Bijlage 5 - ETFAL onderbouwing ETFAL Peppelkade 7
Tekst van het document
25
Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt in het plangebied. Het onderdeel Houtopstanden uit de Omgevingswet is daarom niet van toepassing. 4.2.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect natuur, nader onderzoek is daarom ook niet nodig.
26
4.3
Bodem
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 4.3.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Een bodemonderzoek is niet nodig als: Er geen bodemwerkzaamheden worden verricht (bijvoorbeeld het bouwen van een dakkapel of het plaatsen van een extra verdieping op een gebouw); Het gaat om een verandering of vergroting waarbij geen grond wordt verzet en het gebruik hetzelfde blijft; Er al voldoende actuele en bruikbare onderzoeksresultaten bij de gemeente beschikbaar zijn, waarop de bodemtoets kan worden gebaseerd. 4.3.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Op het perceel is sprake van een lichte restverontreiniging. De gemeente heeft hierover eerder in de reactie vanuit de Dienst Water en Milieu, kenmerk 2005WEM004284i d.d. 26 oktober 2005, aangegeven: “Voor de lichte restverontreiniging is geen actieve nazorg noodzakelijk.
Indien in de toekomst de gebruiksfunctie van het perceel wijzigt, waardoor de asfaltverharding wordt aangetast, dan dient dit bij ons gemeld te worden.” Er wordt een nieuw bedrijfspand met de gebruiksfunctie kantoor en industrie gerealiseerd op het perceel. Dit komt overeen met de bestaande gebruiksfunctie zoals in de eerdere beoordeling van de gemeente is gehanteerd. De bestaande asfaltverharding wordt door de huidige eigenaar verwijderd. Hier is reeds een melding voor gedaan. De aanvrager krijgt het perceel vrij van obstakels en verharding, bouwrijp, opgeleverd. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde waaronder de restverontreiniging geen aanleiding geeft tot actieve nazorg of aanvullende maatregelen.
27
Op het aangrenzende perceel aan de Peppelkade met kavelnummer E-4096 is eerder een vergunning verleend op 4 april 2025 (zaaknummer: 858950) voor een vergelijkbare activiteit. In die vergunning is expliciet vermeld: “De activiteit heeft wel betrekking op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Omdat de gebruiksfunctie niet wijzigt is een bodemonderzoek niet noodzakelijk”. De situatie op het onderhavige perceel is daarmee vergelijkbaar. Er is dan ook geen aanleiding om een bodemonderzoek uit te voeren. 4.3.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bodem, nader bodemonderzoek is daarom ook niet nodig.
28
4.4
Water
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. 4.4.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. De belangrijkste beleidsdocumenten waarin de waterhuishoudkundige doelstellingen zijn beschreven zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterprogramma (NWP 2022-2027), de Provinciale Omgevingsverordening en omgevingsvisie, de provinciale bodem- en waterprogramma’s, de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen en het gemeentelijk water- en rioleringsplan. In de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'.
Uitgangspunten ruimtelijke ontwikkeling Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken /draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
Schoonhouden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. 4.4.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Hemelwater In de nieuwe situatie wordt het hemelwater opgevangen in het plangebied. Afvalwater In de nieuwe situatie blijft het pand voor vuilwater aangesloten op de riolering.
29
Oppervlaktewater In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Verharding In de nieuwe situatie zal de oppervlakte aan verharding afnemen, door de groene invulling van het perceel. Een deel van het perceel wordt ingericht met plant- en haagstroken, daarnaast wordt een groot deel van de parkeerplaatsen voorzien van grastegels. Watertoets Het plan is, vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap niet van belang. Gezien plangebied geen watergangen raakt en er geen toename verharding is kan er uitgegaan worden van ‘geen procedure’. Gelet op de beperkte impact op het watersysteem geeft het waterschap een positief wateradvies. 4.4.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het gebied van water is daarom ook niet nodig.
30
4.5
Geluid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) 4.5.1 Wettelijk kader Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor: het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw: met een woonfunctie; met een onderwijsfunctie; voor kinderopvang met bedden; voor gezondheidszorg met bedden.
De waarden en eisen in de instructieregels voor het bereiken van een aanvaardbaar geluid gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar toegelaten is. De instructieregels gelden dus niet voor tijdelijke bouwwerken. Geluidaandachtsgebieden In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:
De geluidaandachtsgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen
31
3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl. Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven.
Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtsgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Geluid door activiteiten Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen.
Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.
32
Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:
Standaardwaarde en grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw In de Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw kan toegestaan als: 1. er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk wordt beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen zijn overwogen die financieel doelmatig zijn en ertegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; 4. het gecumuleerd geluid is beoordeeld; 5. het gezamenlijke geluid is bepaald; 6. het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen is betrokken. Met andere woorden: wanneer door of na het treffen van geluidreducerende maatregelen, die niet bezwaarlijk zijn, de standaardwaarde nog steeds wordt overschreden, kan geluid tot en met de grenswaarde onder voorwaarden bij een nieuw geluidgevoelig gebouw worden toegestaan. 4.5.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen.
Met dit plan wordt geen geluidsgevoelig object toegevoegd. Tevens is geen sprake van een uitbreiding of intensivering van de bedrijfsactiviteiten. De bestaande bouwmogelijkheden worden niet verruimd en de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein zal als gevolg van dit plan niet toenemen. Gelet op het bovenstaande is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Vanuit het oogpunt van geluid zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan, en is de aanvraag in dat opzicht vergunbaar. 4.5.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid.
33
4.6
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. 4.6.1 Wettelijk kader De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan onder de Wro, Wet milieubeheer. Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. De gemeente moet binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening houden met het groepsrisico (rekening houden met het risico van brand, explosies of gifwolken; dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. 4.6.1.1 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een van de vier kerninstrumenten van de Omgevingswet, en regelt welke activiteiten in de fysieke leefomgeving zijn toegestaan en onder welke voorwaarden. Het Bal bevat regels voor milieubelastende activiteiten, lozingen, gebruik van stoffen, en activiteiten die invloed hebben op bodem, lucht, water, natuur en gezondheid. 4.6.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl.
In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
34
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten.
Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 4.6.2 Onderzoek Plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Het plangebied ligt op een bestaand bedrijventerrein en het voorgenomen plan betreft het vervangen van een bestaand bedrijfspand zonder functiewijziging, risicovolle activiteiten of toevoeging van (beperkt) kwetsbare objecten.
Er is dan ook geen sprake van een toename van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Door de beoogde brandwerende uitvoering van de zijgevel (die in beide richtingen aan dezelfde eis voldoet) wordt tevens invulling gegeven aan de vereisten voor externe veiligheid en brandcompartimentering. Dit voorkomt risico’s voor de omgeving en versterkt de fysieke kwaliteit van het plan. 4.6.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect externe veiligheid, nader onderzoek op het gebied van externe veiligheid is daarom ook niet nodig.
35
4.7
Luchtkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit 4.7.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.3 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.
Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 4.7.2 Onderzoek Plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Er is geen sprake van de toevoeging van een gevoelig object of locatie. Het aantal verkeersbewegingen op het bedrijventerrein zal
36
met deze ontwikkeling niet toenemen. De bijdrage van het verkeer is bij het voorliggend plan in 'niet betekende mate'. 4.7.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect luchtkwaliteit, nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig
37
4.8
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 4.8.1 Wettelijk kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandseisen; Randvoorwaarden. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a.
het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde
38
voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. 4.8.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Met dit plan wordt geen activiteit mogelijk gemaakt die tot relevante geurhinder leidt, noch wordt een geurgevoelig object toegevoegd. Daarmee is het plan in overeenstemming met het geldende geurbeleid. 4.8.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geur, nader onderzoek op het gebied van geur is daarom ook niet nodig.
39
4.9
Activiteiten en milieuzonering
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de gebruiksruimte activiteiten met een milieuzonering. 4.9.1 Wettelijk kader De omgevingswet heeft als doel een evenwichtige toedeling van functies. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende activiteit het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de Vernieuwde VNG-handreiking toegepast. In de handreiking gaat de VNG uit van drie gebiedstypes: 1. Industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert; 2.
Woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) overheerst; 3. Gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca en detailhandel. Er wordt in deze handreiking geen gebruik meer gemaakt van milieucategorieën, maar van de gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten, zoals geluidof geurruimte. Er wordt dan bijvoorbeeld binnen een zone rondom woningen een maximale geluidsnorm voorgeschreven. Hoe groter de afstand tot de woningen, hoe hoger deze norm zal zijn. Dit is dus een verschil met de ‘statische’ afstandsnormen uit de oude handreiking die uitgaan van richtafstanden op basis van de grootste overlastfactor per categorie bedrijf. Milieuzonering oude stijl De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft in een handreiking genaamd ‘Bedrijven en milieuzonering’ een lijst met richtafstanden per milieucategorie. Een bedrijf uit milieucategorie 1 is het minst belastend voor de omgeving, waardoor de richtafstand tot milieugevoelige functies (zoals woningen) het kleinste is. Een bedrijf uit milieucategorie 6 is het meest belastend en de VNG-richtafstand is dus het grootst.
Voorbeelden van bedrijven in deze categorie zijn: een luchthaven, een autocircuit en een ijzerenen stalenbuizenfabriek. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per milieucategorie aangegeven.
40
In de tabel staan de VNG-richtafstanden zoals deze gelden tussen een bedrijf en een woning in een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. In een ‘gemengd gebied’ zijn andere richtafstanden van toepassing. De afstand wordt met een stap verkleind. Dat wil zeggen dat tussen een woning en een bedrijf van milieucategorie 2 in een gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter passend is. In een rustige woonwijk zou dit 30 meter zijn. 4.9.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Het plan voorziet niet in een functiewijziging of toevoeging van een milieugevoelig object, maar betreft een vervanging van een bestaand bedrijfspand op een bestaand bedrijventerrein. Aangezien sprake is van een gelijkblijvende functie binnen een niet-milieugevoelige omgeving (bedrijventerrein) en geen toename van milieuhinderlijke activiteiten plaatsvindt, is het plan in overeenstemming met de geldende milieuzonering. Bovendien zijn binnen een bedrijventerrein bedrijven in vergelijkbare milieucategorieën toegestaan, en past het voorgenomen gebruik binnen het omgevingsplan. Er ontstaat dus geen verslechtering van het milieusituatiebeeld of strijd met de milieuzonering.
4.9.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering, nader onderzoek op het gebied van activiteiten en milieuzonering is daarom ook niet nodig.
41
4.10 Trilling In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de trillingshinder. 4.10.1 Wettelijk kader Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 4.10.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. De activiteiten in het plangebied veroorzaken geen trillingen, er zijn geen (bedrijfs)activiteiten op korte afstand van het plangebied die trillingen veroorzaken. 4.10.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect trilling, nader onderzoek op het gebied van trilling is daarom ook niet nodig.
42
4.11 Slagschaduw en windhinder In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de slagschaduw en windhinder. 4.11.1 Wettelijk kader In het omgevingsplan staan regels voor de bescherming tegen slagschaduw door activiteiten, zoals een windturbine. De regels voor windturbines en windparken staan eerst in het tijdelijk deel. In de bruidsschat staan gebruiksregels over slagschaduw van windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 meter. Het beschermingsniveau bij windturbines en windparken in de bruidsschat is voor slagschaduw in de bruidsschat gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit. Een windturbine moet voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening. Deze schakelt de windturbine uit als er te veel slagschaduw optreedt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. De windturbine wordt afgeschakeld als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden. Dit staat in artikel 22.216 bruidsschat omgevingsplan. Voor het nieuwe deel bepaalt de gemeente zelf welke mate van hinder door slagschaduw aanvaardbaar is. Daarbij moet het omgevingsplan voldoen aan het evenwichtig toedelen van functies en aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
4.11.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. De activiteiten in het plangebied veroorzaken geen slagschaduw en windhinder, er zijn geen activiteiten op korte afstand van het plangebied die slagschaduw en windhinder veroorzaken. 4.11.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect slagschaduw en windhinder, nader onderzoek op het gebied van slagschaduw en windhinder is daarom ook niet nodig.
43
4.12 Lichthinder 4.12.1 Wettelijk kader Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Kunstmatige verlichting kan 4 soorten negatieve effecten veroorzaken: 1.
2.
3.
4.
Hinder voor de mens Hinder bij mensen ontstaat wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Bij de beoordeling van lichthinder voor mensen maken overheden een afweging tussen maatschappelijke belangen (bijvoorbeeld veiligheid op straat, of bruikbaarheid sportvelden) en de hinderbeleving. Hinder langs wegen Langs (rijks)wegen kan licht van objecten ook leiden tot hinder en daardoor onveilige situaties. Denk bijvoorbeeld aan verlichte reclamezuilen. Verstoring van de natuur Nachtelijke, kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren (negatief) beïnvloeden. Naast mogelijke aanpassingen van de levenscyclus aan de kunstmatige verlichting, kan er sprake zijn van desoriëntatie, afstoting of aantrekking. Deze effecten kunnen leiden tot uitputting en sterfte. Ook kan kunstmatige verlichting als een barrière werken als dieren zich verplaatsen (in vaktaal: migreren). De verschillende negatieve effecten van kunstmatige verlichting hebben niet alleen een individueel effect. Kunstmatige verlichting kan ook een negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van specifieke soorten. Horizonvervuiling Bij horizonvervuiling of donkertebescherming gaat het om de zichtbaarheid van licht op langere afstand.
Bijvoorbeeld het zichtbaar zijn van een open stal of een verlicht sportveld in een open landschap. Het gaat hierbij om grotere afstanden. Er is dan geen direct licht meer te meten van een lamp. Het licht is nog wel zichtbaar. Het gaat dan om een afstand tot 5 à 10 kilometer en boven zee tot maximaal 15 kilometer.
De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten: de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de golflengtes ofwel spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera) de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap) Lichthinder en Omgevingswet Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Verschillende instrumenten zijn van belang als het gaat om lichthinder: Omgevingsvisie, In bepaalde gebieden kan het van belang zijn om lichthinder, verstoring door licht en horizonvervuiling op te nemen in de omgevingsvisie. Bijvoorbeeld rond lichtgevoelige natuurgebieden, voor kassengebieden of grootschalige bedrijventerreinen. De visie kan beleid bevatten om de lichthinder, verstoring of horizonvervuiling terug te dringen. Een gemeente kan zelf bepalen of lichthinder, verstoring of horizonvervuiling een (of meer) thema’s is (zijn) in de gemeentelijke omgevingsvisie.
Omgevingsplan In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen
44
-
of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Omgevingsplan en bruidsschat Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen.
Voor lichthinder bij sportvelden bevat de bruidsschat specifieke regels. Het gaat om regels die niet vanuit het Activiteitenbesluit zijn overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. De bruidsschat zorgt ervoor dat deze regels landen in de omgevingsplannen van de gemeenten. Deze regels kan de gemeente in het omgevingsplan aanpassen en afstemmen op de lokale omstandigheden. 4.12.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. De activiteiten in het plangebied veroorzaken geen lichthinder, er zijn geen activiteiten op korte afstand van het plangebied die lichthinder veroorzaken. 4.12.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect lichthinder, nader onderzoek op het gebied van lichthinder is daarom ook niet nodig.
45
4.13 Kabels en leidingen In het kader van de omgevingsvergunning danwel omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofd transportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.13.1 Onderzoek plangebied In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij eventuele graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen 4.13.2 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect kabels en leidingen, nader onderzoek op het gebied van kabels en leidingen is daarom ook niet nodig.
46
4.14 Verkeer en parkeren Bij de aspecten verkeer en parkeren gaat erom dat het plangebied goed bereikbaar is, er geen onveilige verkeerskundige situaties ontstaan en er voldoende parkeergelegenheid in het plangebied aanwezig is. 4.14.1 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Ontsluiting van het plangebied vindt rechtstreeks plaats op de Peppelkade, het aantal verkeersbewegingen op het bedrijventerrein zal niet toenemen met deze ontwikkeling. Het plan heeft dan ook geen gevolgen voor de verkeersveiligheid. Het parkeren vindt plaats rondom het gebouw op eigen terrein. Er zijn 31 autoparkeerplaatsen en 30 fietsparkeerplaatsen aanwezig in het plangebied (zie bijlage 4 van deze onderbouwing voor de parkeersituatie). Het plan voldoet daarmee aan de gemeentelijke auto parkeernormen voor kantoor (2 pp per 125 m2 bvo) en industrie (1,6 pp per 100 m2 bvo). Het plan voldoet ook aan de gemeentelijke fiets parkeernormen (2,5 pp per 100 m2 bvo kantoor).
Parkeerberekening (bron: F5 Projectengroep BV) 4.14.2 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren, nader onderzoek op het gebied van verkeer en parkeren is daarom ook niet nodig.
47
4.15 Milieueffectrapportage (MER) 4.15.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
In bijlage V bij het omgevingsbesluit wordt onder J11 stedelijke ontwikkelingsprojecten aangewezen als geval waarin de mer-beoordelingsplicht geldt. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1, Ow). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). 4.15.2 Onderzoek Plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. De realisatie van het nieuwe bedrijfspand betreft geen activiteit die expliciet is opgenomen in bijlage D of C van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er worden geen drempelwaarden overschreden en het planvoornemen is dan ook niet m.e.r.-plichtig. Daarnaast volgt uit de beoordeling van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten – zoals uitgewerkt in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing – dat geen sprake is van aanzienlijke nadelige milieugevolgen.
Gelet hierop is het opstellen van een milieueffectrapport of het doorlopen van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk. 4.15.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect milieu, nader onderzoek op het gebied van milieu is daarom ook niet nodig.
48
4.16 Duurzaamheid 4.16.1 Wettelijk kader De Omgevingswet benoemt specifiek de doelen duurzaamheid en natuur. Dit volgt op de verslechterde staat van de natuur en de merkbare verandering van het klimaat. Vanwege klimaatverandering zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk aan maatregelen tegen hittestress (meer groen en bomen), wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), droogte (beter en langer vasthouden van water) en waterveiligheid (dijken). Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. In artikel 22.52 Bruidsschat zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen. 4.16.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. In de huidige situatie betreft het een verouderd bedrijfspand dat qua energieprestatie en bouwtechnische staat niet voldoet aan de duurzaamheidseisen van deze tijd.
Het bestaande pand is matig tot slecht geïsoleerd en maakt gebruik van verouderde installaties voor verwarming en ventilatie, wat resulteert in een relatief hoog energieverbruik en een beperkte milieuprestatie. Bij de herontwikkeling wordt een nieuw bedrijfspand gerealiseerd dat wél voldoet aan de actuele eisen op het gebied van duurzaam bouwen, energiezuinigheid en milieubelasting. Het pand wordt voorzien van hoogwaardige isolatie (conform of beter dan de eisen uit het Bouwbesluit), een energiezuinig verwarmingssysteem (bijvoorbeeld een warmtepomp of aansluiting op een duurzaam collectief systeem), en mogelijk aanvullende maatregelen zoals zonnepanelen of groene dakbedekking. Door de sloop van het bestaande pand en de realisatie van een nieuw gebouw ontstaat een aanzienlijke verbetering van de energieprestatie en beperking van de milieubelasting. Het buitenterrein zal worden voorzien van e-mobility voorzieningen. Bezoekers en personeel kunnen gebruik maken van elektrische laadpunten. Zo wordt er ingezet op emissievrij vervoer. De nieuwbouw zal worden voorzien van zonnepanelen waardoor er groene stroom wordt opgewekt voor dit gebouw. Door het gebruik van een energie opslag systeem kan energie worden opgeslagen. 4.16.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect duurzaamheid, nader onderzoek op het gebied van duurzaamheid is daarom ook niet nodig.
49
4.17 Gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 4.17.1 Wettelijk kader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet.
De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. 4.17.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen Uit de paragrafen van hoofdstuk 4 van deze onderbouwing blijkt dat er door deze ontwikkeling geen nadelige effecten zijn voor een gezonde fysieke leefomgeving. 4.17.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect gezondheid, nader onderzoek op het gebied van gezondheid is daarom ook niet nodig.
50
5. Uitvoerbaarheid van het plan Conform de Omgevingswet dient bij het opstellen van een omgevingsplan dan wel een onderbouwing ETFAL onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
5.1.1 Financieel economische haalbaarheid Het voorliggende project wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de aanvraag van de omgevingsvergunning en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het plangebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Door middel van leges worden de gemeentelijke kosten, die verband houden met de ruimtelijke procedure, op de initiatiefnemer verhaald. 5.1.2 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15.1 dan is voor taken en bevoegdheden van de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld het verlenen van een omgevingsvergunning of het wijzigen van het omgevingsplan.
Het bevoegd gezag kan de betaalde nadeelcompensatie publiekrechtelijk verhalen, tenzij: de schadevergoeding redelijkerwijs voor rekening van het bestuursorgaan moet blijven. de schadevergoeding voldoende op andere manier is verzekerd (artikel 13.3d Omgevingswet). Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zijn in de overeenkomsten afspraken gemaakt over het vergoeden van nadeelcompensatie
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Participatie In het kader van participatie heeft op 7 december 2024 een gesprek plaatsgevonden tussen de aanvrager en de eigenaar van het achtergelegen perceel ). Tijdens dit overleg is het plan toegelicht, en er is geen bezwaar geuit tegen de voorgenomen ontwikkeling. Gezien de beperkte schaal van het initiatief, de aard van de afwijking en het ontbreken van bezwaren vanuit de directe omgeving, is gekozen voor een gerichte en proportionele vorm van participatie. 5.2.2 Vooroverleg In sommige gevallen moet het bevoegd gezag advies vragen. Ingevolge artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit dient vooraf informatie ingewonnen te worden bij relevante overlegpartners. Voor het onderhavige initiatief is geen vooroverleg met overlegpartners gevoerd, gelet op de aard en de kleinschaligheid van het plan. Het betreft een beperkte ruimtelijke afwijking die geen significante gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving en in overeenstemming is met bestaand gemeentelijk beleid.
51
5.2.3 Advies en instemming Vrijwel altijd zijn burgemeester en wethouders (B&W) het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag voor een BOPA. In sommige gevallen zijn Gedeputeerde Staten of de minister het bevoegd gezag. Dit volgt uit het Omgevingsbesluit. De gemeenteraad kan vooraf gevallen aanwijzen waarin een bindend advies nodig is voordat een BOPA wordt verleend (artikel 4.21 Omgevingsbesluit). Het bevoegd gezag moet zich dan aan het advies houden. Dit staat in artikel 16.15b van de Omgevingswet. Voor nietaangewezen gevallen heeft de gemeenteraad geen adviesrecht. Op 12 december 2023 heeft de gemeenteraad van Houten een lijst vastgesteld waarop het bindend adviesrecht (artikel 16.15a, onderdeel b van de Omgevingswet) van toepassing is. De criteria voor het vragen van een bindend advies aan de raad luiden als volgt: 1. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in 16.15a lid b onder 1 Ow en; 2. Bouwkosten hoger of gelijk dan ,- of; 3. Door college verwachte maatschappelijke impact of gevoeligheid, waardoor de raad toch om advies wordt gevraagd. 5.2.4 Procedure De korte procedure is het uitgangspunt in de Omgevingswet. De beslistermijn voor de korte procedure is maximaal 8 weken (plus eventueel 6 weken verlenging). Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk.
Het bevoegd gezag kan besluiten de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de BOPA van toepassing te verklaren. Dat kan als de activiteit aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben of verschillende belanghebbenden bedenkingen kunnen hebben. In de uitgebreide procedure beslist het bevoegd gezag binnen 6 maanden (26 weken) na een aanvraag. Eventueel te verlengen met 6 weken. Tijdens de uitgebreide procedure maakt het bestuursorgaan een ontwerpbesluit waarover zienswijzen openstaan (6 weken). Nadat het besluit is genomen, is er nog beroep bij de rechtbank mogelijk. Als de uitgebreide voorbereidingsprocedure is gevolgd, treedt het besluit in werking als het besluit op de voorgeschreven wijze ter inzage is gelegd (overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb). De beroepstermijn start met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig art. 3:44 lid 1 onderdeel a van de Awb ter inzage is gelegd. Vaststellingsprocedure Voor deze aan vraag is de uitgebreide procedure niet van toepassing gezien de kleinschaligheid van het initiatief lage impact op de omgeving.