Bijlage 5 - ETFAL onderbouwing ETFAL Peppelkade 7
Tekst van het document
Omgevingsvergunning BOPA Peppelkade 7 Houten Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Onderwerp Datum Projectnummer Kenmerk
Nieuwbouw bedrijfspand 16/06/2025 0321-04 0321/RH/20250616
Inhoudsopgave 1.
Inleiding............................................................................4
1.1 Aanleiding ........................................................................................... 4 1.2 Ligging van het plangebied ................................................................. 4 1.3 Huidige planologische regime ............................................................. 6 1.4 Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) .................................... 7 1.5 Leeswijzer ........................................................................................... 8
2.
Planbeschrijving ................................................................9
2.1 Inleiding ............................................................................................. 9 2.2 Stedenbouwkundige context ............................................................... 9 2.3 Bestaande situatie .............................................................................. 9 2.4 Toekomstige situatie ......................................................................... 11
3.
Beleidskader ...................................................................13
3.1 Rijksbeleid ........................................................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................. 16 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................... 18
4.
Effecten voor de fysieke leefomgeving ............................21
4.1 Cultureel erfgoed .............................................................................. 21 4.2 Natuur ............................................................................................... 23 4.3 Bodem ............................................................................................... 27 4.4 Water ................................................................................................ 29 4.5 Geluid ............................................................................................... 31 4.6 Omgevingsveiligheid ......................................................................... 34 4.7 Luchtkwaliteit ................................................................................... 36 4.8 Geur .................................................................................................. 38 4.9 Activiteiten en milieuzonering........................................................... 40 4.10
Trilling ............................................................................................ 42
4.11
Slagschaduw en windhinder ........................................................... 43
4.12
Lichthinder ..................................................................................... 44
4.13
Kabels en leidingen ........................................................................ 46
2
4.14
Verkeer en parkeren ....................................................................... 47
4.15
Milieueffectrapportage (MER) ......................................................... 48
4.16
Duurzaamheid ................................................................................ 49
4.17
Gezondheid ..................................................................................... 50
5.
Uitvoerbaarheid van het plan ..........................................51
5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................... 51 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................... 51
6.
Ruimtelijke afweging ......................................................53
Bijlagen .................................................................................54 Bijlage 1 Groene invulling plangebied ...................................................... 54 Bijlage 2 Onderbouwing stikstof ............................................................... 54 Bijlage 3 Beschermde SoortenIndicator rapportage ................................. 54 Bijlage 4 Toekomstige parkeersituatie ..................................................... 54
3
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 aan de Peppelkade 7 in Houten. Op dit perceel en op perceel HTN04-E-4096 staat een bedrijfspand. De initiatiefnemer heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen op kadastraal perceel HTN04-E-4097. De gronden behorend bij de Peppelkade 7 in Houten hebben in het omgevingsplan gemeente Houten (tijdelijk deel, bestemmingsplan Doornkade) de functie bedrijventerrein. In de bouwregels is opgenomen dat de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens tenminste 5 meter bedraagt. De afstand tussen de perceelsgrens en het nieuw te bouwen pand bedraagt echter 1 meter. Dit is in strijd met de bouwregels van het omgevingsplan. Om de realisatie van het bedrijfspand mogelijk te maken, is het nodig om een omgevingsvergunning aan te vragen. De initiatiefnemer heeft bij de gemeente een verzoek ingediend voor de realisatie van het nieuwe bedrijfspand. De gemeente heeft aangegeven medewerking te willen verlenen onder voorwaarden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een activiteit die niet past binnen de regels van het geldende omgevingsplan, wordt een BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) genoemd. Met een omgevingsvergunning kan er een ontheffing van het omgevingsplan verleend worden voor die BOPA.
Een BOPA moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij de kwaliteit van de fysieke leefomgeving waarborgen. Dit brengt een bredere kijk op de leefomgeving met zich mee, onder meer vanuit het oogpunt van milieu, duurzaamheid en gezondheid. Om te kunnen beoordelen of de BOPA hieraan voldoet, is er een onderbouwing nodig. Dit rapport geeft de onderbouwing voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze onderbouwing wordt aangegeven hoe het te realiseren project past binnen het rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. Vervolgens wordt inzicht gegeven in de, bij de afweging betrokken, belangen en aspecten.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied bevindt zich op het bedrijventerrein Doornkade aan de noordwestzijde van de kern Houten en nabij de rijksweg A27. Het plangebied is gelegen aan de Peppelkade. Het plangebied betreft kadastraal perceel HTN04-E-4097. De globale ligging van de locatie en de begrenzing van het plangebied is op de volgende afbeeldingen weergegeven.
4
5
1.3
Huidige planologische regime
1.3.1 Omgevingsplan gemeente Houten Voor het plangebied is het omgevingsplan gemeente Houten van toepassing. Sinds 1 januari 2024 heeft iedere gemeente een omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel (waaronder de geldende bestemmingsplannen) en een nieuw deel (het nieuwe deel van het omgevingsplan is leeg tot het moment waarop de gemeente daarin zelf regels opneemt). Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om de inhoud van het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar regels in het nieuwe deel. Het plangebied heeft op basis van het omgevingsplan Houten (tijdelijk deel, bestemmingsplan Doornkade) de functie ‘Bedrijventerrein’ met bouwvlak, de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4’en de maatvoering aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage terrein 80%’ en ‘maximum bouwhoogte 12 meter’. De voor 'Bedrijventerrein tot en met categorie 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven en bedrijfsactiviteiten, voor zover deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten voorkomen in de categorieën 1 tot en met 4 van de van deze regels deel uitmakende Lijst van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat BEVIinrichtingen niet zijn toegestaan. De gronden zijn eveneens bestemd voor tuinen, erven en terreinen en parkeervoorzieningen behorend bij de bedrijfsactiviteiten.
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde woningen en bijgebouwen bij woningen, gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. het bouwperceel mag voor het maximaal aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd; c. de parkeergelegenheid dient op eigen terrein gerealiseerd te worden, waarbij een parkeernorm geldt van 1,6 parkeerplaatsen per 100 m² bvo voor bedrijfsruimte, 2 parkeerplaatsen per 125 m² bvo voor ondersteunende kantoorruimte en zelfstandige kantoorruimte; d. tenminste 5% van het bouwvlak dient te worden ingericht met groenvoorzieningen; e. de bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan is aangegeven met de maatvoeringsaanduiding op de verbeelding; f. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt tenminste 5 meter; g. binnen de op de verbeelding aangegeven veiligheidszone is het niet toegestaan gebouwen uit te breiden; h. binnen de op de verbeelding aangegeven veiligheidszone mogen geen gevoelige bestemmingen worden opgericht.
6
Uitsnede omgevingsplan gemeente Houten (plangebied rood oranje) 1.3.2 Conclusie De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. De afstand tussen de perceelsgrens en het nieuw te bouwen pand bedraagt 1 meter. Dit is in strijd met de bouwregels van het omgevingsplan. In de bouwregels is opgenomen dat de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens tenminste 5 meter bedraagt. Het initiatief is daarmee in strijd met het omgevingsplan. Als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan, is er sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
1.4
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1. Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen. 2. Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); b. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent ook dat de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.
7
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande en gewenste situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht en van de gemeente Houten beschreven. Vervolgens passeren in hoofdstuk 4 alle effecten op de fysieke leefomgeving de revue. In de hoofdstukken 5 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 6 bevat de ‘Evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL).
8
2. Planbeschrijving 2.1
Inleiding
De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 aan de Peppelkade 7 in Houten. Op dit perceel en op perceel HTN04-E-4096 staat een bedrijfspand. De initiatiefnemer heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen op kadastraal perceel HTN04-E-4097. Het nieuwe bedrijfspand wordt in gebruik genomen door Oxipack. Oxipack is een internationaal opererend bedrijf dat zich specialiseert in niet-destructieve lekdetectieoplossingen. De focus ligt op het optimaliseren van verpakkingen zodat deze luchtdicht en efficiënt blijven, met als doel voedselverspilling te verminderen en kosten te besparen. Hun innovatieve technologieën dragen bij aan productkwaliteit en duurzaamheid. In het nieuwe pand zullen de commerciële activiteiten (verkoop en klantcontact), assemblage van fijnmechanische en elektronische onderdelen, en producttesten plaatsvinden. Grote componenten worden extern vervaardigd; kleine onderdelen worden in de werkplaats geassembleerd. Daarnaast wordt er een ruimte ingericht voor Research & Development (R&D), waar nieuwe producten en technieken worden ontwikkeld en getest. Oxipack is momenteel gevestigd elders op hetzelfde bedrijventerrein, maar de huidige huisvesting is niet toereikend voor hun groeiende activiteiten. Om die reden wordt er een nieuw bedrijfspand ontwikkeld op de aangekochte locatie.
2.2
Stedenbouwkundige context
Doornkade is een modern en veelzijdig bedrijventerrein aan de noordwestkant van de stad Houten in de provincie Utrecht. Het terrein ligt strategisch direct langs de A27, wat het uitstekend bereikbaar maakt voor zowel regionaal als landelijk verkeer. Het bedrijventerrein bestaat uit een mix van lichte industrie, kantoren, showrooms en opslagloodsen. Bedrijven zijn veelal gevestigd in representatieve panden, vaak met eigen parkeergelegenheid en moderne voorzieningen. Straten als Meidoornkade, Peppelkade en Beukenkade vormen de hoofdstructuur van het terrein. Veel panden zijn vrijstaand met een eigen perceel, oprit en parkeergelegenheid. Deze worden vaak gebruikt als bedrijfsunits met kantoor- en productieruimte gecombineerd. Doornkade grenst aan het groene buitengebied van Houten en biedt deels zicht op landelijke zones, met wandel- en fietspaden dichtbij.
2.3
Bestaande situatie
Het plangebied betreft kadastraal perceel HTN04-E-4097 aan de Peppelkade 7 in Houten. Het plangebied heeft een oppervlakte van 2308 m2. Op dit perceel en op perceel HTN04-E-4096 staat een bedrijfspand welke gebruik wordt als autobedrijf. Het bedrijfspand heeft een oppervlakte van 1225 m2, een goothoogte van circa 6 meter en een bouwhoogte van circa 8 meter. De voorgevel van het gebouw staat op een afstand van 8 meter uit de rand van de openbare weg. De afstand tussen de zijgevel van het gebouw en de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 4,5 meter. Verkeer en parkeren Ontsluiting van het plangebied vindt rechtstreeks plaats op de Peppelkade. Het parkeren vindt plaats tussen de Peppelkade en het bedrijfsgebouw. Relatie met de omgeving Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint op het bedrijventerrein.
9
Bestaande situatie, plangebied oranje omkaderd
Aanzicht bedrijfspand vanaf de Peppelkade (bron: google maps sep 2022)
10
2.4
Toekomstige situatie
Oxipack is momenteel gevestigd elders op hetzelfde bedrijventerrein, maar de huidige huisvesting is niet toereikend voor hun groeiende activiteiten. Om die reden wordt er een nieuw bedrijfspand ontwikkeld in het plangebied. Op basis van het Programma van Eisen (PvE) zal het nieuwe gebouw bestaan uit: Kantoorruimte voor dagelijkse bedrijfsvoering; Showroom om zakelijke klanten demonstraties van de producten te kunnen geven; Werkplaats voor assemblage en technische werkzaamheden; Opslagruimte voor voorraad en onderdelen; Bedrijfsunits die tijdelijk worden verhuurd, met de intentie deze op termijn zelf in gebruik te nemen. Het nieuwe bedrijfspand wordt asymmetrisch in het plangebied gesitueerd, waarbij de bebouwing aan één zijde is geconcentreerd. De afstand tussen de rand van de openbare weg (Peppelkade) en de voorgevel van het bedrijfsgebouw bedraagt 19 meter. De afstand tussen de linkerzijgevel en de zijdelingse perceelgrens bedraagt 1 meter en de afstand tussen de rechterzijgevel en de zijdelingse perceelgrens bedraagt circa 9 meter. Het nieuwe bedrijfsgebouw heeft een footprint van 918 m2, de overige ruimte in het plangebied wordt benut voor parkeren, groen en ontsluiting van gebouw en plangebied. Het gebouw bestaat maximaal uit 4 bouwlagen met een bouwhoogte van maximaal 12 meter.
Het gebouw bestaat uit een gestapeld volume met aan de voorzijde een representatief kantoor en showroom. Daarachter bevinden zich de R&D-ruimte, werkplaats en opslag. De bouw wordt uitgevoerd in een staalconstructie met betonnen vloeren. De gevel wordt opgebouwd uit geïsoleerde sandwichpanelen en afgewerkt met stalen gevelplaten tussen de raamstroken, passend binnen het beeld van een modern en functioneel bedrijfspand. Door de beoogde brandwerende uitvoering van de zijgevel (die in beide richtingen aan dezelfde eis voldoet) wordt tevens invulling gegeven aan de vereisten voor externe veiligheid en brandcompartimentering. Dit voorkomt risico’s voor de omgeving en versterkt de fysieke kwaliteit van het plan. Verkeer en parkeren Ontsluiting van het plangebied vindt rechtstreeks plaats op de Peppelkade. Het parkeren vindt plaats rondom het gebouw op eigen terrein. Er zijn 31 autoparkeerplaatsen en 30 fietsparkeerplaatsen aanwezig in het plangebied. Groen De groene invulling van het perceel is belangrijk voor een klimaatbestendig kavel (zie bijlage 1 van deze onderbouwing). Met grastegels wordt er voor gezorgd dat regenwater kan infiltreren. Over het gehele terrein worden planten en hagen geplant die bijdrage aan de wateropgave.
De groene invulling van het perceel voorkomt hittestress rondom het gebouw, bevorderd de biodiversiteit en draagt bij aan de kwaliteit van bedrijventerrein Doornkade. Naast duurzame energie en mobiliteit wordt er ook vol ingezet op biodiversiteit rondom het gebouw. Door realiseren van een ecologische tuin, het plaatsen van insectenhotels wordt de lokale biodiversiteit gestimuleerd. Duurzaamheid In de huidige situatie betreft het een verouderd bedrijfspand dat qua energieprestatie en bouwtechnische staat niet voldoet aan de duurzaamheidseisen van deze tijd. Het bestaande pand is matig tot slecht geïsoleerd en maakt gebruik van verouderde installaties voor verwarming en ventilatie, wat resulteert in een relatief hoog energieverbruik en een beperkte milieuprestatie. Bij de herontwikkeling wordt een nieuw bedrijfspand gerealiseerd dat wél voldoet aan de actuele eisen op het gebied van duurzaam bouwen, energiezuinigheid en milieubelasting. Het pand wordt voorzien van hoogwaardige isolatie (conform of
11
beter dan de eisen uit het Bouwbesluit), een energiezuinig verwarmingssysteem (bijvoorbeeld een warmtepomp of aansluiting op een duurzaam collectief systeem), en mogelijk aanvullende maatregelen zoals zonnepanelen of groene dakbedekking. Door de sloop van het bestaande pand en de realisatie van een nieuw gebouw ontstaat een aanzienlijke verbetering van de energieprestatie en beperking van de milieubelasting. Het buitenterrein zal worden voorzien van e-mobility voorzieningen. Bezoekers en personeel kunnen gebruik maken van elektrische laadpunten. Zo wordt er ingezet op emissievrij vervoer. De nieuwbouw zal worden voorzien van zonnepanelen waardoor er groene stroom wordt opgewekt voor dit gebouw. Door het gebruik van een energie opslag systeem kan energie worden opgeslagen. Relatie met de omgeving Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur van bedrijventerrein Doornkade. De kavel maakt onderdeel uit van het bestaande rechthoekige grid, met een heldere verkaveling en een mix van vrijstaande en geschakelde bedrijfsbebouwing. De positionering van het gebouw sluit aan bij de bestaande rooilijnen, de bouwhoogte is in lijn met omliggende panden (1 tot 3 bouwlagen), en het programma past binnen de functionele opzet van het terrein (tot en met categorie 4 bedrijfsactiviteiten).
Zo blijft de visuele eenheid en ruimtelijke kwaliteit van Doornkade behouden en wordt het nieuwe pand op zorgvuldige wijze ingepast in het bestaande bedrijventerrein.
12
3. Beleidskader De wetgeving in Nederland gaat ervanuit dat er bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met het beleid van hogere overheden, vooral daar waar het regionale belangen betreft. Een afwijking van dit beleid moet duidelijk gemotiveerd worden. In dit hoofdstuk wordt dan ook ingegaan op relevant rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Algemeen De Nationale Omgevingsvisie, NOVI, is op 11 september 2020 vastgesteld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met de NOVI wordt beoogd een perspectief te bieden om grote opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit, een combinatie van ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit, het kernbegrip Afwegingsprincipes en Uitvoeringsagenda NOVI De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Centraal bij de afweging van diverse belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond, zogenaamd ‘omgevingsinclusief’ beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan de eigen rol bij de uitvoering van de NOVI.
In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma’s op verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda wordt, indien nodig, jaarlijks geactualiseerd. 3.1.2 Algemene rijksregels (AMvB’s) De algemene rijksregels zijn landelijke regels die rechtstreeks gelden voor burgers, bedrijven en overheden onder de Omgevingswet. Ze zijn vastgelegd in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Deze regels bepalen wat je wel of niet mag doen in de fysieke leefomgeving en onder welke voorwaarden. Overzicht van de vier AMvB’s met algemene rijksregels: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); Omgevingsbesluit. 3.1.2.1 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een van de vier kerninstrumenten van de Omgevingswet, en regelt welke activiteiten in de fysieke leefomgeving zijn toegestaan en onder welke voorwaarden. Het Bal bevat regels voor milieubelastende activiteiten, lozingen, gebruik van stoffen, en activiteiten die invloed hebben op bodem, lucht, water, natuur en gezondheid. 3.1.2.2 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat landelijke regels voor het bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken.
Het stelt technische eisen aan veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid
13
van gebouwen. Ook bevat het regels over het gebruik van bouwwerken, zoals brandveiligheid en het voorkomen van overlast. Het Bbl vervangt onder andere het oude Bouwbesluit 2012 en geldt direct voor burgers, bedrijven en overheden. 3.1.2.3 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Rijk geeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit en de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Overzicht instructieregels van het Rijk over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties: 1.
2.
3.
4.
5.
Veiligheid a. Risicobronnen in het omgevingsplan b. Belemmeringengebied buisleidingen met gevaarlijke stoffen c. Vuurwerk d. Explosieven e. Seveso-inrichtingen Waterbelangen a. Primaire waterkeringen b. Waterveiligheid kust c. Waterveiligheid grote rivieren d. IJsselmeergebied Gezondheid en milieu a. Luchtkwaliteit en omgevingsplan b. Geluid en omgevingsplan c. Trillingen en omgevingsplan d. Slagschaduw windturbines e. Geur en omgevingsplan f. Bodemkwaliteit en omgevingsplan Ruimte toekomstige functies a. Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen b. Buisleidingen van nationaal belang c. Mainportontwikkeling Rotterdam d. Parallelle Kaagbaan Landschappelijke en stedenbouwkundige waarde en erfgoed a. Vrije horizon kust
14
6.
7.
b. Waddenzee en Waddengebied c. Ladder voor duurzame verstedelijking d. Erfgoed in het omgevingsplan Behoeden staat en werking infrastructuur en voorzieningen a. Landsverdediging b. Elektriciteitsvoorziening c. Doorvaart rijksvaarwegen d. Burgerluchtvaart e. Landelijke fiets- en wandelroutes Andere onderwerpen fysieke leefomgeving a. Dienstenrichtlijn b. Toegankelijkheid openbare buitenruimte c. Aanwijzing categorieën woningbouw
3.1.2.4 Omgevingsbesluit Het Omgevingsbesluit regelt de algemene procedures en bepalingen van de Omgevingswet. Het bevat regels over vergunningprocedures, participatie, meldingsplichten, adviesvereisten en toezicht. Ook staan in het besluit bepalingen over de bevoegdheden van bestuursorganen en de wijze waarop omgevingswaarden en instructieregels worden toegepast. Het Omgevingsbesluit vormt daarmee het procesmatige kader voor het uitvoeren van de Omgevingswet. 3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. De afstand tussen de perceelsgrens en het nieuw te bouwen pand bedraagt 1 meter. Dit is in strijd met de bouwregels van het omgevingsplan. -
-
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoering van dit initiatief.
Concluderend wordt gesteld dat, gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, het plan niet in strijd is met het rijksbeleid.
15
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht schetst de toekomst van de provincie tot 2050, met als doel een gezonde, duurzame en leefbare omgeving. De visie is op 1 april 2021 in werking getreden en richt zich op het slim combineren en concentreren van functies binnen de beperkte ruimte van de provincie. De kernprincipes zijn: Slim combineren: Meervoudig gebruik van ruimte, zoals het combineren van dijkversterking met recreatie en natuurontwikkeling. Concentreren: Nieuwe woningen en voorzieningen worden voornamelijk gebouwd nabij bestaande infrastructuur, zoals stations en dorpskernen, om bereikbaarheid en leefbaarheid te bevorderen. De visie is uitgewerkt in zeven thema's: 1. Stad en land gezond: Bevorderen van een gezonde leefomgeving door integratie van groen en infrastructuur; 2. Klimaatbestendig en waterrobuust: Aanpassen aan klimaatverandering door waterbeheer en vergroening 3. Duurzame energie: Stimuleren van hernieuwbare energiebronnen en energiebesparing. 4. Vitale steden en dorpen: Versterken van de leefbaarheid en economische kracht van stedelijke en landelijke gebieden. 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar: Verbeteren van mobiliteit met aandacht voor duurzaamheid en veiligheid. 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur: Behoud en versterking van landschappelijke en culturele waarden. 7.
Toekomstbestendige natuur en landbouw: Duurzaam beheer van natuurgebieden en landbouwpraktijken. 3.2.2 Omgevingsverordening Utrecht De Omgevingsverordening provincie Utrecht is op 1 januari 2024 in werking getreden, gelijktijdig met de landelijke Omgevingswet. Deze verordening vervangt eerdere regelingen en bevat de juridische uitwerking van de ambities uit de Omgevingsvisie. Ze stelt regels voor de fysieke leefomgeving, zoals natuur, water, energie, mobiliteit, landbouw en ruimtelijke ordening. De verordening bevat zowel instructieregels voor gemeenten en waterschappen als direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie actualiseert de verordening regelmatig om deze actueel te houden. Voor het plangebied zijn o.a. de gebiedsaanwijzingen ‘Stedelijk gebied’, ‘Detailhandel buiten bestaand winkelgebied’, ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ en ‘Landschap Rivierenland’ van toepassing. 3.2.2 Toetsing initiatief aan het provinciaal beleid De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten zoals die verwoord zijn in het provinciaal beleid, omdat: In de toekomstige situatie blijft het gebruik van het perceel aan de Peppelkade 7 in Houten ongewijzigd. Het perceel blijft dienen als bedrijventerrein.
Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur van bedrijventerrein Doornkade. De kavel maakt onderdeel uit van het bestaande rechthoekige grid, met een heldere verkaveling en een mix van vrijstaande en geschakelde bedrijfsbebouwing. De positionering van het gebouw sluit aan bij de bestaande rooilijnen, de bouwhoogte is in lijn met omliggende panden (1 tot 3 bouwlagen), en het programma past binnen de functionele opzet van het terrein (tot en met categorie 4 bedrijfsactiviteiten). Zo blijft de visuele eenheid en ruimtelijke kwaliteit van Doornkade behouden en wordt het nieuwe pand op zorgvuldige wijze ingepast in het bestaande bedrijventerrein. Het plangebied zal voorzien worden van een groene rand met diverse soorten beplanting. Er worden geen bomen gekapt of bestaande groen verwijderd. De stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van dit gebied blijven intact.
16
-
-
-
De groene invulling van het perceel is belangrijk voor een klimaatbestendig kavel (zie bijlage 1 van deze onderbouwing). Met grastegels wordt er voor gezorgd dat regenwater kan infiltreren. Over het gehele terrein worden planten en hagen geplant die bijdrage aan de wateropgave. De groene invulling van het perceel voorkomt hittestress rondom het gebouw, bevorderd de biodiversiteit en draagt bij aan de kwaliteit van bedrijventerrein Doornkade. Naast duurzame energie en mobiliteit wordt er ook vol ingezet op biodiversiteit rondom het gebouw. Door realiseren van een ecologische tuin, het plaatsen van insectenhotels wordt de lokale biodiversiteit gestimuleerd. Het buitenterrein zal worden voorzien van e-mobility voorzieningen. Bezoekers en personeel kunnen gebruik maken van elektrische laadpunten. Zo wordt er ingezet op emissievrij vervoer. De nieuwbouw zal worden voorzien van zonnepanelen waardoor er groene stroom wordt opgewekt voor dit gebouw. Door het gebruik van een energie opslag systeem kan energie worden opgeslagen. De projectlocatie is gelegen op circa 11,7 km van Natura-2000 gebied Oostelijke vechtplassen. In april 2025 is er een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 2 van deze onderbouwing). Uit de berekeningen is gebleken dat er zowel de tijdens aanleg- als gebruiksfase geen significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden.
Beide situaties genereren geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr op omliggende Natura 2000-gebieden. De voorgenomen nieuwbouw vormt daarmee geen bedreiging voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Er is daarom met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning in het kader van Wet natuurbescherming (Wnb) benodigd.
Het provinciaal beleid staat de planontwikkeling niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie en de omgevingsverordening Utrecht.
17
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Toekomstvisie Houten 2025 De toekomstvisie proeftuin Houten 2025 is op 9 juni 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten. In deze visie wordt een koers voor Houten in 2025 vastgelegd. Houten is in 2025 duurzaam, innovatief en kleinschalig. Met oog voor elkaar, veel ruimte voor experiment en initiatief bij inwoners. Vijf principes staan centraal om houvast te geven en weg te wijzen naar de toekomst: 1. We stellen de mens centraal Met 50.000 inwoners heeft Houten een schaal bereikt waar mensen elkaar kennen en herkennen. Houten kiest daarom niet voor een nieuwe groeitaak. Er is nog wel plek voor nieuwe woningen, ook in de kleine kernen, maar de bouwlocaties zijn kleinschalig. 2. We waarderen verschillen De samenstelling van de bevolking is in 2025 een stuk gevarieerder, waarbij Houten een tolerante, inclusieve samenleving is waar plek is voor jongeren, ouderen, autochtonen en allochtonen, hoger en lager opgeleiden. 3. We zijn zuinig op onze omgeving In 2025 is Houten een circulaire stad. Een stad 'in balans' is goed voor het leefklimaat van bewoners, voor de gezondheid, voor de omringende natuur en voor de toekomstige generaties. Technische innovaties worden omarmd waardoor Houten in 2025 stiller, schoner en klimaatvriendelijker is. 4.
We bouwen voort op ons ruimtelijk DNA Het ruimtelijk DNA van Houten is robuust en toekomstbestendig; de groenzones, het fietspadenstelsel, de rondweg van Houten, de centrumgebieden, de weidse buitengebieden en de cultuurhistorische schatten onder en boven de grond. Al deze elementen dragen bij aan een Houten waar het ontspannen wonen, werken en leven is. 5. We zijn actief in de regio Houten maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het stedelijk gebied in en rond Utrecht. Tegelijkertijd ligt Houten in de rust en ruimte van het Eiland van Schalkwijk, de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Enerzijds is sprake van gezamenlijke opgaven rond economie, mobiliteit, wonen, zorg en duurzaamheid (stedelijke oriëntatie). Anderzijds is er een ruimtelijke oriëntatie op het Kromme Rijngebied en de Lekstroom waarbij vraagstukken over natuur- en waterbeheer, recreatie, plattelandsontwikkeling en cultuurhistorie centraal staan. Houten is in 2025 een plek waar mensen zich vrij voelen om te ondernemen en te pionieren in de omvang met veranderingen die op ons afkomen: Houten als Proeftuin van de regio. 3.3.2 Nota Parkeernormen Houten 2021 In de Parkeervisie Houten 2021 zijn verschillende instrumenten benoemd die op parkeergebied beschikbaar zijn. Een van die instrumenten is het realiseren van voldoende parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Nota Parkeernormen is een nadere uitwerking van dit instrument naar een toetsingskader, dat zorg moet dragen voor een evenwichtige balans in de vraag naar en het aanbod van parkeerplaatsen. De Nota Parkeernormen is van toepassing bij nieuw- en verbouwplannen (ruimtelijke ontwikkelingen) waarvoor een bestemmingsplanwijziging of omgevingsvergunning verplicht is. Wanneer een bestemmingsplanwijziging of omgevingsvergunning wordt aangevraagd, toetst de gemeente Houten of in het plan voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets is voorzien conform de Nota Parkeernormen. De gemeente Houten wil zo efficiënt mogelijk omgaan met de schaarse publieke ruimte en tegelijkertijd bijdragen aan de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit in Houten. Het uitgangspunt is daarom dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Parkeeroverlast in de omgeving als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voorkomen. Houten sorteert daarbij voor op een duurzame toekomst, onder andere door het stellen van fietsparkeernormen en kwaliteitseisen aan fietsvoorzieningen. Door te borgen dat aan het begin en het einde van verplaatsingen per fiets de parkeervoorzieningen goed op orde zijn, is en blijft de fiets een goed alternatief voor de auto.
18
3.3.3 Visie groen en biodiversiteit Houten Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Houten de 'Visie groen en biodiversiteit Houten' vastgesteld. De gemeente Houten wil zich maximaal inzetten voor het vergroten en verbeteren van de biodiversiteit en wil daarbij ook de sociale functie die groen vervult versterken. In de visie is aangegeven welke doelen de gemeente nastreeft voor groen en biodiversiteit en op welke thema's de gemeente wil inzetten in de periode 2020-2040 om dit te bereiken. Door maatregelen te treffen om meer, beter en verbonden groen te realiseren, zullen doelsoorten beter gaan floreren, zorgt dat voor een grotere biodiversiteit. Deze maatregelen zijn opgedeeld in de volgende onderdelen: Meer groen (en natuur) Beter groen Verbonden groen 3.3.4 Klimaatplan gemeente Houten Op 5 juli 2016 heeft de gemeenteraad met grote meerderheid het nieuwe Programma Duurzaam Houten 2016-2018 goedgekeurd. Dit programma is gedateerd geraakt en wordt vervangen door een nieuw Klimaatplan. Het Klimaatplan valt uiteen in drie onderdelen Te weten het Energieplan, klimaatadaptatieplan en het Actieplan Circulaire economie. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Houten het Energieplan 2020-2025 vastgesteld. Dit plan gaat in op de kansen en behoeftes van de Houtense samenleving.
De focus ligt op het ontwikkelen van voldoende draagvlak voor de grote veranderingen die nog op ons af gaan komen. Door het organiseren van een goede samenwerking met de (vrijwilligers) organisaties in Houten, die energie-activiteiten uitvoeren, kan een versnelling tot stand gebracht worden. Met de vaststelling van dit Energieplan is het eerste deel van het Klimaatplan gereed. Het energieplan spreekt de ambitie uit Houten in 2040 energieneutraal te krijgen. Ingezet wordt op meer zonnedaken en zonnepanelen. Daarnaast worden extra zonnevelden voorzien in een extra windpark. 3.3.6 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid. De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten zoals die verwoord zijn in het provinciaal beleid, omdat: Het gemeentelijk beleid is gericht op intensiever ruimtegebruik binnen bestaande bedrijventerreinen. De voorgestelde ontwikkeling draagt hieraan bij doordat efficiënter gebruik wordt gemaakt van de beschikbare kavel, waarmee bedrijvigheid in staat wordt gesteld te groeien op een duurzame en toekomstbestendige manier, binnen de bestaande stedelijke contouren.
De situering van het nieuwe pand draagt bij aan: o Een doelmatig ruimtegebruik binnen een bestaand stedelijk gebied; o Versterking van de lokale economie, door het faciliteren van bedrijfsruimte; o Behoud van landschappelijke open ruimte, doordat de ontwikkeling binnen het bestaande bedrijventerrein plaatsvindt en geen uitbreiding naar het buitengebied betreft. In de toekomstige situatie blijft het gebruik van het perceel aan de Peppelkade 7 in Houten ongewijzigd. Het perceel blijft dienen als bedrijventerrein. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur van bedrijventerrein Doornkade. De kavel maakt onderdeel uit van het bestaande rechthoekige grid, met een heldere verkaveling en een mix van vrijstaande en geschakelde bedrijfsbebouwing. De positionering van het gebouw sluit aan bij de bestaande rooilijnen, de bouwhoogte is in lijn met omliggende panden (1 tot 3 bouwlagen), en het programma past binnen de functionele opzet van het terrein (tot en met categorie 4 bedrijfsactiviteiten). Zo blijft de visuele eenheid en ruimtelijke kwaliteit van Doornkade behouden en wordt het nieuwe pand op zorgvuldige wijze ingepast in het bestaande bedrijventerrein. Het plangebied zal voorzien worden van een groene rand met diverse soorten beplanting. Er worden geen bomen gekapt of bestaande groen verwijderd.
De stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van dit gebied blijven intact.
19
-
-
-
-
-
De groene invulling van het perceel is belangrijk voor een klimaatbestendig kavel (zie bijlage 1 van deze onderbouwing). Met grastegels wordt er voor gezorgd dat regenwater kan infiltreren. Over het gehele terrein worden planten en hagen geplant die bijdrage aan de wateropgave. De groene invulling van het perceel voorkomt hittestress rondom het gebouw, bevorderd de biodiversiteit en draagt bij aan de kwaliteit van bedrijventerrein Doornkade. Naast duurzame energie en mobiliteit wordt er ook vol ingezet op biodiversiteit rondom het gebouw. Door realiseren van een ecologische tuin, het plaatsen van insectenhotels wordt de lokale biodiversiteit gestimuleerd. In de huidige situatie betreft het een verouderd bedrijfspand dat qua energieprestatie en bouwtechnische staat niet voldoet aan de duurzaamheidseisen van deze tijd. Het bestaande pand is matig tot slecht geïsoleerd en maakt gebruik van verouderde installaties voor verwarming en ventilatie, wat resulteert in een relatief hoog energieverbruik en een beperkte milieuprestatie. Bij de herontwikkeling wordt een nieuw bedrijfspand gerealiseerd dat wél voldoet aan de actuele eisen op het gebied van duurzaam bouwen, energiezuinigheid en milieubelasting.
Het pand wordt voorzien van hoogwaardige isolatie (conform of beter dan de eisen uit het Bouwbesluit), een energiezuinig verwarmingssysteem (bijvoorbeeld een warmtepomp of aansluiting op een duurzaam collectief systeem), en mogelijk aanvullende maatregelen zoals zonnepanelen of groene dakbedekking. Door de sloop van het bestaande pand en de realisatie van een nieuw gebouw ontstaat een aanzienlijke verbetering van de energieprestatie en beperking van de milieubelasting. Het buitenterrein zal worden voorzien van e-mobility voorzieningen. Bezoekers en personeel kunnen gebruik maken van elektrische laadpunten. Zo wordt er ingezet op emissievrij vervoer. De nieuwbouw zal worden voorzien van zonnepanelen waardoor er groene stroom wordt opgewekt voor dit gebouw. Door het gebruik van een energie opslag systeem kan energie worden opgeslagen. De projectlocatie is gelegen op circa 11,7 km van Natura-2000 gebied Oostelijke vechtplassen. In april 2025 is er een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 2 van deze onderbouwing). Uit de berekeningen is gebleken dat er zowel de tijdens aanleg- als gebruiksfase geen significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden. Beide situaties genereren geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr op omliggende Natura 2000-gebieden.
De voorgenomen nieuwbouw vormt daarmee geen bedreiging voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Er is daarom met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning in het kader van Wet natuurbescherming (Wnb) benodigd. In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving (zoals externe veiligheid, geluid en stikstof) en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoering van dit initiatief. Het parkeren vindt plaats rondom het gebouw op eigen terrein. Er zijn 31 autoparkeerplaatsen en 30 fietsparkeerplaatsen aanwezig in het plangebied. Het plan voldoet daarmee aan de gemeentelijke parkeernormen.
Het gemeentelijk beleid staat de planontwikkeling niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in de gemeentelijke beleidsstukken.
20
4. Effecten voor de fysieke leefomgeving Een ruimtelijke ontwikkeling kan gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu, voor cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden, de waterhuishouding en andere waarden. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
4.1
Cultureel erfgoed
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Aangezien de aspecten landschap, stedenbouw en cultureel erfgoed vaak met elkaar verwezen zijn worden deze aspecten ook behandeld in dit hoofdstuk. 4.1.1 Wettelijk kader De zorg voor ons erfgoed is erop gericht zoveel mogelijk in de bodem te bewaren voor het nageslacht: behoud ‘in situ’. Wie iets met de bodem wil, een "verstoorder", is verplicht de schade aan het erfgoed zoveel mogelijk te beperken. Dit streven naar behoud komt voort uit het Verdrag van Malta dat met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in 2007 in onze wetgeving geïmplementeerd is. Sinds 1 juli 2016 is een deel van de omgang met archeologisch erfgoed geregeld in de Erfgoedwet (de Monumentenwet trad uit werking). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet toen deze in werking trad op 1 januari 2024. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. 4.1.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Archeologie Voor het plangebied is het omgevingsplan gemeente Houten van toepassing. Er geldt geen archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
21
Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen beschermde rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur van bedrijventerrein Doornkade. De kavel maakt onderdeel uit van het bestaande rechthoekige grid, met een heldere verkaveling en een mix van vrijstaande en geschakelde bedrijfsbebouwing. De positionering van het gebouw sluit aan bij de bestaande rooilijnen, de bouwhoogte is in lijn met omliggende panden (1 tot 3 bouwlagen), en het programma past binnen de functionele opzet van het terrein (tot en met categorie 4 bedrijfsactiviteiten). Zo blijft de visuele eenheid en ruimtelijke kwaliteit van Doornkade behouden en wordt het nieuwe pand op zorgvuldige wijze ingepast in het bestaande bedrijventerrein. Het plangebied zal voorzien worden van een groene rand met diverse soorten beplanting. Er worden geen bomen gekapt of bestaande groen verwijderd. De stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van dit gebied blijven intact. 4.1.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect cultureel erfgoed, nader onderzoek op het gebied van cultureel erfgoed is daarom ook niet nodig.
22
4.2
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 4.2.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en faunaactiviteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Voor o.a. reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen, geldt de volgende vrijstellingsregeling:
23
-
een algemene vrijstelling voor algemene soorten; een vrijstelling voor beschermde soorten en vogels op voorwaarden, dat gehandeld wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode.
Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Houtopstanden Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime bevat de Omgevingswet ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden. Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 ha of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. 4.2.2 Onderzoek plangebied De initiatiefnemer is eigenaar van kadastraal perceel HTN04-E-4097 en heeft het voornemen om het bestaande bedrijfspand te slopen en een nieuw bedrijfspand te bouwen. Soortenbescherming De ‘Beschermde SoortenIndicator (BeSI)’ is daarvoor geraadpleegd. BeSI vraagt de gebruiker om een locatie en een (voorgenomen) werkzaamheid in te voeren. Vervolgens bepaalt BeSI welke beschermde plant- en diersoorten mogelijk aanwezig zijn en wat de verwachte effecten van de (voorgenomen) werkzaamheid op deze soorten zijn.
Van de uitkomsten ontvangt de gebruiker een rapport met daarin onder andere de mogelijk aanwezige beschermde soorten, een beschrijving van de leefgebieden en een beknopt advies hoe met deze soorten rekening te houden (zie bijlage 3 van deze onderbouwing). Voor de werkzaamheden in het plangebied zijn mogelijk nadelige effecten voor beschermde plant- en diersoorten gerapporteerd: huismus, vleermuizen, bunzing, haas, konijn, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Hoewel BeSI een aantal soorten noemt die theoretisch in de omgeving zouden kunnen voorkomen, is het van belang te benadrukken dat BeSI op basis van generieke verspreidingsgegevens werkt en niet op daadwerkelijke waarnemingen in het plangebied zelf. Een nadere toetsing van de feitelijke situatie ter plaatse leert dat het plangebied volledig is verhard (100% verhard oppervlak), geen groenstructuren of vegetatie bevat, en daarmee geen geschikt leefgebied vormt voor de genoemde soorten. Daarnaast is het plangebied gelegen op een bestaand bedrijventerrein met een hoge mate van verstoring, wat het onaantrekkelijk maakt als leef- of foerageergebied voor beschermde flora en fauna. Gezien de aard en inrichting van het terrein – namelijk een volledig verhard, intensief gebruikt terrein zonder vegetatie, watergangen of schuilmogelijkheden – is het ecologisch potentieel van het gebied verwaarloosbaar.
Daarmee is de kans op aanwezigheid van de genoemde soorten nihil. Er is dan ook geen ecologische aanleiding om aanvullend onderzoek uit te voeren Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen het Nederlands natuurnetwerk (NNN) of Natura 2000 gebied. De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Stikstof De projectlocatie is gelegen op circa 11,7 km van Natura-2000 gebied Oostelijke vechtplassen. In april 2025 is er een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 2 van deze onderbouwing). Uit de berekeningen is gebleken dat er zowel de tijdens aanleg- als gebruiksfase geen significante negatieve effecten op
24
Natura 2000-gebieden optreden. Beide situaties genereren geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr op omliggende Natura 2000-gebieden. De voorgenomen nieuwbouw vormt daarmee geen bedreiging voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Er is daarom met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning in het kader van Wet natuurbescherming (Wnb) benodigd Zorgplicht In art. 11.27 van het Bal, is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Dit is vergelijkbaar met de algemene zorgplicht uit de Wnb. Het houdt in dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht passende maatregelen neemt om schade aan van nature in het wild voorkomende soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit omvat alle soorten, inclusief de vrijgestelde. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen.
Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 julihuismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maar tot 15 juli en huismus van 15 maart tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht.