RO-221006-HU4039-Bierkaai deelgebied 4 Hulst V0102 inclusief bijlagen
Tekst van het document
26
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
Conclusie Op basis van het bodemonderzoek is de hypothese ‘onverdachte locatie’ bevestigd. Vanuit milieu-hygiënisch oogpunt is het projectgebied geschikt voor de huidige en toekomstige bestemming. De aanwezige bodemkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde nieuwbouw. 4.3
Cultuurhistorie Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is de Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Onderzoek Uit het cultuurhistorisch onderzoek blijkt dat het projectgebied, gelegen in het beschermd stadsgezicht Hulst, reeds eeuwenlang bebouwd is. Binnen het beschermd stadsgezicht is nieuwbouw op de beoogde locatie mogelijk. Daarbij moet wel voldaan worden aan een aantal randvoorwaarden. Deze blijven onverkort van toepassing. Omgevingsvergunningsaanvragen dienen hieraan getoetst te worden. In par. 3.3 worden de relevante randvoorwaarden en toetsingskader voor onderhavige planlocatie in relatie tot het bouwplan uitgebreid omschreven. Daarnaast zal de Stadswal, welke als Rijksmonument is aangewezen behouden blijven.
Ook de kloostermuur van het Minderbroederklooster wordt voorts in het bouwplan opgenomen en nagenoeg geheel behouden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan en heeft geen invloed op de kenmerkende nederzettingsstructuur.
4.4
Molenbiotoop Het projectgebied kent de aanwezigheid van een stellingmolen aan het Molenbolwerk, genaamd de Stadsmolen. De stellingmolen is een toeristische attractie. Op een stadsplattegrond van omstreeks 1560 staat de voorganger van de huidige molen, welke zeer waarschijnlijk in de 14e eeuw op deze plaats is gebouwd. In 1596 werd deze molen bij een belegering van de stad zo zwaar beschadigd, dat er een nieuwe moest worden gebouwd. Deze molen werd bij het beleg van 1645 kapotgeschoten en weer herbouwd. Tussen 1700 en 1750 werd deze molen vervangen en verplaatst naar de "Molenberg" aan het eind van de Overdamstraat. De "Molenberg" lag op de plaats waar in de jaren '50 de Keldermanspoort werd opgegraven. In 1792 werd de houten molen vervangen door de huidige stenen molen. Molens staan nooit op een willekeurige plek. Het molentype dat men aantreft zegt iets over de geschiedenis van het landschap. Binnen dat landschap is de molenlocatie zo gekozen dat de molen optimaal kon functioneren. De omgeving waarmee een molen in relatie staat, noemen we de molenbiotoop. Een goede molenbiotoop is van fundamenteel belang voor de werking en het
27
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
behoud van de molen. Voor de molenaar is een goede windvang van cruciaal belang. Molens vormen een karakteristiek herkenningspunt in menig dorpsgezicht of landschap. En door de historische wisselwerking tussen molen en landschap is de molenbiotoop ook cultuurhistorisch van groot belang. Een goede molenbiotoop maakt het mogelijk dat een molen regelmatig in bedrijf is. De Provincie vraagt de gemeenten rekening te houden met het behoud van cultuurhistorisch waardevolle molenbiotopen en de hiertoe door de “Vereniging De Hollandsche Molen” opgestelde “Handleiding Molenbiotoop” door te vertalen in bestemmingsplannen (bron: “Omgevingsplan Zeeland 2006-2012”, Provincie Zeeland, vastgesteld 30 juni 2006). Om aan te geven hoe nauw de relatie tussen een molen en zijn omgeving is, introduceerde dhr. E. Smit jr. in 1973 het begrip molenbiotoop. Inmiddels is dit in de molenwereld geheel ingeburgerd geraakt. Smit ontleende de term aan de vogelbescherming. Daar staat de biotoop voor het milieu waarin een bepaalde vogelsoort leeft en het beste gedijt. Bij de molenbiotoop is de ruimte die vrij wordt gehouden voor een goede windvang van cruciaal belang. Daarnaast staat met name de zichtbaarheid van de molen centraal. Deze is historisch zo gegroeid en maakt dat een molen vaak zo sfeerbepalend is. In een vol land als Nederland is volledige openheid van het landschap zelden haalbaar.
Het streven is naar een situatie waarin de molen een hoofdelement in het landschap is zonder aan andere belangrijke landschappelijke aspecten tekort te doen. Het zoeken is naar een aanvaardbaar compromis. De “Vereniging De Hollandsche Molen” heeft normen ontwikkeld voor het bepalen van de toelaatbare obstakelhoogte in relatie tot de afstand tot een molen, de nieuwste norm stamt uit 1982. Om de toelaatbare obstakelhoogte in relatie tot de afstand tot een molen te bepalen, verzocht men dr. ir. A.C.M. Beljaars in de jaren tachtig om een wetenschappelijke analyse uit te voeren. Zijn studie geeft een overzicht van de gevolgen die obstakels voor de windtoestroming hebben, uiteengezet in termen van windprofielen, stroomlijnpatronen, ruwheid van het oppervlak, en turbulentiegraad. De resultaten van zijn onderzoek vormen het uitgangspunt voor de biotoopformule. Deze formule luidt als volgt: H(x) = x/n+c*z waarin: H(x)=maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters)x=afstand van een obstakel tot de molen (in meters)n=een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. Hiervoor worden de volgende waarden gebruikt: 140 voor open, 75 voor ruw en 50 voor gesloten gebied.
c=een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2z=askophoogte (helft van lengte gevlucht + eventueel de hoogte van de belt, berg of stelling) De Provincie Zeeland vraagt gemeenten deze formule door te vertalen in het bestemmingsplan. Indien de biotoopformule van de “Vereniging De Hollandsche Molen” toegepast wordt betekent dit, dat er in de deelgebied 4 tot een maximale bouwhoogte van 20,5 m + NAP gebouwd mag worden. Het beoogde plan valt hiermee met een bouwhoogte tot maximaal circa 16 meter + NAP binnen de molenbiotoopregels. Conclusie De molenbiotoop vormt geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.
28
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
4.5
Archeologie In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was eerder vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988, met een nadere uitwerking in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (Wamz) uit 2007. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek (‘de verstoorder betaalt’), blijven dus onverminderd van kracht. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Daarom is het voor het opstellen van een bestemmingsplan noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig zijn, kunnen middels een dubbelbestemming voor archeologie door het bestemmingsplan, zo ook ter plaatse van de planlocatie, worden beschermd. Voorafgaand aan werkzaamheden waarbij bodemingrepen plaatsvinden, dient dan in bepaalde gevallen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Binnen het projectgebied geldt de bestemming ‘Waarde archeologie 1’. Voor gronden waarop deze waarde van toepassing is, geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemverstoringen dieper dan 40 cm en groter dan 50 m2. Eventuele archeologische resten blijven in situ bewaard.
Ondanks een eventuele vrijstelling van archeologisch onderzoek kan het toch voorkomen, dat bij graafwerkzaamheden archeologische sporen of vondsten tevoorschijn komen. In dat geval geldt de wettelijke meldingsplicht voor archeologie. Een archeoloog moet alsdan in de gelegenheid gesteld worden in het veld kennis te nemen van de vondst, maar de graafwerkzaamheden kunnen gewoon zonder verder archeologisch onderzoek doorgang vinden. Over de noodzaak van een vervolgonderzoek in het kader van toekomstige planvorming met betrekking tot de archeologische waarden ter plaatse van het projectgebied is Edufact op 10 maart 2017 advies gevraagd. Dit advies is als Bijlage 3 aan deze toelichting gehecht. Deze adviseert om graafwerkzaamheden en andere verstoringen als gevolg van nieuwe planontwikkelingen onder Protocol Opgraven – variant Archeologische Begeleiding te laten uitvoeren, indien
29
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
deze dieper reiken dan 0,50 meter beneden maaiveld. In onderhavig geval worden zowel de oppervlakte als diepte overschreden, zodat de graafwerkzaamheden en andere verstoringen moeten worden uitgevoerd onder het van toepassing zijnde protocol (‘Protocol Opgraven – variant Archeologische Begeleiding’). In dat kader dient voor de uitvoering van dit onderzoek een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en ter goedkeuring aan de gemeente aangeboden te worden. Indien voornoemde graafwerkzaamheden plaatsvinden, zullen deze door een gecertificeerd bedrijf begeleid en uitgevoerd dienen te worden. Conclusie Met inachtneming van voornoemde randvoorwaarden vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het project. 4.6
Water Wettelijk kader Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening Beleid Waterschap Scheldestromen Het provinciaal beleid van de provincie Zeeland is vastgelegd in de Zeeuwse Omgevingsvisie, de Waterverordening en de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Het operationele waterbeheer van de Zeeuwse (binnendijkse) regionale wateren is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In het waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap zijn de hoofdlijnen van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen kort beschreven.
De uitwerking vindt plaats in de desbetreffende Beleidsnota’s. Doel van het waterbeheer is het bereiken en in stand houden van een goede toestand van dit oppervlaktewater. Zowel wat de waterkwaliteit betreft als de waterkwantiteit. In het waterbeheerplan 2016 -2021 wordt aangegeven met welke maatregelen en tegen welke prijs het waterschap dit doel wil bereiken. Het waterbeheerprogramma wordt momenteel herzien en ligt als ontwerp (WBP 2022 -2027) ter inzage. In 2012 heeft het Waterschap Scheldestromen de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen vastgesteld. Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Hulst 2022-2026 Krachtens de Wet milieubeheer (Wm), artikel 4.22, dient iedere gemeente een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) op te stellen. In het VGRP geeft de gemeente aan via welk beleid zij voor de aangegeven planperiode invulling geeft aan haar zorgplicht voor de riolering, het overtollige hemelwater en grondwater en hoe zij dit beleid financiert. Een VGRP is een beleidsmatig plan. In het VGRP staat op hoofdlijnen welke werkzaamheden en maatregelen (beheer, onderhoud, renovatie, vervanging, aanpassing, nieuwe aanleg) er nodig zijn om de
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
zorgplichten te waarborgen. De technische uitwerking van de werkzaamheden gebeurt in operationele plannen. Het verbreed VGRP geldt voor de planperiode van 2022 tot en met 2026. Stedelijk waterplan, gemeenten Hulst, Terneuzen en Sluis, 2008–2015 De gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen en het toenmalige waterschap Zeeuws-Vlaanderen hebben besloten om gezamenlijk (als waterpartners) een stedelijk waterplan op te stellen voor de bebouwde gebieden van Zeeuws-Vlaanderen met de volgende doelen: • het verkrijgen van een gezamenlijke en realistische visie op het stedelijk waterbeheer; • het afstemmen van het waterbeleid binnen de gemeenten, tussen de gemeenten en het waterschap en met andere partijen, zodat de kwantitatieve en kwalitatieve stedelijke wateropgaven gehaald worden tegen de laagste maatschappelijke kosten; • het maken van concrete afspraken over normen, maatregelen, de bekostiging daarvan en de doorwerking in de ruimtelijke ordening. Klimaatadaptatiestrategie & uitvoeringsagenda Zeeuws Vlaanderen 2021 - 2025 Op 9 juni 2022 heeft de gemeenteraad van Hulst de klimaatadaptatiestrategie en uitvoeringsagenda vastgesteld. De klimaatadaptatiestrategie geeft het handelingsperspectief om de verkregen kennis af te stemmen en door te vertalen in de relevante beleidsstukken van de verschillende beleidsvelden en ontwerpen voor (her)inrichtingen van de openbare ruimte.
Op deze wijze willen de gemeenten in Zeeuws Vlaanderen, waaronder de gemeente Hulst, vorm geven aan het toekomstbestendig ontwerpen en het toetsen van plannen (watertoets verbreed naar klimaattoets). De klimaatadaptatiestrategie en uitvoeringsagenda van Zeeuws Vlaanderen geven invulling aan de stappen uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie uit 2018. Het Deltaplan is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Het Deltplan heeft bewust niet vastgelegd wat een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van de openbare ruimte precies inhoudt. De haalbaarheid hiervan binnen de verschillende geografische regio’s in Nederland is namelijk heel verschillend. Elke regio moet daarom zelf bepalen wat voldoende klimaatbestendig en waterrobuust inhoudt. In de strategie staat centraal wat Zeeuws Vlaanderen uit oogpunt van de klimaatthema’s (hemel)wateroverlast, droogte en hitte om een gezonde en leefbare openbare ruimte dient te behouden en/of te realiseren, zodat het ook in de toekomst een gebied is waar het fijn wonen, werken, ontmoeten en recreëren is. In Zeeuws Vlaanderen streeft men naar label B voor de thema’s (hemel)wateroverlast, droogte en hitte.
Als alle openbare ruimte in Zeeuws Vlaanderen voor de thema’s (hemel)wateroverlast, droogte en hitte voldoet aan label B, is de openbare ruimte klimaatbestendig en waterrobuust. Aansluitend wordt in 2022 wordt in Zeeuws verband een overzicht van effectieve klimaatregelen voor drie thema’s gemaakt: wateroverlast, verdroging en hittestress. Deze effectieve klimaatregelen zullen in Zeeuws verband in 2023 met een ‘rekentool’ waarmee initiatiefnemers / ontwikkelaars kunnen berekenen of hun ontwikkeling klimaat robuust genoeg is worden ondersteund. In de bij de strategie behorende uitvoeringsagenda zijn de maatregelen en projecten opgenomen en wordt een overzicht van activiteiten die de gemeente in Zeeuws Vlaanderen moeten doorlopen opgenomen. Hierna wordt beschreven en aangegeven op welke wijze in het projectgebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
Onderzoek Voor de watertoets is door het waterschap Scheldestromen een watertoetstabel beschikbaar gesteld. De tabel is hieronder opgenomen. De ontwikkeling is getoetst aan de daarin opgenomen waterthema's en water(beheer)doelstellingen. Voorliggende plan maakt een gewijzigde situering van bebouwing met een groter bebouwingsoppervlak mogelijk. Meer concreet: het nieuwe bouwplan heeft een footprint van 1.892 m2, waarvan 176 m2 half verhard zal worden gerealiseerd. Het vigerende bestemmingsplan kent een bouwvlak met een totale oppervlakte van 1.480 m2. Er is derhalve sprake van een planologische toename van 412 m2 bebouwing. Onderstaande tabel geeft de onderbouwing voor de verschillende wateraspecten in een ruimtelijk plan. De watertoets is reeds voorgelegd aan het Waterschap Scheldestromen. De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in uw ruimtelijk plan. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
32
De ontwikkeling ligt niet binnen de keurzone van waterkeringen. Omdat het bouwen van gebouwen buiten deze zones op grond van de Keur van het waterschap zonder meer is toegestaan, treedt geen strijdigheid met de beleidsregels van het waterschap op. Het projectgebied ligt daarnaast niet in of nabij transportroutes gevaarlijke stoffen over water. Het aspect veiligheid/waterkering is derhalve niet aan de orde. Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van: huidige situatie
na realisatie
dakoppervlak
0
1389
1
dichte bodemverharding
1480
327
2
doorlatende bodemverharding
-
176
3
wateroppervlak
-
-
4
De toename van de verhardingen, in totaal 421 m2 wordt gecompenseerd (in totaal afgerond 31 m3) door enerzijds het aanleggen van doorlatende bodemverharding (176 m2) en anderzijds de realisatie van groene daken op de garageboxen, bergingen en parkeergarage. Verder wordt er een tuin aangelegd. Hierdoor wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd en wordt de relatief beperkte toename aan verhard oppervlak voldoende gecompenseerd. Deze
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
compensatie wordt ter goedkeuring aan het Waterschap voorgelegd. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
33
Het hemelwaterafvoer en vuilwaterafvoeren worden gescheiden aangelegd, maar gezamenlijk aangesloten op het gemeenteriool. Regenwater wordt afgekoppeld, zodat het ter plaatse kan infiltreren of kan worden afgevoerd naar omliggende oppervlaktewateren Er wordt geen grondwater onttrokken. Regenwater wordt afgekoppeld, zodat het ter plaatse kan infiltreren of kan worden afgevoerd naar omliggende oppervlaktewateren De beoogde ontwikkeling is niet nadelig voor de watervoorziening. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. De beoogde woningbouw leidt niet tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan ook niet aan de orde. Door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem of grondwaterbeschermingsgebieden in de omgeving Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied of natuurgebied. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater de bodem en het grondwater verontreinigt.
Ingrepen voortkomend uit dit plan tasten geen bodemlagen aan als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert. Er is in de bestaande als in de toekomstige situatie geen sprake van open water. Het aspect is derhalve niet relevant. Er worden geen water gerelateerde consequenties voor de volksgezondheid verwacht
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Het peilregiem van het projectgebied is afgestemd op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze problematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk op het terrein teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht. Het projectgebied grenst niet aan natte natuurgebieden. Derhalve zijn er geen bijzondere maatregelen te treffen of beperkingen te verwachten
Er liggen geen waterlopen binnen de projectlocatie en er worden geen nieuwe waterlopen voorzien. Derhalve is het aspect onderhoud van de waterlopen niet aan de orde.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?
*na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
Geef aan hoe U omgaat met objecten van waterbeheer voor zover aanwezig in de directe omgeving, zoals terreinen, milieucontouren, etc.
Nee Ja, door het realiseren van 37 woningen met bijbehorende voorzieningen zal het aantal de verkeersbewegingen toenemen. Hierbij overwegen wij, dat de ontwikkeling in de historische binnenstad van Hulst is gelegen, langs twee richtingen en direct op de bestaande infrastructuur kan worden ontsloten. De toename van het verkeer is voor de nabije omgeving derhalve procentueel gering en zal niet tot onevenredige overlast leiden.
na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Zoals aangegeven is het projectgebied voor alle bezoekers, bewoners en werknemers via de bestaande infrastructuur bereikbaar. Er zullen geen wegen worden gewijzigd of worden aangelegd.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?
Nee.
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
Na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
Na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
Grotendeels vindt parkeren plaats op eigen terrein waarvan 5 garageboxen op het maaiveld en 17 plaatsen in de ondergrondse parkeergarage. Daarnaast worden 16 parkeerplaatsen in de openbare ruimte aan zijde van de Minderbroederstraat aangelegd, welke door initiatiefnemer worden aangekocht. Hierdoor moeten 11 extra in de openbare ruimte worden opgevangen. Deze 11 parkeerplaatsen zijn op acceptabele afstand in de directe omgeving van het projectgebied (’s-Gravenhofplein, Nassaubolwerk en Minderbroedersstraat) beschikbaar, alwaar parkeergelegenheid voor langparkeerders aanwezig is. Nee
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de vaststelling van de uitvoering van dit plan niet in de weg en heeft nauwelijks tot geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het projectgebied. Verder is de watertoets aan het Waterschap Scheldestromen voorgelegd en aansluitend door haar akkoord bevonden. 4.7
Ecologie/flora en fauna De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Hieronder worden beide aspecten nader toegelicht. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wetnatuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden.
Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
•
alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft: aardmuis, bastaardkikker/middelste groene kikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Dit betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied is gelegen op een kortste afstand van circa 90 meter ten noordoosten van een gebied (berm) dat is aangewezen in het kader van Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). De andere gronden die tot het NNZ behoren betreffen de gronden ten behoeve van agrarisch natuurbeheer langs de Oude Vaart en de Berriekreek. Het meest nabij gelegen Natura2000 gebied is gesitueerd in België en betreft ‘Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel’. Dit gebied ligt op circa 4 kilometer afstand het meest nabij het plan.
Op circa 6, 7 en 8 km afstand liggen respectievelijk de Natura 2000-gebieden ‘Schorren en Polders van de Beneden-Schelde (BE)’, ‘Vogelkreek’ en ‘Westerschelde & Saeftinghe. Gezien deze afstanden, het huidige gebruik van de NNZ en de (lokale) aard van de ingrepen, kunnen negatieve externe effecten op zowel de NNZ als Natura 2000 gebieden, met uitzondering van mogelijke uitstoot van stikstof, uitgesloten worden. Met behulp van de Aerius Calculator, welke als Bijlage 5 aan deze onderbouwing is gehecht, is er berekend wat de stikstofdepositie van de beoogde toekomstige situatie is. De berekening toont aan of er sprake is van een overschrijding van de norm voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Er is daarbij gekeken naar de gebruiksfase. Uit de berekening met AERIUS blijkt, dat er bij de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden. De depositie is kleiner of gelijk aan 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie worden uitgesloten. Deze uitkomsten geven derhalve geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op N2000-gebieden.
Soortenbescherming Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is door Adviesbureau Wieland een ecologische quickscan uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten of leefgebieden van beschermde diersoorten en de effecten van de ingrepen op deze soorten (zie Bijlage 5 Quickscan natuurwetgeving). Uit dit onderzoek is het navolgende gebleken. Hieruit blijkt, dat in het projectgebied de standplaats van de beschermde soorten vooral vleermuizen en algemene vogelsoorten te verwachten zijn, waarbij met name de aanwezige groenstructuur en de bebouwing van belang zijn. Voor kritischer soorten ontbreekt geschikt leefgebied. Vogels Met broedvogels kan in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli) indien
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
concreet broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Floraen faunawet aan de orde. Vleermuizen Bij het slopen van bebouwing dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd onder de Flora- en faunawet. Bij het verkennend veldonderzoek ten behoeve van voorliggend plan is vastgesteld dat in het projectgebied; meer concreet in de te amoveren keermuur, diverse vleermuissoorten te verwachten zijn. Aangezien aantasting van alle vleermuissoorten ook op individuniveau voorkomen dient te worden, is bij een eventuele aanwezigheid van deze soorten in de te slopen bebouwing altijd een ontheffing noodzakelijk. Ervaring leert dat ontheffingen voor algemene vleermuissoorten worden verleend indien in het uitvoeringstraject wordt voldaan aan enkele eenvoudig te realiseren randvoorwaarden. Zo dient sloop of kap te worden uitgesteld in de periode, dat de vleermuizen aanwezig zijn en dienen eventueel compenserende en mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het toegankelijk maken van de nieuwe bebouwing voor vleermuizen. In onderhavig geval blijven de Veste en de wallen, welke dienen als foerageergebied en aanvliegroute voor diverse vleermuizen gehandhaafd. Voor een aantal van deze soorten heeft licht een nadelig effect.
Aan de walzijde van het gebouw zal echter geen extra verlichting komen. In een ondergrondse gang onder de Keldermanspoort overwinteren Baardvleermuizen en Gewone grootoorvleermuizen. Dit is op minder dan 100 meter afstand. Indien deze soorten in winterrust zijn, zijn deze verstoringsgevoelig voor trillingen. Daarom zal heien (en andere trillingsgevoelige werkzaamheden) plaatsvinden buiten de winterrustperiode. De meest gunstige periode om deze werkzaamheden uit te voeren is in de periode maart – november. De aanwezigheid van (algemene) vleermuissoorten hoeft zodoende geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het ruimtelijk plan op te leveren (ruimtelijke ordeningstraject). Alleen voor het amoveren van de keermuur is nader, gericht veldonderzoek noodzakelijk (uitvoeringstraject). Inmiddels is dit nadere vleermuisonderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). De conclusie is dat er geen vleermuizen zijn waargenomen die een specifieke binding hebben met of verblijfplaats in het onderzochte gebied. Boven het grasveld wordt regelmatig door dwergvleermuizen gejaagd. De voorgenomen veranderingen in het gebied zullen op het fourageren aldaar nauwelijks of geen invloed hebben. Dit betekent concreet dat voor de sloop van de bebouwing op dit moment geen belemmeringen bestaan vanuit de bescherming van vleermuizen in de Wet natuurbescherming. Er is ook geen sprake van een ontheffingsplicht.
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene soorten. Doordat het plan is gewijzigd, is de eerder uitgevoerde quickscan geactualiseerd en als Bijlage 7 aan deze onderbouwing gehecht. Tussen 2018 en april 2022 is het plangebied en de directe omgeving niet veranderd. Voor medio 2022 of 2023 zijn sloopwerkzaamheden gepland in de directe omgeving. De contouren van het bouwproject en daarmee de eerder getrokken conclusies en aanbevelingen zijn niet veranderd. Conclusie De locatie herbergt naar verwachting beperkt belangrijke natuurwaarden, waarbij eventuele belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming naar verwachting eenvoudig kunnen worden voorkomen. Verder bestaan voor de beoogde ontwikkeling op dit moment geen belemmeringen
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
vanuit de bescherming van vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming. Er is ook geen sprake van een ontheffingsplicht. 4.8
Milieuhinder Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Bedrijven en milieuzonering In de publicatie (Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten.
In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. Alleen voor het aspect gevaar is het reduceren van de richtafstand met één afstandsstap niet zondermeer mogelijk. Het hanteren van kleinere richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder wordt voorkomen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om indicatieve afstanden. In een concrete situatie dient de werkelijk aan te houden afstand nader te worden bepaald. De richtafstanden worden gemeten van de bestemmingsgrens van de milieuhinderlijke inrichting ten opzichte van de gevels van de woningen van derden. Onderzoek Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
38
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
De omgeving van het projectgebied kan worden beschouwd als een gemengd gebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure, waardoor de genoemde richtafstand onder voorwaarden zoals gesteld in bijlage 4 van deze publicatie met 1 afstandstap mag worden verlaagd. In de omgeving zijn met name (in planologische zin) winkels, dienstverlenende bedrijven, horeca en kantoren gelegen. Dit betreffen allen categorie 1 en 2 functies waarvoor een richtafstand van 10 resp. 30 meter geldt in rustige woonwijken en 0, resp. 10 meter in gemengde gebieden. Voor alle toegestane functies geldt, dat aan de hinderafstand voldaan kan worden. Daarnaast worden dergelijke inrichtingen op grond van het geldende bestemmingsplan toelaatbaar geacht in een verblijfsomgeving. Zo zijn deze functies direct naast en/of onder verblijfsfuncties toegestaan. Daarnaast geldt voor deze inrichtingen dat de bijbehorende hindercontour wordt bepaald door het aspect ‘geluid’. Dit ‘geluid’ valt echter weg in het geluid, dat afkomstig is van de andere in de omgeving van het projectgebied gesitueerde geluidsbronnen, zoals de aanwezige wegen. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat op dit aspect gewaarborgd. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de het aspect bedrijven en milieuhinder geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het bouwplan. 4.9
Geluidhinder Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder in werking getreden. Hierin is de bevoegdheid voor het verlenen van een hogere waarde neergelegd bij Burgemeester en Wethouders. Dat betekent dat het 'hogere-waardebesluit' niet langer ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten hoeft te worden voorgelegd. Voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai stapt de wetgever nu over op de Europese dosismaat Lden (staat voor day- evening- night). In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB). Voor geluidgevoelige functies zoals woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor spoorwegverkeer.
Bij de bouw van de woning dient de gevelisolatie van de betrokken woning zodanig te worden ontworpen, dat voor de binnenwaarde kan worden voldaan aan de eisen uit het bouwbesluit. Hierin staat geregeld dat de binnenwaarde maximaal 33 dB mag bedragen. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan kan door bevoegd gezag (Burgemeester en wethouders) een hogere grenswaarde worden vastgesteld, voor woningen. in het buiten stedelijk gebied (buiten bebouwde kom) geld een maximum te verlenen ontheffingwaarde Lden van 53 dB(A) (wgh art. 83, lid 1).
39
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
Onderzoek De gewenste ontwikkeling betreft een inbreiding en herstructurering in bestaand stedelijk gebied van Hulst. Het gebied waarbinnen woningen onder voorwaarden kunnen worden toegevoegd is gelegen in een zone met een 30 km/uur-regime. Ook de direct omliggende wegen kennen een 30 km/uur-regime, waarbinnen een akoestisch onderzoek niet verplicht is. Enkel voor de Stationsweg, Tivoliweg en de Zoutestraat geldt een 50 km/uur regime en deze wegen liggen op een afstand van meer dan 250 meter van het kernwinkelgebied of er is tussen deze wegen en de bebouwing in het centrumgebied zodanige geluidafscheidende bebouwing opgericht, dat een verhoogde geluidsbelasting op de gevel redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Conclusie Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk. Dit laat onverlet, dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient ten alle tijden te worden aangetoond, dat de binnenwaarde van nieuwe woningen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. 4.10
Luchtkwaliteit Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Onderzoek In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een
40
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de Regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend plan worden er maximaal 25 appartementen toegevoegd. Op basis van deze getallen kan gesteld worden, dat het project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig, mede gelet op het gegeven dat wonen ook op basis van het geldende bestemmingsplan reeds is toegestaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.11
Externe veiligheid De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving voor het beheersen van risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de nabijheid van risicobronnen dienen te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Twee begrippen staan in dit beleidsveld van de externe veiligheid centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is omschreven als de kans dat een persoon die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden. In het relevante beleid- en wetgevingskader geldt het PR met de risicocontour van de kans één op een miljoen per jaar (kans 10-6 per jaar) als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Vanwege de definiëring als grenswaarde kan hiervan niet worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten werkt deze norm slechts als een richtwaarde. Van een richtwaarde kan na een uitgebreide motivering eventueel worden afgeweken.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de kans van één op de honderdduizend per jaar (kans 10-5 per jaar) als grenswaarde. Kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar zich kwetsbare en/of grote groepen personen (kunnen) bevinden. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar dat doorgaans niet het geval is. Ook belangrijke infrastructuur, zoals een belangrijke verbindingsweg, kan als beperkt kwetsbaar object worden aangemerkt. Een limitatieve opsomming van (beperkt) kwetsbare objecten, wordt in de wetgeving niet gegeven. Het bevoegd gezag heeft daarom een zekere mate van beoordelingsvrijheid over wat zij in een specifieke situatie als kwetsbaar object beschouwt.
41
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
Groepsrisico (GR) Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijk komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Het GR is niet genormeerd. Hiervoor geldt enkel een oriënterende waarde waarboven een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico’s. Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR. Veelal wordt hiervoor het gebied gebruikt dat is gelegen binnen de 10 -8-contour van het PR (het gebied dat wordt getroffen door een ongeval met een kans van één op honderd miljoen per jaar). Aangezien sommige ongevalscenario’s ook bij (nog) kleinere ongevalkansen nog tot dodelijke slachtoffers kunnen leiden, wordt in die gevallen het gebied gebruikt waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden (de zogenaamde 1%letaliteitsgrens). Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogt om duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico’s die dat transport mag veroorzaken. Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt gelden de volgende normen: • De contour van het PR met een kans van 10‐6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet; • Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: − het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde; of − het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt; of − de oriëntatiewaarde wordt overschreden; • Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.
Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen Op het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding is per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat algemene voorschriften waaraan een exploitant van een buisleiding dient te voldoen. Het tweede deel bevat de instructieregels die bij het opstellen van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. De contour van het PR met een kans van 10‐6 per jaar geldt op grond van het Bevb als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet op grond van het Bevb worden bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in het invloedsgebied van de betreffende buisleiding. De Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) bevat een technische uitwerking van het Bevb. In artikel 2 van de Revb zijn onder andere aardgastransportleidingen met een diameter van
42
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
50 mm of meer en een werkdruk van 16 bar of meer aangewezen als leidingen waarop het Bevb van toepassing is. Onderzoek Uit de provinciale risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat: • er in de omgeving van het projectgebied geen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen aanwezig zijn; • er in de omgeving van het projectgebied geen transport plaats over vaarwegen of spoorlijnen plaatsvindt. Wel vindt over de Rondweg Hulst (N290) transport van gevaarlijke stoffen plaats. In opdracht van de provincie Zeeland is in 2006 een risico-inventarisatie uitgevoerd van het wegtransport van gevaarlijke stoffen in Zeeland. Uit deze risico-inventarisatie blijkt dat dit transport in de huidige situatie geen aanleiding geeft tot risicoknelpunten. Uit het onderzoek is gebleken, dat de plaatsgebonden risicocontouren van zowel kwetsbare als minder kwetsbare functies (10-6 en 10-5) zich op de transportroute zelf bevindt. De oriënterende waarde voor het groepsrisico wordt langs genoemde weg evenmin overschreden (het groepsrisico is meer dan een factor 100 lager dan de oriëntatiewaarde). Verder loopt parallel aan de N290 een hogedrukaardgasleiding.
Gezien de grote afstand ten opzichte van het projectgebied en doordat deze leiding een 10-6 plaatsgebonden risicocontour heeft van 0 meter, hoeft deze leiding niet nader onderzocht te worden. Conclusie Gelet op het voorgaande levert het aspect externe veiligheid geen belemmering op voor de realisatie van het bouwplan. Daarnaast is het plan aan de Veiligheidsregio voorgelegd. Het advies van de Veiligheidsregio wordt bij de verdere uitwerking van het plan meegenomen en de ontvangen infographic zal aan de toekomstige gebruikers worden toegestuurd. 4.12
Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Dit bestemmingsplan maakt een centrumbestemming mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op. Ontsluiting In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de nieuwe ontwikkeling niet van negatieve invloed is op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid in het gebied. Er is echter geen specifieke wetgeving met betrekking tot het aspect verkeer en vervoer. Doordat op de planlocatie woningen met bijbehorende (zorg-)voorzieningen worden toegevoegd, ontstaat er mogelijk ten gevolge van de ontwikkeling een relatieve toename aan verkeersbewegingen en verkeersdruk. Het verkeer naar en van het projectgebied sluit echter direct aan op de bestaande infrastructuur, welke de verkeerscapaciteit -gelet op het wegprofiel- zonder problemen kan verwerken; aanpassingen van het profiel is dan ook niet aan de orde. Daarnaast wordt de planlocatie in twee richtingen ontsloten, waardoor de planlocatie goed bereikbaar is. Hierdoor zal het verkeer zich snel en gelijkmatig over de bestaande infrastructuur verdelen en daarin worden opgenomen.
De toename van verkeer voor de nabije omgeving is derhalve procentueel dermate gering, dat dit geen onevenredige belasting van het omliggende wegennet met zich meebrengt, dan wel hinder voor bewoners van de bestaande woningen om het projectgebied.
43
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
Geconcludeerd kan worden dat de relatieve toename van het aantal verkeersbewegingen dan ook geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het onderhavige plan. Parkeren Het project zorgt vanwege een toename van functies voor een veranderde parkeerbehoefte. In alle gevallen sluit de gemeente Hulst bij toetsing van een concreet bouwplan aan, op de algemeen geaccepteerde parkeerkencijfers van het CROW, hetgeen voor onderhavig programma zou neerkomen op een parkeernorm van 1,4 pp (inclusief bezoekers) voor de woningen. De normen die de CROW hanteert zijn gebaseerd op de piekbelasting in een stedelijke omgeving. De gemeente Hulst wenst echter, gelet op het historische karakter van het centrum, binnen de wallen niet aan deze piekbehoefte te voldoen. Deze parkeernormen worden derhalve, op basis van een nadere motivering neerwaarts bijgesteld, welke bijstelling door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State reeds in eerdere uitspraken (met betrekking tot de Nieuwe Bierkaai) is geaccepteerd. Voor de woningen betekent dit, dat vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan worden volstaan met een parkeernorm van 1,3 pp, waarbij de onderverdeling wordt gemaakt in 1 pp per woning voor de bewoners zelf en 0,3 pp voor de bezoekers.
Immers, gelet op de specifieke doelgroep van toekomstige bewoners, de ligging in de directe nabijheid van alle centrumvoorzieningen en het feit dat niet alle toekomstige bewoners over een eigen auto zullen beschikken , kan van een lagere parkeernorm worden uitgegaan. Teneinde aan deze parkeernorm 1,3 pp per woning te kunnen voldoen en een bijdrage te kunnen leveren aan het oplossen van de parkeerproblematiek in de binnenstad, worden voor de toekomstige bewoners op eigen terrein in totaal 22 parkeerplaatsen gerealiseerd. Meer concreet: op eigen terrein worden 5 parkeerboxen en één parkeerplaats voor een deelauto en 16 parkeerboxen in de parkeergarage gerealiseerd. Verder worden door initiatiefnemer, na herinrichting van de Minderbroerderstraat, nog 16 parkeerplaatsen afgenomen, welke integraal in het ontwerp van het bouwplan zullen worden meegenomen. Naast de behoefte aan parkeerplaatsen voor de bewoners zijn nog parkeerplaatsen nodig voor de bezoekers van de bewoners (0,3 pp uitgaande van 37 woningen), hetgeen totaal uitkomt op 11 plaatsen die in de openbare ruimte moeten worden opgevangen. Deze parkeerplaatsen zijn op een acceptabele loopafstand in de directe omgeving van het projectgebied, o.a. de huidige plaatsen aan de Minderbroederstraat, op het Nassaubolwerk en op het ’s-Gravenhofplein beschikbaar.
Conclusie Geconcludeerd kan worden, dat door het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein en herinrichting van de Minderbroederstraat in relatie tot de aanwezige parkeercapaciteit voor bezoekers in de directe omgeving van het projectgebied, onderhavige ontwikkeling aan de parkeerbehoefte kan voldoen. Verder wordt dit aspect privaatrechtelijk (afnameverplichting) verankerd en daarmee geborgd. Daarmee is de feitelijke waarborging van het voorzien in voldoende parkeergelegenheid in relatie tot het bouwplan verzekerd. 4.13
Duurzaamheid Duurzame ontwikkeling is te zien als een ontwikkelingsproces, waarbij gestreefd wordt naar het tot stand brengen van een duurzame samenleving. Dit gebeurt door in alle stadia van een planproces kansen en mogelijkheden te benutten voor het realiseren van een hoge ruimtelijke kwaliteit
44
Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’
in combinatie met een zo laag mogelijke milieubelasting, en deze in de tijd weten te handhaven, zodat ook toekomstige generaties daarin delen. Ook de gemeente Hulst heeft in haar beleidsdoelstellingen duurzaamheid opgenomen en wenst deze structureel in ontwikkelingsplannen op te nemen. Bij voorliggend plan kan de duurzaamheid zich uiten in de bouwtechnische uitvoering door natuurlijke duurzame materialen te gebruiken en door een goede isolatie. Een duurzaam gebouw creëren wat tevens een beperkte footprint heeft, begint met het zo goed mogelijk beperken van de energievraag van het gebouw. Daardoor is gekozen voor goede bouwkundige maatregelen met daar bijbehorende isolatiewaarde. Om de CO2 doelstellingen te halen is de productie van duurzame energie belangrijk. Het is daarom belangrijk om de kansen maximaal te benutten. De nieuwbouw zal door middel van een collectieve PVT-installatie op het dak van de appartementen, aangevuld met een individuele installatie in ieder der appartementen worden verwarmd en gekoeld. De panelen worden zo veel mogelijk Zuidwest georiënteerd en zodanig geïnstalleerd dat ze zo min mogelijk beschaduwd worden. Daarnaast wordt bij de inrichting van het perceel rekening gehouden met het klimaat door het bestaande groen zoveel mogelijk te behouden en daarmee de nieuwbouw en aangrenzende gronden bestand te maken tegen te warm, te droog en te nat weer.