CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

RabobankBijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte 9 april 2024, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot het afgeven van een definitieve verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van 45 appartementen aan de Stationsweg 12a t/m 12u, Traverse 20 t/m 72 en van Dalsumplein 2 te Hulst.31.301 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? * na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).

4.13

Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempel waarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria

Juust

30

Stationsweg 14, Hulst

uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit (11.2) "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." opgenomen. Een 'formele' besluit-m.e.r.-beoordeling is dan vereist, indien sprake is van een van de aangewezen besluiten in kolom 4 van de bijlage bij het Besluit m.e.r en indien sprake is van een geval zoals opgenomen in kolom 2. Voor categorie D.11.2 is sprake van een dergelijk geval indien de activiteit betrekking heeft op (1) een oppervlakte van 100 hectare of meer, (2) een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of (3) een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft. Onderhavige ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in bovengenoemde activiteit. De ontwikkeling ligt ruim onder de drempelwaarde. Een vormvrije m.e.r-beoordeling is dan noodzakelijk. In onderdeel D van het Besluit m.e.r.

is de activiteit (15.2) "De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater. " opgenomen. In onderhavig plan is sprake van een (tijdelijke) grondwateronttrekking in verband met de realisatie van een ondergrondse parkeergarage. Het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom ook voor deze activiteit nodig. Voor het plan is een aanmeldnotitie opgesteld (Bijlage 10). Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling (en voorgaande paragrafen) blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

4.14

Conclusie

De milieu- en andere sectorale aspecten ten aanzien van het onderhavige plan zijn onderzocht en hierboven toegelicht. Deze aspecten vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Juust

31

Stationsweg 14, Hulst

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs. Dit plan betreft een 'aangewezen' bouwplan, zoals dat hiervoor is benoemd. De gemeente Hulst sluit met de initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst waarin onder andere het kostenverhaal is geregeld. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Ook eventuele planschade wordt op de initiatiefnemer verhaald. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Voor het verkrijgen van de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) zullen de gebruikelijke leges in rekening worden gebracht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Participatie De iniatiefnemer organiseert een informatieavond- of middag voor buurtbewoners en belanghebbenden met, indien daar behoefte aan is, één of meerdere vervolgsessies. De informatiesessie zal worden voorbereid conform de voorschriften zoals opgenomen in het in november 2022 vastgestelde beleidsdocument 'Participatiebeleid voor initiatieven in de fysieke leefomgeving'. Het plan van aanpak voor het participatietraject is reeds ingediend. Ter inzage legging ontwerpbesluit omgevingsvergunning Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning wordt, tezamen met de aanvraag en de daarbij behorende stukken waaronder deze ruimtelijke onderbouwing, zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend. De ontwerpvergunning voor het realiseren van twee appartementengebouwen met 45 appartementen en een ondergronds parkeergarage op de locatie Stationsweg 12a t/m 12u, Traverse 20 t/m 72 en Van Dalsumplein 2 heeft zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de periode van de terinzagelegging zijn vier zienswijzen ingediend.

Eén van de zienswijzen (Stationsweg 10) stelt dat de ruimtelijke gevolgen, specifiek bezonning en afname privacy, niet goed zijn onderbouwd. Bezonning Door Deerns is op 6 maart 2024 een bezonningsstudie uitgevoerd (Bijlage 11). Hieruit blijkt dat in de huidige situatie drie ramen op de begane grond en eerste verdieping niet voldaan de 'lichte' TNO-norm. Deze ramen bevinden zich in de hoek van de zuid- en zuidwestgevel. In de toekomstige situatie is vastgesteld dat twee ramen op de begane grond niet voldoen aan de 'lichte' TNO-norm. Deze ramen bevinden zich in de hoek van de zuid- en zuidwestgevel. Volgens de resultaten is de huidige situatie vergelijkbaar met de nieuwe situatie en hetzelfde aantal van ramen voldoen niet aan de "lichte" TNO-norm. Geconcludeerd kan worden dat de situatie verbetert ten opzichte van de huidige (planologische) situatie. Privacy Indieners stellen dat de appartementengebouwen zorgen voor een onaanvaardbare inbreuk op hun privacy en aantasting van hun woongenot. Naar aanleiding van zorgen over bezonning en privacy heeft initiatiefnemer de situering van appartementengebouw B reeds aangepast, door dit 5 meter opzij en 1 meter naar achteren te verplaatsen. Inkijk en vermindering van privacy zijn bij ontwikkeling in binnenstedelijk gebied onvermijdelijk.

Juust

32

Stationsweg 14, Hulst

Tussen de voorziene bebouwing en het perceel van indieners loopt een groenstrook, de afstand tussen de nieuwbouw en het perceel is op het kortste punt circa 19,7 meter tot de kavel van indieners en circa 26,3 meter tot de hoekpunt van de woning. Ter plaatse van de zijgevel van appartementengebouw B zijn 5 appartementen (begane grond, eerste-, tweede- en derde verdieping) en 16 kozijnen en 3 dakkappelen ramen gesitueerd, de achtergelegen appartementen hebben met 8 kozijnen mogelijk zicht op het perceel van indieners. Vanaf de begane grond zal echter, vanwege de erfafscheiding, geen zicht zijn op de tuin van indieners. Het gebouw aan Traverse 2 is circa 14,5 meter hoog en zal voor een deel het zicht op de tuin van indieners ontnemen. Appartementengebouw B kan desondanks leiden tot vermindering van de privacy voor indieners. Gelet op de omstandigheid dat het plangebied en de tuin van indieners zijn gelegen in binnenstedelijk gebied, er geen recht op blijvend uitzicht bestaat en dat een woonsituatie vrij van inkijk in binnenstedelijk gebied niet kan worden gegarandeerd, is de afname van uitzicht en privacy niet onaanvaardbaar.

Juust

33

Stationsweg 14, Hulst

Bijlagen

Juust

34

Stationsweg 14, Hulst

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek

Juust

35

Stationsweg 14, Hulst

ARTEFACT! RAPPORT 658

Hulst Stationsweg 14 Gemeente Hulst Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg F.G.R. D’hondt

Colofon Titel

Hulst Stationsweg 14. Gemeente Hulst. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Auteur(s)

M. van den Berg MA en drs. F.G.R. D’hondt

Artefact rapport

AR658

Status rapport

Definitief Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid

Datum

19 mei 2022

Projectcode

2021ART98

Projectleider veldwerk

Drs. F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

Projectmedewerker(s)

-

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

drs. F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2022 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Inhoud Samenvatting .......................................................................................................................................... 4 Administratieve Gegevens.......................................................................................................................... 5

1

Inleiding ..................................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek........................................................................................................7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen................................................................................. 8 1.3 Wettelijk kader en beleid ............................................................................................................10 1.4 Plangebied en planvorming ......................................................................................................... 11

2

Archeologisch bureauonderzoek .............................................................................................. 13 2.1 Methoden ................................................................................................................................ 13 2.2 Landschap en geologie ...............................................................................................................14 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling........................................................................................ 14

2.2.2

Aardkundige waarden .................................................................................................... 20

2.3 Historie....................................................................................................................................25 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling ............................................................................... 25

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis................................................................................................. 36

2.4 Archeologische waarden.............................................................................................................38 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden........................................................................................... 46 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel .............................................................................................. 46

3

Inventariserend veldonderzoek ................................................................................................ 50 3.1 Methoden ................................................................................................................................50 3.2 Geologie en bodem.................................................................................................................... 51 3.3 Archeologie .............................................................................................................................. 53

4

Conclusie en Advies.................................................................................................................. 54 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen.................................................................................54 4.2 Advies ..................................................................................................................................... 55

Lijst met figuren ..................................................................................................................................... 58 Bronnen ................................................................................................................................................ 60

Bijlage 1

AMZ-cyclus......................................................................................................................... 64

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen.................................................................................. 65

Bijlage 3

Tijdstabel ........................................................................................................................... 66

Bijlage 4

Planvorming ....................................................................................................................... 68

Bijlage 5

Boorstaten.......................................................................................................................... 69

3

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Samenvatting Juust bereidt een initiatief voor om woningbouw te realiseren binnen een plangebied aan de Stationsweg 14 te Hulst (gemeente Hulst). In het kader van de hiertoe benodigde bestemmingsplanwijziging heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ In het plangebied jonge afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig zijn; ⎯ Oudere archeologisch relevante niveaus als gevolg van erosie door de Walcheren-afzettingen niet meer aanwezig zijn; ⎯ In een groot deel van het plangebied een hoge verwachting geldt op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd, die samenhangen met de ligging van het plangebied ter hoogte van de vestingwerken rond Hulst en ter hoogte van de 18de -eeuwse haven; ⎯ In een ander deel van het plangebied een lage archeologische verwachting geldt als gevolg van verstoringen; ⎯ Eventueel aanwezige archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling.

Op basis hiervan wordt geadviseerd: ⎯ Dat de archeologische waarde van een deel van het plangebied (namelijk daar waar een hoge verwachting geldt) nog niet in voldoende mate in kaart is gebracht; ⎯ Dat in dit deel vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht indien dieper verstoord zal gaan worden dan 0,50 m -mv; ⎯ In de bestemmingsplanwijziging de bestaande dubbelbestemming voor dit deel van het plangebied in stand te laten; ⎯ Dat in een kleiner deel van het plangebied de archeologische verwachting laag is als gevolg van verstoringen; ⎯ In de bestemmingsplanwijziging de bestaande dubbelbestemming voor dit specifieke deel van het plangebied op te heffen. Indien, ondanks dit onderzoek, toch relevante archeologische vindplaatsen aan het licht komen, geldt een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).

4

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Administratieve Gegevens Projectnaam

Hulst Stationsweg 14

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Hulst

Plaats

Hulst

Adres / Locatie

Stationsweg 14

Hoekpunten coördinaten RD Centrum coördinaat RD

NW 61.700 / 366.247 NO 61.760 / 366.201 ZW 61.683 / 366.183 ZO 61.747 / 366.158 61.721 / 366.200

Kaartblad

55A

Kadastraal perceel

Gemeente Hulst, Sectie A, Perceel 2901 en Sectie M, Perceel 272

Oppervlakte plangebied

4.040 m²

Vigerende bestemmingsplan

Binnenstad Hulst Geconsolideerd (2020)

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen (mail helpdesk ZAD, 15 november 2021)

OPDRACHTGEVER Naam

Juust

Contactpersoon

Dhr. G. Verweij

Adres

Goessestraatweg 17a, 4421 AD Kapelle

Telefoon

06 82731420

Email

gerard@juust.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Hulst

Contactpersoon

Dhr. G.J.J. de Vaan

Adres

Postbus 49, 4560 AA Hulst

Telefoon

14 0114

Email

G.de.Vaan@gemeentehulst.nl

5

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Edufact Advies in Erfgoed

Contactpersoon

Mevr. N. de Visser

Adres

Mariekerkseweg 34, 4364 AS Grijpskerke

Telefoon

06 232 846 62

Email

nathaliedevisser@edufact.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres Telefoon

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/2 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Begin/einddatum veldwerk

1 december 2021

Projectnummer Artefact

2021ART98

Archis onderzoeksmelding

5132519100

Vindplaats(en)

-

6

ARTEFAC T RAPPORT 658

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

HULST STATIONSWEG 14

In opdracht van Juust heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Stationsweg 14 te Hulst (gemeente Hulst; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om hier woningbouw te realiseren. Hiertoe wordt de voormalige Rabobank gesloopt. Het plangebied omvat twee percelen die kadastraal bekendstaan onder Gemeente Hulst, Sectie A, Perceel 2901 en Sectie M, Perceel 272 en beslaat een oppervlakte van 4.040 vierkante meter (m 2).

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2020.

Het plangebied is binnen bestemmingsplan Binnenstad Hulst Geconsolideerd (2020) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Centrum. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 50 m2 en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld (-mv). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het kader hiervan is voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd. 7

ARTEFAC T RAPPORT 658

1.2

HULST STATIONSWEG 14

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ- cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.

⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.

1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4. 2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5. 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

8

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst – www.imergis.nl.

9

ARTEFAC T RAPPORT 658

1.3

HULST STATIONSWEG 14

Wettelijk kader en beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 4 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.

Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 5 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening.

Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. De basis van het beleid voor de binnenstad van Hulst en de dorpskernen Clinge en Nieuw Namen wordt gevormd door een in 2006 door ADC opgestelde verwachtings- en beleidsadvieskaart. 6 Deze is in aangevuld met een in 2011 door Vestigia BV opgesteld beleidsnota en beleidskaart voor het volledige grondgebied van de gemeente Hulst. 7 Beide 4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 6 Demey et al. 2006. 7 Alkemade et al. 2011.

10

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

beleidsstukken zijn komen te vervallen en zijn vervangen door het sinds 2017 vigerende Hulst Archeologie- en Aardkundebeleid. 8 Raadpleging van de Archeologische Beleidskaart gemeente Hulst leert dat het plangebied deel uitmaakt van de gewaardeerde stadskern van Hulst. Binnen het plangebied is het bestemmingsplan Binnenstad Hulst Geconsolideerd (2020) vigerend en geldt een enkelbestemming Centrum. Mogelijke archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 50 m2 en dieper reiken dan 0,40 m -mv. Als deze ondergrenzen overschreden worden, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het kader hiervan dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden.

1.4

Plangebied en planvorming

Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Hulst, aan de zuidelijke rand van de oude stadskern (figuren 1 t/m 3). Het plangebied omvat twee percelen die kadastraal bekendstaan onder Gemeente Hulst, Sectie A, Perceel 2901 en Sectie M, Perceel 272 en beslaat een oppervlakte van 4.040 m2. Dit staat thans bekend als het terrein van de Rabobank met het ten noorden hiervan gelegen Van Dalsumplein, waar zich een parkeergelegenheid bevindt. Het bankgebouw en de parkeergelegenheid zijn nog aanwezig. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Stationsweg. Aan de zuidzijde wordt het begrensd door het water van de Oude Vaart. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door een groenstrook met ten westen daarvan de parkeerplaats ‘Havenfort’. Een klein deel van het plangebied aan de noordwestzijde van het plangebied wordt begrensd door de Traverse. Aan de noordoostzijde wordt het plangebied begrensd door tuinen (perceelnummers 2603 en 3155). Het planvorming omvat het slopen van het aanwezige bankgebouw en het realiseren van 36 appartementen in twee zogenoemde urban villas in het noordwesten en zuidoosten van het plangebied (zie bijlage 4). De twee urban villas zullen worden onderkelderd. Tussen de beide gebouwen, onder de aan te leggen groenvoorziening, komt een parkeergarage met 32 parkeerplaatsen.

De ontgravingsdiepten en de precieze ligging van de parkeergarage zijn nog onbekend. Ook over de funderingsdiepte en -methode is nog geen informatie beschikbaar. Tevens zullen in het zuidwesten van het plangebied parkeerplaatsen worden aangelegd. In de overige delen van het plangebied wordt groen/begroeiing voorzien. 9

8 Gemeenteblad Hulst nr. 99271, 14 juni 2017. 9 Schriftelijke communicatie dhr. G. Verweij (Juust), 26 oktober en mondelinge communicatie dhr. Verweij, 16 november

2021.

11

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 3 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2020). Bron: ESRI Nederland, Beeldmateriaal.nl.

12

ARTEFAC T RAPPORT 658

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

HULST STATIONSWEG 14

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 10 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Provinciaal depot:

archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

10 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

13

ARTEFAC T RAPPORT 658

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling 11

HULST STATIONSWEG 14

Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en De Vries zijn gepubliceerd. 12 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 5. Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Oostelijk Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied valt, vormt een vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kunnen zijn. Daartussen loopt een dekzandrug als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd.

De oudste in Zeeland dagzomende afzettingen behoren tot de Formatie van Oosterhout. Deze afzettingen zijn gevormd in het Plioceen (5.300.000-2.600.000 jaar geleden), de periode die voorafging aan het Pleistoceen. Deze sterk gelaagde mariene zanden, okergeel tot bruinrood van kleur, met schelpenrijke lagen en plaatselijk harde ijzerhoudende banken, dagzomen in Nederland alleen in Nieuw Namen. 13 In het Vroeg-Pleistoceen, tijdens het Tiglien (2.450.000-1.800.000 jaar geleden), ontstond een brede, oost-west georiënteerde erosiegeul, benoemd als de Vallei van Zeeland. De afzettingen in deze vallei zijn van fluviatiele oorsprong en worden benoemd als de Formatie van Maassluis. Deze afzettingen komen enkel voor in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 14 In het Laat-Pleistoceen, tijdens het Eemien (130.000-115.000 jaar geleden), hebben zich marien beïnvloede fluviatiele afzettingen gevormd. Deze (matig) grove zanden met een hoge grindfractie, schelpgruis en grove schelpen behoren tot de Eem Formatie werden enkel in West-Zeeuws-Vlaanderen herkend. Afzettingen van de Formatie van Maassluis en de Eem Formatie komen nergens in Zeeuws-Vlaanderen aan of nabij het oppervlak voor.

Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000-11.755 jaar geleden), werden vanuit het droogliggende Noordzeebekken eolische zanden afgezet, behorend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het betreft fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes. 15 De laatste ijstijd wordt gekenmerkt door een afwisseling van warmere en koudere fasen, de zogenaamde interstadialen en stadialen. Deze klimaatschommelingen manifesteerden zich vooral sterk in het Vroeg- en Laat-Glaciaal. In het algemeen zijn in West-Zeeuws-Vlaanderen met name de vroeg-glaciale interstadialen goed herkenbaar, terwijl in Oost-Zeeuws-Vlaanderen de laat-glaciale interstadialen beter vertegenwoordigd zijn, met name het Bøllinginterstadiaal (14.650 tot 14.000 BP) en Allerød-interstadiaal (13.900 tot 12.850 BP), waarin zich vegetatieniveaus hebben gevormd. 16

11 Deze paragraaf is gebaseerd op, en grotendeels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken van Artefact naar

plangebieden in Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 12 Vos & De Vries 2013. 13 Van Rummelen 1977a. 14 Van Rummelen 1977b: 11. 15 Van Rummelen 1977b: 12. 16 Berendsen 2004: 220.

14

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Het dekzandlandschap van de Formatie van Boxtel wordt gekenmerkt door een brede dekzandrug. Deze duikt op ter hoogte van Gistel (West-Vlaanderen, België) en is met korte onderbrekingen van Maldegem tot Stekene (OostVlaanderen, België) in de ondergrond aanwezig (Grote Dekzandrug op figuur 4), om van daar meer naar het noorden af te buigen, over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (Rillandrug op figuur 4; het plangebied bevindt zich op het zuidelijke deel van deze Rillandrug). Deze brede dekzandrug is ontstaan doordat de eolische zanden hier werden tegengehouden door hoger gelegen tertiaire klei. Ten noordwesten van deze dekzandrug, in het huidige Zeeuws-Vlaanderen, ontwikkelden zich verschillende zuidwest-noordoost georiënteerde stuifzandruggen, die naar het noorden toe lager werden. De Rillandrug verhinderde dat de toenmalige Schelde ter hoogte van het huidige Rilland een westelijke richting kon nemen. De rivier stroomde destijds via het doorbraakdal van Hoboken naar het noorden en mondde uit in de Rijn-Maasvallei. Pas veel later zou de rivier zeewaarts gaan stromen via de Oosterschelde. Tot ver in de Middeleeuwen was van de Westerschelde zoals we die nu kennen, nog maar weinig te bespeuren. 17

Figuur 4 Ligging van de pleistocene cuesta’s (asymmetrische heuvels) en dekzandruggen. Bron: Verbruggen 2002.

17 Verbruggen 2002: 11.

15

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

16

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos & De Vries 2013.

17

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Vanaf het begin van het Holoceen veranderde het klimaat ingrijpend. Het smelten van het landijs van de laatste ijstijd en de daaruit voortvloeiende sterke stijging van de zeespiegel zorgde voor een nieuwe reeks van afzettingen. De sterke stuwing van het grondwater ten gevolge van de zeespiegelstijging veroorzaakte op veel plaatsen langs het westelijke Nederlandse kustgebied veengroei op het pleistocene substraat. Dit veen wordt tot het Basisveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) gerekend. In Zeeuws-Vlaanderen is het Basisveen enkel als duidelijk te onderscheiden laag aangetroffen in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 18 Hier bevindt het veen zich tussen het pleistocene dekzand en de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Deze afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn ontstaan tijdens het holoceen maximum. Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond de zeespiegel zich op een maximum. Hierdoor ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze geulen werden de oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Buiten deze getijdengeulen werden de aanwezige veen- en/of dekzandpakketten bedekt met dikke lagen marien sediment.

19 Enkel de lagergelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen werden tijdens het holoceen maximum overstroomd door de zee. In de overige delen van Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied, vond door de hoge ligging van het pleistocene landschap geen overstroming plaats en zijn dan ook geen afzettingen van het Laagpakket van Wormer aanwezig. Door een verminderde invloed van de zee ontwikkelde zich hierna opnieuw een veenlaag, het zogenaamde Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen, waar de getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer geen invloed hadden, ontwikkelde het veen zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen. Hierbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen het Basisveen en het Hollandveen. In West-Zeeuws-Vlaanderen en het westelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen begon de veenvorming pas laat door de hoge ligging van het pleistocene dekzand: tussen het Laat-Atlanticum in het noorden en in het zuiden in de tweede helft van het Subboreaal, tot het begin van het Subatlanticum. Overal is de veenvorming echter doorgegaan tot na de Romeinse tijd.

De gebieden achter de pleistocene dekzandrug tussen Hulst en het Land van Saaftinge werden beschermd tegen een groter wordende mariene invloed en overstromingen, waardoor ten oosten van deze rug de veengroei ononderbroken door kon gaan en het veen een veel grotere dikte bereikte dan in de westelijker gelegen gebieden. Volgens pollenanalyses bleef de veenvorming in dit zoetwatermilieu van de Schelde doorgaan tot circa 700 n. Chr. 20 Volgens de paleogeografische kaarten van Vos & De Vries (2013; figuur 5) was het plangebied tussen 500 v. Chr. en 800 n. Chr. met veen begroeid. Dit is echter onderwerp van discussie. Over de maximale veenuitbreiding, waarbij eventueel ook dagzomende pleistocene dekzandruggen door een veenpakket afgedekt werden, zijn de meningen namelijk verdeeld. 21 De kans bestaat dat ook de hoger gelegen pleistocene dekzandgronden met veen begroeid zijn geweest, maar dat alle sporen van dit veen, door ontginning, verdwenen zijn. Door een combinatie van een klimatologisch nattere fase, een goede ontwatering van het veen, de bijhorende klink en wellicht ook door menselijk ingrijpen, kwam het kustgebied na een lange periode van veengroei weer geleidelijk onder invloed van de zee. In Zeeuws-Vlaanderen is die evolutie nauw verweven met de zeearm die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand ging insnijden naar het oosten; dit zou later de Westerschelde worden.

Deze zeearm moet al in de pre-Romeinse tijd aanwezig zijn geweest in de vorm van en getijdengeul. 22 Via ontwateringsgeulen in het veen en vermoedelijk ook via door mensen gegraven kanalen werd deze geul gevoed. Door de geleidelijke daling van het veenlandschap ten gevolge van het inzakken van het veen en wellicht ook de ontginning van het veen, kon het zeewater gedurende de Romeinse tijd steeds verder het binnenland in dringen. In de loop van de 2 de of 3de eeuw begon het veenlandschap dan ook geleidelijk te veranderen in een getijdenlandschap. Dit proces werd in het laatste kwart van de 3de eeuw versneld door de teloorgang van de beperkte waterbouwkundige infrastructuur die was aangelegd in de Romeinse tijd. 23 Daar waar getijdengeulen zich in het bestaande landschap insneden, werden zandige pakketten afgezet. Buiten deze geulen werden de hoger gelegen veengronden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware 18 Van Rummelen 1977b: 36. 19 Vos & Van Heeringen 1997: 53. 20 Vos & Van Heeringen 1997: 50-51, 60. 21 Zie onder andere Gottschalk 1984; Augustyn 1986 en De Kraker 1997.

22

Vos & Van Heeringen 1997. Deze getijdengeul is wellicht wat in historische bronnen uit de volle Middeleeuwen omschreven staat als de ‘Sincfal’. 23 Lases & De Kraker 2009: 30.

18

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

klei. Deze afzettingen, die benoemd zijn als het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak, behalve in relatief hooggelegen delen. Aan de kust was dit proces omstreeks 750 na Chr. zo goed als voltooid, waardoor de menselijke invloed op dit gebied sterk toenam. Tussen het einde van de 10de en het einde van de 11 de eeuw werden de getijdengeulen in de kustvlakte ingedijkt, wat uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied. 24 Aangezien het noordelijke deel van Zeeuws-Vlaanderen een vergelijkbaar landschap vertoont, kan gesteld worden dat dit hier ook gebeurd is. Bedijking zorgde ervoor dat de Honte zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, hetgeen het binnendijkse gebied gevoeliger maakte voor stormvloeden, zoals die van 1375, de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en 1421 en de grootschalige overstroming van 1530. 25 Deze stormvloeden, maar ook militaire inundaties in de Tachtigjarige Oorlog, zorgden ervoor dat dit gebied weer sterk onder invloed van de zee kwam te staan. 26 Smalle en brede inbraakgeulen sneden zich in in het landschap en de lagergelegen delen werden overspoeld. Tot ver landinwaarts werd een dik pakket sediment afgezet. Hierdoor raakten grote delen van het oude landschap bedekt.

27 Ook deze nieuwe sedimenten en geulafzettingen worden tot het Laagpakket van Walcheren gerekend. Volgens de paleogeografische kaarten is ook het plangebied met Walcheren-afzettingen afgedekt.

24 Tys 2010. 25 De Kraker 1997: 21. 26 Strydonck & De Mulder 2000: 109. 27 Van Rummelen 1977b: 26-48.

19

ARTEFAC T RAPPORT 658

2.2.2

HULST STATIONSWEG 14

Aardkundige waarden

Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland28 (figuur 6) ligt het plangebied binnen een zone met code Na15, hetgeen wil zeggen dat hier sprake is van zeekleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) op pleistocene zandformaties. Direct ten westen van het plangebied bevindt zich een langwerpige zone met code Bx5, wat betekent dat hier sprake is van dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Deze langwerpige zone wordt vanuit noordelijke richting ingesneden door een langwerpige, groengekleurde zone met code Na2; dit betreft zeeklei en -zand van de Formatie van Naaldwijk.

Figuur 6 Ligging van het plangebied (in rood) op de Geologische Overzichtskaart van Nederland. Bron: De Mulder et al. 2003.

Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland29 (figuur 7) bevindt het grootste deel van het plangebied zich in ongekarteerd gebied. De zuidelijke hoek maakt echter deel uit van een zone met code DP0.3b met witte stippen, hetgeen inhoudt dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb (Laagpakket van Walcheren volgens de nieuwe nomenclatuur) op niet-geërodeerd Pleistoceen. Of dit naar de rest van het plangebied geëxtrapoleerd kan worden, is niet helemaal zeker omdat de Geologische Kaart in de omgeving van Hulst veel variatie aangeeft. Zo is sprake van dagzomend pleistoceen dekzand ten noordoosten van Hulst. Ten noorden en ten oosten van Hulst wordt het dekzand volgens de Geologische Kaart afgedekt door Duinkerke III-afzettingen, waarbij het dekzand ten noorden van Hulst zwak is geërodeerd. Ten zuidwesten van Hulst - en het plangebied - bevindt zich bovendien een zone met

28 TNO 2010, naar De Mulder et al. 2003. 29 Van Rummelen 1977a.

20

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

kreekafzettingen van Duinkerke IIIb. Volgens de bijkaarten valt in en rond het plangebied geen Hollandveen te verwachten en vallen de pleistocene afzettingen te verwachten vanaf een hoogte van NAP tot 1,00 m +NAP.

Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) en situering van de geselecteerde DINO-boringen op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a.

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) is bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket30 leert dat binnen het plangebied geen boringen bekend zijn. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere boringen verricht. Hieronder worden de vier meest nabije boringen besproken waarvan zowel lithologie als lithostratigrafie in het DINOloket beschikbaar zijn. De locaties staan genummerd aangegeven op figuur 7. ⎯ In boring 1 (B55A0445), 400 m ten zuidwesten van het plangebied, bestaat de bovenste 1,30 m -mv (tot 0,80 m +NAP) uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Hieronder is tot aan de einddiepte van 1,35 m -mv/ 0,75 m +NAP zand van de Formatie van Boxtel aangeboord. ⎯ In boring 2 (B55A0002), 200 m ten zuidwesten van het plangebied, is de bovenste 9,20 m -mv (tot 8,20 m NAP) herkend als zand van de Formatie van Boxtel. Hierbij valt op te merken dat deze boring volgens de Geologische Kaart van Van Rummelen ter plaatse van een Duinkerke-kreek is geplaatst.

30 www.dinoloket.nl: geraadpleegd op 9 november 2021.

21

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

⎯ In boring 3 (B55A0006), 70 m ten noorden van het plangebied, bestaat de bovenste 5,10 m -mv (tot 4,10 m NAP) uit zand van de Formatie van Boxtel, dat zandafzettingen van de Formatie van Oosterhout afdekt. ⎯ In boring 4 (B55A0001), 500 m ten noordoosten van het plangebied, bestaat de bovenste 5,00 m -mv (tot 3,65 m -NAP) uit dekzand van de Formatie van Boxtel. Hieronder bevindt zich de Formatie van Oosterhout. Uit de DINO-boringen valt op te maken dat ten noordoosten van het plangebied sprake is van dagzomend pleistoceen dekzand. Ten zuidwesten van het plangebied wordt het pleistocene dekzand in elk geval plaatselijk afgedekt door Walcheren-afzettingen. Een appelboormodel van DINO voorspelt binnen het plangebied tot 1,00 m -mv/ 0,25 m +NAP afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, met hieronder een 7 m dik pakket afzettingen van de Formatie van Boxtel, op afzettingen van de Formatie van Oosterhout. Geomorfologie Op de Geomorfologische Kaart van Nederland31 (figuur 8) ligt het plangebied in ongekarteerd gebied. Ten westen van het plangebied staat een blauwgekleurde zone met code 2R13/14 aangegeven, hetgeen wil zeggen dat hier sprake is van een getij-(kreek)bedding/zee-erosiegeul. Een restant hiervan is als bestaande waterloop zichtbaar; dit water loopt via de zuidzijde van het plangebied door in oostelijke richting.

Ten westen van de getij-(kreek)bedding/zee-erosiegeul staat een bruingroen gekleurd gebied aangegeven met code 3L5 (dekzandrug, al dan niet met oud bouwlanddek) binnen een groengekleurde vlakte met code 2M14 (vlakte van ten dele verspoelde dekzanden, vervlakt door veen en/of overstromingsmateriaal).

Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1987.

31 Brus & De Lange 1987.

22

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Bodem Op de Bodemkaart van Nederland 32 (niet afgebeeld) bevinden het plangebied en ruime omgeving zich in een ongekarteerde zone. Op basis hiervan vallen over de bodem in het plangebied geen uitspraken te doen.

Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in en rond het plangebied (figuren 9 en 10). Op de hoogtekaart is het zuidwest-noordoost georiënteerde verloop van de dekzandrug te zien waarop Hulst ligt. Binnen de stadskern van Hulst ligt het maaiveld plaatselijk op hoogtes van 4,50 m +NAP. Ten noorden, oosten en zuiden van de stad ligt het landschap duidelijk lager. Ook de militaire versterkingen rond de stad en dijken in de wijdere omgeving steken dankzij hun hoge ligging rood af. In het omliggende landschap kronkelende geulen (of restanten hiervan) te herkennen aan hun lage ligging. Dit is ook het geval ten noordwesten van het plangebied, waar de Oude Vaart naar het westen loopt. Helemaal rechtsonder op de onderstaande figuur is een deel van een hoge dekzandrug te zien waarop Clinge ligt.

Figuur 9 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).

32 Stichting voor Bodemkartering 1980.

23

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Indien wordt ingezoomd, is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van de enveloppe aan de zuidwestzijde van de vesting. Ten westen van het plangebied (en ook meer ten oosten van het plangebied) is te zien dat het terrein van de enveloppe verhoogd is; ter plaatse van het plangebied is van een dergelijke verhoging geen, of minder sprake. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert van circa 1,20 m +NAP in het noorden (op de parkeerplaats) tot rond de 1,80 m +NAP in de rest van het plangebied.

Figuur 10 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).

Samenvattend ligt het plangebied op een pleistocene dekzandrug. Volgens de paleogeografische kaarten heeft het dekzand tot circa 1500 v. Chr. aan het oppervlak gelegen. Daarna was het plangebied volgens deze kaarten met veen begroeid tot in de Middeleeuwen, maar volgens de beschikbare geologische gegevens is hier geen veen (of geen veen meer) in de ondergrond aanwezig. Volgens de Geologische Kaart is het dekzand in het plangebied niet geërodeerd en wordt het afgedekt met een ongeveer 1 m dik pakket afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Ten westen en zuiden van het plangebied bevinden zich kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren.

24

ARTEFAC T RAPPORT 658

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling 33

HULST STATIONSWEG 14

Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch-inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij ook vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport is gebruikgemaakt van meerdere oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten zijn ontwikkeld met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend van voor deze periode moeten als indicatief worden beschouwd. Hulst is ontstaan op de plaats waar een inbraakgeul in de Vroege Middeleeuwen de brede dekzandrug doorsneed. Deze geul, vermoedelijk de Saxvliet genaamd, verbond Hulst met de huidige Westerschelde (toen De Honte). 34 De eerste nederzetting was mogelijk een opgeworpen hoogte die door een burcht werd beschermd.

De locatie hiervan moet gezocht worden ter plaatse van de huidige Vestdijkstraat, Bonte Hondtstraat, Grote Markt en Grote Zwanenstraat met als hoogste punt de Steenstraat. Op de kaart van Vredius (een reconstructiekaart uit de 17de eeuw) met daarop de situatie omstreeks 861, komt de naam ‘Hulstum’ reeds voor. De Duitse keizer Otto II schonk het Castrum Hulstum aan de bisschop van Utrecht in 892. De naam Castrum is een aanwijzing voor een versterkte plaats. Hulst is dus wellicht ontstaan (zoals veel Vlaamse steden) als een nederzetting op verhoogde plaats met een burcht en enkele boerderijen daaromheen. 35 In 1012 werd het oostelijk deel van het huidige Zeeuws-Vlaanderen in belening gegeven door de Duitse Keizer Hendrik II aan de Vlaamse graaf Boudewijn IV. Het behoorde tot het graafschap van Gent, waarbij Hulst het centrum vormde van het bestuursdistrict Hulster Ambacht. Hulst kwam in de 11 de eeuw als bestuurscentrum tot bloei; kerken werden gebouwd of herbouwd. In 1108 schonk de bisschop van Utrecht de Capellum Hulstum aan het kapittel van Sint-Salvator. In 1180 kreeg Hulst stadsrechten verleend door graaf Filips van den Elzas. 36 De economische pijlers van de stad waren de lakenhandel, moernering en zoutproductie en -handel. Naast de functie als handelsstad (met verschillende markten) vestigden zich er ook monniken.

Verschillende orden stichtten binnen de stad een refugehuis, als beschermingsmaatregel in deze oorlogsgevoelige tijden. Bestuurlijk viel dit gebied vanaf de Late Middeleeuwen onder de Vier Ambachten. Dit was een samenvoeging van het Axeler, Hulster, Boekhouter en Asseneder Ambacht onder een gemeenschappelijke keure. 37 In deze bestuurlijke eenheid werd naast waterbeheer en dijkwerken ook rechtspraak uitgeoefend. 38 In de 12de en 13de eeuw hadden de Heren van Maelstede een slot in Hulst (het stamslot bevond zich in Kapelle, Beveland). Deze heren hadden grote belangen in het gebied van de Vier Ambachten en met name in Hulst. Het kasteel lag ten oosten van de stad. Wolfert II zou in de 13 de eeuw de oude Sint-Pieterskapel en het kasteel hebben verbouwd. Toch blijkt uit de stadsrekeningen dat Hulst tot 1341 een onversterkte plaats was. 39 Op een 17de -eeuwse kopie van de zogenaamde Dampierrekaart (figuur 11), die een beeld schetst van de situatie in het noorden van het Graafschap Vlaanderen omstreeks 1274, is Hulst als onversterkte stad te zien. Het Hulster Ambacht is weergegeven met een gele kleur, met Hulst als centrale plaats. De globale ligging van het plangebied, ten zuidwesten van de stad, is met een rode cirkel aangeduid.

33 Deze paragraaf is gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken van Artefact naar

plangebieden in Hulst, gewijzigd naar het onderhavige plangebied en aangevuld met specifieke en aanvullende gegevens. 34 Brand 1972: 7. 35 De Meulemeester 1993: 139. 36 Brand 1972: 3-7. 37 Gottschalk 1984. 38 De Kraker 2004: 51-52. 39 Brand 1972: 29.

25

ARTEFAC T RAPPORT 658

HULST STATIONSWEG 14

Figuur 11 Globale ligging van het plangebied (in de rode cirkel) op uitsnede uit een 17de-eeuwse kopie naar de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. Bron: Rijksarchief Gent; RAG-065-7.

Vanaf de tweede helft van de 14 de eeuw werd Hulst systematisch versterkt. In 1452 werd de stad veroverd door de Gentenaren en voor een groot deel verwoest. Vervolgens kreeg de stad tussen 1460 en 1471 verdedigingswerken in de vorm van een aarden wal met daarvoor een gracht. 40 De stad kreeg vier poorten, waaronder aan de zuidzijde de Hospitaalpoort, later de Gentse Poort geheten. 41 De stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit omstreeks 1560 laat Hulst zien als een cirkelvormige, versterkte stad met een brede stadsgracht (figuur 12). Langs de toegangswegen buiten de stad is verspreid bebouwing aanwezig. Het plangebied (aangegeven met de rode cirkel) lag buiten de versterkte stad. Het is globaal te situeren ten westen van de zuidwestelijke toegangsweg (die qua ligging correspondeert met die van de tegenwoordige Steensedijk), die leidt naar de Gentse Poort. Aan de oostzijde van deze weg is enige bebouwing te zien; aan de westzijde ervan staat geen bebouwing aangegeven. Wel lijkt de kaart, schematisch, een klein bouwwerk aan te geven langs de gracht, min of meer ter hoogte van het noorden van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13978934/1