 ondergeschikte bouwonderdelen ................................................................................................................ 10 2.9 verticale diepte............................................................................................................................................. 10

2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................... 11

3

Artikel 3 Wonen ...................................................................................................................................................... 11 3.1 Bestemmingsomschrijving ............................................................................................................................ 11 3.2 Bouwregels ................................................................................................................................................... 11 3.2.1 Hoofdgebouwen ........................................................................................................................................ 11 3.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ...........................................................................11 3.2.3 Kelders ....................................................................................................................................................... 11 3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ....................................................................................................... 11 3.2.5 Voorwaardelijke verplichting dove gevel ..................................................................................................

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15891220/1