Bijlage 5 - Ruimtelijke onderbouwing LBP SIGHT versie 25_001 d.d. 29 juli 2022_compressed.pdf
Tekst van het document
Besluit ruimtelijke ordening
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De Ladder is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Bro) luidt als volgt: Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
32
Toetsing Windparken als voorzieningen voor het opwekken van energie vallen niet onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op deze aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Energieagenda van Utrecht 2016 – 2019
De provincie Utrecht heeft in 2016 een Energieagenda opgesteld. In de Energieagenda is beschreven welke acties de provincie onderneemt om een bijdrage te leveren aan de doelstelling om in 2020 ten minste 65,5 MW aan windvermogen te hebben opgesteld. Samen met energiebesparing in de gebouwde omgeving, het bieden van ontwikkelruimte voor geothermie en zonnevelden en de financiering van energieprojecten is de doelstelling om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Voor het aspect windenergie betekent deze doelstelling dat het opgesteld vermogen aan windenergie in de provincie ongeveer verdubbeld moet worden. In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (momenteel niet meer in werking, zie paragraaf 3.2.3) zijn locaties buiten de rode contour opgenomen waar windturbines komen zodra er een initiatiefnemer is. De periode tot 2020 wordt gebruikt om de eerste projecten in de provincie Utrecht gerealiseerd te krijgen en een situatie te creëren waarin er ruimte is voor opvolging en opschaling van deze projecten. De voorkeur gaat uit naar een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines boven solitaire plaatsingen. De energieagenda had een looptijd tot 2020. Het is inmiddels duidelijk dat de doelstelling van de provincie niet behaald is, Windpark Goyerbrug levert een aanzienlijke bijdrage aan het opgesteld windvermogen in de provincie Utrecht.
Het is daarom van groot provinciaal belang om het plan te realiseren. 3.2.2
Programmaplan Energietransitie 2020-2025
In het Programmaplan Energietransitie 2020-2025 is geschetst hoe de provincie Utrecht de energietransitie gaat aanpakken, zodat de doelen van het klimaatakkoord (in 2030 49% minder CO2 uitstoot ten opzichte van 1990 en in 2050 95% minder CO2 uitstoot) behaald kunnen worden. In het Coalitieakkoord ‘Nieuwe Energie voor Utrecht’ heeft de provincie tevens de ambitie uitgesproken om uiterlijk in 2040 energieneutraal te zijn. Dat betekent dat in 2040 in de provincie de vraag naar energie even groot is als het aanbod aan duurzame energie. Dit vraagt zowel om het realiseren van grootschalige energiebesparing (het verminderen van de vraag) als het zoeken naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie (het vergroten van het aanbod). Daarmee draagt de provincie bij aan de doelstellingen van het Klimaatakkoord. In het provinciale coalitieakkoord “Nieuwe Energie voor Utrecht” zijn naast de energiedoelstelling voor 2040, ook de ambities opgenomen om in 2023 onder andere 16% hernieuwbare energie te realiseren.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
33
Binnen de programmapijler ‘grootschalige elektriciteitsopwekking’ is benoemd dat voor de invulling een belangrijke rol is weggelegd voor de RES. De provincie monitort en stuurt op de groei van het aandeel duurzame opwek met als doel dat deze aansluit bij de provinciale en nationale lange termijn doelen. Toetsing In het Programmaplan wordt verwezen naar de RES, waarin de invulling van grootschalige energieopwekking verder is uitgewerkt. Zie hiervoor ook de toetsing aan de RES die plaatsvindt in paragraaf 3.3.1. Windpark Goyerbrug is opgenomen in de uitwerking van de plannen rondom de Regionale Energiestrategie U16 1.0. De gemeenteraad van Houten heeft op 7 oktober 2021 met deze plannen ingestemd (raadsbesluit gemeente Houten, nummer 335983 punt 2b, voor: 22 stemmen, tegen: 4 stemmen). Uit de toetsing blijkt dat Windpark Goyerbrug in overeenstemming is met de doelen uit de RES, en dus ook met het Programmaplan Energiestransitie. 3.2.3
Omgevingsvisie Utrecht
De Omgevingsvisie is vastgesteld op 10 maart 2021. In de Omgevingsvisie worden de integrale langere termijnambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. Met zeven beleidsthema’s wil de provincie Utrecht richting geven aan de ontwikkeling en bescherming van hun gezonde en veilige leefomgeving. Eén van deze thema’s is duurzame energie. Hierbij zijn de volgende ambities geformuleerd: -
2050: de provincie Utrecht is klimaatneutraal.
-
2040: de provincie Utrecht is energieneutraal. De energievoorziening is afkomstig uit duurzame bronnen op het eigen grondgebied. Daarbij zijn de duurzame energiebronnen met oog voor de Utrechtse kwaliteiten gerealiseerd en draagt de inpassing ervan zo veel mogelijk bij aan andere doelen.
-
2030: de provincie Utrecht heeft samen met partners haar bijdrage geleverd in onder andere de Regionale Energiestrategieën om aan de afspraken in het nationale klimaatakkoord te voldoen.
De provincie geeft aan dat voor het behalen van de afspraken uit het nationale klimaatakkoord voor 2030 het toepassen van technologieën die nu voor handen zijn belangrijk zijn. De opgave voor de energietransitie is groot. Met alleen kleinschalige opwek worden de afspraken echter niet gehaald. Grootschalige opwek via windturbines met een groot vermogen en zonnevelden is nodig. Het plangebied van Windpark Goyerbrug ligt in het gebied ‘Ruimte voor windenergie- en zonnevelden onder voorwaarden’. Binnen dit gebied geeft de provincie Utrecht ruimte voor een regionale en lokale afweging om tot een locatiekeuze van zonnevelden te komen. Hierbij stelt de provincie wel een aantal voorwaarden. In deze gebieden vindt de provincie het met een goed ontwerp en zorgvuldige locatiekeuze de realisatie van windenergie en/of zonnevelden ruimtelijk toelaatbaar.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
34
Bij de inpassing van grootschalige hernieuwbare energieopwekking moet worden aangesloten bij belangrijke structuren in het landschap, en bij voorkeur ook bij snel- en waterwegen. De provincie heeft de voorkeur om duurzame energiebronnen te concentreren om spreiding in het landschap te voorkomen en om de energie infrastructuur optimaal te benutten. Echter, de provincie accepteert dat dit vanwege de omvang van de opgave niet overal gevolgd kan worden, en dat daarom in sommige gevallen maar aan enkele voorkeuren van de provincie voldaan kan worden. Verder geldt er een opruimplicht wanneer de windturbines of zonnevelden niet meer gebruikt worden. Toetsing Windpark Goyerbrug is voorzien nabij belangrijke structuren in het landschap (o.a. het AmsterdamRijnkanaal). Het windpark wordt zo goed mogelijk ingepast in het landschap, waarmee wordt geborgd dat de kernkwaliteiten van het landschap niet aantast worden. Zie ook paragraaf 2.2.2. Indien de initiatiefnemer beslist om de activiteiten te beëindigen, dan wordt gehoor gegeven aan de opruimplicht die geldt wanneer de activiteit beëindigd wordt. Met deze maatregelen past de ontwikkeling van Windpark Goyerbrug in de Omgevingsvisie van de Provincie Utrecht. 3.2.4
Interim Omgevingsverordening Utrecht
De Interim Omgevingsverordening is ook op 10 maart 2021 vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening stelt eisen aan bestemmingsplannen en andere planologische besluiten in Utrecht. In de Interim Omgevingsverordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit de Omgevingsvisie in regels die van toepassing zijn op bestemmingsplannen. De verordening is daarbij een uitvoeringsinstrument om die provinciale belangen veilig te stellen. De volgende artikelen zijn relevant voor het windpark. Artikel 5.4 Instructieregel windenergielocatie 1.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen ‘Windenergie’ kan bestemmingen en regels bevatten die de realisatie van windturbines met een vermogen van 3 MW of meer toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a.
de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; en
b. voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit. 2.
Wanneer een bestemmingsplan windturbines met een vermogen van minder dan 3 MW toestaat, wordt onderbouwd waarom windturbines met een vermogen van 3 MW of meer niet mogelijk zijn.
3.
Wanneer een bestemmingsplan een solitaire windturbine toestaat, wordt onderbouwd waarom meerdere windturbines niet mogelijk zijn en dat de energieopbrengst van die solitaire windturbine opweegt tegen de impact die een solitaire turbine heeft op de omgeving.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
35
4.
De motivering van een bestemmingsplan bevat: a.
een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan;
b. een beeldkwaliteitsparagraaf; en c.
een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken.
In de Omgevingsverordening is ten aanzien van lid 1 toegelicht dat de voorkeur van de provincie uitgaat naar een combinatie van meerdere windturbines met een vermogen van 3 megawatt (MW) of meer. Van minder vermogende turbines vindt de provincie dat hun energie-opbrengst niet genoeg oplevert in verhouding met de impact die turbines hebben op de omgeving. Toetsing Aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan. Windpark Goyerbrug betreft een combinatie van 4 windturbines met een vermogen van meer dan 3 MW. De turbines passen in de omgeving omdat ze in een lijnopstelling worden geplaatst langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Indien de initiatiefnemer beslist om de activiteiten te beëindigen, dan wordt gehoor gegeven aan de opruimplicht die geldt wanneer de activiteit beëindigd wordt. De ruimtelijke onderbouwing bevat verder een beeldkwaliteitsparagraaf (zie paragraaf 2.2.2.3), en tevens is uitvoerig beschreven hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken. Hier zijn geen toevoegingen op. Artikel 7.9 Instructieregel landschap 1.
Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug.
2.
De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage ‘Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap’ bij de verordening.
3.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a.
bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en
b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4.
De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.
Toetsing Voor de toetsing aan dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2. Uit de toetsing blijkt dat de kernkwaliteiten van de deelgebieden ‘Schalkwijk’ en ‘Kromme Rijn’ niet worden aangetast.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
36
Artikel 6.3 Natuur Netwerk Nederland 1.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in Bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: a.
ruimtelijke ontwikkelingen vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten;
b. ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang; of c.
ruimtelijke ontwikkelingen in het natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming.
2.
Onder de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, erven en verhardingen begrepen.
3.
Aantasting van het natuurnetwerk Nederland op grond van het eerste lid is slechts mogelijk als:. a.
de aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en
b. de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. 4.
De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.
Toetsing Voor de toetsing aan dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 4.7. Uit de Natuurtoets en bijbehorende toetsing blijkt dat Windpark Goyerbrug niet zorgt voor een significante aantasting van de kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland. Ten behoeve van het plan is door Provincie Utrecht een ontheffing Wnb verleend op 14 december 2018. Deze Wnb ontheffing is inmiddels onherroepelijk geworden. In paragraaf 4.7 wordt verder ingegaan op het aspect flora en fauna. Artikel 2.10 Instructieregel overstroombaar gebied 1.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen ‘Overstroombaar gebied’ bevat bestemmingen en regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
37
2.
De motivering op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.
Toetsing Dit plan betreft de realisatie van een windpark. In en rond het windpark verblijven niet permanent mensen, maar alleen heel af en toe (bij onderhoud). Daarnaast is de locatie vanaf een toegangsweg goed te bereiken, waardoor bereikbaarheid en zelfredzaamheid bij calamiteiten verzekerd is. Extra maatregelen en/of voorzieningen zijn dan ook niet noodzakelijk. Artikel 3.11 Instructieregel matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad 1.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad houdt rekening met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning.
2.
De motivering op een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Toetsing Dit plan betreft de realisatie van een windpark. Dit is geen gebruik van de grond waarbij vervuiling van het grondwater te verwachten valt. Ten behoeve van de bouw van de turbines worden nietuitloogbare materialen gebruikt. Daarnaast worden er geen vervuilende stoffen geproduceerd of geloosd. In de gondel van de windturbine wordt gebruik gemaakt van olie, bijvoorbeeld in de versnellingsbak. In de turbine wordt daarom een vloeistofdichte lekbak opgenomen die de olie opvangt in het geval er lekkage optreedt. Hiermee wordt voorkomen dat de olie in de bodem terecht komt. Aan artikel 3.11 wordt voldaan. Na ontmanteling blijven de heipalen achter in de bodem waardoor verschillende grondwaterlagen niet met elkaar kunnen gaan ‘communiceren’.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Energiestrategie Regio U16
De gemeente Houten maakt deel uit van de RES Regio U16. Inmiddels heeft de U16 de Regionale Energiestrategie vastgesteld (15 oktober 2021). Als regio wil de U16 1,8 TWh (voor 2030) aan de nationale opgave m.b.t. duurzame energie bijdragen. Om 1,8 TWh op te wekken is een combinatie nodig van 26 windturbines, 800 hectare zonnevelden en 300 tot 500 hectare grote daken vol met zonnepanelen. De inschatting is dat binnen het bouwblok 3 (lokale zoekprocessen) zo’n 0,4 TWh opgeleverd kan worden door windenergie. Veel van de gemeenten zijn al bezig met concrete initiatieven hiertoe. De gemeente Houten heeft er voor gekozen om Windpark Goyerbrug concreet op te nemen in het RES-bod als plan dat is procedure is. Dit is ook onderstreept in de raadsvergadering van de gemeente Houten d.d. 07-10-2021.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
38
Tijdens deze raadsvergadering heeft de gemeenteraad met een ruime meerderheid ingestemd met het raadsvoorstel om akkoord te gaan met de bijdrage van de gemeente Houten in de RES (raadsvoorstelnummer: 335983). Het raadsvoorstel en de stemming zijn terug te vinden via de website van gemeente Houten6. Toetsing Windpark Goyerbrug draagt bij aan de afspraken uit het Klimaatakkoord om in 2030 70% van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te halen. In de RES bestaat nog voldoende ruimte voor de opwekking van windenergie. Windpark Goyerbrug is hier in specifiek benoemd als plan dat in procedure is.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Eiland van Schalkwijk
Op 22 december 2011 heeft de gemeente Houten de Structuurvisie Eiland van Schalkwijk vastgesteld. Met deze structuurvisie legt de gemeente de koers op hoofdlijnen vast voor ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk, waarbij: •
landbouw en recreatie de belangrijkste dragers zijn voor de economische ontwikkeling;
•
de leefbaarheid in de kernen (vitaliteit) verder zal worden versterkt;
•
de essentiële (landschappelijke en ecologische) kwaliteiten worden behouden en versterkt (open en groen);
•
ruimte wordt geboden aan water, waarbij een goed functionerend watersysteem bijdraagt aan economische en ecologische ontwikkeling;
•
duurzame ontwikkeling het uitgangspunt is.
De ambitie van de gemeente voor het Eiland van Schalkrijk is duurzame ontwikkeling. Daarbij worden vooral de effecten op ‘People, Planet en Profit’ beoordeeld. Belangrijke doelstellingen daarbinnen zijn: •
het behouden van waardevolle landschappen en ruimtelijke kwaliteiten;
•
de luchtkwaliteit verbeteren door het verminderen van de emissies van CO2 en fijnstof;
•
energetisch zelfvoorzienend worden door onder andere de productie van duurzame energie;
•
het verminderen van energieverbruik en het consumeren van duurzame energie.
De structuurvisie zegt het volgende over de kansen voor windmolens: “Het streven is om op termijn geen fossiele brandstoffen meer te gebruiken en alternatieve energie te gebruiken. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:
6
-
productie van energiegewassen (indien passend in daarvoor geschikte gebieden);
-
productie van biogas (vee, kippen);
-
productie van duurzame energie: windmolens, landbouw, water.”
https://ris2.ibabs.eu/Agenda/Details/Houten/3df450cb-f33c-436a-ae84-a5c88340daee
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
39
Over de beoogde locatie voor de productie van duurzame energie door windmolens is het volgende opgenomen: -
Deelgebied Oeverwal: “In het deelgebied Oeverwal is de zone langs het AmsterdamRijnkanaal zoekgebied voor windenergie. Daar kunnen windmolens worden geplaatst. Dit ondersteunt de doelstelling om met het Eiland een duurzame bijdrage te leveren aan de energieconsumptie in Houten en omgeving”.
-
Gronden ten noorden van Schalkwijk en Tull en ’t Waal: ‘’Langs het Amsterdam-Rijnkanaal kunnen windmolens worden geplaatst. Dit ondersteunt de ambitie om met het eiland een duurzame bijdrage te leveren aan de energieconsumptie in Houten en omgeving’’.
Plangebied voorgenomen windpark De locatie van het voorgenomen windpark nabij de Goyerbrug is in de structuurvisie aangewezen als de ‘Gronden ten noorden van Schalkwijk en Tull en ’t Waal’ en ‘Oeverwal’. In deze gebieden is ruimte voor de productie van duurzame energie, waarbij specifiek windenergie is benoemd. Langs het Amsterdam-Rijnkanaal kunnen windmolens worden geplaatst. Zie ook figuur 3.2 en 3.3, waarbij voor beide gebieden de locatie bij Goyerbrug is aangewezen als zoeklocatie voor windmolens. Dit ondersteunt de ambitie om met het eiland een duurzame bijdrage te leveren aan de energieconsumptie in Houten en omgeving.
Figuur 3.2 Uitsnede Structuurvisie Eiland van Schalkwijk (westzijde Goyerbrug), het zoekgebied is roze omcirkeld en aangegeven met een bruine lijn
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
40
Figuur 3.3 Structuurvisie Eiland van Schalkwijk (oostzijde Goyerbrug), het zoekgebied is roze omcirkeld en aangegeven met een bruine lijn Wanneer de (oude) provinciale en gemeentelijke structuurvisies op elkaar geprojecteerd worden, is te zien dat de gemeentelijke structuurvisie aan de westkant minder ruimte toelaat voor windenergie dan de provinciale structuurvisie. Zie ook onderstaand figuur 3.4, waarop beide zoekgebieden gecombineerd zijn weergegeven. Opgemerkt wordt dat het zoekgebied uit het oude provinciale beleid was opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Utrecht. Deze beleidsdocumenten zijn inmiddels vervangen door de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.3 en 3.2.4). In het nieuwe beleid zijn ruimere mogelijkheden opgenomen voor de realisatie van windenergie. Onderstaande figuur geeft echter goed weer dat het provinciale en gemeentelijke zoekgebied goed op elkaar afgestemd zijn, en dat Windpark Goyerbrug geprojecteerd is binnen het zoekgebied.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
41
Figuur 3.4 Gemeentelijke structuurvisie (groen) en (oude) provinciale structuurvisie (blauw) gecombineerd Windpark Goyerbrug bv vraagt een vergunning aan in de gemeente Houten en zal voldoen aan zowel de provinciale als aan de gemeentelijke structuurvisie. Er is voor gekozen om de geluidsemissie in de richting van de buren aan de noordzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal zo laag mogelijk te houden. Daarom is de turbine zoveel mogelijk naar het zuiden verplaatst (zie figuur 3.5). Met de buren aan de zuidkant – die hierdoor meer geluidshinder krijgen – zijn hierover afspraken gemaakt.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
42
Figuur 3.5 Locatie fundering turbine 1 (donkerblauw) en omwonenden (roze omcirkeld) Toetsing De onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van een windpark, waarvan de locatie specifiek opgenomen is in de structuurvisie. Met het opnemen van de locatie in de structuurvisie geeft de gemeente aan positief te staan tegenover de ontwikkeling van het windpark. De ontwikkeling is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid. 3.4.2
Coalitieakkoord 2018 - 2022
Onder de titel ‘Duurzaam, ondernemend en dichtbij’ hebben CDA, GroenLinks, VVD en ChristenUnie in Houten het coalitieakkoord 2018-2022 gepresenteerd. In het coalitieakkoord is letterlijk opgenomen: “We kiezen voor een tweede windmolenpark in de gemeente Houten. Dat is noodzakelijk om het klimaatprobleem het hoofd te kunnen bieden. Er ligt een concreet initiatief voor een windmolenpark met vier windmolens bij de Goyerbrug’’. In Houten staat al een windpark, namelijk Windpark Houten. Naast dit windpark moet dus nog een tweede windpark gerealiseerd worden. Bij de raadsvergadering van de gemeente Houten op 18 september 2018 is middels een motie (raadsvoorstelnummer 2018-046) het college verzocht ‘onderzoek te doen naar een alternatieve locatie voor een tweede windpark, vanuit het uitgangspunt dat windmolens beter langs snelwegen en bedrijventerreinen gerealiseerd kunnen worden en draagvlak in de directe omgeving een voorwaarde is’. Deze motie is verworpen, waardoor Windpark Goyerbrug de enige reële mogelijkheid is om een tweede windpark te realiseren.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
43
Zoals in paragraaf 3.4.1 is aangegeven is Windpark Goyerbrug de enige concrete locatie in de gemeente Houten die in de structuurvisie van de gemeente is opgenomen.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
44
4
Milieu en omgevingsaspecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de planologische en milieuhygiënische aspecten die van belang zijn bij de ontwikkeling van een plan. Bij het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing moet worden verantwoord dat er geen nadelige gevolgen zijn voor de huidige planologische en milieuhygiënische situatie. Er wordt in dit hoofdstuk achtereenvolgens aandacht besteed aan de volgende aspecten: luchtkwaliteit, externe veiligheid, geluid, bodem, waterhuishouding, flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie, slagschaduw en radarverstoring.
4.2
Luchtkwaliteit
4.2.1
Wettelijk / beleidskader
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. In artikel 5.16 van de Wm is vastgelegd dat voor een plan dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteit onderzoek uitgevoerd hoeft te worden en het plan doorgang kan vinden. Het Besluit en de Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het Besluit NIBM is in artikel 5 een zogenaamde anticumulatiebepaling opgenomen. Hiermee wordt de verplichting opgelegd om nieuwe plannen die van dezelfde ontsluitingswegen gebruik maken en individueel als NIBM aan te merken zijn, ook als één geheel te beschouwen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot plan met een grote invloed op de luchtkwaliteit opgedeeld wordt in kleinere NIBM deelplannen. 4.2.2
Beoordeling
De windturbines hebben geen emissies. Ook leiden de windturbines niet tot een substantiële toename van verkeer. De verkeersaantrekkende werking van het plan is nagenoeg nihil. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging en hoeft daarom niet aan de luchtkwaliteitseisen te worden getoetst. Daarnaast is het effect van de windturbine op de concentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen positief. Wanneer bij gelijkblijvende vraag het aandeel windenergie toeneemt ten opzichte van fossiele energie, dan heeft dat namelijk een positief effect op de luchtkwaliteit in het algemeen. Op https://www.milieucentraal.nl/klimaat-en-aarde/energiebronnen/windenergie/ staat vermeld dat de terugverdientijd van windturbines tussen de 3 en 6 maanden ligt.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
45
4.2.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Windpark Goyerbrug levert daarentegen juist positieve effecten op voor het aspect luchtkwaliteit.
4.3
Externe veiligheid
4.3.1
Wettelijk / beleidskader
De risico’s van windturbines met betrekking tot externe veiligheid worden gevormd door de volgende scenario’s: -
breuk van windturbineblad;
-
omvallen van een windturbine door mastbreuk;
-
naar beneden vallen van de gondel en/of rotor;
-
het naar beneden vallen van kleine onderdelen (bouten, blad- en tipdelen, ijs).
De plaatsing van een windturbine kan daardoor directe en indirecte risico’s opleveren voor de omgeving. Onder directe risico’s wordt verstaan de risico’s die personen lopen om te overlijden, omdat zij worden geraakt door onderdelen van de windturbine. Onder indirecte risico’s wordt verstaan de risico’s die personen lopen om te overlijden ten gevolge van een domino-effect. Hierbij worden andere objecten geraakt, bijvoorbeeld een tankwagen of een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Het falen van een windturbine veroorzaakt een tweede incident met een eigen kans op overlijden. Mogelijk wordt er in een dergelijk scenario niet meer voldaan aan de normen voor externe veiligheid. In de tussenuitspraak van 30 juni 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) inzake windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding is geoordeeld dat de algemene normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) en de Activiteitenregeling milieubeheer (Activiteitenregeling) voor (onder andere) windturbinegeluid, slagschaduw en externe veiligheid buiten toepassing moeten worden gelaten ingeval van besluitvorming voor windturbineparken. Hierdoor kan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van planologische besluiten voor windturbineparken niet meer onderbouwd worden met een verwijzing naar die windturbinenormen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.
Wel kan het bevoegd gezag voor concrete projecten eigen normen stellen. Die normen moeten dan wel zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. De normen en rekenregels uit het Handboek Risicozonering Windturbines, het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) blijven ongewijzigd van toepassing, aangezien die niet worden geraakt door voornoemde tussenuitspraak. Door LBP|SIGHT is een risicoanalyse uitgevoerd naar de risico’s voor nabijgelegen objecten en activiteiten als gevolg van de ontwikkeling van Windpark Goyerbrug (zie Bijlage 8a - Rapport externe veiligheid - LBP|SIGHT ). De resultaten hiervan zijn behandeld in onderstaande paragrafen.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
46
Voor berekeningen, definities, figuren en achtergronden wordt verwezen naar het onderzoek. Dat de normen uit het Activiteitenbesluit niet kunnen worden toegepast, doet in beginsel niets af aan de uitkomsten van het onderzoek. In het onderzoek is namelijk uitvoerig aansluiting gezocht met het Handboek Risicozonering Windturbines, het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt). In 2020 heeft er een actualisatie plaatsgevonden van het Handboek Risicozonering Windturbines. Daarbij is het handboek gesplitst in een Handreiking Risicozonering Windturbines v1.0 en een Handleiding Risicoberekeningen Windturbines (versie oktober 2019). LBP|SIGHT heeft per brief aangegeven dat met het oog op deze actualisatie, en ook het feit dat de normen uit het Activiteitenbesluit niet meer rechtstreeks toepasbaar zijn, de resultaten uit het onderzoek van 2019 nog steeds geldig zijn. Zie Bijlage 8b - Brief geldigheid rapport - LBP|SIGHT. Daarnaast is door AVIV een rapportage opgesteld in relatie tot de te hanteren normen en de normen uit het Activiteitenbesluit (zie bijlage 8c – Onderzoek normstellend kader – AVIV). Dit onderzoek wordt verder toegelicht in paragraaf 4.3.3. 4.3.2
Risicoanalyse LBP|SIGHT
4.3.2.1 Uitgangspunten Onderzochte windturbines In tabel 4.1 is weergegeven welke turbines onderzocht zijn met de bijbehorende rotordiameter en tiphoogte. Verder is weergegeven wat per windturbinetype de bijbehorende maximale werpafstand, PR10-5-contour en PR10-6-contour is. Turbine
Rotordiameter Tiphoogte Maximale werpafstand (overtoeren)
PR10-5-contour (m) PR10-6-contour (m)
Vestas 136
136
217
494 meter
68
217
Vestas 150
150
241
492 meter
75
241
Nordex 131 131
211
520 meter
66
211
Nordex 149 149
239
529 meter
75
239
Senvion 140 140
230
391 meter
70
230
Senvion 148 148
239
454 meter
74
239
Tabel 4.1 Maximale werpafstanden (bij overtoeren) van de onderzochte windturbines
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
47
Onderzochte scenario’s Zoals in het wettelijk kader beschreven, worden de risico’s van windturbines gevormd door de volgende scenario’s: 1.
breuk van windturbineblad;
2.
omvallen van een windturbine door mastbreuk;
3.
naar beneden vallen van de gondel en/of rotor;
4.
het naar beneden vallen van kleine onderdelen (bouten, blad- en tipdelen, ijs).
In het onderzoek zijn alleen risico’s 1 en 2 nader onderzocht. Voor het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor (scenario 3) geldt dat incidenten alleen binnen een afstand van een bladlengte (enkele tientallen meters) vanaf de mast kunnen optreden. Aangezien binnen deze afstanden geen objecten en passanten voorkomen (en daarmee het risico per definitie is uitgesloten), blijft dit scenario in de berekeningen en beoordeling verder achterwege. Voor kleine onderdelen en ijsafwerping (scenario 4) is het risico dermate klein dat het PR hiervan verwaarloosbaar is (Handboek Risicozonering Windturbines, Bijlage C-38). Voor dit scenario zijn namelijk geen bijzondere omstandigheden aanwezig waardoor een aanvullend onderzoek nodig wordt geacht. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een bijzondere situatie als het gebied onder de rotor vrij toegankelijk is voor passanten of als lokale weersomstandigheden significant afwijken van het gemiddelde Nederlandse klimaat. Daarom wordt ook ‘ijsafwerping’ en ‘vallen van kleine onderdelen’ niet verder onderzocht. Invloedsgebied en maximale werpafstand Om het invloedsgebied van de windturbines met betrekking tot externe veiligheid te bepalen, wordt de maximale werpafstand van een turbineblad berekend. De maximale werpafstand is de afstand dat een turbineblad weggeworpen kan worden wanneer dit afbreekt.
In tabel 4.1 is weergegeven wat de maximale werpafstanden van de onderzochte windturbines zijn. De grootste werpafstand van alle onderzochte windturbines bij overtoerensituatie bedraagt 529 meter (Nordex 149). Onderzochte categorieën Volgens het Handboek Risicozonering Windturbines zijn nabijgelegen objecten in te delen is in één van de acht onderstaande hoofdcategorieën: 1. bebouwing; 2. wegen; 3. vaarwegen; 4. spoorwegen; 5. industrie; 6. buisleidingen; 7. hoogspanningsinfrastructuur; 8. dijklichamen en waterkeringen.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
48
In het onderzoek zijn alleen de categorieën bebouwing, wegen, vaarwegen en dijklichamen en waterkeringen nader onderzocht. De categorieën spoorwegen, industrie, buisleidingen en hoogspanningsinfrastructuur zijn niet verder onderzocht, omdat deze categorieën zich niet binnen de maximale werpafstand (529 meter) van de windturbines bevinden. 1. spoorwegen (op circa 3.325 meter afstand, in de Blokhovenpolder in Schalkwijk); 2. industrie (ammoniakkoelinstallatie op circa 1.250 meter afstand, Tuurdijk 43 in ’t Goy; géén Bevi-inrichting aanwezig binnen de maximale werpafstand); 3. buisleidingen (op circa 4.320 meter afstand, nabij Tunnelweg in Culemborg); 4. hoogspanningsinfrastructuur (op circa 7.550 meter afstand, nabij Rijnseweg in Bunnik). 4.3.2.2 Resultaten Bebouwing De maximale PR 10-5 contour ligt op 75 meter (zie tabel 4.1) en binnen deze contour zijn geen beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Zie figuur 4.1. De PR 10 -6 contour ligt op 241 meter (zie tabel 4.1) en binnen deze contour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig. Zie figuur 4.2. Ter informatie, binnen de PR 10-6 contour (op 241 meter) zijn twee beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Deze onroerende zaken zijn onderdeel van de inrichting van Windpark Goyerbrug en worden niet als object voor externe veiligheid meegenomen. Zie het kader met nadere toelichting.
Figuur 4.1 PR 10-5-contour
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
49
Figuur 4.2 PR 10-6-contour
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
50
Met de eigenaren van de betreffende gronden en woningen zijn afspraken gemaakt die voldoen aan de criteria zoals die door de Raad van State volgens vaste jurisprudentie worden gehanteerd voor de technische, organisatorische en functionele binding. Zie hiervoor ook de juridische onderbouwing in Bijlage 9a - Juridische onderbouwing molenaarswoningen Windpark Goyerbrug – Timmermans Juridisch Advies. De bewoners van deze onroerende zaken hebben ten behoeve van Windpark Goyerbrug de taak van molenaar op zich genomen. Deze taak bestaat uit: -
het vanuit de onroerende zaak toezicht houden op (de goede werking van) de windturbine die op de grond of in de nabijheid van de onroerende zaak staat. Dit betreft onder meer toezicht op de goede werking van de windturbine door middel van een computer die rechtstreeks in verbinding staat met de windturbine, het zo nodig (bij falen van de automatische stilstandsregeling) stilzetten van de windturbine ten tijde van ijsafzetting en het eventueel weer opstarten van de windturbine nadat het ijs is verwijderd. In overleg tussen partijen kan een andere invulling van de wijze van toezicht worden overeengekomen;
-
het verzorgen van het onderhoud van het terrein direct rondom de windturbine en erop toezien dat onbevoegden het windpark en de directe omgeving niet betreden;
-
ervoor zorgdragen dat het onderhoud aan het windpark ongehinderd plaats kan vinden.
In verband met de technische, organisatorische en functionele binding met Windpark Goyerbrug, treden de betreffende onroerende zaken toe tot de inrichting. De woningen blijven beschouwd worden als (beperkt) kwetsbaar object. Echter, omdat de woningen buiten de PR 10 -5 contouren liggen wordt er voldaan aan de voorgestelde normstelling. Zie verder paragraaf 4.3.3 voor meer informatie hierover. De molenaarsovereenkomsten waaruit de technische, organisatorische en functionele binding met de onroerende zaken en Windpark Goyerbrug blijkt, is als Bijlage 9b – Molenaarsovereenkomsten - Windpark Goyerbrug en Bijlage 9c – Volmachten eigenaren – Windpark Goyerburg gevoegd.
Wegen De turbinebladen van de windturbines draaien niet over wegen heen. Zie figuur 4.3 tot en met 4.6.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
51
Figuur 4.3 Situatietekening overdraai (inclusief locatie fundament en kadastrale grenzen) windturbine 1.
Figuur 4.4 Situatietekening overdraai (inclusief locatie fundament en kadastrale grenzen) windturbine 2.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
52
Figuur 4.5 Situatietekening overdraai (inclusief locatie fundament en kadastrale grenzen) windturbine 3.
Figuur 4.6 Situatietekening overdraai (inclusief locatie fundament en kadastrale grenzen) windturbine 4. Voor het personenvervoer over de Zuwedijk en Kanaaldijk-Zuid is berekend wat het risico op ongevallen is tijdens bladbreuk (bij nominaal toerental en overtoeren) en mastbreuk. Dit wordt inzichtelijk gemaakt met het Individueel Passanten Risico (IPR) en Maatschappelijk Risico (MR). Zowel het IPR als het MR voor wegen voldoen ruim aan de normen. Het berekende IPR bedraagt 8,45.10-12 (de norm is 1.10-6). Het berekende MR bedraagt 1,54.10-5 (de norm is 2,0.10-3).
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
53
Over de Zuwedijk en Kanaaldijk-Zuid, maar ook over andere wegen in de omgeving zoals de Beusichemseweg, Lekdijk, Kanaaldijk-Noord, Hoeksedijk en Goyerdijk, vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats en daarom is er geen sprake van risicotoename door plaatsing van de windturbines. Vaarwegen De turbinebladen van de windturbines draaien niet over de vaarwegen heen. Zie figuur 4.3 tot en met 4.6. Voor het personenvervoer over de vaarwegen (het Amsterdam-Rijnkanaal) geldt voor windturbines een minimale afstandseis van 50 meter uit de rand van de vaarweg. Aangezien de kortste afstand tot het Amsterdam-Rijnkanaal 105 meter bedraagt (bij turbine nummer 2), wordt voldaan aan de eis. Daarom hoeft het IPR en MR niet te worden berekend. Voor de volledigheid is dat in dit onderzoek wel gedaan. Daaruit blijkt dat het IPR en MR veel lager zijn dan de norm en daarmee acceptabel. Het Amsterdam-Rijnkanaal is opgenomen in het aangewezen vaarwegennet voor gevaarlijke stoffen, het Basisnet Vaarwegen. Het kanaal ligt in het invloedsgebied van de windturbines. Er moet daarom nagegaan worden dat de bijdrage aan de ongevalsfrequentie voor tankschepen acceptabel is voor wat betreft het plaatsgebonden risico en het groepsrisico als gevolg van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Dit gebeurt net als bij wegen aan de hand van ongevallen zoals bladbreuk (bij nominaal toerental en overtoeren) en mastbreuk. Uit de berekening blijkt dat de faalfrequentie met schepen toeneemt met 2,72%. Dat is minder dan de norm van 10% zoals die wordt genoemd in het Handboek Risicozonering Windturbines. De toename van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico als gevolg van de situatie met windturbines vormt geen belemmering. Verder wordt opgemerkt dat de turbines van het windpark niet tussen een walradar en het Amsterdam-Rijnkanaal of de Lek in staan. Het is daarmee uitgesloten dat het project een effect op de walradarposten heeft. Dit is tevens verduidelijkt door het feit dat Windpark Goyerbrug ruim voldoet aan de afstandseis van 50 meter uit de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken”. Hinder voor wal- en scheepsradarapparatuur en op visuele hinder voor schippers en bedieningspersoneel is hier in indirect beoordeeld. Aangezien de kortste afstand tot het Amsterdam-Rijnkanaal 105 meter bedraagt (bij turbine nummer 2), wordt voldaan aan de eis. Dijklichamen en waterwegen De windturbines zijn niet geplaatst in de primaire waterkering of in de beschermingszone. De turbines draaien ook niet over een dijklichaam of waterweg. Daarom zijn er geen negatieve gevolgen voor de waterkerende functie van de primaire waterkering. 4.3.3
Onderzoek normstellend kader AVIV
In het kader van de normstelling heeft AVIV een rapport opgesteld om aan te tonen dat de PR 10-5 en 10-6 normen voor Windpark Goyerbrug aanvaardbaar zijn (zie bijlage 8c – Onderzoek normstellend kader – AVIV). Het betreft een normstellingsonderzoek. Het doel van dit rapport is om
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
54
een onderbouwing te geven van een norm waaraan de veiligheid van windturbines voor de omgeving getoetst kan worden en te onderbouwen dat deze normen aanvaardbaar zijn. Hieronder is het rapport kort toegelicht. Het aspect dat nader onderzocht en onderbouwd dient te worden (omdat deze door het de tussenuitspraak inzake windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding niet meer zondermeer mag worden gebruikt om aan te toetsen) is het aspect bebouwing (zoals ook in de risicoanalyse van LBP|SIGHT is onderzocht). Omdat de oorsprong van de overige aspecten (Individueel Passanten Risico (IPR), het Maatschappelijk Risico (MR) en het Groepsrisico (GR)) niet volgt uit het Activiteitenbesluit of de Activiteitenregeling, staan deze aspecten niet ter discussie. Het invloedsgebied door werpafstanden volgt uit het Handboek, zodat ook uitgegaan mag worden van het invloedsgebied zoals bepaald door LBP|SIGHT. De resultaten uit het rapport van LBP|SIGHT blijven voor de overige onderdelen dan ook geldig. Voor het bepalen van de externe veiligheidsrisico’s is uitgegaan van een fictieve worstcase turbine. Dat wil zeggen dat van verschillende type turbines de worstcase van de werpafstand en plaatsgebonden risicocontouren (PR) is gecombineerd.
In dit geval is de fictieve worstcase turbine een samengestelde turbine bestaande uit de worst-case werpafstand (Nordex 149 met een werpafstand van 529 meter) en worst-case PR-contouren (Vestas 150 met een PR 10-6-contour van 241 meter). De fictieve worstcase turbine heeft verder een PR 10 -5-contour van 75 meter. Om de risico’s breed inzichtelijk te maken zijn niet alleen de PR 10-5 en 10-6 berekend, maar ook de PR 10-4 tot en met 10-9. Op deze manier heeft het bevoegd gezag een completer beeld van de risico’s van de windturbines in dit project waardoor een norm beter kan worden onderbouwd. In onderstaande tabel zijn de plaatsgebonden risicocontouren weergegeven. Bij de PR 10-5 en de PR 10-8 contour zijn twee afstanden weergegeven. Het gebied dat tussen de twee afstanden ligt heeft een lager risico. Personen die zich bevinden tussen de twee afstanden worden dus blootgesteld aan een lager risico. Plaatsgebonden risico contour
Afstand (meter)
10
-4
7,5
10
-5
75 (en 193)
10
-6
193 (t/m 241)
10
-7
241
10-8
241 (en 492)
10-9
n.v.t
Tabel 4.2 Verschillende PR contouren van de fictieve worstcase turbine Om een beeld te krijgen van het aantal personen dat wordt blootgesteld aan een veiligheidsrisico van de windturbines zijn de verschillende risicocontouren rondom de turbines op een kaart
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
55
weergegeven met daarbinnen objecten waar personen kunnen verblijven. Alle verblijfsruimten (dus ook stallen, opslagen en kantoren conform het BAG) zijn beschouwd. Zie onderstaand figuur.
Figuur 4.7 Risicocontouren behorende bij de fictieve worstcase turbine (grootste contour is die van de maximale werpafstand, de kleinste die van de PR 10-4) en de verblijfsruimten (in oranje). In onderstaande tabellen is aangegeven wat het cumulatief aantal aanwezige personen binnen de risicocontouren bedraagt voor de dag- en nachtsituatie. Turbine
PR 10-4
PR 10-5
PR 10-6
PR 10-7
PR 10-8 (1)
PR 10-8 (2)
Werpafstand
7,5 meter
75 meter
241 meter
241 meter
241 meter
490 meter
529 meter
1
0
0
1,5 (1)
1,5 (1)
1,5 (1)
5,9 (4)
8,7 (5)
2
0
0
0
0
0
9,6 (5)
15,4 (9)
3
0
0
3,0 (1)
3,0 (1)
3,0 (1)
6,0 (3)
7,5 (4)
4
0
0
0
0
0
2,8 (2)
2,8 (3)
Tabel 4.3 Cumulatief aantal aanwezige personen binnen de risicocontouren in de dagsituatie. Tussen haakjes is het aantal panden met verblijfsfunctie weergegeven.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
56
Turbine
PR 10-4
PR 10-5
PR 10-6
PR 10-7
PR 10-8 (1)
PR 10-8 (2)
Werpafstand
7,5 meter
75 meter
241 meter
241 meter
241 meter
490 meter
529 meter
1
0
0
3,0 (1)
3,0 (1)
3,0 (1)
11,8 (4)
17,5 (5)
2
0
0
0
0
0
18,0 (5)
27,6 (9)
3
0
0
3,9 (1)
3,9 (1)
3,9 (1)
9,9 (3)
12,9 (4)
4
0
0
0
0
0
5,6 (2)
5,6 (3)
Tabel 4.4 Cumulatief aantal aanwezige personen binnen de risicocontouren in de nachtsituatie. Tussen haakjes is het aantal panden met verblijfsfunctie weergegeven. Geconcludeerd wordt dat er geen (beperkt kwetsbare) gebouwen binnen de PR 10 -5 contour staan. Binnen de overige PR-contouren bevinden zich enkele beperkt kwetsbare gebouwen. Maximaal kunnen 28 personen worden blootgesteld aan de veiligheidsrisico’s van 1 turbine (turbine 2 in de nachtsituatie). Voor alle turbines gezamenlijk kunnen maximaal 42 personen worden blootgesteld aan de risico’s van de windturbines. Deze personen kunnen echter niet allemaal gelijktijdig aan de veiligheidsrisico’s worden blootgesteld. Dit wordt nader onderbouwd ten behoeve van het groepsrisico. Groepsrisico Een groepsrisico kan alleen ontstaan wanneer er een groep mensen van 10 of meer direct kan komen te overlijden als gevolg van een incident met de windturbine. Hiervoor moet eerst bekend zijn wat de maximale afstand is waarbinnen nog personen dodelijk getroffen kunnen worden. Dit heet het invloedsgebied en wordt bepaald door de maximale werpafstand. In dit geval is dat voor de fictieve worstcase turbine 529 meter (bij overtoeren). Bij een incident met een windturbine kunnen nooit alle personen in het hele gebied in een straal van 529 meter rond de turbine geraakt worden.
De meeste personen zijn aanwezig binnen het invloedsgebied van windturbine 2, namelijk 28 personen in de nachtsituatie. De gebouwen waar personen kunnen verblijven liggen echter ver van elkaar vandaan en de bevolkingsconcentratie is te laag. De panden liggen allemaal buiten de PR 10 6
contour en de meeste zelfs op de rand van de maximale werpafstand bij overtoeren. Zie ook
onderstaande figuur.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
57
Figuur 4.8 Aanwezige gebouwen rond turbine 2 (de oranje lijn geeft de PR10-6 contour aan, en de paarse lijn de maximale werpafstand bij overtoeren). Buiten de PR 10-6 contour kunnen gebouwen alleen geraakt worden door het scenario waarbij (delen van) een blad afbreken in de overtoerensituatie. Het effectgebied van dit scenario is de ellipsvormig contour. De enige wijze waarbij een groep van minimaal tien personen kan worden getroffen is als de bladen afbreken in overtoerensituatie, deze bladen zowel in noordelijke als zuidelijke richting worden weggeslingerd, en daarbij zowel pand 14 als 19 en 20 worden geraakt. Het veronderstelt totaal aantal personen in deze panden tezamen is maximaal 12. Omdat de aangenomen faalfrequentie voor de overtoerensituatie meer dan een factor 100 kleiner is dan de faalfrequentie bij nominaal toerental neemt het (plaatsgebonden) risico buiten het effectgebied van het scenario bladbreuk bij nominaal toerental echter zeer sterk af. Het plaatsgebonden risico ter plaatse van de drie panden ligt tussen de 10-8 en 10-9 per jaar. Er kan dus een situatie ontstaan dat deze panden allemaal geraakt worden, maar de kans hierop is nagenoeg uitgesloten. Ook bij de andere turbines kan om vergelijkbare redenen geen groepsrisico ontstaan. De twee bedrijfswoningen liggen binnen de 10-6 contour, maar ook hier is groepsrisico uitgesloten.
Hoe groter de afstand des te kleiner de kans om geraakt te worden. De maximale werpafstand bij overtoeren zal in de praktijk niet door een heel blad geraakt worden, maar door stukken van een blad. De impact hiervan is beperkter, naarmate de afstand ten opzichte van de turbine groter wordt.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
58
Zelfs in de meest worst case situatie zal, indien er al sprake is van een groepsrisico, het groepsrisico verwaarloosbaar klein zijn. Geconcludeerd wordt dat binnen het invloedsgebied van de windturbines dusdanig weinig personen aanwezig zijn dat het niet onmogelijk is, maar de kans verwaarloosbaar klein is, dat een groep van minimaal 10 personen tegelijk geraakt wordt. Daarnaast bevinden de meeste personen zich buiten de PR 10-6 contour. 4.3.4
Conclusie
De conclusie uit het onderzoek van AVIV is dat in navolging van andere risicobronnen (zoals transport en inrichtingen met gevaarlijke stoffen) ook voor windturbines uitgegaan kan worden van een basisbeschermingsniveau voor de omgeving (grenswaarde PR 10-6), aangezien er een overlijdensrisico optreedt voor de omgeving. Daarbij is het een voor de hand liggende gedachte om aan te sluiten bij het beleidskader voor externe veiligheid door onderscheid te maken tussen beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten en deze te beoordelen aan de hand van de plaatsgebonden risicocontouren. Grenswaarden als PR 10-5 en 10-6 zijn ook bekend vanuit andere risicogebonden activiteiten, zoals in de (petro)chemische industrie. AVIV stelt vast dat ook internationaal vergelijkbare standaarden worden toegepast. Met een kans van 1 op de 100.000 (10-5) per jaar bij continue onbeschermd verblijf op de PR10-5 contour bij (beperkt) kwetsbare objecten en 1 op de miljoen (10 -6) bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-6 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico’s en gelijk is aan andere risicobronnen van externe veiligheid. Differentiatie naar andere objecten worden niet zinvol geacht.
De hoeveelheid personen die een risico van meer dan PR10 -6 kunnen ondervinden is voor deze projectlocatie zeer beperkt. Om te voorkomen dat een grotere hoeveelheid personen dit risico kunnen ervaren kan voor kwetsbare objecten een norm worden gesteld op een bepaalde PRwaarde. Om te voorkomen dat enige personen een groter risico van meer dan PR10 -5 kunnen ervaren, kan ook voor nieuwe en bestaande beperkt kwetsbare objecten een norm worden gesteld op een bepaalde PR-waarde. In het onderzoek van AVIV is gesteld dat het groepsrisico verwaarloosbaar klein is. AVIV stelt vast dat er geen statistieken of andere gegevens bekend zijn die erop wijzen dat andere normen dan PR-normen van 10-6 en 10-5 beter passend of actueler zouden zijn. Ook zijn hiervoor geen aanwijzingen gevonden vanuit de wetenschap. Toepassing van de 10 -6 (voor kwetsbare objecten) en 10-5 (voor beperkt kwetsbare objecten) contouren voor plaatsgebonden risico blijken de effecten bij realisatie van het windpark goed inzichtelijk te kunnen maken. Ook zijn de rekenmethodieken inzichtelijk, verifieerbaar en reproduceerbaar. Daarnaast geven de plaatsgebonden risicocontouren de mogelijkheid om criteria te stellen en deze te vergelijken met andere risicodragende activiteiten. De manifestatie van de effecten op de locatie zijn goed in beeld te brengen.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
59
Toepassing van de 10-6 en 10-5 contouren voor plaatsgebonden risico draagt de mogelijkheid in zich om van worst case situaties uit te gaan en zo risico’s maximaal te mitigeren. Door met PRcontouren de effecten op omwonenden gedurende een woon- en werksituatie inzichtelijk te maken, wordt het bevoegd gezag in staat gesteld de aanvaardbaarheid van het windpark voor woon- en leefklimaat goed te beoordelen. Wanneer een PR-norm van 10-6 voor kwetsbare objecten en 10-5 voor beperkt kwetsbare objecten wordt toegepast, dan vormt het windpark geen belemmering ten aanzien van externe veiligheid. Daarmee is het project op dit punt ruimtelijk aanvaardbaar te achten.
4.4
Geluid
4.4.1
Wettelijk / beleidskader
Draaiende windturbines maken geluid. Het geluid van windturbines kan als storend worden ervaren. Dit is mede afhankelijk van het type windturbine, en de hoeveelheid achtergrondgeluid. In de tussenuitspraak van 30 juni 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) inzake windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding is geoordeeld dat de algemene normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) en de Activiteitenregeling milieubeheer (Activiteitenregeling) voor (onder andere) windturbinegeluid, slagschaduw en externe veiligheid buiten toepassing moeten worden gelaten ingeval van besluitvorming voor windturbineparken. Hierdoor kan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van planologische besluiten voor windturbineparken niet meer enkel onderbouwd worden met een verwijzing naar die windturbinenormen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Wel kan het bevoegd gezag voor concrete projecteneigen normen stellen. Die normen moeten dan wel zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Voor de beoordeling van het aspect geluid is een rapportage opgesteld (bijlage 10a – Onderzoek geluid en slagschaduw - Nevele arrest – LBP|SIGHT).
Laagfrequent geluid In praktijk bestaat geluid bijna nooit uit een zuivere toon met één frequentie, maar is opgebouwd uit verschillende frequenties. Het geluid van wegverkeer is bijvoorbeeld opgebouwd uit een laagfrequent geluid van de brommende motor, een middenfrequent geluid van de interactie tussen band en wegdek en mogelijk nog een hoogfrequent geluid van de luchtstroming om de auto. Geluid met een frequentie lager dan 100 Hz wordt in het algemeen laagfrequent genoemd. Een windturbine is niet een bron met een bijzonder aandeel laagfrequent geluid. Wel bevat het geluid van een windturbine een deel van laagfrequent geluid. In de overdracht van turbine naar woning en van buiten naar binnen, wordt dit deel minder gereduceerd dan het midden- en hoogfrequente deel.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
60
In de brief d.d. 31 maart 2014 aan de Tweede Kamer van de staatsecretaris van infrastructuur en milieu7 wordt geconcludeerd dat de ‘normale’ geluidnorm voor geluidhinder van windturbines voldoet. Voorheen stonden de normen in het Activiteitenbesluit. Zoals eerder vermeld zijn de normen uit het Activiteitenbesluit niet meer te gebruiken om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van windparken te onderbouwen. Voor Windpark Goyerbrug worden projectspecifieke normen vastgesteld. De normstelling alsmede de meet- en rekenmethode geldt voor ‘gewoon’ geluid. Voor laagfrequent geluid zijn geen aparte eisen gesteld. Bij ‘gewoon’ geluid wordt impliciet ook het laagfrequent geluid meegenomen. Dit betekent dat laagfrequent geluid wel beoordeeld en meegenomen wordt in de toetsing aan de normen voor gewoon geluid. De huidige Nederlandse geluidnorm is bedoeld om geluidhinder en slaapverstoring te voorkomen. De World Health Organization (afdeling Europa) heeft een groot samenvattend onderzoek naar geluid – waaronder windturbinegeluid – uitgevoerd. De resultaten van deze studie en de aanbevelingen voor overheden zijn gegeven in het rapport Environmental Noise Guidelines for the European Region, 2018.
Volgens deze samenvattende studie is er geen of onvoldoende wetenschappelijk bewijs voor de volgende problemen in relatie tot windturbinegeluid: 1) hart- en vaatziekten 2) hoge bloeddruk 3) gehoorschade en oorsuizen 4) cognitieve stoornissen, waaronder problemen met spraak- en leesvaardigheden bij kinderen 5) ongunstige zwangerschapsuitkomsten. Er zijn beperkte aanwijzingen (“low quality evidence”) dat bij een geluidsniveau van 45 dB Lden 10% van de onderzochte bevolking “grote ergernis” van het windturbinegeluid ondervindt. Deze geluidsniveaus komen bij Windpark Goyerbrug bij 9 huishoudens voor. Ook zijn er beperkte aanwijzingen gevonden dat mensen last kunnen hebben van een gestoorde nachtrust. Deze aanwijzingen bleken echter statistisch niet significant te zijn. Dergelijke uitkomsten – hoewel minder prominent samengevat - zijn in 2015 ook door het RIVM vastgesteld. Het RIVM stelt dat “Nederlands onderzoek liet zien dat het geluid van windturbines geen invloed had op problemen met in slaap vallen, maar wel op doorslapen. Een toename in geluidniveau tot boven ongeveer 45 decibel hing samen met een grotere kans op wakker worden. Dit was overigens niet het geval bij deelnemers met economische voordelen van windturbines.” Er zijn ook geen aanwijzingen dat het aandeel laagfrequent geluid hier een bijzondere dan wel belangrijke rol in speelt.
Onacceptabele hinder vanwege laagfrequent geluid is derhalve niet te verwachten indien voldaan wordt aan de vastgestelde norm. 4.4.2
Beoordeling
In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is door LBP|SIGHT een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van geluid van de windturbines op de omgeving (bijlage 10a – Onderzoek geluid en slagschaduw - Nevele arrest – LBP|SIGHT).
7
IENM/BSK-2014/44564
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
61
Het turbinetype staat nog niet vast. Om een selectie van mogelijke turbines te maken, is als uitgangspunt de volgende bandbreedte toegepast: -
ashoogte: minimaal 145 meter en maximaal 166 meter;
-
rotordiameter: maximaal 150 meter.
Binnen deze bandbreedte is gezocht naar turbinetypes die mogelijkerwijs op deze locatie gerealiseerd kunnen worden8. In tabel 4.5 is een selectie gegeven van potentiële turbinetypes. Deze lijst is niet limitatief.
Tabel 4.5 Mogelijke turbinetypes
Lden In het onderzoek is bepaald wat de noodzakelijke maatregelen zijn voor de volgende mogelijke grenswaarden voor geluid: -
Lden 49 dB
-
Lden 48 dB
-
Lden 47 dB
-
Lden 46 dB
-
Lden 45 dB
Vervolgens is berekend wat het aantal ernstig gehinderden is per turbinetype bij de genoemde grenswaarden.
8
Turbinefabrikant Senvion is in het voorjaar van 2019 failliet verklaard. Daardoor kunnen de twee vermelde turbinetypes van Senvion niet meer gerealiseerd worden. Maar omdat deze turbinetypes begin 2019 in de aanvraag van de omgevingsvergunning waren opgenomen, is gekozen om dat nu ook te doen.
R068362ab.189Y8XR.jwi | versie 25_001 | 29 juli 2022
62
Lnight In het Activiteitenbesluit is naast de Lden norm ook een Lnight norm gegeven. Deze Lnight norm van 41 dB ligt 6 dB onder de Lden norm van 47 dB. In dit onderzoek is geen aparte Lnight norm onderzocht. Dit hebben we gedaan om de volgende redenen: -
De Lnight norm ligt onder normale omstandigheden altijd meer dan 6 dB onder de L den norm.
-
Indien mitigerende maatregelen nodig zijn worden deze als eerste onderzocht voor de nachtperiode. Mitigatie in deze is het meest effectief om de Lden waarde te verlagen.
Hoewel geen separate Lnight norm is onderzocht, wordt voor de volledigheid wel een Lnight 41 norm in de vergunningvoorschriften bij de omgevingsvergunning aangevraagd. Resultaten onderzoek Uit de rekenresultaten blijkt dat de hoogst berekende waarden bij de meest bepalende woning van derden (Nachtdijk 25) 49 t/m 51 dB Lden bedragen. De meest bepalende turbine voor de geluidsbelasting op de omgeving betreft de N131 3.9 MW. De minst bepalende turbine betreft de V150 5.6 MW op 155 m. In figuren 4.9 en 4.10 zijn de rekenresultaten zonder mitigerende maatregelen opgenomen voor de N131 3.9 MW en de V150 5.6 MW op 155 m.