CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

GRP Hulst, definitief Ontwerp totaal

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026.30.930 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De hemelwaterzorgplicht heeft betrekking op het op een perceel verzameld hemelwater, waarvan de houder zich niet anders kan ontdoen dan door het aan de gemeente als inzamelaar over te dragen. De zorgplicht omvat in beginsel dan ook niet meer, dan het door de gemeente aanbieden van een voorziening, waarin het hemelwater geloosd kan worden. Er bestaat een beleidsmatige voorkeur voor gescheiden rioleren. Bij nieuwbouwwijken wordt deze situatie direct gerealiseerd, in bestaande situaties wordt dit nader afgewogen. Aandachtspunten in dit geval zijn het voorkomen van foutieve aansluitingen en het voorkomen van problemen met ontluchting. De perceeleigenaar draagt de eerste verantwoordelijkheid om het overtollige hemelwater te bergen op zijn eigen perceel. De gemeente heeft vervolgens een inspanningsverplichting om, als dit niet mogelijk is, het overtollige hemelwater te ontvangen en af te voeren. Daarin kent de gemeente een zekere beleidsvrijheid. Dit houdt in dat, afhankelijk van de lokale situatie, de meest doelmatige oplossing zal worden gekozen voor de inzameling en verdere verwerking van het hemelwater. Een kernwoord hierbij is de doelmatige inzameling van het hemelwater. De gemeente toetst op overtolligheid van het aangeboden hemelwater en de mate waarin het hemelwater doelmatig kan worden verwerkt alvorens wordt overgegaan tot het inzamelen van het hemelwater.

Doelmatigheid uit zich hierbij onder meer in een afweging van de kosten van maatregelen, mogelijkheden om aan te haken bij andere maatregelen (bijvoorbeeld afkoppelen), de

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-41-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

duurzaamheid van maatregelen, aspecten ten aanzien van beheer en onderhoud en uniformiteit (één gelijke maatregel voor een hele straat in plaats van diverse ad-hoc oplossingen). De hemelwaterzorgplicht houdt echter ook in, dat de gemeente verantwoordelijk is voor het bergen van hemelwater in het openbaar gebied. Dat is immers haar eigendom. Het ‘Kapelle-arrest’ (2008), waarin de rechter heeft geoordeeld dat de gemeente aansprakelijk was voor schade door hemelwater dat vanaf openbaar gebied particuliere woningen binnenliep, laat zien dat de gemeente zorgvuldig met haar verantwoordelijkheden op het gebied van regenwater dient om te gaan. De gemeente Hulst treft enkel maatregelen in de openbare ruimte. Uit doelmatigheidsoverwegingen worden afkoppelmaatregelen meegenomen in de uitvoering van een project. Het ontharden van particuliere terreinen wordt nadrukkelijk besproken worden in de ontwerpfase van een project. Het oppervlakkig afvoeren van hemelwater is afhankelijk van de mogelijkheden van een gebied. In bestaande situaties, waar geen oppervlaktewater aanwezig is of er geen ruimte of mogelijkheid is om infiltratievoorzieningen aan te leggen, zal noodzakelijkerwijs gekozen moeten worden voor ondergrondse oplossingen. Bij nieuwe ontwikkelingen zal nadrukkelijk gekeken worden naar de mogelijkheden van oppervlakkige afvoer en het niet aanleggen van een hemelwaterstelsel.

6.3.2

Voorkomen van wateroverlast Om invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid en aandacht te hebben voor het voorkomen van wateroverlast in het algemeen is de gemeente op verschillende fronten actief. Het verminderen van het risico op wateroverlast is daarbij het belangrijkste doel. Water kan soms nog op straat blijven staan (waterhinder), maar de inzet is dat water niet de woningen binnen kan lopen (wateroverlast). Waterhinder

= ruime plasvorming op straat en/of tijdelijk water-op-straat geen problemen voor woningen of stremming van vitale infrastructuur.

Wateroverlast = water stroomt bebouwing binnen en er is sprake van schade, vitale infrastructuur (bijvoorbeeld wegen naar kwetsbare voorzieningen) is gestremd. De gemeente Hulst legt de grens tussen wateroverlast en/of waterhinder bij het ontstaan van schade aan eigendommen en het belemmeren van de veiligheid in een gebied. Bij het ontstaan van schade is de afweging of dit een incident (overmacht) is of een structureel probleem. Omdat niet alle knelpunten en verwachte risicogebieden direct opgelost kunnen worden, wordt voorlopig uitgegaan van overmacht. Indien aanrijtijden van politie, ambulance en brandweer in het geding komen door wateroverlast in de hoofd-aanrijroutes zal onderzocht worden of (tijdelijke) maatregelen het knelpunt kunnen verminderen.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-42-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

Bij de uitwerking en het uitvoeren van maatregelen wordt nadrukkelijk ook aandacht besteed aan de eigen verantwoordelijkheid van de bewoners en de particuliere perceeleigenaren. Daar waar water op eigen terrein geborgen kan worden en de hoeveelheid particuliere verharding beperkt blijft of verminderd wordt, neemt de kans op wateroverlast af. Over deze principes zullen bewoners zowel bij specifieke projecten als in het algemeen worden geïnformeerd en zij worden gestimuleerd om hierin hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. Daarnaast wordt bij (nieuwe) rioleringsberekeningen, maar ook bij afkoppelen, rekening gehouden met intensievere neerslagsituaties. Indien er maatregelen geformuleerd moeten worden, wordt uitgegaan van een integrale benadering. Daarbij wordt de oplossing niet alleen gezocht in ondergrondse infrastructuur, maar juist in het beschouwen van de volledige openbare ruimte. Hierbij wordt ook stil gestaan bij opties als bovengrondse afvoer en berging van overtollig hemelwater (klimaatadaptief handelen). Concreet wordt voor rioleringsberekeningen in bestaande gebieden uitgegaan van de richtlijn ‘geen water op straat’ bij neerslagsituatie bui 08 conform de Kennisbank Riolering (20 mm in één uur). Voor nieuwbouwlocaties geldt hierbij bui 09 (circa 30 mm in één uur).

Ook wordt een doorkijk gemaakt met behulp van de zogenaamde klimaatbuien van de stichting Rioned (bijvoorbeeld 70 mm in één uur), waarbij onderzocht wordt wat de bovengrondse effecten zijn van extreme neerslag en de mogelijkheden rondom afvoer en berging in de openbare ruimte. Buitenom het voorkomen van materiele schade en overlast als gevolg van water op straat is het ook van belang om te voorkomen dat burgers in aanraking komen met verontreinigd (afval)water uit oogpunt van de volksgezondheid en het voorkomen van besmetting of ziekte.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-43-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

6.4

Onderzoek en planvorming In het kader van een goede rioleringszorg is het belangrijk om inzicht te hebben in de kwalitatieve staat en het functioneren van het rioolstelsel. Waar nodig dient daarvoor onderzoek te worden uitgevoerd en beleidsuitgangspunten te worden vastgelegd

6.4.1

Inspectie Inspectie van de vrijverval riolering en van de gemalen is noodzakelijk om inzicht te hebben in welke kwalitatieve staat de voorzieningen verkeren. Dit is een belangrijk onderdeel, omdat hiermee bepaald wordt of nog voldaan wordt aan de minimaal gestelde eisen voor de betreffende voorziening. De gemeente Hulst is voornemens om in deze planperiode haar riolering te inspecteren met een frequentie van eenmaal per 15 jaar ofwel circa 15 kilometer riolering per jaar te inspecteren. Dit is gekoppeld aan de reinigingsronde. Het streven is om zoveel als mogelijk aaneengesloten gebieden (kernen of wijken in kernen als geheel) te reinigen en te inspecteren. Leidingen jonger dan 15 jaar worden nog niet geïnspecteerd. Voorts is er ruimte voor nader onderzoek als de inspectieresultaten of calamiteiten daar aanleiding toe geven. Voor de inspectiewerkzaamheden wordt vierjaarlijks een plan uitgewerkt. De inspectieresultaten worden ingelezen in het rioolbeheersysteem. Voor de interpretatie van de inspectieresultaten wordt gebruik gemaakt van de NEN-EN 13508-2, inspectie en toestandsbeoordeling van riolen. Aan de hand hiervan worden per type schade waarschuwings- en ingrijpmaatstaven opgenomen. Op basis hiervan kan worden overgegaan tot reparatie of eventueel vervanging van de riolering. De eerste analysewerkzaamheden worden uitbesteed.

De definitieve beoordeling voor het bepalen van de maatregelen en planning wordt wel door de gemeente zelf uitgevoerd. Gedurende de planperiode zal overwogen worden of de resultaten van het Riobase-onderzoek van de HZ en SAZ+ (assetmanagement) geïmplementeerd kunnen worden in de besluitvorming. De hoofdgemalen en de pompinstallatie van de bergbezinkvoorzieningen worden door een externe partij tweemaal per jaar geïnspecteerd. Op basis van de inspectieresultaten wordt jaarlijks een rapportage opgesteld met een beschrijving van de staat van de gemalen en een voorstel voor reparatie of vervangingswerkzaamheden. De drukrioleringsunits worden een keer per jaar in eigen beheer geïnspecteerd. Periodiek worden alle gemalen gecontroleerd conform NEN 3140 (elektrisch). De herhalingstijd is afhankelijk van de geconstateerde toestand. De hoofdgemalen worden verder continu gemonitord op hun werking met behulp van de gemaalbeheersoftware van Aquaview++. Daarbij werkt de gemeente Hulst samen met de andere Zeeuws-Vlaamse gemeenten Terneuzen en Sluis. Om de afstemming met waterschap Scheldestromen te verbeteren, wordt de gemeentelijke software gekoppeld aan die van het waterschap (SCADA). Op termijn is een gezamenlijke aansturing van de gemalen de

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-44-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

opzet. Daarmee kan het functioneren van zowel de riolering als de rioolwaterzuivering verbeterd worden.

6.4.2

Berekeningen Het functioneren van het rioleringssysteem kan worden beoordeeld met behulp van modelberekeningen. Van alle kernen binnen de gemeente zijn rioleringsberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in basisrioleringsplannen (BRP). Het BRP geeft inzicht in het functioneren van de riolering en biedt oplossingen om dit functioneren waar nodig te verbeteren. De geformuleerde maatregelen uit het BRP zijn gericht op zowel het verminderen van de vuilemissie (indien nodig) als op het verbeteren van het hydraulisch functioneren, maar bevatten soms ook structuurverbeteringen in het rioolstelsel of aanpassingen aan rioolgemalen. Bij de maatregelen wordt bewust een doorkijk gemaakt met intensievere neerslagsituaties in het kader van de klimaatontwikkelingen. De geformuleerde maatregelen uit de vigerende BRP’s zijn, voor zover zij nog niet al zijn uitgevoerd, opgenomen in de vervangingsplanning van dit verbreed GRP. Waar mogelijk worden de maatregelen gekoppeld aan reeds geplande vervangingswerkzaamheden of aan andere projecten, zoals herstraatwerkzaamheden of reconstructies. De maatregelen worden ook afgestemd met het waterschap in het kader van de samenhang met het transportsysteem en het watersysteem. De laatste jaren is bij het uitvoeren van berekeningen een gebiedsgerichte benadering toegepast.

De riolering wordt in de aanwezige vorm doorgerekend met een standaardneerslagsituatie conform de Kennisbank Riolering (bui 08, 09 en 10). Vervolgens wordt de redeneertrant ‘Toekomstbestendige waterhuishouden bebouwd gebied’ toegepast. Dit is het SWO-traject. De maatregelen die uit het onderzoek voortvloeien, worden hydraulisch en milieutechnisch gecontroleerd op effectiviteit. De definitieve maatregelen worden vervolgens in een uitvoeringsplanning opgenomen. In het hele proces wordt zowel intern als extern afstemming gezocht (dorps- en wijkraden, weg- en groenbeheer en waterschap). In de huidige vorm wordt ook droogte meegenomen in het onderzoek. Voor de toekomst wordt verwacht dat de link naar hitte ook geïntegreerd zal gaan worden. De rioleringsberekeningen binnen de SWO-onderzoeken zijn iets minder uitgebreid dan in de vigerende BRP’s. Voor de komende planperiode dienen de BRP’s geactualiseerd te worden. De BRP’s worden opgesteld per geheel zuiveringsgebied. Voor de komende planperiode maakt de gemeente ook onderscheid in de aard van de rioleringsberekeningen. Omdat vanuit het oogpunt van klimaatadaptatie ook het functioneren van de bovengrond van belang is, zullen bij de SWO-onderzoeken ook gericht zogenaamde 2-D berekeningen worden uitgevoerd. Hiermee zijn de oppervlakkige effecten van de afstromende neerslag zichtbaar en daarmee de maatregelen specifieker te formuleren.

Bij de berekeningen wordt, vanuit de lokale klimaatadaptatiestrategie, gerekend met de zogenaamde ‘Herwijnenbui’. Dit is een neerslagsituatie van 93 mm in een uur. Deze neerslagsituatie mag geen onoverkomelijke problemen veroorzaken voor

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-45-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

hulpdiensten en verder moet zo veel als mogelijk voorkomen worden dat er schade ontstaat. Water op straat in woonstraten is wel acceptabel. Voor de op te stellen BRP’s wordt in eerste instantie uitgegaan van een totale 1-D berekening, waarbij desgewenst gericht 2-D berekeningen kunnen worden toegevoegd. De uitkomsten van de 2-D berekeningen kunnen worden gebruikt om de voortgang in de klimaatadaptie in beeld te brengen.

6.4.3

Meten en monitoren Meten en monitoren in het rioleringssysteem is een belangrijke onderzoeksactiviteit met een hoge kenniscomponent. Door te meten wordt meer kennis verkregen over het daadwerkelijk functioneren van de riolering. Deze kennis over het functioneren van de riolering vertaalt zich op de lange termijn in kwaliteitsverbetering, beter inzicht, doelmatiger beheer, vermindering van emissies naar het oppervlaktewater en uiteindelijk ook besparingen. In de riolering zelf wordt niet gemeten. Wel wordt gebruik gemaakt van het eerder genoemde gemaalbeheersysteem in samenwerking met de gemeenten Terneuzen en Sluis. Ook worden de belangrijkste overstorten bemeten om inzicht te krijgen in de overstorthoeveelheden en/of instromend oppervlaktewater. Ook deze data wordt door middel van telemetrie verzameld. Het is van belang de meetresultaten te interpreteren en mee te nemen bij het formuleren van beheermaatregelen. Om tijdig te kunnen anticiperen op storingen en ontwikkelingen is het wenselijk niet alleen inzicht te hebben in de eigen gemeentelijke rioolgemalen, maar ook in de rioolgemalen van waterschap Scheldestromen. Vanuit de samenwerking wordt er daarom een koppeling tussen de SCADA-systemen van het waterschap en van de gemeente gemaakt. Hierdoor wordt het ook mogelijk om sturing te geven aan de toevoer naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties in de gemeente Hulst.

Indien uit het onderzoek van de HZ (Riobase) naar de toepassingsmogelijkheden van assetmanagement bij kleine gemeenten naar voren komt dat er extra monitoring nodig is, zal overwogen worden om dit te implementeren.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-46-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

6.5

Vervangingsplanning De vervangingsplanning is een levend document dat, indien nodig, ieder jaar wordt bijgesteld aan de hand van de jaarlijkse inspectieresultaten van delen van de riolering binnen de gemeente en ontwikkelingen vanuit de ruimtelijke ordening.

6.5.1

Afweging maatregelen Om te komen tot een integraal maatregelenpakket, waar rioolvervanging onderdeel van uit maakt, wordt rekening gehouden met diverse aspecten. De kwaliteit van de rioolleidingen, het functioneren van het stelsel, risico-inschatting als het riool instort en tenslotte de leeftijd van het riolering zijn factoren die benut worden om tot een maatregelkeuze te komen. Daarnaast speelt de noodzaak tot het nemen van maatregelen in het kader van klimaatadaptatie een belangrijke rol in. Samen met de HZ en de SAZ+ wordt een afwegingskader ontwikkeld hoe om te gaan met assetmanagement (Riobase) en risico-gestuurd afwegingen te maken. In de planperiode zal op basis van de resultaten van dit onderzoek besloten worden op welke manier dit kan worden geïmplementeerd in de Hulster werkwijze. Aan de hand van de mogelijke rioleringsmaatregelen vindt afstemming plaats met andere werkzaamheden binnen de openbare ruimte, zowel intern als extern (onder andere nutsbedrijven). Deze (jaarlijkse) interne afstemming met andere disciplines (groen, wegen, ruimtelijke ordening) is van essentieel belang om kosten te besparen en overlast voor burgers zoveel mogelijk te voorkomen. Dat geldt ook voor de afstemming met externe partners, zoals de nutsbedrijven. Extern wordt voor de langere termijn plannen gebruik gemaakt van AZON (Afstemming Zeeuwse overheden en Nutsbedrijven).

De resultaten van de afstemming leiden tot een integraal maatregelenplan voor de openbare ruimte. Tot slot wordt voor het opstellen van een integraal maatregelenplan voor de openbare ruimte uitgegaan van een wijk- of kerngerichte aanpak. Door voor grotere, maar afgebakende gebieden een integraal maatregelenplan op te stellen, ontstaat meer armslag en daarmee ruimte om potentiële kansen vanuit verschillende disciplines te verzilveren.

6.5.2

Renovatie of vervanging Bij renovatie en vervanging van de riolering wordt onderscheid gemaakt in levensduur verlengende maatregelen (renovatie) of het volledig nieuw aanleggen van de voorzieningen (vervanging). Renovatie houdt in veel gevallen in dat een leiding en/of inspectieput wordt bekleed met een kunststof bekleding (zogenaamde relining) die beschadigde of lekke riolen hersteld. De keuze voor renovatie of vervanging is afhankelijk van de karakteristieken van een object en de aard van de schade, maar zeker ook van omgevingsfactoren zoals ligging van de leidingen (weg of tuin), karakter van de weg (druk of rustig), diepteligging, kwaliteit huis-

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-47-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

aansluitingen (gres) en mogelijke combinatie met andere werkzaamheden (bijvoorbeeld herinrichting of afkoppelen). Technische voorwaarden voor relining zijn onder meer zijn dat er een kous (coating) aangebracht moet kunnen worden in de leiding en dat er geen onacceptabele verzakkingen of tegenschot in de rioolstreng aanwezig zijn. Daarnaast is een belangrijke randvoorwaarde voor relinen dat de afmeting van de leiding hydraulisch voldoende is en geen opstuwing veroorzaakt en er dus geen diameteraanpassing moet plaatsvinden. Door relining wordt zowel de instroom van grondwater naar de riolering (rioolvreemd water) als de uitstroom van afvalwater (risico op vervuiling grondwater) voorkomen. De instroom van grondwater heeft een negatief effect op het functioneren van de rioolwaterzuivering.

6.5.3

Afkoppelen Een belangrijke duurzame maatregel om de vuilemissie uit de gemengde riolering terug te dringen, de doelmatigheid van de afvalwaterketen te vergroten en de kans op wateroverlast te verkleinen, is het afkoppelen van verhard oppervlak. Het primaire doel van afkoppelen is het ontvlechten van afvalwater en (schoon) hemelwater. Afkoppeloplossingen worden niet alleen gevonden in (regenwater)leidingen, maar ook in oppervlakkige afstroming, wadi’s of, waar mogelijk, infiltratie. Ook het terugdringen of beperken van de hoeveelheid verharding speelt bij afkoppelen een rol. In geval van het realiseren van nieuwe voorzieningen bij bestaande bebouwing wordt gezocht naar participatie van burgers. Afkoppelen maakt deel uit van het rioleringsbeleid van de gemeente. Daarbij wordt er naar gestreefd om structureel afkoppelkansen te signaleren en te verzilveren, bijvoorbeeld op locaties waar kan worden meegelift met andere werkzaamheden zoals rioolvervanging, herstraatwerkzaamheden of herbouwprojecten in bestaand gebied. Het afkoppelen geschiedt zorgvuldig, met aandacht voor risico’s ten aanzien van de waterkwaliteit en aandacht voor beheer- en onderhoudsaspecten, met name in bestaande gebieden. Ook wordt gewaakt voor kapitaalvernietiging. Dit alles heeft tot doel om te komen tot robuuste en flexibele rioolstelsels die de klimatologische ontwikkelingen aankunnen.

Afkoppelen (zowel bovengronds als ondergronds) is geen doel op zich, maar wordt als potentiële maatregel overwogen in relatie tot de meest actuele inzichten in kosten, beheer en onderhoud, effecten op wateroverlast en vuilemissie, en dergelijke. Iedere keer wordt daarvoor een doelmatigheidsafweging gemaakt, waar deze aspecten bij worden betrokken. Bij elk project zal, afhankelijk van de mogelijkheden van een gebied, een keuze gemaakt worden voor ondergronds dan wel bovengronds afkoppelen. Burgers zullen actief betrokken worden bij het afkoppelen en opvangen van regenwater op eigen terrein. Het

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-48-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

vervangen van verharding door groen op eigen terrein kan bijdragen aan een lagere belasting van het rioolstelsel, het vergroten van de biodiversiteit, het verminderen van het risico van verdroging, het aanvullen van het zoete grondwater en het verlagen van de hittestress in bebouwd gebied. Ook geldt, dat naarmate er minder regenwater afvloeit naar het gemengde stelsel, het risico van verdund afvalwater op straat met risico’s voor de gezondheid van de bewoners kleiner wordt. Indien blijkt dat (onbedoeld) regenwater op de drukriolering zit en voor overlast zorgt, zal onderzocht worden waar de foutaansluitingen vandaan komen en worden de eigenaren verplicht worden om deze foutaansluitingen van de drukriolering af te halen. Bij afkoppelwerkzaamheden is te allen tijde afstemming met het waterschap noodzakelijk in verband met de capaciteit van het ontvangende oppervlaktewater. Naast de eerder genoemde norm voor het hydraulisch functioneren van de riolering is het streven om per zuiveringsgebied een goede afstemming te bereiken tussen de mate van afkoppelen en de capaciteit van de rioolwaterzuivering.

6.5.4

Uitgangspunten vervanging Vervanging van riolen of gemalen vindt in hoofdzaak plaats op basis van de kwalitatieve staat. De kwalitatieve staat van de riolering wordt hoofdzakelijk bepaald op basis van de toestandsaspecten scheuren en lekkage. Dit in relatie tot zandinloop, aantasting, deformatie en instortingen. De ouderdom speelt een ondergeschikte rol. De staat en de functie van de bovenliggende weg daarentegen zijn wel belangrijk in de afweging. Afstemming van het wegbeheer en het rioolbeheer is essentieel om de lastendruk van de burgers zo laag mogelijk te houden. Ook de aanpak van wateroverlastlocaties en klimaat-adaptieve maatregelen speelt steeds meer een rol. Tot slot kunnen ook grondwaterproblemen (te hoog of te laag) van invloed zijn bij de keuze voor rioolvervanging. Bij rioolvervangingsprojecten of wegreconstructies worden de huisaansluitingen in de openbare ruimte ook vervangen (tot aan de erfgrens, in overleg met de eigenaren). De huiseigenaren zal geadviseerd worden om indien nodig ook hun huisaansluitleiding op eigen terrein te vervangen.

6.5.5

Concretisering vervangingsplanning Ten behoeve van het inzicht in de kosten en kostendekking is een langjarige vervangingsplanning opgesteld. Daarbij is uitgegaan van de gemiddeld langste levensduur en financiële afschrijvingstermijn van onderdelen van het rioleringssysteem. Uitgegaan wordt van een 60 jarige vervangingsplanning.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-49-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

De eerste 10 jaar van deze planning is gebaseerd op concrete keuzes om maatregelen uit te voeren, onder meer gebaseerd op de SWO-onderzoeken, waarbij de planning voor de planperiode geconcretiseerd is naar uitvoeringsjaar en investeringsbudget. De resterende planning is gebaseerd op leeftijd en een financiële afvlakking om een gemiddeld investeringsniveau te verkrijgen. Maatregelen in het kader van klimaatadaptatie zijn integraal opgenomen in deze planning. Voor de gemiddelde levensduur van de voorzieningen wordt uitgegaan van de onderstaande gegevens. De praktijkervaringen bij vervanging van riolering en gemalen binnen de gemeente Hulst bevestigen de waarde van deze uitgangspunten. • • • •

Vrijverval riolering Gemalen en randvoorzieningen, bouwkundig Rioolgemalen en drukrioleringsunits, mechanisch/elektrisch Persleidingen

60 jaar 60 jaar 15 jaar 60 jaar

Afhankelijk van de resultaten van de rioolinspecties, nieuwe inzichten of politieke sturing kan de planning jaarlijks aangepast worden. Bij de behandeling van de jaarlijkse operationele plannen zowel op riolerings- als wegenbeheer zullen eventuele aanpassingen bestuurlijk worden geaccordeerd. De lange termijn vervangingsplanning wordt in ieder geval jaarlijks geactualiseerd ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de rioolheffing. De 10-jarenplanning zal gebruikt worden voor de afstemming met andere partijen (waaronder nutsbedrijven) en energietransitie. Op de navolgende pagina is de geconcretiseerde planning voor de planperiode opgenomen.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-50-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

Tabel 6.1: vervangingsplanning planperiode verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-51-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

6.6

Riolering buitengebied Binnen de gemeente zijn per 1 januari 2021 nog 424 niet gerioleerde panden aanwezig die afvalwater lozen. Voor deze panden heeft de gemeente een ontheffing van de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van het afvalwater gekregen van de Provincie Zeeland. Deze ontheffing is thans geldig voor onbepaalde tijd. Met het in werking treden van de Omgevingswet zal de gemeente zelf moeten bepalen of deze 424 panden onder een gemeentelijke ontheffing komen te vallen en aan welke eisen de eigenaren op termijn moeten voldoen.

6.6.1

Regeling buitengebied Per 1 januari 2008 zijn er wettelijke regelingen van kracht voor lozingen in het buitengebied en zijn er eisen gesteld aan de septic tank waar veel huishoudens in het buitengebied gebruik van maken. Deze wettelijke regelingen zijn binnen de provincie Zeeland vertaald naar afspraken die aangeven hoe om te gaan met bestaande en nieuwe ongerioleerde huishoudelijke lozingen: beleid lozingen buitengebied (SAZ+). Hierin staat dat nieuwe lozingen direct moeten gaan voldoen aan de nieuwe eisen, bestaande lozingen krijgen nog tot 2027 de tijd om hier aan te voldoen. Deze eisen houden in, dat iedere ongerioleerde lozing moet zijn voorzien van een zuiveringsvoorziening. Deze zuiveringsvoorziening is minimaal een verbeterde septic tank (IBA klasse 1, minimale inhoud 6 m3) conform de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens. Dat betekent, dat voor 2027 alle kleine septic tanks door de perceeleigenaar vervangen moeten zijn door een nieuwe voorziening. De gemeente heeft in het verleden alle eigenaren in het buitengebied schriftelijk geïnformeerd over deze nieuwe regeling voor het buitengebied en welke gevolgen dat heeft voor de betreffende eigenaren. In de planperiode zullen alle eigenaren die nog niet aan de wettelijke eisen voldoen nogmaals worden aangeschreven om voor 1 januari 2027 de noodzakelijke aanpassingen uit te voeren.

Voor bestaande lozingen in het buitengebied is verder in het Zeeuwse ‘beleid lozingen buitengebied’ opgenomen dat bestaande drukriolering gehandhaafd blijft. Hier kan alleen van worden afgeweken als nieuwe ontwikkelingen hebben aangetoond dat deze een beter milieurendement hebben of lagere maatschappelijke kosten opleveren bij minimaal een zelfde milieurendement. Dat geldt ook voor andere lokale zuiveringsvoorzieningen die niet bij de particuliere eigenaar in beheer en onderhoud zijn.

6.6.2

Smalle zorgplicht De gemeente kiest met dit verbreed GRP voor het hanteren van de zogenaamde smalle zorgplicht voor niet gerioleerde panden in het buitengebied. Dat betekent, dat de

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-52-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

particulier verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de zuiveringsvoorziening op het eigen perceel. De particulier is eigenaar van deze voorziening en betaalt geen rioolheffing. De keuze hiervoor wordt in belangrijke mate ingegeven door het afwegen van de maatschappelijke kosten en het (milieu)rendement. De kosten voor aansluiten van alle panden in het buitengebied zijn relatief hoog, evenals de kosten voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Alle rendabel aan te sluiten panden zijn reeds in de saneringsoperatie in de periode 2000-2005 aangesloten (verfijningsregeling). Daarnaast hebben de meeste inwoners in het buitengebied geen behoefte aan verandering van de huidige situatie waarin zij zelf zorg dragen voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de zuiveringsvoorziening op hun eigen perceel. Het rendement in de zin van invulling van een maatschappelijke behoefte is beperkt evenals het milieurendement. Bij uitbreiding van het gemeentelijk rioolstelsel, waarbij woningen in het buitengebied met een septic tank eenvoudig aan te sluiten zijn op het stelsel, wordt een overgangstermijn gehanteerd om alsnog aan te sluiten of maakt de gemeente een financiële afweging over het mogelijk alsnog aansluiten van deze panden.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-53-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

6.7

Nieuw te realiseren bebouwing

6.7.1

Algemeen Voor nieuwe (particuliere) bouwwerken in bestaand gebied geldt het beleid, dat het huishoudelijk afvalwater, het hemelwater en het grondwater gescheiden moeten worden aangeboden conform het Bouwbesluit 2012. Op die manier kunnen deze huisaansluitingen eenvoudig worden opgepakt bij toekomstige afkoppelwerkzaamheden. Riolering dient te voldoen aan de eisen conform de NEN 3215 (Gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen) en de NTR 3216 (Riolering van bouwwerken). Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering, op drukriolering of via een alternatieve voorziening die voldoet aan de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens (conform het beleid lozingen buitengebied, SAZ+). Dit wordt afgedwongen door ongezuiverde lozingen op oppervlaktewater en in de bodem niet toe te laten. Bij de omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichting aan te sluiten op de riolering. Binnen de bebouwde kom of daar waar binnen 40 meter een gemeentelijk riool aanwezig is, dient verplicht te worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Dit afstandscriterium geldt vanaf deze planperiode vanaf de perceelsgrens (voorheen vanaf de woning). Voor nieuwbouw gold dit criterium altijd al vanaf de perceelsgrens.

Bij nieuwbouw zal het hemelwater gescheiden worden afgevoerd en infiltreren in de bodem of rechtstreeks afstromen naar het oppervlaktewater. Indien infiltratie mogelijk is, geldt dat als uitgangspunt. Indien het hemelwater wordt afgevoerd, vindt dit in principe oppervlakkig plaats of, wanneer dat niet mogelijk is, met behulp van regenwaterriolering. Belasting van de riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie met schoon water wordt daarmee voorkomen. Ook worden aspecten als droogte, veilige bouwhoogte en drooglegging beschouwd.

6.7.2

Incidentele nieuwbouw in landelijk gebied Bij incidentele nieuwbouw in het landelijk gebied op locaties waar geen riolering aanwezig is binnen een straal van 40 meter vanaf de perceelsgrens en waarin de planperiode van dit verbreed GRP geen riolering zal worden aangelegd, vindt in eerste instantie de toetsing plaats of er wel of niet invulling gegeven zal worden aan de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater. Indien dat niet het geval is, zal in de omgevingsvergunning worden opgenomen dat het vrijkomende afvalwater niet ongezuiverd op oppervlaktewater of in de bodem mag worden geloosd. Iedere nieuwe lozing dient te voldoen aan de eisen conform de Regeling lozing afvalwater huishoudens. De gemeente zal bij bouwaanvragen voor deze nieuwbouw een melding doen aan de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Scheldestromen) en de betrokkenen naar haar doorverwijzen. In geval van bodemlozingen ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-54-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

In het geval van nieuwe bedrijfsmatige lozingen is de aard en de omvang van de lozing bepalend voor de wijze van lozen. Er wordt bepaald of een lozing al dan niet op de riolering dient plaats te vinden of, indien dit niet rendabel blijkt te zijn, welke vorm van lozen dan wordt toegestaan (Activiteitenbesluit). Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het waterschap die als waterkwaliteitsbeheerder daar een belangrijke rol in speelt. In grondwaterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden binnen de gemeente Hulst geldt bij nieuwe ontwikkelingen sowieso de verplichting om aan te sluiten op de riolering.

6.7.3

Projectmatige nieuwbouw Bij projectmatige nieuwbouw worden de voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater (bijvoorbeeld uitleggers naar de hoofdriolering) en eventueel voor grondwater aangelegd bij het bouwrijpmaken van de locatie. De kosten hiervoor worden opgenomen in de exploitatieopzet en verrekend met de grondeigenaar en/of ontwikkelaar. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden toekomstbestendig uitgevoerd, waarbij het scheiden van afvalwater en hemelwater (ontvlechten) de norm is. Verhard oppervlak wordt volledig afgekoppeld en waar mogelijk dient regenwater op eigen terrein te worden gebufferd. Afhankelijk van de karakteristieken van het gebied wordt een keuze gemaakt tussen bovengronds of ondergronds verwerken van regenwater. In een rioleringsplan (of waterparagraaf) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding en aan welke eisen moet worden voldaan. Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, wordt ingezameld en afgevoerd naar de RWZI. Voor de aanleg van de voorzieningen wordt een (riool)ontwerp gemaakt volgens de dan geldende eisen, waarbij de insteek is om een klimaatbestendige openbare ruimte te realiseren en regenwater zoveel mogelijk ter plaatse wordt verwerkt.

Er worden rioleringsberekeningen uitgevoerd en er wordt een risicoafweging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende klimaatontwikkelingen (kort hevig nat, langdurig nat, langdurig droog en hittestress). Er wordt tijdig overleg gevoerd met de waterbeheerder (kwantiteit en kwaliteit). In verband met de voorkeur om regenwater op particuliere terreinen op te vangen, is het belangrijk dat dit ook fysiek mogelijk wordt gemaakt. Bij de bouwwerkzaamheden slaat de grond in de (achter)tuinen vaak dicht, doordat er met zwaar materieel over de bouwlocatie wordt gereden. Dit kan leiden tot klachten (richting de gemeente) op het moment dat bewoners intrek nemen in hun nieuwe woning, vaak in de vorm van het melden van een te hoge grondwaterstand. De oorzaak is echter niet de hoge grondwaterstand, maar zogenaamde ‘verkneding’ van de bodem. Op de lagere kleilaag blijft water staan en er ontstaat een zogenaamde ‘schijn-grondwaterspiegel’. Om dit te voorkomen, wordt de ontwikkelaar verplicht om het perceel ‘diep te spitten’ nadat het is opgehoogd.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-55-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

Ter voorkoming van foutieve aansluitingen worden bij gescheiden rioolstelsels buizen in twee verschillende kleuren toegepast. Voor vuilwaterriolering is dit roodbruin, voor regenwaterleidingen is de kleur grijs. Het verplicht gebruiken van deze kleuren wordt ook in de omgevingsvergunning opgenomen.

6.7.4

Watertoets Voor alle ruimtelijke plannen moet een watertoets worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Het streven is om vanuit de watertoets in de nabije toekomst te gaan komen tot een klimaattoets, waarbij ook de aspecten droogte en hitte worden betrokken. In de openbare ruimte is de zoektocht naar een evenwicht tussen blauw, groen en steen essentieel om de klimaatontwikkelingen het hoofd te bieden. Voldoende ruimte tussen vloerpeil en het niveau van de openbare ruimte zorgt er voor dat water op straat niet direct tot schade aan de woningen leidt. Doorgaande wegen in het plan moeten in principe altijd beschikbaar zijn voor de hulpdiensten. In geval van nieuwe bebouwing dient de toename aan verhard oppervlak te worden gecompenseerd met waterberging op eigen terrein. In uitzonderlijke gevallen kan gebruik worden gemaakt van het Waterbergingsfonds gemeente Hulst. Hiermee kan, onder voorwaarden, de verplichting tot het realiseren van waterberging door de initiatiefnemer worden afgekocht bij de gemeente.

De gemeente neemt in dat geval de verplichting tot het aanleggen van waterberging over. Deze waterberging wordt dan, in overleg met waterschap Scheldestromen, elders (en op een later tijdstip) gerealiseerd. In planperiode wordt het huidige afkoopbedrag geactualiseerd en waar nodig herzien.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-56-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

6.8

Overige aspecten

6.8.1

Vermindering rioolvreemd water Binnen de SAZ+ wordt onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid en de effecten van rioolvreemd water. Rioolvreemd water kan bijvoorbeeld bestaan uit lekwater bij hogere grondwaterstanden, instromend oppervlaktewater (instroom van water), regenwater op drukriolering, water vanuit drainage of afgebroken huisaansluitleidingen. Afvalwateraansluitingen op hemelwaterriolering vallen ook onder rioolvreemd water en hebben grote invloed op de waterkwaliteit. Rioolvreemd water heeft in het algemeen een kostenverhogend effect op het transporteren en zuiveren van afvalwater en veroorzaakt een wezenlijk verhoogde emissie van nutriënten en gevaarlijke stoffen. Voor het opsporen van rioolvreemd water kan onder meer gebruik worden gemaakt van de meetgegevens van waterschapsgemalen en gemeentelijke rioolgemalen. Voor de gemeente zijn de afgelopen jaren gegevens geïnventariseerd van gemalen, rwzi’s, waterpeilen en neerslag. Hieruit blijkt dat er in verschillende kernen aanzienlijke hoeveelheden rioolvreemd water naar de zuiveringen wordt afgevoerd. Dit geeft in enkele kernen aanleiding tot verder onderzoek. Figuur 6.2: effecten rioolvreemd water (bron: SAZ+ rapportage ‘aanpak rioolvreemd water’, 2016)

De gemeente houdt in de rioleringsberekeningen geen rekening met de aanwezigheid van rioolvreemd water. Wel worden aansluitingen van drainages op de gemengde riolering zoveel mogelijk afgekoppeld als zij gesignaleerd worden bij rioolvervanging. Bij de bepaling van de maatregelen om rioolvreemd water terug te dringen, wordt een integrale afweging gemaakt, waarbij de hoeveelheid rioolvreemd water, de oorsprong van het water, de staat van de riolering, de mogelijkheid om het probleem op te lossen en de afstemming met overige vakdisciplines een rol speelt. De kosten die gemaakt worden om de waterdichtheid van het riool te waarborgen, maken in principe deel uit van de kosten van onderhoud en vervanging van het rioolstelsel. In het kader van de klimaatadaptatie wordt om de verdroging en daling van de grondwaterstanden te voorkomen, gekeken naar het vasthouden van oppervlaktewater. Hierdoor kunnen waterpeilen tijdelijk stijgen en in sommige gevallen kan dit leiden tot instromend oppervlaktewater naar de riolering. De oplossing van het verhogen van overstortdrempels mag niet leiden tot meer gemengd afvalwater op straat. In enkele kernen vraagt dit om extra aandacht.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-57-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

Regenwater op de drukriolering wordt alleen aangepakt als dit een knelpunt oplevert voor de afvoer van het afvalwater. Een kleine hoeveelheid regenwater op de drukriolering kan bijdragen in het voorkomen van aantasting van de ontvangende riolering. Geconstateerde afvalwaterlozingen op regenwaterriolering worden hetzelfde jaar nog overgezet naar vuilwater- of gemengde riolering. De invloed van puur afvalwater op het oppervlaktewater is dermate groot dat dit niet lang kan worden gedoogd.

6.8.2

Diffuse bronnen Een aantal stoffen dat diffuus in het rioolwater terechtkomt, vormt een belasting voor het milieu. Te denken valt hierbij aan zink uit dakgoten, koper uit waterleidingen of minerale olie uit motoren. Er wordt naar gestreefd de emissie van deze stoffen te voorkomen. De gemeente volgt hierin het landelijk beleid, dat is vastgelegd in het beleid Duurzaam Bouwen (DuBo) met regelgeving voor duurzaam (ver)bouwen in het Bouwbesluit 2012.

6.8.3

Duurzaamheid Ook binnen de rioleringszorg wil de gemeente invulling geven aan duurzaamheid. Duurzaamheid betekent ‘ontwikkelingen uitvoeren die aansluiten op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen’. Vanuit de gemeentelijke watertaken is er relatie te leggen met thema’s op dit gebied zoals energietransitie en versterking van de biodiversiteit. Concreet betekent duurzaam omgaan met water bijvoorbeeld dat oplossingen binnen de hemelwaterzorgplicht steeds vaker gezocht worden in meer natuurlijke voorzieningen zoals waterlopen en waterpartijen. Ondergrondse constructies worden waar mogelijk vervangen door bovengrondse oplossingen in de openbare ruimte. Hiermee wordt ingespeeld op klimaatverandering met steeds hevigere neerslagsituaties. Onderhoud van deze nieuwe bovengrondse voorzieningen dient in de komende jaren specifiek aandacht te krijgen. Duurzame rioleringszorg draagt bij aan een duurzame bescherming van volksgezondheid, maar ook aan de instandhouding van natuur en milieu en waterkwaliteit. Naast het zoeken naar duurzame oplossingen geeft de gemeente invulling aan het streven naar duurzaamheid door gebruik te maken van duurzame producten als hergebruikt pvc en pompen met een laag energieverbruik (in geval van vervanging van de bestaande pompen).

Hiermee wordt invulling gegeven aan aspecten als het hergebruik van materiaal, laag energieverbruik en circulaire economie. Binnen de gemeentelijke rioleringszorg worden nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid gevolgd, bijvoorbeeld terugwinning van grondstoffen. Indien zich kansen voordoen, wordt bezien of er nuttige toepassingen zijn binnen de gemeente Hulst en worden deze verzilverd. Dit is echter op ad-hoc basis.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-58-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

7

Beleid grondwater In de Waterwet is de gemeentelijke zorgplicht voor grondwater verwoord. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de werkzaamheden die in de komende planperiode in het kader van de grondwaterzorgplicht zullen worden uitgevoerd. Tevens wordt het kader geschetst, waarbinnen deze maatregelen worden uitgevoerd. Vanwege klimaatverandering nemen zowel droge als natte perioden toe in frequentie, waardoor grondwateroverlast en/of -onderlast vaker optreden. Dit betekent dat de gemeente vaker te maken zal krijgen met meldingen van burgers en bedrijven ten aanzien van grondwaterklachten. Onder meer om bij klachten juist te kunnen handelen, is het van belang dat de gemeente hiervoor beleid beschikbaar heeft, zodat het voor burgers en gemeenten duidelijk is wat men van elkaar mag verwachten. Het gemeentelijk grondwaterbeleid bevat onder meer de concretisering van de grondwaterzorgplicht voor het beheergebied van de gemeente, maar beschrijft nog meer aspecten.

7.1

Grondwaterzorgplicht De gemeentelijke grondwaterzorgplicht is verankerd in de Waterwet (artikel 3.6). Daarin staat: 1. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort. 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten mede de verwerking van het ingezamelde grondwater, waaronder in ieder geval worden begrepen de berging, het transport, de nuttige toepassing en het, al dan niet na zuivering, op of in de bodem of in het oppervlaktewater brengen van ingezameld grondwater, en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk.

De gemeente is daarmee formeel verantwoordelijk voor de uitvoering van het grondwaterbeheer in het stedelijk gebied voor zover dat binnen de kaders van de Waterwet is bedoeld. Het verbreed GRP is de plaats waar zij haar beleid ten aanzien van de invulling van de grondwaterzorgplicht verwoordt. Uit hoofde van deze zorgplicht dienen gemeenten, binnen de grenzen van doelmatigheid, maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand te beperken of te voorkomen. Hierbij richt de zorgplicht zich met name op maatregelen van waterhuishoudkundige aard in de openbare ruimte van de gemeente. In het geval dat de maatregelen bestaan uit het aanleggen van (ontwaterings)voorzieningen, valt daar ook het beheer van deze voorzieningen onder. De gemeente heeft nadrukkelijk niet de plicht de grondwaterstand op een (vooraf) vastgesteld peil te houden. Het grondwaterpeil staat onder invloed van zoveel factoren en

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-59-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

reageert dermate onafhankelijk, dat het vasthouden van het peil niet tot de mogelijkheden behoort. Een overzicht van de verantwoordelijkheden op het gebied van grondwater is opgenomen in de navolgende figuur. Figuur 7.1: verantwoordelijkheden grondwater

Een van de aspecten waarin de grondwaterzorgplicht van de gemeente zichtbaar wordt, is het functioneren van het waterloket (de regisseursrol van de gemeente). Het waterloket is de plaats waar burgers meldingen en klachten over grondwater doorgeven. Het waterloket is vervolgens de aanjager voor het zoeken naar oplossingen van grondwaterproblemen, maar is niet per definitie de plaats waar de oplossingen worden geformuleerd. Hiertoe kunnen ook andere partijen worden ingeschakeld. Het grondwaterloket draagt wel zorg voor de communicatie daarvan naar de burger toe. Daarvoor is in ieder geval een contactpersonenlijst beschikbaar die bekend is bij het klantcontactcentrum van de gemeente en het waterschap.

7.2

Grondwateroverlast De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van overlast of schade ten gevolge van grondwater. Dit houdt in dat de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk is voor de ontwatering van het eigen terrein, evenals voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Behalve door te hoge grondwaterstanden kan ook overlast ontstaan door te lage grondwaterstanden. Daarbij valt te denken aan schade aan gebouwen door ongelijkmatige zetting en paalrot, maar ook aan schade aan particulier groen.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-60-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

De gemeentelijke zorgplicht richt zich op het openbaar gebied. Eventuele maatregelen zullen daarom ook in openbaar gebied worden getroffen. De grondwaterzorgplicht is, evenals de hemelwaterzorgplicht, een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.

7.2.1

Overlast en onderlast Er is onderscheid te maken in grondwateroverlast door te hoge grondwaterstanden en zogenaamde grondwateronderlast door te lage grondwaterstanden. Om overlast te voorkomen en perceeleigenaren de mogelijkheid te bieden hun eigen terrein te ontwateren, stelt de gemeente de bewoners een overnamepunt ter beschikking voor de afvoer van overtollig grondwater. De gemeente zal het aangeboden water afvoeren naar een geschikt lozingspunt. Dit is in volgorde van voorkeur: oppervlaktewater, regenwaterriolering of gemengde riolering. De gemeente heeft een ontvangstplicht voor het overtollige grondwater, maar aan de omvang en de aard van het aangeboden grondwater kunnen door de gemeente voorwaarden worden gesteld, evenals bij hemelwater. Burgers dienen de voorschriften over waterdichtheid van gebouwen en afvoer van hemelwater op te volgen die in het bouwbesluit opgenomen zijn. Daarin is onder meer opgenomen, dat woningen die na 1 januari 1993 gebouwd zijn, moeten beschikken over dampdichte vloeren. Ook problemen als gevolg van lekke kelders behoren niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. In veel gevallen ligt de focus bij grondwater vaak op grondwateroverlast. Voor de toekomst is grondwateronderlast echter wellicht nog een groter probleem.

Door langdurig droge periodes kan het grondwaterpeil zodanig laag worden dat ongelijke zettingen en paalrot leiden tot schade aan eigendommen. De verwachting is dat de schades door grondwateronderlast op termijn hoger zullen zijn dan de schades door grondwateroverlast. Vanuit klimaatadaptatie is droogte één van de vier thema’s waarvoor een strategie wordt ontwikkeld. Omdat voldoende kennis hierover nog ontbreekt, wordt in de planperiode ingezet op het gezamenlijk ontwikkelen (via de SAZ+) van voldoende kennis om de juiste keuzes te maken in de te nemen maatregelen. Het infiltreren van regenwater in de gebieden, waardoor het grondwaterpeil op een acceptabel niveau blijft, wordt naar verwachting een belangrijke maatregel.

7.2.2

Streefwaarden De gemeente wil structurele grondwateroverlast voorkomen. Daarom hanteert de gemeente een streefwaarde voor de maximale grondwaterstand (ontwateringsdiepte) om structurele overlast te voorkomen bij in- en uitbreidingen. Deze streefwaarde is afhankelijk van lokale kenmerken van de betreffende (ontwikkel)locatie. De streefwaarden zijn weergegeven in de navolgende tabel.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-61-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

Figuur 7.2: streefwaarde ontwateringsdiepte en drooglegging

Gewenste drooglegging = ≥ 1,20 meter Gewenste ontwateringsdiepte = zie tabel 7.1

Tabel 7.1: streefwaarde gewenste grondwaterstanden

Functie van de grond Bebouwing – wonen en werken • met een kruipruimte • kruipruimteloos • bestaande bebouwing Wegen Groen – plantsoenen en perken Groen – sportparken

Streefwaarde grondwaterstand ten opzichte van aanlegniveau < 70 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld < 70 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld

Een tijdelijke verhoging van de grondwaterstand boven de norm leidt niet direct tot structurele schade. Daarom wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de grondwaterstand maximaal 20 cm en 30 aaneengesloten dagen de norm mag overschrijden binnen een periode van drie jaar. In verband met kans op schade geldt deze tijdelijk toegestane verhoging niet voor wegen (spoorvorming) en sportvelden (bespeelbaarheid). In geval van structurele problemen (groter gebied en langdurige overlast) vindt onderzoek plaats naar de aard en de oorzaak van de grondwateroverlast en/of -onderlast. Hoge(re) grondwaterstanden op percelen van particulieren blijven de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar en daar treft de gemeente geen maatregelen. Wel geeft de gemeente op verzoek advies aan particulieren die hinder ondervinden van hoge grondwaterstanden op hun perceel.

7.3

Grondwater gemeente Hulst De grondwaterstroming in het freatisch pakket is afhankelijk van de gehanteerde polderpeilen en lokale afwateringsmiddelen. De grondwatertrappen variëren relatief weinig en zijn ook afhankelijk van de bodemopbouw. Een grondwatertrap geeft de fluctuatie van de grondwaterstand aan. Grondwatertrappen worden bepaald aan de hand van de gemiddeld hoogste grondwaterstand in de winter en de gemiddeld laagste grondwaterstand in de zomer. Over het gehele gebied wordt overwegend grondwatertrap VI aangetroffen (gemiddeld hoogste grondwaterstanden tussen 0,40 en 0,80 meter beneden maaiveld en gemiddeld laagste grondwaterstanden lager dan 1,20 meter beneden maaiveld). In sommige gebieden geldt ook grondwatertrap Vb, waarbij het grondwater nog iets hoger staat (bron: BIS Nederland).

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-62-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

Het freatisch grondwater binnen de gemeente Hulst is overwegend brak en soms zoet. Er zijn verschillende grootschalige zoetwatervoorkomens gedefinieerd volgens het provinciale grondwaterbeheersplan. Op enkele locaties tussen Kloosterzande en Hengstdijk, bij Lamswaarde en bij Graauw vindt geringe zoute kwel plaats. Er zijn binnen de gemeente Hulst enkele locaties waar grondwater soms tot problemen leidt (onder meer door de aanwezigheid van hangwater). De eventuele meldingen die zich daarbij voordoen, zijn echter vaak lokaal van aard en soms ook gekoppeld aan slecht afstromende neerslag. Per melding wordt bezien of, en zo ja, welke maatregelen mogelijk zijn. De belangrijkste overlastlocaties zijn in het verleden onderzocht en waar nodig zijn maatregelen geformuleerd. Gelijktijdig met maatregelen aan de riolering zullen de problemen met het hangwater aangepakt worden (Vogelwaarde en de wijk Dullaert in de kern Hulst). Binnen de gemeente Hulst zijn enkele tientallen vergunde grondwateronttrekkingen (bron: geoloket provincie Zeeland) voor bedrijfsmatige doeleinden of beregening. Verder zijn er volgens het provinciale grondwaterbeheersplan diverse kwetsbare gebieden aangewezen, verspreid over de gehele gemeente.

7.4

Grondwatervoorzieningen

7.4.1

Bestaande voorzieningen Binnen de gemeente Hulst functioneert een beperkt aantal voorzieningen ten behoeve van het grondwater. Er zijn IT-riolen en drainageleidingen in gemeentelijk eigendom. Verder worden er in het kader van de voorbereiding en controle tijdens de uitvoering grondwaterstanden gemeten met behulp van peilbuizen. Dit kan ook plaatsvinden bij nader onderzoek naar aanleiding van meldingen over (structurele) grondwateroverlast. • •

IT-riolen Drainage

3,8 km 11,1 km

Een groot deel van de IT-riolering is aangelegd bij afkoppelwerkzaamheden. De drainagevoorzieningen liggen met name in Clinge, Heikant, Kloosterzande en Vogelwaarde. De drainagevoorzieningen op begraafplaatsen, sportvelden en plantsoenen zijn hierbij niet inbegrepen. De drainage in Heikant functioneert slecht in verband met ingroeiende wortels van de daar aanwezige bomen. Gezien de bodemopbouw heeft dit echter nog niet geleid tot meldingen over te hoge grondwaterstanden. De IT-riolering wordt meegenomen in het reguliere beheer en onderhoud van de riolering. Voor de drainageleidingen is geen specifiek onderhoudsprogramma aanwezig.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-63-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

7.4.2

Nieuw te realiseren voorzieningen Bij vervanging van bestaande (lekke) riolering wordt per locatie onderzocht of de gelijktijdige aanleg van drainage noodzakelijk is om overlast te voorkomen. De lokale (bodem)omstandigheden zijn hierin bepalend. Bij nieuw te realiseren bebouwing wordt grondwater in het kader van de watertoets in de planvorming betrokken. Afhankelijk van de resultaten hiervan, wordt besloten of er grondwaterregulerende voorzieningen noodzakelijk zijn. Goed inzicht in de bodemopbouw is hierbij van groot belang. Indien een grondwaterregulerende voorziening wordt aangelegd, is dit meestal drainage. Deze drainage wordt rechtstreeks aangesloten op het oppervlaktewater of op de regenwaterriolering. De nieuwe drainageleidingen dienen te worden opgenomen in het beheersysteem. Bij bouwprojecten zullen ontwikkelaars en andere initiatiefnemers nadrukkelijk gewezen worden op de eis tot het realiseren van voldoende drooglegging en eventueel noodzakelijke maatregelen daarvoor (bijvoorbeeld kleischelpen in kruipruimte).

7.4.3

Grondwatermeetnet De gemeente voert in het kader van projecten en gebiedsontwikkelingen metingen van de grondwaterstand uit met behulp van peilbuizen op diverse locaties. Aan de hand van de meetgegevens kan worden nagegaan of maatregelen noodzakelijk zijn. Het beleid van de gemeente is om volgend aan meldingen te reageren ten aanzien van grondwateroverlast (re-actief). Op basis van gericht nader onderzoek kan onderbouwd gereageerd worden op klachten en meldingen over grondwateroverlast of grondwateronderlast. Er is vooralsnog geen noodzaak om actief te bouwen aan een gemeentebreed grondwatermeetnet. Ten behoeve van diverse onderzoeken voor bijvoorbeeld drainageaanleg, rioolvervanging, bouwrijp maken, het inventariseren van mogelijkheden ten behoeve van afkoppelen en infiltreren en bouwputbemalingen worden wel basisgegevens verzameld over het grondwater en de bodemopbouw. Hierbij kunnen de meetgegevens van tijdelijke projectpeilbuizen gekoppeld worden aan de langjarige meetgegevens van het landelijke grondwatermeetnet. Dit is belangrijk. Mogelijkheden voor infiltratie in de bodem zijn in de gemeente Hulst beperkt aanwezig. Kennis van de lokale bodemopbouw geeft inzicht in de kansen voor infiltratie.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-64-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

8

Beleid oppervlaktewater In dit hoofdstuk wordt de strategie voor het oppervlaktewatersysteem beschreven. Rondom het oppervlaktewater wordt nauw samengewerkt met het waterschap. Zij is namelijk, naast waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheerder, degene die verantwoordelijk is voor het beheren en onderhouden van het watersysteem.

8.1

Overzicht oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem binnen en rondom de kernen van de gemeente Hulst is qua beheer en onderhoud overgedragen aan waterschap Scheldestromen met uitzondering van de Buiten- en Binnenvest en de Zoetevaart rondom de kern Hulst zelf. Het watersysteem bestaat uit diverse grote en minder grote peilgebieden die uiteindelijk hun water uitslaan op drie locaties richting de Westerschelde via de gemalen Paal, Campen en een suatiesluis bij Walsoorden. Figuur 8.1: watersysteem gemeente Hulst

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-65-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

8.2

Verantwoordelijkheden Het werken aan water doen de gemeente en waterschap Scheldestromen samen, maar ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheden en taken. In de onderstaande tabel is een overzicht op hoofdlijnen opgenomen van de verschillende verantwoordelijkheden van de verschillende partijen. Tabel 8.1: taakverdeling overheden (ruimer dan alleen oppervlaktewater)

Partij gemeente

waterschap Scheldestromen

Provincie Zeeland Particuliere grondeigenaren en bedrijven

Verantwoordelijk voor • Riolering: zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater en overtollig hemelwater • Milieu en volkshuisvesting • Beheer en onderhoud openbaar gebied • Ontwatering van de (eigen) openbare ruimte • Voorkomen van negatieve effecten van het freatisch grondwater • Ruimtelijke ordening (inclusief bestemmingplannen, watertoetsen) • Veiligheid fysieke leefomgeving • Slibafvoer bij overstorten • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied conform BOB-afspraken (‘droge deel’) • Waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer van het oppervlaktewater in het beheersgebied • Draagt zorg voor de afwatering • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater ten behoeve van waterhuishoudkundige functies (waterafvoer etc.) • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied (sierwater, recreatiewater en dergelijke) • Baggeren • Afvoer en zuivering van afvalwater (RWZI) • Kustverdediging • Operationeel grondwaterbeheer • Advisering bij ruimtelijke plannen (wateradvies) • Vergunningverlening grondwateronttrekking diepe grondwater • Ontwatering en afwatering op eigen perceel • Onderhoud watergangen en taluds op eigen perceel

Voor het oppervlaktewater heeft de gemeente geen zorgplicht. De gemeente heeft echter wel (samen met de andere partijen in het waterbeheer) een resultaatsverplichting voor de maatregelen die gezamenlijk zijn afgesproken voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze maatregelen zijn opgenomen in stroomgebiedsbeheerplannen. De gemeente moet daaraan een bijdrage leveren wanneer lozingen vanuit de riolering hier een negatieve invloed op hebben. Ook dient het water te voldoen aan de functie die aan de waterloop of waterpartij is gegeven (bijvoorbeeld bergingsfunctie). Daarmee is er een direct verband met de uitvoering van het waterkwaliteitsspoor (zie paragraaf 8.4.2). Het waterschap is beheerder van het oppervlaktewatersysteem, beheert de peilen in de watergangen en draagt zorg voor een goede afwatering. Zij heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Parallel aan het actualiseren van het verbreed GRP Hulst is het waterschap bezig met het opstellen van haar Waterschapsbeheerprogramma 20222027. Voor zover als mogelijk zullen de aandachtspunten uit dit plan worden meegenomen in het verbreed GRP Hulst en omgekeerd.

verbreed GRP Hulst eindconcept rapport

-66-

R031.P204/R006/RHOU 14 december 2021

8.3

Beheer en onderhoud Beheer en onderhoud van waterlopen is van wezenlijk belang voor het in stand houden van een goed functionerend watersysteem. In het kader van het project BOB (Beheer en Onderhoud Bebouwd gebied) hebben de gemeente en waterschap Scheldestromen gezamenlijk een overeenkomst getekend, waarin duidelijke afspraken zijn gemaakt wie er verantwoordelijk is, wie er wat onderhoudt en hoe de kostenverdeling geregeld is. Deze afspraken worden jaarlijks inhoudelijk besproken en geëvalueerd. De BOB-overeenkomst is in 2016 geactualiseerd aan de hand van de ervaringen in de voorgaande jaren. In de afgelopen planperiode hebben de gemeente en het waterschap zich ingezet om het achterstallig baggeronderhoud in de stedelijke wateren weg te werken. Behoudens de Buiten- en Binnenvest en de Zoetevaart is dit uitgevoerd. De Buiten- en Binnenvest en de Zoetevaart zijn vooralsnog in beheer en onderhoud bij de gemeente Hulst. De gemeente is voornemens om in de voorliggende planperiode het achterstallig baggeronderhoud uit te voeren. Hierna zullen ook deze wateren worden overgedragen aan het waterschap. Over het daarna volgende reguliere (bagger)onderhoud zijn afspraken gemaakt in het kader van de BOB-overeenkomst. Zo blijft de gemeente verantwoordelijk voor het baggeren bij riooloverstorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11035870/1