1.1 Rapport - Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein
Tekst van het document
4.2.2
Rivierenlandschap
Het rivierenlandschap in de gemeente IJsselstein omvat de meandergordels, crevassen en komgebieden van de rivieren die gedurende het Holoceen op het grondgebied van de gemeente IJsselstein stroomden. Feitelijk gaat het om een stapeling van verschillende landschappen die door de tijd heen (kleine) veranderingen hebben ondergaan. In het onbedijkte rivierenlandschap vormden de hoger gelegen meandergordels preferente bewoningslocaties. De top van het boven de beddingafzettingen gelegen oeverpakket vormde, samen met aangrenzende oeverzones en crevassen, veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau. Bij de op dit niveau te verwachten vindplaatsen kan het gaan om resten van relatief grote nederzettingsterreinen. De (omvangrijkere) vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische (cultuur)laag met een lage tot hoge vondstdichtheid (houtskool, bot, aardewerk, natuursteen en – afhankelijk van de bewoningsperiode – ook baksteen, metaal of glas).77 De archeologische niveaus kunnen al dicht onder het maaiveld aanwezig zijn, maar kunnen zich ook op een diepte van enkele meters bevinden. Verder kunnen vindplaatsen/ bewoningsniveaus aanwezig zijn die zich niet manifesteren door een herkenbare archeologische laag. Tot slot kunnen ook sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn.
Zowel dergelijke losse sporen, als vindplaatsen zonder archeologische laag, zijn met een (prospectief) booronderzoek vrijwel niet of nauwelijks op te sporen. Het grondgebied van de gemeente IJsselstein wordt doorsneden door een complex van stroomgordels die opeenvolgend gedurende een periode van 7500 jaar actief waren. In die zin is ook met recht sprake van gestapelde landschappen (zie paragraaf 3.1.2). Op basis van de (vermeende) diepteligging van de bovenzijde van de (oever- en) beddingafzettingen en de ouderdom (einddatering) van de stroomgordels zijn de stroomgordels onderverdeeld in vier archeo-landschappen. De indeling is bovendien zo gekozen dat deze grotendeels samenvalt met het onderscheid in archeologische 'samenlevingen' (jager-verzamelaars, vroege landbouwers, late landbouwers en staatssamenlevingen): Het oudste rivierenlandschap; Het oude rivierenlandschap; Het jonge rivierenlandschap; De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden)het . Binnen elk archeo-landschap is onderscheid gemaakt tussen de (op dat moment) actieve stroomgordels, de verlande stroomgordels en de kommen. Voor de ondiepere stroomgordels (het oude, het jonge en het “actieve” rivierenlandschap) zijn tevens (delen van) restgeulen onderscheiden.
Oudste rivierenlandschap (laat mesolithicum - vroeg neolithicum) Gedurende het laat mesolithicum en/of een deel van het vroeg neolithicum kwamen op het grondgebied van IJsselstein de eerste stroomgordels op gang. Deze maakten deel uit van het Benschopse stroomstelsel, met de volgende deelstroomgordels: Tienhoven, Kortenhoeven, Wiersch, Willeskop, Benschop, Autena en Kapel. Deze 'vroeg-neolithische' stroomgordels bepaalden de bewoningsmogelijkheden voor de bewoners die rond de overgang van de jager-verzamelaars naar de vroegste landbouwers leefden in dit deel van het rivierengebied. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijk dat (met name) de jongere stroomgordels uit deze groep ook gedurende de bronstijd nog aantrekkelijk waren voor bewoning. Na verlanding werden de stroomgordels overslibd met Nederzettingen uit de Romeinse tijd en middeleeuwen kenmerken zich doorgaans vaker door een duidelijk herkenbare archeologische (cultuur)laag, dan terreinen uit de bronstijd of ijzertijd. 77
42
komklei van jongere rivierlopen en werden ze onderdeel van het komkleilandschap uit een volgende periode. Vermoedelijk vanaf de ijzertijd – maar mogelijk ook al gedurende een deel van de bronstijd – waren de vroeg-neolithische stroomgordels niet meer aantrekkelijk voor bewoning. De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden vanaf circa 2,0 m -NAP en dieper (ca. 2,5 m -mv en dieper). Ten aanzien van die delen van het oudste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt: Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum; Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de bronstijd; Een lage archeologische voor vindplaatsen uit latere perioden (ijzertijd-vroege middeleeuwen).
Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein. Oude rivierenlandschap (midden/laat neolithicum en bronstijd) Gedurende het midden/laat neolithicum en de bronstijd waren op het grondgebied van IJsselstein de Graafse en aansluitende Linschotense stroomstelsels actief. Deze stroomgordelcomplexen kennen de volgende deelstroomgordels: Buitenzorg, Lopik, Vuylkop, Neder-Oudland, Lage Dijk, Vechgel, Stuivenberg, Lampsin Over-Oudland, IJsselveldSchuurenburg, Blok en Jutphaas. De zandige meandergordels van de rivieren vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijke vormden de zandbanen na verlanding ook nog aantrekkelijke locaties voor bewoning in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Ook aangrenzende hoger gelegen oeverzones waren geschikt als woonlocatie en andere activiteiten. Het Linschotense systeem wordt behalve door een wirwar van stroomgordels gekenmerkt door veel smaller crevassen. De meest zijn op de gedetailleerde kaarten van Berendsen (1982) terug te vinden. Ze blijken ook in het AHNbeeld te herkennen aan een iets hogere ligging. Het kaartbeeld is op basis van AHN aangevuld met een enkele smalle crevasse. De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden tussen circa 1,0 tot 0,0 m -NAP (ca. 1,5 – 0,5 m -mv).
Ter hoogte van de meandergordels van het oude rivierenlandschap is het oudste rivierenlandschap weg geërodeerd.
43
Ten aanzien van die delen van het oude rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels en corresponderende oeverzones en crevassen geldt: Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd); Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd; Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen.
44
Figuur 4-3 Landschappelijke ontwikkeling met archeologische vindplaatsen voor vier archeologische perioden. Jonge rivierenlandschap (ijzertijd - vroege middeleeuwen) Bepalend voor het landschapsbeeld gedurende de ijzertijd, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen (tot aan de bedijking) waren de activiteiten van de Hollandse IJssel en van de Lek. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. De bovenzijde van de beddingafzettingen kunnen al worden aangetroffen binnen 1,0 m -mv. Opvallend is dat de Hollandse IJssel vrijwel geen oeverafzettingen buiten de meandergordel heeft afgezet. Op het AHN-beeld, maar ook uit de gedetailleerde paleogeografische kaarten van Berendsen (1982) is op te maken dat de zandbaan op de meeste plaatsen direct grenst aan zware komkleiafzettingen. Het lijkt er dan ook op dat de Hollandse IJssel zich in de actieve fase zich maar weinig verticaal heeft opgebouwd en dan enkele binnen de meandergordel. De grote hoogteverschillen met direct aangrenzende komgebieden zijn vermoedelijk het resultaat van latere differentiële klink. Slecht op één locatie (polder IJsselveld) is op basis van AHN-beeld en boringen uit het DINO-loket een oeverzone gekarteerd buiten de meandergordel van de Hollandse IJssel.
Op de kaart van Berendsen is hier een dijkdoorbraakafzetting weergegeven, maar daarvoor zijn op historische kaarten, noch uit beschikbare boorprofielen aanwijzingen te vinden. Ten aanzien van die delen van het jongste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt: Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum; Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd); Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd; Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen. Grote delen van de meandergordel van de Hollandse IJssel zijn in de Nieuwe tijd afgeticheld voor de steenbakkerijen (zie verstoringen). De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden) (volle middeleeuwen - heden) Na de afdamming van de Hollandse IJssel in 1285 (De Dam bij het Klaphek) waren er behalve de Lek geen stroomgordels meer actief binnen de gemeente IJsselstein. Samenhangend met de jaarlijkse overstromingen waren (en zijn) de uiterwaarden van de Lek na bedijking niet bewoonbaar.
De bedijkte geul van de Lek heeft oudere afzettingen binnen de dijken volledig opgeruimd.78 Derhalve geldt voor de uiterwaarden: Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum; Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd); Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd; Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd. Komgebieden Algemeen wordt aangenomen dat de komkleigebieden zich vanwege hun lage ligging en natte omgeving slecht leenden voor (prehistorische) bewoning. Op grond hiervan geldt voor deze landschappelijke eenheden een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de periode neolithicum - middeleeuwen. Wel kunnen in komgebieden vondstcomplexen aanwezig zijn die juist specifiek zijn voor dergelijke natte gebieden (overblijfselen van transport of economische activiteiten, al dan niet rituele deposities e.d.). Dergelijke resten zijn met reguliere prospectiemethoden (booronderzoek) nauwelijks of moeilijk op te sporen. In de loop van de middeleeuwen zijn de komgebieden ontgonnen en in cultuur gebracht. Relicten (ontginningsassen en -linten) die hiermee samenhangen staan op kaartbijlage 3 (historischgeografische waarden- en relictenkaart) weergegeven.
De bovenstaande uiteenzetting van archeologische verwachtingen is samengevat in Tabel 4.1 (zie ook kaartbijlage 2): Algemeen wordt aangenomen dat de komkleigebieden zich vanwege hun lage ligging en natte omgeving slecht leenden voor (prehistorische) bewoning. Op grond hiervan geldt voor deze landschappelijke eenheden een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de periode neolithicum - middeleeuwen. Wel kunnen in komgebieden vondstcomplexen aanwezig zijn die juist specifiek zijn voor dergelijke natte gebieden (overblijfselen van transport of economische activiteiten, al dan niet rituele deposities e.d.). Dergelijke resten zijn met reguliere prospectiemethoden (booronderzoek) nauwelijks of moeilijk op te sporen. In de loop van de middeleeuwen zijn de komgebieden ontgonnen en
78
Zie ook archeologische verwachtingskaart van de uiterwaarden: Cohen et al 2014.
45
in cultuur gebracht. Relicten (ontginningsassen en -linten) die hiermee samenhangen staan op kaartbijlage 3 (historischgeografische waarden- en relictenkaart) weergegeven. Aan de basis van het pakket met veen- en komkleiafzettingen dient rekening te worden gehouden met een intact dekzandlandschap (zie paragraaf 4.2.1). Zoals hierboven aangegeven vormde de top van de oeverafzettingen en crevassen veelal een oud stabiel bodemniveau waarop bewoning mogelijk was. Daarmee zijn deze niveaus in potentie de archeologische niveaus van de meandergordels. Op basis van de profielen bij de geomorfogenetische kaart blijkt dat dit niveau binnen 1 m boven de top van het beddingzand ligt.79 Op basis van de diepteligging van het beddingzand is in tabel 4.2 per rivierenlandschap de hoogste ligging van het archeologische niveau aangegeven. Landschappelijke eenheid
meandergordel komgebied
Archeologische periode en verwachting Laat mesolithicum- Laat neolithicum IJzertijdmidden neolithicum bronstijd Romeinse tijd Oudste rivierenlandschap (jager-verzamelaars/vroege landbouwers) hoog middelhoog laag laag laag laag
(Vroege) middeleeuwen laag laag
meandergordel komgebied oeverzone en crevasse Restgeul
Oude rivierenlandschap (vroege landbouwers) laag hoog hoog laag laag laag laag hoog hoog laag hoog* hoog*
middelhoog laag middelhoog middelhoog*
meandergordel komgebied oeverzone Restgeul
Jonge rivierenlandschap (late landbouwers) laag laag hoog laag laag laag laag laag hoog laag laag hoog*
hoog laag hoog hoog*
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden) (staatssamenlevingen) stroomgordel laag laag laag restgeul (huidige loop) laag laag laag
laag laag
Tabel 4.1 Overzicht van de gehanteerde archeologische verwachtingen per periode per landschappelijk eenheid (*: de verwachting voor restgeulen heeft betrekking op watergerelateerde archeologische resten). Rivierenlandschap Top beddingzand (m -mv/ NAP) Top potentieel archeologisch niveau (m -mv/ NAP) Oudste 2,0 m -NAP (2,5 m -mv) en dieper 1,0 m -NAP (1,5 m -mv) en dieper Oude tussen 1,0 en 0,0 m -NAP (1,5 – 0,5 m -mv) 0 tot 0,5 m +NAP (0 – 0,5 m -mv) Jonge tussen +0,5 en -0,5 m NAP (0 – 1 m -mv) 0,5 m +NAP (0 m -mv) Lek n.v.t. Tabel 4.2 Gereconstrueerd hoogste voorkomen van de het potentieel archeologische niveau per rivierenlandschap.
4.2.3
AMK-terreinen
Van de AMK-terreinen is de archeologische waarde in de regel vastgesteld. Het gaat om terreinen van archeologische waarde, hoge archeologische waard en zeer hoge archeologische waarde. De wettelijk beschermde terreinen (de twee in IJsselstein gelegen Rijksmonumenten) vallen in de categorie terreinen van zeer hoge archeologische waarde. De overige AMK-vindplaatsen zijn gerekend tot de terreinen van hoge archeologische waarde.
79
Berendsen 1982.
46
4.2.4
Historische kern en historisch-geografische relicten
Op basis van historisch kaartmateriaal staat vast dat historisch-archeologische resten in de bodem van de gemeente IJsselstein aanwezig zijn, namelijk ter plaatse van historische bebouwing en andere historisch-geografische elementen. Het gaat om: De historische gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek; De versterkte huizen/boerderijen Stenen Kamer en Rijpickerwaard; Historische erven in bewoningslinten; Waterstaatkundige, religieuze en overige historisch-geografische elementen (kerk, kapel, molen, steenoven, galg, brug, dam en duiker) Historische bebouwing (buiten de bewoningslinten, gehuchten en historische kern) op de 18e eeuwse kaarten van Ketelaar (1769), Hattinga (1770) en de vroeg 19e eeuwse kadastrale minuutplans De locaties van gebouwde rijksmonumenten en MIP-objecten. De historische kern en de historisch-geografische relicten zijn gerekend tot de terreinen van hoge archeologische waarde omdat de archeologische resten ervan, gecombineerd met historische bronnen, een hoge informatiewaarde hebben. De begrenzing van de historische kern is uitgebreid behandeld in paragraaf 3.3.4. De versterkte huizen/boerderijen Stenen Kamer en Rijpickerwaard, en de historische erven in de bewoningslinten zijn zoveel mogelijk begrensd aan de hand van de percelering op de vroeg-19e eeuwse kadastrale minuutplannen.
Bij de waterstaatkundige, religieuze en overige historisch-geografische elementen, en de historische bebouwing (buiten de bewoningslinten, gehuchten en historische kern) kunnen in de bodem funderingen van de bebouwing worden verwacht maar ook resten van bijbehorende sporen (bijvoorbeeld graven ter plaatse van de kerken en kloosters, of bewoning bij een sluis). Omdat de locatie van de historisch-geografische elementen (door de soms beperkte nauwkeurigheid vroeg-19e eeuwse kadastrale minuutplannen) niet altijd met 100% zekerheid bepaald kan worden, en de ligging van de bijbehorende resten niet exact te voorspellen is, is bij de begrenzing van de historische objecten een bufferzone met een straal van 50 m rondom het object gehanteerd. Ook rondom de gebouwde rijksmonumenten en de MIP-objecten kunnen bijbehorende archeologische resten aanwezig zijn. Hierbij is een bufferzone met een straal van 25 m gebruikt omdat de locatie van deze objecten wel exact bekend is. De historische dijken en kades kunnen zelf als goed geconserveerde archeologische resten beschouwd worden. Omdat historische dijken en kades vaak over grote lengten bewaard zijn gebleven, en hun opbouw naar verwachting relatief uniform is, is aan deze lineaire elementen een iets lagere informatiewaarde toegekend. Daarom zijn de dijken en kades gerekend tot de terreinen van archeologische waarde.
Voor de begrenzing een buffer van 20 m gehanteerd (= 10 m aan weerszijden van centrale as). Naast de historische elementen waar in de bodem (vrijwel) zeker archeologische resten aanwezig zijn, zijn er enkele historische zones waar archeologische resten verwacht kunnen worden, maar dit niet zeker is. Allereerst gaat het om de globale locatie van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren. Deze zone heeft een hoge verwachtingswaarde meegekregen. Verder is aan de buiten de historische woonerven gelegen delen van de bewoningslinten een middelhoge verwachting toegekend. Weliswaar laten de 18e en 19e eeuwse kaarten hier geen bebouwing zijn, maar de aanwezigheid van oudere resten is niet uit te sluiten.
4.2.5
Historische waterbodems
De eenheid ‘historische waterbodems’ omvat die delen van het oppervlaktewater waar sporen van water-gerelateerde activiteiten en/of historisch gebruik verwacht kunnen worden in de waterbodem (kaartbijlagen 3 en 4). De verwachting heeft dus betrekking op archeologische resten in watergangen die gerelateerd zijn aan het historisch gebruik van het water of aan de bewoning in de onmiddellijke omgeving ervan. Hierbij kan gedacht worden aan resten van waterstaatkundige elementen (bruggen, dammen, sluisjes e.d.) en scheepsresten, maar ook aan materiaal van menselijke activiteiten die samenhangen met aangrenzende historische bewoning in de directe omgeving (afvaldumps, deposities, verloren objecten). Een belangrijk aspect bij de waterbodems is dat dergelijke ‘natte’ archeologische resten over het algemeen goede conserveringsomstandigheden kennen ten aanzien van organisch materiaal, waardoor het archeologisch informatiepotentieel hoog is. Ondanks het beperkte aantal vondsten dat tot op heden in waterbodems is gedaan lijken deze niettemin relevant omwille van bovengenoemd informatiepotentieel. Door de verwachting voor (historische) waterbodems - met een daaraan
47
gekoppeld regime – als eenheid toe te voegen aan de verwachtings- en beleidskaart, biedt in elk geval de mogelijkheid om het behoud van deze waarden bij ingrepen beter te reguleren. Een hoge verwachting voor historische waterbodems is toegekend aan:
-
De historische stadsgrachten van de IJsselstein; De grachten van de versterkte huizen/boerderijen in het buitengebied (Stenen Kamer en Rijpickerwaard); Watergangen direct rondom en binnen historische erven in bewoningslinten; De watergangen direct rondom (al dan niet) verdwenen historische waterstaatkundige elementen (molens, sluizen, bruggen, dammen etc.). Hierbij is met betrekking tot de watergangen een bufferzone van 50 meter aangehouden rondom het desbetreffende element.80
Een middelhoge verwachting voor historische waterbodems is toegekend aan: De watergangen in de delen van ontginnings- en bewoningsassen zonder aanwijzingen voor bewoning. Het onderscheid tussen de zones met een hoge en middelhoge verwachting is gebaseerd op de verwachte kans op het aantreffen van archeologische resten in de waterbodem. In de zones met een hoge verwachting zijn de historische (bewonings-)activiteiten aangetoond op de locatie. Voor de ontginnings-/bewoningsassen met een middelhoge verwachting geldt dat historische (bewonings-)activiteiten niet overal zullen hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van het overige oppervlaktewater in de gemeente IJsselstein geldt geen afzonderlijke verwachting voor historische waterbodems, maar geldt de archeologische verwachting van de omliggende eenheid. 4.2.6
Modern oorlogserfgoed
In paragraaf 3.5 is aangegeven dat op het grondgebied van de gemeente IJsselstein archeologische resten van mogelijk drie elementen uit de periode 1939-1945 in de bodem aanwezig zijn. Deze elementen zijn gerekend tot de categorie terreinen van hoge archeologische waarde. Element 3 Anti- tankgracht 4 Luchtafweerstelling 8,8 cm 5 Crashlocatie
Te verwachten resten Gracht met vondsten Ingegraven stellingen met vondsten Vliegtuigresten
Toelichting Buffer van 10 m aan beide zijden
4.3 Archeologische attentiegebieden Binnen het grondgebied van de gemeente IJsselstein is één attentiegebied vastgesteld (kaartbijlage 2: attentiegebied I), ten zuidoosten van de bebouwde kom van IJsselstein. Hier bevindt zich in de top van de oeverafzettingen van de stroomgordels van Lage Dijk en Over Oudland een concentratie vindplaatsen uit de midden-bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd. De terreinen waarop de vindplaatsen liggen zijn op de AMK samengevoegd onder het Terrein van archeologische waarde met monumentnummer 12073. De betreffende vindplaatsen zijn ontdekt tijdens gravend onderzoek in het kader van de aanleg van de N210 (Lage dijk) en een nieuwe gemeentewerf in industrieterrein Oud-Overland. Langs de Lage dijk zijn nederzettingsresten uit de vroege ijzertijd en de Romeinse tijd opgegraven. Van de nederzetting uit de vroege ijzertijd is een transect blootgelegd met daarin de resten van twee boerderijen, enkele waterputten, greppels en heiningen (vindplaatscatalogusnr. 3).81 Van de Romeinse nederzetting is eveneens een doorsnede blootgelegd. Hierin zijn een boerderijplattegrond en een paardengraf aangetroffen (vindplaatscatalogusnr. 5).
Enkele jaren later (in 2005) zijn op dezelfde locatie, bij de verbreding van een waterpartij, door een amateurarcheoloog fragmenten van Romeins aardewerk, baksteen (vermoedelijk delen van tegulae) en tefriet verzameld, alsmede een complete draadfibula (vindplaatscatalogusnr. 143). De nederzetting had haar bloeiperiode gedurende de 2e eeuw na Chr. en bestond al in de 1e eeuw na Chr. (Ter hoogte van de Romeinse nederzetting is tijdens de opgraving tevens een greppel uit de midden-bronstijd aangetroffen.82 Zo’n 250 m ten noorden van de nederzettingsresten is een grafveld uit de Romeinse tijd aangesneden. Binnen het opgravingsareaal zijn zes grafheuvels uit de 2e eeuw na Chr. blootgelegd. Opvallend is dat alle heuvellichamen intact en Een bufferzone van 50 m wordt vaker gehanteerd bij dergelijke objecten. Zie o.m. de archeologische beleidsnota van Woerden. Bulten, 2001 & 2002. Braun, 2023. 82 Bulten, 2001 & 2002. 80 81
48
door latere afzettingen afgedekt bewaard waren gebleven. Tussen de grafheuvels bevond zich ook nog een boerderij uit de midden-bronstijd (vindplaatscatalogusnrs. 17, 21 en 22).83 De vindplaatsen bevinden zich op en in de oeverafzettingen van de Lage Dijkse en/of Over-Oudlandse stroomgordel. Ter hoogte van de vindplaatsen 17,21 en 22 bevindt zich in de top van de oeverafzettingen (ca. 1,0 m -mv) een vegetatieniveau dat in de midden-bronstijd tot Romeinse tijd het maaiveld vormde. Hierboven bevindt zich een pakket komklei van de Hollandse IJssel dat in de middeleeuwen en Nieuwe tijd is afgezet. Ter hoogte van de iets zuidelijker gelegen vindplaatsen 3 en 5 zijn in de oeverafzettingen twee archeologische niveaus aangetroffen. Het hoogste niveau betreft een vegetatieniveau in de top van de oeverafzettingen, op een diepte van 0,8 tot 1,0 m -mv, dat stamt uit de ijzertijd en Romeinse tijd. Dit vegetatieniveau is in deze zone overal aangetroffen. Lokaal komt een tweede dieper gelegen vegetatieniveau voor (op 1,2 tot 1,5 m -mv) dat uit de bronstijd dateert. In zuidelijke en zuidoostelijke richting hebben geen gravende onderzoeken plaatsgevonden maar geven enkele booronderzoeken wel een beeld in hoeverre de archeologische niveaus ook hier voorkomen (onderzoekscatalogusnrs.
9, 10 en 84).84 Het blijkt dat het ijzertijd- en Romeinse niveau in zuidelijke en zuidoostelijke richting zich over de volledige breedte van de Lage Dijk stroomgordel uitstrekt (vindplaatsen 8-10). Lokaal is hier ook het tweede, diepere niveau uit de bronstijd vastgesteld.85 In zuidoostelijke richting blijkt het niveau uit de ijzertijd en Romeinse tijd zelfs tot ruim 100 m buiten het gereconstrueerde verloop van de Lage dijk stroomgordel voor te komen (onderzoekscatalogusnr. 9; vindplaatscatalogusnr. 7).86 Het is onduidelijk bij welke stroomgordel de oeverafzettingen waarin het archeologisch niveau zich hier bevindt, horen. Op grond van de onderzoeksgegevens is het attentiegebied als volgt begrensd: In westelijke richting valt de grens samen met de begrenzing van de Lage Dijk stroomgordel. In zuidoostelijke richting ligt de grens bij grote afgetichelde percelen. In het zuiden vormt de grens van onderzoekcatalogusnr. 10 de afbakening van het attentiegebied. In noordelijke richting is de grens getrokken bij de bebouwing van de industrieterreinen Lage Dijk en Over-Oudland. Hoewel in deze industriegebieden in het verleden archeologische resten uit de midden-bronstijd en Romeinse tijd zijn vastgesteld (vindplaatscatalogusnrs. 17, 21 en 22), is het aannemelijk dat de bouw van deze terreinen het ter plaatse aanwezige bodemarchief in hoge mate heeft verstoord.
Verniers, L.P. 2012. Oude Rengerink, 1996; Muller, 2003a &b; Van Rooij, 2011. 85 Muller, 2003b. 86 Muller, 2003a. 83
84
49
5 De Archeologische beleidsadvieskaart 5.1 Algemeen De archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlagen 11 & 12) is de ruimtelijke verbeelding van het voorgestelde archeologiebeleid. De kaart laat zien binnen welke gebieden in de gemeente IJsselstein welk beleid van toepassing is. Daartoe is op de beleidsadvieskaart een zestal beleidscategorieën onderscheiden (zie paragraaf 5.2). Een beleidscategorie is een afgebakend gebied met een specifiek beschermingsniveau voor de te verwachten archeologische waarden. Beleidscategorieën helpen de gemeente bij het uitvoeren van haar wettelijke taak op het gebied van archeologische monumentenzorg, en bieden helderheid aan initiatiefnemers (zoals projectontwikkelaars of particulieren) over wanneer archeologisch onderzoek verplicht is en in welke vorm. Daartoe zijn aan de beleidscategorieën regels of procedures gekoppeld die gevolgd moeten worden bij ruimtelijke ingrepen (zoals bouw- of graafwerkzaamheden). Zo zijn er regels (vrijstellingsgrenzen, zie paragraaf 5.3) die voorschrijven wat de maximale omvang (in termen van diepte en oppervlakte) van beoogde bodemingrepen kan zijn, zonder dat voorafgaand archeologisch onderzoek vereist is. De oppervlakte betreft hierbij het totale ruimtelijke beslag (de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl.
heien)) die in het kader van de omgevingsvergunning of andere (aanleg)werkzaamheden worden uitgevoerd. De beleidsadvieskaart is gebaseerd op de archeologische inventarisatiekaart, de archeologische verwachtingskaart en de historisch-geografische verwachtingskaart (kaartbijlagen 2, 4 en 9). Bij het bepalen van de vrijstellingsgrenzen is verder gelet op de aard en omvang van de achterliggende archeologische waarden. Zo heeft een relatief kleine bodemingreep op een historisch erf al een relatief grote kans dat aanwezige archeologisch erfgoed ongezien verdwijnt, wat voor deze historisch-landschappelijke eenheden een lagere vrijstellingsgrens legitimeert. Uiteindelijk kan de beleidskaart gezien worden als de uitkomst van de afweging tussen (archeologisch en historisch-geografisch) inhoudelijke belangen en een praktische uitvoering. Achtergrond bij het tot stand komen van de beleidsadvieskaart is dat bekende en nog onbekende archeologische resten zoveel beschermd worden, zonder dat dit tot onevenredige inspanningen en overbodig archeologisch onderzoek – en dus kosten – leidt. Verankering van het archeologiebeleid De archeologische beleidsadvieskaart is tevens een instrument waarmee (aangetoonde en verwachte) archeologische waarden kunnen worden geïntegreerd in de ruimtelijke ordening.
Bij het opstellen van het omgevingsplan dient de gemeente rekening te houden met alle terreinen die als ‘archeologisch monument’ of ‘zones van archeologische verwachtingswaarde’ zijn aangemerkt. De gebieden waarop de beleidscategorieën betrekking hebben dienen planologisch te worden beschermd door opname op de omgevingsplankaart (en bijbehorende planregels) met de aanduiding ‘functie archeologie’. Uitgangspunt van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) in geval van ruimtelijke ontwikkelingen is het behoud van archeologische waarden in de bodem (behoud ‘in situ’) en aantasting door bodemingrepen te vermijden. Planaanpassing heeft dus de voorkeur boven uitvoering van archeologisch onderzoek. Indien dit – ook na eventuele planaanpassing – niet mogelijk is, is archeologisch onderzoek pas aan de orde (zie hoofdstuk 6 en bijlage 7). Concreet houdt dit in dat, indien aanpassing van de plannen niet mogelijk is, bodemverstorende ingrepen of ingrijpende grondwaterpeilverlagingen niet zijn toegestaan, tenzij voorafgaand waardestellend archeologisch onderzoek is uitgevoerd en de daarbij vastgestelde archeologische waarden adequaat worden behouden, hetzij in situ (op locatie in de bodem), hetzij ex situ (door opgraving).
In de praktijk betekent dit beleid dat wanneer besloten wordt om economische en maatschappelijke belangen zwaarder te laten wegen dan de cultuurhistorische belangen – en er dus toestemming wordt gegeven voor bodemverstorende activiteiten in een gebied –, altijd voorafgaand waardestellend archeologisch onderzoek vereist is. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan blijken dat een opgraving noodzakelijk is, of – in uitzonderlijke gevallen – dat alsnog besloten moet worden tot behoud in situ van de archeologische resten. Laatstgenoemde situatie heeft zich in de praktijk vooralsnog niet voorgedaan. .
5.2 Beleidscategorieën
50
Waarde-archeologie 1 Categorie 1 betreft de in de gemeente gelegen archeologische rijksmonumenten. Het gaat om archeologische resten die door de RCE vanwege hun nationale cultuurhistorische waarde zijn aangewezen als beschermd monument. De begrenzingen van deze terreinen zijn op basis van uitgebreid onderzoek vastgesteld. Waarde-archeologie 2 Deze categorie omvat allereerst de terreinen van hoge archeologische waarde: historische kern van IJsselstein, historische gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek, historische erven binnen de bewoningslinten, historisch-geografische objecten (molenplaatsen, kasteelterreinen, versterkte huizen, kerk etc.), AMK-terreinen en locaties van een tankgracht, afweergeschut en een gecrashte vliegtuig uit WO2. Verder zijn de waterbodems grenzend aan historische bebouwing (hoge verwachtingswaarde) en het attentiegebied tot de categorie Waarde-archeologie 2 gerekend. Het gaat om terreinen met een hoge cultuurhistorische waarde, waar de aanwezigheid van archeologische resten is vastgesteld of vrijwel zeker is en waar de dichtheid aan sporen en vondsten hoog is. Waarde-archeologie 3 Categorie 3 betreft verwachtingsgebieden met een hoge archeologische verwachting: de ondiep gelegen stroomgordels en de globale locatie van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren.
Hier zijn binnen de categorie van verwachtingsgebieden de hoogste dichtheden aan sporen en vondsten te verwachten. Waarde-archeologie 4 Categorie 4 omvat de historische dijken en kades (terreinen van archeologische waarde) en de delen van bewoningslinten waarbinnen volgens de geraadpleegde historische kaarten geen bebouwing aanwezig was, maar de aanwezigheid ervan niet is uit te sluiten. Ook de aan deze bewoningslinten grenzende waterbodems (middelhoge verwachtingswaarde) vallen in deze categorie. Waarde-archeologie 5 Categorie 5 bestaat uit de dieper gelegen verwachtingsgebieden: de oudere stroomgordels en de pleistocene dekzanden (binnen 5 m -mv) met een hoge verwachting op archeologische resten. Deze gebieden hebben weliswaar een hoge kans op aanwezigheid van archeologische resten, maar door hun diepere ligging is de kans dat zij bij ontwikkelingen grootschalig verstoord raken relatief beperkt. Waarde-archeologie 6 De categorie Waarde-archeologie 6 betreft de komgebieden en de relatief diep gelegen pleistocene dekzanden (dieper dan 5 m -mv). Voor beide landschappelijke elementen wordt ingeschat dat de kans dat archeologische resten bij ruimtelijke ontwikkelingen verstoord raken nog kleiner is dan bij de elementen van categorie 5. Komgebieden kennen vanwege hun “natte” ligging een relatief lage kans op het aantreffen van archeologische resten.
Over de relatief diep gelegen dekzanden is weinig bekend zodat hiervoor een middelhoge verwachting geldt. In naoorlogse uitbreidingswijken buiten de oude woonkernen kan de bodem aanzienlijk verstoord zijn, maar is het ook niet uitgesloten dat waardevolle archeologische resten toch nog bewaard zijn gebleven. Deze gebieden zijn op de beleidskaart, indien zij samenvallen met gebieden met een Waarde-archeologie, gearceerd aangegeven. Dit betekent dat bij de beoordeling van bouwplannen in principe de onderliggende beleidscategorie en de bijbehorende vrijstellingsgrenzen gelden, maar dat in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente mogelijk een aangepaste onderzoeksstrategie (gericht op het verzamelen van gegevens over de mate en diepte van de verstoringen en de gevolgen daarvan op het archeologisch relevante niveau) kan worden gevolgd of geen onderzoek noodzakelijk blijkt (zie paragraaf 6.2). Van de diepe bodemverstoringen ter hoogte van de dieper gelegen stroomgordels en de pleistocene dekzanden (binnen 5 m -mv) is niet bekend in hoeverre de afgravingen/saneringen het potentieel archeologische niveau hier hebben aangetast. Deze gebieden zijn op de beleidskaart, gearceerd aangegeven.
Dit betekent dat bij de beoordeling van bouwplannen de onderliggende beleidscategorie en de bijbehorende vrijstellingsgrenzen gelden, maar dat in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente mogelijk een aangepaste onderzoeksstrategie (gericht op het verzamelen van gegevens over de mate en diepte van de verstoringen en de gevolgen daarvan op het archeologisch relevante niveau) kan worden gevolgd of geen onderzoek noodzakelijk blijkt (zie paragraaf 6.2).
51
De overige gebieden met diepe bodemverstoringen en vrijgegeven terreinen zijn niet in een beleidscategorie opgenomen omdat in deze gebieden geen intacte archeologische resten meer te verwachten zijn. Ook deze gebieden zijn daarom vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De dieper gelegen dekzanden (< 5m -mv) zijn niet in een beleidscategorie opgenomen omdat door hun diepe ligging deze afzettingen bij het merendeel van de ruimtelijke ontwikkelingen niet of nauwelijks “geraakt” zullen worden.
5.3 Vrijstellingsgrenzen De Omgevingswet hanteert 100 m² als grens waaronder een gemeente projecten in beginsel moet vrijstellen van de archeologische onderzoekplicht, maar gemeentes mogen hier beargumenteerd van afwijken. Zo is bijvoorbeeld de kans op het aantreffen van archeologische resten in historische binnensteden of dorpskernen dermate groot, dat onderzoeken kleiner dan 100 m² belangrijke kenniswinst kunnen opleveren. Veel gemeentes hanteren voor dergelijke gebieden daarom vaak een lagere vrijstellingsgrens, soms zelfs van 0 m². Daar staat tegenover dat in gebieden waar een relatief lage dichtheid aan archeologische resten wordt verwacht doorgaans een hogere vrijstellingsgrens wordt gehanteerd, om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is. Bij het bepalen van de vrijstellingsgrenzen voor de nieuwe beleidskaart zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Bij de vrijstellingsdiepte van dicht tegen het maaiveld aangelegen archeologische niveaus is uitgegaan van 30 cm, de gemiddelde dikte van de bouwvoor. Voor de dieper gelegen archeologische niveaus van de oudere stroomgordels en de pleistocene dekzanden (binnen 5 m -mv) is uitgegaan van een 1, 5 m -mv vrijstellingsdiepte (i.e.
hoogste voorkomen van de top van de oeverafzettingen gerelateerd aan de oudere stroomgordels). 2. Er is (conform de actualisatie van het archeologiebeleid van de gemeente Vijfheerenlanden [Boshoven & Hanemaaijer, 2023]) een onderscheid gemaakt tussen enerzijds terreinen met archeologische waarden en anderzijds archeologische verwachtingsgebieden. Bij de eerste categorie is de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem al bekend (bijvoorbeeld door analyse van historisch kaartmateriaal of op basis van eerder verricht onderzoek). Bij deze terreinen is de kans zeer groot dat bij bodemingrepen, ook bij die met een geringe omvang, archeologische resten vernield worden. Daarom is een strenge oppervlaktevrijstelling gewenst, gelijk aan of strenger dan 100 m²-norm uit de Omgevingswet. In archeologische verwachtingsgebieden kunnen archeologische resten in meer of mindere mate verwacht worden maar is hun aanwezigheid nog niet vastgesteld. Hoe kleiner een onderzoeksgebied en hoe lager de verwachtingswaarde, hoe groter de kans dat een onderzoeksgebied archeologisch “leeg” is. Om die reden dient de omvang van de oppervlaktevrijstelling af te hangen van de hoogte van de verwachtingswaarde, waarbij als ondergrens de eerdergenoemde 100 m²-norm geldt. 3.
Rondom de gemeente IJsselstein liggen vijf gemeenten (Lopik, Vijfheerenlanden, Montfoort, Utrecht en Nieuwegein) die elk een eigen archeologiebeleid hebben met eigen vrijstellingsregimes. Het blijkt dat bij de terreinen met archeologische waarden de vrijstellingsgrens over het algemeen tussen 0 en 100 m² ligt, met 30 m² als gemiddelde. Bij de verwachtingsgebieden is de variatie groter, met name bij de middelhoge en lage verwachtingsgebieden: hoog (ondiepe stroomgordels) 100 – 500 m², middelhoog (diepe stroomgordels) 250 – 2500 m² en laag (komgebieden) 5000 – 10000 m² of vrijgesteld. Daarnaast blijkt dat pleistocene dekzand en waterbodems in de meeste gemeentes niet is meegenomen in het archeologiebeleid. Het streven bij de actualisatie is om het nieuwe vrijstellingenregime zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de vrijstellingenregimes van de aangrenzende gemeentes. Op basis van de genoemde uitgangspunten is hieronder een voorstel van nieuwe vrijstellingsgrenzen geformuleerd. Daar waar van de in de wet vastgelegde grens van 100 m² wordt afgeweken, is dit onderbouwd. Waarde-archeologie 1 De archeologische rijksmonumenten genieten wettelijke bescherming via de Erfgoedwet. Voor werkzaamheden die een beschermd monument (mogelijk) beschadigen of ontsieren, is een vergunning vereist.
Behoud in situ, waarbij archeologische resten beschermd worden op de plek waar ze zijn aangetroffen, en het vermijden van bodemverstoringen (inclusief sloopwerkzaamheden en grondwaterpeilverlagingen) vormen het uitgangspunt voor beleid. Duurzame ontwikkeling op een rijksmonument is alleen mogelijk als, al dan niet met behulp van een archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat de archeologische resten niet worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling. 52
De gemeente is verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten, in het geval er sprake is van een meervoudige aanvraag (formeel: indien een of meer andere omgevingsvergunningen nodig zijn voor samenhangende activiteiten). De gemeente is wel verplicht om bij dergelijke meervoudige aanvragen de RCE om advies te vragen; de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft ook instemmingsrecht op het voorgenomen besluit. Bij een enkelvoudige aanvraag is de RCE het bevoegd gezag. Waarde-archeologie 2 Behoud in situ en het vermijden van bodemverstoringen (inclusief sloopwerkzaamheden en grondwaterpeilverlagingen) vormen het uitgangspunt voor beleid. Gezien de grote cultuur-historische waarde van deze terreinen, in combinatie met het feit dat op basis van archeologisch of historisch onderzoek een hoge dichtheid aan sporen en vondsten is te verwachten is, geldt voor deze categorie een relatief streng vrijstellingenbeleid waarbij geen verstoring is toegestaan bij bodemingrepen groter dan 30 m² en dieper dan 30 cm -mv (landbodems) of de top van de waterbodem (excl. een eventueel aanwezige recente sliblaag), zonder dat een waarderend archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Dit regime sluit aan op de gemiddelde vrijstellingsgrenzen voor vergelijkbare categorieën in de aangrenzende gemeenten.
Waarde-archeologie 3 Voor de tot deze categorie gerekende gebieden - de ondiep gelegen stroomgordels en de globale locatie van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren – geldt de hoogste kans op het aantreffen van archeologische resten. Tevens geldt bij bodemingrepen, vanwege de ligging dicht onder het maaiveld, de hoogste kans op het verstoren van deze resten. Om die reden dient een relatief strenge vrijstellingsgrens gehanteerd te worden, die niet ver boven de 100 m² norm uitkomt. Om aan te sluiten op de gemiddelde vrijstellingen in aangrenzende gemeentes is gekozen voor een vrijstellingsoppervlak van 250 m² en een vrijstellingsdiepte van 30 cm -mv. Waarde-archeologie 4 In bewoningslinten met een middelhoge verwachtingswaarde, de historische dijken en kades en de aangrenzende waterbodems bestaat er een gemiddelde kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Dit maakt een iets ruimer vrijstellingsregime dan bij categorie 3 mogelijk. Gekozen is voor een vrijstellingsoppervlak van 500 m² en een vrijstellingsdiepte van 30 cm -mv (landbodems) of de top van de waterbodem (excl. een eventueel aanwezige recente sliblaag). Werkzaamheden die beperkt blijven tot het verwijderen van deze aantoonbaar recente sliblaag zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
Waarde-archeologie 5 De verwachtingsgebieden die tot deze categorie behoren - de oudere stroomgordels en de pleistocene dekzanden (binnen 5 m -mv) – hebben weliswaar een hoge kans op het aantreffen van archeologische resten, maar door hun relatief diepere ligging is de kans dat zij bij ontwikkelingen grootschalig verstoord raken relatief beperkt. Daarom is een ruimere vrijstellingsgrens gerechtvaardigd. Gekozen is voor een vrijstellingsoppervlak van 1000 m² en een vrijstellingsdiepte van 1,5 m -mv. Waarde-archeologie 6 In gebieden met een lage archeologische verwachting geldt een relatief lage dichtheid aan archeologische resten die een ruim vrijstellingsregime toelaat: vrijstellingsoppervlakte van 10.000 m² én een diepte van 0,3 m -mv. Indien de hierboven genoemde vrijstellingsgrenzen worden overschreden, is archeologisch vooronderzoek vereist om de archeologische waarde van het plangebied vast te stellen. Op basis van de uitkomsten van dit vooronderzoek kan de gemeente bepalen of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit kan bijvoorbeeld een archeologische opgraving betreffen (behoud ex situ), indien archeologische resten door de voorgenomen ontwikkeling worden bedreigd. Alternatief kan worden besloten tot het treffen van maatregelen gericht op het behoud van archeologische waarden in situ, dat wil zeggen op de oorspronkelijke locatie.
Zowel behoud ex situ als behoud in situ maken deel uit van de archeologische monumentenzorgcyclus (AMZ-cyclus); zie bijlage 6 voor een nadere toelichting.
53
6 De rol van de gemeente in het archeologisch onderzoekstraject 6.1 Het archeologisch onderzoekstraject Archeologisch onderzoek in Nederland dient te worden uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA is bindend en bevat alle eisen waaraan archeologisch onderzoek en het beheer van archeologisch vondst- en documentatiemateriaal minimaal moet voldoen. Ook de eisen waaraan de uitvoerders van het onderzoek moeten voldoen staan hierin vermeld. Dit geldt voor zowel de commerciële archeologische bedrijven als voor de (gravende) overheidsdiensten (zie bijlage 7).
Figuur 6-1 Het archeologisch proces (AMZ) (bron: SIKB).
54
Het archeologische traject is opgesplitst in een drietal stappen.87 De drie onderzoeksstappen bestaan achtereenvolgens uit een bureauonderzoek (stap 1), een Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) en indien noodzakelijk, behoud van de vindplaats (stap 3). In het diagram in afbeelding 6.1 is het gehele traject schematisch weergegeven. Elke door een archeologisch instelling uitgevoerde stap dient te resulteren in een KNA-conform onderzoeksrapport en bevat een advies waarin wordt toegelicht en onderbouwd of een vervolgonderzoek (in de vorm van een volgende stap) al dan niet noodzakelijk is. In met name de kleinere onderzoekslocaties kunnen evenwel stappen 1 en 2 worden samengevoegd, met de resultaten van zowel het bureauonderzoek als het inventariserend veldonderzoek in één onderzoeksrapport. Dit is een veel gebruikte praktische oplossing om de (veelal particuliere) verstoorder niet onnodig op kosten te jagen. In binnenstedelijke situaties wordt vaak afgeweken van bovenstaande stappen. In de praktijk blijkt dat veelal wordt gekozen om na een bureauonderzoek, indien hierin is vastgesteld dat archeologische waarden door de planontwikkeling vernield dreigen te worden, meteen over te gaan op een proefsleuvenonderzoek (IVO-p) en/of opgraving, al dan niet in de vorm van een archeologische begeleiding.
De ervaring heeft namelijk geleerd dat een inventariserend veldonderzoek middels booronderzoek in de binnenstad in de regel weinig tot geen toegevoegde waarde heeft.
6.2 De rol van de gemeente in het archeologisch onderzoekstraject De bevoegde overheid, meestal de gemeente, heeft in het archeologisch onderzoekstraject op verschillende momenten een belangrijke rol. Onderzoeksverplichting Allereerst is de gemeente als bevoegde overheid bij het aspect archeologie verantwoordelijk voor de beslissing of bij een ruimtelijke ontwikkeling een archeologisch onderzoekstraject opgestart dient te worden. De gemeente dient bij een vergunningaanvraag de initiatiefnemer van een ontwikkeling te informeren of er een verplichting geldt om archeologisch onderzoek te laten verrichten of dat het betreffende terrein vrijgesteld is van archeologisch onderzoek. Hierbij is het omgevingsplan het primaire toetsingskader. Op de plankaart staat de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart middels een functie archeologie aangegeven. In de omgevingsplanregels zijn zaken als onderzoeksplicht en de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat een vergunning wordt afgegeven beschreven. In de regel bepalen de verstoringsdiepte en de oppervlakte waarbinnen bodemingrepen (omvang plangebied) gaan plaatsvinden of archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Als deze waarden de voor de betreffende functie (archeologie) geldende vrijstellingsgrenzen overschrijden is archeologisch onderzoek in principe verplicht.
In een aantal gevallen is echter sprake van ”maatwerk”: a)
b)
Bij bouwplannen in naoorlogse uitbreidingswijken buiten de oude woonkernen ter hoogte van gebieden met een Waarde-archeologie. Hier kan de bodem lokaal aanzienlijk verstoord zijn, maar is het ook niet uitgesloten dat waardevolle archeologische resten toch nog bewaard zijn gebleven. Bij bouwplannen in gebieden met diepe bodemverstoringen ter hoogte van de dieper gelegen stroomgordels en dekzanden (<5m -mv). Voor deze gebieden geldt dat niet bekend is in hoeverre de afgravingen/saneringen het potentieel archeologische niveau hier hebben aangetast. Daar waar bouwplannen in gebieden a) of b) boven de vrijstellingsgrenzen van de onderliggende beleidscategorie Waarde-archeologie uitkomen, dient in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente bekeken te worden of een aangepaste onderzoeksstrategie (gericht op het verzamelen van gegevens over de mate en diepte van de verstoringen en de gevolgen daarvan op het archeologisch relevante niveaus) kan worden gevolgd of geen onderzoek noodzakelijk blijkt.
c)
Een derde geval van “maatwerk” geldt voor plangebieden die qua omvang en voorgenomen verstoringsdiepte de vrijstellingsgrenzen overschrijden, maar waarbij de omvang van de verstoringen maar een zeer beperkt deel van het plangebied beslaan (bijvoorbeeld een zwembad in een plangebied waar verder alleen oppervlakkige graafwerkzaamheden plaatsvinden of zonnevelden met alleen funderingspalen). Hier dient in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente dient per geval bekeken te worden of de mate van verstoring dermate beperkt is dat van een onderzoeksverplichting kan worden afgezien.
In het geval een ingreep niet onderzoeksplichtig is, geldt deze vrijstelling alleen voor de oppervlakte van de ingreep en de bijbehorende verstoringsdiepte van de betreffende ingreep.
87
Voor een uitgebreid overzicht van het archeologisch onderzoekstraject volgens de KNA, wordt verwezen naar bijlage 7.
55
Kwaliteitsbewaking Een tweede rol speelt de gemeente als bevoegd gezag bij de kwaliteitsbewaking (vooraf) van het archeologisch onderzoek en de afstemming ervan op het gemeentelijk archeologiebeleid. Dit gebeurt door de toetsing van PvA's en PvE waarin kaders voor het uit te voeren archeologisch onderzoek worden gesteld. Toetsing onderzoeksrapporten en selectiebesluit Als laatste heeft de gemeente de taak het onderzoeksrapport te toetsen en op basis van het (selectie)advies een onderbouwd (selectie)besluit te nemen over het al dan niet uitvoeren van een vervolgonderzoek. De gemeente kan op elk gewenst moment in het archeologisch traject bepalen of zij, in relatie tot de bouwplannen, over voldoende informatie beschikt over de archeologische waarde van het betreffende plangebied om een beslissing te nemen over de omgang met archeologische waarden. Indien het archeologisch onderzoeksrapport onvoldoende basis biedt voor een zorgvuldig en onderbouwd (selectie)besluit, kan het noodzakelijk zijn het rapport te laten herzien, aan te vullen of – indien nodig – het onderzoek geheel opnieuw uit te voeren. Daarnaast behoudt de gemeente de bevoegdheid om af te wijken van het uitgebrachte (selectie)advies en een afwijkend besluit te nemen, mits dit inhoudelijk voldoende wordt onderbouwd.
Indien uit een inventariserend onderzoek blijkt dat binnen de contouren van het plangebied geen vervolgonderzoek noodzakelijk is, geldt de vrijgave alleen voor de exacte oppervlakte en diepte van het uitgevoerde onderzoek. Voor het deel van het plangebied dat niet tot het onderzoek behoort (niet alleen qua oppervlak maar ook qua diepte) blijven de categorie en het bijbehorend regime gelden.
6.3 Vrijgeven De resultaten van archeologisch onderzoek kunnen gedurende de stappen 1 en 2 ook resulteren in het vrijgeven van een plangebied. Er hoeven dan geen vervolgstappen te worden genomen en de geplande bodemingrepen kunnen zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd. Het ontbreken van archeologische waarden, bijvoorbeeld als gevolg van verstoringen, is een veel voorkomende reden voor het vrijgeven van een plangebied. Echter, het kan ook voorkomen dat een vindplaats van dermate marginale betekenis is, of zodanig is verstoord, dat verder onderzoek een te laag kennisrendement oplevert. In die gevallen is verder onderzoek of bescherming niet noodzakelijk. Bij een dergelijk negatief selectieadvies kan door de gemeente worden besloten (selectiebesluit) om de vindplaats door lokale amateurarcheologen te laten onderzoeken conform een (eventueel op te stellen) gemeentelijk protocol.
6.4 Toevalsvondsten Ook als geen (nader) archeologisch onderzoek noodzakelijk is, hetzij bij vrijstelling, hetzij bij vergunningverlening, geldt dat de Erfgoedwet van kracht blijft. De meldingsplicht geldt dus niet alleen voor vondsten die bij toeval worden gedaan, maar ook voor vondsten die worden gedaan nadat een terrein in het kader van een vergunningsverleningstraject archeologisch is onderzocht en is vrijgegeven. Volgens de Erfgoedwet bestaat een meldingsplicht indien waardevolle archeologische resten worden aangetroffen. Artikel 5.10, lid 1: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister.” In de praktijk betekent dit dat eventuele vondsten gemeld dienen te worden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en/of de gemeente. Het heeft de voorkeur om een toevalsvondst te melden bij de ODRU. Naast de meldingsplicht is “De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, ….gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek” (Artikel 5.10, lid 2).
Bij een niet mobiele vondst betekent dit dat de vondst in eerste instantie dus onverplaatst in de bodem (in situ) moet blijven. In tegenstelling tot vondsten die worden aangetroffen bij archeologisch onderzoek, hoeven toevalsvondsten niet te worden gedeponeerd bij het provinciaal depot. De waarde van een toevalsvondst komt in gelijke delen toe aan de vinder én de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waarin deze is aangetroffen.88
Artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. In het Burgerlijk Wetboek wordt overigens niet van een monument, maar van een schat gesproken. Het is overigens de vraag in hoeverre metaaldetectorvondsten als 'toevalsvondsten' gezien moeten worden, omdat deze juist 88
56
met deze bedoeling worden opgespoord. Het verdient daarom aanbeveling in de APV een metaaldetectieverbod op te nemen voor archeologische monumenten (AMK-terreinen), teneinde aantasting van deze terreinen te voorkomen.
57
Literatuur Alterra, 2006, Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, digitaal bestand. Berendsen H.J.A., B. Makakase, O. van de Plassche, M.H.M. van Bree, S. Das, M. van Dongen, S. Ploumen & W. Schoenmakers, 2007, New groundwater-level rise data from the Rhine-Meuse delta - implications for the reconstruction of Holocene relative mean sea-level rise and differential land-level movements. Netherlands Journal of Geosciences / Geologie en Mijnbouw 86: 333-354. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001, Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, Assen. Berendsen, H.J.A., 1982, De genese van het landschap in het zuiden van de provincie Utrecht (Utrechtse Geografische Studies 25), Utrecht. Bles, B.J. & H.J.M. Zegers, 1970, De bodemgesteldheid van het ruilverkavelingsgebied Lopikerwaard – oostelijk deel. Stiboka-rapport 872, Wageningen. Bles, B.J. & H.J.M. Zegers, 1970, De bodemgesteldheid en de bodemgeschiktheid in het toekomstige ruilverkavelingsgebied Lopikerwaard. Stiboka-rapport 922, Wageningen. Boer, A., de, B. Meijlink & M. Kocken, 2006, De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente IJsselstein (ADC Heritage Rapport H011), Amersfoort. Braun, T. (2023), IJsselstein, Lage Dijk-Noord. Gemeente IJsselstein (UT). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). Transectrapport 4929. Busschers, F.S. & H.J.T.
Weerts, 2003, Formatie van Kreftenheye, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht. Cohen, K.M. & E. Stouthamer, 2012, Vernieuwd digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maasdelta. Beknopte toelichting bij het digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maasdelta, Utrecht. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik en A.H. Geurts, 2012, Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta, Utrecht (http://persistent-identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13-nqjn-zl). Fischer, A.D., H. van Londen, A.L. Blonk-van den Bercken, R.M. Visser & J. Renes, 2021, Urban farming and ruralisation in the Netherlands (1250 up tot the nineteenth century), unravelling farming practice and the use of (open) space by synthesising archaeological reports using text mining (Nederlandse Archeologische Rapporten 68), Amersfoort. Leusen, M. van & H. Kamermans (red.), 2005, Predictive modelling for Archaeological Heritage Management: A research agenda. Nederlandse Archeologische Rapporten 29, Amersfoort Dinter, M. van., 2013, The Roman Limes in the Netherlands: how a delta landscape determined the location of the military structures. Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 92 (1): 11-32. Engeldorp Gastelaars, H.E.G. van, 2023,IJsselstein: Koningshof, Schuttersgracht & Molenstraat, Drie archeologische begeleidingen (ADC-rapport 5867).
Gottschalk, M.K.E., 1971, Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland, I, De periode vóór 1400, Assen/Amsterdam. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989, Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters, Delft. Muller, A., 2003a, Plangebied Lage Dijk-Oost, gemeente IJsselstein; een inventariserend archeologisch onderzoek (RAAP-notitie 438). 58
Muller, A., 2003b, Plangebied Lage Dijk-West, gemeente IJsselstein; een inventariserend archeologisch onderzoek (RAAPnotitie 440). Oude Rengerink, J.A.M., 1996, N210, Omlegging Zenderpark IJsselstein; een archeologische kartering (RAAP-rapport 193). Pierik, H.J., Stouthamer, E. & Cohen, K.M., 2017, Natural levee evolution in the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, during the first millennium CE. Geomorphology 295: 215-234. Pierik, H.J., 2017, Past human-landscape interactions in the Netherlands: Reconstructions from sand belt to coastal-delta plain for the first millennium AD, Utrecht. Plassche, O. van de, S. Bohncke, B. Makaske & J. van der Plicht, 2005, Water-level changes in the Flevo area, central Netherlands (5300-1500 BC): implications for relative mean sea-level rise in the Western Netherlands, Quaternary International 133-134: 77-93. Plassche, O. van de, B. Makaske, W.Z. Hoek, M. Konert & J. van der Plicht, 2010, Mid-Holocene water-level changes in the lower Rhine-Meuse delta (western Netherlands): implications for the reconstruction of relative mean sea-level rise, palaeoriver-gradients and coastal evolution, Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 89(1): 3-20. Projectteam gemeente IJsselstein/ KuiperCompagnons, 2021. Omgevingsvisie IJsselstein: Behoud én ontwikkeling.
Rijks Geologische Dienst, 1988, Geologische kaart van Nederland 1:50000 blad 31 Oost, Utrecht, Haarlem. Rijks Geologische Dienst, 1970, Geologische kaart van Nederland 1:50000 blad 38 Oost Gorinchem, Haarlem. Rooij, J.A.G. van, 2011, Lage Dijk-Noord 28 te IJsselstein. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek (ADC-rapport 2767). Rooij, J.A.G. van & A. de Boer, 2011, Onderbouwing bij het geactualiseerde archeologiebeleid van de gemeente IJsselstein (ADC-rapport 2743), Amersfoort. Schokker, J., F.D. de Lang, H.J.T. Weerts, C. den Otter, S. Passchier, 2005, Formatie van Boxtel, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht. Stafleu, J., D., Maljers, F. Busschers, J. Gunnink, J. Schokker & J. Hummelman, 2019: Totstandkomingsrapport GeoTOP. TNO-rapport 2019 R11655, TNO, Utrecht. Tier, T. van der 2020: Het leven in IJsselstein in de prehistorie, Wat de archeologie te zeggen heeft over het gebied van IJsselstein in de late steen-, brons- en ijzertijd, in Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad land nr. 169, 3-21. Tier, T. van der 2022: Imperium sine fine, De effecten van de opname in een wereldrijk op de plattelandsbevolking in IJsselstein, in Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad land nr. 173, 9-25. Tol, A., P. Verhagen & M.
Verbruggen, 2012, Leidraad inventariserend veldonderzoek; deel: karterend booronderzoek, Gouda. Verniers, L.P., 2012, Grafheuvels in IJsselstein. Een archeologische opgraving van een Romeins grafveld uit de 2e eeuw (ADCrapport 3012). Vos, P.C., J. Bazelmans, H.J.T. Weerts & M.J. van der Meulen (red.), 2011, Atlas van Nederland in het Holoceen, Amsterdam. Weerts, H.J.T. & F.S Busschers, 2003a, Formatie van Nieuwkoop, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht. Weerts, H.J.T. & F.S. Busschers, 2003b, Formatie van Echteld, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
59
Bronnen Modern oorlogserfgoed Abbink Spaink, J.J., 1963, IJsselstein, verleden en heden, IJsselstein. Bosman, A.V.A.J., 2010, Militair archeologisch erfgoed te Valkenburg ZH, Een historisch overzicht en verwachtingsmodel, Past2Present rapport 510, Woerden. Bosman, A.V.A.J., E.J. van Ginkel, J. Verweij & W. Waldus, 2014, De archeologie van modern oorlogserfgoed, Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 1, ADC rapport 3595, Amersfoort. Bosman, A.V.A.J., R.C.A. Geerts & D. Sam, 2017, Een brug te ver onderzocht, Archeologisch onderzoek in StadsblokkenMeinerswijk, gemeente Arnhem, ADC Monografie 22, Amersfoort. Bosman, A.V.A.J. & M. Willemsen, 2019, De archeologie van modern oorlogserfgoed 2, Waarderen en selecteren, een inventarisatie en voorstel archeologie, Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 2, Military Legacy rapport 85, Dordrecht. Brandhof, W. van den, 2019, Vooronderzoek CE, Dijkverbetering Gekanaliseerde Hollandsche IJssel – Noord, AVG rapport 1962026-VO-01, Heijen. Braven, G. den, 2018, Vooronderzoek CE, IJsselstein de Kroon, AVG rapport 1862022-VO-02, Heijen. Copier – Van den End, R., 1995, Vreeswijk in de Tweede Wereldoorlog, Stichting Oudheidskamer Vreeswijk 9, Nieuwegein. Dijk, T.A.