CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bestemmingsplan ‘Achtersloot 144 tm 148 in IJsselstein’

Commissie Ruimte 16 september 2025, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 22:00 uur Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Achtersloot 144 t/m 148 in IJsselstein31.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

bestemmingsplan

Achtersloot 144 t/m 148 in IJsselstein Gemeente IJsselstein

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0353.Asloot144tm148-VA01

Datum:

18 augustus 2025

Contactpersoon Buro SRO:

J.J. van Nuland

Kenmerk Buro SRO:

SR180098

Opdrachtgever:

SG aannemersbedrijf

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 7

3 Beleid ....................................................................................................................................................... 9 3.1 Rijksbeleid ........................................................................................................................................................... 9 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 10 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 12

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 15 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 15 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 16 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 17 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 18 4.5 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 23 4.6 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

26 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 27 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 30 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 30 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 31 4.12 Verkeer en Parkeren ....................................................................................................................................... 32

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 34 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 34 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 34 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 34 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 34 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 35

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 36 7 Maatschappelijk uitvoerbaarheid ......................................................................................................... 37 7.1 Algemeen. ......................................................................................................................................................... 37 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 37 7.3 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 37

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op de planlocatie Achtersloot 144 in IJsselstein een vrijstaande woning te realiseren. Op dit moment is er één vrijstaande woning gesitueerd binnen de plangrens. Het planvoornemen betreft het toevoegen van een vrijstaande woning ten noorden van de vrijstaande woning aan de Achtersloot 144. Conform het voormalige bestemmingsplan was er sprake van een bouwmogelijkheid voor de realisatie van drie woningen aan de Achtersloot 144 t/m 148. Voorheen waren hier dan ook drie woningen gesitueerd. In het verleden zijn twee woningen, met toestemming van de gemeente IJsselstein, samengevoegd waardoor de mogelijkheid ontstond voor de realisatie van een derde woning. Doordat in het geldende bestemmingsplan 'Landelijke gebied noord en zuid', vastgesteld op 17 december 2015, de feitelijke situatie is vastgelegd is deze bouwmogelijkheid komen te vervallen. In overleg met de gemeente IJsselstein is besloten dus bouwmogelijkheid alsnog mogelijk te maken. Op 25 september 2018 heeft het college besloten in principe mederwerking te verlenen, in het verlengde van een eerdere toezegging aan de raad, om medewerking te verlenen aan een extra woning op deze locatie. Op dit moment is het plangebied voorzien van de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden Landschap en cultuur'.

Doordat binnen de bestemming 'Wonen' hooguit 2 woningen zijn toegestaan en de toekomstige woning deels binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap en cultuur' wordt gesitueerd is de beoogde ontwikkeling in strijd met het geldende bestemmingsplan. Derhalve dient er een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden, een zogenaamd postzegelbestemmingsplan, waarbij de voormalige bouwmogelijkheden van drie woningen alsnog mogelijk wordt gemaakt. Het voorliggend bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat het voorgenomen plan mogelijk maakt.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Achtersloot in het buitengebied van de gemeente IJsselstein. Het plangebied is gelegen binnen het kadastrale perceelnummer 559, sectie G en heeft een oppervlakte van ca. 2.000 m². De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging

plangebied

(plangebied

rood

omcirkeld,

bron:

ruimtelijkeplannen.nl)

Globale begrenzing plangebied (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Landelijk gebied noord en zuid', vastgesteld op 17 december 2015. Voorts geldt het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen IJsselstein', vastgesteld op 8 november 2018. De navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer.

5

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Landelijk gebied noord en zuid' plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen het plangebied gelden de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden - Landschap en cultuur'. Binnen de bestemming 'Wonen' dienen hoofdgebouwen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, waarbij per bouwvlak ten hoogste één woning is toegestaan. Indien de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is opgenomen, geldt het aangegeven aantal. Voor de planlocatie geldt een maximum aantal wooneenheden van twee. Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap en cultuur' zijn veehouderijen en hooguit bedrijfswoningen toegestaan, indien binnen de bestemming een bouwvlak is opgenomen. Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Omdat de beoogde ontwikkeling niet past binnen de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden Landschap en cultuur' is de ontwikkeling in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om het voorgenomen plan mogelijk te maken wordt het gehele plangebied voorzien van de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 1'. Verder zal de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 3' worden overgenomen.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

6

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De planlocatie ligt in het buitengebied van IJsselstein aan het bebouwingslint en het buurtschap Achtersloot. Naast de Achtersloot als bebouwingslint geldt de Hollandsche IJssel ten oosten van de planlocatie als bepalend landschapsstructuur in de directe omgeving van het plangebied. Het landschap ten westen van het bebouwingslint bestaat uit veenweidegebied en komgronden. Dit landschap is zeer open en kenmerkt zich door lange, rechtlijnige kavels met kavelsloten op korte, regelmatige afstand van elkaar. Ten oosten van het bebouwingslint is er sprake van een stroomrug en kenmerkt de verkaveling zich als blokvormige kavels van wisselende omvang en afwisselend ingevuld als agrarisch perceel of weide. Hier worden de open kavels afgebakend door erfbeplanting en door de opgaande beplanting aan de oevers van de Hollandsche IJssel. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied aan het bebouwingslint en het buurtschap Achtersloot.

Ligging van het plangebied aan het bebouwingslint de Achtersloot (bron: Buro SRO)

Aan de Achtersloot zijn bebouwde percelen op wisselende afstand van elkaar gelegen. Tussen de percelen door is er zowel richting het westen als het oosten doorzicht op het landschap. De lintbebouwing is zeer afwisselend, zowel in korrelgrootte, kaprichting, kapvorm, rooilijn en onderlinge afstand. De bouwhoogte bedraagt doorgaans één bouwlaag met daarop een kap. Vaak is de korte zijde naar het lint gericht. Door de ligging van planlocatie in de kern van buurtschap Achtersloot verdicht de bebouwing zich in de omgeving van de planlocatie. Buurtschap Achtersloot is van oudsher een bebouwingsconcentratie in het open landschap op afstand van de kern IJsselstein. In de kern van dit buurtschap bevindt de bebouwing zich dichter op elkaar dan elders aan de Achtersloot. Woningen, boerderijen en grotere bouwvolumes zoals loodsen en stallen wisselen elkaar af. In de directe omgeving van de planlocatie zijn er veel van dit soort grotere volumes aanwezig. Doorzichten naar het open landschap zijn hier niet of nauwelijks aanwezig. Het plangebied is gelegen aan de Achtersloot 144. Op dit moment zijn hier een vrijstaande woning gelegen met een eigen oprit. Achter op het perceel is een rommelig opslagterrein gelegen. Grenzend aan de zuid- en westzijde van de planlocatie zijn aan de Achtersloot 142 en Achtersloot 63 t/m 67 agrarische bedrijven gevestigd.

Ten noorden van de planlocatie is een burgerwoning gelegen.

2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens een vrijstaande woning ten noorden van de vrijstaande woning aan de Achtersloot 144 te realiseren. De vrijstaande woning zal wat betreft bouwmassa en vormgeving aangesloten worden op de omliggende woningen. De beoogde woning heeft een grondoppervlakte van ca. 110 m². Onderstaande tekening toont de situatietekening van de toekomstige situatie.

Situatietekening beoogde situatie (bron: Buro SRO)

De beoogde woning is met de korte zijde naar het bebouwingslint aan de Achtersloot gericht nabij de bestaande inrit van de woning aan de Achtersloot 144. Deze inrit blijft behouden en zal door

7

beide woningen als ontsluitingsweg gebruikt worden in de toekomstige situatie. Door de woning met de korte zijde naar de Achtersloot te oriënteren is het mogelijk een afscheiding te realiseren tussen de aangrenzende varkenshouderij in de vorm van een boomgaard. Het terrein dat nu dienst doet als opslagterrein komt ten goede aan de achtertuin van de nieuwe woning en zal een groene omkadering krijgen. Hierdoor is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Onderstaande afbeelding toont een impressie van de toekomstige situatie.

Impressie beoogde situatie (bron: Buro SRO)

Landschappelijk inpassing Met deze voorgestelde indeling is de nieuwe woning goed landschappelijk in te passen. Het behoud van een gedeelte van de bestaande boomgaard en het verwijderen van het achterliggende opslagterrein komt de omgeving ten goede. Onderstaande inpassingen worden voorgesteld bij deze ontwikkeling:

• • • • • • • • • •

Een dubbele rij van de bestaande hoogstamboomgaard aan de straatzijde blijft behouden, dit zorgt voor het behoud van het groene karakter en fungeert tevens als een groene buffer naar het naastgelegen perceel. De bestaande hoogstamboomgaard wordt uitgebreid tot aan de perceelsgrens aan de oostzijde, hiermee wordt de achterliggende paarden- en varkensstal aan het zicht onttrokken. De woning en tuin worden aan de voorzijde omzoomd door een lage haag circa 1,20 m hoog zodat de geparkeerde auto’s gedeeltelijk uit het zicht komen te staan en ingepast worden in het groen. Het achterterrein dat nu in gebruik is als opslag voor agrarisch materiaal wordt gesaneerd en in gebruik genomen als tuin zodat het beeld vanaf de openbare weg verbetert. Met het opschonen van het achterliggende opslagterrein wordt er een oppervlakte van ca. 350 m² stelconplaten verwijderd en vervangen door groen wat de waterhuishouding ten goede komt. Het gedeelte van de kavel dat achter de nieuwe en bestaande woning ligt wordt ingericht als (bloemen)weide die natuurvriendelijk beheerd wordt. Dit komt de biodiversiteit ten goede en hiermee wordt de openheid van dit gedeelte van de kavel behouden. Een nieuwe brede houtwal op de erfgrens aan de zuidzijde benadrukt de verkavelingsrichting.

Nieuwe groene erfafscheiding tussen de achtertuinen en het weidegebied wordt beplant met menging van streekeigen heesters die samen een brede houtwal vormen. De toegepaste beplanting (heesters en bomen) moet streekeigen zijn. De nieuwe haag bestaat bijvoorbeeld uit Liguster, Haagbeuk of Meidoorn deze beplanting zorgt voor meer (bio)diversiteit op het perceel. De verhardingsmaterialen die gebruikt gaan worden moeten passend zijn in de omgeving. Zo kan de bestaande oprit die bestaat uit grind behouden blijven, of naar wens aangepast worden met klinkerbestrating.

Bovenstaande uitgangspunten zijn vastgelegd in een inrichtingsplan/beeldkwaliteitsplan. Het inrichtingsplan is via een voorwaardelijke verplichting gekoppeld. De aspecten voor wat betreft beeldkwaliteit worden geborgd door het inrichtingsplan/beeldkwaliteitsplan, zoals deze opgenomen is als bijlage 2 bij de planregels, ook de status te geven van een aanvulling op de gemeentelijke welstandsnota. Op deze wijze kan een daadwerkelijke bouwaanvraag ook getoetst worden aan de uitgangspunten omtrent beeldkwaliteit. Parkeren en ontsluiting Binnen de plangrens worden twee extra parkeerplaatsen toegevoegd ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Verder zal de ontsluiting plaatsvinden via de bestaande oprit op de Achtersloot.

8

3 Beleid 3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met het Rijksbeleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Planspecifiek Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de

9

nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning en is daarmee niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 1 januari 2024 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

Waarin Stad en land gezond zijn; Die Klimaatbestendig en water robuust is; Waarin Duurzame energie een plek heeft; Met Vitale steden en dorpen; Die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; Met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; Die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Kernwoorden hierbij zijn slim combineren en combineren. Daarnaast gaat het om samenwerking, aangezien de provincie de vraagstukken waar de provincie voor staat niet alleen kan oplossen. Het betreft

10

samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek Het voorgenomen initiatief ziet op de realisatie van een woning waarvan de bouwrechten, per abuis, zijn wegbestemd. De locatie bevindt zich midden in een buurtschap en aan een bebouwingslint waardoor de ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie. De omgevingsvisie laat, beperkt, verstedelijking binnen boerderijlinten toe. Bovendien is sprake van het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit doordat een rommelig opslagterrein wordt herontwikkeld ten behoeve van één vrijstaande woning. Het plan sluit aan bij het thema 'vitale steden en dorpen'. Er kan geconcludeerd worden dat het initiatief niet in strijd is met de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Provincie Utrecht. 3.2.2 Omgevingsverordening provincie Utrecht In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden.

De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie.

De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere keer zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te stimuleren. Planspecifiek De planlocatie is gelegen binnen het landelijk gebied. Voor het landelijk geldt in principe een verstedelijkingsverbod. De uitzonderingen hierop zijn opgenomen in artikel 9.5 tot en met artikel 9.13. Voor de onderhavige opgave wordt een beroep gedaan op atikel 9.7. In dit artikel is bepaald dat een bestemmingsplan regels kan bevatten waarmee in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b. c.

gelijktijdig met de verstedelijking wordt de omgevingskwaliteit verhoogd; bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten; en belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast.

Onderhavig plan voldoet aan deze criteria. Gezien de ligging van het plangebied en de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente IJsselstein ambtelijk vooroverleg gehad met de provincie Utrecht. Op 4 maart 2019 is door de provincie Utrecht aangegeven dat zij in kunnen stemmen met de voorgenomen planontwikkeling. Om de ruimtelijke kwaliteit te borgen is voor de ontwikkeling aanvullend een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

11

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie De gemeente IJsselstein heeft op 16 november 2021 de Omgevingsvisie IJsselstein vastgesteld, waarin de gemeente tot een integrale ontwikkelingsrichting is gekomen voor de periode tot 2030 en verder. De identiteit en kwaliteiten van de gemeente worden benoemd en hoe er wordt ingezet op het behouden verbeteren hiervan middels nieuwe ontwikkelingen. De omgevingsvisie is bedoeld om richting te geven en is een uitnodiging om bij te dragen aan het behoud en de verbetering van de omgeving. De identiteit en de kernkwaliteiten van de gemeente IJsselstein zijn als volgt samengevat in de omgevingsvisie:

• • • • •

Gezellig en gastvrij Sociaal en saamhorig Open en groen Historisch en authentiek Eigenwijs en actief

Daarnaast is er een onderscheid gemaakt tussen zes deelgebieden in de gemeente met ieder een eigen karakter, kwaliteiten en ontwikkelrichtingen. In de deelgebieden spelen verschillende opgaven die zijn gekoppeld aan acht sectorale beleidsthema's. De gemeente zet in op initiatieven die passen bij de koers per deelgebied, waarbij wordt stilgestaan bij de ambitiebepaling op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid. Onderhavige ontwikkeling ligt in het deelgebied Noordwest buitengebied/buitengebied Hollandsche IJssel. IJsselstein is een compacte stad met een authentiek karakter, met korte verbindingen naar de binnenstad en veel groene ruimte in het buitengebied. Het buitengebied Hollandsche IJssel ligt ten oosten van de weg Achtersloot en ten noorden van het stedelijk gebied. Het gebied loopt door tot de gemeentegrenzen met Utrecht (Rijnenburg) Montfoort. Dit betreft met name het rivieren- en uiterwaardenlandschap rond de Noord-IJsseldijk, Agrarische bedrijven (bouwpercelen) zijn in dit gebied nog beperkt aanwezig. Dit gebied is voor recreatie en natuur steeds belangrijker geworden voor bewoners van IJsselstein en Utrecht (en onderdeel van het programma Recreatie om de stad Utrecht). Er worden de laatste jaren steeds meer recreatieve en natuurfuncties ingepast die vragen om een andere landschappelijke inrichting, zoals het IJsselsteinse bos en de jachthaven.

Voor dit deelgebied heeft de gemeente als belangrijk aandachtspunt bij ontwikkelingen de balans tussen de nieuwe functies en de bestaande functies. Het landelijk gebied van IJsselstein is waardevol, zowel voor landschap als natuur. De natuurwaarden zijn met name gekoppeld aan de Hollandsche IJssel. Hier omheen liggen verschillende waardevolle natuurgebieden die de gemeente graag wil behouden en waar mogelijk versterken. De gemeente faciliteert hier graag initiatieven om natuur- en landschapswaarden te versterken. De gemeente streeft naar het realiseren van een gezond en veerkrachtig watersysteem met het oog op een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Dit uiteraard binnen de mogelijkheden van een duurzaam watersysteem, een duurzame waterketen en overige aanpalende beleidsterreinen. Planspecifiek Voorliggend plan heeft betrekking op een locatie buiten de rode contour, maar waar wel binnen buurtschap Achtersloot. Buurtschap Achtersloot is van oudsher een bebouwingsconcentratie in het open landschap op afstand van de kern IJsselstein. Hierdoor is met het voorgenomen plan geen sprake van aantasting van het groene buitengebied rondom IJsselstein. Het voorgenomen plan betreft het toevoegen van één vrijstaande woning binnen buurtschap Achtersloot, waar op dit moment al sprake is van een bebouwingsconcentratie.

In de omgevingsvisie is opgenomen dat langs linten beperkte uitbreiding onderzocht kan worden. Voorliggend initiatief sluit hier op aan.

12

3.3.2 Visie landelijk gebied De gemeente IJsselstein heeft in juli 2013 haar bestemmingsplan Landelijk Gebied (Noord en Zuid) geactualiseerd. Dit bestemmingsplan sluit niet meer aan op de feitelijke situatie Dit veroorzaakte onrust, zowel bij de gemeentelijke organisatie als bij bewoners en ondernemers van het landelijk gebied. Daarom heeft de gemeente ertoe besloten om in 2017 een visietraject op te starten voor het landelijk gebied. In 2019 heeft de raad van de gemeente IJsselstein de 'Visie landelijk gebied' vastgesteld. In de 'Visie Landelijk Gebied' is aangegeven hoe omgegaan wordt met het landelijke gebied. Met name wordt aangeven hoe ruimte geboden wordt in het buitengebied voor nieuwe ontwikkelingen. Daarvoor biedt de visie ruimte onder de voorwaarde van ‘per saldo kwaliteitswinst’. Daarbij worden die kwaliteiten centraal gesteld. Planspecifiek De visie doet geen uitspraken over de toevoeging van een extra woning anders dan in het kader van een tweede bedrijfswoning of ruimte-voor-ruimte. Vanuit de gemeente is gekozen voor ‘kwaliteit centraal’ daarvoor is gekozen voor een ordeningsprincipe op basis waarvan vormen van gebruik in het buitengebied op een nieuwe wijze afgewogen kunnen worden en de blokkades voor innovatie die voortvloeien uit de traditionele scheiding van ‘stedelijke functies’ en ‘buitengebied functies’.

Hiervoor worden de navolgende principes gehanteerd: a. b. c. d. e. f.

gebiedsindeling met functionele accenten; zonering dynamiek-luwte-rust; behoud van de balans; bijdragen aan de kwaliteit van het landschap; invloed op de kwaliteit van de leefomgeving; invloed op de omgeving;

In de planuitwerking zijn deze principes als vertrekpunt genomen. 3.3.3 Welstandsnota IJsselstein De Welstandsnota 2013 is op 19 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein. Op grond van deze nota is het plangebied gelegen binnen welstandsgebied 'Linten'. Linten De oorspronkelijke ontginningswegen, de bebouwingslinten, vormen herkenbare en gewaardeerde structuren binnen de stad en het buitengebied. De welstandseisen die voor bebouwing in de linten gelden zijn daarom vrij uitgebreid en gelden voor zowel boerderijen als woningen. Elk bouwplan in de linten in het buitengebied wordt getoetst door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit aan de hand van de in de nota opgenomen gebiedsgerichte criteria. Voor het initiatief zijn onder andere de volgende criteria relevant:

• • • • • • • • •

Alle bebouwing op een perceel dient zorgvuldig op elkaar afgestemd te zijn, waarbij het functionele onderscheid tussen het hoofdgebouw en de bijgebouwen zichtbaar blijft. Rooilijn volgt de weg en verspringt. Woningen worden zoveel mogelijk in lijn met de bestaande lintbebouwing gesitueerd. • Woning is gesitueerd vóór de bijgebouwen en schuren. • Eenvoudige rechthoekige hoofdvormen onder een eenduidige kap. • Bebouwing mag zicht op het erf of aangrenzende (buiten)gebied niet ontnemen • Toevoegingen aan het hoofdvolume hebben vormverwantschap met het hoofdvolume en hebben een ondergeschikt karakter. • Op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn met de architectuur van het geheel. • • Woningen: kapvorm is een zadeldak, haaks op de weg. Bij (kleinere) individuele woningen (van oorsprong geen boerderij) zijn andere dakvormen en een kaprichting parallel aan de wegrichting ook mogelijk, mits passend in het straatbeeld. • Bij een toevoeging aan het dakvlak blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar; de randen van de bestaande dakvlakken blijven gehandhaafd. •

13

• •

De woning is georiënteerd op de weg. Alle naar openbare ruimte gerichte gevels worden als voorgevels gezien. Gevels bestaan uit één stuk. Gevelindeling en –opbouw evenwichtig en samenhangend.

Planspecifiek Voorliggend plan voor een nieuwe woning sluit met de positionering en maatvoering (één laag met een kap) aan op de karakteristieken van de omgeving. Verder zal met het kleur- en materiaalgebruik rekening worden gehouden met de criteria uit de welstandsnota. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal het plan getoetst worden aan de hand van de welstandscriteria.

3.3.4 Woonvisie IJsselstein 2019 - 2030 De gemeenteraad van de gemeente IJsselstein heeft de Woonvisie 2019 - 2030 vastgesteld op 4 juli 2019. In de Woonvisie 2019 - 2030 legt de gemeente IJsselstein de prioriteiten van het lokale woonbeleid voor de komende jaren vast. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen op de woningmarkt. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna richting 2030. De doelen uit de woonvisie zijn uitgewerkt in een vijftal pijlers:

• • • • •

Evenwichtige bevolkingsopbouw vraagt extra groei; Gevarieerde en bereikbare woonmilieus; Voorkomen verdringing kwetsbare groepen op de woningmarkt; Toekomstbestendige en duurzame wijken; Langer thuis wonen ondersteunen.

Om invulling te geven aan de hierboven genoemde pijlers zijn de doelen uitgewerkt naar beleid. Dit is door de gemeente IJsselstein gedaan aan de hand van een aantal thema’s waarop beleidssturing mogelijk is. De drie thema’s zijn:

• • •

Passend kwalitatief woningbouwprogramma; Aanpak bestaande woningvoorraad; Aanpak voor langer zelfstandig wonen.

Tot 2030 heeft de gemeente IJsselstein het streven minimaal 2.500 woningen te realiseren, waarbij binnenstedelijk nog ruimte is voor de realisatie van maximaal 800 woningen. Bij nieuwbouw dient sprake te zijn van voldoende variatie in koop- en huurwoningen en een diversiteit aan woonmilieus waarbij ook ruimte wordt geboden voor de realisatie van woningen in het midden- en hoog segment. Om te voorzien in de behoefte aan sociale huur moet minimaal 30% van de nieuwbouw in de sociale huur plaatsvinden. Planspecifiek Met de voorliggende ontwikkeling wordt een beperkte bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave van de gemeente IJsselstein, die zich de komende jaren geconfronteerd ziet met een sterke vraag naar nieuwe en diverse woningtypen. Het plan voorziet in de bouw van één woning. Daarmee wordt een bescheide bijdrage geleverd aan de woningbouwvraag zoals deze bestaat binnen de gemeente.

14

4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat namelijk slechts de realisatie van één woning. Gelet op de aard van het project, de omvang van het project en directe omgeving geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). Er hoeft dan ook geen (vormvrije) m.e.r.(beoordelings)-procedure doorlopen te worden. Daarmee is het ook niet vereist dat er een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen wordt.

15

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Ten behoeve van het voorgenomen plan is door Grondslag een verkennend bodemonderzoek inclusief verkennend asbestonderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. Chemische kwaliteit De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht is niet bevestigd. Er zijn in de bovengrond en grondwater lichte verhogingen aangetoond aan enkele zware metalen, minerale olie en PAK.

De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Asbestonderzoek De gestelde hypothese dat de puinhoudende bovengrond ter plaatse van de inrit en het centrale deel van de onderzoekslocatie (verhard met stelcon) onverdacht is op het voorkomen van asbest is bevestigd. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek asbest. Algemeen De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw op de locatie. De afgifte van de omgevingsvergunning blijft echter een beleidsmatige afweging van de gemeente zelf. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat de grond nog onderzocht dient te worden op PFAS. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig (doorgaans incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit.

Met name bij grotere partijen grond is dit laatste voordeliger dan afvoeren naar een grondbank of -depot. De gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, waardoor in sommige gevallen hergebruik mogelijk is zonder aanvullend onderzoek. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

16

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen); andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van IJsselstein, in de geluidzone van de Achtersloot. Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dienen de geluidsbelastingen op de gevels van de woning te worden onderzocht. Door Adviesburo van der Boom is op 23 juli 2020 een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevel uitgevoerd, zie bijlage 2 van bijlagen bij toelichting De geluidbelasting door wegverkeer op de Achtersloot bedraagt ten hoogste 54 dB na aftrek ex art 110g Wgh op de zuidgevel. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB wordt eveneens overschreden.

Een hogere waarde voor wegverkeer op de Achtersloot kan slechts worden vastgesteld als maatregelen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, of als er ernstige bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard en indien de geluidbelasting de maximale hogere waarde niet overschrijdt. Bovendien mag de maximale hogere waarde van 53 dB niet worden overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron of in de overdracht is financieel / civieltechnisch cq. landschappelijk niet haalbaar. Vergroten van de afstand tot de weg is niet mogelijk door de aanwezigheid van een milieucirkel. De westgevel dient dan ook te worden uitgevoerd als dove gevel. Voor de anderen gevels van de woning kan dan een hogere waarde worden aangevraagd van ten hoogste 51 dB voor geluid door wegverkeer op de Achtersloot, zie ook onderstaande tabel. De oostgevel van de woning is geluidluw. Er kan aan de oostzijde een geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd.

Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van het geluidbeleid van de gemeente. Aan dit toetsingskader kan worden voldaan met de hierboven omschreven maatregelen. Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woning tevens wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. Bij een maximale geluidbelasting op de westgevel van 59 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde geluidwering GA,k 26 dB(A).

17

4.4 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft de bestemmingswijziging van de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschap en cultuur' naar 'Wonen', tevens wordt er één vrijstaande woning gerealiseerd. Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied noord en zuid' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van IJsselstein, aan het bebouwingslint de Achtersloot. In de omgeving van het plangebied zijn woningen en (agrarische) bedrijven aanwezig. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat lintbebouwing in het buitengebied met een agrarisch karakter aan te merken is als gemengd gebied. Het plangebied wordt derhalve aangemerkt als 'gemengd gebied', waardoor de richtafstanden met één stap kan worden verlaagd, met uitzondering van het aspect gevaar. De navolgende tabel toont een overzicht van de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Bij de beschouwing van de inpassing van de woning is uitgegaan van de maximale mogelijkheden conform de VNG-uitgave. Activiteit

Melkveehouderij Paardenhouderij

&

SBI-code

Adres

Milieucategorie (maximaal toegestaan)

Richtafstand gemengd gebied

0141, 0142 0143, 41, 42,

Achtersloot 63 Achtersloot 65

3.2 3.1

50 m 30 m

18

Minimale afstand tot het plangebied 15 m 20 m

aannemersbedrijf Agrarisch bouwvlak Hovenier Varkenshouderij paardenhouderij

en

43 011, 012, 013 0141, 0142 016 0146, 0143

Achtersloot 69

3.2

50 m

70 m

Achtersloot 71 Achtersloot 142

2 4.1

10 m 100 m

110 m 20 m

Achtersloot 142 Voor de locatie aan de Achtersloot 142 geldt het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied noord en zuid', waarbinnen de locatie de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap en cultuur' met een agrarisch bouwvlak heeft. Voor de Achtersloot 142 is op 26 juli 2014 melding gedaan voor het wijzigen en uitbreiden van een biologische veehouderij. Het veebestand waarvoor melding is gedaan omvat 320 gespeende biggen, 44 kraamzeugen, 86 guste en dragende zeugen, 2 dekberen, 414 vleesvarkens, 12 volwassen paarden, 13 paarden in opfok, 5 volwassen pony’s, 5 pony’s in opfok. Voorheen was ter plaatse een varkenshouderij met een agrarische nevenactiviteit in de vorm van een paardenhouderij gevestigd. De schuur waar de paarden werden gehouden is niet meer in gebruik t.b.v. het houden van paarden. Zo is ook geconstateerd tijdens een locatiebezoek door de milieudienst. In het geldende bestemmingsplan is in de planregeling, zoals deze geldt voor de Achtersloot 142, een paardenhouderij strikt genomen ook niet mogelijk. De gronden zijn alleen bestemd voor veehouderijbedrijven. Voor de nadere aanduiding paardenhouderij is geen nadere regeling in de planregels opgenomen. Op 11 januari 2022 is een bedrijfsbezoek afgelegd door een milieutoezichthouder van de ODRU. Tijdens dit bezoek bleek dat alleen het achterste gedeelte van de voormalige paardenstal nog voor 3 paarden wordt gebruikt.

Het overige deel van het gebouw is verbouwd en niet meer in gebruik als stal, maar als opslag/werkruimtes die worden verhuurd. Tijdens het locatiebezoek gaven de op dat moment aanwezige personen aan dat de veehouder niet de intentie heeft om in de toekomst meer paarden te houden. Op locatie is wel een uitlooppad aanwezig. Dit uitlooppad moet worden gezien als onderdeel van het dierenverblijf gezien het beperkte oppervlak in relatie tot het aantal paarden en omdat deze uitloop gebruikt wordt om op te mesten. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter zijn. Als het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt, dan geldt een afstand van minimaal 50 meter. Deze afstand wordt gemeten vanuit het emissiepunt van het dierenverblijf. Als een paardenstal open ramen en deuren heeft, wordt vanaf dat punt gemeten. De afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenkant van het geurgevoelig object is ten minste 50 meter als het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt. Als het buiten de bebouwde kom ligt, is de afstand minimaal 25 meter. Gezien het oppervlak moet deze (de uitloop) worden aangemerkt als intensief gebruik en daarom onderdeel van het dierenverblijf.

Voor paarden geldt een afstand van 25 meter tussen gevel van de woning en gevel van het dierenverblijf én 50 meter tussen gevel van de woning en emissiepunt van het dierenverblijf. Het emissiepunt van het dierenverblijf is omschreven in de Regeling geurhinder en veehouderij. In onderhavig geval is dit het punt waar een relevante hoeveelheid geur buiten het overdekte gedeelte van het gedeeltelijk overdekt dierenverblijf treedt, dan wel wordt gebracht. Dit is dan de gevel van de stal. Dus de uitloop moet op 25 meter van het bouwvlak van de woning en de stal op 50 meter De afstand van de beoogde woning tot de uitloop van de paardenstal is 25 meter. De afstand tot de daadwerkelijke stal is meer dan 50 meter. De onderstaande afbeelding maakt dit inzichtelijk. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden.

Op dit moment is aan de Achtersloot 142 een varkenshouderij gevestigd. Ten aanzien van de varkenshouderij dient ten opzichte van de nieuw te bouwen woning een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd te worden. Het woon- en leefklimaat wordt bepaald door de geurbelasting van de varkens. Verder zal aangetoond moeten worden dat de veehouderij niet beperkt zal worden in uitbreidingsmogelijkheden. In dit geval wordt er getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De

19

Wgv heeft als doel om geurhinder van veehouderijen bij geurgevoelige objecten (zoals woningen) te voorkomen. Voor de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten nabij veehouderijen moet aan twee voorwaarden worden voldaan:

• •

Een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd voor de nieuwe geurgevoelige object. Geen van de bestaande veehouderijen wordt onevenredig in zijn belangen geschaad.

Door De Milieuadvisieur is ten behoeve van het voorgenomen plan een agrarisch geurhinderonderzoek uitgevoerd (nr. 18069, 14 september 2022), bijlagen bij toelichting bijlage 3, waarbij is onderzocht of aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan. Woon- en leefklimaat Uit de berekening naar de voorgrondbelasting blijkt dat de voorgrondbelasting maximaal 8,0 ouΕ/m³ bedraagt bij de nieuwe woning. Daarmee wordt voldaan aan de norm van 8,0 ouΕ/m³. De achtergrondbelasting bedraagt maximaal 8,0 ouE/m3. Dit komt overeen met een matig woon- en leefklimaat Op basis van de Wgv kan worden gesteld dat bij de nieuwe geurgevoelige object een acceptabel woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd. Rechten van bestaande veehouderijen Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. In de directe nabijheid van het plangebied ligt de veehouderij Achtersloot 142. De nieuw te realiseren woning ondervindt een geurbelasting van 8,0 ouΕ/m³ en wordt daarmee de maatgevende woning. Het is niet wenselijk dat bedrijven belemmerd worden in eventuele uitbreidingsmogelijkheden. De bestaande bedrijfsvoering aan de Achtersloot 142 bestaat uit een inmiddels gemengde bedrijfsvoering. Van oudser worden hier varkens gehouden (niet grondgebonden).

Daarnaast is er sprake van het houden van enkele paarden niet zijnde veehouderij (geen productieve doelstelling) en is er een Bed&Breakfast gevestigd. De paardenhouderij en de intensieve veehouderij zijn per aanduiding opgenomen in de verbeelding van het vigerend bestemmingsplan. Er mist in de regels een koppeling met deze aanduidingen. Hierdoor is de juridische waarde van deze aanduidingen kritisch. Gesteld kan worden dat de aanwezige situatie voor zover binnen de aanduiding in ieder geval bezien dient te worden als niet in strijd met het bestemmingsplan. Daarbij geldt tevens dat het overgangsrecht als opgenomen onder artikel 38 tevens een basis biedt voor dit gebruik. De aanduiding inzake paardenhouderij is opgenomen op de bebouwing waarin nu de stallen zijn gevestigd. De uitloop van de paarden valt niet binnen deze aanduiding. Op dit moment worden enkel de achterste stallen gebruikt als paardenstal. Zie ook de eerdere uiteenzetting hierover. Gesteld kan worden dat de realisatie van de nieuwe woning de mogelijkheden voor gebruik van de rest van het gebouw als paardenstal zal beperken. De eventuele planschade die hieruit voortvloeit kan natuurlijk verhaald worden, met initiatiefnemer wordt een overeenkomst aangegaan om het risico op deze kosten gedekt te hebben inzake de economische uitvoerbaarheid.

Voor de feitelijke beperking is in kader van de belangenafweging aan de orde dat het voorste deel van deze bebouwing al langere tijd niet meer in kader van de paardenhouderij in gebruik is. Ook is bij gemeente bekend dat eigenaar van betreffende gronden op dit moment nadenkt een andere invulling van de activiteiten op het perceel waarbij toevoeging van paarden geen onderdeel vormt. Er is dan ook geen intentie om dit gebruik weer uit te breiden. In die zin wordt het acceptabel geacht om uit te gaan van de feitelijk aanwezige situatie. Betreffende de varkenshouderij geldt dat de feitelijke situatie t.a.v. de nieuwe woning inpasbaar is, zie hiertoe het eerder gestelde. Ook hierbij geldt dat de woning naar verwachting beperking zal opleveren van de mogelijkheden voor de realisatie van bebouwing (stallen) verder voorop het perceel in kader van de veehouderij. Financiële compensatie in dit kader zal, evenals voor de paardenstal, als aan de orde

20

verlopen via een planschadeverzoek en verlegd worden naar initiatiefnemer. In kader van de belangenafweging geldt dat gemeente het niet reëel acht dat betreffende agrariër nieuwe stallen verder voorop het perceel zal realiseren aangezien er plannen zijn voor een andere invulling en het verder afschalen van de varkenshouderij. Daarbij geldt dat de huidige staat van de stallen zodanig is dat verwacht mag worden dat met nieuwe stallen inclusief best beschikbare technieken nog mogelijkheden zijn voor de realisatie hiervan. Daarnaast zal het realiseren van nieuwe stallen verder voorop het perceel beperkt worden door bestaande woningen. Stof Als gevolg van de bedrijfsvoering kan de ontwikkeling van stof ontstaan welke hinderlijk is voor omliggende woningen. Voor het aspect stof wordt een richtafstand van 30 meter aangehouden. De ontsluiting van het agrarische bedrijf is gelegen rechts van de eigen (woon-)boerderij. Het erf is in belangrijke mate verhard. Daarmee is de ontwikkeling van stof beperkt en de bestaande eigen boerderij heeft een functie als 'buffer' richting de nieuw beoogde woning. Als onderdeel van het inrichtingsplan is juridisch vastgelegd dat voorzien moet worden in een groene scheerheg op de perceelsgrens. Daarmee wordt eventuele stofhinder ook voorkomen. Aan de oostzijde is een paardenbak gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15891220/1