CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

2.1 Uitvoerings- en Handhavingsstrategie VTH 2026-2029

Commissie Bestuur 7 mei 2026, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven22.597 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Preventie Goed naleefgedrag begint bij preventie. Het doel van preventie is (onbedoelde) overtredingen en risico’s te voorkomen en daarmee de noodzaak tot handhavend optreden. De gemeente doet dat door inwoners en ondernemers tijdig te informeren, te betrekken en te ondersteunen. De belangrijkste middelen daarbij zijn: Duidelijke regels en heldere communicatie: zorgen dat wet- en regelgeving begrijpelijk is en toegankelijk via de gemeentelijke website en publieksinformatie. Gerichte voorlichting: vergroten van bewustzijn over bijvoorbeeld brandveiligheid bij inwoners en ondermijning bij ondernemers. Participatie bevorderen: stimuleren dat initiatiefnemers hun omgeving tijdig betrekken bij plannen en activiteiten. Bemiddeling bij conflicten: vroegtijdig in gesprek gaan waar klachten of spanningen dreigen. Oor- en oogfunctie versterken: signalen uit de samenleving benutten, onder andere via de VRU, de ODU en periodieke ‘schouwen’ op bedrijventerreinen. Samenwerking stimuleren: met ondernemers, vastgoedeigenaren en andere partners, bijvoorbeeld bij het tegengaan van overlast of illegaal gebruik. Voorlichting vindt plaats via algemene informatie (website, folders, bijeenkomsten) én via directe communicatie met initiatiefnemers, realiserende partijen (architecten, aannemers) en ondernemers in de stad en op bedrijventerreinen.

Een effectieve preventiestrategie vraagt om samenwerking tussen teams en taakvelden. VTH wordt daarom vroegtijdig betrokken bij beleidsontwikkeling en planvorming, zodat uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid vooraf worden getoetst. Duidelijke beleidskaders, vooral in het omgevingsplan, helpen initiatiefnemers te weten wat kan en mag. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt vastgelegd op welke thema’s en doelgroepen dat jaar de nadruk ligt in de preventieve aanpak, welke resultaten worden beoogd en hoe de preventie aanpak daarbij wordt ingevuld.

Vergunningverlening omgevingsrecht Vergunningverlening draagt bij aan een veilige, gezonde en kwalitatieve leefomgeving. Daarbij worden belangen van initiatiefnemers en omgeving zorgvuldig afgewogen. De belangrijkste toetsingskaders zijn

22

het omgevingsplan, het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgbop). Activiteiten die onder de Omgevingswet of lokale regelgeving (zoals de APV) vallen, moeten voldoen aan voorwaarden. Voor bouw- en omgevingsplanactiviteiten geldt deels een vergunningplicht; kleinere activiteiten zijn vergunningsvrij. Welke dat zijn is vastgelegd in het Bbl. De gemeente heeft bij vergunningverlening de volgende taken: Het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning of ontheffing; Het behandelen van meldingen; Het afhandelen van bezwaar- en beroepsprocedures; Het besluiten over maatwerkvoorschriften of gelijkwaardige oplossingen. Vergunningen moeten enerzijds ruimte bieden aan initiatieven en anderzijds de omgevingskwaliteit waarborgen. Ze moeten duidelijk, uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. De beoordeling van vergunningaanvragen gebeurt: In overeenstemming met landelijke, provinciale en lokale regelgeving; In de geest van de Omgevingswet: van “nee, tenzij” naar “ja, mits”; Integraal en met oog voor omgevingsbelangen; Transparant, juridisch correct en in begrijpelijke taal; Klantgericht en zakelijk; Doelmatig, zonder overbodige voorschriften; Met heldere informatie over voorwaarden en benodigde aanvullende toestemmingen.

Met een duidelijke afbakening van de rol van de vergunningverlener: deze toetst de aanvraag, en kan niet langdurig worden ingezet om de initiatiefnemer bij de aanvraag te ondersteunen. De gemeente stimuleert dat initiatiefnemers – behalve bij kleine bouwactiviteiten – eerst een conceptverzoek indienen. In deze fase ligt de nadruk op de ruimtelijke en esthetische wenselijkheid van een plan, niet op de technische beoordeling. De initiatiefnemer blijft verantwoordelijk voor een volledig en ontvankelijk verzoek. In het kader van de preventiestrategie zorgt de gemeente dat regels duidelijk zijn en licht zij deze, waar nodig, tijdens het vooroverleg toe. Ook bijvoorbeeld waar het gaat om verplichtingen ten aanzien van erfgoed. Voor de constructieve toetsing gebruikt de gemeente het toetsprotocol van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht (VBWT). De diepgang van toetsing hangt af van het risico: Bij lage risico’s (bijvoorbeeld kleine verbouwingen) wordt niet of beperkt getoetst; Bij hoge risico’s (complexe constructies, publieke of zorgfuncties, monumenten, grote sloop) vindt een integrale toets plaats. Met de inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) verschuift een deel van de bouwtechnische toetsing van de gemeente naar private kwaliteitsborgers.

In de periode 2026–2029 geldt dit vooral voor nieuwbouw van kleinere bouwwerken, zoals woningen en kleine bedrijfspanden. De kwaliteitsborger stelt een borgingsplan op dat vóór de start van de bouw aan de gemeente wordt overgelegd. De gemeente blijft verantwoordelijk voor: Toetsing aan het omgevingsplan en de diverse beleidsregels en verordening (waaronder welstandscriteria); Controle of de kwaliteitsborger gecertificeerd is; De bouwtechnische toetsing van bouwwerken die niet onder de Wkb vallen. Als daartoe aanleiding bestaat, kan de gemeente op grond van haar Bibob-beleidsregel een integriteitsonderzoek uitvoeren. In bijlage 3 is het uitvoeringskader voor de vergunningverlening nader uitgewerkt.

Vergunningverlening APV en bijzondere wetten 23

De vergunningverlening op basis van de APV en bijzondere wetten gebeurt door het team klant. De belangrijkste vergunningen op basis van de APV en bijzondere wetten zijn evenementenvergunningen, exploitatievergunningen en Alcoholwetvergunningen. Voor de vergunningverlening op basis van de APV en bijzondere wetten gelden in hoofdlijnen dezelfde uitgangspunten en processtappen als bij de vergunningverlening omgevingsrecht. Dat wil zeggen: er vindt een integrale afweging plaats, de opstelling is klantvriendelijk en zakelijk en de initiatiefnemer wordt verzocht contact op te nemen met de gemeente. Daarbij biedt de website van de gemeente de initiatiefnemer ondersteuning bij de vraag of kan worden volstaan met een melding, er meerdere toestemmingen nodig zijn en/of er bijvoorbeeld een Bibob-formulier moet worden ingevuld. De gemeentelijke vergunningverlening is echter geen ‘vraagbaak’: initiatiefnemers worden geacht een complete en volledige aanvraag te doen, binnen de daarvoor gestelde tijd. Het beleid ten aanzien van evenementen is vastgelegd in de Beleidsnota evenementen 2025-2030. Een verzoek om een evenement moet minimaal twaalf weken voorafgaand aan het evenement worden aangevraagd. Nietvergunningplichtige evenementen moeten twee weken voorafgaand worden gemeld.

Toetsing van vergunningverzoeken vindt plaats aan de hand van openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, milieu (geluid, afval) en verkeer. De gemeente bewaakt dat er geen ongewenste stapeling van evenementen plaatsvindt met risico’s voor (extra) overlast en druk op de inzet van de politie en het gemeentelijke toezicht. De organisator van een evenement moet de omgeving daarover uiterlijk twee weken voor het evenement informeren. Voor een exploitatievergunning en voor een Alcoholwetvergunning wordt de initiatiefnemer verzocht contact op te nemen met de gemeente . De gemeente toetst op inpasbaarheid binnen het omgevingsplan, de betrouwbaarheid van de leidinggevende en de eventuele invloed op het woon- en leefklimaat (omgeving). Bij het verzoek voor een exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning moet altijd een Bibob-formulier worden ingevuld. Het verzoek voor een Alcoholwetvergunning wordt getoetst op sociale hygiëne en betrouwbaarheid van de leidinggevenden, inrichtingseisen en de leeftijd van het personeel. Een voorwaarde voor een Alcoholwetvergunning is het hebben van een exploitatievergunning. Als de laatste er niet is, moet die gelijktijdig met de Alcoholwetvergunning worden aangevraagd. 7

Toezicht omgevingsrecht Toezicht is belangrijk om zicht te houden op de naleving van wet- en regelgeving en om waar nodig (handhavend) te kunnen optreden. Daarnaast draagt toezicht bij aan het zicht houden en krijgen op ontwikkelingen en resultaten van de inzet. Op basis daarvan kan worden beoordeeld of de uitvoering ook effectief is. Ook kan beoordeeld worden of gesignaleerde ontwikkelingen aanleiding zijn om het beleid tegen het licht te houden. Bijvoorbeeld waar het gaat om ontwikkelingen in het buitengebied. Het toezicht omgevingsrecht heeft met name betrekking op het gebruik (omgevingsplan), de constructieve veiligheid en de brandveiligheid. De uitvoering van het toezicht vindt op verschillende momenten en manieren plaats: In de realisatiefase tijdens en volgend op het bouw- of sloopproces ; Thematisch, projectmatig of programmatisch toezicht in de gebruiksfase; Ad hoc controles naar aanleiding van meldingen, klachten, handhavingsverzoeken; Als vervolg op een eerdere controle of handhavingsbesluit. 8

Een deel van de controles wordt aangekondigd. Bijvoorbeeld als het belangrijk is dat de opdrachtgever van de bouw of de architect aanwezig is. Sommige controles zijn in beginsel altijd onaangekondigd. Bijvoorbeeld na het stilleggen van bouw- of sloopwerkzaamheden, bij (vermoeden van) strijdig gebruik of ondermijnende criminele activiteiten (drugspand, illegale bewoning, etc.). Deels vindt het toezicht programmatisch en/of projectmatig plaats of wordt daarop ingezet. Bijvoorbeeld waar het gaat om brandveiligheid of specifiek bij kamerverhuur en wonen boven winkels, permanente bewoning, houtstook (kachels) en de instandhouding van erfgoed.

7 Beleidsregel exploitatievergunningen gemeente IJsselstein 2024. 8 Dit geldt voor bouwprojecten die nog niet onder de Wkb vallen. Voor bouwprojecten die wel onder de Wkb vallen heeft de gemeente nog een zeer beperkte

toezichtfunctie (op openbare veiligheid en bredere risico’s).

24

De prioriteiten in het toezicht (hoe vaak en hoe diepgaand controleren?) zijn bepaald op basis van een omgevings- en risicoanalyse. De prioriteiten worden jaarlijks in het uitvoeringsprogramma gespecificeerd of bijgesteld. Bijvoorbeeld op basis van nieuwe inzichten, ontwikkelingen (beleid, wetgeving, samenleving) of ervaringen uit het toezicht in het jaar ervoor. Voor de diepgang van het toezicht gaat de gemeente uit van het toezichtprotocol van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht (VBwt). Hierin is aangeven hoe vaak en hoe diepgaand de gemeente in het kader van een bouwproces controleert. Dit loopt parallel met het toetsprotocol van vergunningverlening. De opbouw in prioritering (van zeer hoog tot laag) is ook leidend voor het overige toezicht in het kader van het omgevingsrecht, bijvoorbeeld waar het gaat om erfgoed. Bij een overtreding weegt de toezichthouder de ernst van de overtreding én het motief voor de overtreding af. Niet of onvoldoende naleven kan een bewuste keuze zijn van degene die wordt gecontroleerd, maar kan ook een gevolg zijn van het onvoldoende kennen van de regels. Het uitvoeren van een controle is een gelegenheid om waar nodig aanvullende voorlichting te geven. Waar mogelijk wordt erop aangestuurd dat de overtreding vrijwillig ongedaan gemaakt wordt.

Waar die bereidheid er niet is, als de overtreding een groot risico voor bijvoorbeeld de (brand)veiligheid is of er al onherstelbare schade is aangericht (bijvoorbeeld aan een monument), treedt de gemeente altijd handhavend op. In bijlage 4 is de toezichtstrategie verder uitgeschreven.

Handhaving omgevingsrecht In de plannen, bij de vergunningverlening en in het toezicht biedt de gemeente inwoners en ondernemers ruimte om initiatieven mogelijk te maken. De gemeente is bereid om daarbij mee te denken. Daar staat een eigen verantwoordelijkheid en het naleven van de regels tegenover. Waar dat niet gebeurt en een overtreder niet bereid is om een overtreding ongedaan te maken, treedt de gemeente handhavend op. De gemeente IJsselstein volgt bij overtredingen van het omgevingsrecht de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Deze aanpak bestaat uit vijf stappen: 1. 2. 3. 4. 5.

Kwalificeren van de overtreding: beoordelen van de ernst van de gevolgen voor de leefomgeving en het type overtreder (van goedwillend tot crimineel); Bepalen van verzwarende factoren: zoals onomkeerbare schade, herhaling, financieel voordeel of andere strafbare feiten; Kiezen van de interventie: variërend van aanspreken tot bestuurs- of strafrechtelijk optreden; Afstemming met handhavingspartners en betrokken instanties; Vastleggen van afspraken en het uiteindelijke optreden.

De gemeente beschikt over verschillende bestuursrechtelijke instrumenten: een last onder dwangsom of bestuursdwang, het schorsen of intrekken van vergunningen, het opleggen van bestuurlijke boetes of het instellen van verscherpt toezicht. Consistent gebruik van deze escalatieladder kan helderheid geven, en preventief werken. Bij dreigende overtredingen kan preventief een last onder dwangsom of bestuursdwang worden opgelegd. Bij het opleggen van een last onder dwangsom gebruikt de gemeente de Landelijke Leidraad Dwangsommen en Begunstigingstermijnen als basis. Deze leidraad geeft richting aan het bepalen van redelijke en uitvoerbare begunstigingstermijnen en schrijft voor dat dwangsombedragen zó moeten worden vastgesteld dat zij herstel daadwerkelijk stimuleren, maar niet hoger zijn dan nodig om onevenredigheid te voorkomen. De gemeente maakt daarbij onderscheid tussen herstelbare en niet-herstelbare overtredingen, waarbij bij acuut gevaar, risico op onomkeerbare schade of herhaalde overtredingen sneller een korte termijn en hogere prikkel wordt gehanteerd. Ook weegt de houding van de overtreder mee: bij onwil of trainerend gedrag wordt eerder opgeschaald richting formele en zwaardere handhaving. Deze uitgangspunten zijn nader uitgewerkt in de bijlagen 5 en 6. Uitgangspunt van de handhaving is altijd dat de overtreding wordt beëindigd en de schade wordt hersteld.

De gemeente maakt daarbij onderscheid naar ernst en houding van de overtreder. In eerste instantie zoekt de toezichthouder het gesprek en maakt afspraken over herstel binnen een redelijke termijn. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een voorwaardelijke sanctie.

25

Wanneer de overtreding mogelijk vergunbaar is, krijgt de overtreder de kans een vergunningaanvraag in te dienen. Bij acuut gevaar, onherstelbare schade, recidive of weigering tot herstel treedt de gemeente altijd formeel op. Bij onherstelbare schade aan bijvoorbeeld monumenten wordt ook aangifte gedaan en/of kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. De gemeente hanteert een prioritering in haar handhaving: Hoge prioriteit: overtredingen met ernstige risico’s voor constructieve veiligheid, brandveiligheid, strijdig gebruik of (onherstelbare) schade aan monumenten en archeologie; Lage prioriteit: administratieve overtredingen en situaties met een zeer klein risico of beperkte schade. Verzwarende omstandigheden, zoals eerdere overtredingen, mediabelangstelling of herhaalde klachten, kunnen leiden tot opschaling. Ook wanneer de gemeente of een andere overheid zelf in overtreding is, wordt deze lijn gevolgd. Gezien de voorbeeldfunctie van de overheid wordt in die gevallen sneller formeel opgetreden. Het uitvoeringskader voor de handhaving is nader uitgewerkt in bijlage 5.

Toezicht en handhaving bijzondere wetten Het toezicht en de handhaving APV en bijzondere wetten wordt uitgevoerd door een cluster handhavers (met bevoegdheid als buitengewoon opsporingsambtenaar, boa). De focus ligt op leefbaarheid, veiligheid, de kwaliteit van de openbare ruimte en natuur. Het toezicht wordt op verschillende manieren uitgevoerd: Wijkgericht (surveillance); Signaalgestuurd (klachten, meldingen, signalen van ketenpartners); Gekoppeld aan evenementen; Projectmatig en programmatisch. Het toezicht op de openbare ruimte en openbare orde beweegt zich van surveillance en signaalgestuurd werken naar meer informatie-gestuurd, programmatisch en projectmatig werken (thematisch, wijkgericht). Bij evenementen wordt vooraf en tijdens evenementen gecontroleerd. De ontwikkeling naar meer informatiegestuurd en programmatisch toezicht wordt de komende jaren verder doorgezet. Dit houdt in dat toezicht op horeca, evenementen en openbare-ruimteproblematiek minder afhankelijk wordt van meldingen en meer gebaseerd is op gebiedsprofielen, patronen van overlast, seizoensdrukte en risicolocaties.

Daarmee wordt de uitvoering voorspelbaarder en effectiever Bij de handhaving van bijzondere wetten (zoals de Alcoholwet) en exploitatievergunningen volgt de gemeente dezelfde lijn als bij het omgevingsrecht : de aanpak varieert van (formele) waarschuwing tot sanctie, afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding. Ook bij handhaving van de APV geldt dit uitgangspunt. 9

Bij drugsgerelateerde overtredingen kan een pand worden gesloten op grond van de Opiumwet, eventueel in combinatie met het intrekken van de Alcoholwet- of exploitatievergunning.

9 Beleidsregel handhaving openbare inrichtingen gemeente IJsselstein 2024.

26

7. Organisatie en kwaliteitsborging De uitvoering van de VTH-taken die vallen onder de Omgevingswet moet voldoen aan de (wettelijk) vastgelegde kwaliteitseisen. Dat gaat om de beheersing van de uitvoering (beleids- en uitvoeringscyclus), de ‘robuustheid’ van de organisatie (kwaliteitscriteria 3.0) en het hebben van voldoende capaciteit, deskundigheid en de juiste competenties en het borgen van de financiële middelen in de begroting. De gemeenteraad ziet op basis van de ‘Verordening uitvoering en handhaving Omgevingsrecht Gemeente IJsselstein 2024’ toe op de kwaliteit van de uitvoering. In dit hoofdstuk staat samengevat hoe de uitvoering van de VTH-taken is georganiseerd en hoe de kwaliteit van de uitvoering wordt geborgd

Organisatie, samenwerking en borging financiële middelen Organisatie De uitvoering van de VTH-taken die betrekking hebben op de bouwtechnische aspecten van activiteiten en op milieu laat de gemeente uitvoeren door de ODU. De VTH-taken op basis van het omgevingsrecht die de gemeente zelf uitvoert zijn de toetsing van verzoeken om een omgevingsplan activiteit en de juridische handhaving en het afhandelen van bezwaar en beroep. De VRU is adviseur van de gemeente en de ODU waar het gaat om brandveiligheid en voert (geprioriteerde) controles uit op het brandveilig gebruik. De VTH-taken die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid (OOV) worden geheel door de gemeente zelf uitgevoerd. De vergunningverlening (APV, bijzondere wetten) en ontheffingen worden verzorgd door het team ‘Klant’. Toezicht en handhaving gebeurt door het team ‘Veiligheid’. De taken die de verschillende medewerkers hebben zijn (door de ODU, VRU en de gemeente) vastgelegd in functieomschrijvingen. Daarbij is er scheiding van functies tussen vergunningverlening, advies, toezicht en handhaving. Voor de uitvoering is in de basis de volgende capaciteit beschikbaar (peildatum 1 januari 2026). VTH-Omgevingsrecht (Bouw en RO) Het grootste deel van de VTH-taken omgevingsrecht wordt in opdracht van de gemeente door de ODU uitgevoerd. Voor de bouw- en RO-taken (inclusief erfgoed) is dit ruim 9 fte.

Met de ODU is een (meerjarige) dienstverleningsovereenkomst afgesloten. Jaarlijks worden waar nodig maatwerkafspraken gemaakt. De gemeente doet zelf de plantoetsing en toetsing aan welstand, de juridische afwikkeling van de handhaving en de beleidsadvisering VTH. Taakgebied

capaciteit (FTE) gemeente

capaciteit (FTE) ODU

0,6 fte

5,3 fte

-

3,3 fte

Juridische inzet*

0,2 fte

0,3 fte

Overige inzet VTH bouwtaken

0,5 fte

0,4 fte

Totaal

1,3 fte

9,3 fte

Vergunningverlening (advisering RO) Toezicht

* Dit is de indicatieve inzet door de gemeente en de ODU; het gaat om meerdere fulltime en deeltijd-juristen. Bij de ODU worden deze fulltime ingezet op VTH. Bij de gemeente ook voor overige (bestuurlijk)juridische zaken. De juridische inzet van de ODU is verdisconteerd in de diverse producten en is op het moment van opstellen van de U&H-strategie niet separaat aan te geven.

VTH-OOV De uitvoering van de VTH-OOV taken gebeurt door de gemeente zelf. De capaciteit is daarbij verdeeld over drie teams: Klant (vergunningen), Handhaving (toezicht en handhaving) en Veiligheid (beleid, ondersteuning Bibob). Voor de uitvoering van de VTH-OOV taken is circa 10 fte beschikbaar. Taakgebied

Aantal medewerkers

capaciteit (FTE)

Vergunningverlening APV en bijzondere wetten

2

1,8 fte

Toezicht en handhaving

7

7,0 fte

Handhaving (juridische inzet)

1

0,8 fte

Overige inzet VTH OOV (ondersteuning Bibob)

1

0,1 fte

Totaal

11

9,7 fte

27

De weergegeven capaciteit is een momentopname van de uren die de gemeente beschikbaar heeft voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze raming geeft inzicht in de basisinzet per taakveld, maar is geen exacte weergave van de feitelijke inzet gedurende het jaar. De feitelijk benodigde én beschikbare capaciteit wordt telkens jaarlijks vastgesteld in het uitvoeringsprogramma VTH, waarin actuele ontwikkelingen, risico’s, prioriteiten en trends worden meegewogen. Met het oog op een betere voorspelling van de benodigde eigen gemeentelijke capaciteit investeert de gemeente in de ontwikkeling van eigen kengetallen, het (nog beter) monitoren van ede uitvoering en het op basis daarvan bijsturen van de uitvoering.

Samenwerking De uitvoering van de VTH-taken in IJsselstein is sterk afhankelijk van een goede samenwerking met de belangrijkste ketenpartners. Met de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) en de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) zijn de afspraken vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst en jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. Daarin staan de taken, verantwoordelijkheden, producten, kwaliteitsafspraken en rapportages die deze organisaties voor de gemeente uitvoeren. De VRU richt zich daarbij vooral op brandveiligheid, evenementenveiligheid en risicobeheersing, terwijl de ODU verantwoordelijk is voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van milieu en specialistische bouw- en gebruikstaken. Beide organisaties rapporteren periodiek over hun inzet en resultaten, en stemmen programmatisch af met de gemeente. Met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) heeft de gemeente afspraken over afstemming in ruimtelijke processen, watervergunningen, waterveiligheid en signalering in het buitengebied. Deze samenwerking is niet in een afzonderlijke DVO vastgelegd, maar is een vast onderdeel van de reguliere omgevingsprocessen, het projectoverleg en de advisering bij vergunningen en plannen. De samenwerking met politie en Openbaar Ministerie verloopt via de lokale driehoek (burgemeester, politie en OM).

Binnen dit overleg worden de prioriteiten op het gebied van openbare orde, veiligheid en ondermijning vastgesteld. Ook worden gezamenlijke toezicht- en handhavingsacties gecoördineerd, bijvoorbeeld rondom horeca, evenementen, jeugdoverlast en ondermijning. Het strafrecht speelt in het kader van bouw- en sloopactiviteiten en erfgoed een zeer beperkte rol. Afstemming vindt casusgericht plaats. Dat wil zeggen beperkt zich tot het doen van aangifte of het zoeken van afstemming bij gevaarlijke situaties in de vorm van brand- of instortingsgevaar, schade, letsel of een vermoeden van ondermijning. De afstemming met de politie in het kader van milieubelastende activiteiten loopt via de ODU. In bijlage 7 is een volledig overzicht van de ketenpartners opgenomen.

Taakverdeling De gemeente is bevoegd gezag en verantwoordelijk voor kaderstelling, prioritering, regie en juridische handhaving. De ODU voert de gemandateerde uitvoerende taken uit (o.a. technische bouwtoets, bouwtoezicht en milieutaken) en rapporteert periodiek over voortgang en bevindingen. De VRU levert waar van toepassing advies en/of toezicht op brandveiligheidsaspecten. De jaarlijkse werkafspraken worden vastgelegd in het UVP.

Financiële middelen De benodigde financiële middelen voor de formatie zijn conform artikel 13.10 van het Omgevingsbesluit (meerjarig) geborgd in de begroting. Waar nodig zijn incidentele middelen beschikbaar. De middelen dekken de volledige VTH-keten: vergunningverlening, toezicht, handhaving, juridische afhandeling van bezwaar en beroep, administratieve ondersteuning, beleidsontwikkeling en kwaliteitsborging. Voor taken die direct samenhangen met vergunningverlening worden leges geheven, waarmee een deel van de uitvoeringskosten wordt gedekt. De gemeentelijke algemene middelen voorzien in de financiering van toezicht, handhaving en overige VTH-taken waarvoor geen leges kunnen worden geheven. In de meerjarenbegroting is structureel € 2,28 mln opgenomen voor de inzet van de ODU, waarvan € 1,15 mln voor de VTH-bouwtaken, en € 127.000 voor de eigen inzet van de gemeente (juridische capaciteit, advisering vanuit RO). Totaal € 1,64 mln. Daarnaast zijn er financiële middelen beschikbaar voor een flexibele inzet van de ODU. De jaarlijkse inzet van de ODU voor de uitvoering van de VTH-taken omgevingsrecht. In 2025 was dit circa € 500.000. Voor de inzet van VTH-OOV is structureel € 2,09 mln opgenomen in de meerjarenbegroting.

28

Meerjarenbegroting

2026

2027

2028

2029

Vaste formatie ODU (VTH-bouwtaken)

€ 1,51 mln

€ 1,51 mln

€ 1,51 mln

€ 1,51 mln

Vaste formatie ODU (VTH-milieutaken) Incidentele middelen

€ 771.000 p.m.

€ 771.000 p.m.

€ 771.000 p.m.

€ 771.000 p.m.

Eigen formatie gemeente VTH-omgevingsrecht

€ 127.000

€ 127.000

€ 127.000

€ 127.000

Formatie OOV

€ 2,09 mln

€ 2,09 mln

€ 2,09 mln

€ 2,09 mln

Voor de taken die bij de ODU zijn ondergebracht is een (meerjarige) dienstverleningsovereenkomst afgesloten. De benodigde middelen daarvoor zijn in de meerjarenbegroting (programma’s 2. Openbare Orde en Veiligheid en 3. Wonen en Ruimte) vastgelegd. In inzet en middelen worden jaarlijks waar nodig op maat bijgesteld. Op basis van de jaarlijkse prognoses van werkvoorraad en de capaciteitsramingen wordt beoordeeld of de beschikbare middelen toereikend zijn. Indien tijdens het jaar afwijkingen in werkdruk of taakvolume ontstaan, kan het college besluiten tot bijsturing binnen de beschikbare budgetten of tot een aanvullende financiële afweging in de P&C-cyclus. Hiermee wordt verzekerd dat de gemeente de VTH-taken continu, zorgvuldig en binnen de wettelijke kwaliteitseisen kan blijven uitvoeren.

Kwaliteitsborging De kwaliteit van de VTH-organisatie – en daarmee de kwaliteit van onze uitvoering – wordt geborgd door een samenhangend stelsel van bestuurlijke, organisatorische, juridische en procesmatige maatregelen. Deze waarborgen gelden zowel voor de taken onder het omgevingsrecht (in samenwerking met de ODU) als voor de VTH-OOV-taken binnen de eigen organisatie.

Heldere rolverdeling, functiescheiding en juridisch fundament Kwaliteit vraagt om een duidelijke verdeling van rollen en verantwoordelijkheden. Functiescheiding tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving – en tussen bouw- en gebruiksfase – waarborgt objectieve besluitvorming. Rolzuiverheid wordt uitgangspunt: de adviseur adviseert, de vergunningverlener toetst en besluit, en de toezichthouder/handhaver controleert en treedt op. Afwijken van deze lijn kan uitsluitend na een expliciet collegebesluit. Er wordt gewerkt met actuele beleidsregels en worden vergunningen, met name exploitatievergunningen, geactualiseerd om een stevig en handhaafbaar juridisch fundament te behouden.

Deskundigheid Door het onderbrengen van een groot deel van de VTH-taken bij de ODU is de kwaliteit van de uitvoering geborgd. Hiermee voldoet IJsselstein aan de vereisten uit artikel 13.6 (deskundigheid), 13.7 (continuïteit) en 13.8–13.9 (organisatorische kwaliteit en functiescheiding). Kwaliteitsborging door de ODU De ODU borgt de kwaliteit van de uitvoering door te werken met vastgestelde werkprocessen, toezicht- en handhavingsstrategieën, die regionaal uniform zijn afgestemd. Zij monitort systematisch de uitvoering, koppelt output en outcome in rapportages en toetst steekproefsgewijs of werkafspraken met ketenpartners worden nageleefd. Daarnaast worden kwaliteitsdoelen gehanteerd voor vergunningverlening, toezicht, handhaving en dienstverlening, waarmee de naleving van wettelijke kwaliteitseisen wordt geborgd. Jaarlijks vindt evaluatie plaats met de deelnemende gemeenten, waarbij prioriteiten, inzet en strategieën worden bijgesteld. Ook zorgt de ODU voor deskundigheid, continuïteit en objectiviteit in de uitvoering, onder meer via functiescheiding en rollen die onafhankelijk van het bevoegd gezag kunnen opereren. Jaarlijks wordt getoetst of wordt voldaan aan de landelijke kwaliteitscriteria 3.0. Waar dat niet het geval is worden zo nodig aanvullende maatregelen getroffen.

Daar waar de gemeente niet zelfstandig over voldoende kritieke massa beschikt om bepaalde complexe taken uit te voeren, brengt de gemeente die uitvoering onder bij de ODU, wordt ondersteuning gezocht via intergemeentelijke samenwerking of externe expertise. De gemeente motiveert in dergelijke gevallen welke aanvullende maatregelen worden getroffen om alsnog te voldoen aan de eisen van deskundigheid, onafhankelijkheid en zorgvuldige oordeelsvorming, conform de systematiek uit artikel 13.9 van het Omgevingsbesluit. Door het onderbrengen van de taken bij de ODU is ook de continuïteit in de uitvoering geborgd.

29

Goede verbinding tussen VTH-omgevingsrecht en OOV Veel vraagstukken in de stad raken meerdere wettelijke domeinen tegelijk: strijdig gebruik, brandveiligheid, horeca, evenementen en leefbaarheid in wijken. Een sterke verbinding tussen VTH-omgevingsrecht (gemeente en ODU) en VTH-OOV is essentieel. Afstemming vindt zowel plaats via gezamenlijke casuïstiekbespreking als via het ‘ogen-en-oren-principe’, waarbij toezichthouders, handhavers en ODU-toezichthouders elkaar informeren over risico’s, signalen en ontwikkelingen. Dit bevordert een integrale aanpak van strijdig gebruik, brandveiligheid, horeca, evenementen en leefbaarheidsvraagstukken in de wijken. De verbinding tussen de VTH-taken omgevingsrecht en VTH-OOV wordt daarom verder versterkt.

Ontwikkelopgave OOV De komende jaren ligt er voor VTH-OOV een duidelijke opgave om te groeien naar een meer risico- en informatiegestuurde, gestructureerde en professioneel geborgde uitvoering. Dat geldt vooral in de horeca, evenementen en toezicht in de openbare ruimte. De basisstructuur van het team handhaving is op orde, maar verdere verbetering van processen, werkafspraken en kwaliteit is nodig. Dit vraagt om het actualiseren en vastleggen van werkprocessen en werkinstructies, het aanwijzen van taakaccenthouders, het op orde brengen van middelen en faciliteiten en vaste overleg- en afstemmingsmomenten. Opleiding en training blijven essentieel, net als de verdere ontwikkeling van de wijkboa. Ook wordt de samenwerking met politie, VRU, ODU en interne teams structureel versterkt via een handhavingsarrangement en duidelijke afspraken over rollen en informatie-uitwisseling.

Gesloten beleids- en uitvoeringscyclus Een goed sluitende beleids- en uitvoeringscyclus is essentieel om de kwaliteit van de uitvoering duurzaam te waarborgen. Daarbij is het van belang dat de beleidscyclus van de Omgevingswet en de VTH-cyclus – zowel voor het omgevingsrecht als voor de OOV-taken – naadloos op elkaar aansluiten. Dit begint met het jaarlijks vaststellen van prioriteiten, gebaseerd op trends, signalen, risico’s, nieuwe opgaven en de ervaringen uit de uitvoering. Deze prioriteiten worden vervolgens nader gespecificeerd in het uitvoeringsprogramma, waarin de inzet van zowel de ODU als de gemeentelijke organisatie wordt vertaald naar duidelijke keuzes en de centrale vraag wordt beantwoord: wat moet dit jaar met de beschikbare inzet worden bereikt? Door het jaar heen wordt de voortgang samen met de ODU gemonitord. Dit gebeurt aan de hand van kwartaalgesprekken en managementrapportages. De monitoring is enerzijds de basis om waar nodig te kunnen bijsturen. Dat wil zeggen in inzet (capaciteit), prioriteiten en aanpak. Daarbij gaat het zowel om een goede bedrijfsvoering als om het sturen op resultaten (en effecten). Anderzijds is de monitoring een belangrijke basis voor de verantwoording naar de gemeenteraad en evaluatie.

De laatste kan – samen met een jaarlijkse actualisering van de omgevings- en risicoanalyse – aanleiding zijn om het uitvoeringsbeleid bij te stellen en het nieuwe uitvoeringsprogramma op te stellen.

Uitvoeringsagenda 2026-2027 In het proces om tot de U&H-strategie te komen is duidelijk geworden dat organisatie en uitvoering op een aantal punten nog een ontwikkelopgave ligt. Enerzijds gericht op het voldoende in controle kunnen met het oog op de kwaliteit, doelmatigheid en continuïteit in de uitvoering. Anderzijds gericht op een goed samenspel tussen beleid en uitvoering én tussen de gemeente en de ketenpartners, waaronder de Omgevingsdienst Utrecht (ODU). De belangrijkste elementen van de ontwikkelopgave in brede zin zijn samengevat als volgt: • •

30

Het meer informatiegestuurd werken en het daartoe opzetten en doorontwikkelingen van een goed dashboard/monitoringsysteem om zowel bedrijfsmatig als beleidsmatig (de resultaten van) de uitvoering te kunnen monitoren en in de beleids- en uitvoeringscyclus te kunnen bijsturen Het beter verankeren van de koppeling tussen beleid en uitvoering en vooral de terugkoppeling van uitvoering naar beleid. Dit heeft onder andere gevolgen voor de wijze van rapporteren over de uitvoering,

• • •

ook door de ODU: meer gericht op voor het beleid en de gemeente relevante inhoudelijke bevindingen (realisatie doelstellingen, relevante ontwikkelingen) en niet alleen of vooral op inzet en productie. Het in beter in balans brengen van prioriteiten, doelstellingen en capaciteit door het gebruik van een goed calculatiemodel met prognoses over de werkvoorraad en (eigen) kengetallen voor de inzet. Een verbetering van het samenspel met en aansturing van de ODU, inclusief de wijze van rapporteren. Investeren in deskundigheidsontwikkeling.

Voor de realisatie van de uitvoeringsagenda wordt een plan van aanpak opgesteld.

31

BIJLAGEN

32

Bijlage 1: Risicoanalyse (2025)

33

34

Bijlage 2: uitvoeringskader preventie Doel en uitgangspunten Preventie vormt de basis van de VTH-aanpak van IJsselstein. Door vroegtijdig inzicht, duidelijke communicatie en samenwerking met inwoners, ondernemers en partners, wil de gemeente overtredingen voorkomen en naleving bevorderen. Preventie draagt zo bij aan een veilige, leefbare en duurzame stad. De belangrijkste uitgangspunten: Voorkomen is beter dan handhaven: voorkomen dat overtredingen ontstaan door onduidelijkheid of gebrek aan kennis. Heldere communicatie: regels, procedures en verwachtingen worden begrijpelijk uitgelegd. Samenwerking en signalering: toezichthouders, handhavers, VRU en ODU fungeren als oren en ogen in de stad. Participatie en vertrouwen: inwoners en ondernemers worden actief betrokken bij plannen en besluiten.

Invulling preventie Preventie wordt vormgegeven door: Inzicht en vroegsignalering Voldoende zicht op wat er speelt in de wijken, bedrijventerreinen en het buitengebied is essentieel. Toezichthouders, handhavers, wijkregisseurs en de ODU voeren gebiedsschouwen uit om risico’s vroegtijdig te signaleren (verrommeling, strijdig gebruik, brandveiligheid, ondermijning). Bevindingen worden structureel gedeeld in de integrale wijkaanpak en gebruikt voor het uitvoeringsprogramma. Er wordt gewerkt aan een informatiegestuurde werkwijze, waarin toezicht- en vergunningsdata worden gekoppeld aan meldingen en klachten. 2. Voorlichting en communicatie Duidelijke en toegankelijke informatie voorkomt veel overtredingen. De gemeente verzorgt voorlichting via website, sociale media en wijkcommunicatie over regels, procedures en vergunningplichten. In elk contactmoment (aanvraag, melding, toezicht) wordt uitleg gegeven over regelgeving en veilig gedrag. Jaarlijks wordt een thema-campagne uitgevoerd (bijv. brandveiligheid in panden, afval in de wijk, bouwen zonder vergunning). In samenwerking met ODU en VRU wordt ingezet op bewustwording rond duurzaamheid, brandveiligheid en milieuregels. Voorlichting en communicatie vindt plaats in samenspel met de afdeling communicatie van de gemeente. 3.

Vooroverleg en conceptverzoeken Initiatiefnemers kunnen plannen vooraf bespreken om onnodige procedures te voorkomen. De gemeente biedt ruimte voor vooroverleg bij complexe initiatieven en conceptverzoeken via het DSO. Daarbij wordt getoetst aan het omgevingsplan en de beleidskaders. Positieve conceptadviezen geven richting aan verdere planuitwerking; bij negatieve adviezen wordt gewezen op alternatieven of mogelijkheden tot aanpassing. 4. Bemiddeling en participatie Wanneer (nog) geen overtreding is vastgesteld, maar wel overlast of spanning bestaat, zet de gemeente bemiddeling in. 35

De bemiddeling richt zich op het vinden van aanvaardbare oplossingen voor alle betrokken partijen. Handhavers, Stichting Pulse of toezichthouders VTH kunnen optreden als neutrale gesprekspartner. Deze aanpak voorkomt escalatie en draagt bij aan begrip en naleving vanuit de samenleving. 5. Lerende organisatie en feedback Preventie is ook leren van ervaring. Bevindingen uit toezicht, klachten en vergunningverlening worden periodiek geëvalueerd. Deze signalen leiden tot verbetering van planregels, beleidskaders en communicatie. Er wordt een jaarlijkse evaluatie opgenomen in het VTH-jaarverslag met aandacht voor effecten van preventie.

Monitoring preventiestrategie Doel inzet preventie Escalatie voorkomen

36

Indicator Percentage bemiddelingstrajecten dat leidt tot de-escalatie van de situatie zonder handhaving (KPI: 70%).

Meetmoment Jaarlijks

Bijlage 3: uitvoeringskader vergunningverlening 1. Doel en uitgangspunten De vergunningverlening is het startpunt voor een veilige, gezonde en goed georganiseerde leefomgeving. Het doel van de vergunningverlening is: Het mogelijk maken van initiatieven die bijdragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het beoordelen en borgen van veiligheid, leefbaarheid en duurzaamheid via duidelijke en consistente toepassing van regelgeving. Het voorkomen van overtredingen door een voorspelbaar en transparant proces. Het bevorderen van vertrouwen tussen overheid, inwoners en ondernemers door tijdige, zorgvuldige en toegankelijke besluitvorming. De vergunningverlening is daarmee de eerste schakel in de nalevingsketen en draagt rechtstreeks bij aan de veiligheid, leefbaarheid en kwaliteit van IJsselstein. Vergunningverlening vindt plaats binnen de uitgangspunten van de Omgevingswet, de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) en de Wet VTH. Voor IJsselstein gelden de volgende leidende principes: Mogelijk maken waar het kan, begrenzen waar het moet: Ontwikkelingen worden gefaciliteerd zolang deze passen binnen het omgevingsplan, beleid en wetgeving. Integrale afweging: Alle relevante belangen – ruimtelijk, bouwkundig, milieutechnisch, brandveilig, cultuurhistorisch en sociaal – worden in samenhang beoordeeld.

Gebiedsgericht en risicogericht werken: De inzet van capaciteit en diepgang van de toetsing hangen af van de risico’s voor veiligheid, gezondheid, milieu en leefkwaliteit. Zorgvuldigheid en rechtsgelijkheid: Vergunningen worden getoetst op basis van actuele wet- en regelgeving, beleidsregels en vastgestelde toetsingskaders. Transparante dienstverlening: Inwoners en ondernemers worden tijdig geïnformeerd over procedures, vereisten en termijnen via het DSO en persoonlijk contact. Samenwerking en kennisdeling: Vergunningverlening gebeurt in nauwe samenwerking met de ODU (bouw/milieu/erfgoed), VRU (brandveiligheid), MooiSticht (welstand en erfgoed) en OOV/politie (veiligheid/Bibob).

Toetsingskaders Voor het behandelen en beoordelen van aanvragen hanteren wij de volgende vaste toetsingskaders. Deze kaders komen voort uit de wet en/of ons vastgestelde beleid. Omgevingswet, Omgevingsbesluit, Omgevingsregeling De Omgevingswet (Ow), Omgevingsbesluit (Ob), Omgevingsregeling (Or) bieden het algemene landelijk kader voor de beoordeling en toetsing van aanvragen omgevingsvergunningen. In deze wettelijke regelingen staan alle algemene wettelijke eisen voor het indienen en behandelen van aanvragen omgevingsvergunningen. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet betreft het de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling. Daarnaast wordt het onder de Omgevingswet mogelijk om in het omgevingsplan bijvoorbeeld de indieningseisen voor het indienen van aanvragen omgevingsvergunningen vast te leggen. Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) geeft landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen. Omgevingsplan De gemeente toetst iedere omgevingsvergunningaanvraag aan de geldende planologische kaders. Deze liggen voornamelijk vast in het geldende (tijdelijk) omgevingsplan, waarin regels zijn opgenomen over onder andere de geldende bestemmingen, definities, gebruiksvoorschriften, bouwvoorschriften, afwijkingsregels en overgangsregels.

Doel hiervan is om de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente IJsselstein te beschermen en te borgen. Indien een aanvraag niet past binnen de geldende planologische kaders kan in bepaalde gevallen alsnog een vergunning verleend worden, bijvoorbeeld door middel van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse-) omgevingsplanactiviteit (Opa of Bopa). Er wordt dan getoetst of het initiatief voldoet aan de

37

eisen van een goede ruimtelijke ordening. Toetsing vindt plaats aan de hand van het beleid of een bij de aanvraag ingediende ruimtelijke onderbouwing. Slopen De gemeente heeft de taak risico's die kunnen ontstaan bij de sloop van bouwwerken en asbestverwijdering door particulieren, beheersbaar te houden. Als dergelijke activiteiten worden uitgevoerd is men wettelijk verplicht dit minimaal vier weken, en in sommige specifieke gevallen binnen vijf dagen, van tevoren te melden conform het Bouwbesluit 2012 art. 1.26 en/of het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (per 1 januari 2024 voornamelijk Besluit bouwwerken leefomgeving, Bbl). Een dergelijke melding moet binnen acht dagen gedaan worden als het een melding asbestverwijdering door particulieren betreft. Slopen binnen een gebied met een archeologische verwachtingswaarde kan schade aan archeologisch erfgoed opleveren. Bij sloopwerkzaamheden in een gebied met archeologische verwachtingswaarde moet de initiatiefnemer eerst in het omgevingsplan controleren of een archeologisch onderzoek vereist is, omdat de bodem wordt verstoord. Als de ingreep boven de drempelwaarden komt, moet hij een gecertificeerd archeologisch bureau inschakelen en het onderzoeksrapport meesturen met de omgevingsvergunning. Tijdens de uitvoering geldt de meldplicht voor toevalsvondsten, waarbij het werk tijdelijk moet worden stilgelegd.

Het opzettelijk achterwege laten van een melding is op grond van de Wet economische delicten (WED) strafbaar. APV-vergunningen/ontheffingen/meldingen

In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) heeft de gemeente de mogelijkheid om voor activiteiten die in de leefomgeving plaatsvinden regels op te nemen. Doel hiervan kan liggen in de bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en/of de bescherming van het milieu. Intrekken van vergunningen

Oude ongebruikte vergunningen kunnen worden ingetrokken. Hiervoor passen we ons beleid Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning (artikel 5.39 en 5.40 Omgevingswet) toe. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) Met de invoering van de Wkb per 1 januari 2024 dient de opdrachtgever voor bouwwerken die binnen Gevolgklasse 1 (vooralsnog alleen nieuwbouw) vallen een Bouwmelding in te dienen. Deze melding dient uiterlijk 4 weken voor de start van de bouw gedaan te zijn. Twee dagen voor de start van de bouwwerkzaamheden dient er een startmelding gedaan te zijn. Aan het eind van het bouwproces dient er een gereedmelding gedaan te worden. Het zogenaamde dossier bevoegd gezag wordt dan ingediend bij de gemeente. Hierin dient onder andere de akkoordverklaring van de kwaliteitsborger aanwezig te zijn. De belangrijkste rol van de gemeente heeft betrekking op: Beoordelen en registreren van de bouwmelding en bij oplevering de gereedmelding. Controleren tijdens de bouw van aspecten die buiten de Wkb vallen (omgevingsplan, brandveilig gebruik) Handhaven in situaties waar bijvoorbeeld wordt gebouwd zonder melding, de kwaliteitsborger niet gecertificeerd is of de kwaliteitsborger geen akkoordverklaring kan afgeven. Evenementenvergunning/-melding In de APV (art. 2.24 en 2.25) is geregeld wanneer voor een evenement een vergunning is vereist of wanneer kan worden volstaan met een melding.

Een aanvraag voor een evenementenvergunning wordt getoetst aan zowel de APV als aan landelijke wet- en regelgeving. Zodra een aanvraag ontvankelijk is wordt advies gevraagd aan interne en externe adviseurs. Als de vergunning kan worden verleend of de melding voldoet, wordt deze verzonden en gepubliceerd. Exploitatievergunning Voor de exploitatie van een openbare inrichting is op grond van de APV (art. 2.27 en 2.28) een vergunning van de burgemeester vereist. In de APV staan tevens categorieën genoemd waarvoor de vergunningplicht niet geldt of wanneer er een ontheffing van de vergunningplicht kan worden verkregen. In de APV staan de toetsingsgronden vermeldt. Er wordt onder andere gekeken naar het omgevingsplan, het levensgedrag van de ondernemer en de leefbaarheid in de directe omgeving van de openbare inrichting. Zodra een aanvraag ontvankelijk is en de benodigde adviezen zijn ontvangen, wordt deze inhoudelijk beoordeeld en vindt besluitvorming plaats. Een exploitatievergunning is persoonsgebonden en niet overdraagbaar.

38

Alcoholwet De Alcoholwet (Aw) vereist dat ieder bedrijf of organisatie die alcoholhoudende dranken schenkt en/of verkoopt daarvoor een vergunning/ontheffing bezit. De aanvraag/ontheffing wordt getoetst aan persoonseisen (leeftijd, onbesproken gedrag, niet onder curatele), inrichtingseisen (minimale afmetingen, toezicht, geen onverenigbare activiteiten) en eisen aan de leidinggevende (aanwezigheid). Het eventueel uitvoeren van een Bibob-toets is gekoppeld aan het aanvragen van een exploitatievergunning (als voorwaarde voor een Awvergunning. De Aw-vergunning is persoons- en inrichting-gebonden en is voor onbepaalde tijd afgegeven. Wet Bibob De Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur), geeft de gemeente de mogelijkheid de achtergrond van een bedrijf of persoon te laten onderzoeken. Als er ernstig gevaar dreigt dat de vergunning of de subsidie wordt misbruikt voor criminele activiteiten, dan kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning of subsidie intrekken. De gemeente IJsselstein past de Wet Bibob risicogestuurd toe. In de interne Bibob-beleidsregels (2018) is vastgelegd dat bij bepaalde vergunningen en transacties altijd een Bibob-toets wordt uitgevoerd (moet-bepaling).

Dit geldt onder meer voor: Vergunningen voor seksinrichtingen en escortbedrijven; Aanvragen binnen aangewezen risicobranches (zoals afvalverwerking, kamer- en logiesverhuur, wellness, autohandel, smart- en growshops, sportscholen, vechtsportgala’s en shisha-lounges); Aanvragen binnen daartoe op basis van art. 2.76 APV aangewezen risicogebieden; Situaties waarin de officier van justitie om een Bibob-advies verzoekt. Daarnaast kan de gemeente een Bibob-toets uitvoeren wanneer daar signalen of indicatoren voor zijn (kanbepaling), bijvoorbeeld bij: Aanvragen voor een exploitatie- of evenementenvergunning, Alcoholwetvergunning of omgevingsvergunning voor bouwen; Vastgoedtransacties, subsidies en overheidsopdrachten. De inzet is om de komende jaren toe te werken naar een bredere inzet van Bibob op meerdere terreinen, wat wil zeggen niet alleen VTH. Dit als onderdeel van de ontwikkelopgave van OOV.

Toetsingssystematiek en toetsniveaus Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) De bedoeling van de Omgevingswet is dat initiatiefnemers meer ruimte krijgen voor initiatieven maar ook zelf meer verantwoordelijkheid hebben voor deze initiatieven. Overheden, ondernemers én inwoners zijn (samen) verantwoordelijk voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Het risicogericht werken volgt deze gedachtenlijn. Door risicogericht te werken zet IJsselstein de beschikbare capaciteit in daar waar de (bouw en omgevings)risico’s het grootst zijn en waarvoor onze deskundigheid en kennis (het meest) nodig is. Deze verdeling in inzet is gelegitimeerd omdat bij de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden bepaald of het aannemelijk is dat aan deze normen wordt voldaan. Deze aannemelijkheidstoets biedt enige ruimte om te kunnen variëren in diepgang van toetsing. Door risicogericht te werken kunnen activiteiten met een verlaagd risico minder uitputtend worden getoetst dan activiteiten met een verhoogd risico. Bij het risicogericht toetsen komt de prioritering van de activiteiten, zoals bepaald in de risicoanalyse, samen met het diepteniveau waarop een aanvraag om een omgevingsvergunning getoetst wordt aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Bij het toetsniveau wordt uitgegaan van het toetsprotocol (LTB 2025 Bbl BrisToets) van de Vereniging van Bouw- en woningtoezicht (Vbwt). De gemeente gaat net als de Vbwt uit van vier toetsniveaus die van toepassing kunnen zijn op de bepalingen in het Bbl. In het protocol zijn de toetsniveaus gespecificeerd voor de verschillende gebruiksfuncties (wonen, bijeenkomsten, celfuncties, gezondheidszorg, industrie, kantoor, logies, onderwijs, sport, winkelfunctie, overige). De keuze voor het toe te passen toetsniveau vindt plaats op basis van de in deze U&H-strategie vastgestelde risicosturing en prioritering. Activiteiten en bouwwerken met een verhoogd risicoprofiel worden met meer diepgang beoordeeld dan activiteiten met een beperkt risicoprofiel. Ter operationalisering van deze risicosturing hanteert de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) een regionaal afgestemd categoriemodel. Dit model wordt toegepast door de gemeenten die de bouwtaken bij de ODU

39

hebben belegd en dient als indelingsinstrument om aanvragen op basis van risicokenmerken toe te delen aan een bepaald toetsniveau (bijvoorbeeld globaal, representatief of integraal). Voor de inhoudelijke beoordeling van aanvragen maakt de ODU gebruik van het vastgestelde toetsprotocol (BrisToets/VBWT). In dit protocol is per activiteit en per toetsniveau uitgewerkt welke onderdelen en voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) worden beoordeeld. Het categoriemodel bepaalt daarmee het niveau van toetsing, terwijl het inhoudelijke toetsprotocol vastlegt welke voorschriften en onderdelen binnen dat niveau worden getoetst. Beide instrumenten vormen gezamenlijk de technische uitwerking van de in deze strategie vastgestelde risicogestuurde aanpak. Toetsniveau 4. Zeer hoog risico: Integraal toetsen

3. Hoog risico: Representatief toetsen

2. Gemiddeld risico: Visueel toetsen

1. Laag risico: Uitgangspunten toetsen

Omschrijving Alles toetsen. Getoetst wordt of de uitgangspunten die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten getoetst/nagerekend. Toetsing van de belangrijkste onderdelen. Getoetst wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. De na te rekenen aspecten worden bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets. Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Getoetst wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Getoetst wordt of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven.

Als gegevens niet aanwezig zijn de ontvankelijkheidtermijn is verstreken zonder dat de gemeente hiervan melding heeft gegeven, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd.

Naast de vaste risicobepaling en de daarbij behorende toetsniveaus is er, te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per aanvraag om omgevingsvergunning een inschatting te maken of het bepaalde toetsniveau in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van het vastgelegde niveau. Belangrijk uitgangspunt bij de uitvoering is dat het toezichtniveau (hoe vaak en hoe gedetailleerd controleren?) bij een bouwactiviteit gelijk is aan het toetsniveau bij een vergunningverzoek. Het niet toetsen van een aanvraag om een omgevingsvergunning aan de bouwtechnische eisen uit het Bbl (‘toetsniveau 0’) kwam voorheen niet voor. Met de komst van de Wkb is echter de rol van de gemeente tijdens het bouwproces veranderd. De inwerkingtreding van de Wkb heeft aan de voorkant tot gevolg dat er in het kader van vergunningverlening geen bouwtechnische toets meer plaatsvindt voor gevolgklasse 1 bouwwerken (vooralsnog alleen nieuwbouw, later ook verbouw). De preventieve toets van het bouwplan aan de bouwregelgeving vooraf wordt vervangen door toetsing en toezicht door private kwaliteitsborgers. Het betreft (met uitzondering van monumenten en archeologie en als er sprake is van constructieve gelijkwaardigheden) de volgende gevolgklasse 1 bouwwerken:

Vrijstaande eengezinswoningen, twee-onder-een-kapwoningen en rijtjeswoningen, inclusief eventuele garages en andere soorten aanbouwen; Woonboten en andere drijvende woningen; Vakantiehuisjes en andere vakantieverblijven; bedrijfshallen en fabriekspanden incl. bijbehorende gebouwen van maximaal twee verdiepingen; Fiets- en voetgangersbruggen; Overige bouwwerken bedoeld voor wegen (geen viaducten en dergelijke), vaarwegen, stroomvoorziening, en dergelijke als ze niet hoger dan 20 meter zijn. 40

Voor het behandelen en beoordelen van aanvragen hanteren wij de volgende vaste toetsingskaders. Deze kaders komen voort uit de wet en/of ons vastgestelde beleid.

Algemene werkwijze De vergunningverlening sluit aan op het procesmodel van de Omgevingswet en volgt een uniforme, transparante en risicogerichte werkwijze. Het proces omvat de fasen van aanvraag tot start toezicht. Vergunningaanvragen en meldingen met betrekking tot de Omgevingswet (Ow) worden ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), dat gekoppeld is aan het zaaksysteem. Aanvragen en meldingen voor milieubelastende activiteiten (Mba’s) worden rechtstreeks doorgestuurd naar de ODU. Via de samenwerkingsmodule binnen het DSO vindt afstemming plaats met ketenpartners zoals de VRU, MooiSticht en het Waterschap. 1. Intake en vooroverleg Initiatiefnemers kunnen plannen vooraf bespreken via een informatieverzoek, vooroverleg of conceptaanvraag. Het informatieverzoek is bedoeld om op hoofdlijnen te toetsen of een plan haalbaar is. In het vooroverleg worden vervolgens de relevante beleids- en juridische kaders, benodigde vergunningen en onderzoeken besproken, evenals participatie en mogelijke knelpunten. Bij complexe initiatieven wordt het plan besproken aan de Omgevingstafel, waarbij de gemeente, ODU, VRU en andere relevante partners aansluiten. Doel is om de formele procedure soepeler, sneller en efficiënter te laten verlopen en vroegtijdig knelpunten te signaleren. 2.

Ontvangst en behandeling van de aanvraag Aanvragen worden via het DSO geregistreerd en beoordeeld op volledigheid. De casemanager bewaakt de integraliteit, coördineert de benodigde adviezen en ziet toe op de wettelijke beslistermijn. De reguliere procedure kent een beslistermijn van acht weken, die éénmalig kan worden verlengd met zes weken. Als een aanvraag niet compleet is, wordt de aanvrager verzocht om aanvulling; de termijn wordt dan opgeschort conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij meervoudige aanvragen geldt de procedure van de activiteit met de zwaarste toetsingsgrondslag. De uitgebreide procedure (maximaal 26 weken) is van toepassing in de bij de Ow aangewezen gevallen, zoals m.e.r.-plichtige besluiten, Natura 2000-activiteiten, rijksmonumenten of aanvragen met aanzienlijke maatschappelijke impact. 3. Advisering en afstemming De gemeente toetst aanvragen aan het omgevingsplan, beleidsregels en verordeningen. De ODU voert de bouwtechnische, milieutechnische, constructieve en archeologische toetsing uit; De VRU adviseert over brandveiligheid en evenementen; MooiSticht beoordeelt plannen op welstand, monumenten en beeldkwaliteit; bij Rijksmonumenten de RCE; OOV en politie worden betrokken bij risicovolle vergunningen, zoals horeca of evenementen waarvoor een Bibob-toets geldt.

Bij meervoudige aanvragen of aanvragen met een ander bevoegd gezag (provincie of Rijk) brengt het college binnen vier weken een gemotiveerd advies uit. 4. Besluitvorming Het college van burgemeester en wethouders besluit over vergunningverzoeken. Aan vergunningen worden duidelijke, handhaafbare en begrijpelijke voorschriften verbonden. Bij integrale projecten wordt gestreefd naar één gecombineerde vergunning en besluitmoment. De aanvrager ontvangt tussentijdse updates via het DSO, en besluiten worden gepubliceerd op overheid.nl met toelichting over bezwaar en beroep. 5. Werkwijze bij intrekking ongebruikte vergunningen Na één jaar controleert de toezichthouder of een bouwactiviteit is gestart of afgerond. Indien niet gestart, wordt contact opgenomen met de vergunningverlener om te bepalen of de vergunninghouder nog gebruik wil maken van de vergunning. Bij voortzetting kan de vergunning éénmalig met maximaal één jaar worden verlengd. 41

Indien geen uitvoering plaatsvindt, stelt de casemanager een ontwerpbesluit tot intrekking op; de vergunninghouder krijgt vier weken voor zienswijze. Daarna volgt een definitief besluit dat wordt bekendgemaakt.

42

Monitoring vergunningstrategie doel vergunningverlening Kwaliteit van de vergunningen Zorgvuldige en tijdige besluitvorming Dienstverlenend zijn in het meedenken over oplossingen Verbetering klantgerichtheid Voorkomen van het onbedoeld faciliteren van criminelen

43

indicator % vergunningen met bezwaar/beroep dat standhoudt (KPI: 90%) % vergunningen binnen wettelijke termijn afgehandeld (KPI: 90%) Aantal initiatieven voor woningtoevoeging (splitsing, optoppen, transformatie) dat dankzij vooroverleg mogelijk is gemaakt. Gemiddelde tevredenheidsscore aanvragers (KPI: 7,5) Percentage aanvragen voor een exploitatie- of Omgevingswetvergunning die betrekking hebben op een voor ondermijning gevoelige branche, waarbij conform de Bibob-beleidsregel een Bibob-toets is uitgevoerd (KPI 2029: 100%)

Meetmoment Jaarlijks Halfjaarlijks Jaarlijks Jaarlijks

Halfjaarlijks

Bijlage 4: uitvoeringskader toezicht Doel en uitgangspunten Toezicht is een essentieel onderdeel van de nalevingsketen. Door zichtbaar, risicogestuurd en gebiedsgericht toezicht te houden, draagt VTH bij aan een veilige, schone en leefbare stad. Het doel van toezicht is: Het bevorderen van naleving van wet- en regelgeving door tijdige signalering en toezicht. Het voorkomen van onveilige, ongezonde of ongewenste situaties in de leefomgeving. Het versterken van vertrouwen in de overheid door voorspelbaar en transparant optreden. Het signaleren van trends en risico’s die leiden tot beleidsverbetering of bijsturing van het omgevingsplan. Het toezicht sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet, de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) en de Kwaliteitscriteria 3.0. De gemeente IJsselstein werkt vanuit de volgende principes: Risicogericht: De inzet van toezicht wordt bepaald op basis van risico’s voor veiligheid, gezondheid, milieu, erfgoed en leefkwaliteit. Gebiedsgericht en integraal: Toezichthouders kijken breder dan hun eigen taakveld. Meldingen en signalen uit de wijk worden integraal opgepakt met partners (ODU, VRU, OOV, Cazas Wonen, Stichting Pulse, politie). Zichtbare aanwezigheid: Handhavers en toezichthouders zijn zichtbaar in de stad en fungeren als herkenbaar aanspreekpunt voor inwoners en ondernemers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16696529/1