1.1 Rapport - Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein
Tekst van het document
van, 2015, Belgische vluchtelingen en militairen in IJsselstein, Historische Kring IJsselstein 147/148, 37-48. Eversteijn, T., 2003, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945, z.pl. Fleischer, W., 2015, Deutsche Abwurfmunition in Zweiten Weltkrieg, Basiswissen über Bomben, Behälter, Lufttorpedos, Minen, Verpackungen und Zünder, Aken. Grimm, P., E. van Loo & R. de Winter, 2009, Vliegvelden in oorlogstijd, Nederlandse vliegvelden tijdens bezetting en bevrijding 1940-1945, Amsterdam. Kleijn, H.C.M., R.J.A. van Suchtelen van de Have, D.A. Hierck, B.A. van Tilburg & A. de Vries (red.), 2004, Op weerstand gebouwd, Verdedigingslinies als militair erfgoed, Zwolle. Klep, C. & B. Schoenmaker (red.), 1995, De bevrijding van Nederland 1944 – 1945. Oorlog op de flank, Den Haag. Klep, C., 2020, De bevrijding van Oost- en Noord-Nederland, Militaire Spectator 4-2020, 226-227. Koen, D.T., 1990, Utrecht verdedigd, Fortificatie en mobilisatie 1914-1940, Utrecht. Koen, D.T., 1995, Een onuitdoofbaar vuur, Betonnen verdedigingswerken in de Nieuwe Hollandse Waterlinie, Bunnik. Korthals Altes, A., 1984, Luchtgevaar: luchtaanvallen op Nederland 1940-1945, Amsterdam. Michels, J, 2021, ‘…de fictie dat Holland een vesting is.’, Vestingbouw door het wapen der genie, 1914-’40, Oirschot.
Molenaar, F.J., 1970, De luchtverdediging in de meidagen van 1940, De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofddeel III, deel 7, Band I en II, Den Haag.89
89
Tevens uitgebracht als De Geschiedenis van de Koninklijke Luchtmacht, Hoofddeel I, deel 2.
60
Murk, L., 1995, De inundatie in de Lopikerwaard, 1944-1945, in: Historische Kring IJsselstein 72/73, 267-278. Nierstrasz, V.E., 1955, De operatiën van het veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland, mei 1940, De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofddeel III, deel 3, Den Haag. Palma, J, 2009, Rapportage van het historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven ter plaatse van het plangebied van het project ‘Ruimte voor de Lek’, T&A Survey rapport 0908-GPR1505, Amsterdam. Rolf, R. & H. Sakkers, 2005, Duitse bunkers in Nederland, Middelburg. Schuring, H.A., 1958, De invloed van het landschap op de militaire operaties tijdens de Tweede Wereldoorlog, proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht, Aalten. Veenstra, S.L., 1992, In de schaduw van de glorie: overzicht van vliegtuigbergingen in Nederland: 1960-1977, Zutphen. Vliet, J. van, 1979, Het relaas van de IJsselsteinse Heinkel HE III, Historische Kring IJsselstein 5, IJsselstein. Volkers, K., 2009, Geheim landschap, 200 jaar militairen op de Heuvelrug, Utrecht. Will, C., 2002, Sterk Water, De Hollandse Waterlinie, Utrecht. Zwanenburg, G.J., 1980-1982, En nooit was het stil….Kroniek van een Luchtoorlog, Deel 1, 2 en bijlage, Den Haag. Zijlstra, G, 1977, Diary of an air war, New York.
61
Websites https://beeldbankwo2.nl/nl/ https://defensiefotografie.nl/mob-complex/mob/lopik/ http://hkij.asuscomm.com/ https://nl.wikipedia.org/wiki/Inundatie_(1944-1945) https://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Hollandse_Waterlinie https://nl.wikipedia.org/wiki/Noodstudio_Lopik https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/ijsselstein/ijsselstein/tweede-wereldoorlog/ https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/hoogheemraadschap-destichtse-rijnlanden/tweede-wereldoorlog/ https://www.museumijsselstein.nl/bezet-vrij-de-herinneringen/ http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl https://vng.nl/nieuws/nieuw-handreiking-erfgoedverordening-en-omgevingsplan https://www.canonvannederland.nl/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog https://www.entoen.nu/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/3094156/explosievenonderzoek-bij-lekbrug-er-kunnen-nog-oude-vliegtuigbommenliggen Archieven Kadaster, Emmen Military Legacy, Dordrecht NIMH, Den Haag NIOD, Amsterdam NMM, Soesterberg Universiteit Wageningen Historische kern IJsselstein : historie - verval - toekomst AuteursGerry Herbst-Verkerk(Redacteur) IJsselstein, opgraving.
Projectnummer dendrochronologie (Stichting RING): 2001046 AuteursElsemieke Spoor-HanraetsTamara VernimmenEsther Jansma Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad en land AuteursStichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgevende instantie) Ontmoet historisch IJsselstein AuteursJasper van Muijden(Auteur)(Redacteur)Marian Wessels(Auteur)(Redacteur)Marcel Berkien(Auteur)(Redacteur)Bart Rietveld(Auteur)(Redacteur) Integraal plan kasteelcomplex IJsselstein AuteursWim van Sijl 1955-(Auteur)Adviesgroep BB+W.(Auteur) Canon van de geschiedenis van IJsselstein AuteursCharles BurghardTA van Dijk De straatnamen van IJsselstein : herkomst en relatie tot de historie van de stad. AuteursJoop Tamboer(Auteur) Vestingstad IJsselstein : inspiratiedocument met als doel: aanwijzing Gemeentelijk Monument Vestingstad IJsselstein en realisatie van een aaneengesloten reeks markeringen, reconstructies en visualiseringen die herinneren aan de middeleeuwse vestingwerken van Vestingstad IJsselstein AuteursWim van Sijl 1955-(Auteur)Adviesgroep BB+W.(Uitgever)Stichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgever) Two draft building specifications from 1538 for the construction of a roof on a monastery church in IJsselstein AuteursWillem AnnemaGeertruida de Moor 62
... als mantels om de stad ... : of hoe de IJsselsteiners tussen 1814 en 1940 hun oude vesting een nieuw aanzicht gaven AuteursPWA Broeders (Petrus Wilhelmus Adrianus), 1936-(Auteur)Stichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgever)
63
Figurenlijst Figuur 1-1 Ligging van de gemeente IJsselstein (rode lijn); inzet: ligging in Nederland (bron: PDOK). Figuur 3-1 Aandeel van de verschillende typen onderzoek over de periode 1993-2022 (boven), 1993-2010 (linksonder) en 2011-2022 (rechtsonder). Figuur 3-2 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond (ten opzichte van NAP) volgens verschillende modellen. Figuur 3-3 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond met geologische boringen. Ter hoogte van de holocene meandergordels is het pleistocene oppervlak waarschijnlijk geërodeerd en niet meer intact. Figuur 3-4. Ligging van de verschillende fossiele meandergordels in de gemeente IJsselstein (naar Cohen et al. 2012. Figuur 3-5 Doorsnede van een rivierenlandschap (naar Heunks & Van Hemmen 2016). Figuur 3-6 Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) voor de gemeente IJsselstein. Figuur 3-7 Militaire kaart van de Provincie Holland (vestingen, forten en posten)’ door Pieter Ketelaar uit 1769 (bron: Nationale archief met inventarisnummer H50, H50.1 t/m H50). Figuur 3-8 Uitsnede van de 'Kaart van de Baronie van IJsselstein' door David Hattinga uit 1770 (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203). Figuur 3-9 Uitsnede van de 'Kaart van het land van IJsselstein' van omstreeks 1775 met daarop goed zichtbaar het patroon van dijken (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203). Figuur 3-10.
Overzicht van de naoorlogse uitbreidingswijken rondom de historische kern van IJsselstein. Figuur 4-1 Globale verwachtingskaart jager-verzamelaars: gemodelleerde hoogteligging en intactheid van het Laatpleistocene landschap. Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein. Figuur 4-3 Landschappelijke ontwikkeling met archeologische vindplaatsen voor vier archeologische perioden. Figuur 6-1 Het archeologisch proces (AMZ) (bron: SIKB). Figuur 0-1. De situatie op 14 mei 1940 op het tijdstip van de capitulatie (naar Nierstrasz 1955, schetskaart Nr. D.6).
64
Tabellenlijst Tabel 3.1 Overzicht van AMK-terreinen in de gemeente IJsselstein. Tabel 3.2 Overzicht van vindplaatsen naar complextype en begindatering. Tabel 3.3 Overzicht van uitgevoerde AMZ-onderzoeken in IJsselstein, de percentages geven het relatieve aandeel over alle 224 onderzoeken weer (*: geofysisch, inspectie of onbekend). Tabel 3.4 Overzicht van stroomgordels in de gemeente IJsselstein. $: de vermelde zandhoogtes gelden voor de gehele stroomgordel, niet specifiek het deel dat binnen de gemeente ligt (gegevens ontleend aan Cohen et al. 2012). Tabel 4.1 Overzicht van de gehanteerde archeologische verwachtingen per periode per landschappelijk eenheid (*: de verwachting voor restgeulen heeft betrekking op watergerelateerde archeologische resten). Tabel 4.2 Gereconstrueerd hoogste voorkomen van de het potentieel archeologische niveau per rivierenlandschap.
Lijst van bijlagen Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen. Bijlage 2. Catalogus van archeologische rijksmonumenten. Bijlage 3. Catalogus van archeologische terreinen ('AMK-terreinen'). Bijlage 4. Catalogus van archeologische onderzoeken. Bijlage 5. Catalogus van (verdwenen) molens. Bijlage 6. Bureauonderzoek Inventarisatie Modern oorlogserfgoed. Bijlage 7. De Erfgoedwet, de KNA en het archeologisch onderzoekstraject.
Lijst van kaartbijlagen Kaartbijlage 1. Inventarisatiekaart archeologische vindplaatsen en onderzoeken. Kaartbijlage 2. Archeo-landschappelijke verwachtingskaart (neolithicum - middeleeuwen). Kaartbijlage 3. Historisch-geografische waarden en relicten. Kaartbijlage 4. Kaart historisch-geografische waarden en verwachtingen. Kaartbijlage 5. Inventarisatiekaart historische centrum. Kaartbijlage 6. Archeo-landschappelijke verwachtingskaart historisch centrum. Kaartbijlage 7. Historische relictenkaart historische centrum. Kaartbijlage 8. Kaart met verstoringen en vrijgegeven gebieden historische centrum. Kaartbijlage 9. Beleidsadvieskaart. Kaartbijlage 10. Relictenkaart Tweede Wereldoorlog. Kaartbijlage 11. Archeologische beleidskaart gemeente IJsselstein Kaartbijlage 12. Archeologische beleidskaart historische kern IJsselstein
65
Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen Bijlage 2. Catalogus van archeologische rijksmonumenten Bijlage 3. Catalogus van archeologische terreinen ('AMK-terreinen') Bijlage 4. Catalogus van archeologische onderzoeken Bijlage 5. Catalogus van (verdwenen) molens
66
Bijlage 6 Inventarisatie Modern oorlogserfgoed A.V.A.J. Bosman (Military Legacy) 1 Werkwijze en bronnen Het onderzoek naar het modern oorlogserfgoed bestond uit een inventarisatie opgesteld van de belangrijkste elementen uit de periode 1870-1991 binnen het grondgebied van de gemeente IJsselstein. Vanwege het karakter van de objecten is er niet uitsluitend sprake van archeologische sporen, lees: die verborgen liggen in de bodem of onder het wateroppervlak, maar kan er ook een connectie zijn met bouwkundige elementen, die nog (deels) intact kunnen zijn. Derhalve dient de archeologische inventarisatie naadloos aan te sluiten op het bestaande (of in ontwikkeling zijnde) bestand van bouwkundige militaire objecten met of zonder monumentenstatus. Hierbij kan er sprake zijn van singuliere objecten, maar vaker komen objecten voor die een ensemble vormen binnen een stelling, linie of ander verdedigingsplan. Het gaat hierbij specifiek niet om geïsoleerde locaties waar militaire handelingen zonder een archeologische “neerslag” zich hebben afgespeeld.
Bij de inventarisatie is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: Luchtfoto’s, specifiek luchtfoto’s uit de periode 1939-1945 (zie literatuur- en bronnenlijst) OCE-rapportages: onderzoek naar niet gesprongen explosieven Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl) Literatuur en kaartmateriaal (zie literatuur- en bronnenlijst) Hoewel de inventarisatie zich heeft geconcentreerd op militaire objecten, kan er ook sprake zijn van het voorkomen van objecten van specifieke tijdens extreme crises optredende organisaties zoals de Bescherming Bevolking (B.B.) en het Nederlandsche Roode Kruis. Ook kunnen sporen voorkomen van andere tijdens oorlogsomstandigheden ontstane objecten, zoals onderduikplaatsen, schuilplaatsen ingericht door/voor het verzet en kampen voor internering of dwangarbeid of juist vanwege vrijwillige inzet zoals binnen de Nederlandsche Arbeidsdienst. Een deel van deze bouwwerken en objecten zijn gepland, soms zelfs openbaar aanbesteed. Een ander deel, zoals die als gevolg van verzetsactiviteiten zijn ontstaan, zijn vanwege hun clandestiene karakter niet of nauwelijks vastgelegd.
2 Verspreiding van modern oorlogserfgoed 2.1 Algemeen De sporen van oorlogen en voorbereidingen daarop hebben niet een gelijkmatige verdeling in Nederland. Sommige zones zijn zwaar ‘verbouwd’ of hebben ernstiger geleden onder het oorlogsgeweld. Vrijwel het gehele land is vanuit de lucht doelwit geweest of de plek waar vliegtuigen kunnen zijn gecrasht, of schepen die zijn vergaan op binnen- en buitenwater. Er is een stelregel dat de concentratie van sporen uit de periode 1870-1914 vooral in de linies en langs de kusten ligt. Dat wordt voortgezet in de periode tot 1918, waarbij de grensbewaking meer gewicht krijgt. Hierna is door de ontwikkeling van de militaire luchtvaart ook steeds meer aandacht voor het beschermen van het land achter de linies. De strijd in mei 1940 kent enkele concentraties is de linies die een vijand uit het oosten moesten stuiten. De bekendste is het Oostfront van de Vesting Holland, met daarin de beroemde Grebbelinie. Na het begin van de bezetting is de focus vooral op het verdedigen van de kust gelegd, waar na 1942 volop wordt aangevangen met de bouw van de Atlantikwall. Ook hiervoor worden in het achterland verdedigingszones ingericht met versperringen, inundaties en mijnenvelden. Na mei 1945 wordt de blik weer naar het oosten gericht.
De IJssellinie wordt bijvoorbeeld uitgebouwd, en ten westen daarvan een reeks van nieuwe kazernes en mobilisatiecomplexen voor enerzijds de onderkomens van de grote scharen dienstplichtige militairen en anderzijds de opslag van oorlogsmaterieel, -materiaal en munitie. Modern oorlogserfgoed in IJsselstein Voor Nederland is er een aantal jaren geleden een Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) gemaakt.90 Deze kaart is niet compleet en mist op sommige punten essentiële details voor een juiste duiding. Maar als eerste ingang is wel enigszins bruikbaar, mits de tekortkomingen worden meegewogen.
90
http://ikme.nl/
67
Figuur 1. IJsselstein op de IKME (naar ikme.nl). Op bovenstaande afbeelding ontleend aan de IKME is het gehele grondgebied van IJsselstein leeg. Er staat alleen de opmerking die voor het gehele grondgebied op het land van Nederland geldt: “In deze zone kunnen resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen.” Uiteraard zijn er nog wel meer structuren en vondsten denkbaar, en dan ook uit perioden anders dan WO2 waar de IKME toch vooral op gefocust lijkt te zijn. In de directe omgeving van IJsselstein worden wel enkele van belang zijnde objecten aangeduid, die allen op elk hun wijze een uitstraling kunnen hebben gehad op activiteiten en daarmee op het ontstaan van objecten als sporen en vondsten in de bodem van IJsselstein. Nr. 1 is het Duitse schijnvliegveld Veldhuizen-Reijerscop (SF. 18).91 Deze Scheinflugplätze werden door de Duitsers aangelegd om de vijand te misleiden. Ze werden daarom zo opvallend mogelijk gemaakt om de indruk te wekken dat er een actief militair vliegveld aanwezig was. De gedachte was dat de geallieerden hierdoor juist deze locaties zouden aanvallen en de meer gecamoufleerde operationele Flugplätze zouden missen. De schijnvliegvelden werden voorzien van aanduidingen van start- en landingsbanen92, (baan) verlichting, opstelplaatsen, schuurtjes en vlonders in hangar-vorm en zelfs dummyvliegtuigen.
Soms stonden die vliegtuigen op een rail zodat ze bewogen konden worden op of langs het veld. De schijnvliegvelden zijn gebouwd door de Luftschutzdienst van het Luftgau Holland. Deze dienst zorgde ook voor onderhoud, bediening en bewaking. Per schijnvliegveld was er slechts een klein aantal, meestal oudere manschappen beschikbaar. Zij werden meestal in de buurt ondergebracht of ingekwartierd. Van SF. 18 is bekend dat hier achttien houten vliegtuigsilhouetten aanwezig waren. Ze leken op de middelzware bommenwerper Heinkel He 111.93 Een van de taken van de bemanning was het vrijwaren van de locaties tegen sabotage. Maar het is duidelijk dat het verzet veel van de schijnvliegvelden al aan Londen had gerapporteerd. Hiermee waren de locaties zeker bekend. Maar dat neemt niet weg dat schijnvliegvelden wel zijn aangevallen gedurende de oorlog. Bommenwerpers die hun primaire doel hadden gemist en op de terugweg naar Engeland op zoek waren naar gelegenheidsdoelen kunnen makkelijk in de verleiding zijn geraakt om juist op deze velden hun lading te droppen. Er is wel gekscherend gedaan over het nut en noodzaak94, maar getuige het aantal geallieerde bommen dat op of nabij deze Scheinflugplätze is gevallen, is er meer succes dan geallieerde bronnen doorgaans melden, als het vanuit hun visie slechts ging om de schijn op te houden.
Overigens hadden de Duitsers geen enkele compassie met eventueel aanwezige buurtbewoning. Ze legden de schijnvliegvelden dikwijls nabij bewoonde kernen aan.
Grimm e.a. 2009, 66-70. Deze banen warden opzettelijk langer gemaakt dan nodig: tussen de 2000 en 3000 m. Dit bevorderde de waarneembaarheid vanaf grotere hoogte. Ze waren daarmee zichtbaar vanaf een hoogte van 2500 m, terwijl de echte vliegvelden pas waarneembaar waren vanaf 700 m! 93 Saillant detail is dat veel van die gebruikte vliegtuigmodellen zijn gemaakt door de filmdecorfabriek van de Cinetone Studio aan de Duivendrechtsekade in Amsterdam en in een timmerfabriek in Haarlem. 94 Zelfs gedurende de oorlog. 91
92
68
Archeologische sporen van het schijnvliegveld zelf zijn in IJsselstein niet aanwezig. Mogelijk kunnen wel manschappen zijn ondergebracht geweest in bestaande bebouwing in de buurt. In de nabijheid hiervan kunnen afvaldeposities aanwezig zijn, net als simpele verdedigingsopstellingen of schuilnissen. Eventuele bomaanvallen zullen kraters of brandvlakken hebben opgeleverd, alsmede schade aan bebouwing van destijds. Nr. 2 is de Duitse Hintere Wasserstellung. Opmerkelijk is dat deze tweede of Hintere Wasserstellung, een Duitse verdedigingslinie, ten oosten van de eerste of Vordere Wasserstellung op de IKME alleen wordt geduid als een linie die een invasie vanuit de kuststreek moest vertragen. De linies waren echter vooral ook ingericht om een aanval in de rug van de Atlantikwall te kunnen vertragen. De naam geeft al aan dat het grootste deel van de linie bestond uit geïnundeerde terreinen. Dit zijn terreinen die tot een diepte van 30 tot 60 centimeter onder water zouden komen te staan. Dit was té diep voor oprukkende infanterie, die bovendien nergens in dekking kon, maar té ondiep voor normale vaartuigen. De Hintere Wasserstellung volgde een groot deel van het tracé van de Oude Hollandse Waterlinie.
Nadat de geallieerde landingen in Normandië geslaagd waren kwam op 21 juni 1944 het bevel dat alle schepen, van groot tot het formaat kano, die binnen de Vordere Wasserstellung lagen, verplaatst moesten worden naar het gebied ten oosten van het Merwedekanaal (tegenwoordig Amsterdam-Rijnkanaal). De reden was duidelijk: om te voorkomen dat een vijandelijke troepenmacht hiervan gebruik kon maken om over de inundaties van beide Stellungen te komen. De Duitsers hebben overigens nog veel meer gebieden van inundaties voorzien, zoals in het Rivierengebied, Zeeland en de noordelijke provincies. In totaal werd door de Duitsers 250.000 m2 onder water gezet. Hierbij is deels gebruik gemaakt van de al veel eerder voorbereide inundatieobjecten zoals geopende sluizen en stilgelegde gemalen, maar vaker nog werden dammen en dijken eenvoudig opgeblazen. Hiermee werden bressen geslagen waardoor het water ongehinderd kon binnen vloeien. Nadeel hiervan was dat er geen systeem was voorzien om dit water weer kwijt te raken. Herstel en weer bruikbaar krijgen van veel landbouwgebied zou daarom na de bevrijding nog lang vergen. De geïnundeerde gebieden leveren niet of nauwelijks archeologische sporen op. Het enige is een afzetting door het stilstaande water. Wel kunnen de voorbereide inundatieobjecten aanwezig zijn, of de in dijken en dammen geslagen bressen als sporen terug te vinden zijn. Nr.
3 is de oudste van de linies, namelijk De Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit was een verdedigingslinie die deels het tracé van de Oude Hollandse Waterlinie volgde. Maar op een aantal essentiële punten week het af door ontwikkelingen in het belang van specifieke plaatsen, zoals Utrecht en de verbeteringen op het gebied van geschut. In beide gevallen vormden deze linies de oostelijke verdediging van de Vesting Holland. De Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) is de oostelijke bescherming van de Vesting Holland in de periode van 1870 tot 1945. De Nieuwe Hollandse Waterlinie was de vervanging voor de uit het einde van de 17e eeuw daterende Hollandse Waterlinie. Deze zou vanaf 1871 een nieuwe naam krijgen, met het voorvoegsel ‘Oude’. Een belangrijk verschil tussen de oude en de nieuwe linie is dat de stad Utrecht nu wel binnen de linie valt. De nieuwe waterlinie lag ten oosten en zuiden van de belangrijkste steden van Holland, is 85 kilometer lang en kent een breedte van 3 tot 5 kilometer. Met deze breedte werd er zoveel mogelijk afstand gecreëerd tussen die steden en eventuele vijandelijke artillerieopstellingen. De dracht van de granaten was dan onvoldoende om de doelen te kunnen raken. Echter de ontwikkelingen gingen snel, waarbij deze marge steeds kleiner werd en zeker door de ontwikkeling van de militaire luchtvaart, die zeer gemakkelijk linies kon overbruggen.
Met 46 forten in deze linie strekte het zich uit van forteiland Pampus in de Zuiderzee (na 1932 IJsselmeer) tot aan de Biesbosch, een natuurlijke barrière. Tevens bevat de linie vijf vestingsteden: Muiden, Weesp, Naarden, Gorinchem en Woudrichem. Vanuit de forten en vestingsteden konden de belangrijkste toegangen tot de Vesting Holland worden verdedigd, over land (weg en spoor) en over water. In het achterland van de linie zijn op diverse plaatsen opstellingen voor reservetroepen, proviandering en munitieopslag gecreëerd. Om het waterpeil van 30 tot 60 cm in de inundatiegebieden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vast te houden en gegeven de verschillen in het peil van de landerijen, was een complex systeem van "onderwaterhuishouding" nodig. Het te inunderen gebied was hiertoe onderverdeeld in een fijnmazig netwerk van deelgebieden. Zo kon een klein sluisje of dijkje een even essentieel onderdeel zijn als een fort met geschut en bemanning, omdat het moest zorgen voor het exact reguleren van het inundatiepeil.
69
De Nieuwe Hollandse Waterlinie krijgt niet of nauwelijks een rol in de periode van de Koude Oorlog. De enige deels op inundatie ingerichte linie is in die periode de nog verder naar het oosten gelegen IJssellinie.
Figuur 2. Deze foto geeft het doel van de inundatie als vertragende tactiek heel goed weer: een Britse motorordonnans loopt in Nederland over de net niet geheel onder water staande dijk langs een van de weg gezakte Artillery tractor op 8 November 1944 (IWM, B 11816).
70
Figuur 3. Overzicht van alle Inundatiegebieden in de periode 1944-1945 in Nederland (wikipedia.org).
71
Figuur 4. Ligging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, met inundatiegebieden (blauw) en forten en stellingen (zwart; bron: wikipedia.org). 72
Figuur 5. Een inundatievoorziening: de Papsluis aan de Kildijk te Nieuwendijk. (wikipedia.org). 2.2 De Eerste Wereldoorlog Over de periode 1914-1918 kan het kort blijven. Er werden geen militaire bouwwerken aangelegd. Nederlandse gemobiliseerde militairen hadden zich nauwelijks in IJsselstein opgehouden. Wel werden in de periode oktober-november 1914 zo’n 200 Belgische vluchtelingen opgevangen in de meubelfabriek Van Rooijen. Hiervan gingen op zo’n 16 na alle weer na een maand terug naar Antwerpen. Degene die blijven worden later opgevangen in opvangkampen zoals te Nunspeet. In 1916 komen vijf in Nederland geïnterneerde Belgische militairen in IJsselstein bij dezelfde meubelfabriek te werken. Er is door de mobilisatie een groot gebrek aan werkkrachten. De Belgen waren hiervoor speciaal uit het Kamp Zeist gehaald. In november 1918 zouden in totaal zo’n 25 Belgische militairen hier werken. Naast werkzaam in de meubelfabriek, werden er ook aangesteld in de steenfabriek Overwaard en een enkeling bij een bouwbedrijf, drukkerij of wagenmaker.95 Voor deze Belgen werden geen aparte onderkomens of tentenkampen opgesteld. Zij verbleven op het terrein van de fabrieken of werden heen en weer naar Kamp Zeist gehaald en gebracht. 2.3 Tweede Wereldoorlog verloop en opstellingen Mei 1940 IJsselstein lag aan de vooravond van WO2 precies op de grens van de Groep Utrecht en de Groep Lek.
Het hoofdkwartier van de eerste lag in het noordwesten van Utrecht, dit was het tweede bataljon van het 25e Regiment Infanterie (II-25 R.I.). Van Groep Lek lag dat van II-32 R.I. in Vianen. Deze troepen vormde de meest westelijke linie van de Vesting Holland. De hardnekkig te verdedigen linie lag verder naar het oosten van Spakenburg via de Grebbeberg bij Rhenen tot aan de Ochten waar het naar het westen afboog al Linge-Waalstelling tot voorbij Gorinchem. In die zone lagen voorbereide stellingen als kazematten, loopgraven en geschutsopstellingen. Dat was niet het geval in de zone van IJsselstein.
95
Van Dijk 2015.
73
Wel zijn er op 11 en 12 mei 1940 Nederlandse troepen opgesteld bij de brug van de Rijksweg (tegenwoordig A2) over de Lek. Aan de noordzijde, deels op het grondgebied van IJsselstein zijn dit manschappen van de tweede compagnie van het derde bataljon van 25 R.I. (2-III-25 R.I.). Aan de zuidzijde op het grondgebied van Vianen staat de 9e Batterij Luchtafweer (9 Bt.Lu.A.) en 89e en 90e Peloton Luchtdoelmitrailleurs (89 en 90 Pel.Lu.Mitr.). Deze zullen in allerhaast ingegraven stellingen of op het oppervlak met zandzakken ingerichte posities hebben gestaan. De situatie voor het Nederlandse leger verslechterd per dag en per uur. Op 14 mei staat omstreeks 12.00 uur de Duitse voorhoede gevormd door de SS Standarte der Führer al iets ten oosten van Schalkwijk, gevolgd door de 207e Division waaronder Infanterie Regiment 374 bij Doorn. In en rond IJsselstein nestelen zich de teruggetrokken Nederlandse troepen van de Ive Divisie en Brigade B, het hoofdkwartier van de eerste wordt in IJsselstein zelf gevestigd. Verder liggen er troepen van de eerste batterij van het 16e Regiment Artillerie (I- 16 R.A.). Iets verder naar het zuiden werd luchtafweer opgesteld: het derde peloton van de 159e Batterij Luchtafweer, De Luchtdoelmitrailleurs worden van Vianen ook overgezet naar IJsselstein, en bovendien uitgebreid. Hier liggen dan 79, 80, 89 en 90 Pel.Lu.Mitr. aan de Kleine IJssel.
Deze situatie blijft ongewijzigd tot het moment van de Nederlandse capitulatie later die dag.
Figuur 0-1. De situatie op 14 mei 1940 op het tijdstip van de capitulatie (naar Nierstrasz 1955, schetskaart Nr. D.6). Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er veel gebeurd, zo ook in IJsselstein. Wat volgt is slechts een selectie en een samenvatting van twee opvallende kwesties van de oorlog: vluchtelingenopvang en de gevolgen van de oorlog op het plaatselijk bestuur. IJsselstein bood naast een onderkomen aan de Nederlandse militairen ook steun aan burgervluchtelingen. Al tijdens de mobilisatie waren op landelijk niveau vluchtelingencentra verordonneerd. Zo was IJsselstein aangewezen als opvangcentrum voor 1000 evacués uit de zones van de Grebbelinie (met name Rhenen) en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (vooral Tiel). Er werd van tevoren rekening gehouden met zaken, zoals of geloofsovertuiging en beroep aansloten op de inwoners van IJsselstein. Op maandag 13 mei 1940 kwam het bericht dat het 5000 inwoners tellende IJsselstein, op 3141 vluchtelingen uit Tiel kon rekenen. Door de chaos wachtten veel deze mensen niet op vervoer en kwamen lopend de Lekbrug over. Verder kwamen ook evacués uit de omgeving van Rhenen en Veenendaal, en een schare van de Veluwe. De meesten werden zo lang bij boeren ondergebracht. Zo was er nauwelijks gebrek aan voedsel. Een tweede reden was dat sommige
74
vluchtelingen hun eigen koeien hadden meegenomen, wat overigens wel door een overschot problemen gaf met de afvoer van de melk. Kort na de capitulatie gingen de vluchtelingen met hun hebben en houwen weer naar huis. De strijd in de meidagen is nauwelijks op het grondgebied van IJsselstein uitgevoerd. De enige uitzonderingen zijn bombardementen (zie onder) en een Duitse luchtaanval met boordwapens op de waarnemingspost van de plaatselijke luchtbeschermingsdienst, die was gesitueerd in de zogenaamde gemeentetoren. Bezetting Zowel in WO1 als in WO2 was Utrecht een centrale plaats. Er waren vanouds diverse kazernes aanwezig, zoals de Hojelkazerne en de Kromhoutkazerne. De hier aanwezige Nederlandse troepen hebben in de omgeving geoefend, en mogelijk daarbij ook IJsselstein hebben doorkruist. Echter of hiervan sporen in de bodem resteren, met uitzondering van een verloren knoop of monddeksel van het geweer, is sterk de vraag. Datzelfde geldt ook voor de bezettingsperiode. De Duitsers vestigen hier de hogere commandostaven van de Kriegsmarine. De Wehrmacht Heer (de Duitse landmacht) deed hetzelfde door hier het legerkorpscommando te vestigen aan het St. Janskerkhof in die stad. Hiervoor is in het stadscentrum en in Oog in Al een aantal bunkers gebouwd. Op 15 januari 1944 zou overigens het commandocentrum worden verplaatst naar Bilthoven.
Op het grondgebied van IJsselstein zijn er vooralsnog geen Duitse bunkers bekend. Dat is opmerkelijk aangezien er wel sprake is van enkele strategisch belangrijke punten, zoals de brug waar de Rijksweg (tegenwoordig A2) de Hollandse IJssel kruist en verder naar het zuiden de brug over de Lek. Wel is er iets bekend over een eventuele aard van de Duitse troepen in een geallieerde opgave van 16 januari 1945: IJsselstein E/1583. 55 troops of Wehrmachtskomm. Maastricht and telephone exchange 300 troops WH red, commander Hauptmann Erner and the officers Oberltn. Mueller Reinert, Oberltn. Hauser, Ltn. Elsner and Ltn. Ebmayer, left with 4 x 8,8 cm A.A. 96 In september 1944 werd IJsselstein weer een toevluchtsoord voor vluchtelingen. Er kwamen 375 vluchtelingen uit de omgeving van Arnhem en Oosterbeek, door het oorlogsgeweld van Operatie Market Garden op drift geraakt. Nu was er echter wel een voedselprobleem, vooral omdat deze mensen voorlopig niet naar huis konden. De slag om Een brug té ver was immers verloren. Het zou nog minstens acht maanden duren eer deze mensen naar huis konden terugkeren, zo dat nog intact was. Op luchtfoto’s van 29 november 1944 zijn een aantal actieve Duitse stellingen zichtbaar. Het betreft in ieder geval twee 8,8 cm luchtafweerstellingen in het zuidwesten, ter plaatse van de Lagedijk tussen IJsselstein en Klaphek. De batterij is bijna dagelijks actief.
Eén inwoner werd op straat door een terugvallende granaatscherf gedood, enige anderen liepen lichte verwondingen op.97 Er is tevens een wapenopstelling aan de westzijde van de Rijksweg ten zuiden van de brug over de Hollandse IJssel, en iets ten zuiden daarvan nog een geschutstelling. Van deze beide twee is niet duidelijk wat voor type vuurmond hier is neergezet. Ook het type vuurmonden is niet bekend van de opstellingen bij de brug over de Lek in het tracé van de Rijksweg (A2). Wat wel bekend is, is dat deze op respectievelijk op 18 en 20 september werden aangevallen met lichte afwerpmunitie, en op 24 september werd er melding van gemaakt dat het geschut had teruggeschoten. Deze luchtaanvallen hielden waarschijnlijk verband met de uitvoering van operatie Market Garden. Dergelijke aanvallen moesten eventuele Duitse versterkingen of proviandering ophouden. Op 1, 4 en 5 januari 1945 wordt de brug opnieuw aangevallen, nu door jachtbommenwerpers van het type Hawker Typhoon. Op de laatste dag is de actie succesvol. Korthals Altes beschrijft deze acties: “Op deze gedenkwaardige Nieuwjaarsdag waren ook de geallieerden in het offensief. Zo werden de aanvallen op de rivierovergangen hervat. Gillam’s 193 Squadron had de Lekbrug bij Vianen als doel. Een 500-lbs-bom trof een pijler.
Vier dagen later lukte hier, aan welgeteld niet meer dan zeven Typhoons, wat een karavaan van middelzware bommenwerpers in het afgelopen kwartaal maar zelden hadden vermocht: de totale vernietiging van een grote brug. Met een rond de 50º duik stortten zich de jagers van 2300 m omlaag om halverwege de grond hun 1000-ponders los te laten. De tweede Typhoon van de formatie plaatste een voltreffer en toen de laatste golf over het doel raasde zakte de hele overspanning in de Lek.” 98
NIMH collectie 575, invnr. 433. Abbinks Spaink, 67. 98 Korthals Altes 1984, 306-307. 96 97
75
Figuur 7. Op een RAF-luchtfoto van 22 januari 1945 is de schade aan de Lekbrug van Vianen en bomkraters op de oever goed zichtbaar (Wageningen University & Research - Library, Special Collections; RWk.2-8; RAF 540-01-0006). Op Figuur 8 staat het inundatiegebied aangegeven ten westen van IJsselstein. Het water werd door opgeworpen kaden weggehouden bij het stadje. Dat werk werd overigens opgedrongen aan de mannelijke burgerbevolking die begin april 1944 een oproep kregen. Ieder van 16 jaar en ouder moest zich melden. Het gros diende hele dagen te werken, een aantal beroepsgroepen hoefden slechts halve dagen. Alleen de bakkers waren gevrijwaard van ‘spitten voor de Moffen’, zoals het illegale blad Trouw het in februari dat jaar al had genoemd. Tevens is een de tankgracht ten zuiden van IJsselstein en luchtafweerstellingen ten zuidoosten van die plaats aangegeven.99 In IJsselstein zelf stonden door de Duitsers aangebrachte betonblokkades onder andere op de kruising Hogebiezen – Provinciale Weg, Achtersloot-Benschopperweg en op het Eiteren ter hoogte waar tegenwoordig de winkel van Welkoop is. Rondom IJsselstein was aan de westzijde van de IJssel een tankgracht gegraven, met zeer steile taluds. Deze tankgracht liep vanaf de Lagedijk ongeveer langs het punt waar nu de TV zender van Lopik staat in de richting Hogebiezen naar het kruispunt Hogebiezen / Provinciale Weg.
Van dit punt werd de Provinciale Weg gevolgd in de richting van ’t Hemeltje. Ongeveer ter hoogte van de tegenwoordige IJsbaan ging hij in een grote bocht over de Benschopper-weg en de Groenendijk naar de
99
Murk 1995, 271.
76
Achtersloot ter hoogte van de huidige trambaan, om tenslotte bij het Eiteren de Hollandse IJssel te bereiken. Op de Lagedijk en Hogebiezen waren luchtafweerstellingen opgesteld, ter verdediging van de Lek en het zendercomplex.100
Figuur 8. Gearceerd: het geïnundeerde gebied ten westen van IJsselstein (naar Murk 1995, 271).
100
Murk 1995, 275.
77
Figuur 9. Inundatie ter hoogte van Boveneind in 1945 (Collectie RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, L0774). In de polder Broek werd een oppervlakte van ca. 230 hectare geïnundeerd, als onderdeel van de Hintere Wasserstellung, de inundatiegordel die zich door het westen van de provincie Utrecht uitstrekte. Ook werd er een tankgracht gegraven die zich van Lopik uit in een wijde boog om de stad heen boog, daarbij Benschopperweg, Achtersloot, Zuid- en Noord-IJsseldijk doorsnijdend. De tankgracht werd spoedig na de bevrijding gedempt.101 De geschutsopstellingen zullen zijn ingegraven of op het oppervlak hebben gestaan met een zandzakken bescherming. Tevens is rekening te houden met de aanwezigheid van schuilnissen voor de bemanning bij een directe aanval vanuit de lucht, en met de kuilen voor munitieopslag.102 Op het moment van het staken van de strijd op 4 mei 1945 waren de Canadese en Britse troepen nog veel verder van IJsselstein weg vergeleken met de positie van de Duitse troepen op 14 mei 1940. Er is zo bij de bevrijding van deze plaats geen schot gelost.
101 102
Abbink Spaink , 65. Zie bijvoorbeeld Bosman, Geerts & Sam 2017 met onderzoek naar een Duitse 2 cm Flakstelling nabij de John Frost brug te Arnhem.
78
Figuur 10. Overzicht van de bevrijding van Noord- en Oost-Nederland in 1945 (naar Klep 2020).
79
Civiel IJsselstein Net als elders in Nederland werd in september 1941 de gemeenteraad opgeheven en de wethouders ondergeschikt gemaakt aan de burgemeester. Burgemeester Johannes J. Abbink Spaink bleef in het geniep nog wel met zijn wethouders samenwerken. Op 1 mei 1943 vond er een staking plaats van IJsselsteinse fabrieksarbeiders. De SD greep in en wilde als afschrikkend voorbeeld drie van die stakers executeren. Burgemeester Abbink Spaink verzette zich hier openlijk tegen. Binnen twee weken werd hij zelf zonder reden ontslagen, en werd vervangen door NSB-burgemeester Henri Moot. Veel van de verzetsdaden waren kleinschalig, maar op 13 maart 1944 werd er een grotere actie uitgevoerd. Op die dag werd het gemeentehuis overvallen. Het doel was om zoveel mogelijk persoonsbewijzen en distributiebonnen buit te maken, hetgeen lukte. Vooral de persoonsbewijzen waren lastig om na te maken. Moot en een aantal van zijn ambtenaren werden opgesloten in de kluis. Het is niet duidelijk of deze ambtenaren een aandeel hadden in de actie. De kans hierop is wel groot aangezien ze na enige tijd alle bevrijd zijn van buitenaf. Een andere verzetsdaad is het tot zinken brengen van een schip bij de gasfabriek in IJsselstein.
Hiertoe werd een springlading onder de romp aangebracht.103 Burgemeester Moot speelde iets later een dubieuze rol in het zogeheten verraad van Benschop, waarbij verzetsleden in het openbaar werden geëxecuteerd. Wat hieraan voorafging was dat op 13 februari 1945 Duitse soldaten het dorp binnenvielen. Ze wisten waar ze moesten zijn, mogelijk door een vermomde man die de weg wees. Sommigen nemen aan dat dit NSBburgemeester Moot zelf was. De razzia leidde tot een schietpartij waarbij aan beide zijden slachtoffers vielen. Een groot aantal mannen werd weggevoerd, waarvan zeven enkele dagen later op het erf van een boerderij werden gefusilleerd. Hoewel Moot op 5 mei schielijk met de noorderzon vertrok werd hij later opgepakt en tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld. Op 7 mei 1945 kort voor de intocht van de bevrijders, keerde Abbink Spaink terug als burgemeester.
Figuur 11. Op 5 mei 1945 verzamelden Duitse troepen zich voor de aftocht op de Plaats voor het stadhuis van IJsselstein. Rechts werden goederen op karren geladen. Links liepen stoere kinderen met de Nederlandse vlag de straat op (canonvannederland.nl). De plaats van de Duitsers werd in IJsselstein al snel ingenomen door groep van zo'n 260 Canadese militairen van de 18th Field Company R.C.E. (Royal Canadian Engineers). Ze bleven hier gedurende de periode van 16 juli t/m 23 juli 1945. Hun aanwezigheid was kort, maar gezien hun taken waren ze ideaal voor het verlenen van herstel en noodhulp.
103
Copier – Van den End 19.., 66
80
Figuur 12. Een Humber pantserwagen reed op 7 mei 1945 het café-restaurant Ridder Sint Joris voorbij (canonvannederland.nl). Het was in deze zelfde periode dat veel van de jonge mannen terugkeren, die verplicht te werk waren gesteld in Duitsland. In totaal waren dat 450 personen, waaronder 50 vrijwilligers. De impact op het sociale en maatschappelijke leven was enorm door hun afwezigheid. Slechts een klein aantal was tijdens een zeldzaam verlof in IJsselstein ondergedoken, maar het gros keerde pas na de bevrijding terug. Wie niet terugkwamen waren de twee mensen die tijdens de landelijke razzia op Roma en Sinti in IJsselstein op 16 mei 1944 zijn opgepakt. Drie dagen later waren ze al op transport naar Auschwitz gesteld. Vliegtuigcrashes In het SGLO-verliesregister staat voor de gemeente IJsselstein een crashlocatie vermeld.104 Op 13 mei 1940 werd boven het nog onbebouwde Kanaleneiland bij Utrecht een Duitse Heinkel HE 111 P bommenwerper met registratie 5J + CH van 1./KG 4 door de Nederlandse 11e Batterij luchtdoelartillerie neergehaald (Figuur 13).105 Het toestel maakte een noodlanding in een weiland naast een boomgaard van dhr. Spelt aan de Lagedijk. Het toestel bleef vrijwel intact en de bemanning overleefde de crash, maar werd al snel na een kort vuurgevecht krijgsgevangen gemaakt.
Hun lot is ongewis, maar de kans is groot dat ze diezelfde dag of de dag erna via IJmuiden per schip werden afgevoerd naar Engeland om de rest van de oorlog niet meer inzetbaar te zijn. Aan boord van het toestel werden zeer belangrijke documenten gevonden, die onder gewapend geleide naar de commandant Veldleger luitenant-generaal J.J.G. Baron van Voorst tot Voorst werden gezonden.106 De bewapening van deze Heinkel 111 bestond uit vier mitrailleurs MG 15, en er kon 2000 kilo aan afwerpmunitie worden meegevoerd. Er waren nog ca. 30 vliegtuigbommen in het vliegtuig aanwezig die vervolgens naast het toestel in het gras werden gelegd, onder de bewaking van Nederlandse militairen.107
Verliesregister SGLO; http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/. KG staat voor Kampfgeschwader. 106 Nierstrasz 1955, 82. 107 Gezien het aantal betreft het mogelijk de ca. 50 kg zware Splitterbombe SD-50 (Mehrzweckbombe), Spreng- & Brandbombe C-50, Brandbombe C-50 a of B of Nebelbombe NC-50 of een combinatie hiervan. 104 105
81
Op 1 januari 1945, op nieuwjaarsdag, stortte tussen huis en schuur van een boerderij aan de Hoge Biezen een Duits vliegtuig neer. Het toestel, een Messerschmitt Bf109 K-4 van 11./JG 27, is geheel verbrand, zonder noemenswaardige schade aan de boerderij aan te richten.108
Figuur 13. De op 13 mei 1940 neergehaalde Heinkel He 111 bij de Lagedijk (beeldbankwoII.nl).
108
JG staat voor Jagdgeschwader.
82
Figuur 14. Locatie van de crashsite van de Heinkel 111 (naar Den Braven 2018). Bombardementen Op 13 mei 1940 hebben er luchtbombardementen plaatsgehad tussen de nieuwe rijksweg Utrecht – Den Bosch (huidige A2) en de Hoogen Dijk waarbij een Nederlands militair sneuvelde. Ook in de Achtersloot te IJsselstein en op de brug over de Kromme IJssel ter hoogte van de Rijksweg Utrecht-Den Bosch werden bommen gedropt. Er is geen informatie over schade. Tussen IJsselstein en Montfoort is een colonne vluchtelingen gebombardeerd door Duitse vliegtuigen.
Figuur 15. Uit het voormalige collectie Semi Statische Archiefdiensten: ‘Meldingen betreffende luchtaanvallen in het tijdvak van 10 t/m 14 mei 1940, binnengekomen bij de Rijksinspectie voor de Luchtbescherming te ’s-Gravenhage’ (naar Van den Brandhof 2019). In de nacht van 31 juli op 1 augustus 1942 vond een bombardement plaats op IJsselstein. In de periode tussen april 1942 en 1944 vonden er een aantal beschietingen vanuit vliegtuigen plaats boven het gebied tussen Jutphaas en IJsselstein. Het is niet duidelijk of dit luchtgevechten dan wel aanvallen op gronddoelen zijn geweest.
83
Aan de zuidkant van de brug over de Hollandse IJssel zijn een aantal bomkraters aanwezig. Deze komen voor op luchtfoto’s van respectievelijk 29 november 1944 (7 stuks) en 19 april 1945 (5 stuks). Gezien de data is de kans het grootst dat het geallieerde bomaanvallen betreft. Alle bombardementen zullen sporen hebben achtergelaten, zoals bomkraters. In veel gevallen zullen deze met aanwezige stort of puin al dan niet vermengd met ander afval zijn afgevuld. In het ergste geval is de afwerpmunitie zelf nog aanwezig indien ontstekingsinrichtingen niet hebben gewerkt. Hoewel ook dit formeel modern oorlogserfgoed betreft, is omwille van de veiligheid geen advies tot behoud te geven. 2.4 Koude Oorlog Wat betreft de periode van de Koude Oorlog komt de inrichting van IJsselstein er bekaaid van af. De enige objecten betreffen de toegangswegen over het gemeentelijk grondgebied van IJsselstein richting de noodstudio Lopik. Hier is een bunker gevestigd aan de Biezendijk in Lopikerkapel (gemeente Lopik) nabij de Gerbrandytoren. Deze bunker is in de aanloop naar de Koude Oorlog aangelegd en is een van de vier noodstudio's in Nederland die onder crisis- en oorlogsomstandigheden gebruikt zouden kunnen worden. De bunker was eigendom van en in gebruik bij de Rijksvoorlichtingsdienst. In de bunker was een omroepstudio, versterkerstation en een omroepzender van de middengolf (747 kHz) aanwezig.
De bunker was zo ingericht dat men via de ingang eerst door een ontsmettingsruimte moest gaan voordat de bunker zelf betreden kon worden. Ook waren er levenssystemen aanwezig waardoor het ook tijdens zware omstandigheden gewoon kon functioneren. De bunker zelf ligt op een zandpakket zonder fundering, op deze manier zou hij de ontploffing van een kernwapen van 20 kiloton op een kilometer afstand kunnen weerstaan. Door het gebrek aan fundering en een speciale constructie kan de bunker elke richting op 30 meter vrij bewegen en een hoek aannemen van maximaal 35 graden. Bij het portiershuis is een aparte fundering voor luchtafweergeschut geplaatst. Alhoewel de zendapparatuur tegenwoordig verwijderd is, functioneren de andere systemen nog wel en zou hij binnen 24 uur weer operationeel te maken zijn. Dat is althans als de huidige eigenaar, een projectontwikkelaar, het niet inmiddels rücksichtslos om zeep heeft geholpen. Verder zijn er alleen in dezelfde buurgemeente Lopik een munitiecomplex en twee mobilisatiecomplexen bekend. Het betreft ten eerste MMC Benschop, een tussen 1957 en 1997 gebruikt munitiemagazijncomplex aan de Ingenieur F.E.D. van Enschedeweg. Het is nog grotendeels intact. Complex Lopik is een mobilisatiecomplex aan de Reinaldaweg. Het is net als Benschop ook in 1957 in gebruik gekomen, maar functioneert nog steeds.
Iets verder aan dezelfde weg ligt nog een mobilisatiecomplex: Complex Jaarsveld. Dit complex staat ook bekend als ‘Lopik (Jaarsveld)’. Op dit moment worden de loodsen verhuurd als bedrijventerrein. Een mobilisatiecomplex of MOB-complex is de naam voor een complex van gestandaardiseerde militaire gebouwen met bijbehorende infrastructuur. De meeste complexen werden tussen 1951 en 1961 gebouwd. Rond het jaar 2000 toen de Koude Oorlog ruim voorbij werd geacht, werden veel complexen gesloten (en gesloopt). In een gemiddeld Mobilisatiecomplex ligt geen munitie, maar vooral ander materiaal en materieel. De munitie is voorbehouden aan de MMC locaties, met andere eisen aan opslag, gebouwen en bewaking.
84
Figuur 16. Locatie van Mobilisatiecomplexen nabij IJsselstein (defensiefotografie.nl).
85
Literatuur Abbink Spaink, J. J. (1963). IJsselstein, verleden en heden. IJsselstein. Bosman, A. V. A. J. (2010). Militair archeologisch erfgoed te Valkenburg ZH: Een historisch overzicht en verwachtingsmodel (Past2Present rapport 510). Woerden. Bosman, A. V. A. J., Geerts, R. C. A., & Sam, D. (2017). Een brug te ver onderzocht: Archeologisch onderzoek in StadsblokkenMeinerswijk, gemeente Arnhem (ADC Monografie 22). Amersfoort. Bosman, A. V. A. J., van Ginkel, E. J., Verweij, J., & Waldus, W. (2014). De archeologie van modern oorlogserfgoed: Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 1 (ADC rapport 3595). Amersfoort. Bosman, A. V. A. J., & Willemsen, M. (2019). De archeologie van modern oorlogserfgoed 2: Waarderen en selecteren, een inventarisatie en voorstel archeologie (Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 2, Military Legacy rapport 85). Dordrecht. Brandhof, W. van den. (2015). Vooronderzoek NGCE Verkenning Centraal Holland (AVG-rapport 1562003-VO-03), Heijen. Brandhof, W. van den. (2019). Vooronderzoek CE: Dijkverbetering Gekanaliseerde Hollandsche IJssel – Noord (AVG rapport 1962026-VO-01). Heijen. Braven, G. den. (2018). Vooronderzoek CE: IJsselstein de Kroon (AVG rapport 1862022-VO-02). Heijen. Copier - Van den End, R. (1995).
Vreeswijk in de Tweede Wereldoorlog (Stichting Oudheidskamer Vreeswijk 9). Nieuwegein. Dijk, T. A. van. (2015). Belgische vluchtelingen en militairen in IJsselstein. Historische Kring IJsselstein, 147/148, 37-48. Eversteijn, T. (2003). Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945. z.pl. Fleischer, W. (2015). Deutsche Abwurfmunition in Zweiten Weltkrieg: Basiswissen über Bomben, Behälter, Lufttorpedos, Minen, Verpackungen und Zünder. Aken. Grimm, P., van Loo, E., & de Winter, R. (2009). Vliegvelden in oorlogstijd: Nederlandse vliegvelden tijdens bezetting en bevrijding 1940-1945. Amsterdam. Kleijn, H. C. M., van Suchtelen van de Have, R. J. A., Hierck, D. A., van Tilburg, B. A., & de Vries, A. (Red.). (2004). Op weerstand gebouwd: Verdedigingslinies als militair erfgoed. Zwolle. Klep, C. (2020). De bevrijding van Oost- en Noord-Nederland. Militaire Spectator, 4-2020, 226-227. Klep, C., & Schoenmaker, B. (Red.). (1995). De bevrijding van Nederland 1944-1945: Oorlog op de flank. Den Haag. Koen, D. T. (1990). Utrecht verdedigd: Fortificatie en mobilisatie 1914-1940. Utrecht. Koen, D. T. (1995). Een onuitdoofbaar vuur: Betonnen verdedigingswerken in de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Bunnik. Korthals Altes, A. (1984). Luchtgevaar: Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945. Amsterdam. Michels, J. (2021).
‘…de fictie dat Holland een vesting is.’ Vestingbouw door het wapen der genie, 1914-’40. Oirschot. Molenaar, F. J. (1970). De luchtverdediging in de meidagen van 1940: De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II (Hoofddeel III, deel 7, Band I en II). Den Haag. Murk, L. (1995). De inundatie in de Lopikerwaard, 1944-1945. Historische Kring IJsselstein, 72/73, 267-278.
86
Nierstrasz, V. E. (1955). De operatiën van het veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland, mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II (Hoofddeel III, deel 3). Den Haag. Palma, J. (2009). Rapportage van het historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven ter plaatse van het plangebied van het project ‘Ruimte voor de Lek’ (T&A Survey rapport 0908-GPR1505). Amsterdam. Rolf, R., & Sakkers, H. (2005). Duitse bunkers in Nederland. Middelburg. Schuring, H. A. (1958). De invloed van het landschap op de militaire operaties tijdens de Tweede Wereldoorlog (Proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht). Aalten. Veenstra, S. L. (1992). In de schaduw van de glorie: Overzicht van vliegtuigbergingen in Nederland: 1960-1977. Zutphen. Vliet, J. van. (1979). Het relaas van de IJsselsteinse Heinkel HE III. Historische Kring IJsselstein, 5. IJsselstein. Volkers, K. (2009). Geheim landschap: 200 jaar militairen op de Heuvelrug. Utrecht. Will, C. (2002). Sterk Water: De Hollandse Waterlinie. Utrecht. Zijlstra, G. (1977). Diary of an air war. New York. Zwanenburg, G. J. (1980-1982). En nooit was het stil….Kroniek van een luchtoorlog (Deel 1, 2 en bijlage). Den Haag.
Internetbronnen Beeldbank WO2. (z.d.). Beeldbank WO2. https://beeldbankwo2.nl/nl/ Canon van Nederland. (z.d.). Tijdvak Tweede Wereldoorlog in IJsselstein. https://www.canonvannederland.nl/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog Defensiefotografie. (z.d.). MOB-complex Lopik. https://defensiefotografie.nl/mob-complex/mob/lopik/ Historische Kring IJsselstein. (z.d.). IJsselstein in de Tweede Wereldoorlog. http://hkij.asuscomm.com/ Museum IJsselstein. (z.d.). Bezet & vrij: De herinneringen. https://www.museumijsselstein.nl/bezet-vrij-de-herinneringen/ RTV Utrecht. (2021, september 23). Explosievenonderzoek bij Lekbrug: ‘Er kunnen nog oude vliegtuigbommen liggen’. https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/3094156/explosievenonderzoek-bij-lekbrug-er-kunnen-nog-oude-vliegtuigbommenliggen Studiegroep Luchtoorlog. (z.d.). Verliesregister. http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl Wikipedia. (2021, maart 3). Inundatie (1944-1945). https://nl.wikipedia.org/wiki/Inundatie_(1944-1945) Wikipedia. (2020, december 1). Nieuwe Hollandse Waterlinie. https://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Hollandse_Waterlinie Wikipedia. (2020, mei 17). Noodstudio Lopik. https://nl.wikipedia.org/wiki/Noodstudio_Lopik RHC Rijnstreek. (z.d.). IJsselstein in de Tweede Wereldoorlog. https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokalehistorie/ijsselstein/ijsselstein/tweede-wereldoorlog/ RHC Rijnstreek. (z.d.).
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden in de Tweede Wereldoorlog. https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/hoogheemraadschap-destichtse-rijnlanden/tweede-wereldoorlog/
87
Archieven Kadaster, Emmen. Military Legacy, Dordrecht. Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), Den Haag. NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Amsterdam. Nationaal Militair Museum (NMM), Soesterberg. Universiteit Wageningen.
88
Bijlage
7.
De
Erfgoedwet,
de
KNA
en
het
archeologisch
onderzoekstraject 1 Wettelijke eisen aan het archeologisch onderzoek en de uitvoerders De Erfgoedwet stelt voor uitvoerders van archeologisch onderzoek certificering verplicht (artikel 5.1). 109 Volgens het “Besluit aanwijzing richtlijn op professionele wijze verrichten van opgravingen” moeten de certificaathouders voldoen aan de Beoordelingsrichtlijn 4000 Archeologie (BRL 4000) versie 4.1 110, en het archeologische onderzoek moet voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1; zie bijlage 6). De KNA bevat verplichte protocollen en andere eisen en richtlijnen. Enkele KNA-protocollen (PvE, bureauonderzoek en specialistisch onderzoek) zijn weliswaar verplicht, maar hiervoor stelt de wet geen certificaat verplicht (vrijwillig certificaat). Om zeker te zijn van een geborgde kwaliteit wordt geadviseerd ook het uitvoeren van PvE's, bureauonderzoeken en specialistisch onderzoek door gecertificeerde uitvoerders verplicht te stellen (in navolging van enkele provincies en gemeenten).
2 Onderzoeksystematiek volgens de KNA Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd volgens een getrapt systeem; een zogenaamde onderzoekstrechter die van grofschalig/extensief tot fijnschalig/intensief onderzoek voert. Na elke onderzoeksfase kan op basis van het bijbehorende onderzoeksrapport blijken dat van verder onderzoek afgezien kan worden. Dit laatste is echter ter beoordeling aan de gemeente: de gemeente toetst alle archeologische onderzoeksrapporten. Zij kan deze afkeuren. Goedkeuring betekent niet automatisch dat de gemeente het onderzoeksadvies (geheel) volgt, al zal dit meestal wel het geval zijn. Hieronder wordt een globale omschrijving gegeven van de gebruikelijke stappen bij archeologische onderzoek – die in de meeste gevallen niet alle nodig blijken te zijn. Voor de details zie de KNA https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brlsikb-4000. 2.1 Bureauonderzoek Door middel van een bureaustudie, waarbij literatuur over landschappelijke ontwikkeling, historische gegevens, bekende archeologische waarden en recent uitgevoerde archeologische onderzoeken in de nabije omgeving worden geraadpleegd, wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld. De gemeentelijke verwachtingskaart is een goed starpunt maar is een kaart op gemeentelijk niveau. Voor een betrouwbare gespecificeerde verwachting is een nadere verfijning op perceelsniveau noodzakelijk.
Het bureauonderzoek resulteert derhalve in een gedetailleerd beeld van de betreffende locatie op basis waarvan een goed onderbouwd advies kan worden gegeven. Dit advies kan zijn dat geen of wel vervolgonderzoek noodzakelijk is. Indien vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek nodig is, dient onderbouwd aangegeven te worden welke methode hiervoor het meest geschikt is (zie paragraaf 6.4.2, karterende fase). 2.2 Inventariserend veldonderzoek Bij het inventariserend veldonderzoek (IVO) wordt een veldonderzoek uitgevoerd dat is toegespitst op de kansrijke zones zoals deze uit het bureauonderzoek naar voren zijn gekomen. Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting middels waarnemingen in het veld, waarbij aanvullende informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Het inventariserend veldonderzoek resulteert in een rapport met een inhoudelijk (selectie-) advies. Op basis van dit rapport dient het bevoegd gezag een selectiebesluit te nemen. Het rapport dient te zijn uitgewerkt tot het niveau waarop het selectiebesluit gefundeerd genomen kan worden. Deze onderzoeksfase kan worden onderverdeeld in een drietal substappen, te weten de verkennende, karterende en waarderende fase.
Het doel van een verkennende fase is het in kaart brengen van de vormeenheden van het landschap en het vaststellen van de intactheid van de bodem. Een karterende fase is gericht op de opsporing van archeologische vindplaatsen. In de waarderende fase wordt beoordeeld of de nieuwe vindplaats wel of niet behoudenswaardig is. Afhankelijk van de fase binnen het inventariserende onderzoek, de locatie, de bodemopbouw, de diepte van de te verwachten archeologische resten en het verwachte type vindplaats zijn verschillende onderzoeksmethoden mogelijk. Hierbij moet gedacht worden aan een oppervlaktekartering, geofysisch onderzoek, een booronderzoek, een archeologische
109 110
Hierbij geldt een aantal uitzonderingen: zie het Besluit Erfgoedwet archeologie. https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000
89
begeleiding of een proefsleuvenonderzoek. In onderstaande alinea's zal kort worden ingegaan op de verschillende onderzoeksmethoden. Verkennende fase De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om na te gaan of de verwachte bodemopbouw daadwerkelijk intact aanwezig is. Binnen de gemeente IJsselstein kan het uitvoeren van een landschappelijk gericht booronderzoek een zeer geschikte methode zijn voor de verkennende fase, gezien het feit dat in grote gebieden niet op voorhand bekend is op welke diepte de archeologisch relevante bodemlaag zich bevindt. Het doel hierbij is om binnen het plangebied kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. In het geval van begraven bodems is een verkennend booronderzoek een goede methode om te achterhalen wat de dikte van de afdekkende laag is en of nog een intacte bodem aanwezig is onder de afdekkende pakketten. Het verkennend veldonderzoek is extensief van karakter. Er dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat een verkennend veldonderzoek kan resulteren in een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend dan wel waarderend veldonderzoek.
Indien middels een verkennend booronderzoek kan worden aangetoond dat een plangebied geheel is verstoord tot onder het niveau waarop archeologische resten worden verwacht, dan resulteert de verkennende fase in het geheel vrijgeven van een gebied. Karterende fase Tijdens de karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tot dusver bestaat een karterende fase meestal uit een proefsleuvenonderzoek of een booronderzoek, zo mogelijk aangevuld met een oppervlaktekartering. Proefsleuvenonderzoek is geschikt voor het opsporen van vindplaatsen die zich kenmerken door grondsporen en een lage dichtheid aan vondsten. Karterend booronderzoek is met name een geschikte prospectiemethode bij het opsporen van vindplaatsen die zich kenmerken door een hoge dichtheid aan vondsten, al dan niet in combinatie met grondsporen. Een oppervlaktekartering kan gebruikt worden als in een onderzoeksgebied “aangeploegde” vondstlagen zijn te verwachten. De voordelen van karterend booronderzoek bestaan uit het feit dat het snel uitgevoerd kan worden en in verhouding tot een proefsleuvenonderzoek goedkoop is. Van belang is ook dat het een non-destructief onderzoek betreft. Eventueel aanwezige vindplaatsen worden bij dit type onderzoek niet onnodig beschadigd.
Het nadeel van karterend booronderzoek is dat dit type onderzoek niet geschikt is voor het opsporen van vindplaatsen waarvan de archeologische resten voornamelijk uit grondsporen bestaan. Grondsporen zijn middels een booronderzoek vrijwel nooit te traceren. Voorbeelden van dergelijke vindplaatsen zijn grafvelden of nederzettingen waar weinig of geen mobilia (meer) aanwezig zijn, zoals nederzettingen uit de metaaltijden. Bij dergelijke vindplaatsen is proefsleuvenonderzoek de geëigende prospectiemethode. Dit geldt ook voor prospectie in stads- en dorpskernen waar de bodem doorgaans geroerd is maar met booronderzoek zeer moeilijk is vast te stellen of dit oudtijds heeft plaatsgevonden (dus een archeologisch niveau betreft) of van recente datum is (een recente verstoring). Hoewel een karterend proefsleuvenonderzoek kostbaarder is dan booronderzoek, heeft het als voordeel dat met enkele gerichte uitbreidingen tevens voldoende gegevens verzameld kunnen worden voor een waardesteling van een aangetroffen vindplaats (zie volgende subparagraaf Waarderende fase). Voor de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist.