CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

RabobankBijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte 9 april 2024, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot het afgeven van een definitieve verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van 45 appartementen aan de Stationsweg 12a t/m 12u, Traverse 20 t/m 72 en van Dalsumplein 2 te Hulst.31.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

40 Stockman 2004: 247. 41 Brand 1972: 29; Wilderom 1973: 380-381.

26

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 12 Globale ligging van plangebied (rode cirkel) op een uitsnede uit de stadsplattegrond van Hulst door Jacob van Deventer uit omstreeks 1560. Bron: Koeman & Visser 1992.

Aan het eind van de 16de eeuw verzandde de havengeul van Hulst en kwam een einde aan de economische bloeiperiode van de stad. Toch bleef Hulst een belangrijke politieke en militaire rol spelen. Tijdens de Staats-Spaanse oorlog vanaf de tweede helft van de 16de eeuw werden de vestingwerken gemoderniseerd. De Spaanse troepen, die Hulst in deze vroege fase controleerden, lieten de bestaande circulaire verdedigingsgordel moderniseren met bastions voor de poorten. Tussen 1578 en 1583 werd Hulst weer door de Gentenaren bezet, totdat ze zich overgaven aan de Hertog van Parma. In 1591 werd de stad veroverd door Prins Maurits. Hij liet onder andere ravelijnen aanleggen in de grachten tussen de bastions. Hij begon ook met de aanleg van forten rondom de stad. Fort Nassau moest de havengeul verdedigen en de linie naar het oosten met de forten Moerschans en Zandberg moest aanvallen vanuit het oosten opvangen. Dit betekende ook dat het gebied ten oosten en ten zuiden van Hulst systematisch geïnundeerd werd, waardoor geregeld gebied onder water kwam te staan. Ondanks de nieuwe verdedigingsgordel rondom de stad kwam Hulst in 1596 alweer in Spaanse handen, tot aan de herovering door Frederik Hendrik in 1645. 42 Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werden verschillende pogingen ondernomen om een bruikbare vaarweg tot stand te brengen tussen Gent en Hulst.

In 1630 werd ten oosten van het plangebied de Gentse Vaart in gebruik genomen, maar door verzanding bleek het lastig om de verbinding bevaarbaar te houden. 43 Op een kaart van Hulst ten tijde van de herovering door Frederik Hendrik (figuur 13) zijn de vesting van Hulst, de Gentse Vaart en de verdedigingswerken in het omringende landschap duidelijk weergegeven. Op de kaart staat vermeld dat Frederik Hendrik (‘den Prince van Orangie’) de stad vanuit het zuiden heeft benaderd. Net buiten de vesting, voor de Gentse Poort, staat in verband hiermee een aantal opgeworpen structuren aangegeven. Het plangebied is niet exact

42 Brand 1972: 158-159; Wilderom 1973: 381. 43 Lockefeer 2018: 43-59.

27

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

op deze kaart te projecteren, maar moet waarschijnlijk ter hoogte van deze tijdelijke structuren en/of ter hoogte van een deel van de buitenste vestingwerken gesitueerd worden.

Figuur 13 Ligging van het plangebied (bij benadering; in rode cirkel) op Kaart van Hulst en omgeving tijdens het beleg en de verovering van Hulst door prins Frederik Hendrik (1645), vervaardigd door J. van Duynen. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel III, nr 160.

Een prent (figuur 14) geeft een beeld van de omgeving van het plangebied kort na de Tachtigjarige Oorlog. Hulst wordt vanuit zuidelijke richting afgebeeld. Achter de mensen en het vee op de voorgrond is de Gentse Vaart te zien. Het plangebied bevindt zich bij benadering links in de afbeelding, ter hoogte van de rode ovaal.

28

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 14 Gezicht op de stad Hulst, met in de rode ovaal de globale ligging van het plangebied. De prent dateert uit 1650 – 1662. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel II, nr 2256.

Als gevolg van de inundaties tijdens de Tachtigjarige Oorlog was ten westen van Hulst een groot krekenstelsel ontstaan. 44 Op de kaart van Zeeland van Visscher en Ottens uit de tweede helft van de 17de eeuw (figuur 15) is het ontstane krekensysteem te zien. Vanuit het Hellegat (‘Helle Gadt’) takt de ‘Nassou Kreecke’ af richting Hulst. Deze buigt ten westen af in zuidelijke richting. Ten westen van Hulst staat de Absdalepolder (‘Polder van Absdael’) aangegeven. Dit was een gebied dat naar verluidt ‘uit de moeren van Hulst’ bedijkt was. Het viel geregeld ten prooi aan inundaties en werd dan later weer drooggelegd. Vanwege de relatief hoge ligging zal een groot deel van het gebied tijdens inundaties in de praktijk alleen drassig zijn geweest. In 1789 zou de Absdalepolder voorgoed worden herdijkt. 45 Ook het plangebied maakt van deze polder deel uit. Op de kaart is het plangebied ter hoogte van de buitenste vestingwerken te situeren, bij een uitbouw en uitsparing ten zuiden van de Gentse Poort en ten westen van het noordelijke uiteinde van de Gentse Vaart. Bebouwing staat in en rond het plangebied niet weergegeven, maar dat hoeft niet veel te zeggen omdat de weergave van bebouwing in het buitengebied op deze kaart minder gedetailleerd is.

44 Wilderom 1973: 498. 45 Wilderom 1973: 154.

29

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 15 Ligging van het plangebied (rode cirkel; bij benadering) op kaart Zelandiae Comitatus Novissima Tabula van Visscher en Ottens uit de tweede helft van de 17de eeuw. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 96.

Dankzij het ontstane krekenstelsel aan de westzijde bleef Hulst via de kreek het Hellegat en de Nassaukreek toegankelijk voor de scheepvaart. Hierdoor verschoven havenactiviteiten zich naar het zuidwesten van de stad. Door een stormvloed in 1685 schuurde een deel van de zuidelijke buitengracht van Hulst uit tot een kreek. 46 Begin 18de eeuw werd hieraan bij de Gentse Poort een haven aangelegd. 47 Intussen bleef de stad ook in de 18de eeuw niet gespaard van oorlogsgeweld, zoals de Spaanse Successieoorlog (1701 – 1713) en de Oostenrijkse Successieoorlog (1740 – 1748). Begin 18de eeuw werd Hulst versterkt met enkele buitenwerken. 48 Bij de haven werd het Havenfort aangelegd. Aan de westzijde was ruimte voor de opstelling van geschut. Het fort was verder voorzien van een spuikom om de haven op diepte te houden en een stenen reduit. Tussen het Havenfort en de enveloppe van de vesting werd een houten sluis met eb- en vloeddeuren aangelegd om de Clingepolder vanuit de Nassaukreek te kunnen inunderen. In 1745 werd deze vervangen door een stenen sluis. Enkele honderden meters ten zuiden van het Havenfort lag bij de Steensedijk een vooruitgeschoven dekkingswal oftewel een ‘geavanceerde traverse op den dyk’, met de naam Houten of Kromme Klaas. Hierop kon geschut worden geplaatst om Hulst te beschermen tegen aanvallen via de Steensedijk. In 1775 was deze dekkingswal al geslecht.

49 Op kaartmateriaal van Hattinga, vervaardigd halverwege de 18 de eeuw, staan Hulst en omgeving gedetailleerd weergegeven (figuren 16 en 17). Vanwege de grote mate van detail valt de kaart van Hattinga vrij goed te relateren aan later kaartmateriaal, zoals de als zeer nauwkeurig bekendstaande Kadastrale Minuut uit 1811 -1832, en de tegenwoordige situatie. Het plangebied is aangegeven met een rode polygoon. Op figuur 16 is te zien dat halverwege de 18de eeuw inmiddels de nodige veranderingen hadden plaatsgevonden in de omgeving van het plangebied. Voor de Gentse Poort (aangegeven als nummer 10 op de kaart) is een ravelijn verschenen, via houten bruggen verbonden met de poort en de enveloppe. Ten zuidwesten hiervan, buiten de vestingwerken, bevindt zich nu de haven van de westelijk 46 Stockman 2004: 250. 47 Lockefeer 2018: 52-55. 48 Brand 1982-1984. 49 Stockman 2004: 250.

30

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

gelegen Nassaukreek. Ten zuiden van de vaargeul van de haven staat het Havenfort aangegeven, met hierbij nummer 13. De omschrijving van nummer 13 geeft de militaire rol aan van deze locatie: ‘Dubbelde nieuwe steene zeesluijs 1745 om kleijn kiel dregt en de kling te inunderen.’ Vanaf het Havenfort loopt de ‘Steensen Dijk’, tegenwoordig nog Steensedijk geheten, in zuidwestelijke richting naar Sint-Jansteen. Ten oosten van het Havenfort staan respectievelijk nummer 17 (‘Steene heule bij de stadt’) en de Gentse Vaart aangegeven. Op basis van de gemaakte projectie valt te veronderstellen dat het plangebied in deze periode deel uitmaakte van de enveloppe ten zuidwesten van de Gentse Poort.

Figuur 16 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op uitsnede van de kaart van Hulst, vervaardigd in 1751 door D.W.C. Hattinga. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 466.

Op onderstaande figuur is een uitvergroting te zien van de situatie ter hoogte van het plangebied. Het deel van het verdedigingswerk dat volgens de projectie binnen het plangebied valt, lijkt zwaarder aangezet dan elders. Op de hoogtekaart (figuur 10) lijken evenwel geen sporen meer aanwezig te zijn van het hoogteverschil dat hier moet zijn geweest toen het verdedigingswerk nog aanwezig was. De Gentse Poort was waarschijnlijk via het plangebied bereikbaar via het ravelijn met de houten bruggen. De toegang tot de Steensedijk bevindt zich in het zuidoosten van het plangebied. Het ziet ernaar uit dat zich in een noordoostelijk hoekje en een zuidelijke reep van het plangebied water heeft bevonden. In de noordoostelijke hoek gaat het om de ravelijnsgracht; in het zuiden van het plangebied gaat het om de rand van de havengeul. Langs het water van de haven staat in het westen van het plangebied beschoeiing getekend. Het Havenfort en de zeesluis lijken zich buiten het plangebied te hebben bevonden, namelijk ten zuiden ervan.

31

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 17 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op uitsnede van de kaart van Hulst, vervaardigd in 1751 door D.W.C. Hattinga. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 466.

In de 18de eeuw kampte het krekenstelsel met verlanding. 50 Hulst was veel geld kwijt aan onderhoud van de haven. De geul moest vrijwel continu worden uitgediept. Ook moesten de beschoeiing en het rijswerk geregeld worden opgeknapt. Rond het eind van de 18 de eeuw namen de havenactiviteiten in Hulst af. De haven stierf een langzame dood. 51 In diezelfde tijd werd onder Frans bewind werk gemaakt van het opheffen van de vesting Hulst. In het begin van de 19de eeuw werd de vesting verkocht aan de gemeente Hulst. Deze probeerde uiteindelijk in 1918 de wallen en poorten te slechten, maar de bevolking kwam hiertegen in opstand. De vestingwerken bleven bewaard. 52 In de eerste helft van de 19de eeuw verschenen nog nauwkeuriger kaarten: de Kadastrale Minuutplans uit de periode tussen 1811 en 1832 (figuur 18). Deze kaarten hadden tot doel belasting te heffen op grondbezit en gebouwen. Zodoende geven ze ook informatie over de percelering, grondgebruik en eigenaren. Op deze kaart is te zien dat van de havengeul nog maar een smal waterloopje over was. Niettemin maakt de kaart hier nog melding van de ‘Kaai van Hulst’ (namen zijn niet weergegeven op de onderstaande figuur). Het Havenfort is geheel verdwenen. Het water loopt op de Kadastrale Minuut iets noordelijker dan tegenwoordig, en zodoende ook binnen de contouren van het plangebied.

Ten noorden van het waterloopje, eveneens binnen het plangebied, bevindt zich een perceel dat geregistreerd stond als rietland. Het aangrenzende perceel ten noorden hiervan stond geregistreerd als bouwland. Beide percelen maakten deel uit van een groter grondbezit van notaris Willem Seijdlitz uit Hulst. Het plangebied was niet bebouwd.

50 Wilderom 1973: 498. 51 Lockefeer 2018. 52 Stockman 2004: 247-249.

32

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 18 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut (18111832). Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.

Figuur 19 geeft een overzicht van de ontwikkeling van het plangebied en omgeving vanaf 1850. De naam Stationsweg herinnert aan de tijd waarin Hulst een treinstation had. Dit lag ten zuidwesten van het plangebied; het spoor liep ten zuiden van het plangebied in west-oostelijke richting. Het betrof de lijn Mechelen-Terneuzen (1871 – 1951). Hiervan is vrijwel niets meer over, behalve een voormalige goederenloods die in gebruik is genomen als restaurant. 53 De eerste bebouwing langs de Stationsweg, waaronder in het plangebied, is te zien op vroeg-20ste-eeuws kaartmateriaal. Op dat moment was het grondgebied ten westen en oosten van de Stationsweg inmiddels uitgebreid ten koste van een gedeelte van de hoofdgracht van de vesting. In die periode kreeg de Stationsweg tevens een verbinding met de Gentsestraat, ten westen van de Gentsepoort. De bebouwing langs de Stationsweg breidde zich verder uit na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren ’50 werd ten noordwesten van het plangebied nog een deel van de hoofdgracht gedempt, waardoor het uiterste noorden van het plangebied niet meer aan het water lag. In dezelfde periode is in het westen van het plangebied een noordoost-zuidwest georiënteerde sloot uit het kaartbeeld verdwenen. De demping van een deel van de hoofdgracht ten noorden van het plangebied is later ongedaan gemaakt.

Het restant van de havengeul ten zuiden van het plangebied is nog altijd aanwezig.

53 http://www.stationsweb.nl/station.asp?station=hulst

33

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

1850

1916

1950

1970

1990

2010

Figuur 19 Projectie van het plangebied (blauwgroene polygoon) op de Topografische (Militaire) Kaarten uit 1850, 1916, 1950, 1970, 1990 en 2010. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

Binnen het plangebied bestond de oorspronkelijke bebouwing ten eerste uit een pand uit de vroege 20ste eeuw dat bekendstond als ‘Ravels’, vernoemd naar een tandarts die hier had gewoond. In 1954 liet de tandarts het pand verbouwen; uit de bouwtekeningen blijkt dat zich onder het pand een souterrain bevond. Ten zuiden hiervan, in de zuidoosthoek van het plangebied, werd een chalet gebouwd in 1920. In de jaren ’30 werd dit chalet vervangen door een onderkelderd herenhuis (met een septictank bij de noordwesthoek); dit huis had als adres Stationsweg 16. In 1966 werd het aan de noordwestkant uitgebreid. Dit pand huisvestte een architectenbureau. Beide panden stonden leeg sinds eind 1998. De gemeente besloot dat ze gesloopt mochten worden, zodat ABN Amro hier een nieuw bankfiliaal kon realiseren. Een poging van de Oudheidkundige Kring De Vier Ambachten om de sloop via de rechter tegen te houden, mislukte. 54 Naar aanleiding van de sloopplannen publiceerde de Provinciale Zeeuwse Courant in 1997 een foto van de

54 Gemeentearchief Hulst: bouwtekeningen uit 1920, 1938, 1954 en 1966; PZC (via Krantenbank Zeeland): 4 en 19

juni 1999, 26 september 2000.

34

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

twee panden (zie figuur 20). Op figuur 19 is tevens te zien dat het uiterste noorden en de noordoostelijke hoek van het plangebied in de jaren ’90 deel uitmaakten van bebouwing op aangrenzende percelen.

Figuur 20 De oorspronkelijke bebouwing in het plangebied, kijkend in westelijke richting vanaf de Stationsweg. Links Stationsweg 16; rechts Stationsweg 14 (‘Ravels’). Bron: PZC, 14 augustus 1997, foto: Charles Strijd.

In 2000 werd het nieuwe, onderkelderde bankkantoor van ABN Amro opgeleverd. ABN Amro bleef hier enkele jaren. In 2008 werd het pand verbouwd en aan de achterzijde uitgebreid, en nam de Rabobank er zijn intrek. In 2020 werd het Rabobankfiliaal gesloten en werd besloten tot het realiseren van appartementen. 55 Op onderstaande figuur is de huidige situatie te zien.

Figuur 21 De tegenwoordige bebouwing in het plangebied, kijkend in zuidwestelijke richting vanaf de Stationsweg. Bron: Google, opname: mei 2021.

55 Gemeentearchief Hulst: bouwtekeningen uit 1999; PZC (via Krantenbank Zeeland): 26 september 2000, 28 augustus 2007,

4 juni 2008, 24 juni en 18 juli 2020.

35

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Samenvattend blijkt uit historische gegevens dat het plangebied ten zuiden ligt van de historische stadskern van Hulst, ten westen van een belangrijke toegangsweg richting de Gentse Poort. In de Nieuwe Tijd heeft het plangebied deel uitgemaakt van de vestingwerken rond Hulst en van een haven die in de 18de eeuw ten zuiden van de stad heeft gelegen. Het plangebied maakte in de Nieuwe Tijd meermaals deel uit van geïnundeerd gebied. Bebouwing lijkt in het plangebied pas aanwezig te zijn geweest vanaf het begin van de 20ste eeuw. Er hebben twee huizen gestaan, die aan het eind van de 20 ste eeuw zijn gesloopt waarna het thans nog aanwezige bankgebouw is gerealiseerd; dit is in 2008 uitgebreid.

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis

Bodemloket In het bodemloket worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het Bodemloket 56 leert dat in het plangebied voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van de Wet bodembescherming. Hierbij is de aanwezigheid van een ondergrondse hbotank vastgesteld tussen het toenmalige huisnummer 14 en de Stationsweg. 57 Bodemrapportages Zeeland58 heeft geen informatie over het plangebied. KLIC De graafmelding geeft binnen het plangebied aanwijzingen voor enkele verstoringen van de bodem. Het betreft kabels en leidingen. Deze bevinden zich in het oosten van het plangebied, tussen de Stationsweg en het voormalige bankgebouw. Ter hoogte van deze kabels en leidingen moet rekening worden gehouden met een plaatselijke verstoring in de vorm van een smalle gegraven sleuf van circa 0,80 tot 1,20 meter diep, hetgeen hier neerkomt op een diepte tot circa 0,60 – 1,00 m +NAP. Gegevens archief, opdrachtgever, historische gegevens Uit de historische gegevens is gebleken dat er in de 20 ste eeuw twee grote huizen in het plangebied hebben gestaan en dat er tevens bebouwing aanwezig is geweest in de noordoosthoek van het plangebied.

Zeker de bouw, verbouw en sloop van de twee grote woningen die in het plangebied hebben gestaan (Stationsweg 14 en 16) zal plaatselijk tot een verstoring van de ondergrond hebben geleid; niet alleen door de fundering, maar vooral ook door de onderkeldering. De kelder onder Stationsweg 16 (in het zuidoosten van het plangebied) reikte, afgaand op oude bouwtekeningen, tot ongeveer 2,50 m -mv, hetgeen op die locatie neerkomt op een diepte van circa 0,70 m -NAP (op basis van de huidige hoogtegegevens). De diepte van het souterrain onder Stationsweg 14 is op basis van de geleverde archiefgegevens niet precies vast te stellen, maar is te schatten op circa 1,50 m -mv, hetgeen op die locatie neerkomt op een NAPhoogte van circa 0,30 m +NAP. Ten oosten van dit pand bevond zich tot onbekende diepte een ondergrondse olietank; ten noordwesten van Stationsweg 16 bevond zich een septictank met aan- en afvoerleidingen. Ook de bouw van het huidige bankgebouw kan delen van het plangebied hebben verstoord. Dit gebouw is deels (namelijk onder het gedeelte met meerdere bouwlagen) onderkelderd tot een diepte van ongeveer 2,60 m -mv/ 0,80 m -NAP; daarbij overlapt het met de vroegere bebouwing (de gesloopte woning van Stationsweg 14). Daarnaast kan voormalige bebouwing in het uiterste noorden en de noordoosthoek van het plangebied daar tot (onbekende) verstoringen hebben geleid.

Uit kadastrale gegevens blijkt dat een deel van het plangebied in de 19 de eeuw is gebruikt als bouwland. Agrarisch gebruik, waaronder ploegen, kan voor verstoring van de bovengrond hebben gezorgd. Op oude luchtfoto’s en kaartmateriaal is te zien dat een flink deel van het plangebied in de 20 ste eeuw begroeid was met bomen. De boomwortels kunnen eveneens tot verstoring hebben geleid. Tot slot blijkt uit oud kaartmateriaal dat er in de 19 de en

56 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 17 november 2021. 57 Hermans 1997. 58 https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/, geraadpleegd op 17 november 2021.

36

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

20ste eeuw verschillende perceelsgrenzen door het plangebied hebben gelopen; deze kunnen grondsporen dan wel verstoringen opleveren in de vorm van greppels. De locaties waar bebouwing, perceelsgrenzen en ondergrondse tanks met leidingen aanwezig zijn geweest, zijn weergegeven op onderstaande figuur. Bij de opdrachtgever waren geen aanvullende gegevens omtrent verstoringen bekend. 59 Raadpleging van de website van het Zeeuws Archief leverde geen verdere informatie op omtrent verstoringen in het plangebied.

Figuur 22 Zones waar sprake kan zijn van verstoring als gevolg van inrichting in de 20ste (en voor de perceelsgrenzen ook 19de) eeuw. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors.

59 Mondelinge mededeling dhr. G. Verweij (Juust), 16 november 2021.

37

ARTEFAC T RAPPORT 658

2.4

HULST STATIONSWEG 14

Archeologische waarden

Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen zijn opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten en benoemd als gemeentelijke monumenten. Binnen een straal van 1 km rond het plangebied ligt één AMK-terrein, namelijk de oude stadskern van Hulst (datering: Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd), een AMK-terrein van hoge archeologische waarde (monumentnummer 13481).

Archis Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen het plangebied nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er evenmin archeologische vondstlocaties bekend zijn. In de omgeving van het plangebied zijn echter meerdere onderzoeken uitgevoerd. Hieronder worden de onderzoeken besproken die in een straal van 300 m rond het plangebied hebben plaatsgevonden. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers op de onderstaande figuur.

7

Figuur 23 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties, geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst – www.imergis.nl.

38

ARTEFAC T RAPPORT 658

Nr. 1

Onderzoek nummer 2039778100

HULST STATIONSWEG 14

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

BAAC

Proefsleuvenonderzoek (2003) Lange Bellingstraat. 60 Vondsten uit Vroege Middeleeuwen D (opspit), Late Middeleeuwen B en Vroege Nieuwe Tijd. De oudste aangetroffen bewoningsresten (funderingen) dateren uit de Nieuwe Tijd. Volgens historische bronnen behoorde de bebouwing toe aan aanzienlijke families, maar dit komt niet tot uiting in het vondstmateriaal. Meerdere overstromingsafzettingen zijn prominent aanwezig. Op de vroegste overstromingsafzetting heeft zich veen gevormd. Op basis van de datering van het aardewerk onder het veen is het aannemelijk dat het de overstroming van 1357 betreft. Eerder deed SOB in dit gebied booronderzoek, waarvan geen onderzoeknummer bestaat. 61 Bij dit onderzoek werd op het dekzand (top tussen 0,44 m – NAP – 0,42 m +NAP, niet intact) een maximaal 2 m dik pakket van klei en zand aangetroffen met archeologische indicatoren; in twee boringen werd ondoordringbaar puin aangeboord. Advies: archeologievriendelijk bouwen of vervolgonderzoek.

2

2072566100

ArcheoMedia

Archeologische begeleiding (2005) Lange Bellingstraat 8. 62 Het dekzand wordt afgedekt door antropogene ophoogpakketten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Er zijn muurresten (van huis) met haardplaats, beerput, kelders, vloeren en kleine aanbouwsels aangetroffen. Oudste resten uit late 14 de /15de eeuw. Het huis is door de eeuwen heen meermaals verbouwd. De archeologische resten konden in situ bewaard blijven door aanpassing van het palenplan.

3

2092954100

SOB

Archeologisch booronderzoek (2003) Lange/Korte Bellingstraat. 63 Op beide bouwlocaties is sprake van antropogene ophoogpakketten (max. 2,40 m dik, met archeologische indicatoren) waarschijnlijk te relateren aan aanleg vestingwerken begin 17de eeuw, op pleistocene dekzandafzettingen (top vanaf 0,10 – 0,20 m -NAP). Plaatselijk was niet vast te stellen of het ging om dekzand of geulafzettingen van Duinkerke (Laagpakket van Walcheren volgens de nieuwe nomenclatuur); de gelaagdheid van het zand vormt hiervoor een aanwijzing. Mogelijk betreft het de voormalige gracht daterend van voor de aanleg van de vestingwerken. Op beide bouwlocaties aanwijzingen voor vindplaatsen uit Middeleeuwen, voor bouwlocatie B tevens Nieuwe Tijd (bewoning).

4

2124762100

Sagro

Archeologisch bureauonderzoek (2006) Houtenkwartier. 64 Bewoningssporen uit de Steentijd t/m Vroege Middeleeuwen worden niet verwacht. Bestudeerde boorprofielen uit milieukundig bodemonderzoek wijzen uit dat de bodem van het hele plangebied

60 Van der Weerden & Brouwer 2004. 61 De Visser 2002. 62 Depuydt & De Koning 2005. 63 Ras 2003. 64 Visser & Boschloo 2006.

39

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

tot op enkele meters -mv, tot beneden het pleistocene niveau is verstoord. Geen verwachting bewoningssporen van voor de 19de eeuw ter plaatse van de voormalige de gasfabriek en ambachtsschool. Wel kunnen funderingsresten aanwezig zijn of delen van de omwalling behorend bij de 17de -eeuwse vestingwerken (in het westelijk deel van het plangebied). 5

2161139100

Sagro

Archeologisch booronderzoek (2005) Stationsweg. 65 Bij kaartprojectie van het betreffende plangebied op de kaart van Hattinga uit omstreeks 1750 lijkt de noordmuur van het Havenfort nog juist binnen het plangebied te liggen. De kans dat nog resten van deze noordmuur aangetroffen zullen worden, was in principe aanwezig, maar het werd niet waarschijnlijk geacht dat nog archeologisch waardevolle resten aanwezig zouden zijn, omdat het Havenfort al was gesloopt aan het begin van de 19de eeuw. Wel zijn in enkele boringen puinsporen aangetroffen. Op basis van het bureau- en booronderzoek is geen vervolgonderzoek geadviseerd. Aangeboorde afzettingen zijn waarschijnlijk alleen Duinkerke IIIbgeulafzettingen (Laagpakket van Walcheren volgens de nieuwe nomenclatuur). Meerdere sliblaagjes in profielen kunnen een aanwijzing vormen dat de (haven)geul in fases is dichtgeslibd.

6

2201582100

ArcheoPro

Geofysisch onderzoek en booronderzoek (2008) wallen van Hulst. 66 Doel: vaststellen of er resten van middeleeuwse stadsmuren aanwezig zijn. Hiervoor zijn geen aanwijzingen aangetroffen. De wallen blijken te zijn opgebouwd uit zand- en kleilagen die gefaseerd zijn opgebracht op dekzand. In dekzand (niet intact) lijken resten van zoutwinning aanwezig te zijn.

7

2267169100

SOB

Archeologische begeleiding (2010) vervangen riolering Korte en Lange Bellingstraat/Princebolwerk/Asschepoort.67 Resten uit Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd: meerdere ophooglagen en grondsporen waaronder muurwerken, beerput, kuil, resten van bestrating. Dekzand aanwezig tussen NAP en 1 m +NAP; dekzand stijgt in richting van het stadscentrum. Op flank van de dekzandrug zijn gelaagdheden waargenomen die wijzen op ofwel verspoelde dekzanden, veenlaagjes en/of overstromingsmateriaal.

8

2344686100

Artefact!/Transect

Archeologisch bureauonderzoek (2011) Beestenmarkt. 68 Ophooglagen uit Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd, maar het terrein is verstoord. Advies: geen vervolgonderzoek.

9

2438784100

Artefact!

Archeologisch bureauonderzoek (2014) Princebolwerk. 69 Opgebrachte lagen tot 1 à 2 m -mv; hieronder plaatselijk massief puin of metselwerk aanwezig. Plaatselijk oude bouwvoor (0,10 m dik) vanaf 0,95 m -mv/ 0,28 m +NAP met hieronder B/C-horizont in het dekzand.

65 Visser & Boschloo 2007. 66 Exaltus & Orbons 2010. 67 Uleners 2010. 68 Wattenberghe & Terryn 2012. 69 Coppens 2014.

40

ARTEFAC T RAPPORT 658

10

HULST STATIONSWEG 14

4554260100

Artefact!

Archeologische begeleiding (2017) riolering Princebolwerk. 70 Er zijn vermoedelijke resten aangetroffen van een oude west-oost georiënteerde wal aan de binnenzijde van de laatmiddeleeuwse stadsgracht zoals deze te zien is op de kaart van Van Deventer. Bij de aanleg van het 17de -eeuwse Princebolwerk is het plangebied opgehoogd. Uit de 18 de eeuw dateren funderingsresten van de Duiventoren. Top dekzand (niet intact) aanwezig vanaf circa NAP; enkele dunne paleosols waargenomen. Het dekzand wordt afgedekt door antropogene ophoogpakketten.

Binnen een straal van 300 m zijn ook archeologische vondstlocaties bekend; het nummer in de linker kolom correspondeert met het blauwe nummer op figuur 23. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

11

1034410

MELB-NT

Aardewerk (o.a. slibversierd, vuurstolp, steengoed). Particuliere vondst (1972).

12

1043651

MELB

Grijsbakkend gedraaid aardewerk (kan). Particuliere vondst (1981).

13

1044301

MEL

Stenen hanger met driepasversiering. Particuliere vondst (1982).

14

1044873

MEL-NT

Bronzen draaisleutel en “massief witglazen ‘bol’, gevonden onderaan de wallen van Hulst?” Particuliere vondst (1983).

15

1068093

NTV-NTM

Resten Havenfort (archeologische inspectie). Deze vondstlocatie wordt verderop in dit hoofdstuk nader belicht onder het kopje ‘Havenfort’.

16

1088428

MELB-NTM

Waarneming, verricht bij het herstellen van de Gentse Poort (2002). Daarbij kwamen aan de zijkanten oudere muurresten te voorschijn, met een baksteenformaat van 27 x 14 x 6 centimeter. In de huidige vorm dateert de poort uit 1780.

17

1104303

MEL

Roodbakkend geglazuurd aardewerk (kom). Particuliere vondst (datum niet vermeld).

18

1104304

NTV

Skeletresten (inhumaties): “resten van soldaten uit het Staatse leger, gesneuveld bij beleg in 1596 of 1645”. Particuliere vondst (1965).

19

1203753

MEL-NT

Hoort bij onderzoek nr. 10. Vermoedelijke restanten van middeleeuwse stadsomwalling, alsook 18 de -eeuwse funderingsresten van de Duiventoren. Grote hoeveelheid vondstmateriaal, waaronder een kleine hoeveelheid laatmiddeleeuws aardewerk uit de stadsomwalling en hergebruikt bouwkeramiek en natuursteen uit de Duiventoren. Uit de puinlaag van de Duiventoren komt onder meer een kadaver van een jong rund.

Uit bovenstaande informatie valt op te maken dat de archeologische resten die in de omgeving van het plangebied zijn aangetroffen, dateren uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Deze resten hangen samen met de binnenstad van Hulst (of de nabijheid ervan) en de vestingwerken. Daar waar dekzand is aangetroffen, ligt dit steeds rond NAP of iets erboven. Theoretisch kunnen in (de top van) het dekzand vindplaatsen van nog grotere ouderdom aanwezig zijn. In de wijdere omgeving zijn in Zeeuws-Vlaanderen vindplaatsen bekend uit Mesolithicum, Neolithicum, Midden-Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen.

70 Coppens & Diependaele 2019.

41

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Havenfort Uit paragraaf 2.3.1 is gebleken dat het onderhavige plangebied zich bevindt nabij, dan wel ter hoogte van, de 18deeeuwse haven en ten noorden van het 18 de -eeuwse Havenfort, beide weergegeven op kaartmateriaal uit die tijd. Resten die vermoedelijk hiermee samenhangen, zijn in 2014 langs de Stationsweg aangetroffen (hierboven aangegeven als vondstlocatie 15). Dit is gebeurd tijdens graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van appartementencomplex Reynaertshof. Voor betreffend gebied was in een eerder stadium geen vervolgonderzoek geadviseerd (zie hierboven beschreven onderzoek nr. 5). Van een formele opgraving was geen sprake; wel vond er toezicht plaats door de Werkgroep Archeologie Hulst (WAH) alsook een archeologische inspectie, uitgevoerd door drs. E. Coppens van Artefact. De WAH heeft een verslag van het toezicht op haar website gepubliceerd en schriftelijke informatie verstrekt aan Artefact. 71 Hier worden de resultaten samengevat: -

Op een diepte van circa 3,5 m -mv werden de eerste sporen gevonden. Dit waren houten paaltjes samen met gevlochten matten en een grijze kleilaag. Deze matten en paaltjes werden gevonden over bijna de gehele lengte van het terrein; van De Statie naar het gebouw van de Rabobank, parallel aan de Stationsweg (vlak tegen de weg aan) tot vlakbij de Rabobank. Bij de watergang van de Oude Vaart bogen de matten in een hoek van 90 graden omhoog naar de oppervlakte. De functie is onbekend; volgens de WAH waren de matten mogelijk rijshout, als onderdeel van een voormalig vesting- of belegeringswerk.

-

Ook is een beerput opgegraven, die volgens adviseur N. de Visser van de gemeente Hulst uit de 18 de of 19de eeuw dateert. De beerput was uit baksteen gemetseld, maar had geen verharde bodem. De eigenlijke bodem bestond uit lichtkleurige grijze klei met een dikte van minimaal 1 m. De fundering bestond uit een ronde houten ring. In de vulling zijn o.a. glas en botresten gevonden.

-

In een middenstuk van het terrein is geen archeologie waargenomen, maar wel duidelijk mariene geulafzettingen.

-

Richting de parking ‘Havenfort’ (d.w.z. meer in zuidelijke richting, aan de westzijde; red.) is een aantal forse houten balken aangetroffen. De balken waren voorzien van mes en groef die dienden om een stevige constructie te maken. Op de palen waren zeepokken zichtbaar. Volgens de WAH waren de palen vrijwel zeker onderdeel van een havenbeschoeiing dan wel aanlegsteiger. Vanuit de richting van de parking ‘Havenfort’ (oftewel vanuit het westen, red.) maakte deze een hoek van 90 graden noordwaarts over een lengte van circa 14 m, om daarna nogmaals een hoek van 90 graden te maken, westwaarts terug richting parking ‘Havenfort’.

-

In de noordwesthoek van het terrein (nabij de parking en het gebouw van de Rabobank) zijn vier fragmenten roodbakkend aardewerk met loodglazuur aangetroffen, door de WAH gedateerd in de 18de eeuw.

Artefact heeft de beerput ingemeten, alsook een deel van de zone waar matten zijn aangetroffen. Op onderstaande figuur zijn de sporen geprojecteerd. De matten zijn ingemeten op dieptes vanaf 2,19 m -NAP, maar de bovenkant van dit spoor heeft zich vermoedelijk hoger bevonden. De onderzijde van de matten is vastgesteld op 2,65 m -NAP. De beerput is aangetroffen in geulafzettingen. De bovenzijde van het toen nog aanwezige restant van de beerput bevond zich op 0,58 m -NAP; de onderzijde werd vastgesteld op 1,94 m -NAP. De balken konden niet in situ worden ingemeten. 72 Een aantal van de houtvondsten van de Reynaertshof is onderzocht op soort en/of dendrochronologie. De resultaten hiervan zijn verschenen als bijlage bij Depuydt & Coppens (2019). Uit dit houtonderzoek bleek dat voor de balken grove den (grenen; Pinus sylvestris L.) is gebruikt en dat de drie onderzochte balken uit dezelfde boom afkomstig zijn. Het grenenhout is dendrochronologisch gedateerd in de 18de eeuw en is afkomstig uit de omgeving van de Finse Golf.

71 https://www.archeologiehulst.nl/pagina40.html; schriftelijke correspondentie via E. Coppens d.d. 18 november 2021. 72 Mondelinge (16 november 2021) en schriftelijke (18 november 2021) correspondentie E. Coppens.

42

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Tussen de overige vondsten is fijnspar (Picea abies Karst.), populier (Populus sp.) en wilg (Salix sp.) aangetroffen. Het populierenhout betrof de fundering van de beerput, de wilg was van de matten.

Figuur 24 Projectie van de in 2014 aangetroffen grondsporen (matten en beerput) ten zuiden van onderhavig plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2020.

Volgens Coppens valt bij de balken eerder te denken aan een fundering dan aan een beschoeiing; het zou kunnen gaan om de fundering van de omwalling van het Havenfort. 73 Deze gedachte is gebaseerd op resultaten van onderzoek in Sas van Gent. Hier werden tijdens een proefsleuvenonderzoek balkenconstructies aangetroffen ter hoogte van de voormalige overgangszone tussen de buitenste vestinggracht en het glacis. Ter verklaring zijn in betreffend rapport drie hypotheses genoemd: het zou een structuur kunnen zijn die de grond van het glacis op zijn plaats moest houden zodat deze niet wegspoelde; het zou een fundering kunnen zijn voor het glacis omdat dit was aangelegd op de onstabiele ondergrond van een oudere gedempte verdedigingsgracht; of het zou een keerwand kunnen zijn geweest voor een toegangsbrug. 74 Op onderstaande figuur zijn de ingemeten sporen geprojecteerd op de gegeorefereerde kaart van Hattinga. Met een forse slag om de arm is het denkbaar dat de matten aan de constructie van het Havenfort te relateren zijn, maar hierbij moet worden benadrukt dat het grootste deel van de aangetroffen matten en andere sporen niet is ingemeten en dat de matten niet zijn gedateerd. De aanwezigheid van de beerput is bij deze projectie niet te verklaren. Op de Kadastrale

73 Mondelinge mededeling E. Coppens, d.d. 16 november 2021. 74 D’hondt 2011: 24-27.

43

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Minuut (1811-1832) is de beerput te situeren op een perceel bouwland, waardoor het eveneens onwaarschijnlijk is dat de beerput in de vroege 19de eeuw in gebruik is geweest.

Figuur 25 Projectie van de in 2014 aangetroffen grondsporen (matten en beerput) ten zuiden van onderhavig plangebied op uitsnede van de kaart van Hulst, vervaardigd in 1751 door D.W.C. Hattinga. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 466.

Overige meldingen Bij een in 2003 uitgevoerd milieukundig onderzoek aan het Stationsplein 2 en 4, ten zuiden van het plangebied, zijn puinsporen aangetroffen in de vorm van baksteen- en metselpuin. In het rapport van het hierboven beschreven onderzoek nr. 5 (zie paragraaf Archis) is gesuggereerd dat het hier zou kunnen gaan om resten van het afgebroken Havenfort of van de noordelijker gelegen vestingwerken van Hulst. 75 De Oudheidkundige Kring De Vier Ambachten kreeg in 1993 een tinnen lepel geschonken die was gevonden in bagger van de watergang Buitenvest/Oude Vaart aan de Stationsweg, 76 oftewel ter hoogte van onderhavig plangebied. De lepel is niet gedateerd. In het Zeeuws Archeologisch Depot is geen aanvullende informatie aanwezig met betrekking tot het plangebied.77

75 Visser & Boschloo 2007: 48-49. 76 https://www.devierambachten.nl/component/joodb/article/4-museumcollectie/1956-lepel 77 Mail helpdesk ZAD, 15 november 2021.

44

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen aan de hand van herkenbare soil- en of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. In het kader van dit onderzoek zijn luchtfoto’s geraadpleegd uit 1959, 1970 en 2003 (Geoloket Atlas van Zeeland), 1989 en 2003 (Luchtfotoatlas) en satellietfoto’s uit 2007 t/m 2020 (Esri Nederland, Geoloket Atlas van Zeeland). Van het plangebied zijn geen luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog beschikbaar. Op een luchtfoto uit 1970 (figuur 26) zijn in het plangebied de twee 20ste -eeuwse woningen te zien. Ook is te zien dat er meerdere bomen in het plangebied groeien. Ten noordwesten van het plangebied is op dat moment een deel van de hoofdgracht gedempt; op jongere luchtfoto’s is dit niet meer het geval. Ten westen van het plangebied is het tegenwoordige parkeerterrein nog niet aanwezig. Voor eventuele archeologische vindplaatsen in, 0f grenzend aan, het plangebied bieden de luchtfoto’s geen aanwijzingen.

Figuur 26 Plangebied geprojecteerd op uitsnede van luchtfoto uit 1970. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.

45

ARTEFAC T RAPPORT 658

2.5

HULST STATIONSWEG 14

Bouw- en cultuurhistorische waarden

Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen welke waardevolle bouw- of cultuurhistorische elementen voorkomen in of direct grenzend aan het plangebied, is het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Ter weerszijden van het plangebied staat aangegeven dat hier sprake is van het stedelijke vestingwerk rond Hulst. Het hele plangebied ligt in een onderbreking van de aangegeven ringvormige zone. De ligging en loop van de Stationsweg correspondeert met die van een geslechte dijk. Eind 16de eeuw liep hier de Steenschendijk. Dit was de enige verbinding tussen Hulst en het zuiden; daarom werd deze speciaal beschermd. Waarschijnlijk betrof het geen waterkering, maar een verhoogde weg. Dezelfde weg vormt tevens de oostelijke begrenzing van de 18de -eeuwse Absdalepolder (ten oosten hiervan ligt de 17de -eeuwse Clingepolder), waar het plangebied deel van uitmaakt. Het land van Absdale, ten westen van Hulst, is waarschijnlijk uit de Moeren van Hulst (ongecultiveerd land, veengronden en moerassen) bedijkt. In het kader van militaire inundaties is het gebied meermaals onder water gezet en vervolgens herdijkt. Doordat het gebied vrij hoog lag, zijn de inundaties waarschijnlijk beperkt gebleven tot de laagste gebiedsdelen. Op de hogere delen lagen enkele stelbergen.

Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door het restant van een oude kreek, namelijk de Oude Vaart, die via het Hulster Sas bij Luntershoek in verbinding stond met het Hellegat. Ten oosten van de Stationsweg sluit de Oude Vaart aan op de Buitenvest/Berriekreek.

Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten worden weergegeven.

2.6

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Het plangebied ligt ten zuiden van de oude stadskern van Hulst op een pleistocene dekzandrug die deel uitmaakt van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het is niet uit te sluiten dat er veengroei heeft plaatsgevonden. Als dit het geval is geweest, is dit veen naar verwachting niet meer aanwezig (want afgegraven, geërodeerd en/of vergraven). Volgens geologische gegevens is de (intacte) top van het dekzand te verwachten op hoogtes/dieptes vanaf 1 m +NAP tot NAP, onder een pakket afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk). Zulke dekzandniveaus zijn grofweg in lijn met die uit archeologisch onderzoek in de omgeving, al is het dekzand hierbij soms ook iets onder NAP pas aangetroffen, en is het doorgaans niet meer intact. Tevens blijkt uit het eerdere archeologisch onderzoek in de omgeving dat het dekzand vaak wordt afgedekt door antropogene ophoogpakketten. Dit is voor het plangebied ook een mogelijkheid, omdat dit in de Nieuwe Tijd deel uitmaakte van de enveloppe van de vesting van Hulst.

Voor een strook in het zuiden van het plangebied (langs de Oude Vaart) is het op basis van historische gegevens te verwachten dat hier tot op onbekende diepte afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig zijn, die te relateren zijn aan de 17de -/18de-eeuwse (haven-)geul. Dergelijke afzettingen zijn ook te verwachten in het uiterste noorden en een strook langs het noordoosten van het plangebied, waar (op basis van de Kadastrale Minuut) de ravelijnsgracht waarschijnlijk heeft gelopen. Hieronder wordt per verwacht geologisch niveau besproken wat voor archeologische resten uit welke perioden aangetroffen kunnen worden. Enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn in verwachtingstabellen opgenomen. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert van circa 1,20 m +NAP in het noorden (op de parkeerplaats) tot rond de 1,80 m +NAP in de rest van het plangebied.

46

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Pleistoceen dekzandlandschap – Laagpakket van Wierden – Formatie van Boxtel Vindplaatsen uit het Paleolithicum kunnen worden verwacht in eventueel aanwezige paleosols. Dergelijke paleosols zijn in de omgeving van het plangebied (onderzoek nr. 10 in paragraaf 2.4) en elders in de regio aangetroffen, maar vindplaatsen uit deze periode zijn zeldzaam en moeilijk op te sporen. In Zeeuws-Vlaanderen zijn slechts losse vondsten gedaan, maar nog geen sites gedocumenteerd. De verwachting daarom wordt middelhoog ingeschat. Datering

Paleolithicum

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing

Omvang

Vuursteenvindplaats: zeer klein tot groot (< 50 m² - > 1.000 m²)

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

In dekzand: vanaf 1 m +NAP – NAP

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities

Mogelijke verstoringen

-

Omdat zich ter hoogte van het plangebied in het Holoceen mogelijk helemaal geen afzettingen op het pleistocene dekzand hebben gevormd, kunnen vindplaatsen uit de periode Mesolithicum t/m Vroege Middeleeuwen worden verwacht in de top van het dekzand. Zolang niet duidelijk is in hoeverre de top van dekzand nog intact aanwezig is in het plangebied, wordt de verwachting hierop hoog ingeschat. Uit het Mesolithicum zijn in de ruime omgeving al vindplaatsen aangetroffen. Archeologische waarden uit deze periode kunnen bestaan uit kleine nederzettingsterreinen, zogenaamde extractiekampen (5 tot 10 m 2), of basiskampen, die een ruimere omvang hebben. Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich vaak door een vondstverspreiding van vuursteen. Ook kunnen ondiepe grondsporen (crematiegraven, haardplaatsen) worden aangetroffen. De waarde van vuursteenvindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate van intactheid van het bodemprofiel. Van belang is daarom de mate van verstoring van het bodemprofiel in beeld te brengen. De kans is aanwezig dat het bodemprofiel is aangetast door de inrichting en het gebruik van het plangebied in de Nieuwe Tijd en de (sub)recente periode. Indien het bodemprofiel te zeer verstoord is, zal de verwachting voor deze periode naar beneden moeten worden bijgesteld. Datering

Mesolithicum

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing, ondiepe grondsporen

Omvang

Vuursteenvindplaats: zeer klein tot groot (< 50 m² - > 1.000 m²)

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Top dekzand: vanaf 1 m +NAP – NAP

Locatie

Volledige plangebied

47

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Gaafheid en conservering

Afhankelijk van later gebruik: o.a. aanleg verdedigingswerken, haven (langs zuidzijde plangebied), ravelijnsgracht (langs noordzijde plangebied), landbouw (19de eeuw), verstoringen

Mogelijke verstoringen

Bomen, kabels en leidingen, bebouwing vanaf 20ste eeuw

De hoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit het Neolithicum wordt ingegeven door de ligging op de dekzandrug, maar tevens door vuursteenvondsten uit deze periode die de laatste jaren op het dekzand zijn aangetroffen. Vindplaatsen kunnen bestaan uit woningen en erven. Huisplaatsen uit deze periode kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen) en vondststrooiingen met aardewerk en vuursteen. Net als het geval is voor vindplaatsen uit het Mesolithicum, kan bij een verstoring van het bodemprofiel de verwachting voor wat betreft vondststrooiingen naar beneden worden bijgesteld. Indien de verstoring beperkt is tot de bovenzijde van het podzolprofiel, blijft de kans op archeologische sporen bestaan. In de omgeving van het plangebied zijn nog maar weinig vindplaatsen aangetroffen uit de Brons‐ en IJzertijd. Dit heeft mede te maken met het natte karakter van het landschap gedurende deze periode. De relatief hoge ligging van het plangebied zal echter interessant zijn geweest voor bewoning, waarbij het nattere landschap ten noorden van de dekzandrug zorgde voor een brede waaier aan jacht‐ en andere mogelijkheden. In hooggelegen overgangszones (zoals bijvoorbeeld bij Nieuw Namen, de Kop van Schouwen en de Brabantse Wal) zijn al resten uit deze periode aangetroffen.

Vindplaatsen kunnen bestaan uit woningen en erven, maar ook uit grafvelden. Vindplaatsen met huisplaatsen uit deze perioden kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen). Voor wat betreft grafvelden kunnen de sporen uit graven bestaan, maar ook uit grafheuvels, kringgreppels (rond de grafheuvels) en/of palenzettingen. Indien binnen het plangebied de bovenzijde van het bodemprofiel verstoord is, zullen de ondiepe archeologische sporen mogelijk verdwenen zijn, maar dieper reikende sporen kunnen wel bewaard zijn gebleven. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat er een kans is dat zich binnen het plangebied veen heeft ontwikkeld. Indien dit daadwerkelijk is gebeurd, kan het gebied in de Bronstijd en Vroege IJzertijd juist minder interessant zijn geweest voor bewoning. Zolang echter onbekend is of, wanneer en hoelang zich veen heeft ontwikkeld, blijft de hoge archeologische verwachting behouden. Vindplaatsen uit de Late IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen zijn bekend in de (wijdere) omgeving: voor wat betreft Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen in Axel en voor wat betreft IJzertijd en Romeinse tijd ten zuiden van de Belgische grens.

Vindplaatsen uit deze periode kunnen bestaan uit rurale nederzettingsterreinen met boerderijen (houten palen en paaltjes, greppelstructuren, afvalkuilen, waterputten, paalgaten), infrastructuur, aardewerk, botmateriaal, bewerkt natuursteen (vuursteen, maalstenen). Net als bij de voorgaande perioden zullen, indien de bovenzijde van het bodemprofiel verstoord is, de ondiepe archeologische sporen mogelijk verdwenen zijn. Dieper reikende sporen kunnen dan nog wel bewaard zijn gebleven. Indien er veenontwikkeling heeft plaatsgevonden, kunnen mogelijke vindplaatsen uit de Late IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen zich op dit veen gesitueerd hebben. In dat geval kunnen deze bij het winnen van veen in de Late Middeleeuwen verloren zijn gegaan. Indien de veenlaag slechts dun was, kunnen veel dieper reikende sporen tot in het onderliggende dekzand doorgelopen hebben en bijgevolg bewaard zijn gebleven. Zolang dit voor het plangebied niet is vastgesteld, wordt vooralsnog een hoge verwachting aangehouden. In de Late Middeleeuwen lag het plangebied ten zuiden van de stadskern van Hulst, langs een belangrijke toegangsweg. Theoretisch kan hier in deze periode veen zijn gewonnen (indien aanwezig) en/of bewoning of ander gebruik hebben plaatsgevonden. Resten hiervan zijn eveneens in de top van het dekzand te verwachten. Ook voor deze periode wordt uitgegaan van een hoge verwachting.

48

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Datering

Neolithicum – Late Middeleeuwen

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen; vondststrooiing mogelijk

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²; nederzetting: 2.000-8.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Top dekzand: vanaf 1 m +NAP – NAP

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Afhankelijk van (later) gebruik: o.a. wel of geen veenwinning, aanleg verdedigingswerken, haven (langs zuidzijde plangebied), ravelijnsgracht (langs noordzijde plangebied), landbouw (19de eeuw), verstoringen

Mogelijke verstoringen

Bomen, kabels en leidingen, bebouwing vanaf 20 ste eeuw

In de Nieuwe Tijd lag het plangebied nog altijd buiten de stadskern langs de zuidelijke toegangsweg, maar maakte het tevens deel uit van verdedigingswerken rond de stad en, in de 18de eeuw, ook van de haven. Resten van verdedigingswerken kunnen aanwezig zijn in de vorm van antropogene ophoogpakketten (wallen), houten funderingen en/of wellicht muurwerken. Ook is het mogelijk dat een strook parallel aan de noordoostrand van het plangebied vullingen of dempingsresten bevat van de vroegere ravelijnsgracht. Resten van de haven zijn met name in de zuidelijke helft van het plangebied te verwachten. Ook hier kan sprake zijn van geulvullingen en dempingsresten, maar ook van bijvoorbeeld houten beschoeiing (zoals weergegeven door Hattinga), funderingen of paalwerk, vergelijkbaar met het 18 de -eeuwse hout dat is gevonden ten zuiden van het plangebied (zie paragraaf 2.4: ‘Havenfort’). Op basis van de historische en archeologische gegevens geldt voor de Nieuwe Tijd een hoge verwachting. Datering

Nieuwe Tijd

Complextype

Wal/omwalling, gracht, haven

Soort vindplaats

Grondsporen: gracht, havengeul, funderingen, beschoeiing, paalwerk, muurwerk. Ophooglagen, wallen

Omvang

Onbekend

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals bewerkt hout, baksteen, aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; geulvullingen, 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Direct onder de bouwvoor

Locatie

Zuiden plangebied (haven met toebehoren); noorden/noordoosten plangebied (ravelijnsgracht); rest plangebied (wal met eventuele fundering)

Gaafheid en conservering

Afhankelijk van later gebruik: o.a. landbouw (19de eeuw), verstoringen

Mogelijke verstoringen

Bomen, kabels en leidingen, bebouwing vanaf 20 ste eeuw

49

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak78. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

4

Grid

Zoveel mogelijk verspreid over plangebied

Dichtheid

Volgens de richtlijn van 8 boringen per hectare

Plaats- en hoogtebepaling

RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten - standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Max. 6,00 m -mv/ 4,27 m -NAP

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm), Gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Geen

Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment ⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) ⎯ de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 27, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5.

78 Wattenberghe & Van den Berg, 24-11-2021: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende

boringen Hulst Stationsweg 14.

50

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 27 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors.

3.2

Geologie en bodem

Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw binnen het plangebied. Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) In de noordelijke helft van het plangebied is aan de basis pleistoceen dekzand aangetroffen behorend tot het Laagpakket van Wierden. Het betreft zwak siltig, zeer fijn grijs zand. Dit is centraal in het plangebied aanwezig vanaf 5,07 m -mv/ 3,51 m -NAP (boring 3). De top van het dekzand bevat verspoelde kleiige brokken en vertoont geen tekenen van bodemvorming, hetgeen erop duidt dat de oorspronkelijke top van het dekzand niet meer aanwezig is. In het noorden van het plangebied (boring 4) is het dekzand waarschijnlijk aanwezig vanaf 3,00 m -mv/ 1,78 m -NAP; hier stuitte de guts op een vaste zandlaag. Het was niet mogelijk deze laag de visu te determineren, omdat door toedoen van het grondwater geen monster van dit zand kon worden opgeboord. In beide gevallen is het dekzand op aanzienlijk grotere diepte aangetroffen dan werd verwacht op basis van geologische en archeologische gegevens uit de omgeving; deze geven immers meestal een ligging van de top tussen NAP en 1,00 m -NAP aan). In de zuidelijke helft van het plangebied is zelfs helemaal geen dekzand bereikt tot op de maximale boordieptes, respectievelijk 4,50 m -mv/ 2,77 m -NAP in boring 1 en 6,00 m -mv/ 4,27 m -NAP in boring 2.

Het ziet er dus naar uit dat de top van het nog resterende dekzand flink afhelt, van noord (relatief hoog) naar zuid. Dit is waarschijnlijk te wijten aan erosie in de bedding van de voormalige havengeul. Het ontstaan van deze waterloop was het gevolg van natuurlijke en menselijke processen vanaf het eind van de 16 de eeuw, waarbij het hele gebied ten westen en ten zuiden van Hulst werd doorsneden door verschillende kreken en geulen, die nadien – meestal uit zichzelf – 51

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

opgevuld raakten met klei en zand. Deze jonge kleien en zanden behoren tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; zie hieronder). Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) In geen van de boringen is Hollandveen aangetroffen. Indien zich hier in het verleden veen heeft ontwikkeld, is het afgegraven en/of door Walcheren-afzettingen geërodeerd. Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) In het hele plangebied zijn tot op aanzienlijke diepte kalkrijke kreekbeddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen. Deze zijn waarschijnlijk te relateren aan de 18de -eeuwse havengeul (zie paragraaf 2.3.1). Het ziet ernaar uit dat de kreekbeddingafzettingen het dikst zijn en het diepst reiken in de zuidelijke helft van het plangebied (meer dan 4 m dik in boring 2) en dat de dikte en diepte ervan afneemt in noordelijke richting (circa 3 m dik in boring 3, circa 1 m dik in boring 4). In de zuidelijke helft van het plangebied zijn de kreekbeddingafzettingen aangetroffen vanaf 2,45 m -mv/ 0,72 m -NAP (boring 1) en 1,75 m -mv/ 0,02 m -NAP (boring 2), tot aan de maximale boordieptes (4,50 m -mv/ 2,77 m -NAP in boring 1 en 6,00 m -mv/ 4,27 m -NAP in boring 2). Ze bestaan in dit zuidelijke deel vooral uit zwak tot matig siltige, soms zandige klei, waarbij naar onder toe ook enkele zandlagen zijn waar te nemen.

In het noordelijke deel van het plangebied bestaan de kreekbeddingafzettingen uit zwak tot sterk siltig zand. Hier zijn deze in elk geval aanwezig vanaf 2,10 m -mv/ 0,54 m -NAP (boring 3) en 2,00 m -mv/ 0,78 m -NAP (boring 4) en bedraagt de dikte van dit pakket 1 tot 2 m. In boring 3 viel een scheve gelaagdheid op; onderin de kreekbeddingafzettingen was hier sprake van verspoeld dekzand en stukken (natuurlijk) hout. Mogelijk zijn hier al kreekbeddingafzettingen vanaf geringere diepte aanwezig, maar dit is niet met zekerheid te zeggen (zie hieronder: opgebrachte lagen). Opgebrachte lagen In het hele plangebied worden de natuurlijke afzettingen afgedekt door meerdere antropogene lagen, bestaande uit opgebrachte grond. Hierbij zijn binnen het plangebied verschillen te zien tussen het zuiden, de noordelijke helft en het oosten. In boring 1, in het zuiden van het plangebied, worden de kreekbeddingafzettingen op 2,45 m -mv/ 0,72 m -NAP afgedekt door een 1,10 m dikke laag opgebrachte grond. De overgang tussen beide niveaus is diffuus. Deze opgebrachte grond bestaat uit uiterst siltige, stevige, kalkrijke klei met sporen van baksteen en kalkmortel. Dit betreft een sterk verdroogde en zeer compacte laag, die elders niet is aangetroffen. Mogelijk gaat het om resten van een opgeworpen dijk of kade aan de rand van de havengeul.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13978934/1