CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-221006-HU4039-Bierkaai deelgebied 4 Hulst V0102 inclusief bijlagen

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente HulstBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen appartementen Minderbroederstraat en Oude Havensteeg28.792 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Zo wordt ook verdroging van de bodem tegen gegaan én wordt wateroverlast voorkomen. Ook met een half verharde parkeerplaats geeft men het regenwater meer kans om in de bodem te infiltreren. Met bovenstaande maatregelen wordt bereikt dat tenminste wordt voldaan de Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)-eisen. In Nederland worden vanaf 1 januari 2021 de energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen vastgelegd aan de hand van 3 eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar; 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar; 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Deze eisen vervangen de EPC, de huidige eis voor nieuwbouw. BENG is gebaseerd op de Trias Energetica, een driestappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken. De EPC voldoet niet meer. Je kunt bijvoorbeeld een grote glaswand in een gebouw zetten en de EPC-eis halen door deze energieverliezen bij glas te compenseren met zonnepanelen; de huidige nieuwbouweis houdt geen rekening met het energieverlies van de woning door de gebouwvorm. Er is daardoor bij de huidige eis geen relatie met het energieverbruik per m². De BENG-eisen houden hier wel rekening mee. Er geldt een aparte eis voor de buitenkant van een gebouw, de zogenoemde schil, om de energiebehoefte te limiteren. Dit noemen we BENG 1.

Ook moet de energievraag van een gebouw zo veel mogelijk uit hernieuwbare energie bestaan: de BENG 3eis. En tenslotte moet de resterende energiebehoefte zo efficiënt mogelijk worden opgewekt: BENG 2. Bij de uitwerking van het ontwerp is hiermee zoveel mogelijk rekening gehouden. In de vergunningaanvraag wordt nader gemotiveerd welke specifieke maatregelen worden toegepast.

45

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’

4.14

Overige belemmeringen Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer¹. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Bij de bouwwerkzaamheden zal rekening worden gehouden met eventueel overige aanwezige kabels en leidingen. Verder liggen in of nabij het projectgebied geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven, en daarmee een belemmering voor het planvoornemen betekenen. In het straatprofiel zijn wel de reguliere leidingen/kabels voor gas, water, elektra, telefonie/internet en het rioolsysteem gelegen.

4.15

Milieueffectrapportage In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan (in dit geval wijzigingsplan) planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van de projecten; • de plaats van de projecten; • de kenmerken van de potentiële effecten. Op grond van onderdeel D11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r. is een plan m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer: • het projectgebied 100 ha of meer beslaat; of • een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat; of • bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderzoek Het beoogde bouwplan behelst de realisatie van 37 appartementen met bijbehorende (parkeer)voorzieningen. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. De beoogde ontwikkeling is daarom niet plan m.e.r.‐plichtig. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden.

Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit

46

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’

m.e.r. is daarom wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.‐beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.‐beoordeling noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten: •

•

•

•

Kenmerken project/activiteit: de omvang van het project betreft het realiseren van twee bouwblokken, bestaande uit 37 appartementen en bijbehorende (parkeer)voorzieningen. Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Tevens is deze herontwikkeling voorzien op een locatie waar al bebouwing mogelijk is. Het betreft hier reeds bestaand stedelijk gebied, waarbij in de omgeving al diverse functies, waaronder woningen aanwezig zijn. De realisatie van het bouwplan heeft met betrekking tot verkeer heeft slechts een minimaal effect. De omliggende wegen worden namelijk al gebruikt voor de omliggende functies, alsook voor de eerder in het projectgebied aanwezige functies. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd. Plaats van het project/activiteit: het projectgebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van Hulst. Voor de beoogde herontwikkeling zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht (zie hiervoor de voorgaande paragrafen). Samenhang met andere activiteiten: er is geen samenhang met andere plannen/ontwikkelingen buiten het projectgebied. Binnen het projectgebied wordt de realisatie van twee appartementengebouwen mogelijk gemaakt. De onderzoeken naar de verscheidene milieueffecten zijn in het eerdere deel van dit hoofdstuk toegelicht.

Daarnaast belemmert de planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet. Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit de voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk blijkt, dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. De effecten die als gevolg van het project optreden zijn lokaal van aard en hebben geen grensoverschrijdend karakter. Er is daarom geen sprake van onomkeerbare effecten.

De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage III EU‐richtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu die het opstellen van een MER of m.e.r.‐beoordeling noodzakelijk maken. Nu de milieugevolgen beperkt zijn c.q. hier in de ontwikkeling goed mee kan worden omgegaan, volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De aanmeldnotitie is als Bijlage 8 bijgevoegd. Conclusie Gelet op het inzicht in de potentiële effecten (op basis van de beschikbare gegevens) en de mate en omvang waarin deze zich voordoen, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling van de nieuwbouw niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er is geen sprake van significant negatieve effecten. Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) is daardoor niet noodzakelijk. Milieu- en andere sectorale aspecten ten aanzien van de beoogde nieuwbouw op onderhavige percelen zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

47

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’

5.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een afwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld Beoordeling Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Derhalve dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie ‘anderszins te verzekeren’.

Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit plan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Verder heeft de gemeente Hulst heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, waarin ook de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten is vastgelegd. Een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk. De kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt. Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.

48

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’

6.

MAATSCHAPPELIJKE TOETSING EN OVERLEG

6.1

Inleiding De paragraaf maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat er voor een ruimtelijk plan maatschappelijk acceptatie is. Om te voldoen aan de maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt inzicht gegeven in op welke wijze acceptatie is gecreëerd, inspraak is verleend of anderszins de omgeving is geïnformeerd en betrokken bij de planvorming en welke partijen zijn betrokken.

6.2

Omgevingsdialoog In verband met de ligging en overzichtelijkheid van de geplande herontwikkeling heeft initiatiefnemer het voorgenomen bouwplan door middel van een presentatie gehouden op 11 juli 2022 nader toe gelicht. Kort samengevat heeft initiatiefnemer tijdens deze bijeenkomst zich aan voorgesteld en aansluitend het woonconcept uitgelegd. Verder is aan de hand van de door de gemeente gestelde randvoorwaarden het bouwvolume getoond en is men over het verloop van de procedure geïnformeerd. Aansluitend werd de gelegenheid geboden om vragen te stellen. Het verslag van deze bijeenkomst is als Bijlage 9 aan deze motivering gehecht.

6.3

Vooroverleg Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6.18 Bor (Besluit omgevingsrecht) dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning, waar nodig, overleg gepleegd te worden conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat, voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning, burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vóór het opstarten van de procedure is deze ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg opgestuurd naar de provincie Zeeland en het Waterschap Scheldestromen Zowel van de provincie Zeeland als de Veiligheidsregio Zeeland is een schriftelijke reactie ontvangen. Vanuit het Waterschap is richting de gemeente aangegeven, dat zij met de watertoets en daarin opgenomen uitgangspunten in relatie tot het planvoornemen instemmen.

Reactie Gedeputeerde Staten Met betrekking tot het aspect archeologie dienen, net zoals in de overige plangebieden van het project de Nieuwe Bierkaai, de aangetroffen archeologische resten opgegraven te worden, voor zover deze verstoord zullen worden. Om die reden dienen graafwerkzaamheden en andere verstoringen als gevolg van nieuwe planontwikkelingen onder Protocol Opgraven – variant Archeologische Begeleiding uitgevoerd te worden vanaf 0,50 meter beneden maaiveld.

49

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’

Beantwoording Nu de werkzaamheden dieper reiken dan 0,50 meter beneden maaiveld, dient voor het uitvoeren van de werkzaamheden een PvE te worden opgesteld. Dit PvE wordt vervolgens ter beoordeling en goedkeuring aan de gemeente voorgelegd en aansluitend bij de uitvoering geborgd. Voor een verdergaande onderbouwing wordt verwezen naar par. 5.4. Reactie van Veiligheidsregio Zeeland In relatie tot het bouwvoornemen geeft de Veiligheidsregio een viertal adviezen. Deze zien -kort samengevat- op: 1. het toepassen van een uitschakelbare ventilatie; 2. risicocommunicatie bij het vrijkomen van gifwolken; 3. het toepassen van een hoger brandveiligheidsniveau gelet op de doelgroep en de gebouwkenmerken (met name parkeergarage); 4. het behouden en blijven onderhouden van de in en rond het projectgebied aanwezige blusvoorzieningen. Beantwoording De adviezen zullen bij de verdere uitwerking van het planvoornemen worden meegenomen. Daarnaast wordt de infographic aan hen en de toekomstige gebruikers worden verstrekt. 6.4

Tervisielegging In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning.

50

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Nieuwe Bierkaai, deelgebied 4 te Hulst’’

7.

CONCLUSIE Motivering Het vigerende bestemmingsplan ‘Binnenstad’ voorziet niet in de mogelijkheid het beoogde plan voor 37 appartementen met bijbehorende voorzieningen verdeeld over twee bouwblokken toe te staan. De gewenste functie, oppervlakte en hoogte overschrijden hetgeen is toegestaan. De beoogde ontwikkeling is echter acceptabel. Zo is op basis van deze ruimtelijke onderbouwing aangetoond dat: • de ontwikkeling ruimtelijk en functioneel goed inpasbaar is in de omgeving, zie hoofdstuk 2; • de ontwikkeling binnen het vigerende beleid van Rijk, provincie en gemeente past, zie hoofdstuk 3; • met de ontwikkeling geen (onaanvaardbare) nadelige milieueffecten gemoeid zijn, zie hoofdstuk 4; • de uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd, zie hoofdstuk 5 en 6. Conclusie Alle belangen integraal afwegend kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van ruimtelijke belemmeringen die de beoogde ontwikkeling in de weg staan. Realisatie van het bouwplan tot oprichting van 37 appartementen verdeeld over twee bouwdelen aan de Minderbroederstraat te Hulst, voldoet op basis van deze ruimtelijke onderbouwing aan een ‘goede ruimtelijke ordening’. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.

51

BIJLAGEN

Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst Project 23180241 19 februari 2019

Opdrachtgever:

Rothuizen Postbus 29 4330 AA MIDDELBURG

Opgesteld door:

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Auteur:

ing. C. Moerland

Autorisatie:

ir. R. van de Woestijne

2001, 2002,

Manager SMA Zeeland B.V.

2018

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Postbus 25

E

info@smazeelandbv.nl

Rabobank Beveland 34.60.39.169

Heinkenszandseweg 22

4453 ZG ‘s-Heerenhoek

I

www.smazeelandbv.nl

BIC RABONL2U

4453 VG ‘s-Heerenhoek

T +31 113 352 222

NL24 RABO 0346 0391 69

F +31 113 352 208

KvK Middelburg 22038560 BTW nr. NL8044.04.070.B01

Inhoudsopgave SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 1 CONCLUSIES ......................................................................................................................................... 1 AANBEVELINGEN .................................................................................................................................. 1 1. INLEIDING................................................................................................................................................ 3 1.1. AANLEIDING EN DOEL ................................................................................................................... 3 1.2. REFERENTIEKADER ....................................................................................................................... 3 1.3. BETROUWBAARHEID ..................................................................................................................... 5 2. VOORONDERZOEK ................................................................................................................................ 7 2.1. ALGEMENE BODEM- EN LOCATIEGEGEVENS ............................................................................ 7 2.2.

HISTORISCHE KAARTEN, LUCHTFOTO’S EN OVERIG BEELDMATERIAAL ............................... 9 2.3. RELEVANTE BODEMDOCUMENTEN EN VERGUNNINGEN ......................................................... 9 2.4. REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE .............................................................. 10 2.5. INTERPRETATIE VERWACHTE MILIEUHYGIËNISCHE BODEMKWALITEIT ............................. 11 2.6. HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................................. 12 3. VELDWERK ........................................................................................................................................... 14 3.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK NAAR CHEMISCHE PARAMETERS ............................... 14 3.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST ............................................................................. 15 4. ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................................................................. 16 4.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK NAAR CHEMISCHE PARAMETERS ............................... 16 4.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST ............................................................................. 18 5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................... 20 5.1.

CONCLUSIES ................................................................................................................................ 20 5.2. AANBEVELINGEN.......................................................................................................................... 20 ACHTERGRONDDOCUMENTEN .............................................................................................................. 22 BIJLAGE 1. OVERZICHTSKAART LIGGING ONDERZOEKSLOCATIE BIJLAGE 2. SITUATIETEKENING BIJLAGE 3. BOORBESCHRIJVINGEN EN -PROFIELEN BIJLAGE 4. TOETSINGSTABELLEN BIJLAGE 5. ANALYSERESULTATEN BIJLAGE 6. HISTORISCHE KAARTEN EN LUCHTFOTO’S BIJLAGE 7. FOTO’S

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

Samenvatting Door Rothuizen is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest op een locatie gelegen aan de Minderbroedersstraat te Hulst. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de betreffende locatie. Het doel van dit onderzoek is inzicht te verkrijgen of het voormalige, dan wel huidige gebruik van de onderhavige locatie en zijn omgeving heeft geleid tot verontreiniging van de bodem (grond en grondwater). Nevendoel van het onderzoek is te bepalen in hoeverre de verdenking van het voorkomen van asbest in de bodem en/of puinhoudende lagen terecht is en zo ja, een uitspraak te doen over het indicatieve gehalte asbest in deze lagen.

Conclusies In de grond zijn ten hoogste (gering) verhoogde gehalten aangetroffen van enkele zware metalen. In het grondwater worden gering verhoogde concentraties arseen en molybdeen aangetroffen. Deze gering verhoogde concentraties zijn van nature aanwezig en worden daarom niet gezien als verontreiniging. In de grond is asbest aangetroffen. Voor het onderzoek naar chemische parameters is uitgegaan van de hypotheses: 

Grond: verdacht voor bodemverontreiniging met diverse stoffen. Deze hypothese dient op basis van de onderzoeksresultaten te worden aangenomen.

Grondwater: onverdacht voor bodemverontreiniging met diverse stoffen. Deze hypothese kan op basis van de onderzoeksresultaten redelijkerwijs gesproken worden aangenomen.

Voor het onderzoek naar asbest is uitgegaan van de hypothese(s): 

Bovengrond: verdacht voor verontreiniging met asbest. Deze hypothese dient op basis van de onderzoeksresultaten vooralsnog te worden aangenomen.

Ondergrond: onverdacht voor verontreiniging met asbest. Deze hypothese kan op basis van de onderzoeksresultaten vooralsnog worden aangenomen.

Aanbevelingen De op de onderzoekslocatie geconstateerde verhoogde gehalten aan chemische parameters in de grond en het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. De op het zuidelijke onverharde deel van de onderzoekslocatie geconstateerde gehalten aan asbest in grond geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek naar asbest.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

1

Op basis van de uit dit milieuhygiënisch onderzoek verkregen gegevens kan in geval van grondverzet c.q. herbestemmen van grond alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit nodig zijn. Dit is afhankelijk van aangetroffen gehaltes, alsook op basis van visueel aangetroffen bodemvreemde materialen. De eventuele mogelijkheden dienen in overleg met het bevoegd gezag te worden bepaald. Op de onderzoekslocatie zijn lagen met meer dan 50 % bodemvreemd materiaal aanwezig. Deze lagen zijn niet geanalyseerd omdat ze niet onder het beleid van de Wet bodembescherming vallen. Bodemvreemde lagen of bijmengingen kunnen stoffen bevatten die, bij vermenging met grond, een bodemverontreiniging kunnen veroorzaken of reeds hebben veroorzaakt. Vermenging met (bijvoorbeeld onder-, boven-, en naastgelegen) grond dient daarom voorkomen te worden. Op de locatie is een betonvloer aanwezig. In het verleden werden bij de productie van beton wel asbesthoudende stoffen gebruikt. Geadviseerd wordt hier rekening mee te houden bij eventuele verwijdering van de betonvloer.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

2

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel Door Rothuizen is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest op een locatie gelegen aan de Minderbroedersstraat te Hulst. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de betreffende locatie. Het doel van dit onderzoek is inzicht te verkrijgen of het voormalige, dan wel huidige gebruik van de onderhavige locatie en zijn omgeving heeft geleid tot verontreiniging van de bodem (grond en grondwater). Nevendoel van het onderzoek is te bepalen in hoeverre de verdenking van het voorkomen van asbest in de bodem en/of puinhoudende lagen terecht is en zo ja, een uitspraak te doen over het indicatieve gehalte asbest in deze lagen.

1.2. Referentiekader Onderzoeksopzet De onderzoeksopzet is afgeleid van de NEN 5740 en de NEN 5707. Het onderzoek bestaat uit: vooronderzoek, veldonderzoek, chemische analyses, interpretatie en toetsing. Toetsingskader verkennend bodemonderzoek naar chemische parameters (NEN 5740) De voor de standaardbodem (lutum 25% en organische stof 10%) gecorrigeerde analyseresultaten van de grond worden conform de Wet bodembescherming getoetst aan de achtergrondwaarden (AW2000) en interventiewaarden. De analyseresultaten van het grondwater worden getoetst aan de streefwaarden en interventiewaarden. De achtergrondwaarden hebben betrekking op achtergrondgehalten van stoffen die van nature voorkomen, of op detectiegrenzen bij stoffen die niet van nature voorkomen. In principe is sprake van een onbeïnvloede bodemkwaliteit. De streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem. De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem) verontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde

gemeten

concentratie

van

minimaal

25

m

3

bodemvolume

in

het

geval

van

3

grondverontreiniging, of 100 m bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. In enkele specifieke situaties kan bij gehalten onder de interventiewaarden ook sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Dit geldt voor de zogenaamde gevoelige functies: -

23180241

moestuin/volkstuin,

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

3

-

plaatsen waar vluchtige verbindingen aanwezig zijn in het grondwater in combinatie met hoge grondwaterstanden en/of in de onverzadigde bodem onder bebouwing.

Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. De achtergrond-, streef- en interventiewaarden worden in het vervolg, samenvattend, toetsingswaarden genoemd. De norm voor barium in grond is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds (interventiewaarde barium voor een standaardbodem). Toetsingskader bodemonderzoek naar asbest (NEN 5707) Het beleid ten aanzien van asbest in de bodem is vermeld in de Beleidsbrief asbest in bodem, grond en puin(granulaat) en de Circulaire Bodemsanering. Bij toetsing van het asbestgehalte in bodem wordt enkel een interventiewaarde gehanteerd. De interventiewaarde bodemsanering voor asbest en de restconcentratienorm voor asbesthoudende bulkmaterialen is vastgesteld op 100 mg/kg gewogen (gewogen betekent de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest).

Deze nu geldende interventiewaarde voor asbest in bodem van 100 mg/kg ds, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen serpentijn- en amfiboolasbest, is gebaseerd op het Verwaarloosbaar Risiconiveau in lucht, zoals voorgesteld door de Gezondheidsraad in 1988 en vervolgens opgenomen als streefwaarde in de beleidsnotitie asbest in het milieu uit 1991. Op materialen met een asbestconcentratie beneden genoemde norm worden het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Asbestverwijderingsbesluit geacht niet van toepassing te zijn (bij een gehalte van 100 mg/kg ds gewogen en lager is, bij historische asbestverontreinigingen d.w.z. verontreinigingssituaties die voor 1 juli 1993 zijn ontstaan, formeel geen sprake van een asbestverontreiniging). Tijdens verkennend onderzoek is in principe geen directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien het indicatief vastgestelde asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

4

1.3. Betrouwbaarheid Het hier gerapporteerde bodemonderzoek is uitgevoerd op zorgvuldige wijze, in overeenstemming met de geldende richtlijnen en de gebruikelijke inzichten en methoden. SMA Zeeland B.V. beschikt over een kwaliteitsmanagementsysteem (NEN-EN-ISO 9001: 2015) en veiligheidsmanagementsysteem (VGM Checklist Aannemers) waarbinnen de kwaliteit van de werkzaamheden dusdanig wordt beheerst en gewaarborgd dat haar diensten zo goed mogelijk aan de eisen en doelstellingen van de opdrachtgever voldoen. Het veldwerk is uitgevoerd door SMA Zeeland B.V. en Eurofins Lab Zeeuws Vlaanderen B.V., certificaatnummer L 201. Het milieukundige veldwerk ten behoeve van het grond- en grondwateronderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen van de BRL SIKB 2000 en conform de hierbij van toepassing zijnde protocollen. De uitvoerende partij beschikt hiertoe over het procescertificaat “Veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek” op basis van de Beoordelingsrichtlijn SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002, 2003, 2018. Dit procescertificaat is uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundige veldwerk, beginnend bij de acceptatie van het veldwerk, en eindigend bij de overdracht van de veldwerkgegevens en monsters. Eventueel onderzoek aan asfaltverharding, halfverhardingen en funderingsmaterialen valt niet onder de scope van de BRL SIKB 2000.

In het kader van de waarborging van de onafhankelijkheid verklaart SMA Zeeland B.V. dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de in dit kader gestelde eisen van de BRL SIKB 2000 en de daarbij behorende protocollen. De chemische- en asbestanalyses van dit onderzoek zijn uitgevoerd door een daartoe door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd laboratorium. Een bodemonderzoek is erop gericht met beperkte middelen vast te stellen of er bodemverontreiniging aanwezig is. Dit impliceert dat de conclusies van het bodemonderzoek slechts een beperkte reikwijdte hebben. Door beperkt aantal boringen, proefgaten, proefsleuven en analyses, betekent dit concreet dat een mogelijk aanwezige verontreiniging over het hoofd gezien kan worden. Het bodemonderzoek garandeert derhalve nooit dat de onderzochte locatie geheel schoon is of anderszins, dat met het bodemonderzoek alle eventueel aanwezige verontreinigingen worden gedetecteerd. Verder geldt dat de resultaten van het onderhavige onderzoek een momentopname vormen van de bodemkwaliteit. Na de uitvoering en rapportage van dit onderzoek zouden activiteiten kunnen plaatsvinden die de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater op de onderzoekslocatie kunnen beïnvloeden. Voorbeelden hiervan zijn het bouwrijp maken van de locatie of het aanvoeren van grond van elders.

Een andere factor kan bijvoorbeeld zijn het transport van verontreinigende stoffen via het grondwater van buiten

de

onderzoekslocatie.

Gezien

deze

overwegingen,

dienen

de

hier

gerapporteerde

onderzoeksresultaten met meer voorzichtigheid gebruikt en geïnterpreteerd te worden naarmate de tijd toeneemt die verlopen is na de uitvoering van het onderzoek.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

5

Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan geen uitspraak worden gedaan over de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van asbest en/of het gehalte aan asbest in lagen waarop geen specifiek veld- en analytisch onderzoek is verricht. Dit betreft met name als “onverdacht voor verontreiniging met asbest” aangemerkte lagen. Hiervoor kan (aanvullend) onderzoek plaatsvinden conform de NEN 5707 (Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond) en/of de NEN 5897 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan in principe geen uitspraak gedaan worden over de toepassingsmogelijkheden van eventueel van de locatie af te voeren grond. Hiervoor dient onderzoek plaats te vinden conform het Besluit bodemkwaliteit. SMA Zeeland B.V. kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade of anderszins voor eventuele gevolgen die voortkomen uit het gebruik en de interpretatie van de in dit rapport gepresenteerde onderzoeksgegevens. Dit rapport mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd, tenzij met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van SMA Zeeland B.V.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

6

2. Vooronderzoek In dit hoofdstuk wordt het voormalige, het huidige en het toekomstige bodemgebruik besproken. Dit zal leiden tot een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie van de onderzoekslocatie. In NEN 5725:2017 zijn zeven mogelijke aanleidingen voor vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. In onderhavig onderzoek is of zijn de volgende generieke aanleiding(en) van toepassing: A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek.

2.1. Algemene bodem- en locatiegegevens De algemene locatiegegevens en algemene gegevens met betrekking tot de bodem worden als volgt samengevat: Tabel 2.1. Overzicht algemene aspecten van de onderzoekslocatie Algemene onderzoeksaspecten

Bron(houder)

Locatiegegevens en ligging Adres en plaats

Minderbroedersstraat te Hulst

Kadaster

Burgerlijke gemeente

Hulst

Kadaster

Kadastrale gemeente

Hulst

Kadaster

Sectie(s)

A

Kadaster

Nummer(s)

2600, 2762, 3260 en 3337 (ged.)

Kadaster

Oppervlakte (m )

2500

SMA Zeeland B.V.

Gemiddelde hoogte (m1 t.o.v. NAP)

3,7

AHN

Ligging op kaart

zie bijlagen 1 en 2

Kadaster, SMA Zeeland B.V.

Ter plaatse van de voormalige

Opdrachtgever

bebouwing ligt een deels betegelde

SMA Zeeland B.V.

2

Kadaster

Bodemopbouw Verhardingen

betonvloer/-fundering. Antropogene lagen

Nee, niet bekend

Opdrachtgever

Dempingen

Nee, niet bekend

Provincie Zeeland (Geoloket of Bodem Informatie Systeem, BIS) Kadaster

Grondwaterbeheersplan

N.v.t.

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Geohydrologie

zie § 2.4

DINOloket

Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit Zonering bodemkwaliteitskaart

C Hulst Binnenstad

(BKK)

Nota bodembeheer gemeente Hulst

BKK klasse bovengrond

Industrie

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Nota bodembeheer

Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

7

Algemene onderzoeksaspecten

Bron(houder)

BKK klasse ondergrond

Industrie

Nota bodembeheer

BKK functieklasse

Wonen

Nota bodembeheer

Boomgaardenkaart (periode)

N.v.t.

’t Zeeuws bodemvenster (Provincie Zeeland)

Aandachtsgebied lood

Ja

’t Zeeuws bodemvenster

Aandachtsgebied arseen in

Ja, mogelijk verhoogde kans

Provincie Zeeland (Geoloket)

Asbestkansenkaart

Niet gezoneerd

Provincie Zeeland (BIS)

Voormalig stortplaats bekend

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Opslagtanks bekend

Nee

Gemeente (BIS)

Geval van ernstige

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Ja, zie hierna

Gemeente (BIS)

grondwater

bodemverontreiniging bekend Bodemdocumenten bekend

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS) Gebruik en beïnvloeding van de locatie Voormalig gebruik

Locatie maakte in 16e eeuw deel uit van

SMA Zeeland B.V.

het kloosterterrein. Circa 1970 werd de laatste oude bebouwing gesloopt. Er resteert enkel nog een stukje voormalige kloostermuur en een aantal fundamenten in de bodem. Begin 2000 was op deze locatie het postkantoor gevestigd. Dat is 2010/2011 gesloopt. Huidig gebruik

Braakliggend

Opdrachtgever

Toekomstig gebruik

Woningen

Opdrachtgever

Aard bebouwing

Geen

BAG (gemeente)

Periode bebouwing

Tot 2010

SMA Zeeland

Bedrijventerrein

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Calamiteiten bekend

Nee

Gemeente (BIS)

SMA Zeeland B.V.

RUD Zeeland (BIS) Bodembedreigende activiteiten

Nee

bekend (anders dan bovenstaand) Relevante vergunningen

RUD Zeeland (BIS) Nee

beschikbaar

Gemeente (BIS) RUD Zeeland

Toepassing asbestverdachte

Nee

materialen

23180241

Gemeente (BIS)

Gemeente (BIS) RUD Zeeland (BIS)

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

8

Algemene onderzoeksaspecten

Bron(houder)

Terreinverkenning Bijzonderheden

De onderzoekslocatie is braakliggend.

SMA Zeeland B.V.

Op de noordelijke helft is een deels betegelde betonvloer aanwezig. Op sommige plaatsen ligt een stalen plaat over de vloer, vermoedelijk de toegang tot de kelderruimte onder de vloer. De diepte van deze ruimte is niet bekend. Ten zuiden van de betonverharding is een klinkerverharding aanwezig. De zuidelijke ‘punt’, welke gezien de hogere ligging deel is van de vesting is begroeid met gras en bomen.

2.2. Historische kaarten, luchtfoto’s en overig beeldmateriaal Uit historische kaarten (bronhouder: Kadaster) en luchtfoto’s (bronhouder: Provincie Zeeland (Geoloket)) e

kan worden opgemaakt dat de locatie gelegen is binnen de vesting Hulst. De locatie is vanaf de 16 eeuw tot 2011 (deels) bebouwd geweest (klooster, bierbrouwerij, postkantoor). Zie verder Bijlage 6. Bij afwezigheid van fotomateriaal uit de jaren 80-90 wordt voor de hypothesevorming teruggevallen op de beschikbare gegevens met betrekking tot de algemene bodemkwaliteit, namelijk beeldmateriaal van eerdere en latere jaren, de bodemkwaliteitskaart en (eventuele) (voormalige) bodembedreigende activiteiten.

2.3. Relevante bodemdocumenten en vergunningen Voor de huidige onderzoekslocatie zijn de onderstaande bodemrapporten beschikbaar. Verkennend bodemonderzoek Dubbele Poort 5 Hulst, Adviesbureau voor milieutechniek, grond, water en lucht Colsen B.V., kenmerk: CSN 10-0140 d.d. 21 september 2010 Deze locatie bevindt zich circa 25 meter ten noordoosten van de huidige onderzoekslocatie. Resultaten: -

Koper, lood en kwik overschreden in zowel boven- als ondergrond de achtergrondwaarden.

-

Grondwateronderzoek was niet uitgevoerd.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

9

Conclusie en Advies -

De achtergrondwaarde-overschrijdingen van de zware metalen waren te herleiden aan de regionale diffuse achtergrondbelasting en vormden geen belemmering voor eventuele bebouwing en/of andere activiteiten.

Indicatief bodemonderzoek Minderbroedersstraat-Overdamstraat Hulst, Adviesbureau voor milieutechniek, grond, water en lucht Colsen B.V, kenmerk: CSN09-0228/5 d.d. 5 januari 2010 De locatie ligt circa 25 meter ten oosten van de huidige onderzoekslocatie. Er werden twee ondergrondse tanks à 3000 liter aangetroffen. Resultaten: -

In de bovengrond bij de ondergrondse tanks werd een tussenwaarde overschrijding van lood en een achtergrondwaarde-overschrijding van barium, koper en kwik aangetroffen. In de ondergrond overschreden kwik en lood de achtergrondwaarde;

-

In het grondwater werden streefwaarde-overschrijdingen aangetroffen van arseen, chroom, molybdeen en dichlooretheen;

Conclusie en Advies -

Ter plaatse van de opslagtanks werden geen verontreinigingen aangetroffen met minerale olie.

-

Aanbevolen werd om de tanks onder KIWA-certificaat te laten reinigen en afvoeren.

Verder werden met betrekking tot de huidige onderzoekslocatie en zijn directe omgeving geen relevante bodemdocumenten aangetroffen. Er zijn geen bouw-of sloopvergunningen met betrekking tot de huidige onderzoekslocatie door de gemeente beschikbaar gesteld.

2.4. Regionale bodemopbouw en geohydrologie Op basis van in de nabijheid van de onderzoekslocatie gelegen boringen en daarvan afgeleid kaartmateriaal, afkomstig van onder andere TNO en de voormalige RGD (bronhouder: DINOloket), is het in onderstaande tabel vereenvoudigde bodemmodel geformuleerd door SMA Zeeland B.V. De werkelijke bodemopbouw en grondwaterstand ter plaatse van de onderzoekslocatie kan hiervan afwijken. Tabel 2.2 Geohydrologisch overzicht ter plaatse van de onderzoekslocatie Typering

Diepte (m-mv)

Lithologie

Formatie(s)

Deklaag

Deklaag afwezig

Deklaag afwezig

Deklaag afwezig

Watervoerend pakket

0-15

Zand

Boxtel, Oosterhout, Breda

Hydrologische basis

15-

Klei [Vroeg-Oligoceen]

Rupel

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

10

2.5. Interpretatie verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit In NEN 5725:2017 zijn per generieke aanleiding zoals benoemd in het begin van dit hoofdstuk, diverse te beantwoorden onderzoeksvragen geformuleerd. Na het verkrijgen van de gegevens beschreven in voorgaande paragrafen dienen in onderhavig onderzoek nog de volgende vragen te worden beantwoord om een onderzoekshypothese te vormen:

A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? 

De horizontale begrenzingen van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in Bijlage 2. Het grondonderzoek beperkt zich tot een maximale diepte van 2,0 m-mv. Het grondwateronderzoek beperkt zich tot een diepte van 1,5 m- de grondwaterstand die tijdens het veldwerk zal worden aangetroffen.

Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? 

Aangezien in eerdere onderzoeken in de directe omgeving licht verhoogde gehalten aan zware metalen zijn aangetroffen, worden op de huidige locatie eveneens zware metalen in licht verhoogde gehalten verwacht.

Tevens ligt de onderzoekslocatie binnen een aandachtsgebied voor lood. Vermoedelijk is sprake van diffuse, antropogene bodembelasting met heterogene verdeling op schaal van monstername als gevolg van het jarenlange gebruik van de locatie. Concrete puntbronnen zijn niet aan te wijzen. De risicostoffen betreffen de parameters uit het standaardpakket voor landbodem.

Is de bodem asbestverdacht? 

Vanwege de ligging in een oude stadskern dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van puinbijmengingen van onduidelijke herkomst. Deze maken de bodem op deze locatie verdacht voor verontreiniging met asbest.

Wat is de bodemopbouw en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? 

Uit eerdere bodemonderzoeken in de omgeving blijkt dat de bodem tot circa 2,0 m-mv bestaat uit kleiig zand met schelpresten, waarin bijmengingen van kooldeeltjes en puin.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

11

Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving op de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? 

Als gevolg van natuurlijke bodemprocessen kunnen barium, molybdeen en arseen in van nature verhoogde concentraties worden aangetroffen in het freatische grondwater. In de grond zijn dan niet altijd verhoogde gehalten aantoonbaar.

Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord. 

Veld- en analytisch onderzoek is noodzakelijk. De beschikbare gegevens geven te weinig concrete informatie over de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (bovengrond, ondergrond en grondwater) op de locatie.

Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigende stoffen)? 

Zie § 2.6.

2.6. Hypothese en onderzoeksstrategie Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende (gestandaardiseerde) onderzoekshypotheses geformuleerd waarbij in voorkomende gevallen onderscheid is gemaakt tussen separaat te onderzoeken deellocaties. Er wordt tevens onderscheid gemaakt tussen de verwachte bodemverontreinigingssituatie met betrekking tot chemische parameters en de verwachte verontreinigingssituatie met betrekking tot asbest. Tabel 2.3. Hypothese en bijbehorende strategie voor vervolgonderzoek naar chemische parameters Bodemcompartiment /

Hypothese (NEN 5725)

Analyseparameters

traject Grond

Strategie (NEN 5740)

verdachte locatie, diffuse

standaard parameters voor

bodembelasting en heterogene verdeling

landbodem (pakket A)

VED-HE-NL

op schaal van monsterneming Grondwater

onverdachte, kleinschalige locatie, met

standaard parameters voor

kans op van nature voorkomend arseen

grondwater (pakket B), inclusief

ONV-NL

arseen

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

12

Tabel 2.4. Hypothese en bijbehorende strategie voor vervolgonderzoek naar asbest Bodemcompartiment /

Hypothese (NEN 5725)

traject Bovengrond

Strategie* (NEN 5707 cq. 5897)

verdachte bovengrond, diffuse bodembelasting en heterogene

VED-HE

verdeling op schaal van monsterneming Ondergrond

onverdachte, kleinschalige locatie

ONV

*Op basis van NEN 5707 is er in geval van een voor bodemverontreiniging met asbest onverdachte locatie geen verplichting tot vervolgonderzoek in de vorm van veld- en analytisch onderzoek, tenzij op basis van voortschrijdend inzicht de hypothese van een asbest-onverdachte locatie dient te worden gewijzigd. Ook een vervolgonderzoek naar asbest in niet-vormgegeven bouwstoffen volgens NEN 5897 in de vorm van veld- en analytisch onderzoek is niet van toepassing in geval van (op basis van NEN 5725) asbestonverdachte, niet-vormgegeven bouwstoffen.

Een beschrijving van de veldwerkzaamheden en de resultaten daarvan, volgt in hoofdstuk 3.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

13

3. Veldwerk In dit hoofdstuk worden de uitvoering en de resultaten van het veldwerk besproken.

3.1. Verkennend bodemonderzoek naar chemische parameters Het veldwerk is op 9 januari 2019 uitgevoerd door de erkende veldwerker de heer M. Kwast met assistentie van de veldwerker in opleiding de heer N. Gabriëlse conform de in paragraaf 2.6 vermelde onderzoeksstrategie. Er zijn in totaal 16 boringen geplaatst, zoals hieronder weergegeven: Boringen 01 t/m 16 

10 boringen tot ca. 0,5 m-mv én;

2 boringen tot ca. 2,0 m-mv én;

1 boring tot in het freatische grondwater afgewerkt met peilbuis.

2 boringen (09 en 10) zijn op 0,25 m-mv gestaakt in verband met de daaronder gelegen lege ruimte.

1 boring (02) is op 0,4 m-mv gestaakt op een harde laag.

De boorlocaties zijn weergegeven in de situatietekening in Bijlage 2. De boringen zijn gelijkmatig over de locatie verdeeld geplaatst. Van het opgeboorde bodemmateriaal is per halve meter en/of per (zintuiglijk afwijkende) bodemlaag een monster genomen. Voor gedetailleerde informatie met betrekking tot de bodemopbouw en de eventuele aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen wordt verwezen naar de veldwerkgegevens in bijlage 3. De algemene bevindingen zijn: Uit veldwaarnemingen blijkt dat de bodem tot gemiddeld 0,6 m-mv bestaat uit matig siltig, matig fijn zand, plaatselijk doorsneden met matig siltig kleiig zand in het traject 1,3-2,3 m-mv. In de bovengrond worden bijmengingen aangetroffen van baksteen, dakpan, beton, kolengruis en aardewerk. Plaatselijk (boring 01) worden bijmengingen van baksteen en kolengruis in het traject 1,30 - 2,30 m-mv aangetroffen. Tot een diepte van 200 cm-mv worden baksteenbijmengingen aangetroffen. Het grondwater is bemonsterd op 17 januari 2019 door de hiertoe erkende veldwerker de heer T.U. Heijens (Eurofins). De grondwaterstand is tijdens het veldwerk bepaald op 4,5 m-mv. In peilbuis 01 is een grondwaterstijghoogte gemeten van 4,4 m-mv. Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn geen afwijkingen geconstateerd.

De bepalingen van de grondwaterstijghoogte, zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid van het grondwater (zie Bijlage 4) geven geen aanleiding de analysestrategie te wijzigen.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

14

3.2. Verkennend onderzoek naar asbest Het veldwerk is uitgevoerd op 9 januari 2018 door de hiertoe erkende veldmedewerker de heer M. Kwast met assistentie van de veldwerker in opleiding de heer N. Gabriëlse conform de in paragraaf 2.6 vermelde onderzoeksstrategie. De volgende werkzaamheden hebben plaatsgevonden: Visuele inspectie van het maaiveld Hierbij is het maaiveld van het gehele onderzoeksterrein, zowel in de lengte als daarna nogmaals in de breedte, per strook van 1,5 m breedte afgelopen en visueel onderzocht op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn niet aangetroffen. Vanwege verharding of begroeiing was een volledige en efficiënte inspectie van het maaiveld volgens SIKB protocol 2018 niet mogelijk. Visuele inspectie ontgraven en opgeboorde materiaal Ruimtelijk verdeeld over het onderzoeksterrein zijn buiten de betonfundering in totaal 13 gaten gegraven van 0,3 x 0,3 m zoals hieronder weergegeven. De locaties van de proefgaten zijn zoveel mogelijk gecombineerd met de locaties van bovengenoemde boringen van het bodemonderzoek naar chemische parameters: Gehele locatie Proefgaten PG02 t/m PG08 en PG11 t/m PG16 

11 proefgaten tot 0,5 m-mv én;

2 proefgaten tot 0,5 m-mv doorgezet met boring ø12 cm tot ca. 2,0 m-mv.

Het uitgegraven materiaal uit de proefgaten is gezeefd (maaswijdte 20 mm) en visueel geïnspecteerd op het voorkomen van grove asbestverdachte materialen (stukken groter dan 20 mm). In de uitgegraven grond van in totaal 2 proefgaten (PG03 en PG04) werd asbestverdacht materiaal aangetroffen. De lagen uit de boringen ø12 cm (PG04 en PG13) zijn eveneens gezeefd en visueel onderzocht op asbestverdachte materialen. In het opgeboorde materiaal werd geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Samenstelling analysemonsters Wanneer grove asbestverdachte materialen zijn waargenomen, is per laag en per proefgat een verzamelmonster ter analyse op asbest aangeboden aan het laboratorium. Na het verwijderen van de grove delen bodemvreemde bijmengingen (delen groter dan 20 mm) zijn in het veld, van de overblijvende fijne fracties van de in het volgende hoofdstuk beschreven proefgaten, representatieve analysemonsters samengesteld en ter analyse op asbest aangeboden aan het laboratorium. De veldwerkgegevens zijn opgenomen in bijlage 3.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

15

4. Analytisch onderzoek In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de keuze van de geanalyseerde monsters en de parameters waarop deze zijn geanalyseerd. Vervolgens worden de analyseresultaten gepresenteerd evenals de eventuele overschrijdingen van de toetsingswaarden. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in Bijlage 5.

4.1. Verkennend bodemonderzoek naar chemische parameters Analysestrategie Hieronder is tabelgewijs weergegeven welke monsters ter analyse zijn ingezet. Ook is weergegeven op welke parameters geanalyseerd is. Tabel 4.1 Inzet grond(meng)monsters ter analyse (Meng)

Boring + traject

Grond

monsters

(m-mv)

soort

MM01

02 (0,00 - 0,40)

Zand

MM02

Reden analyse

(parameters) matig baksteenhoudend, zwak

03, 04 (0,00 - 0,50)

betonhoudend, sporen kolengruis,

06 (0,25 - 0,60)

kwaliteitsbepaling bovengrond

07, 08 (0,10 - 0,60)

Zand

16 (0,00 - 0,50)

Analyse

zwak baksteenhoudend, sporen

pakket A

pakket A

stenen, sporen baksteen, zwak betonhoudend, kwaliteitsbepaling bovengrond

MM03

11, 12, 13, 15 (0,00 - 0,50)

Zand

matig baksteenhoudend, zwak

pakket A

betonhoudend, sporen aardewerk, kwaliteitsbepaling bovengrond MM04

01 (1,50 - 2,00) 04, 13 (0,50 - 1,00)

Zand

sporen baksteen, zwak

pakket A

kolengruishoudend, zwak baksteenhoudend, kwaliteitsbepaling ondergrond

Opmerkingen: pakket A:

standaardpakket onderzoek landbodem: barium, cadmium, kobalt, koper, lood, nikkel, zink, kwik, molybdeen, PCB’s, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), percentages lutum en organische stof.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

16

Tabel 4.2 Inzet grondwatermonsters ter analyse (Meng)

Peilbuis

Filterdiepte (m -mv)

Reden analyse

Analyse

01

5,00 - 6,00

licht geelgrijs, kwaliteitsbepaling

monsters 01-1-1

(parameters) pakket B incl. As en Cr

grondwater Opmerkingen: pakket B:

standaardpakket grondwater: barium, cadmium, kobalt, koper, lood, nikkel, zink, kwik, molybdeen, vluchtige aromaten en naftaleen, vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen, minerale olie.

As:

arseen

Cr:

chroom

Analyseresultaten De resultaten van de toetsing van de analyseresultaten aan het toetsingskader uit de Wet bodembescherming zijn weergegeven in de onderstaande tabel(len). Hierin wordt per stof of stofgroep een index weergegeven. Deze index geeft het volgende aan: 

index ≤ 0,00: gehalte onder de generieke achtergrond-/streefwaarde;

index > 0,00 en ≤ 1,00: gehalte groter dan de generieke achtergrond-/streefwaarde, maar kleiner dan de interventiewaarde;

index > 1,00: gehalte groter de interventiewaarde.

De toetsingstabellen, waarin de getoetste analyseresultaten zijn opgenomen, zijn vermeld in Bijlage 4. Tabel 4.3 Toetsing analyseresultaten grond(meng)monsters aan Wet bodembescherming (Meng)

Boring + traject

> Achtergrondwaarde

> Interventiewaarde

monsters

(m-mv)

(0 < index <= 1,0)

(index > 1,0)

MM01

02 (0,00 - 0,40)

Koper (0,06)

-

03, 04 (0,00 - 0,50)

Zink (0,03)

06 (0,25 - 0,60)

Kwik (0,02) Lood (0,22)

MM02

07, 08 (0,10 - 0,60)

-

-

Kwik (-)

-

16 (0,00 - 0,50) MM03

11, 12, 13, 15 (0,00 - 0,50)

Lood (0,15) MM04

01 (1,50 - 2,00)

Molybdeen (-)

04, 13 (0,50 - 1,00)

Kwik (-)

-

Tabel 4.4 Toetsing analyseresultaten grondwatermonsters aan Wet bodembescherming Monster

Peilbuis

01-1-1

01

Filterdiepte

> Streefwaarde

> Interventiewaarde

(m -mv)

(0 < index <= 1,0)

(index > 1,0)

5,00 - 6,00

Arseen (0,02)

-

Molybdeen (0,03)

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

17

Interpretatie resultaten In de bovengrond van het onverharde deel aan de noord- en zuidzijde (MM01 en MM03) zijn (geringe) achtergrondwaarde-overschrijdingen van lood, koper zink en kwik aangetroffen. Deze verhoogde gehalten zijn te relateren aan de aangetroffen bijmengingen en het jarenlange gebruik van de locatie. In de bovengrond langs de zuidoost- en zuidwestzijde van de betonfundering (MM02) zijn geen verhoogde gehalten van de geanalyseerde parameters aangetroffen. In de ondergrond (MM04) worden zeer geringe achtergrondwaarde-overschrijdingen van kwik en molybdeen aangetroffen. Dit is te relateren aan de aangetroffen bijmengingen. In het grondwater (01-1-1) worden geringe streefwaarde-overschrijdingen van molybdeen en arseen aangetroffen. Als gevolg van natuurlijke bodemprocessen worden arseen en molybdeen in Zeeland regelmatig in van nature verhoogde concentraties aangetroffen in het freatische grondwater. In de grond zijn dan niet altijd verhoogde gehalten aantoonbaar.

4.2. Verkennend onderzoek naar asbest Analysestrategie Analysemonsters zijn door het laboratorium Eurofins Omegam B.V. geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Tabel 4.5 Inzet monster(s) ter analyse Analysemonster

Samengesteld uit gat

Traject (m-mv)

Type materiaal

PG 11-16

PG11 t/m PG16

0-50

grond

PG 2,5,6,7,8

PG02 en PG05 t/m PG08

0-50

grond

PG3,4- PG3 avm

PG03

0-50

asbestverdacht materiaal (avm)

PG3,4-PG4 avm

PG04

0-50

avm

PG3,4 grond

PG03 en PG04

0-50

grond

Analyseresultaten Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. In onderstaande tabel is het hoogste gewogen gehalte asbest per proefgat en per onderzochte laag weergegeven. De bijbehorende berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 4C.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

18

Tabel 4.6 Indicatieve, gewogen asbestgehalten Proefgat

Type materiaal

Gewogen asbestgehalte (mg/kg.ds)

PG02 en PG05 t/m PG08

grond met bodemvreemde bijmengingen

0

PG03

grond met bodemvreemde bijmengingen

17,1

PG04

grond met bodemvreemde bijmengingen

36,0

PG11t/m PG16

grond met bodemvreemde bijmengingen

0

som fracties < 20 mm en > 20 mm

Interpretatie In de grond op het zuidelijke onverharde deel (PG03 en PG04) is asbest aanwezig. Deze gehalten worden veroorzaakt door stukjes grof (>2 cm) asbesthoudend materiaal. De gewogen gehalten liggen beneden de halve grenswaarde van 50 mg/kg.ds, waardoor aanvullend asbestonderzoek in grond niet noodzakelijk wordt geacht.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

19

5. Conclusies en Aanbevelingen In dit hoofdstuk wordt de verontreinigingssituatie beschreven op basis van de onderzoeksresultaten. Vervolgens wordt deze getoetst aan de hypothese. Tenslotte wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven.

5.1. Conclusies In de grond zijn ten hoogste (gering) verhoogde gehalten aangetroffen van enkele zware metalen. In het grondwater worden gering verhoogde concentraties arseen en molybdeen aangetroffen. Deze gering verhoogde concentraties zijn van nature aanwezig en worden daarom niet gezien als verontreiniging. In de grond is asbest aangetroffen. Voor het onderzoek naar chemische parameters is uitgegaan van de hypotheses: 

Grond: verdacht voor bodemverontreiniging met diverse stoffen. Deze hypothese dient op basis van de onderzoeksresultaten te worden aangenomen.

Grondwater: onverdacht voor bodemverontreiniging met diverse stoffen. Deze hypothese kan op basis van de onderzoeksresultaten redelijkerwijs gesproken worden aangenomen.

Voor het onderzoek naar asbest is uitgegaan van de hypothese(s): 

Bovengrond: verdacht voor verontreiniging met asbest. Deze hypothese dient op basis van de onderzoeksresultaten vooralsnog te worden aangenomen.

Ondergrond: onverdacht voor verontreiniging met asbest. Deze hypothese kan op basis van de onderzoeksresultaten vooralsnog worden aangenomen.

5.2. Aanbevelingen De op de onderzoekslocatie geconstateerde verhoogde gehalten aan chemische parameters in de grond en het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. De op het zuidelijke onverharde deel van de onderzoekslocatie geconstateerde gehalten aan asbest in grond geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek naar asbest. Op basis van de uit dit milieuhygiënisch onderzoek verkregen gegevens kan in geval van grondverzet c.q. herbestemmen van grond alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit nodig zijn. Dit is afhankelijk van aangetroffen gehaltes, alsook op basis van visueel aangetroffen bodemvreemde materialen. De eventuele mogelijkheden dienen in overleg met het bevoegd gezag te worden bepaald. Op de onderzoekslocatie zijn lagen met meer dan 50 % bodemvreemd materiaal aanwezig. Deze lagen zijn niet geanalyseerd omdat ze niet onder het beleid van de Wet bodembescherming vallen.

23180241

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Minderbroedersstraat te Hulst

20

Bodemvreemde lagen of bijmengingen kunnen stoffen bevatten die, bij vermenging met grond, een bodemverontreiniging kunnen veroorzaken of reeds hebben veroorzaakt. Vermenging met (bijvoorbeeld onder-, boven-, en naastgelegen) grond dient daarom voorkomen te worden. Op de locatie is een betonvloer aanwezig. In het verleden werden bij de productie van beton wel asbesthoudende stoffen gebruikt. Geadviseerd wordt hier rekening mee te houden bij eventuele verwijdering van de betonvloer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12842311/1