CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

1.1 Evaluatie verbonden partijen - rapport

Commissie Bestuur 26 februari 2026, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven26.965 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie en aanbevelingen Uit de evaluatie blijkt dat er heel duidelijke redenen zijn voor de samenwerking in de GR en dat doelen overeenkomen. Het objectief meten van effectiviteit bleek niet mogelijk doordat er geen concrete doelen of prestatie-indicatoren zijn gesteld. Er bestaat wel een subjectief beeld dat BSR haar taken effectief uitvoert. Op doelmatigheid presteert BSR zeer goed op de processen heffen en innen, maar het is duurder in het waarderingsproces dan vergelijkbare belastingsamenwerkingen. De ambtelijke en bestuurlijke betrokkenheid beperkt zich tot strategische keuzes en de monitoring op belastinginkomsten. We zien enkele mogelijkheden om de samenwerking met BSR verder te versterken. Hiervoor doen we de volgende aanbevelingen: • Duidelijke en meetbare doelstellingen: zoek actief de samenwerking op met BSR en andere deelnemers, om concrete doelstellingen op te stellen. Door deze vast te leggen in de begroting en er bij de jaarstukken op terug te blikken, ontstaat er meer inzicht in de prestaties. De KPI’s die het AB nu zelf hanteert, kunnen hiervoor als uitgangspunt dienen. Door deze in de reguliere Planning en Control cyclus op te nemen krijgt ook de raad meer inzicht in de prestaties van de BSR. • Eigen terugkoppeling op beleidsprestaties: in de eigen jaarstukken van IJsselstein ontbreekt nu een terugblik op de uitvoering van taken door de BSR.

Het hoofddoel wordt wel in de begroting

•

•

benoemd, maar in de jaarstukken wordt hier niet op gereflecteerd. We bevelen aan om dit wel te doen. De paragraaf verbonden partijen is hiervoor de juiste plek. Onderzoek naar doelmatigheid waarderingsproces: uit de evaluatie blijkt dat de kosten voor het waarderingsproces relatief hoog liggen. We hebben hiervoor geen duidelijke reden gevonden. Onze aanbeveling is daarom om een verdiepend onderzoek uit te voeren naar de beïnvloedbare kosten. Een aanvullend onderzoek kan meer duidelijkheid geven of de hogere kosten te maken hebben met de bedrijfsvoering van BSR, of dat er andere aanwijsbare redenen zijn. Daarmee zal ook duidelijker worden welke keuzes er gemaakt kunnen worden om de kosten meer in lijn met het landelijk gemiddelde te brengen. Het ligt voor de hand dit samen met BSR en andere deelnemers te onderzoeken. Daarbij bevelen we ook aan deel te nemen aan toekomstige benchmarkonderzoeken van de Waarderingskamer. Beleg duidelijker de rol van regievoerder: de rol van regievoerder is niet op dezelfde manier belegd als bij andere gemeenschappelijke regelingen. Dit ziet toe op het monitoren van prestaties en het sturen hierop. De aanbeveling is dan ook om de regievoerdersrol duidelijk te beleggen en vast te leggen wat bij de rol hoort, rekening houdend met de omvang en de risico’s van de BSR.

Gemeentelijke gezondheidsdienst regio Utrecht (GGDrU) Deelvraag 1: wat zijn de argumenten voor samenwerking in de GR?

De Wet publieke gezondheid verplicht gemeenten tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling voor een gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD). De wettelijke taken die worden genoemd in de Wet publieke gezondheid, moeten verplicht worden uitgevoerd via een GGD. Hierbij is IJsselstein gebonden aan de regionale indeling (o.b.v. Wet veiligheidsregio’s) en dus gebonden aan GGDrU. Door de wettelijke verplichting, is deze samenwerking de enige passende en toegestane vorm. Naast de wettelijke verplichting, zijn er op grond van onze Nota verbonden partijen ook andere argumenten voor samenwerking. Een voordeel van regionaal samenwerken in deze GR is dat de gemeenten op deze manier snel, effectief en professioneel in kunnen spelen op uitdagingen op het gebied van volksgezondheid. Dit stopt namelijk niet aan gemeentegrenzen. Een GGD beschikt over gespecialiseerde vakkennis en deskundigheid, waar een kleine gemeente zelfstandig nooit volledig in zou kunnen voorzien. Een ander voordeel is dat kosten, personeel en middelen kunnen worden gedeeld. IJsselstein verwacht uit de samenwerking dus ook een kennisvoordeel, een efficiencyvoordeel en het voordeel van continuïteit. Conclusie We concluderen dat er op grond van de wet, maar ook op basis van het afwegingskader in onze Nota verbonden partijen, duidelijke redenen en argumenten zijn voor samenwerking.

De huidige vorm van samenwerking is passend, en ook de enige toegestane vorm.

Deelvraag 2: hebben IJsselstein en de GGDrU dezelfde doelstellingen?

In de gemeenschappelijke regeling is als doelstelling vastgelegd dat de GR en deelnemende gemeenten samen verantwoordelijk zijn voor het beschermen, bewaken en bevorderen van de gezondheid en veiligheid van inwoners. GGDrU werkt primair aan deze doelstelling door het uitvoeren van de wettelijke taken op het gebied van publieke gezondheid. Op basis van deze algemene doelstelling stelt GGDrU voor elke bestuursperiode inhoudelijke ambities en pijlers vast die richting geven aan het beleid en de uitvoering. Deze ambities en pijlers worden tussen GGDrU en alle deelnemers ambtelijk voorbereid en regionaal afgestemd. Dit resulteert in een bestuursagenda voor een periode van vier jaar. IJsselstein neemt in dit proces een volgende rol waarbij in beginsel wordt vertrouwd op de expertise van GGDrU om de juiste ambities te stellen. IJsselstein kan zich hierbij vrijwel altijd vinden in de ambities van GGDrU. In de begroting legt GGDrU uit wat ze gaan doen om de ambities te bereiken. De begroting is dan ook een uitwerking van de bestuursagenda. Maar de begroting noemt geen concrete beleidsprestaties of prestatie-indicatoren. Naast de basistaken die op basis van wetgeving bij een GGD belegd moeten zijn, laat IJsselstein ook taken uitvoeren door GGDrU op het gebied van Jeugdgezondheidszorg en specifieke toezichtstaken.

Ook kiest IJsselstein ervoor om een aantal extra taken van GGDrU in te kopen. Deze zogenoemde maatwerktaken zijn afgestemd op de specifieke, lokale behoefte van IJsselstein en sluiten aan op eigen beleid en doelstellingen op het gebied van volksgezondheid. Hiervoor heeft IJsselstein een aparte overeenkomst met GGDrU die jaarlijks wordt opgesteld. Bij deze maatwerktaken is IJsselstein sturend in het bepalen van ambities en doelstellingen. De doelstelling van GGDrU sluit ook aan bij de ‘Nota Volksgezondheidsbeleid en Seniorenbeleid 20212025’ van IJsselstein. GGDrU vormt de basis voor de preventieve gezondheidszorg en voert, samen met IJsselstein en andere partners projecten en programma’s uit om de doelstellingen uit de Nota te realiseren. De uitvoering van deze Nota neemt IJsselstein jaarlijks in de begroting op als beleidsprestatie. Conclusie We concluderen dat de ambities en doelstellingen van GGDrU en IJsselstein vrijwel altijd overeenkomen, maar vaak niet zijn uitgewerkt in concrete beleidsprestaties of indicatoren.

Deelvraag 3: hoe effectief is de GGDrU in het behalen van doelstellingen? Hoe wordt effectiviteit gemeten? GGDrU stelt iedere vier jaar een bestuursagenda op. Voor de evaluatieperiode zijn de bestuursagenda’s 2019-2023 en 2023-2027 relevant. Hierin worden ambities weergegeven en wordt op hoofdlijnen uitgewerkt wat GGDrU hiervoor gaat doen. Op basis van de inhoudelijke pijlers uit de bestuursagenda wordt de beleidsbegroting ingericht. In de begroting worden verder uitgewerkt wat GGDrU op alle inhoudelijke pijlers wil bereiken en wat zij gaat doen. GGDrU heeft in de begroting de inhoudelijke pijlers en ambities niet altijd vertaald naar concrete en meetbare doelstellingen, of prestatie-indicatoren die iets zeggen over het maatschappelijk effect dat wordt bereikt. In de jaarstukken beschrijft GGDrU de geleverde inspanningen en prestaties die bijdragen aan de ambities. Hierbij wordt teruggeblikt of de acties uit de begroting ook zijn uitgevoerd. Maar omdat er geen concrete en meetbare doelstellingen en indicatoren zijn, is het niet mogelijk om objectief te bepalen in hoeverre met de uitgevoerde activiteiten ook maatschappelijk effect is bereikt. Of in hoeverre de ambities uit de bestuursagenda worden waargemaakt. De betrokken ambtenaren geven aan dat ze deze jaarstukken daarom ook niet gebruiken om te monitoren of GGDrU haar taken effectief uitvoert.

IJsselstein heeft in haar eigen begroting voor GGDrU de beleidsprestatie geformuleerd dat GGDrU de algehele basis aan preventieve gezondheidszorg levert, de wettelijke taken voor jeugdgezondheidszorg uitvoert en daarnaast nog de extra maatwerktaken voor IJsselstein uitvoert. Ook hier is geen vertaling naar concrete en meetbare prestatie-indicatoren. In de jaarstukken blikt IJsselstein niet terug op het al dan niet behalen van de beleidsprestaties door GGDrU. Een belangrijk middel waarmee IJsselstein wel de voortgang en het behalen van de doelen te beoordeelt, zijn de verschillende landelijke Gezondheidsmonitoren, die eens in de vier jaar door GGDrU worden uitgevoerd. Daarnaast monitort IJsselstein de prestaties van de wettelijke basistaken verder voornamelijk passief op basis van signalen en klachten van bijvoorbeeld inwoners. Daarbij geldt het uitgangspunt: ‘geen bericht, is goed bericht’. Dit wordt door de betrokken ambtenaren als voldoende beschouwd, omdat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ook toezicht houdt op de GGD’en. Twee keer per jaar legt GGDrU verantwoording af over intensivering van de basistaken en over de uitvoering van extra -niet wettelijke- maatwerktaken. De eerste halfjaarlijkse maatwerkverantwoording is een rapportage op afwijkingen. Aan het einde van het jaar volgt een volledige rapportage over het hele jaar, ongeacht of er afwijkingen zijn of niet.

Deze evaluaties zijn vooral activiteitgericht: er wordt voornamelijk gekeken in hoeverre GGDrU de activiteiten heeft uitgevoerd. De verantwoordelijke beleidsmedewerker bespreekt deze maatwerkrapportages met de accounthouder van GGDrU. En haalt voorafgaand aan dit gesprek ook input op bij collega’s om een breder en completer beeld te krijgen van de voortgang en van de eventuele knelpunten. Hoe heeft GGDrU gepresteerd? In de jaarstukken blikt GGDrU terug op de inspanningen en prestaties die ze geleverd heeft om de ambities te realiseren. In tabel 2 zijn voor elke inhoudelijke pijler een samenvatting van de resultaten in de evaluatieperiode weergegeven. Hieruit blijkt dat GGDrU consequent en inhoudelijk rapporteert over de ambities en activiteiten die in de begroting zijn opgenomen. En we zien een algemeen beeld dat de meeste acties uit de begroting ook worden waargemaakt. Tegelijkertijd geeft dit een onvolledig en subjectief beeld over de effectiviteit omdat er geen sprake is van vooraf gestelde concrete en meetbare doelstellingen. Hierdoor kunnen we niet objectief beoordelen of de ambities worden waargemaakt.

Tabel 2: Resultaten doelstellingen GGDrU Inhoudelijke pijler*

Doelstelling

Resultaten in 2022, 2023 en 2024 op basis van de jaarstukken

Een gezonde en veilige Om ervoor te zorgen dat er een leefomgeving veilige en gezonde leefomgeving is, wil GGDrU dat: - Inwoners, gemeenten en zorginstellingen ons weten te vinden voor advies - De voorbereiding op rampen en crises op orde is - Adequaat wordt opgetreden bij kleine en grote incidenten - Gezondheid is meegenomen in ruimtelijke plannen van alle gemeenten - Bedreigingen van de publieke gezondheid worden gesignaleerd, geanalyseerd en waar voor kwetsbare doelgroepen preventieactiviteiten worden opgezet.

GGDrU licht in haar jaarstukken onder andere toe dat het veel werd benaderd voor advies over gezondheid en leefomgeving en dat er advies gegeven is bij ruimtelijke ontwikkelingen en incidenten. Ook zijn gezondheidsrisico’s gesignaleerd en aangepakt en zijn meldingen van infectieziekten onderzocht en maatregelen genomen om verspreiding te voorkomen.

Kansrijk opgroeien

In de jaarstukken licht GGDrU toe dat het veel maatregelen heeft genomen om een gezonde en veilige start voor kinderen te bevorderen. Voorbeelden zijn het voorkomen van ongewenste zwangerschappen, het ondersteunen van scholen bij het stimuleren van een gezonde leefstijl en het bevorderen van mentale gezondheid van jongeren. Uit de toelichtingen blijkt ook dat er extra aandacht is geweest voor kwetsbare gezinnen.

Voor inwoners en toekomstige generaties werken aan een gezond en veilig leven. Eraan bijdragen dat elk kind gezond en veilig opgroeit en naar vermogen meedoet in de maatschappij. Een goede start betekent gezondheidswinst. De (JGZ) werkt hieraan door het versterken van hechting, ouderschap, gezondheid en weerbaarheid. Met name bij gezinnen waar het minder goed gaat.

Daarbij worden veel voorbeelden gegeven van concrete acties of projecten die GGDrU heeft uitgevoerd. Op veel onderdelen worden ook cijfers gedeeld waaruit blijkt hoeveel mensen zijn bereikt door GGDrU. Hieruit blijkt dat er veel is gedaan om een gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen. Maar doordat deze doelstelling vooraf niet is vertaald naar concrete en meetbare (sub)doelen en indicatoren kunnen we op basis van de toelichtingen of gerapporteerde cijfers niet objectief beoordelen in hoeverre GGDrU ervoor heeft gezorgd dat er een gezonde en veilige leefomgeving is.

Er worden veel concrete voorbeelden van activiteiten en projecten gedeeld. Ook worden veel cijfers gedeeld die aangeven hoeveel mensen of maatschappelijke partners zijn bereikt. Maar doordat deze doelstelling vooraf niet is vertaald naar concrete en meetbare (sub)doelen en indicatoren kunnen we op basis van de toelichtingen of de gerapporteerde cijfers niet objectief beoordelen in hoeverre GGDrU ervoor heeft gezorgd dat elk kind kansrijk kan opgroeien.

Langer gezond zelfstandig Samen met gemeenten en partners In de jaarstukken geeft GGDrU veel voorbeelden van hoe het heeft ervoor zorgen dat we beter voorbereid gewerkt aan het langer gezond zelfstandig leven van inwoners. zijn op de toekomst zodat inwoners Voorbeelden zijn dat het elk jaar de huidige en te verwachten langer gezond en zelfstandig kunnen gezondheidssituatie van inwoners van de regio blijven. in kaart zijn gebracht per gemeente en adviezen aan gemeenten heeft gegeven over diverse gezondheidsthema's. Ook op deze pijler bevatten de jaarstukken veel cijfers over hoeveel mensen en maatschappelijke partners zijn bereikt en op welke manier. Maar doordat deze doelstelling vooraf niet is vertaald naar concrete en meetbare (sub)doelen en indicatoren kunnen we op basis van de toelichtingen of gerapporteerde cijfers niet objectief beoordelen in hoeverre GGDrU ervoor heeft gezorgd dat mensen langer gezond en zelfstandig kunnen blijven. * Halverwege de evaluatieperiode zijn voor de periode 2023-2027 nieuwe inhoudelijke pijlers bepaald. Over de evaluatie-periode komt de inhoud van alle pijlers redelijk met elkaar overeen. Daarom gebruiken we de pijlers van de laatste bestuursperiode.

De betrokken ambtenaren geven aan dat de resultaten van de meest recente gezondheidsmonitoren beter zijn dan die van vier jaar eerder. Maar dat het moeilijk is om directe causale verbanden te leggen tussen deze resultaten en de activiteiten van GGDrU. Verder blijkt uit het gesprek met de betrokken ambtenaren dat in de praktijk er vrijwel geen signalen of klachten zijn vernomen dat GGDrU de wettelijke basistaken niet goed uitvoert. Dit geldt voor zowel signalen vanuit inwoners als vanuit de inspectie. De enkele signalen die er zijn geweest in de evaluatieperiode gaan niet over de inhoud, maar over de samenwerking.

Tijdens de evaluatieperiode is het GGDrU gelukt om de intensivering van de basistaken volledig volgens afspraak uit te voeren. De meeste maatwerktaken zijn ook grotendeels uitgevoerd zoals afgesproken. Een enkele taak kon niet of niet geheel volgens afspraak worden uitgevoerd. Dat ging niet elk jaar om dezelfde taak. Voor het deel van de taken wat niet uitgevoerd is, heeft IJsselstein ook niet betaald. Conclusie We concluderen dat zowel GGDrU als IJsselstein geen objectieve en meetbare doelstellingen en indicatoren hebben om de effectiviteit van ambities en prestaties te beoordelen. We constateren ook dat er op basis van signalen vanuit inwoners en inspectie geen signalen zijn dat GGDrU haar wettelijke basistaken niet goed uitvoert. Dit geeft het beeld dat GGDrU haar taken op een goede manier uitvoert. Maar door het ontbreken van concrete, meetbare doelen en indicatoren, kunnen we niet objectief oordelen hoeveel maatschappelijk effect GGDrU bereikt en in hoeverre de ambities uit de bestuursagenda’s worden waargemaakt.

Deelvraag 4: hoe doelmatig is de GGDrU? Hoe wordt doelmatigheid gemeten? In de begroting, jaarstukken of andere rapportages van GGDrU worden geen normen of criteria opgenomen waarmee doelmatigheid objectief gemeten kan worden. Ook IJsselstein heeft deze normen of criteria niet. IJsselstein beoordeelt de doelmatigheid van GGDrU voornamelijk aan de hand van de begroting, begrotingswijzigingen en de jaarstukken. Bij de begroting kijkt de businesscontroller naar de trends van voorgaande jaren: zijn er grote veranderingen en zijn deze uitlegbaar? Bij de jaarrekening kijkt de businesscontroller of de uitgaven in lijn liggen met de begroting en of er geen opvallende afwijkingen zijn, zowel positief als negatief. Het wordt als een (indirecte) indicator van doelmatigheid gezien wanneer kostenstijgingen beheerst en uitlegbaar zijn en wanneer werkelijke kosten in lijn liggen met begroting. Daarnaast werd tot en met 2021 een benchmark opgesteld waarin de kosten van alle GGD’en in Nederland werd vergeleken. Dit gaf een goede indicatie van doelmatigheid en eventuele aandachtspunten op dit gebied. De benchmark werd iedere twee jaar opgesteld, maar sinds 2021 is dit niet meer gebeurd. In de benchmark van 2021 was GGDrU één van de goedkoopste, maar de benchmark geeft dus geen informatie over de evaluatieperiode.

Hoe heeft GGDrU gepresteerd? In eerste instantie hebben we gekeken naar begroting en jaarstukken omdat dit de manier is waarop IJsselstein doelmatigheid meet. We kijken hierbij alleen naar de ontwikkeling in de gemeentelijke bijdrages voor wettelijke taken en collectieve taken. Hiermee corrigeren we voor fluctuaties in maatwerk (lokaal beleid) en taken die uit andere bronnen gefinancierd worden (bijvoorbeeld Covid maatregelen). De totale gemeentelijke bijdrages aan GGDrU zijn in de evaluatieperiode met 28% gestegen. Dit ligt ruim boven het algemeen inflatieniveau in deze periode (ongeveer 17%). De extra stijging kunnen we niet verklaren door groei in inwoners, omdat hier een kleine daling in het aantal kinderen tegenover staat die via de kindbijdrage veel zwaarder weegt. Naast de reguliere loon- en prijsindex wordt de stijging verklaard door enkele kleine volumemutaties in het rijksvaccinatieprogramma in 2023, maar vooral door een heel sterke stijging in 2024 (15% t.o.v. 2023). In dit jaar is de inwonerbijdrage met 11% extra (bovenop reguliere loon- en prijsindex) verhoogd en de kindbijdrage met 5% extra vanwege de informatiestrategie en om haar aantrekkelijkheid als werkgever te verbeteren. Dit is een indicatie dat de doelmatigheid van GGDrU is verslechterd gedurende de evaluatieperiode. Voor IJsselstein geldt dat de bijdrage in de evaluatieperiode met 17% is gestegen.

Dit is lager dan GGDrU als geheel en komt doordat het aantal kinderen in IJsselstein hard daalt. Hierdoor daalt het percentage dat IJsselstein bijdraagt in de totale kosten van GGDrU. Dit betekent dat ook de bijdrage van IJsselstein in relatieve zin (gecorrigeerd voor inflatie en demografische factoren) is gestegen in de evaluatieperiode.

Wat verder opvalt is dat GGDrU gedurende het jaar altijd relatief kleine begrotingswijzigingen doorvoert waarmee de gemeentelijke bijdragen iets worden verhoogd ten opzichte van de oorspronkelijke begroting. Maar ook dat er structurele positieve resultaten worden geboekt die oplopen in de evaluatieperiode. Dit is een indicatie dat GGDrU haar kosten te hoog inschat en dat de gemeentelijke bijdragen hierdoor harder zijn gestegen dan strikt noodzakelijk. Benchmark De laatste GGD-benchmark heeft betrekking op 2021. Deze zegt dus niets over de evaluatieperiode, maar geeft wel een goed uitgangspunt voor de benchmark die we zelf hebben gemaakt. Op basis van de benchmark 2021 hebben we de meest vergelijkbare GGD’en bepaald. Dit zijn de GGD’en waar sprake is van een grootstedelijke gemeente en waar de taken op het gebied van jeugdgezondheidszorg volledig onder zijn gebracht. Dit zijn de belangrijkste criteria om te komen tot een goede vergelijking. Uit de benchmark 2021 blijkt de volgende grafiek van totale kosten per inwoner. Het gaat hier om gemeentelijke bijdragen voor wettelijke en basistaken. De bolletjes geven weer of taken op het gebied van jeugdgezondheidszorg (JGZ) volledig onder de basistaken vallen. Dit is bij GGDrU het geval.

Uit de benchmark 2021 blijkt dat de GGDrU tot één van de goedkoopste behoort. Van alle GGD-en waar de JGZ volledig is ondergebracht is het zelfs dé goedkoopste. Hier moet wel één belangrijke correctie op gemaakt worden, namelijk de kosten voor JGZ in de gemeente Utrecht. Dit loopt niet via de GGDrU, dus de benchmark stelt ten onrechte dat alle JGZ-taken bij GGDrU zijn ondergebracht. Op basis van het aantal kinderen in de gemeente Utrecht en de kindbijdrage scheelt dit naar schatting 6 Euro per inwoner. Hiervoor gecorrigeerd zit GGDrU rond het gemiddelde en hoort het nog steeds bij de goedkopere GGDen waar de JGZ volledig is ondergebracht. Het verschil is dan echter kleiner dan wat in de benchmark lijkt.

Om de benchmark te kunnen gebruiken voor de evaluatieperiode hebben we op basis van deze benchmark de meest vergelijkbare GGD-en bepaald en de kostenontwikkeling 2022-2024 in kaart gebracht. Hiervoor hebben we GGD-en geselecteerd waar sprake is van een combinatie van een (groot)stedelijke regio en een buitengebied en waarbij alle JGZ-taken zijn ondergebracht. Op basis hiervan hebben we de GGD Twente, Hart voor Brabant, Brabant Zuidoost, Gelderland Midden en Groningen gebruikt.

Bovenstaande grafiek hebben we gemaakt op basis van de totale gemeentelijke bijdragen zoals blijkt uit de jaarstukken van de GGD, gedeeld door het aantal inwoners in het verzorgingsgebied van de GGD. Hieruit blijkt dat de GGDrU in de hele evaluatieperiode op een gemiddeld kostenniveau zit. De sterke kostenstijging die in 2024 bij de GGDrU zichtbaar was, is ook te zien bij andere GGD’en. Kanttekeningen benchmark Een benchmark moet altijd met enige nuance bekeken worden. Kosten en gemeentelijke bijdragen kunnen verschillen doordat er verschillen kunnen zitten tussen de taken die bij een GGD zijn ondergebracht. We hebben hier bij het maken van de benchmark rekening mee gehouden. Toch is het mogelijk dat er verschillen blijven waarvoor niet gecorrigeerd is. Ook kan het zijn dat er verschillen zijn in het niveau van dienstverlening dat een GGD biedt. We hebben geen indicatie dat dit het geval is, maar hebben hier ook geen volledig inzicht in. Conclusie IJsselstein beoordeelt doelmatigheid op basis van kostenontwikkelingen en realisatie ten opzichte van begroting. Hieruit blijkt dat GGDrU haar kosten consistent binnen begroting houdt. Tegelijkertijd blijkt dat de kostenstijging in de evaluatieperiode hoger is geweest dan de algemene inflatie. Dit zit voor een klein deel in uitbreiding van taken, maar vooral in hogere werkgeverskosten en investeringen in bedrijfsvoering.

Dit betekent dat GGDrU meer geld nodig heeft voor dezelfde taken en dat doelmatigheid is afgenomen. Ook voor 2025 en 2026 wordt dit voorzien en zal de gemeentelijke bijdrage harder blijven stijgen door extra kosten die de GGDrU maakt om haar aantrekkelijkheid als werkgever te vergroten. Ten opzichte van andere GGD’en presteert GGDrU stabiel. De gemeentelijke bijdrage per inwoner ligt in de evaluatieperiode in lijn met het benchmarkgemiddelde.

Deelvraag 5: hoe stuurt IJsselstein op effectiviteit en doelmatigheid? Formele sturingsmogelijkheden Alle gemeenten in de provincie Utrecht maken deel uit van de GR. Het AB bestaat uit één lid per deelnemende gemeente (totaal 26 leden). De stemgrootte per lid is afhankelijke van het aantal inwoners van de gemeente die ze vertegenwoordigen. Van de totaal 70 stemmen heeft IJsselstein 2 stemmen in het AB. Het AB is verder verdeeld in vijf regionale adviescommissies, voor iedere regio één. Het Dagelijks Bestuur (DB) zorgt voor de dagelijkse aansturing van GGDrU. Het DB bestaat uit zeven personen en is samengesteld uit afgevaardigden van de vijf regionale adviescommissies. IJsselstein is bij GGDrU ook in het DB vertegenwoordigd.

IJsselstein krijgt bij de kaderbrief, de begroting en bij begrotingswijzigingen de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. Op deze manier kunnen ze op een formele manier enige invloed uitoefenen op de financiële en beleidsmatige keuzes van GGDrU. IJsselstein maakt altijd gebruik van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Ook als het ambtelijk advies en het oordeel van het college is om geen zienswijze in te dienen, krijgt de gemeenteraad altijd de kans hierover te besluiten. De jaarstukken van GGDrU wordt ter kennisgeving gedeeld met de deelnemende gemeenten. Hierop kan IJsselstein geen zienswijze geven. Naast de wettelijke basistaken, voert GGDrU ook een aantal aanvullende maatwerktaken uit voor IJsselstein. Voor deze aanvullende maatwerktaken gaat IJsselstein jaarlijks een samenwerkingsovereenkomst aan met GGDrU. Bij deze taken kan IJsselstein meer sturen op de uitvoering. IJsselstein kan jaarlijks kiezen om de uitvoering van deze taken voort te zetten, aan te passen of stop te zetten. Hiermee heeft IJsselstein ruimte voor lokale prioriteiten en zeggenschap over de omvang en de inhoud. Over de voortgang van de maatwerktaken doet GGDrU halfjaarlijks een verantwoording. IJsselstein ontvangt dit rapport in september waarbij het doorgaans niet eerder dan oktober is geagendeerd.

Hierdoor is er beperkte mogelijkheid om gedurende het jaar bij te sturen op inhoud en uitvoering. Informele sturingsmogelijkheden Het verzorgingsgebied van GGDrU is opgedeeld in vijf regio’s, waarbij IJsselstein onder regio Lekstroom valt. Binnen deze regio vindt er vaak op ambtelijk en bestuurlijk niveau afstemming plaats. Zo deelt IJsselstein standpunten eerst altijd met de andere gemeenten in de regio om te peilen of deze standpunten breed worden gedeeld en of er behoefte is aan een gezamenlijke aanpak. Als er binnen de regio geen overeenstemming is, dan worden de standpunten niet ingebracht bij GGDrU. De ervaring is dat de invloed van IJsselstein als afzonderlijke gemeente dan te beperkt is. Het zoeken van afstemming is voor IJsselstein daarom een belangrijk middel om te sturen op het beleid en de keuzes van GGDrU. Aan de vertegenwoordigende wethouder wordt ook altijd gevraagd om duidelijk het ‘Lekstroom-geluid’ te laten horen bij bestuurlijke overleggen tussen alle regio’s van GGDrU. Daarnaast wordt alles wat op bestuurlijk niveau besproken wordt, eerst ook altijd op ambtelijk niveau getoetst en besproken met de regiogemeenten. De overleggen in regioverband worden ook gebruikt om kennis en ervaringen met elkaar te delen en om zo van elkaar te leren. Deze kennis en ervaringen worden vervolgens ook weer gebruikt bij het opstellen van eigen beleid.

Conclusie IJsselstein maakt goed gebruik van zowel haar formele als haar informele sturingsmogelijkheden. Hierbij wordt een logische afweging gemaakt om zelf het meest actief te sturen op maatwerkafspraken en om bij basistaken alleen in regionaal verband op te trekken.

Conclusie en aanbevelingen De (wettelijke) samenwerking in de gemeenschappelijke regeling GGDrU geeft voor IJsselstein het voordeel dat uitdagingen in publieke gezondheid snel, effectief en professioneel worden opgepakt. Naast de wettelijke verplichting, geeft het daarbij voor IJsselstein een kennisvoordeel, een efficiencyvoordeel en het voordeel van continuïteit. Bij sturing op de wettelijke basistaken trekt IJsselstein daarom in regionaal verband op. IJsselstein stuurt wel zelf actief op de aanvullende maatwerktaken. De ambities en doelstellingen van GGDrU en IJsselstein komen vrijwel altijd overeen, maar zijn vaak niet uitgewerkt in concrete beleidsprestaties of indicatoren. GGDrU rapporteert wel veel cijfers over uitgevoerde activiteiten, maar deze zijn niet verbonden aan vooraf gestelde doelen. Dit maakt het onmogelijk om objectief de effectiviteit van de prestaties van GGDrU te beoordelen. Voor het beoordelen van doelmatigheid hebben we gebruik gemaakt van een benchmark. Ten opzichte van andere GGD’en presteert GGDrU gemiddeld. De gemeentelijke bijdrage per inwoner ligt in de evaluatieperiode in lijn met het benchmarkgemiddelde en de kosten blijven consistent binnen de begroting. Investeringen in de bedrijfsvoering maken wel dat de kosten hard zijn gestegen in de evaluatieperiode en dat de doelmatigheid daardoor is afgenomen.

Aanbevelingen Op basis van de evaluatie zien we een aantal verbetermogelijkheden in de samenwerking met GGDrU. Daarvoor doen we de volgende aanbevelingen: • Duidelijke en meetbare doelstellingen: voor een goede monitoring op effectiviteit is het nodig dat er objectieve en meetbare doelstellingen en indicatoren worden opgesteld. Onze aanbeveling is om samen met GGDrU en de andere deelnemers prestatie-indicatoren vast te stellen voor de wettelijke basistaken en deze op te (laten) nemen in de begroting. De indicatoren die in de jaarstukken worden gerapporteerd kunnen als uitgangspunten dienen. Wanneer voor de belangrijkste indicatoren eerst doelen worden gesteld in de begroting, zullen de cijfers in de jaarstukken ook direct waardevolle informatie geven over de effectiviteit. • Eigen terugkoppeling op beleidsprestaties: in de eigen jaarstukken van IJsselstein ontbreekt nu een terugblik op de uitvoering door GGDrU. Het hoofddoel wordt wel in de begroting benoemd, maar in de jaarstukken wordt hier niet op gereflecteerd. We bevelen aan om dit wel te doen. De paragraaf verbonden partijen is hiervoor de juiste plek. • Scherpere begrotingsramingen: op basis van de evaluatie lijkt GGDrU haar kosten vaak te hoog in te schatten. Hierdoor stijgen de gemeentelijke bijdragen gedurende het jaar terwijl er aan het eind van het jaar een positief resultaat overblijft.

We bevelen aan om in te zetten op scherpere begrotingsramingen zodat deelnemers gedurende het jaar niet onnodig meer geld voor de GGDrU hoeven te reserveren. Nuance hierbij is dat het vaak gaat om incidentele meevallers die de structurele aanpassing van de gemeentelijke bijdrage niet kunnen voorkomen. • Balans goede bedrijfsvoering en doelmatigheid: GGDrU scoort op doelmatigheid gemiddeld tijdens de evaluatieperiode. De kosten zijn in de evaluatieperiode harder gestegen dan de algemene inflatie, met name door hogere werkgeverskosten en investeringen in de bedrijfsvoering. De doelmatigheid verslechtert hierdoor en ook in de jaren ná de evaluatieperiode (2025 en 2026) is dit het geval door extra structurele uitgaven voor aantrekkelijk werkgeverschap. In deze evaluatie beoordelen we niet in hoeverre dit noodzakelijk is. Wel adviseren we om kritisch te blijven welke uitgaven echt noodzakelijk zijn voor de uitvoer van taken. Met als doel om de balans tussen goede bedrijfsvoering en doelmatigheid te behouden. • Deelname doelmatigheidsonderzoek: tot 2021 werd iedere twee jaar een doelmatigheidsonderzoek uitgevoerd tussen GGD-en in Nederland. Dit onderzoek geeft waardevolle inzichten en indicatoren waarmee kosten en niveau van dienstverlening vergeleken kan worden. Sinds 2021 is dit onderzoek niet meer uitgevoerd.

We bevelen aan dit weer te doen en hier in GGDrU verband het gesprek met andere GGD-en over aan te gaan. We hebben begrepen dat dit ook al gebeurt.

Regionaal Historisch Centrum Rijnstreek en Lopikerwaard (RHC) Deelvraag 1: wat zijn de argumenten voor samenwerking in de GR?

Gemeenten zijn wettelijk verplicht (Archiefwet 1995) om hun archieven in goede, geordende en toegankelijke staat te bewaren. Archieven die van blijvende waarde zijn, moeten openbaar toegankelijk zijn voor democratische controle, rechtszekerheid en historisch onderzoek. IJsselstein heeft de uitvoering van deze taak regionaal georganiseerd in een GR samen met 5 andere gemeenten en een hoogheemraadschap. Het gaat om taak waar specifieke expertise, (digitale) systemen en huisvesting voor nodig zijn. Door samen te werken is de verwachting dus dat IJsselstein efficiëntievoordeel en kennisvoordeel behaalt. Tegelijkertijd is het een relatief kleine taak waardoor het voor een kleinere gemeente duur of kwetsbaar kan zijn deze zaken zelf te regelen. Door samenwerking ontstaat een grotere organisatie wat goed is voor de continuïteit. Conclusie Op basis van het afwegingskader concluderen we dat er duidelijke redenen en argumenten zijn voor samenwerking en dat de huidige vorm van samenwerking passend is.

Deelvraag 2: hebben IJsselstein en het RHC dezelfde doelstellingen? In de GR is als doelstelling vastgelegd dat RHC en deelnemers verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Archiefwet 1995 (artikel 32, lid 1 en 2 en artikel 37, lid 1 en 2). Dit betekent dat RHC verantwoordelijk is voor het beheer van de archieven die in een archiefbewaarplaats liggen. Daarnaast houdt RHC toezicht op de manier waarop de deelnemende partijen hun archieven beheren, zolang deze nog niet naar een archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Dit toezicht en beheer moet worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde gemeentearchivaris. Dit is ook de doelstelling die IJsselstein jaarlijks opneemt in de begroting voor de samenwerking met RHC. IJsselstein stelt hierbij vanaf de begroting van 2023 als beleidsprestaties dat RHC ervoor zorgt dat burgers en bestuur voorzien van betrouwbare historische informatie over het werkgebied en dat RHC vanuit de inspectietaak waakt over de duurzame toegankelijkheid van de archieven. RHC neemt in de begroting geen concrete jaardoelstellingen op. Toch noemen ze in de jaarstukken wel verschillende zaken die ze in dat jaar bereikt hebben. Hieruit blijkt dat RHC naast het algemene, gezamenlijke doel, ook specifieke doelen heeft. IJsselstein is niet direct betrokken bij het formuleren van specifieke doelen; deze bepaalt RHC zelf.

Conclusie Concluderend kunnen we stellen dat de algemene doelstelling van RHC overeenkomt met die van IJsselstein. Als het gaat om specifieke doelen en ambities is IJsselstein volgend. IJsselstein is niet betrokken bij het bepalen ervan, maar kan zich er over het algemeen wel in vinden.

Deelvraag 3: hoe effectief is het RHC in het behalen van doelstellingen? Hoe wordt effectiviteit gemeten? RHC heeft geen beleidsbegroting waarin staat wat ze dit jaar willen bereiken en hoe ze dat willen doen. Er zijn geen concrete en meetbare doelen vastgesteld. De begroting is financieel van aard, met een korte uitleg over de begrote kosten. In de jaarstukken beschrijft RHC op hoofdlijnen welke activiteiten zijn uitgevoerd en geeft daarmee inzicht hoe ze haar kerntaken heeft ingevuld. IJsselstein heeft vanaf de begroting van 2023 twee beleidsprestaties geformuleerd voor RHC, die beide kwalitatief van aard zijn. De eerste is dat RHC ervoor zorgt dat burgers en bestuur worden voorzien van betrouwbare historische informatie over het werkgebied. IJsselstein monitort deze beleidsprestatie passief op basis van signalen en klachten van bijvoorbeeld inwoners. Daarbij geldt het uitgangspunt: ‘geen bericht, is goed bericht’. De tweede beleidsprestatie is dat RHC toezicht houdt op de duurzame toegankelijkheid van de archieven, door jaarlijks een archiefinspectie uit te voeren bij de deelnemende

gemeenten en waterschap. De regievoerder van IJsselstein is hierbij direct betrokken en weet dus of dit wordt uitgevoerd. IJsselstein blikt in haar jaarstukken niet terug op het al dan niet behalen van deze prestaties. Hoe heeft RHC gepresteerd? Uit de jaarstukken van RHC blijkt dat ze over het geheel genomen werken aan het realiseren van de algemene doelstelling. Dit is ook het beeld wat de betrokken ambtenaren van RHC hebben. In het gesprek verstellen ze dat in de afgelopen jaren geen signalen of klachten zijn vernomen dat RHC haar taken niet goed heeft uitgevoerd. De verplichte archiefinspectie door RHC heeft ook ieder jaar bij IJsselstein plaatsgevonden. Dit laat zien dat RHC haar taken uitvoert en voldoet aan de verwachtingen van IJsselstein. Dit is een subjectief oordeel van de betrokken ambtenaren. Omdat er vooraf geen duidelijke en meetbare doelen zijn geformuleerd, is het niet mogelijk om de prestaties en effectiviteit van RHC objectief te beoordelen. Conclusie Het oordeel van betrokken ambtenaren is dat RHC haar kerntaken effectief uitvoert en er zijn geen signalen vanuit inwoners of vanuit de organisatie van tekortkomingen hierbij. We kunnen echter geen objectieve conclusie trekken over de effectiviteit van RHC. Dit komt omdat er vooraf geen duidelijke en meetbare doelen zijn geformuleerd en er niet over beleidsprestaties wordt gerapporteerd.

Deelvraag 4: hoe doelmatig is het RHC? Hoe wordt doelmatigheid gemeten? De gemeente IJsselstein heeft geen harde criteria om doelmatigheid te meten. Deze harde criteria kunnen we ook niet afleiden uit informatie en rapportages van het RHC. Ook in openbare bronnen hebben we geen normen gevonden die iets zeggen over een doelmatige archiefdienst. IJsselstein beoordeelt de doelmatigheid van RHC daarom voornamelijk aan de hand van begroting en de jaarrekening. Bij de begroting kijkt de businesscontroller naar de trends van voorgaande jaren: zijn er grote veranderingen? Bij de jaarrekening kijkt de businesscontroller of de uitgaven kloppen met de begroting en of er geen opvallende afwijkingen zijn, zowel positief als negatief. Hoe heeft RHC gepresteerd? De kostenstijging in de begroting is in de drie evaluatiejaren ongeveer 15% (cumulatief) geweest. Dit is in lijn met de algemene inflatie van 17% in diezelfde periode. En RHC is in de jaren 2022 tot en met 2024 structureel binnen de begroting gebleven. Een stabiele uitvoering, zonder grote schommelingen, wordt door IJsselstein gezien als een belangrijke indicator voor een efficiënte uitvoering. Daarmee geeft het indirect een positief beeld van de doelmatigheid van de organisatie.

Benchmark Omdat hardere normen of criteria ontbreken is het lastig vast te stellen wat als 'normale' of redelijke kosten voor een archiefdienst beschouwd kunnen worden. Daarom hebben we voor het beoordelen van de doelmatigheid een benchmark gemaakt. Bij deze benchmark is RHC vergeleken met vier vergelijkbare gemeenschappelijke regelingen die de Archiefwet uitvoeren. We kijken hierbij naar archieforganisaties die uitsluitend voor gemeenten werken. Omdat RHC ook een hoogheemraadschap bevat, hebben we hiervoor gecorrigeerd. We hebben de eerste vier goed vergelijkbare organisaties gebruikt en hier geen selectie in gemaakt. De resultaten van de benchmark zijn weergegeven in onderstaande grafiek.

Uit deze benchmark blijkt dat voor RHC de totale lasten per inwoner het laagste zijn ten opzichte van de vergelijkbare gemeenschappelijke regelingen. We zien één andere archieforganisatie met vergelijkbare kosten en drie organisaties die aanzienlijk duurder zijn. Kanttekeningen Een benchmark moet altijd met enige nuance bekeken worden. Geen enkele organisatie is perfect vergelijkbaar en het kan zijn dat sommige gemeenten een minder groot historisch archief heeft te onderhouden dan anderen. Echter heeft de Rijnstreek en Lopikerwaard ook een ruime historie en blijkt uit de jaarrekeningen van de diverse archieforganisaties dat de variabele kosten die samenhangen met de omvang van het archief beperkt zijn. Conclusie We zien dat IJsselstein en het RHC zelf geen goede indicatoren heeft om doelmatigheid te meten en hebben daarom zelf een benchmark gemaakt. Met vijf goed vergelijkbare organisaties geeft dit een goede indicatie van de doelmatigheid. Op basis van de financiële ontwikkeling in de afgelopen jaren en de benchmark met andere regionale archieven concluderen we dat RHC efficiënt werkt aan het behalen van de gewenste maatschappelijke doelen. De lasten per inwoner zijn relatief laag, de jaarlijkse kostenstijging is beperkt tot reguliere indexatie en de kosten liggen structureel binnen begroting. Op basis hiervan concluderen we dat RHC haar taken doelmatig uitvoert.

Deelvraag 5: hoe stuurt IJsselstein op effectiviteit en doelmatigheid? Formele sturingsmogelijkheden De gemeenschappelijke regeling RHC is een samenwerkingsverband tussen zes gemeenten en een hoogheemraadschap. De Archiefcommissie is verantwoordelijk voor de algemene aansturing van RHC. De Archiefcommissie wordt gevormd door vertegenwoordigers van de deelnemers. Elke deelnemer wijst één vertegenwoordiger aan. Namens IJsselstein neemt de burgemeester deel aan de Archiefcommissie. De dagelijkse leiding is in handen van de streekarchivaris. Op grond van de GR bestaat alleen bij de begroting van RHC de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. IJsselstein maakt altijd gebruik van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Ook als het ambtelijk advies en het oordeel van het college is om geen zienswijze in te dienen, krijgt de gemeenteraad altijd de kans hierover te besluiten. Via de vertegenwoordiging in de Archiefcommissie en via zienswijzen op de begroting kan IJsselstein sturen op effectiviteit en doelmatigheid. In de praktijk gebeurt actieve sturing weinig omdat hiervoor vaak geen aanleiding bestaat. Informele sturingsmogelijkheden Naast de formele sturing is er ook een informele manier van sturen. De businesscontroller en de regievoerder bereiden de jaarlijkse vergadering van de Archiefcommissie voor en delen hun

aantekeningen met de burgemeester. Ze vragen dan of de burgemeester een extra toelichting wil hebben. Hierdoor krijgt de burgemeester inzicht in belangrijke onderwerpen en beleidskeuzes. IJsselstein zorgt er op deze manier voor dat haar belangen en wensen worden meegenomen in het beleid en de keuzes van RHC, wanneer hier aanleiding voor is. Er is geen (structureel) ambtelijk overleg tussen IJsselstein en de andere deelnemers. De deelnemers trekken niet gezamenlijk op bij bijvoorbeeld bij het opstellen van een zienswijze of het voorbereiden van de vergadering van de Archiefcommissie. RHC organiseert wel gezamenlijke bijeenkomsten voor alle deelnemers, bijvoorbeeld twee keer per jaar een strategisch informatie overleg. Op basis van de vragen die RHC van de deelnemers krijgt, organiseren ze zo nodig een extra gezamenlijk overleg. Ook is er jaarlijks een interbestuurlijk overleg met de provincie Utrecht en de archiefinspecteur van RHC. Maar dit overleg richt zich vooral op de archivering door IJsselstein zelf en minder op de activiteiten van RHC. Conclusie De conclusie is dat IJsselstein beperkt stuurt op het beleid en de keuzes van RHC, maar dat deze sturing wel doelgericht is. IJsselstein maakt daarbij gebruik van formele en informele middelen. De nadruk ligt vooral op eigen betrokkenheid en een goede voorbereiding, en minder op een gezamenlijke afstemming met andere deelnemers.

Gedurende de evaluatieperiode zagen betrokken ambtenaren en burgemeester weinig aanleiding om actief te sturen op effectiviteit en doelmatigheid van het RHC.

Conclusie en aanbevelingen Uit de evaluatie blijkt dat er heel duidelijke redenen zijn voor de samenwerking in de GR en dat doelen overeenkomen. Hoewel we het niet goed konden meten, ontstaat het algemene beeld dat RHC haar taken effectief uitvoert. Op doelmatigheid doet RHC het heel goed en ook de samenwerking tussen IJsselstein en RHC verloopt in de basis goed. De ambtelijke en bestuurlijke betrokkenheid is relatief beperkt, maar past bij de omvang en het risicoprofiel van de GR. Wel zijn er enkele mogelijkheden om de samenwerking met RHC verder te versterken. Hiervoor doen we de volgende aanbevelingen: • Duidelijke en meetbare doelstellingen: het is moeilijk om goed te beoordelen of RHC het gewenste maatschappelijk effect behaald omdat er geen duidelijke en meetbare doelen worden gesteld. De aanbeveling is om actief de samenwerking op te zoeken en deze doelen samen met RHC en andere deelnemers te stellen. Door deze vast te leggen in de begroting en er bij de jaarstukken op terug te blikken, ontstaat er meer inzicht in de prestaties. • Eigen terugkoppeling op beleidsprestaties: in de eigen jaarstukken van IJsselstein ontbreekt nu een terugblik op de uitvoering door RHC. Het hoofddoel wordt wel in de begroting benoemd, maar in de jaarstukken wordt hier niet op gereflecteerd. We bevelen aan om dit wel te doen. De paragraaf verbonden partijen is hiervoor de juiste plek.

• Sterkere ambtelijke samenwerking: tijdens de evaluatieperiode waren er weinig structurele vormen van samenwerking met RHC of de andere deelnemers. Omdat de uitvoering van de Archiefwet ook voor een belangrijk deel bij de gemeente zelf ligt, kan het nuttig zijn inhoudelijke sparringpartners te hebben op dit gebied. We bevelen aan dit actief op te zoeken, omdat we uit gesprekken met betrokken ambtenaren opmaken dat hier behoefte aan is. We constateren dat hier (ná de evaluatieperiode) al opvolging aan wordt geveven.

Reinigingsdienst Midden Nederland (RMN) Deelvraag 1: wat zijn de argumenten voor samenwerking in de GR?

Gemeenten zijn (wettelijk) verantwoordelijk voor het inzamelen van huishoudelijk afval en het beheer van de openbare ruimte (BOR-taken). Onder deze verplichting vallen taken als afvalinzameling, straatreiniging, kolkenreiniging, plaagdierbeheersing en gladheidbestrijding. RMN voert deze taken uit voor IJsselstein en andere gemeenten. Een goede uitvoer van deze taken draagt bij aan een schone leefomgeving, aan de volksgezondheid en aan duurzaamheid en de bescherming van het milieu. Voor geen van deze taken is regionale samenwerking verplicht. De GR RMN is dus een volledig vrijwillig samenwerkingsverband. IJsselstein heeft de keuze om deze publiek taken zelf uit te voeren, in te kopen bij derde partijen of via een publieke samenwerking te organiseren. Het zelf uitvoeren van taken op het gebied van afvalinzameling is in beginsel mogelijk. Er zijn voorbeelden van gemeenten die dit doen, of een eigen afvalbedrijf hiervoor hebben. Dit zijn vaak wel grotere gemeenten, omdat de noodzakelijke investeringen om dit te kunnen groot zijn. Het inkopen bij een marktpartij is inmiddels bijna onmogelijk, omdat er bijna geen marktpartijen zijn die deze diensten aanbieden voor lokale overheden. De continuïteit vormt dan bij iedere aanbesteding een risico. Dit zien we ook zien bij andere gemeenten in de regio. Samenwerken in een GR neemt dit risico grotendeels weg.

Daarnaast verwacht IJsselstein met deze samenwerking te profiteren van de gebundelde capaciteit van RMN op het gebied van mensen en materieel. Uit deelname in de gemeenschappelijke regeling RMN verwacht IJsselstein dus met name het voordeel van continuïteit en een efficiëntievoordeel. De BOR-taken zijn vrij divers en de voordelen van continuïteit en efficiëntie kunnen hier anders liggen. Voor sommige taken zijn er ook marktpartijen voorhanden waardoor het continuïteitsrisico van aanbesteden veel lager ligt. En voor andere taken geldt dat deze gemakkelijker lokaal georganiseerd kunnen worden en de schaalvoordelen bij regionale samenwerking beperkter zijn. Conclusie Op basis van het afwegingskader uit de Nota verbonden partijen concluderen we dat er duidelijke redenen en argumenten zijn voor samenwerking bij afvaltaken en dat de huidige vorm van samenwerking passend is. De redenen voor samenwerking bij BOR-taken zijn hetzelfde als bij afvalinzameling, maar de noodzaak is minder vanzelfsprekend.

Deelvraag 2: hebben IJsselstein en de RMN dezelfde doelstellingen? In de gemeenschappelijke regeling voor de samenwerking tussen RMN en de deelnemende gemeenten is als doelstelling vastgelegd dat RMN zorgt voor het realiseren van een effectieve, efficiënte en kwalitatief hoogwaardige uitvoering van het afvalbeheer en het beheer van de openbare ruimte, waaronder reinigingstaken, voor haar deelnemers. IJsselstein neemt deze doelstelling elk jaar op in de begroting; RMN doet dit sinds de begroting van 2023. Deze hoofddoelstelling wordt dus volledig gedeeld. RMN maakt zelf geen beleid, maar voert het afvalbeleid van de deelnemers uit. RMN heeft wel een meerjarenbeleidsplan voor de interne organisatie. Het doel van dit beleidsplan is om RMN optimaal in staat te stellen om haar taken goed uit te voeren. De uitvoering van dit beleidsplan heeft IJsselstein als beleidsprestatie in de begroting opgenomen. De manier waarop uitvoering wordt gegeven aan de taken, is vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst (DVO). Deze DVO stelt RMN jaarlijks met de deelnemende gemeenten ieder afzonderlijk op. In de DVO staan per taak duidelijke afspraken over wat RMN moet doen en op welke manier ze dat moet doen. Sinds 2023 is deze DVO steeds gedetailleerder geworden, zodat er minder ruimte is voor interpretatieverschillen.

De DVO bevat zowel actiegerichte (bijvoorbeeld frequentie inzameling) als resultaatgerichte (bijvoorbeeld vereist beeldkwaliteitsniveau) afspraken.

Conclusie We concluderen dat het hoofddoel van RMN aansluit bij die van IJsselstein. RMN en IJsselstein willen hetzelfde bereiken. Waar het soms nog wel over kan verschillen, is hoe dit precies gedaan wordt. Maar de DVO zorgt er voor dat ook op detailniveau de doelstellingen steeds meer overeenkomen.

Deelvraag 3: hoe effectief is de RMN in het behalen van doelstellingen? Hoe wordt effectiviteit gemeten? RMN geeft in de begroting op hoofdlijnen aan wat het wil bereiken en wat zij ervoor gaat doen. Deze doelen en acties worden niet vertaald naar concrete prestatie-indicatoren. In de jaarstukken brengt RMN op hoofdlijnen wel verslag uit over wat ze gedaan hebben. Hierbij worden ook concrete prestaties gedeeld. Bijvoorbeeld de hoeveelheid ingezameld afval of het behaalde beeldniveau. Maar het is moeilijk de effectiviteit van RMN aan de hand hiervan te beoordelen, omdat deze prestaties vaak niet vergeleken kunnen worden met vooraf gestelde doelstellingen. IJsselstein heeft in de begroting de beleidsprestatie geformuleerd dat RMN belangrijke stappen zet in de doorontwikkeling van RMN om optimaal de taken uit te kunnen voeren, zoals verwoord in het meerjarenbeleidsplan. Ook hier is geen vertaling naar concrete en meetbare prestatie-indicatoren. In de evaluatieperiode stuurde RMN hierover ieder kwartaal een voortgangsrapportage. De betrokken ambtenaren geven in het gesprek aan het meerjarenbeleidsplan formeel niet te toetsen, maar gaan wel actief in gesprek wanneer er vragen zijn over de rapportages. In de jaarstukken blikt IJsselstein niet terug op het al dan niet behalen van de beleidsprestaties door RMN.

Op basis van de begroting en jaarstukken van RMN en van IJsselstein is het dus niet mogelijk om de effectiviteit te beoordelen. In de jaarlijkse DVO zijn concrete afspraken tussen IJsselstein en RMN vastgelegd. In de loop der jaren is de DVO meer gedetailleerder geworden. Zo worden de taakomschrijvingen meer specifieker omschreven, zodat er minder interpretatieverschillen zijn. Ook zijn vanaf 2024 de frequenties voor de afvalinzameling toegevoegd aan de DVO, die eerder alleen in de afvalstoffenverordening van de gemeente waren vastgelegd. En sindsdien is er in de DVO ook een kwaliteitsniveau gekoppeld aan de taken in de openbare ruimte. Voorheen was dit alleen vastgelegd in het Integraal Beheerplan Openbare Ruimte van de gemeente. Door het opnemen van deze criteria in de DVO wordt er nu actiever op de prestaties gemonitord. In de evaluatieperiode werd er vooral passief gemonitord op basis van signalen en klachten van inwoners en van de medewerkers van de buitendienst. Het uitgangspunt hierbij was: geen bericht is goed bericht. Voor de taken die betrekking hebben op beheer van de openbare ruimte laat RMN ieder kwartaal een schouw uitvoeren door een externe partij waarbij het beeldkwaliteitsniveau wordt gemeten. Hoewel dit een momentopname is, geeft dit een goed beeld van de prestaties en effectiviteit van RMN.

Hoe heeft RMN gepresteerd? De scores uit de schouwen laten zien dat het gewenste kwaliteitsniveau gemiddeld rond het gestelde ambitieniveau schommelt. Dit betekent dat de gewenste kwaliteit gemiddeld gezien wordt gehaald, maar ook regelmatig niet. De schouwrapporten geven meer detail per taakgebied en per wijk. Per taakgebied zien we geen duidelijk patroon van taken waar de gewenste kwaliteit consequent wel of niet wordt gehaald. Dit kan per kwartaal verschillen. Per wijk zien we dat de beeldkwaliteit in IJsselstein Noord vaker achterblijft dan bij andere wijken. Dit beeld komt deels overeen met de indruk die de betrokken ambtenaren hebben. Op basis van de meldingen van zowel inwoners als medewerkers van de buitendienst is hun algemene beeld dat het kwaliteitsniveau vaker onder het gewenste niveau is dan uit de schouwrapporten blijkt. De schouwrapporten moeten daarom met een aantal nuances bekeken worden. Zo is het altijd een momentopname en is het kwaliteitsniveau afhankelijk van het seizoen, de soort taak en het gebied binnen de gemeente. Hoewel RMN in principe altijd aan de afgesproken kwaliteit zou moeten voldoen, blijkt bijvoorbeeld onkruidbestrijding tijdens het groeiseizoen moeilijker te realiseren dan in de winter. Deze nuances worden door de betrokken ambtenaren wel herkend.

Zij geven daarnaast als voorbeeld dat straatreiniging in de gemakkelijk bereikbare gebieden beter wordt uitgevoerd dan op de minder goed

bereikbare locaties. Gemiddeld genomen wordt het gewenste ambitieniveau wel gehaald, maar door ook ondermaatse prestaties, kan de kwaliteitsbeleving anders zijn. Op het gebied van afvalinzameling kan de prestatie niet objectief bepaald worden, omdat concrete en meetbare doelstellingen ontbreken en het voornamelijk wordt gemonitord op basis van klachten en signalen. De betrokken ambtenaar geeft aan dat het algemene beeld van afvalinzameling overwegend positief is. De reguliere inzameling verloopt meestal zonder problemen. Het zijn vooral de uitzonderingen, zoals het reageren op meldingen, die soms niet goed worden opgepakt. RMN rapporteert over de DVO door middel van kwartaalrapportages over de realisatie. Dit zijn voornamelijk rapportages over aantallen: hoeveelheid ingezameld afval, aantal meldingen en de gerealiseerde uren. Deze rapportages geven wel inzicht in de activiteiten van RMN, maar zeggen minder over de effectiviteit van RMN. Dit komt doordat deze rapportages niet gekoppeld zijn aan vooraf gestelde doelstellingen. Conclusie We concluderen dat doelen rond beeldkwaliteit in de openbare ruimte goed gemonitord worden en overwegend gehaald worden, maar niet altijd. De prestaties liggen vaak net boven of net onder het gestelde ambitieniveau. Dit komt doordat de kwaliteit afhankelijk is van het seizoen, het type werk en hoe goed bepaalde gebieden bereikbaar zijn.

Omdat het kwaliteitsniveau niet altijd gelijk is, heeft dit invloed op hoe de openbare ruimte in het algemeen wordt ervaren. Voor de afvaltaken is het over de evaluatieperiode lastig om de effectiviteit van RMN te beoordelen, omdat er weinig concrete doelstellingen of prestatie-indicatoren zijn gesteld. De rapportages geven wel inzicht in het uitgevoerde werk. Het algemene beeld is dat reguliere taken meestal goed worden uitgevoerd. Dit geeft een beeld van effectiviteit, maar zonder concrete doelen is het niet mogelijk om een objectief oordeel te geven over prestaties op het gebied van afvaltaken. Vanaf 2024 is er echter een positieve ontwikkeling zichtbaar: er zijn meer specifieke afspraken gemaakt over de verwachte kwaliteit en er wordt sindsdien actiever gemonitord. Hoewel het buiten de scope valt, is de DVO en de monitoring daarop vanaf 2025 verder aangescherpt. De bedoeling is dat een koppeling wordt gemaakt tussen de DVO en de begroting. RMN wordt dan afgerekend op de uitvoering van de taken zoals beschreven in de DVO. Dit moet gebeuren binnen het budget dat in de begroting is opgenomen. Dit maakt dat er in het vervolg waarschijnlijk meer te zeggen is over de effectiviteit van RMN. Ook wordt vanaf eind 2025 de schouw maandelijks uitgevoerd, zodat IJsselstein de resultaten beter kan volgen en sneller kan bijsturen.

Deelvraag 4: hoe doelmatig is de RMN? Hoe wordt doelmatigheid gemeten? In de begroting, jaarstukken of andere rapportages van RMN worden geen normen of criteria opgenomen waarmee doelmatigheid objectief gemeten kan worden. Ook IJsselstein heeft deze normen of criteria niet. IJsselstein beoordeelt de doelmatigheid van RMN voornamelijk aan de hand van begroting en de jaarrekening. Bij de begroting kijkt de businesscontroller naar de trends van voorgaande jaren: zijn er grote veranderingen? Bij de jaarrekening kijkt de businesscontroller of de uitgaven in lijn liggen met de begroting en of er geen opvallende afwijkingen zijn, zowel positief als negatief. Dit geeft een indirect beeld van doelmatigheid, maar ook een onvolledig beeld. Hoe heeft RMN gepresteerd? In eerste instantie hebben we gekeken naar begroting en rekening omdat dit de manier is waarop IJsselstein doelmatigheid meet. De kostenstijging in de begroting was in de evaluatieperiode ongeveer 23% cumulatief voor RMN als geheel (2024 vs. 2021). Voor IJsselstein lag deze stijging rond de 12% cumulatief. Hierbij kijken we alleen naar basistaken (dus exclusief groentaken). Rekening houdend met een periode van hoge inflatie (m.n. 2022) en de gestegen afvalstoffenheffing ligt deze stijging redelijk in lijn met de algemene inflatie en is deze voor IJsselstein aan de lage kant.

RMN is in de jaren 2022 tot en met 2024 structureel binnen de begroting gebleven als gekeken wordt naar de aangepast begroting.

Wat opvalt is dat de begroting gedurende het jaar meestal opgehoogd wordt, terwijl de realisatie ongeveer in lijn ligt of binnen de primaire begroting is. De belangrijkste verklaring hiervoor dat er minder afval is opgehaald dan begroot. Voor IJsselstein is dit effect groter. Door begrotingswijzigingen houden we gedurende het jaar rekening met tegenvallers die er uiteindelijk niet blijken te zijn. Overall kunnen we stellen dat kostenstijgingen voor IJsselstein in de evaluatieperiode beheerst zijn en dat uitgaven in lijn met of lager dan begroting liggen. Benchmark afvaltaken Om niet alleen af te gaan op de eigen begroting van RMN hebben we gezocht naar openbare benchmarken of ander bronnen die iets zeggen over welke kosten als ‘normaal’ gezien worden voor een afvalinzamelingsdienst. We hebben in de openbare bronnen hiervoor geen harde normen kunnen vinden. Daarom hebben we geprobeerd zelf een benchmark op te stellen van vergelijkbare organisaties. Dit is niet gelukt, omdat we niet genoeg organisaties hebben kunnen vinden die een (verifieerbaar) gelijk takenpakket hebben. Een vergelijking zou dan onvoldoende betrouwbaar zijn. Als alternatief voor een benchmark van vergelijkbare organisaties zijn we gaan kijken naar benchmarks op basis van taakveldkosten en afvalstoffenheffing. Hiervoor brengt Rijksuniversiteit Groningen jaarlijks de ‘Atlas van de lokale lasten’ uit.

Dit is een overzicht van de heffingen van gemeenten, provincies en waterschappen. Hierin staat ook het landelijk gemiddelde tarief voor afvalstoffenheffing vermeld. Omdat deze heffing alleen gebruikt mag worden om de kosten voor afvalinzameling en -verwerking te dekken, kan dit indirect iets zeggen over de doelmatigheid van de diensten voor afvalinzameling en verwerking. In onderstaande grafiek is te zien dat voor IJsselstein het afvalstofheffingstarief voor een eenpersoonshuishouden vrijwel gelijk is aan het landelijke gemiddelde. Terwijl het tarief voor een meerpersoonshuishouden aanzienlijk hoger is. Omdat andere gemeenten ervoor kunnen kiezen om niet alle kosten door te rekenen, is in onderstaande grafiek gecorrigeerd naar 100% kostendekkendheid.

Omdat niet alle gemeenten goed vergelijkbaar zijn, hebben we een gerichtere benchmark opgesteld met gemeenten die qua fysieke en geografische kenmerken het meest vergelijkbaar zijn met IJsselstein. Hiervoor hebben we gebruik gemaakt van de AMIGO tool van de VNG. Alle cijfers zijn gebaseerd om de jaarstukken van deze gemeenten en gecorrigeerd naar 100% kostendekkendheid.

In deze benchmark zien we een vergelijkbaar beeld: voor eenpersoonshuishoudens is het tarief van IJsselstein lager (13% ten opzichte van het gemiddelde) dan bij de meeste vergelijkbare gemeenten. Voor meerpersoonshuishoudens heeft IJsselstein het hoogste tarief in vergelijking met de andere gemeenten. Het verschil is 20% ten opzichte van het gemiddelde over de evaluatieperiode. Omdat IJsselstein (en andere gemeenten in de benchmark) aanzienlijk meer meerpersoonshuishoudens hebben, geeft dit aan dat de afvalstoffenheffing in IJsselstein relatief hoog is. Opvallend is dat dit ook geldt voor de gemeente Baarn, dat ook deelnemer is van RMN. Om deze conclusie te kunnen onderbouwen, hebben we dezelfde vergelijking gemaakt op basis van taakveldkosten (7.3 afval), gecorrigeerd naar het aantal inwoners en huishoudens. De resultaten hiervan zijn weergegeven in onderstaande twee grafieken. Deze vergelijking is gebaseerd op dezelfde jaarcijfers en zou dus hetzelfde beeld moeten geven. Onderstaande grafieken laten zien dat dit het geval is. Gemiddeld zijn de kosten in IJsselstein 14% hoger dan het benchmarkgemiddelde gemeten per inwoner en 18% hoger gemeten per huishouden. Een mogelijke verklaring hiervoor zou de hoeveelheid restafval kunnen zijn. RMN heeft geen invloed hoeveel restafval inwoners aanbieden, en de verwerking hiervan is duur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16570980/1