VFL Hulst 2023 - DEF
Tekst van het document
Artikel 3.49 Eisen elektrische auto 1.
Op een aanvraag wordt toestemming verleend als de elektrische auto een volledig elektrisch bereik heeft van minimaal 50 kilometer en een snelheid kan halen van minimaal 60 kilometer per uur. 86. De elektrische auto mag niet met inbegrip van de lading een lengte hebben van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,40 meter, en mag geen woonwagen, kampeerwagen, kampeerauto, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig zijn dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd. 87. De elektrische auto mag niet voorzien zijn van een handelaarskenteken (groene kentekenplaat).
- 25 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Artikel 3.50 Parkeergelegenheid op eigen terrein Op een aanvraag wordt géén toestemming verleend wanneer de aanvrager over een privéparkeergelegenheid op het woonadres kan beschikken. Dit is het geval indien: a. men beschikt over een oprit of de mogelijkheid heeft een oprit te realiseren; oo. men beschikt over een garage; pp. bij appartementen die gerealiseerd zijn met een parkeergelegenheid; qq. men beschikt over voldoende ruimte om op eigen grond een inrit te realiseren, conform de beleidsregels voor het maken of veranderen van een uitweg. rr. men feitelijk niet op het opgegeven adres woont en als zodanig in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) is geregistreerd. ss. men feitelijk niet op het opgegeven adres in het register van de Kamer van Koophandel is geregistreerd (zakelijk-belanghebbende).
Artikel 3.51 Eén laadpaal per perceel of woning Per perceel of woning geldt een maximum van één laadpunt in de openbare ruimte.
Artikel 3.52 Locatiebepaling
1.
Op een aanvraag wordt geen toestemming verleend indien er een openbaar toegankelijk oplaadpunt is binnen maximaal 250 meter (vogelvlucht) van het perceel of de woning van de aanvrager. 88. Een laadpaal wordt indien mogelijk binnen een straal van 250 m (vogelvlucht) van de aanvrager geplaatst, dus niet per se voor de deur van de aanvrager. 89. Als adres van de woning geldt voor een bewoner-belanghebbende het adres zoals bedoeld in artikel 3.50 sub e. 90. Als adres van het perceel geldt voor een zakelijk-belanghebbende het adres zoals bedoeld in artikel 3.50 sub f. 91. De gemeente geeft de voorkeur aan de plaatsing op een goed zichtbare locatie. 92. Mocht er zich een situatie voordoen waarbij er meer dan 4 aanvragen zijn binnen het gebied zoals te bepalen conform het tweede lid, kan overwogen worden een tweede paal te plaatsen indien het gebruik van de reeds aanwezige paal zo groot is, dat het aannemelijk is dat een gebruiker niet de mogelijkheid heeft om zijn/haar auto op te laden. 93. Voor een aanvraag voor een laadpaal in de binnenstad geldt dat deze enkel gesitueerd mag worden op de Grote Markt, het Oranje bolwerk, het ’s Gravenhofplein, het Galgebolwerk of de Paardenmarkt.
Gekozen zal worden voor de locatie dichtst bij de woonlocatie van de burger waarvoor de aanvraag wordt ingediend en er nog geen laadpunt aanwezig is binnen het gebied zoals te bepalen conform het tweede lid. Indien het parkeervak dat aangewezen wordt voor het laden van elektrische auto’s, binnen een gebied valt waar betaald parkeren is ingesteld, blijft dit vak ook betaald parkeren. 94. De gemeente beslist finaal over de uiteindelijke locatie.
- 26 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Artikel 3.53 Plaatsen laadpaal 1.
Een elektrische laadpaal mag alleen in de openbare ruimte geplaatst worden door een bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst tot het plaatsen van laadpalen heeft afgesloten. 95. Aanvragen van particulieren voor het plaatsen van een eigen laadpaal of laadvoorziening op gemeentelijke grond worden geweigerd.
Artikel 3.54 Openbaarheid 1.
Op een aanvraag wordt geen toestemming verleend wanneer blijkt dat aanvrager niet de intentie heeft de oplaadvoorziening openbaar toegankelijk te maken voor het opladen van elektrische auto's. 96. Het oplaadpunt moet gebruikt kunnen worden binnen de Europese afspraken op het gebied van interoperabiliteit. De laadpaal dient voorzien te zijn van de door Europa goedgekeurde en aanbevolen laadstekker of moet de mogelijkheid bieden deze te kunnen aankoppelen, zodat er geen onderscheid gemaakt kan worden voor het opladen van een verschillend merk of type elektrische auto. 97. De oplaadlocatie mag niet zijn voorzien van een bord waaruit zou blijken dat de locatie slechts voor een of meerdere specifiek aangegeven elektrische auto's is bedoeld.
Artikel 3.55 Dubbele laadvoorziening Er wordt alleen toestemming verleend indien de laadpaal is voorzien of kan worden voorzien van een dubbele laadvoorziening zodat er gelegenheid is voor het laden van twee elektrische auto's tegelijk.
Artikel 3.56 Kosten plaatsen, onderhoud, beheer en aansprakelijkheid ten gevolge van schade door laadpaal en oplaadpunt
1.
Alle kosten voor het plaatsen, onderhouden, beheren van en schade veroorzaakt door de laadpaal en aan het oplaadpunt, die niet worden gedragen door degene die de laadpaal en het oplaadpunt realiseert en/of exploiteert (bijvoorbeeld de netbeheerder en/of de leverancier), zijn voor rekening van de aanvrager. 98. De gemeente aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor kosten, onderhoud en schade die het realiseren en gebruiken van de laadpaal met zich mee kan brengen. 99. De gemeente verleent alleen toestemming op een aanvraag wanneer in een overeenkomst met de leverancier/exploitant ervan is vastgelegd, dat alle aansprakelijkheid voor het gebruik en onderhoud van de laadpalen en oplaadpunten en eventuele schade hierdoor voor rekening van de leverancier/exploitant of de aanvrager komen. 100.De kosten voor het verwijderen van een paal mocht er in de toekomst geen gebruik meer van gemaakt worden zijn voor de leverancier/exploitant. 101.Om de aanleg van laadvoorzieningen te stimuleren, heft de gemeente geen leges voor het te nemen verkeersbesluit en brengt geen degeneratievergoeding in rekening voor de graafwerkzaamheden. Daarnaast stelt zij de grond ‘om niet’ ter - 27 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
beschikking aan de aanvrager en maakt dus geen gebruik van de mogelijkheid tot het heffen van een tarief (precariobelasting) hiervoor. 102.Het college legt in een overeenkomst met de leverancier/exploitant van de oplaadpalen vast, dat alle aansprakelijkheid waaronder voor het gebruik en onderhoud van de oplaadpalen en eventuele schade bij de gebruiker van een oplaadpaal voor rekening van de leverancier/exploitant van de oplaadpalen of de aanvrager komen. 103.De gemeente Hulst aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor het gebruik en eventuele schade door een laadpaal en oplaadpunt, ook al staat deze op gemeentelijk grondgebied.
Artikel 3.57 Realisatie Om voor toestemming op een aanvraag in aanmerking te komen, dient een oplaadpaal op de oplaadlocatie werkelijk te kunnen worden gerealiseerd. In dat kader wordt tevens de (technische) haalbaarheid bezien. Daarbij is de aanwezigheid van (hoofd)kabels en leidingen en het voorhanden zijn van een netwerk van belang. De technische haalbaarheid zal worden bepaald in overleg tussen leverancier/exploitant en de gemeente Hulst.
Artikel 3.58 Overige regelgeving
1.
Voor de realisatie is overige regelgeving of een overeenkomst van toepassing zoals: a.
het openbreken van de verharding en het graven in de weg als bedoeld in artikel 3.41; tt. het nemen van een verkeersbesluit waarbij het college de betreffende parkeerplaats(en) aanwijst door middel van het plaatsen van het verkeersbord E4 of E8 met onderbord ‘alleen voor opladen elektrische voertuigen’. uu. een overeenkomst tussen de gemeente en de exploitant van het laadpunt waarbij afspraken worden vastgelegd over aspecten zoals de eisen aan de laadvoorziening, eigendom en beheer, realisatie en installatie, storingen en calamiteiten, kosten, bereikbaarheid, veiligheid, en aansprakelijkheid. 104.Indien de aanvrager (exploitant) van de laadvoorziening zich niet houdt aan de voorschriften verbonden aan de toestemming, kan het college de toestemming intrekken. Het college kan in dat geval ook het verkeersbesluit, waarbij de parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen zijn aangewezen, intrekken. 105.De toestemming en/of het verkeersbesluit kan tevens worden ingetrokken, wanneer er in de praktijk niet of nauwelijks gebruik wordt gemaakt van de laadvoorziening. 106.In de gevallen genoemd in lid 3 heeft de aanvrager het recht en de plicht de laadvoorziening te verwijderen. De hiermee samenhangende kosten zijn voor de rekening van de leverancier/exploitant.
Paragraaf 3.3.5 Dorpsschoon en handelsreclame
- 28 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Artikel 3.59 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
1.
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van enig opschrift, aankondiging of afbeelding, in welke vorm dan ook, als daardoor de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt. 107. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 3.60 Vergunningplicht handelsreclame
1.
Het is verboden om in door het college aangewezen gebieden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. 108.Het verbod geldt niet voor onverlichte: a.
opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; vv. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; ww.opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:
een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;
xx. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; yy. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 109.Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zover zij feitelijke betekenis hebben, mits deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 110.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a.
indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; zz. in het belang van de verkeersveiligheid; aaa. in het belang van de voorkoming of beperking van hinder of overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 111.De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken; 112.De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. - 29 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Artikel 3.61 Parkeren van reclamevoertuigen
1.
Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 113.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 114.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Paragraaf 3.3.6 Voertuigen
Artikel 3.62 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke
1.
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of bbb. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
115.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet langer dan een uur duren, voor zo lang als die werkzaamheden duren; of ccc.voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid. 116.Het is niet toegestaan voor de persoon die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van maakt om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om: a.
drie of meer voertuigen die aan hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een straal van 100 meter van een van deze voertuigen; ddd. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 117.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 118.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3.63 Te koop aanbieden van voertuigen
1.
Het is niet toegestaan een voertuig op een door het college aangewezen weg te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 119.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 120.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
- 30 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Artikel 3.64 Defecte voertuigen
Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door gebreken die niet eenvoudig te verhelpen zijn, mag niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geparkeerd.
Artikel 3.65 Voertuigwrakken
1.
Het is niet toegestaan om een voertuig dat rijtechnisch onvoldoende is onderhouden en dat in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 121.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.66 Kampeermiddelen en andere voertuigen
1.
Het is niet toegestaan een kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, keetwagen, aanhangwagen of ander voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.
langer dan op drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; eee. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 122.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 123.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 124.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 3.67 Grote voertuigen
1.
Het is verboden een voertuig, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,5 meter te parkeren op een plaats, waar dit naar het oordeel van het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 125.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter, te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte. 126.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. - 31 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
127.Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 128.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.
Artikel 3.68 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
1.
Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,5 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat daardoor het uitzicht van de bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op een hinderlijke manier wordt verstoord of zij op een andere manier hinder of overlast ervaren. 129.Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse nodig is.
Artikel 3.69 Parkeren anders dan op de rijbaan
1.
Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorende weggedeelte. 130.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 3.70 Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen
1.
Het is niet toegestaan een voertuig met stank verspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 131.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving of het Omgevingsplan.
Artikel 3.71 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1.
Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 132.Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; fff. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; ggg. c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 133.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 32 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Artikel 3.72 Overlast van fietsen of bromfietsen
1.
Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, niet is toegestaan fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 134.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Paragraaf 3.3.7 Kampeermiddelen
Artikel 3.73 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1.
Het is niet toegestaan om ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 135.Het verbod geldt niet: a.
voor het plaatsen van één of enkele kampeermiddelen voor eigen gebruik voor korte perioden door de rechthebbende op een terrein; hhh. voor het plaatsen van kampeerauto’s ten behoeve het kamperen daarin op plaatsen die daarvoor door het college zijn aangewezen, mits de kampeerauto niet langer dan 72 uur op die locatie aanwezig is; iii. voor het plaatsen van kampeermiddelen tijdens het nachtvissen, mits hierbij geen schade wordt toegebracht aan flora en fauna, geen geluidsoverlast wordt veroorzaakt en geen afval wordt achtergelaten. 136.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 137.Naast de weigeringsgronden in artikel 3.11 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of jjj. een dorpsgezicht.
Paragraaf 3.3.8 Standplaatsen
Artikel 3.74 Definitie
1.
In deze paragraaf wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 138.Onder standplaats wordt niet verstaan:
- 33 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; kkk. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.21 van de APV.
Artikel 3.75 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1.
Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 139.Naast de weigeringsgronden in artikel 3.11 kan een vergunning worden geweigerd: a. wegens strijd met het omgevingsplan; lll. als de standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; of mmm. als een beperking in aantal of in plaats in de gemeente of in een deel van de gemeente als gevolg van bijzondere omstandigheden nodig is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 140.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 141.De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 142.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3.76 Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 3.76a Afbakeningsgrond 1.
Het verbod van artikel 3.75; eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet en Provinciale Omgevingsverordening.
2.
De weigeringsgrond van artikel 3.75, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
Paragraaf 3.3.9 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 3.77 Crossterreinen
1.
Het is niet toegestaan op enig terrein, anders dan een weg, met een motorvoertuig of bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd of, ter voorbereiding - 34 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden, voor te bereiden of daaraan deel te nemen, of een motorvoertuig of bromfiets daar aanwezig te hebben met het kennelijke doel dat te doen. 143.Het verbod is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; nnn. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; ooo. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 144.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Artikel 3.78 Beperking verkeer in natuurgebieden
1.
Het is niet toegestaan binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 145.Het verbod is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; ppp. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; qqq. de veiligheid van het publiek. 146.Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a.
die worden gebruikt door de politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening of andere hulpverleningsdiensten die krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister zijn aangewezen; rrr. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; sss. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens een wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; ttt. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid liggen; uuu. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de personen als bedoeld onder d. 147.Het verbod is verder niet van toepassing: a.
op wegen die liggen binnen de terreinen of gebieden als bedoeld in het eerste lid; vvv. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 148.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 35 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Paragraaf 3.3.10 Afval-, hemel- en grondwater
Artikel 3.79 Verbod lozen afvalwater
1.
In een grondwaterbeschermingsgebied en grondwaterwingebied is het verboden om afvalwater te lozen in de bodem 149.Ook het lozen via een individuele behandeling afvalwaterinstallatie (IBA) is verboden.
Artikel 3.80 Afvoer hemel- en grondwater in gebieden met gescheiden riolering
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater is het in gebieden met een gescheiden riolering verboden hemelwater of grondwater te lozen op het openbaar vuilwaterriool. 150.Daar waar het bij nieuw aan te leggen gescheiden stelsels bij bestaande bebouwing aan de achterzijde van bestaande panden onevenredig veel kosten gemaakt moeten worden om dit te realiseren, geldt dit verbod niet. 151.Het is verboden om hemelwater in contact te laten komen met uitlogende materialen zoals zink, lood en koper.
Artikel 3.81 verplichting tot aanleg waterberging in nieuwe omgevingsplannen
1.
Bij het toevoegen van extra verhard oppervlak in nieuwe omgevingsplannen moet dit gecompenseerd worden met een waterberging van tenminste 75 liter per m2 verhard perceeloppervlak. 152.Indien het onmogelijk is om waterberging op eigen terrein te realiseren, kan de verplichting tot aanleg waterberging afgekocht worden bij de gemeente. 153.Voor situaties als bedoeld in lid 2 legt de gemeente binnen een termijn van 10 jaar na datum waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden een compenserende waterberging aan.
Art 3.82 Verbod op lozen hemel- en grondwater op openbaar riool
1.
Het college kan een gebied aanwijzen waarbinnen -voor bestaande situaties- hemelen grondwater niet in het openbaar riool mag worden geloosd. 154.De lozing van hemelwater en grondwater op het openbaar vuilwaterriool wordt beëindigd binnen één jaar nadat het verbod op een perceel van toepassing is geworden. 155.Bij het vaststellen van het gebied uit het eerste lid houdt de beheerder van het openbaar riool rekening met het gemeentelijk waterplan, verbreed gemeentelijk rioleringsplan en basisrioleringsplannen. 156.Het college kan ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedsaanwijzing, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. - 36 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Art 3.83 Onderhoud en beheer
1.
De eigenaar van een bouwwerk en/of perceel is verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van de door hem aangebrachte hemelwatervoorziening(en). 157.De eigenaar als bedoeld in lid 1 moet kunnen aantonen dat met het beheer van de hemelwatervoorziening het hemelwater op een juiste manier blijvend wordt verwerkt.
Artikel 3.84 Nadere aanwijzingen
De beheerder kan nadere aanwijzingen geven met betrekking tot de wijze waarop het afkoppelen ten gevolge van de verboden op grond van de artikelen 3.79 en 3.80 plaatsvindt.
Afdeling 3.4 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed
Artikel 3.85 Verbodsbepalingen en vergunning beschermd gemeentelijk monument
[Reserveren]
Afdeling 3.5 Activiteiten met betrekking tot planten
Paragraaf 3.5.1 Bewaren van waardevolle bomen
Artikel 3.86 Begripsbepaling
1.
In deze paragraaf wordt onder bebouwde kom verstaan: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1, sub a, jo. artikel 9.9, eerste lid, Wet natuurbescherming. 158.In deze paragraaf wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. 159.Boom: een overblijvend houtig gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 cm. op een hoogte van 1.30 m. boven het maaiveld. Ingeval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; 160.Dunnen: velling, die uitsluitend als verzorgingsmaatregel ten gunste van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd. De houtopstand mag hierbij zijn functie en vorm niet verliezen. 161.Houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
- 37 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
162.Vellen: rooien, kappen, verplanten, afzetten alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;
Artikel 3.87 Lijst waardevolle houtopstand
Het college stelt een lijst vast van waardevolle bomen, gebaseerd op de volgende criteria: a. ecologische waarden; www. esthetische waarden; xxx. cultuurhistorische waarden; yyy. waarden van stads- en dorpsschoon; zzz. waarden voor recreatie en leefbaarheid; aaaa. uniciteitswaarde.
Artikel 3.88 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen voor bomen die op de lijst met beschermde bomen staat. 163.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is tevens van toepassing op houtopstanden die eigendom van de gemeente zijn. 164.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstand die moet worden geveld wanneer deze een direct gevaar voor personen of goederen oplevert. 165.Het verbod geldt niet voor het dunnen van een houtopstand.
Artikel 3.89 Aanvraag vergunning
De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
Artikel 3.90 Voorwaarde van niet-gebruik
1.
Aan de vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat vergunninghouder pas tot vellen mag overgaan met ingang van de dag na de dag waarop de bezwaartermijn afloopt. 166.Indien het college gedurende de bezwaartermijn een bezwaarschrift ontvangt of er een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan, mag van de vergunning pas gebruik worden gemaakt na één week nadat het college op dat bezwaar heeft beslist of de rechtbank op die voorlopige voorziening heeft beslist.
- 38 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Artikel 3.91 Weigeringsgronden
De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; bbbb. de landschappelijke waarde van de houtopstand; cccc. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; dddd. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; eeee. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. ffff. cultuurhistorische waarden.
Artikel 3.92 Bijzondere vergunningsvoorschriften
1.
Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. 167.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze nietgeslaagde beplanting moet worden vervangen.
Artikel 3.93 Herplant-/instandhoudingsplicht
1.
Indien de houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door zijn te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn. 168.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 169.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 170.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Artikel 3.94 Afstandsgrenzen van bomen, heesters en heggen
In afwijking van het bepaalde in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek bedraagt voor bomen de afstand tot de erfgrens ten minste 0,5 meter gerekend van het midden van de voet van de boom. Voor heggen en heesters is deze afstand nihil. - 39 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Artikel 3.95 Detectieverbod
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2 Besluit Erfgoedwet archeologie is het verboden zonder ontheffing van de burgemeester in het openbaar een metaaldetector of enig ander voorwerp, bestemd voor het opsporen van metalen voorwerpen te gebruiken of voor onmiddellijk gebruik voorhanden te hebben. 171.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. De ontheffing kan worden geweigerd: a. in het belang van de bescherming van archeologische waarden; gggg. in het belang van de bescherming van ander cultureel erfgoed; hhhh. ter bescherming van de woon- of leefomgeving; iiii. in verband met de veiligheid van personen of goederen; jjjj. in het belang van de openbare orde. 172.De burgemeester kan algemene regels vaststellen op basis waarvan ontheffingen worden verleend als bedoeld in het tweede lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de wijze waarop van de ontheffing gebruik wordt gemaakt en de eisen waaraan een ontheffinghouder moet voldoen. 173.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor degenen aan wie ingevolge artikel 5.2 van de Erfgoedwet een certificaat is verstrekt. 174.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. Awb niet van toepassing.
Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot ondergrondse infrastructuur
Paragraaf 3.6.1 Graafwerkzaamheden, kabels en leidingen
Artikel 3.96 Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.
aanvrager: de natuurlijke of rechtspersoon die aan de gemeente instemming, vergunning of toestemming verzoekt voor het leggen, hebben, onderhouden, verwijderen etc. van kabels en leidingen; kkkk. breekverbod: verbod voor het uitvoeren van breek- en graafwerkzaamheden in de grond, geldend onder andere bij extreme weersomstandigheden of evenementen; llll. calamiteit: een incident met voor de omgeving mogelijk grote gevolgen, die niet zelfstandig kunnen worden afgewikkeld en waarbij gecoördineerde inzet van hulpverleningsorganisaties en diensten van verschillende disciplines is vereist om de gevolgen te beperken; mmmm. coördinatieverplichting: de coördinerende rol van de gemeente over de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels en/of leidingen in de openbare grond binnen de gemeentelijke grenzen; nnnn. degeneratiekosten: de kosten voor de gemeente door vermindering van de kwaliteit en/of duurzaamheid van de verharding of andere gemeente eigendommen, veroorzaakt door de (graaf)werkzaamheden onder verhardingsconstructies of andere voorzieningen; - 40 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
oooo. gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht of de Telecommunicatiewet of via een (publiekrechtelijke) vergunning; pppp. grondroerder: de natuurlijke of rechtspersoon onder wiens verantwoordelijkheid of leiding de werkzaamheden worden verricht; qqqq. handboek: het Handboek Kabels en Leidingen (Standaardbepalingen voor het opnemen van de sleufverharding, het graven, aanvullen en verdichten van sleuven en het leggen etc. van kabels en leidingen die in eigendom of beheer zijn bij de gemeente), zijnde door het college vast te stellen nadere regels betreffende de voorbereiding en uitvoering van ontwerp, aanleg, exploitatie, onderhoud en verwijdering van kabels en leidingen inclusief de toepasselijke indieningsvereisten; rrrr.huisaansluiting: het gedeelte van de kabel of leiding door openbare grond dat een netwerk verbindt met een netwerkaansluitpunt; ssss. instemmingsbesluit: besluit van het college op een aanvraag van voorgenomen werkzaamheden aan kabels en/of leidingen ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk; tttt. kabel- en leidingentracé: de locatie waarvan de gemeente heeft bepaald waar kabels en/of leidingen kunnen worden gelegd; uuuu.
kabels en leidingen: kabels en/of (buis)leidingen als onderdeel van een net(werk), daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, voorzieningen (afsluiters, brandkranen, lassen, etc.) en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken; voorbeelden van deze kabels en leidingen zijn kabels als bedoeld in de Telecommunicatiewet, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels), gasleidingen (transport-, distributie- en dienstleidingen), waterleidingen en kabels en leidingen ten behoeve van industriële netwerken; vvvv. leggen van kabels en leidingen: het aanbrengen, leggen, onderhouden, omleggen, vernieuwen, herstellen en verwijderen van kabels en leidingen en het verrichten van hierbij behorende werkzaamheden; wwww. marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; xxxx. meldsysteem of registratiesysteem: geautomatiseerd systeem van de gemeente waarin meldingen, vergunningen en instemmingen van (graaf)werkzaamheden aan kabels en/of leidingen en alles wat daarmee samenhangt worden verwerkt door of namens de gemeente en/of de grondroerder; yyyy.
net (of netwerk): samenspel van ondergrondse kabels en/of leidingen, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie een, al dan niet openbaar, elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1 onder e. en h. van de Telecommunicatiewet; zzzz. net voor transport van informatie: de openbare elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1 onder h. van de Telecommunicatiewet; aaaaa.netbeheerder: de rechtspersoon die acteert als beheerder van een net of netwerk voor de levering van elektriciteit, gas, water, aardwarmte of WKO (Warmte Koude Opslag), dan wel aanbieder is van een (al dan niet openbaar) elektronisch communicatienetwerk;
- 41 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
bbbbb. niet-openbare kabels en leidingen: kabels en leidingen (dan wel het netwerk waartoe ze behoren) die niet worden gebruikt om openbare (voor het publiek beschikbare) diensten aan te bieden; ccccc. nutsbedrijf: bedrijf dat producten en diensten levert in het algemeen belang, en in het kader van deze verordening meer specifiek op het gebied van elektriciteits-, gas- en drinkwatervoorziening, waaronder ook begrepen eventuele warmte-koudevoorzieningen, en dat mede daartoe netten/netwerken beheert voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen of van energie; ddddd. opdrachtgever: de natuurlijke of rechtspersoon die opdracht geeft tot het uitvoeren van werkzaamheden; eeeee.openbare gronden: openbare gronden zoals bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de Telecommunicatiewet; fffff. spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening, waarvan uitstel redelijkerwijs niet mogelijk is; ggggg. vergunning: vergunning die door het college op aanvraag verleend kan worden voor voorgenomen werkzaamheden aan kabels en/of leidingen; hhhhh. voorzieningen: kabels en leidingen en de ondergrondse ondersteuningsen beschermingswerken; iiiii.
werkzaamheden: handmatige en/of mechanische graafwerkzaamheden inclusief het opbreken en herstel van de sleufverharding in de openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels e/of leidingen; jjjjj. werkzaamheden van niet ingrijpende aard: het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen (mantelbuizen); reparaties of onderhoudswerk aan kabels en/of leidingen met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 meter en niet vallend onder onderdeel m. van dit artikel 1; het maken van (huis)aansluitingen waarbij geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist, tot een gezamenlijke lengte van 25 meter; het maken van een montagegat c.q. lasgat, een opbreking met een beperkte afmeting, maximaal 2 m2, die wordt gemaakt ten behoeve de toegang tot een handhole, plaatsen van afsluiters, het opgraven van een kabelrol ten behoeve van klantaansluitingen, het maken van aftakkingen voor het herstellen van kabel c.q. leidingstoringen of voor inspectiedoeleinden;
Artikel 3.97 Toepasselijkheid
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, instandhouden, onderhouden, verleggen en verwijderen van kabels en leidingen in, op en boven de openbare gronden, voor zover de gemeente deze gronden beheert, in eigendom heeft of daarover wettelijke coördinatieverplichtingen heeft. 175.Het college voert de regie over de efficiënte ordening van kabels en leidingen in, op en boven de openbare gronden.
Artikel 3.98 Nadere regels
1. Het college stelt ter uitvoering van deze verordening nadere regels vast. 176.Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op:
- 42 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
a.
de wijze van uitvoering bij de aanleg , onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en/of leidingen kkkkk. het bevorderen van het meetgebruik van voorzieningen; lllll. het opstellen van voorschriften op het gebied van markering en afzetting; mmmmm. het toepassen van proefsleuven.
Artikel 3.99 Vereiste van instemming of vergunning
1.
Het is verboden kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden, te onderhouden, te verleggen of te verwijderen, zonder of in afwijking van een voorafgaand door het college genomen instemmingsbesluit c.q. verleende vergunning. 177.Voor het verrichten van werkzaamheden van niet ingrijpende aard of spoedeisende werkzaamheden of calamiteiten, is geen instemming of vergunning, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan het college. 178.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij het uitvoeren van haar publiekrechtelijke taak.
Artikel 3.100 Melding of aanvraag
1.
Een aanvrager doet minimaal acht weken voor de geplande aanvang van de werkzaamheden bij het college of via een registratiesysteem melding voor een instemmingsbesluit dan wel een aanvraag voor een vergunning voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.97, eerste lid, van deze verordening. Afzonderlijke werken dienen per locatie en per discipline afzonderlijk te worden aangevraagd. 179.Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten kan hierover vooroverleg voeren met het college ten einde de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden; 180.Indien voor de voorgenomen werkzaamheden tevens (privaatrechtelijke) toestemming nodig is van andere grondeigenaren of grondbeheerders, dient de aanvrager dit bij de melding of aanvraag aan te geven en uiterlijk vier weken na de melding of aanvraag, het college het bewijs van verkregen toestemming te overleggen. 181.In geval van voorgenomen werkzaamheden van niet ingrijpende aard, moet de aanvrager minimaal vijf werkdagen voor uitvoering van deze werkzaamheden schriftelijk (in geval van e-mail bij het door de gemeente aangegeven mailadres) bij de gemeente melden. Op grond van belangen als genoemd in artikel 104, eerste lid, sub a tot en met i, van deze verordening, kan het college bepalen dat realisatie op een ander tijdstip moet plaatsvinden.
182.In geval van spoedeisende werkzaamheden of calamiteiten volstaat een melding voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de gemotiveerde melding uiterlijk binnen één werkdag na de start van de uitvoering worden gedaan aan het college. Indien achteraf blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden vergunnings-, of instemmingsplichtig zijn, dient er alsnog een vergunning of een instemmingsbesluit aangevraagd te worden 183.Het college is bevoegd via nadere regels delen van het grondgebied aan te wijzen waarop het vierde en vijfde lid van dit artikel niet van toepassing zijn.
- 43 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
184.Het melden van aanvang en einde werk dient (d.m.v. formulieren of een registratiesysteem) te gebeuren conform het handboek.
Artikel 3.101 Gegevensverstrekking
1.
Het college stelt nadere regels vast inzake de te verstrekken gegevens en de wijze waarop die worden verstrekt bij een aanvraag of melding als bedoeld in deze verordening. 185.Het college stelt de voor een melding of aanvraag, als bedoeld in de artikelen 3.99 en 3.100 van deze verordening, te gebruiken formulieren vast.
Artikel 3.102 Beslistermijnen
1.
Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de melding of aanvraag als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, van deze verordening. 186.Betreft het een melding of aanvraag waarbij meer grondeigenaren/beheerders zijn betrokken of andere vergunningen vereist zijn, dan wordt de beslissing pas genomen als deze andere toestemmingen verkregen en overgelegd zijn. 187.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, houdt het college de beslissing aan, indien er een eventuele andere toestemming en/of vergunning is vereist. 188.Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 189.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht betreffende de van rechtswege verleende beschikking is niet van toepassing op het bepaalde in deze verordening.
Artikel 3.103 Geldigheid
1.
Binnen 12 maanden na verlening van de vergunning of het instemmingsbesluit moeten de werkzaamheden zijn voltooid, tenzij anders is bepaald in de vergunning of het instemmingsbesluit dan wel tenzij sprake is van aantoonbare overmacht. Indien de (graaf)werkzaamheden niet binnen de vastgestelde data en termijnen zijn uitgevoerd, vervalt de vergunning of het instemmingsbesluit. Een situatie van overmacht moet tijdig worden medegedeeld, met in achtneming van de maximale geldigheidsduur en ter beoordeling van het college. 190.De termijn van 12 maanden, genoemd in het vorige lid, kan door het college met maximaal 6 maanden worden verlengd, na een schriftelijk -binnen die termijn ingediend- met redenen omkleed verzoek. 191.Het instemmingsbesluit of de vergunning vervalt indien de netbeheerder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van het instemmingsbesluit of de vergunning. 192.Het college kan een instemmingsbesluit of vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken, indien: 193.de beschikking op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend;
- 44 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
194.de netbeheerder, dan wel de door deze ingeschakelde derde partij, het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning of instemmingsbesluit niet naleeft.
Artikel 3.104 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden
1.
Het college kan aan een instemmingsbesluit of een vergunningvoorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, dan wel bij werkzaamheden van niet ingrijpende aard bepalen dat realisatie op een ander tijdstip moet plaatsvinden, in het belang van: a. de openbare orde; nnnnn. de openbare veiligheid, waaronder in elk geval moet worden verstaan de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer; ooooo.het voorkomen of beperken van overlast; ppppp. het voorkomen of beperken van schade; qqqqq. de bescherming van eventuele archeologische vondsten en van groenvoorzieningen; rrrrr. het uiterlijk aanzien van de omgeving; sssss. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarkten en kermissen; ttttt. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder werken ten behoeve van de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit; uuuuu. de bescherming van het milieu.
195.De netbeheerder draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd. 196.Het college stelt nadere regels vast in de vorm van een Handboek voor de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen. Bij tegenstrijdigheden tussen de bepalingen van deze verordening en het Handboek hebben de bepalingen van deze verordening voorrang. 197.Het college stelt nadere regels vast over schadeherstel en vergoeding van degeneratiekosten. De netbeheerder of diens grondroerder is gehouden tot het, op basis van redelijkheid en billijkheid, vergoeden van alle schade, geleden en te lijden door de gemeente, voortvloeiende uit de door of vanwege de aanvrager of diens grondroerder uit te voeren werkzaamheden. De berekening van de schadevergoeding is gebaseerd op vijf kostensoorten: herstel-, onderhouds-, beheers- en degeneratiekosten of werkelijke kosten, met als uitgangspunt kostendekkendheid voor de gemeente.
198.Indien het leidingentracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels, legt de netbeheerder (dan wel de door deze ingeschakelde derde partij) de gemeente een alternatief tracé voor en wordt daarbij bezien of andere netbeheerders eventuele voorgenomen werkzaamheden op dat tracé willen combineren, of (in geval van elektronische communicatienetwerken) doet hij aan andere netbeheerders een verzoek tot medegebruik van kabels en/of leidingen. 199.De netbeheerder (dan wel de door deze ingeschakelde derde partij) is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. - 45 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
200.Indien binnen 3 jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare gronden de netbeheerder werkzaamheden moet uitvoeren verlangt het college specifiek schadeherstel. 201.Indien de netbeheerder werkzaamheden moet uitvoeren in bijzondere bestrating, verlangt het college specifiek schadeherstel. 202.Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een instemmingsbesluit of het verlenen van een vergunning zijn leges verschuldigd conform de Legesverordening van de gemeente.
Artikel 3.105 Eigendom
1.
Indien de eigendom, exploitatie of beheer van een net, kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze verordening die betrekking hebben op de kabel en/of leiding van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder; 203.De netbeheerder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. 204.Op het eigendom van de kabels en/of leidingen zijn de desbetreffende wettelijke bepalingen van toepassing.
Artikel 3.106 Overleg
1.
Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere belanghebbende partijen worden uitgenodigd. 205.Dit overleg is mede gericht op de beoordeling van mogelijk medegebruik van voorzieningen en afstemming van gezamenlijk of gelijktijdig uit te voeren werkzaamheden. 206.Netbeheerders kunnen desgewenst om overleg verzoeken.
Artikel 3.107 Niet-openbare kabels en leidingen
1.
Het college kan een vergunning weigeren in geval van werkzaamheden aan nietopenbare kabels en/of leidingen in of op openbare gronden. In het geval van te verlenen toestemming is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing, maar houdt dit geen gedoogplicht in van de betreffende kabels en leidingen. 207.Niet-openbare kabels en/of leidingen dienen op verzoek van het college op gronden genoemd in artikel 3.104 lid 1, op kosten van de eigenaar van de kabels en/of leidingen, te worden verlegd.
Artikel 3.108 Informatieplicht
1.
De netbeheerder stelt het college onverwijld en schriftelijk in kennis van het feit dat een kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een openbaar net in of op openbare gronden. - 46 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
208.De netbeheerder levert op verzoek van het college een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen. De bewijslast met betrekking tot het gebruik ligt bij de netbeheerder.
Artikel 3.109 (Mede)gebruik van voorzieningen
1.
Een beheerder van een netwerk voor het transport van informatie is verplicht om bij aanleg van kabels of leidingen zoveel mogelijk (mede)gebruik te (laten) maken van bestaande, hetzij door andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van de gemeente aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten en – geleidingen. 209.Indien de netbeheerder (dan wel de door deze ingeschakelde derde partij) een redelijk aanbod wordt gedaan om gebruik te maken van de vooraangelegde voorzieningen, is deze verplicht van deze voorzieningen gebruik te maken. Bepalend voor de redelijkheid is of de voorzieningen tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld.
Artikel 3.110 Verleggingen van leidingen
1.
Voor verleggingen van leidingen van een netwerk van een nutsbedrijf in of op openbare gronden op verzoek van het college, gelden de volgende bepalingen: a.
De netbeheerder is verplicht op verzoek van het college over te gaan tot het nemen van maatregelen voor kabels en leidingen ten dienste van zijn net, waaronder het verplaatsen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente in het algemeen belang; vvvvv. Eventuele compensatie wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling of schriftelijk vastgelegde (privaatrechtelijke) afspraken; wwwww. Compensatie wordt verder uitsluitend verleend op basis van een gespecificeerd kostenoverzicht; xxxxx. De gemeente en de netbeheerder zullen bij verwijdering, verlegging of aanpassing van leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken; yyyyy. Na een schriftelijk verzoek van het college tot het nemen van maatregelen gaat de netbeheerder zo spoedig mogelijk over tot de uitvoering, doch niet later dan dertien weken na de datum van ontvangst van het verzoek. 210.Indien ten gevolge van werkzaamheden, niet zijnde gemeentelijke werkzaamheden, verplaatsing, wijziging of verwijdering van enig eigendom van de gemeente noodzakelijk is, dan wel ten behoeve van werkzaamheden speciale voorzieningen moeten worden getroffen, komen de kosten ervan voor rekening van de opdrachtgever, tenzij er redelijkerwijs aanleiding bestaat om de kosten over meerdere partijen te verdelen, dan wel om geen kosten in rekening te brengen.
Artikel 3.111 Verwijderen van leidingen
1.
De netbeheerder is verplicht na het geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning de leiding binnen een door het college te bepalen termijn te verwijderen. - 47 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
211.Buiten gebruik gestelde kabels en leidingen dienen bij reconstructies op aanzegging van de gemeente te worden verwijderd. 212.De bepalingen van deze verordening is overeenkomstig van toepassing op verwijdering van kabels en leidingen.
- 48 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud Afdeling 4.1 Overige bepalingen
Artikel 4.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren, en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen opleveren.
- 49 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Hoofdstuk 5 Procedureregels Afdeling 5.1 Voorbereiding van besluiten
Artikel 5.1 Waardestellend onderzoek beschermd gemeentelijk monument
[Reserveren]
Afdeling 5.2 Advies
Paragraaf 5.1 Advies bij aanwijzing beschermd gemeentelijk monument
Artikel 5.2 Advies bij aanwijzing beschermd gemeentelijk monument
[Reserveren]
Paragraaf 5.2 Advies bij omgevingsvergunning monument
Artikel 5.3 Advies bij omgevingsvergunning monument
1.
Het college vraagt advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, voordat zij een besluit neemt op de aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 3.82. 213.Als de aanvraag betrekking heeft op een gemeentelijk archeologisch monument, dan betrekt de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit een deskundige op het gebied van archeologie.
- 50 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving Artikel 6.1 Toezichthouders
Behoudens het bepaalde in artikel 18.6 van de Omgevingswet, zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening de toezichthouders belast die bij besluit van het college dan wel de burgemeester zijn aangewezen.
Artikel 6.2 Strafbaarstelling
1.
Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 3.7 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. 214.Het eerste lid is niet van toepassing als in het onderwerp is voorzien door de Wet op de economische delicten.
- 51 -
Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)
Hoofdstuk 7 Overgangsrecht Artikel 7.1 Overgangsrecht
1.
Besluiten, genomen krachtens de verordeningen genoemd in artikel 8.3 of naar deze verordening overgehevelde delen van de Algemene plaatselijke verordening Hulst 2017, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 215.Aanvragen voor vergunningen of ontheffingen op grond van de verordeningen genoemd in artikel 8.3 of de naar deze verordening overgehevelde delen van de Algemene plaatselijke verordening Hulst 2017, waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 216.Adviezen van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit of een andere deskundige, die zijn gevraagd en/of gegeven op grond van de verordeningen genoemd in artikel 8.3 of de naar deze verordening overgehevelde delen van de APV, gelden als gevraagde en/of gegeven adviezen op grond van deze verordening.