CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-07-11 Werkagenda VN-verdrag Handicap I 2025 - 2030

Commissie Samenleving 3 december 2025, gemeente HulstBij agendapunt: Ingekomen stukken31.850 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

− We voeren in het najaar van 2025 gesprekken met in ieder geval VNG, ZN en belangenorganisaties van cliënten hoe de toegang tot hulpmiddelen, onder andere op basis van bestaande protocollen en aanspraken, zich verhoudt tot verplichtingen die volgen uit het VN-verdrag Handicap en koppelen daar waar nodig nieuwe acties aan. − We willen leren van praktijksituaties, vooral van cliënten die te maken hebben met hulpmiddelen uit verschillende wetten en in complexe situatie. Hiervoor wordt eind 2025 een gezamenlijk plan opgesteld, in samenwerking met ervaringsdeskundigen. Daarbij ligt de nadruk op hoe het voor de cliënt beter kan.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 59

• De VNG zet zich ervoor in dat alle gemeenten het convenant ‘Maatwerk’ ondertekenen en dit samen met het landelijk normenkader ‘Hulpmiddelen’ in de praktijk gaan gebruiken. Dit doen ze door: − een juridische notitie over de gevolgen van het ondertekenen van het convenant voor ­gemeenten op te stellen in het najaar van 2025; − voor gemeenten een goed leesbare samenvatting te maken bij het convenant. VWS maakt een voor de cliënten leesbare samenvatting van beide convenanten en plaats die op Regelhulp in het najaar van 2025. − in gesprek met VWS in het najaar van 2025 na te gaan wat de mogelijkheden zijn om te laten zien welke gemeente de convenanten hebben ondertekend. − de kennisontwikkeling van (ingehuurde) medewerkers van gemeenten over het in praktijk toepassen van de convenanten in hun werk vanaf voorjaar 2026 te ondersteunen. • VNG, VWS en Firevaned, gemeenten en professionals herzien het format voor het functioneel advies van de professional (zoals een ergotherapeut en/of revalidatiearts) voor het aanvragen van een hulpmiddel uit de Wmo. − In overleg met alle betrokkenen voor eind 2025 wordt hiervoor een plan opgesteld dat uitvoerbaar is voor alle bij de hulpmiddelenketen betrokken partijen. − VWS zoekt voordien uit of de huidige financiering van dit advies tot aanvullende problemen leidt die we moeten oplossen.

• Als uit de monitor (zoals bedoeld in maatregel 1a) van voorjaar 2027 blijkt dat gemeenten de doelstellingen zoals geformuleerd door het strategisch overleg niet halen, zetten we in op mogelijke aanvullende maatregelen en/of wet- en regelgeving. De precieze vervolgstappen zijn afhankelijk van de keuzes hierin en beschikbare middelen. VWS inventariseert in het najaar van 2025 welke onderdelen uit het convenant hiervoor geschikt zijn. Tijdspad

• 2025: Oprichting strategisch overleg hulpmiddelen en bij­ behorende activiteiten, plan herziening functioneel advies, plan voor leren praktijksituaties, uitwerken notitie en ­samenvattingen. Inventarisatie VWS wet- en regelgeving. • 2026: Eerste meting monitor, kennisontwikkeling gemeenten, uitvoeren plan leren praktijksituaties, in praktijk brengen plan functioneel advies. • 2027: Vervolgstappen zijn afhankelijk van de keuzes hierin en beschikbare middelen.

Uitvoering

VWS, VNG, ZN, Firevaned en cliëntenorganisaties

Draagt bij aan doelstelling

• Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 7 • Thuis en Wonen, doelstelling 5

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 60

Maatregel 2: VWS, VNG en ZN zetten zich ervoor in dat mensen (op maat gemaakte) hulpmiddelen bij verhuizing naar een andere gemeente of een Wlz-zorginstelling behouden VWS, VNG en ZN zetten zich in voor een betere samenwerking tussen gemeenten onderling en met zorgkantoren. Zodat mensen hun hulpmiddel mee kunnen nemen als ze verhuizen. Daarbij houden we rekening met de bevoegdheden en wettelijke kaders van gemeenten en zorgkantoren. • De VNG zet zich ervoor in dat alle gemeenten het convenant ‘meeverhuizen’ ondertekenen en dit in de praktijk gebruiken. Dit doen ze naast de bij maatregel 1b beschreven uitwerking, door de ondertekening van de convenanten op het niveau van samenwerkingsregio’s te agenderen voor het einde van 2025, zodat regiogemeenten dezelfde uitgangspunten gaan gebruiken. • VWS, VNG en ZN gaan in 2025 gezamenlijk in overleg met hun leden het convenant ­“meeverhuizen” evalueren voor wat betreft de verhuizingen naar een Wlz-zorginstelling. Op basis hiervan worden in 2025 zo nodig gezamenlijk verbeterpunten geformuleerd. • VWS maakt voor cliënten een leesbare versie van het convenant, zodat ze weten wat is ­afgesproken. Dit wordt op onder meer Regelhulp geplaatst. • We richten voor cliënten een meldpunt in bij Het Juiste Loket.

Cliënten kunnen hier melden dat niet conform het convenant wordt gehandeld, nadat zij eerst de betreffende partijen in de regio hierop hebben gewezen en dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Deze meldingen worden na een beoordeling van het meldpunt indien nodig doorgezet naar VNG en ZN. Zodat zij hun leden hierop kunnen aanspreken. • Als in 2027 blijkt dat de (aangescherpte) afspraken uit het convenant door gemeenten en/of zorgkantoren onvoldoende effect hebben wordt bezien welke vervolgstappen nodig zijn binnen de budgettaire kaders. Tijdspad

• 2025: Bij samenwerkingsregio’s agenderen van convenant ­“meeverhuizen” en aanzet tot ondertekenen, ­evaluatie ­convenant “meeverhuizen” bij verhuizing naar Wlzzorginstelling, inrichting meldpunt bij Het Juiste Loket. Inventarisatie VWS wet- en regelgeving. • 2026: Uitvoeren eventuele acties uit evaluatie convenant “meeverhuizen”. • 2027: Vervolgstappen zijn afhankelijk van de keuzes hierin en beschikbare middelen.

Uitvoering

VWS, VNG, ZN, Firevaned, cliëntenorganisaties en Het Juiste Loket

Draagt bij aan doelstelling

• Thuis en Wonen, doelstelling 3 • Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 2

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 61

Maatregel 3: VWS helpt mensen met een beperking om te sporten en bewegen door duidelijk te maken waar ze sporthulpmiddelen kunnen krijgen Het ministerie van VWS vereenvoudigt de toegang tot sporthulpmiddelen. Het wordt voor mensen met een beperking vanzelfsprekender om te sporten of bewegen. • VWS wil één landelijk loket voor sporthulpmiddelen oprichten. VWS werkt hiervoor samen met het Fonds Gehandicaptensport en de Esther Vergeer Foundation. • VWS en de uitvoeringspartners laten zoveel mogelijk gemeenten aansluiten op een nog vast te stellen ‘modelbeleid sporthulpmiddelen’. Het vaststellen gebeurt door VNG in samenwerking met Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) en VWS. Zodat mensen zoveel mogelijk op eenzelfde manier hulpmiddelen krijgen. • Er wordt onderzoek gedaan naar de gemiddelde prijzen van sporthulpmiddelen. Zo geven we inzicht in de kosten van een sporthulpmiddel. • In het kader van de Zvw is door veldpartijen een specificatie van de regelgeving gemaakt. Dit is een kwaliteitsinstrument dat ingediend gaat worden voor opname in het Register van het Zorginstituut. VWS samen met de uitvoeringspartners maakt een communicatieplan om zorgverzekeraars te informeren over de werkwijze. • Ook wordt onderzocht hoe het proces verbeterd kan worden rondom het verstrekken van topsporthulpmiddelen Tijdspad

2025- 2028

Uitvoering

VWS, gemeenten, zorgverzekeraars, Fonds Gehandicaptensport en de Esther Vergeer Foundation.

Draagt bij aan doelstelling

• Thuis en wonen, doelstelling 5 • Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 7 • Cultuur, media, vrije tijd, sporten en bewegen, doelstelling 1

3.4.2

Juiste ondersteuning van naasten en mantelzorgers

Wat doen we al? • Mantelzorgagenda 2023-2026. De voorstellen hieronder hangen samen met, en vormen een ­uitbreiding op de acties die al worden uitgevoerd binnen de mantelzorgagenda. De Mantelzorgagenda 2023-2026 bestaat uit 3 actielijnen: 1) de erkende positie van de mantel­zorger, 2) de verbinding en samenwerking met het netwerk van de mantelzorger en 3) de ­individuele ondersteuning, gevarieerd en op maat. De acties hieronder sluiten specifiek aan bij de twee laatste actielijnen.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 62

Maatregel 1: VWS stimuleert de doorontwikkeling van het aanbod logeerzorg vanuit de Wmo, de Jeugdwet en de Wlz, juist voor de groep mensen met een beperking met een complexe zorgvraag VWS, VNG en ZN komen met elkaar tot afspraken over respijt- en logeerzorg, in samenhang met de afspraken uit het hoofdlijnenakkoord ouderenzorg. De ambitie is om tot een regionaal passend, domeinoverstijgend aanbod logeerzorg te komen. De exacte invulling van de aanpak wordt besproken met de andere betrokkenen. Er kan gedacht worden aan de volgende fasering: • Fase 1a: Onderzoek naar logeerzorg en definitie gebruikelijke zorg − Kostprijsonderzoek logeerzorg in Wmo, Jeugdwet en Wlz − Onderzoek naar behoeften en knelpunten in het aanbod − Onderzoeken of men kan komen tot een definitie van gebruikelijke zorg • Fase 1b: Informeren gemeenten en mantelzorgers − Vergroten bekendheid en waarde logeer- en respijtzorg bij gemeenten − Informeren van mantelzorgers over de mogelijkheden en beschikbaarheid van logeer- en respijtzorg • Fase 2: Nader te bepalen vervolgstappen − Mogelijk formuleren landelijke richtlijnen voor kostprijzen logeerzorg − Mogelijke opvolging onderzoek knelpunten met brancheorganisaties en aanbieders − Mogelijke opvolging uitkomsten verkenningen definiëring gebruikelijke zorg • Fase 3: Er worden mogelijkheden uitgewerkt voor de Wet DOS/SPUK DOS Tijdspad

• Fase 1a: Q3 2025- Q2 2026 • Fase 1b: Q3 2025- Q4 2026 • Fase 2: Q3 en Q4 2026 • Fase 3: vanaf Q1 2026

Uitvoering

VWS, VNG, gemeenten, onderzoeksbureau(s), zorgaanbieders, cliëntenorganisaties, zorgkantoren, NZA

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 6

Maatregel 2: VWS stimuleert goede samenwerking tussen informeel netwerk en ­professionele zorgverleners • We verkennen de opzet van lerende praktijken door de landelijke kennisinstituten die binnen de zorg actief zijn. Deze omvatten goede voorbeelden en andere relevante informatie over samenwerking tussen formele zorgverleners en het informele netwerk, waarbij bestaande ­(sectoroverstijgende) kennis zoveel mogelijk wordt gebundeld, en in samenhang gepresenteerd. • Vanaf 2025 worden een aantal kennisproducten ontwikkeld gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen formele zorgverleners en het informele netwerk, die mogelijk een plek kunnen krijgen in deze lerende praktijken. • Het werken aan meer aandacht voor de samenwerking met het informele netwerk bij de ­opleidingen verpleegkunde en social work en bij paramedische studies, samen met de coalitiepartners van de mantelzorgagenda en het lectorenplatform informele zorg. Dit doen we onder andere door bestaande kennisplatformen gericht op onderwijsprofessionals te verbeteren en eventueel samen te voegen, waardoor relevante kennis toegankelijker en makkelijk vindbaar wordt voor die professionals. Daarnaast werken we aanvullende aandacht binnen het onderwijs voor de rol van het informele netwerk via bijvoorbeeld lesbrieven of lesmodules.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 63

Tijdspad

• 2025: verkenning lerende praktijken met zorginstituten; verkenning en voorbereiding van de acties met betrekking tot het creëren van meer aandacht voor het informele netwerk in het onderwijs • 2026: start en doorontwikkeling lerende praktijken; uitvoeren van de acties die betrekking hebben op het verstevigen van de plek van het thema samenwerking met het informele netwerk in het onderwijs.

Uitvoering

VWS, VGN, Vilans, Movisie, NJI, coalitiepartners mantelzorg­ agenda, lectorenplatform informele zorg

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 1 en 6

3.4.3

Overgangen zorg en ondersteuning voor jeugdigen en volwassenen

Wat doen we al? • Vanuit de Toekomstagenda Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking werken we aan verbetering van de kwaliteit en bekendheid van cliëntondersteuning en versoepelen van de overgang van Wmo2015 naar Wlz cliëntondersteuning. • Verder zijn we bezig met een actieonderzoek onder sociaal professionals en toegangsmedewerkers bij gemeenten. Daarmee ontwikkelen we handvatten en zorgen we voor de juiste kennis. Zodat mensen met een beperking de juiste zorg en ondersteuning krijgen. • Er zijn daarnaast verschillende trajecten die bijdragen aan de doelstellingen van de nationale strategie VN-verdrag Handicap, waarmee de verbinding wordt gezocht. Het gaat om de volgende trajecten: − De mogelijke inrichting van een Staatscommissie die onderzoek doet naar en met voorstellen komt voor een toekomstbestendige en weerbare inrichting van het zorgstelsel in Nederland − Het traject dat onderzoekt waar zorgwetten beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Of zorg­ wetten samen te voegen als is aangetoond dat het goedkoper en efficiënter kan. − Werkwijze en handreiking verlengde toekenning Zvw-PGB. − De gesprekken die gevoerd worden in verband met de Meerjarenagenda Wmo2015 en het houdbaarheidsonderzoek naar de Wmo2015. De huidige praktijk wordt in kaart gebracht, goede voorbeelden worden gedeeld en daar waar nodig wordt gewerkt aan verbetering.

− Verkenning nieuw financieringsmodel voor de Wmo2015. − Wet Domeinoverstijgende samenwerking om de samenwerking tussen gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars te stimuleren. − Hervormingsagenda Jeugd waaronder het richting gevend kader, het convenant en de werk­ pakketten lokale teams. − Inclusiepact Sneller onbeperkt meedoen, gericht op het stimuleren van sociale revalidatiemogelijkheden. Waarbij aandacht is voor alle aspecten van het leven, zoals wonen, werken, sport en sociale relaties.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 64

Maatregel 1: VWS, VNG en ZN onderzoeken de mogelijkheden voor onafhankelijke domeinoverstijgende cliëntondersteuning We brengen in kaart hoe onafhankelijke cliëntondersteuning meer domeinoverstijgend vorm­ gegeven en uitgevoerd kan worden. • Domeinoverstijgende cliëntondersteuning betekent dat de ondersteuning is georganiseerd over de verschillende wetten heen. Maar ook over de verschillende levensdomeinen heen, zoals zorg, onderwijs, wonen, werk en inkomen. • Hiermee zorgen we ervoor dat cliëntondersteuners integrale en levensbrede ondersteuning kunnen bieden en hierdoor beter kunnen aansluiten bij de behoefte van degene die cliëntondersteuning ontvangt. We doen dit door: • een maatschappelijke kosten- batenanalyse (MKBA) uit te voeren om inzicht te krijgen in hoe de huidige cliëntondersteuning functioneert. • de benodigde kwaliteitseisen en taken te verkennen om de functie goed uit te voeren. • een plan van aanpak te maken naar aanleiding van de opbrengsten: − Welke (landelijke) structuur nodig is om dit in te richten − Financiële consequenties − Juridische consequenties − Eventueel het inzetten van pilots: op basis van de resultaten van afgeronde pilots en lopende pilots wordt de afweging gemaakt of nieuwe pilots nodig zijn of niet. • acties uit het plan van aanpak mogelijk in gang zetten onder voorbehoud van financiële ­middelen, inclusief een wetswijziging indien nodig.

Tijdspad

• 2025: uitvoering MKBA en verkenning. • 2026: opstellen plan van aanpak en op basis daarvan bepalen of en hoe we verder gaan. Als er pilots nodig zijn, worden de voorbereidingen onder voorbehoud van financiële middelen hiervoor in gang gezet. Als er een alternatieve route mogelijk is, zullen hiervoor de voorbereidingen getroffen worden. • 2027: afhankelijk van het plan van aanpak en vervolgkeuzes zal mogelijk gestart worden met de pilots of wordt de alternatieve route verder in gang gezet.

Uitvoering

VWS, VNG, ZN en de werkgroep cliëntondersteuning (van de Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking)

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 2 en 4

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 65

Maatregel 2: VWS en VNG ontwikkelen werkpakketten voor passende toegang, omgang, zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking Het ministerie van VWS en VNG ondersteunen gemeenten met (praktijk)kennis en praktische hulpmiddelen om de toegang, zorg en ondersteuning beter aan te laten sluiten bij mensen met een beperking en hun naasten. Aanvullend en aansluitend op de werkpakketten ‘Stevige Lokale Teams’ vanuit de Hervormingsagenda Jeugd. Zo’n werkpakket is een soort richtlijn voor professionals met relevante kennis en interventies ten aanzien van mensen met een beperking. We doen dit door: • werkpakketten te ontwikkelen bestaande uit een kennisgedeelte en praktijk. Door bestaande kennis, hulpmiddelen en voorbeelden uit de praktijk te verzamelen. Als het nodig is ontwikkelen we extra kennis/handvatten. • de werkpakketten te testen onder gemeenten. En passen deze daarop aan. • adviseurs in te zetten voor de verspreiding en implementatie van de werkpakketten. • samen met de VNG een communicatiestrategie op te stellen voor de verspreiding van de werkpakketten. Bijvoorbeeld door onder andere een lerend netwerk op te stellen als dit wenselijk is. Tijdspad

• 2025 starten met bundelen van kennis en praktijkvoorbeelden voor de werkpakketten. • 2026 start met de ontwikkeling en het testen van de werkpakketten. En op basis van deze ervaringen worden de werkpakketten waar nodig aangepast. Vanuit VNG worden er adviseurs ingezet en een communicatiestrategie uitgevoerd om het breed uit te rollen.

Uitvoering

VWS, VNG en gemeenten, cliëntenorganisaties en mensen met een beperking, kennisinstituten Movisie, NJI en Vilans

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 2 en 5

Maatregel 3: VWS, VNG en ZN verbeteren de continuïteit van zorg of ondersteuning bij verhuizing of overgang naar een andere wet We verbeteren de continuïteit van zorg bij verhuizing of overgang naar een andere wet door tijdige of doorlopende beschikkingen te stimuleren. We doen dit door: 1. verkennende gesprekken te voeren met VNG, ZN en mensen met een beperking rond knelpunten bij overbruggingszorg rond de Wmo2015 en Wlz. En hoe we dit in de praktijk kunnen verbeteren. 2. de mogelijkheden te verkennen om de indicatie eerder aan te vragen of te behouden bij ­verhuizing (Wmo2015) en mensen hierover te informeren − We geven meer bekendheid aan de mogelijkheden om voor verhuizing een Wmo voorziening aan te vragen. − We halen goede voorbeelden op bij gemeenten en delen deze. − We verkennen knelpunten/bezwaren rond het (tijdelijk) overnemen van een indicatie vanuit een andere gemeente. En nemen deze waar mogelijk weg. − beleidskeuzes en eventuele wetswijziging in kaart te brengen op basis van eerdere onderzoeken/signalen rond overgang van de Jeugdwet naar de Wmo2015 en Wlz of Zvw.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 66

Tijdspad

In 2025 starten we met de acties a en b. Na vaststelling van de werkagenda volgen mogelijke vervolgacties op de beleidskeuzes rond de overgang Jeugdwet-Wmo2015, Wlz en Zvw (actie c), inclusief tijdspad.

Uitvoering

VWS, VNG en gemeenten, ZN, zorgkantoren en zorgverzekeraars, VGN en zorg- en jeugdhulpaanbieders, NJR, cliëntenorganisaties en mensen met een beperking en hun naasten

Draagt bij aan doelstelling

• Thuis en Wonen, doelstelling 3 • Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 2

Maatregel 4: VWS versoepelt de overgang van medische kindzorg naar volwassenzorg (18-/18+) We versoepelen de overgang van zorg wanneer kinderen met een ernstige ziekte of b ­ eperking 18 jaar worden. Zodat jongvolwassenen en hun ouders of verzorgers betere zorg en ondersteuning ervaren. • We analyseren waarom bestaande acties nog niet tot verbetering leiden. We leveren een overzicht op van de bekende knelpunten op basis van de input van kenniscentra, professionals en ouders/ kinderen. • We brengen goede praktijkvoorbeelden in beeld. • Gedurende het proces komen we goede initiatieven tegen die we verspreiden. Denk hierbij aan een e-learning over kinderen met een intensieve zorgvraag voor Wmo-consulenten of het initiatief om ouders en kinderen een rol te geven in de opleiding van medisch personeel. • We ontwerpen mogelijke oplossingen. Op basis van de goede voorbeelden kijken we hoe deze manier van werken op meerdere plekken mogelijk gemaakt kan worden. • We testen deze ontwerpen met een groep ouders en professionals in de tweede helft van 2025. • We geven een advies voor vervolgtraject. Alle verbeterpunten bundelen we hierbij in een advies om verder mee aan de slag te gaan in 2026. Tijdspad

• 2025: project gestart, oplevering van het overzicht van knel­ punten, verspreiding van goede voorbeelden en initiatieven. • 2026: Afhankelijk van vervolgkeuzes mogelijk vervolgacties uitvoeren op basis van het advies.

Uitvoering

VWS, ouders en ervaringsdeskundigen en kenniscentra zorgorganisaties

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 2 en 4

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 67

Maatregel 5: VWS, VNG en ZN zetten in op passende indicaties en beschikkingen qua looptijd in alle zorgwetten We spannen ons in om belemmeringen weg te nemen, zodat mensen met een beperking, chronische aandoening of psychische problemen passende indicaties of beschikkingen krijgen die aansluiten bij hun situatie. Ongeacht uit welke wet de ondersteuning komt. Zo willen we onnodige herindicaties voorkomen bij mensen met een levenslange beperking, chronische aandoening of psychische problematiek. • We maken inzichtelijk hoeveel gemeenten al werken met het toekennen van een lange(re) beschikkingsduur op grond van de Wmo2015 en Jeugdwet. • We maken een plan van aanpak en voeren deze gericht uit om gemeenten, die in mindere mate of (nog) geen beschikkingen met een lange(re) looptijd afgeven, indien de situatie daarom vraagt, te ondersteunen en stimuleren dat wel te doen. Bijvoorbeeld door een brief te sturen naar gemeenten om de handreiking te verspreiden. En adviseurs in te zetten om het aan te jagen. • We benadrukken in de toelichting van nieuwe wetstrajecten of -wijzigingen dat gemeenten een passende beschikkingsduur in de Wmo2015 en Jeugdwet hanteren. Dus lang(er) als dat passend is. • We activeren partijen en we maken verdere verbeterafspraken, zodat zoveel mogelijk budgethouders met een Zvw-pgb en een chronische en stabiele zorgvraag hiervan kunnen profiteren.

Een verlengde toekenning voor dit type zorgvraag is de standaard mits er voldaan wordt aan de voorwaarden zoals beschreven in de handreiking verlengde toekenning. De handreiking wordt breder bekend gemaakt via de kanalen van betrokken partijen. • In de Wlz worden al levenslange indicaties afgegeven door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Soms is de zorgvraag van een cliënt zo complex, dat aanvullende zorg nodig is boven op de zorg binnen het zorgprofiel. Dan kan in samenspraak met een zorgkantoor meerzorg worden toegekend. In principe is meerzorg tijdelijk, totdat de zorg weer op het niveau is dat deze weer in het zorgprofiel past. Om deze reden wordt meerzorg voor maximaal 3 jaar toegewezen. In deze uitzonderlijke gevallen kan het zo zijn dat meerzorg (wederom) verlengd moet worden. Samen met ZN/zorgkantoren verkennen we hoe we dit maatwerk in de praktijk het beste kunnen vormgeven voor de cliënt. Dat doen we binnen de kaders van wet- en regelgeving en met oog voor voldoende mogelijkheden voor zorgkantoren om te (blijven) sturen op doelmatige inzet. Tijdspad

• 2025: inzicht in hoeveel gemeenten werken met lange(re) beschikkingsduur. Plan van aanpak met de VNG klaar om uitgevoerd te worden. • 2026 Acties naar aanleiding van de verkenning rond Zvw-pgb en meerzorg pgb worden onder voorbehoud van vervolgkeuzes en financiële middelen verder geïmplementeerd.

Uitvoering

VNG en gemeenten, ZN, zorgkantoren en zorgverzekeraars, ­cliëntenorganisaties en mensen met een beperking en hun naasten

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 2 en 4

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 68

3.4.4

Altijd de juiste deur

Wat doen we al? • Regelhulp.nl is de website met algemene informatie vanuit de Rijksoverheid over zorg en ondersteuning. • Vanuit het ‘altijd de juiste deur’-principe werkt BZK via het Inrichten van overheidsbrede loketten aan overheidsbrede toegang tot publieke dienstverlening. Het zou niet moeten uitmaken bij welke instantie of organisatie iemand aanklopt, de overheid werkt collectief aan de oplossing vanuit de beleving van mensen, ongeacht hoe de overheid zelf is georganiseerd. Zorg en ondersteuning is op dit moment nog geen onderdeel van de overheidsbrede loketten.

Maatregel 1: VWS ontwikkelt één digitaal informatiepunt We ontwikkelen één goed bekend, toegankelijk digitaal informatiepunt. Mensen met een beperking en professionals hebben toegang tot actuele, betrouwbare en begrijpelijke informatie en weten beter waar ze in hun situatie een aanvraag voor zorg en ondersteuning kunnen doen. Hoe doen we dit? • Ervaringsdeskundigen en professionals inzetten om informatie vraaggericht te maken en beter aan te laten sluiten op de levenssituatie van mensen met een beperking; • Doorontwikkelen Regelhulp.nl. Verbeteren en vernieuwen van bestaande informatie en dat vervolgens bundelen in 1 informatiepunt; • Verbinding leggen naar de trajecten van AZ (publieksinformatie), BZK (loketfunctie van de overheid) en initiatieven als Het juiste loket; • Publiekscommunicatie voor bekend maken van het informatiepunt onder de doelgroep mensen met een beperking; • Verkennen ontwikkeling AI-tool voor professionals bij uitvoeringsorganisaties en gemeenten en mensen met een beperking. Tijdspad

• 2025: uitwerken wat nodig is voor het realiseren van het informatiepunt. • 2026: programma van eisen opstellen, verbinding leggen met lopende trajecten met ervaringsdeskundigen (onder meer via Ieder(in), Juiste Loket). • 2027: Onder voorbehoud van financiële middelen lanceren we en geven we er breed bekendheid aan. • Vanaf 2028-2030 onder voorbehoud van financiële middelen mogelijke monitoring en verbetering op basis van gebruikerservaringen.

Uitvoering

VWS, BZK/AZ, VNG en gemeenten, partijen betrokken bij het Juiste Loket (Per Saldo en IederIn) en (klankbordgroep van) ervaringsdeskundigen

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 4 en 5

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 69

Maatregel 2: VWS stimuleert vroegtijdig en integraal samenwerken • We gaan in enkele gemeenten aan de hand van actieonderzoek beproeven hoe overheids­ instanties, gemeenten en zorgpartijen aan de hand van het “altijd de juiste deur”-principe samen kunnen werken. De betrokken partijen bekijken de hulpvragen van mensen integraal, zodat mensen in één keer goed geholpen zijn. Hiertoe maken partijen samenwerkings­afspraken rekening houdend met regelgeving, uitvoerbaarheid en de rol en verantwoordelijkheden die partijen hebben. We halen op wat goed werkt en wat ervoor nodig is om deze werkwijze ook in andere gemeenten in te voeren. Daar wordt ook gekeken of en hoe mogelijke knelpunten in gegevensdeling kunnen worden weggenomen. • We zorgen in deze gemeenten dat mensen waar ze ook aankloppen met hun hulpvraag, altijd goed worden geholpen of warm worden doorverwezen. We verbeteren de samenwerking tussen de verschillende partijen die mensen met een beperking nodig hebben. We maken afspraken over dienstverlening en de verantwoordelijkheid die organisaties die een publieke dienst leveren hebben om ervoor te zorgen dat iemand goed wordt geholpen. • We maken hiervoor gebruik van de werkwijze en uitgangspunten van het programma Inrichten overheidsbrede loketten (BZK).

We zorgen dat zorgpartijen (bijvoorbeeld Wmo-loketten of lokale teams bij gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren en het CIZ) deze werkwijze omarmen. Tijdspad

• 2025: Het voornemen is om in een aantal gemeenten ‘overheidsbrede loketten’ inclusief de zorgpartijen te gaan beproeven. • 2026: Indien kansrijk op basis van ervaringen opschalen van de werkwijze naar een groeiende groep gemeenten.

Uitvoering

VWS, BZK (en uitvoerders verbonden aan het programma Inrichten overheidsbrede loketten), VNG/gemeenten, ZN (zorgverzekeraars en zorgkantoren), het CIZ, en (een klankbordgroep van) mensen met een beperking en cliëntenorganisaties zoals Per Saldo.

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 2, 4 en 5

3.4.5

Digitale toegankelijkheid in de zorg

Maatregel 1: VWS verkent de mogelijkheden om de eisen uit de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn ook voor de zorgsector te laten gelden Voor zorgwebsites en -apps zijn er geen verplichtingen voor de digitale toegankelijkheid. Deze verplichtingen zijn er wel voor bedrijven (via de Europese toegankelijkheidsrichtlijn) en o ­ verheden (via het Besluit digitale toegankelijkheid overheden). VWS onderzoekt of ook voor de zorgsector toegankelijkheidsvoorschriften kunnen gaan gelden. Tijdspad

• 2025/2026: onderzoek • 2027: mogelijke vervolgacties onder voorbehoud van financiële middelen

Uitvoering

VWS

Draagt bij aan doelstelling

Gezondheid en ondersteuning, doelstelling 4

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 70

3.4.6

Inzicht in budget leefdomein gezondheid en ondersteuning

De meeste maatregelen zijn gedekt vanuit het lopende beleid of er zijn geen aanvullende middelen voor nodig. Zo helpt het ministerie van VWS bijvoorbeeld mensen met een beperking om te sporten en te bewegen door duidelijk te maken waar zij sporthulpmiddelen kunnen krijgen. Hiervoor is reeds € 750.000 per jaar beschikbaar.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 71

3.5

Vervoer en Mobiliteit

Doelstellingen 2040 1. Mensen met een beperking kunnen zich vrij en zelfstandig verplaatsen van A naar B. Ook als zij jonge kinderen hebben. Er is toegankelijke reisinformatie beschikbaar. Openbaar vervoer is toegankelijk of er is een passend alternatief beschikbaar. 2. De publieke ruimte is toegankelijk voor voetgangers, rolstoelgebruikers en fietsers met een beperking. 3. Hulpmiddelen en ondersteuning die nodig zijn om vrij en zelfstandig van A naar B te v­ erplaatsen, zijn beschikbaar.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 72

3.5.1

Toegankelijk openbaar vervoer

Wat loopt er al? Het doel is om het openbaar vervoer voor iedereen toegankelijk te maken voor 2040. Dit is v­ astgelegd in het Toekomstbeeld OV. We werken hieraan op verschillende manieren. • Voor de treinstations: sinds 2006 via het Implementatieplan Toegankelijkheid stations. Met dit plan wordt in totaal ongeveer € 550 mln. geïnvesteerd in betere toegankelijkheid van stations. Ruim 90% van de treinstations in Nederland is inmiddels toegankelijk gemaakt. Doelstelling is dat in 2030 bijna 100% van de treinstations toegankelijk is. • Voor de treinen geldt dat per eind 2023 al het NS-sprintermaterieel toegankelijk is. Voor regionale treinen geldt dat deze al beschikken over een toegankelijke instap. Inmiddels rijden de eerste treinen van de Intercity Nieuwe Generatie. Hierna wordt de toegankelijke dubbeldekker (Dubbel Dekker Nieuwe Generatie) geïntroduceerd. Gaandeweg krijgt een steeds groter deel van het treinvervoer een zelfstandige instap. • Deze inspanningen vloeien onder andere voort uit internationale verdragen, Europese en nationale wet- en regelgeving en (interdepartementale) beleidsprogramma’s om reizen met het openbaar vervoer voor mensen met een beperking te verbeteren. Zo zijn sinds 2011 en 2012 het Besluit en de Regeling toegankelijkheid van het openbaar vervoer van kracht.

• IenW geeft onder andere met het Bestuursakkoord toegankelijkheid openbaar vervoer 2022-2032 verder invulling aan de ambitie om de toegankelijkheid van het openbaar vervoer te vergroten. Het Bestuursakkoord is ondertekend door: − staatssecretaris van IenW; − decentrale ov-autoriteiten (provincies en metropoolregio’s); − ProRail, en − de vervoerders. Dat akkoord bevat talloze afspraken over hoe het openbaar vervoer verder toegankelijk wordt gemaakt. Veel maatregelen in deze werkagenda worden uitgevoerd, omdat daarover al afspraken zijn gemaakt in het Bestuursakkoord. Om duidelijk te maken wat er met de opgehaalde gewenste maatregelen gebeurt, zijn ze toch opgenomen in de werkagenda. De maatregelen 1, 3 en 5 t/m 7 zijn inspanningen vanuit het Bestuursakkoord en lopen al. Maatregel 2 en 4 zijn daar aanvullend op.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 73

Maatregel 1: IenW, decentrale ov-autoriteiten, ProRail en vervoerders verbeteren de fysieke toegankelijkheid van het openbaar vervoer Werken aan structurele verbeteringen in de fysieke toegankelijkheid van alle vormen van openbaar vervoer. Zodat mensen met zowel fysieke als mentale beperkingen volwaardig kunnen deelnemen aan het reizen, met voldoende rolstoelplekken en aangepaste voorzieningen. Tijdspad

• De laatste treinstations worden vóór 2030 toegankelijk gemaakt. Voor het treinmaterieel (inclusief toiletten) gebeurt dit in fasen, bij de vervanging van materieel of inbouw van voorzieningen tijdens gepland onderhoud (zie boven). Hetzelfde geldt voor trammaterieel. Lijnbussen en metro zijn al zo goed als volledig toegankelijk. • Het toegankelijk maken van alle resterende bus- en tramhaltes duurt nog tot ongeveer 2040. Dit wordt onder andere ingevuld via afspraken in het Bestuursakkoord over het verder toe­ gankelijk maken van bus- en tramhaltes (art. 9).

Uitvoering

Alle betrokken partijen bij het Bestuursakkoord

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

Maatregel 2: IenW onderzoekt samen met onder andere decentrale ov-autoriteiten en vervoerders welke toegankelijkheidsdata wordt gemist in de reisinformatie Mensen met een beperking hebben gevraagd een centraal informatiepunt te ontwikkelen dat alle vormen van vervoer en informatievoorziening voor mensen met een beperking samenbrengt. Waardoor zij gemakkelijk toegang hebben tot actuele, overzichtelijke en begrijpelijke reisinformatie. Er bestaan al veel online reisplanners waar het mogelijk is om een reis te plannen die rekening houdt met de toegankelijkheid van haltes, stations, voertuigen en de aanwezigheid van ­geleidelijnen. Enkele voorbeelden: In de reisplanner ov9292 kan de reiziger de optie “toegankelijkheid” kiezen. Hiermee krijgt de reiziger een advies voor een toegankelijke reis voor trein, bus, tram en metro. In de reisplanner van de NS bestaat deze mogelijkheid ook en wordt er bijvoorbeeld informatie gegeven over uitstapzijde van de trein. Op de website van ProRail is verder specifieke informatie te vinden over de toegankelijkheid van treinstations. Verschillende vervoerders vermelden daarnaast op hun website welke haltes toegankelijk zijn (op basis van het landelijke Centraal Haltebestand). In het Bestuursakkoord (art. 6) zijn afspraken gemaakt over toegankelijkheid van reisinformatie en reisinformatie over toegankelijke reizen.

IenW gaat met stakeholders in gesprek om na te gaan welke toegankelijkheidsdata nog niet beschikbaar zijn en waaraan behoefte is om de informatievoorziening te verbeteren. Tijdpad

2026-2030.

Uitvoering

Vervoerders, IenW, decentrale ov-autoriteiten

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 74

Maatregel 3: Vervoerders verbeteren beschikbaarheid van reisassistentie Treinvervoerders zorgen voor betrouwbare en gemakkelijk te regelen reisassistentie die flexibel is en beschikbaar blijft bij onverwachte vertragingen of wijzigingen in de reisroute. Sinds eind 2023 hebben alle stations reisassistentie waar NS stopt en die door ProRail toegankelijk zijn gemaakt. Er wordt verder gewerkt aan het beschikbaar maken van reisassistentie op alle treinstations waar niet NS maar andere vervoerders halteren (zie ook Bestuursakkoord, artikel 17). Ook zijn er wensen om de regie op de reisassistentie in een ketenreis met meerdere treinvervoerders te realiseren (zie maatregel 4). Tijdspad

Eind 2025: reisassistentie beschikbaar op alle stations.

Uitvoering

Regionale treinvervoerders

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

Maatregel 4: Regelen regie op de boeking van reisassistentie als iemand reist met verschillende treinvervoerders Vanuit mensen met een beperking en hun belangenorganisaties is gevraagd om een maatregel gericht op meer regie op de reisassistentie tijdens een ketenreis per spoor. Door het boeken van reisassistentie voor reizen met meerdere treinvervoerders centraal te coördineren, hoeven reizigers die reizen met reisassistentie en die gebruik maken van meerdere treinvervoerders niet bij verschillende treinvervoerders reisassistentie aan te vragen maar kunnen zij dit in één keer doen. In artikel 18 van de nieuwe Hoofdrailnet-concessie van NS is hierover een afspraak gemaakt. Vraagt een andere spoorvervoerder om regie te voeren op de boeking van reisassistentie aan NS en bestaat er hierover een overeenkomst met NS dan voert NS de regie over het boeken van reis­assistentie voor reizen met de betreffende spoorvervoerder. De regionale spoorvervoerder blijft daarbij verantwoordelijk voor de feitelijke uitvoering, eventuele bijsturing en klachtenafhandeling van de reisassistentie. NS kan de kosten voor het voeren van de eerder beschreven regie bij de betreffende spoorvervoerder in rekening brengen. Tijdspad

2025-2030

Uitvoering

Treinvervoerders

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

Maatregel 5: Vervoerders en provincies werken aan bewustwording en opleiding van reisassistenten en vervoerders Mensen met een beperking hebben gevraagd om trainingsprogramma’s te ontwikkelen en ­implementeren voor reisassistenten en vervoersmaatschappijen. Zodat zij beter uitgerust zijn om om te gaan met de diverse en specifieke behoeften van mensen met beperkingen.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 75

Decentrale ov-autoriteiten en vervoerders doen dit op de volgende manieren: • Ontwikkelen en implementeren van uitgebreide trainingsprogramma’s voor reisassistenten en vervoersmaatschappijen. Daardoor weten zij beter hoe om te gaan met de diverse en specifieke behoeften van mensen met beperkingen. • NS besteedt in de opleiding van haar personeel, dat in direct contact staat met de NS-reizigers, aandacht aan de wijze waarop dat personeel omgaat met NS-reizigers met een beperking. • In het Bestuursakkoord (art. 15) is afgesproken dat het Rijk en decentrale ov-autoriteiten ­beschrijven hoe zij wensen dat het OV-personeel, dat in direct contact met de reiziger staat, omgaat met reizigers met een beperking. Uit ingediende uitvoeringsprogramma’s waarin decentrale ov-autoriteiten moeten opnemen hoe zij de afspraken gaan uitvoeren uit het Bestuursakkoord toegankelijkheid OV 2022-2032, blijkt dat zij aandacht hebben voor bejegening. Tijdspad

2022- 2032

Uitvoering

Vervoerders en decentrale ov-autoriteiten

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

Maatregel 6: Gemeenten en vervoerders stimuleren deelname aan het OV door trainingen voor zelfstandig reizen Zelfstandig reizen wordt gestimuleerd door het organiseren van trainingen en workshops om mensen met beperkingen te helpen bij het ontwikkelen van vaardigheden en vertrouwen om te reizen. Dit wordt gedaan met inzet van ervaringsdeskundigen die praktische tips en inspiratie kunnen bieden. De trainingen zijn fysiek en digitaal. In het Bestuursakkoord (art. 16) zijn daarover afspraken gemaakt. IenW heeft in 2023 een subsidie van € 1,5 mln. beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het aanstellen van OV-ambassadeurs. In diverse regio’s zijn er allerlei subsidies om mensen met een beperking zelfstandig te leren reizen. Zoals in Flevoland, provincie Utrecht, de metropoolregio’s Rotterdam-Den Haag en Amsterdam. NS heeft het TreinTrainPakket ontwikkeld. Met dit pakket kunnen scholieren met een licht verstandelijke beperking op VSO-scholen oefenen om met de trein te reizen. Vanwege succes in de afgelopen jaren zal NS dit ook in 2026 blijven aanbieden. Tijdspad

Loopt tot 2032

Uitvoering

Gemeentes en vervoerders

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 76

Maatregel 7: Vervoerders en ProRail verkennen wat er aanvullend nodig is om reizigers te informeren als de essentiële toegankelijkheidsvoorzieningen defect zijn. Informatie­ voorziening over vertragingen en wijzigingen en actuele informatie over toegankelijkheid In het Bestuursakkoord (art. 14) zijn afspraken gemaakt over hoe te handelen in geval van weg­vallen en niet-functionerende essentiële toegankelijkheidsvoorzieningen. Daarin is onder andere ­afgesproken dat de partij die verantwoordelijk is voor de wegvallende of niet-functionerende essentiële toegankelijkheidsvoorziening dit zo spoedig mogelijk meldt, inclusief de duur van het herstel aan de relevante concessiehouders. Daarnaast is deze partij verantwoordelijk voor het regelen van een vervangende oplossing. Vervoerders verstrekken informatie over weggevallen en niet-functionerende essentiële toegankelijkheidsvoorzieningen zo spoedig mogelijk aan reizigers. Dat doen zij ongeacht of de toegankelijkheidsvoorziening zich bevindt in eigen beheer, wordt beheerd door ProRail of door een andere beheerder. In het geval van de concessie voor het Hoofdrailnet is al opgenomen dat NS-reizigers die stranden een vervangende oplossing wordt geboden.

Strandt een reiziger met een beperking door een niet-functionerende essentiële ­toegankelijkheidsvoorziening van ProRail dan draagt ProRail er zorg voor dat een gestrande reiziger met een beperking een vervangende oplossing krijgt aangeboden. ProRail heeft in het kader van deze verantwoordelijkheid uitvoeringsafspraken met NS gemaakt. Nu wordt wekelijks in de reisinformatie verwerkt welke liften een week of langer in storing zijn. Aanvullend daarop werkt ProRail nu aan het invoeren van een monitoringssysteem van lift­ storingen voor actuele informatievoorziening. Hiermee worden reizigers sneller en nauwkeuriger geïnformeerd en kunnen zij hun reis indien nodig aanpassen. Tijdspad

• 2025 Realiseren van een monitoringssysteem van liftstoringen voor actuele informatievoorzieningen. • Vanaf 2026: start verkenning IenW met stakeholders welke data wordt gemist.

Uitvoering

Vervoerders, ProRail en IenW

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

3.5.2

Vervoer per fiets of auto

Maatregel 1: IenW en gemeenten onderzoeken of we kunnen zorgen voor duidelijke afspraken over ontheffingsstickers voor aangepaste fietsen We onderzoeken of we kunnen zorgen voor ontheffingsstickers voor aangepaste fietsen voor: • fiets parkeren, en • rijden in voetgangersgebieden. Ook onderzoeken we de geldigheid van de ontheffingsstickers buiten de eigen gemeenten. Via het samenwerkingsverband met rijk, decentrale overheden en maatschappelijke organisaties, Tour de Force, kunnen we gemeenten snel benaderen en met ze afstemmen. Hiermee wordt draagvlak voor implementatie aan de voorkant geborgd bij de verantwoordelijke wegbeheerders.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 77

Verschillende gemeenten hanteren ontheffingsstickers voor gebieden met een fietsparkeerverbod en/of voor speciale plekken in fietsenstallingen voor aangepaste fietsen (zoals driewielers) voor mensen met een beperking. De stickers zijn verschillend per gemeente en zijn niet geldig buiten de betreffende gemeente. Nog niet elke gemeente kent zo’n ontheffing. Tijdspad

• In 2025 starten we met de inventarisatie onder gemeenten welke regelingen er zijn. En in hoeverre deze overeenkomst ­verschillend zijn. • In 2025 of 2026 kan dan gestart worden met aanbevelingen om de uitgaven en toepassing van ontheffingen te uniformeren.

Uitvoering

IenW en gemeenten

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 3

Maatregel 2: CROW onderzoekt of in de ontwerprichtlijnen voor fietsinfrastructuur nog extra voorschriften nodig en mogelijk zijn om de toegankelijkheid voor mensen met een beperking te verbeteren Bij toepassing van de huidige ontwerprichtlijnen voor fietsinfrastructuur zijn fietspaden in p ­ rincipe ook geschikt voor driewielers en andere aangepaste fietsen. In de praktijk ervaren mensen toch vaak belemmeringen op fietspaden. Reden om bij de aanpassing van de Ontwerpwijzer Fietsverkeer te kijken of er toch nog verbeteringen nodig zijn voor mensen met een beperking. Misschien is het daarnaast goed en nodig om een aparte publicatie te maken voor toegankelijke fietsinfrastructuur. Tijdspad

In 2025 start het CROW met een grote aanpassing van de Ontwerpwijzer Fietsverkeer. De laatste versie is uit 2016. In 2026 wordt de nieuwe Ontwerpwijzer gepubliceerd.

Uitvoering

CROW, op aangeven van IenW

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1 en 2

3.5.3

Doelgroepenvervoer

Wat doen we al voor doelgroepenvervoer? • Doelgroepenvervoer is bedoeld als alternatief voor mensen die niet (volledig) met het openbaar vervoer kunnen reizen. Nederland kent vele vormen van deze alternatieven. VWS is opdrachtgever van Valys. Dat is vervoer voor een sociaal of recreatief doel over langere afstanden (boven­regionaal) voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Naast deze vormen van vervoer bestaan bijvoorbeeld ook zittend ziekenvervoer, leerlingenvervoer, vervoer van en naar dagbesteding of naar werk en sportvervoer. • In de Verbeteragenda Doelgroepenvervoer werken VWS, IenW en OCW, VNG en veldpartijen samen aan verbeteringen voor alle vormen van doelgroepenvervoer. Ook leerlingenvervoer vormt hierin een cruciaal onderdeel. De verbeteragenda richt zich op ontschotten, aanbesteden, contractmanagement, toezicht, beschikbaarheid van chauffeurs, ondersteuning en verwachtingen van reizigers. • De hierboven genoemde punten blijken beter te passen in een strategie die structureel voor verbeteringen kan zorgen. De inzet verschuift daarom naar het realiseren van een meer integraal vervoerssysteem dat voor (bijna) iedereen toegankelijk is. Dat noemen we publieke mobiliteit. Momenteel wordt verkend hoe dit tot uitvoering kan worden gebracht.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 78

Wat doen we al voor leerlingenvervoer? • Leerlingenvervoer is een specifieke vorm van doelgroepenvervoer, omdat het een belangrijke voorwaarde is voor (het recht op) toegankelijk onderwijs, ongeacht de gemeente waar de leerling woont of de school waar de leerling naartoe gaat. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het leerlingenvervoer ligt bij gemeenten. De Rijksoverheid heeft hier een aanjagende en stimulerende rol in. Voor goed leerlingenvervoer dienen de randvoorwaarden op orde te zijn: afspraken over maximale reistijden, inzet op continuïteit van chauffeurs, goede monitoring op verschillende niveaus, ­waarborgen van veiligheid, vervoer dat past bij de mogelijkheden van de leerling en participatie van leerlingen en hun ouders bij de vorming van het lokale beleid. Er wordt nog te vaak niet aan deze randvoorwaarden voldaan. • Bovenstaande verbeterpunten worden meegenomen in de hierboven beschreven verbeteragenda doelgroepenvervoer, gericht op het optimaliseren van het doelgroepenvervoer. Leerlingenvervoer vormt hiervan een cruciaal onderdeel. • Op de lange termijn werkt OCW samen met het onderwijsveld aan inclusief onderwijs (zie 3.3 Onderwijs en ontwikkeling). Hiermee volgen zoveel mogelijk leerlingen thuis nabij onderwijs waardoor zij minder afhankelijk zullen zijn van leerlingenvervoer.

Binnen inclusief onderwijs blijft leerlingenvervoer mogelijk voor leerlingen die naar specialistische voorzieningen gaan.

Maatregel 1: Verkenning betaalbaar en passend vervoer voor iedereen Voor het betaalbaar houden van doelgroepenvervoer is de wens dat deze aansluiten bij tarieven die ook voor het OV gelden. Bij Valys is dat al het geval. Uit recent onderzoek van het Nibud blijkt dat dit ook vaak al het geval is bij Wmo-vervoer. Voor passend vervoer wordt in de huidige contracten van doelgroepenvervoer al voorzien in passende voertuigen en chauffeurs. Hierbij kan maatwerk worden geboden. Er zijn grenzen aan wat geregeld kan worden. Doelgroepenvervoer is immers collectief deelvervoer als alternatief voor openbaar vervoer. Belangrijk voor de toekomst is de inzet van het kabinet op publieke mobiliteit. VWS, IenW en OCW nemen samen met BZK en Financiën deel aan de stuurgroep voor de verkenning naar publieke mobiliteit. De verkenning richt zich op het onderzoeken van de mogelijkheden voor het inrichten van een integraal publiek mobiliteitssysteem; een systeem met daarin betaalbare, toegankelijke, beschikbare en betrouwbare publieke mobiliteit (ofwel: ‘inclusief openbaar vervoer’). Dit integrale publieke vervoerssysteem is voor iedereen toegankelijk en passend. Alleen in uitzonderingsgevallen is dan nog aanvullend passend vervoer nodig. Dit draagt bij aan de doelstelling dat iedereen mee kan doen in de maatschappij. Tijdspad

De eerste verkenning verschijnt in 2025. Het vormt de basis voor vervolgstappen.

Uitvoering

Meerdere partijen, waaronder IenW, VWS, OCW, en andere relevante ministeries.

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 79

Maatregel 2: VWS verkent wat het betekent om iets te doen aan het kilometerbudget Het Valysvervoer is altijd bedoeld geweest als de ontbrekende schakel in de reis van de voordeur tot een treinstation en vice versa. Dat wordt ook wel een ketenreis genoemd. Door een ketenrit te boeken, wordt het voor reizigers van Valys mogelijk om veel meer kilometers te reizen. Zij kunnen dan door Valys naar het station of naar de bushalte worden gebracht, waardoor er minder ­kilometers van het kilometerbudget worden gebruikt. Jaarlijks wordt de hoogte van het Persoonlijk Kilometerbudget (PKB) en het HoogPKB door VWS vastgesteld op basis van de (verwachte) ontwikkeling van het aantal reizigers die gebruik maken van Valys, het (verwachte) verbruik van de kilometerbudgetten en het beschikbare budget van VWS. Op dit moment wordt er meer uitgegeven aan Valys dan begroot. Daarbij maken lang niet alle Valysreizigers hun kilometerbudget op. Dit betekent dat als alle Valys-reizigers hun kilometerbudget zouden opmaken er een nog groter tekort zou ontstaan. Ten aanzien van Valys-vervoer vragen zowel gebruikers van Valys als de Tweede Kamer aandacht voor het aantal kilometers dat niet altijd toereikend is voor iedereen. Het opheffen van het maximum aantal kilometers kan tot problemen leiden in het Valys-vervoer, maar ook bij andere vormen van doelgroepenvervoer.

Het is nadrukkelijk de intentie van VWS de motie hierover uit te voeren. Echter, alvorens een beslissing genomen kan worden over de uitvoering van de motie worden alle effecten vooraf goed in beeld gebracht zodat een beslissing tot de uitvoering van de motie vooraf wordt gegaan door een gedegen afweging van de te verwachten effecten. Eind 2025 worden de resultaten van dit onderzoek verwacht (Kamerstukken II 2024/2025, 24170, nr. 331). Tijdspad

• 2025: uitkomsten van het onderzoek worden eind 2025 opgeleverd. • 2026: mogelijk vervolgstappen zetten op basis van de uitkomsten van het onderzoek.

Uitvoering

VWS

Draagt bij aan doelstelling

Vervoer en mobiliteit, doelstelling 1

3.5.4

Inzicht in budget levensdomein vervoer en mobiliteit

Voor de uitvoering van het Bestuursakkoord heeft de Kamer 30 miljoen aan het Mobiliteitsfonds ter beschikking gesteld. Die middelen zijn niet voldoende om alle afspraken te verwezenlijken, in het bijzonder het toegankelijk maken van resterende bus- en tramhaltes. Bij brief d.d. 20 november 2023 aan de Kamer heeft de Staatssecretaris van IenW een doorrekening van enkele afspraken uit het Bestuursakkoord toegankelijkheid OV 2022-2032 aangeboden. In die brief is meegedeeld dat het een lange termijnopgave is om de resterende bus- en tramhaltes toegankelijk te maken en dat die opgave niet volledig binnen de termijn van het bestuursakkoord door de weg­beheerders (provincie en gemeente) kan worden gerealiseerd. Binnen de begroting van IenW zijn er geen mogelijkheden om dit te kunnen versnellen. Alle IenW-maatregelen sluiten aan op lopend beleid en zijn budgettair gedekt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 80

3.6

Cultuur, media, vrije tijd, sporten en bewegen

Doelstellingen 2040 1. Cultuur, media, sport en bewegen en recreatie zijn toegankelijk voor alle mensen. Zowel om het zelf te doen en maken als om het te ervaren. 2. Mensen met een beperking zijn zichtbaar vertegenwoordigd in cultuur, media en sport.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 81

3.6.1

Toegankelijke cultuur en media en betere vertegenwoordiging van mensen met een beperking

Toegankelijkheid is een voorwaarde voor een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan deelnemen aan cultuur en media, ongeacht fysieke, zintuiglijke of cognitieve beperkingen. Cultuur en media bieden mensen de ruimte om zich te ontwikkelen, zich uit te drukken en zich verbonden te voelen met de samenleving. Toch zijn er nog altijd drempels en vraagt het inspanning, samenwerking en bewustwording in de sector om deze obstakels structureel aan te pakken. Juist daarom is het belangrijk dat de sector, ondersteund door OCW, blijft investeren in duurzame oplossingen en blijft leren van goede voorbeelden. Daarom zet OCW zich samen met de sector en medeoverheden in, om de komende vijf jaar de toegankelijkheid verder te vergroten. Voor de looptijd van deze werkagenda focust OCW op het volgende: • We werken aan de verdere ontwikkeling van het Kennispunt Toegankelijke Cultuur. • We starten een financiële regeling die het mogelijk maakt om toegankelijkheid en inclusie binnen de cultuur- en mediasector te vergroten. • We scherpen waar nodig bestaande regels aan, zoals voor audiodescriptie. • We bekijken hoe we de inzet op representatie kunnen stimuleren. Ons einddoel is: Iedereen kan voldoende meedoen met cultuur en media en voelt zich daarin zichtbaar vertegenwoordigd.

De eerder aan de Tweede Kamer toegezegde nulmeting in 2023 naar de toegankelijkheid van de cultuursector draagt bij aan de monitoring van deze ambitie (Kamerstukken II 2022/23, 36200, nr. 42).

Wat doen we al? Op het gebied van cultuur: • Samen met belanghebbenden en ervaringsdeskundigen in de sector is de afgelopen jaren onderzocht hoe een Kennispunt Toegankelijke Cultuur vorm kan krijgen. Dit kennispunt moet de cultuursector handvatten bieden om met toegankelijkheid aan de slag te gaan. • Toegankelijkheid van cultuur staat op de onderzoeksagenda. En wordt dus meegenomen in verschillende monitoringsonderzoeken. Ook houden we in de gaten hoe organisaties die subsidie van ons krijgen aandacht geven aan toegankelijkheid in hun jaarverslagen. • Ook zijn er een aantal subsidies verleend aan initiatieven die toegankelijkheid in de cultuur- en mediasector bevorderen. Denk aan subsidies aan stichting HandicapNL voor toegankelijke festivals en aan stichting Possibilize voor het project Deaf Performers Unite. • Er is een Code Diversiteit & Inclusie (Code D&I). Deze draagt bij aan het toegankelijker maken van de cultuursector. Als culturele organisaties subsidie (geld) van de Rijksoverheid krijgen, worden zij op dit moment onder andere beoordeeld op toegankelijkheid en maatschappelijke betekenis. De Code D&I maakt onderdeel uit van dit criterium. Culturele- instellingen en organisaties wordt gevraagd deze Code (net als de andere twee codes: de Governance Code Cultuur en de Fair Practice Code) te onderschrijven.

En uit te leggen wat zij doen om hun organisatie toegankelijker en inclusiever te maken. Deze code is niet verplicht. Wel wordt instellingen gevraagd hoe ze werken volgens de Code D&I. Ze mogen zelf bepalen hoe ze de Code D&I toepassen. Met organisaties die subsidie krijgen, ­bespreken wij elk jaar wat zij hebben gedaan op het gebied van toegankelijkheid en inclusie. Zo ­stimuleren we hen om toegankelijkheid en inclusie op verschillende manieren te bekijken. Een voorbeeld is: je krijgt meer bezoekers als je toegankelijk bent. Op het gebied van media: • In de Mediawet staan verschillende regels over de toegankelijkheid van het media-aanbod. Daarnaast zijn er prestatieafspraken gemaakt met de landelijke publieke omroep (NPO) over de toegankelijkheid van het aanbod. • Het Commissariaat voor de Media onderzoekt de representatie van mensen met een beperking in de media en publiceert hierover.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 82

Maatregel 1: OCW stimuleert bewustwording over toegankelijkheid door het kennispunt toegankelijke cultuur Door meer bewustwording maken we ruimte voor mensen met een beperking. Zodat ook zij onderdeel zijn van en mee kunnen doen in de cultuursector. Inzet: • Het kennispunt toegankelijke cultuur wordt opgezet. Het kennispunt moet informatie, ondersteuning en samenwerking aanbieden, zodat culturele organisaties toegankelijk(er) en inclusiever worden en blijven. We voeren nu gesprekken met organisaties in de culturele sector waar dit Kennispunt mogelijk kan landen en verder wordt opgezet. Zie hiervoor de Kamerbrief over de rapportage en de implementatie voor het Kennispunt Toegankelijke Cultuur (Kamerstukken II 2024/25, 24170, nr. 355). Tijdspad

De start van de implementatie van het kennispunt toegankelijkheid begint in 2025 en zal in ieder geval blijven gelden zolang de werkagenda loopt (tot en met 2030).

Uitvoering:

Cultuur: Code D&I, culturele organisaties.

Draagt bij aan doelstelling

Cultuur, media, vrije tijd, sporten en bewegen, doelstelling 1 en 2

Maatregel 2: OCW zorgt voor financiële ondersteuning (geld) voor toegankelijkheid en inclusie OCW wil vanaf 2026 zorgen voor een subsidieregeling om daaraan bij te dragen. We onderzoeken nu hoe deze regeling vorm kan krijgen en wat de juiste plek is voor de uitvoering van de regeling. De regeling moet er zo uit zien: • Organisaties die zich bezighouden met toegankelijkheid en inclusie, waaronder toegankelijkheid voor mensen met een fysieke of cognitieve beperking, kunnen geld krijgen om samen met netwerken en platforms te zorgen voor een meer toegankelijke en inclusieve media- en cultuursector. • Organisaties kunnen geld krijgen om bestaand aanbod en programmering toegankelijker en inclusiever te maken voor de bezoeker, waaronder mensen met een fysieke en cognitieve beperking. Op deze manier kan er een breder publiek bereikt worden en kunnen meer mensen genieten van media en cultuur. Tijdspad

• 2025: ontwerpen regeling en onderzoeken wat de juiste plek voor de uitvoering van de regeling is. • 2026-2030: openstelling subsidieregeling.

Uitvoering

In de verkenning zal moeten blijken welke partij(en) geschikt zijn om de regelingen uit te voeren.

Draagt bij aan doelstelling

Cultuur, media, vrije tijd, sport en bewegen, doelstelling 1

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Werkagenda 1 2025-2030 | 83

Maatregel 3: OCW scherpt waar nodig de bestaande regels over toegankelijkheid aan (beleid) en maakt afspraken met media-instellingen Toegankelijkheid is al onderdeel van de Mediawet 2008. In deze wet staat dat: • het media-aanbod van publieke mediadiensten voor iedereen toegankelijk is. • de NPO en commerciële media-instellingen elk jaar verslag moeten uitbrengen aan het Commissariaat voor de Media. In dit verslag geven de NPO en de commerciële media-instellingen aan welke maatregen ze nemen om de toegankelijkheid van audiovisueel media-aanbod voor personen met een beperking verder te ontwikkelen. • Dat er regels kunnen worden gesteld over ondertiteling van televisieprogramma- ten behoeve van mensen met een auditieve beperking. We maken nieuwe afspraken met de NPO. Bijvoorbeeld over: • Een ondergrens en streefdoel voor audiodescriptie. • Ondertiteling en aanbod voorzien van Nederlandse Gebarentaal. We onderzoeken of er nieuwe regels moeten komen: • Onder andere voor audiodescriptie. Dit doen we met betrokken partijen zoals het Commissariaat voor de Media. Een belangrijke basis hiervoor is het verslag van het Commissariaat voor de Media, dat hierboven al werd genoemd. Tijdspad

Deze maatregel is al grotendeels onderdeel van ons lopend beleid, dit zetten wij voort in 2025 tot en met 2030. • Vanaf 2025: Mogelijk starten met of voorbereiden van aanvullende acties onder voorbehoud van financiële middelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16052075/1