CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

1.1 Rapport - Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein

Commissie Ruimte 24 februari 2026, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven35.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Als hulpmiddelen bij de keuze voor een geschikte prospectiemethode wordt verwezen naar de Leidraad proefsleuvenonderzoek (IVO-p) en Leidraad karterend booronderzoek (IVO-o; beide uitgegeven door de SIKB), een de website “Prospectie op Maat” van de RCE. Waarderende fase Indien tijdens de verkennende of karterende fase van het veldonderzoek een archeologische vindplaats is aangetroffen, is een waarderende fase noodzakelijk. Een dergelijke waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard, omvang, diepteligging, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten. Op deze wijze kan gekomen worden tot een waardebepaling van de betreffende site. Een waarderend inventariserend veldonderzoek bestaat meestal uit een proefsleuven/proefputten onderzoek.111 Bij een waarderend onderzoek dient voor zover in dit stadium mogelijk de Nationale Onderzoeksagenda (NOaA) en indien beschikbaar, de provinciale en/of gemeentelijke onderzoeksagenda te worden betrokken.112 Op basis van de waardestelling

.Bij steentijdvindplaatsen van jager-verzamelaars kan een waarderend booronderzoek wel een optie zijn, deze liggen in IJsselstein echter op een diepte van 5 m of meer**. 112 IJsselstein heeft (nog) geen gemeentelijke onderzoeksagenda. 111

90

zoals deze uit het waarderend onderzoek naar voren is gekomen volgt een selectieadvies en selectiebesluit. Dit advies/besluit heeft betrekking op de volgende stap in het traject, namelijk behoud van de vindplaats (stap 3). 2.3 Behoud Indien op basis van de waardering van een vindplaats wordt besloten dat de vindplaats behoudenswaardig is, dan kan worden gekozen uit 2 vervolgstappen; behoud in situ of opgraven (behoud ex situ). Bij behoud in situ mag de aanwezige vindplaats niet worden verstoord. Bij behoud ex situ wordt de betreffende vindplaats niet in de bodem behouden, maar wordt de in de bodem aanwezige informatie door middel van een definitief onderzoek veiliggesteld. Hierbij moet worden gedacht aan het opgraven van de vindplaats of aan een archeologische begeleiding. Behoud in situ Bij behoud in situ wordt de vindplaats behouden door planaanpassing, zodat de bodem niet verstoord wordt ter plaatse van de vindplaats dan wel tot op het archeologisch relevante niveau. Een dergelijk besluit is het beste instrument dat voorhanden is om een bijzondere vindplaats te kunnen beschermen. Het is tevens het meest ingrijpende instrument, aangezien het kan betekenen dat een geplande ontwikkeling niet door kan gaan, dan wel aangepast dient te worden.

Logisch vervolg op een dergelijk besluit is een aangepaste inrichting, eventueel ook beheer, waardoor duurzaam fysiek behoud wordt bereikt. Tot slot is een administratieve vervolgmaatregel nodig, zodat bescherming via het omgevingsplan (kenmerken als monument) wordt gerealiseerd. Opgraven (Behoud ex situ) Bij ‘definitief’ opgraven wordt de vindplaats opgegraven, waarbij alle sporen en vondsten worden gedocumenteerd, ingetekend en gefotografeerd.113 Na de opgraving is het terrein in principe archeologie-vrij en zijn er geen belemmeringen meer voor bodemverstorende activiteiten.114 Voor de uitvoering van een opgraving is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist. Een dergelijke vaak kostbare stap is een goede optie indien de archeologische vindplaats van dermate belang is dat de betreffende informatie niet verloren mag gaan, maar de geplande bouwwerkzaamheden economisch en maatschappelijk dusdanig zijn dat behoud in situ geen optie is. 2.4 Archeologische begeleiding (proefsleuven- en opgraving-variant archeologische begeleiding Bij hoge uitzondering kan een regulier proefsleuvenonderzoek of opgraving vervangen worden door een proefsleuvenonderzoek of opgraving in de variant ‘archeologische begeleiding’.

In de Memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Monumentenwet 1988 zijn een aantal mogelijke aanleidingen voor een begeleiding opgesomd: Wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen geen mogelijkheid bestaat om adequaat vooronderzoek te doen; Wanneer op grond van beschikbare informatie geconcludeerd is dat een opgraving niet (meer) nodig is, maar er wel behoefte is om die conclusie te staven. De begeleiding moet dan als een controlerend middel worden gezien; Wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten. Om meer praktische redenen wordt soms ook gekozen voor de variant archeologische begeleiding: Wanneer het gaat om een ontwikkeling met een laag archeologisch risico, bijvoorbeeld als archeologische resten met een lage trefkans (lage dichtheid) en ene kleine omvang of complexiteit verwacht kunnen worden, kan een archeologische begeleiding voor de vergunningaanvrager een aantrekkelijk alternatief zijn omdat tijd- en procedurewinst te halen is en op kosten van materieel bespaard kan worden. Voorwaarde is wel dat in het PvE strikte eisen aan de uitvoering van de begeleiding worden gesteld zodat geen archeologische resten ongezien verloren gaan. Daarnaast dient de vergunningaanvrager rekening te houden met de mogelijkheid dat de duur van het onderzoek minder goed is in te plannen (planningsrisico).

In het geval van de aanleg van kabels- en leidingensleuven met een voldoende breedte om zinvolle archeologische waarnemingen te kunnen doen, is een archeologische begeleiding een geschikte methode omdat het gaat om een lijnvormige verstoring die de kenmerken heeft van een reguliere proefsleuf. Wanner de bestaande bebouwing eerst nog gesloopt moet worden, en de verwachting bestaat dat de archeologische resten zich direct onder het maaiveld bevinden. In dat geval kan men er voor kiezen om de sloop tot op of net onder het maaiveld archeologisch te laten begeleiden. Als archeologische resten aanwezig blijken,

Er wordt altijd gekeken naar de voorgenomen bodemverstoringen bij het bouwplan. Dit kan betekenen dat niet de hele vindplaats (alle sporen) hoeft te worden opgegraven. 113

114 Ook hiervoor geldt dat altijd wordt gekeken naar de voorgenomen bodemverstoringen bij het bouwplan. De vrijgave geldt alleen voor

de voorgenomen bodemverstoringen.

91

dienen deze te worden gedocumenteerd of men kan ervoor kiezen om mag op die locatie de sloop stil te leggen en in een later stadium een regulier proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Een archeologische begeleiding kan worden uitgevoerd als een variant onder KNA-protocol proefsleuven (indien nog onvoldoende informatie beschikbaar is voor een waardestelling), of onder het KNA-protocol opgraven (indien er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats of indien de aanwezigheid hiervan aannemelijk is). 2.5 Depotbeheer In artikel 5.7 van de Erfgoedwet is vastgelegd dat vondstmateriaal dat tijdens archeologisch onderzoek wordt aangetroffen eigendom is van de depothouder; in het geval van IJsselstein geldt dat de provincie Utrecht de depothouder is. Het doel van depotbeheer is het duurzaam behoud van de informatie van archeologische monumenten ex situ, ten behoeve van toekomstig onderzoek en ten behoeve van de beleving van het cultureel erfgoed. Dit wordt onder meer bereikt door het op zodanige wijze bewaren en beheren van archeologische objecten en bijbehorende originele documentatie, dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft en door het waarborgen van de toegankelijkheid van de ex situ bewaarde objecten en documentatie.

Alle informatie die bij archeologisch onderzoek verzameld is, wordt volgens een voor professionals toegankelijk en logisch geordend systeem bewaard. Informatie bestaat uit vondsten, monsters en originele documentatie in woord en beeld. Alle materiaal staat geordend op een standplaats, waar zodanige condities heersen, dat vondsten, monsters en documentatie zo stabiel mogelijk kunnen worden bewaard. Tussen vondsten en bijbehorende documentatie moeten kruisverbanden te leggen zijn.115

115

KNA, protocol 4010 depotbeheer.

92

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16250179/2