CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Onderdeel bouwen en Beperkte Milieutoets LBP SIGHT versie 11_001_compressed.pdf

Gemeenteraad 22 september 2022, gemeente HoutenBij agendapunt: Windpark Goyerbrug Ontwerp vergunning en Verklaring van geen bedenkingen26.673 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

31

Turbine 1 2 3 4 Totaal

Verwachte slagschaduw 135:25 166:24 123:59 72:29 498:17

Tabel 3.16 Verwachte slagschaduw in uren en minuten veroorzaakt door de individuele turbines [uu:mm] Uit de resultaten blijkt dat de meeste woningen, zonder mitigatie, maximaal tussen de 20 en 30 minuten slagschaduw per dag kunnen ontvangen. Hierbij wordt opgemerkt dat hier niet het aantal dagen met deze slagschaduwduur is opgegeven. Alleen het hoogste aantal minuten op een enkele dag in het jaar is bepaald.

Slagschaduwduur per dag Aantal woningen

totaal 164

>30 min 38

>20 - 30 min. >10 - 20 min. 0 - 10 min. 110 13 3

Tabel 3.17 Maximale slagschaduw op een individuele dag – zonder mitigatie Effecten slagschaduwmitigatie De effecten van een lagere slagschaduwduur zijn bepaald door een maximum aantal slagschaduwuren te hanteren ter plaatse van de gevoelige objecten binnen het effectgebied. Hierbij is uitgegaan van de maximale verwachte slagschaduwuren (0 – 30 uren netto slagschaduw per jaar met een maximum van 20 minuten per dag). De resultaten bij verschillende mitigatieplannen en de afname in verwachte slagschaduw zijn weergegeven in tabellen 3.18 en 3.19.

Tabel 3.18 Verwachte uren bij woningen bij verschillende mitigatieplannen (u/j = uur per jaar, m/d is minuten per dag)

Tabel 3.19 Afname verwachte slagschaduw in uren bij de woningen (u/j = uur per jaar, m/d is minuten per dag) Effecten slagschaduwmitigatie bij specifieke woning

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

32

Voor twee specifieke woningen is onderzocht wat deze slagschaduwmitigatie precies betekent. Dit betreffen de volgende woningen: -

Nachtdijk 25. Deze woning ligt ten noorden van turbine 1.

-

Beusichemseweg 69. Deze woning ligt ten zuiden van turbine 2 en ten zuidwesten van turbine 3.

Deze woningen zijn geselecteerd vanwege het verschil in ligging en derhalve andere momenten waarop slagschaduw op deze woningen veroorzaakt wordt. De woning aan de Nachtdijk krijgt vooral slagschaduw in de herfst- en wintermaanden. De woning aan de Beusichemseweg krijgt vooral slagschaduw in de lente- en zomermaanden. Doel van de berekeningen is het effect van mitigatie weergeven. Voor het bepalen van de mitigatie is gebruik gemaakt van de specifieke slagschaduwkalender bij deze woningen. In deze kalender zijn de dagen opgenomen waarop slagschaduw in potentie kan optreden (de bruto slagschaduw). Hierop zijn de mitigatieplannen toegepast: -

Met een maximum van 20 minuten slagschaduw per dag.

-

Met een maximum van de opgegeven aantallen slagschaduwuren per jaar (netto slagschaduwuren8).

-

Telling vanaf januari. Vanaf januari is de verwachte slagschaduw opgeteld.

In tabellen 3.20 en 3.21 is een samenvatting gegeven van mitigatie bij deze woningen. In de tabel zijn de bruto en netto uren gegeven voor de situatie zonder mitigatie, met alleen mitigatie naar maximaal 20 min. per dag en mitigatie conform de uren zoals eerder genoemd (2 – 30 uren slagschaduw). ID: 3997MR25 Resultaten [uu:mm] Zonder 20 min. p.d. 30 uren Bruto slagschaduw 300:35 52:48 52:48 Netto slagschaduw* 54:30 9:28 9:28 Dagen >20 min. 153 0 0

20 uren 52:48 9:28 0

14 uren 52:48 9:28 0

Mitigatie 10 uren 52:48 9:28 0

8 uren 42:14 8:02 0

6 uren 32:14 6:00 0

4 uren 23:14 4:01 0

2 uren 13:14 2:03 0

0 uren 0:00 0:00 0

Tabel 3.20 Samenvatting resultaten mitigatie bij Nachtdijk 25. De kleine “overschrijdingen” in minuten zijn het gevolg van de wijze van berekening. In werkelijkheid zal een computer tot op de minuut nauwkeurig de slagschaduwtijden bijhouden bij een eventuele stilstand. ID: 3998NL69 Resultaten [uu:mm] Zonder 20 min. p.d. 30 uren Bruto slagschaduw 157:59 56:03 56:03 Netto slagschaduw* 37:36 13:01 13:01 Dagen >20 min. 160 0 0

20 uren 56:03 13:01 0

14 uren 56:03 13:01 0

Mitigatie 10 uren 43:01 10:04 0

8 uren 34:41 8:03 0

6 uren 26:01 6:02 0

4 uren 17:41 4:03 0

2 uren 9:41 2:03 0

0 uren 0:00 0:00 0

Tabel 3.21 Samenvatting resultaten mitigatie bij Beusichemseweg 69.

8

Dit betreft dus de slagschaduw die overblijft na correcties voor zonneschijn, stilstand en windrichting.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

33

Uit de tabellen blijkt het volgende: -

Zonder mitigatie zijn er respectievelijk mogelijk 153 en 160 dagen met meer dan 20 minuten slagschaduw. Dit wordt gemitigeerd door een maximum van 20 minuten per dag in te stellen.

-

Een mitigatie van maximaal 20 minuten slagschaduw per dag heeft reeds een enorm effect op de netto te ontvangen slagschaduw (in de weergegeven voorbeelden scheelt deze maatregel respectievelijk mogelijk 83% en 65%).

-

Na mitigatie tot een maximum van 20 minuten slagschaduw per dag is de netto slagschaduw bij deze woningen respectievelijk circa 9,5 uur en circa 13 uur. Dit is dus sterk afhankelijk van de ligging van de woningen ten opzichte van de turbines.

Naast de berekening en beoordeling van slagschaduw bij woningen is ook het effect op andere objecten onderzocht, zoals kantoren en objecten met een gezondheid- en recreatiebestemming. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage XIII van het onderzoek. De objecten zijn gekozen door alle verblijfsobjecten van de BAG binnen 1910 m van een turbine te kiezen met als gebruiksdoel gezondheidszorgfunctie zonder langdurig verblijf (zoals ziekenhuizen), logiesfunctie, kantoorfunctie of bijeenkomstfunctie. De hoogst optredende verwachte schaduwduur bedraagt bijna 21 uur per jaar en treedt op bij Nachtdijk 3. Omdat dit geen gevoelige objecten zijn en het gebruik van deze objecten met toevoeging van de ongemitigeerde slagschaduw niet onevenredig wordt benadeeld, is dit aanvaardbaar. 3.7.1

Aangevraagde norm

Voor het aspect slagschaduw wordt een norm aangevraagd van ’’14 uren netto slagschaduw per jaar met een maximum van 20 minuten per dag, geldend op de lichtdoorlatende delen van de gevels van gevoelige objecten’’. In het kader van de normstelling heeft LBP|SIGHT een nadere onderbouwing opgesteld om aan te tonen dat de norm ‘’14 uren netto slagschaduw per jaar met een maximum van 20 minuten per dag’’ voor Windpark Goyerbrug ook een aanvaardbare norm is. Zie Bijlage 6b - Nadere onderbouwing gekozen windturbinenormen – LBP|SIGHT voor de volledige onderbouwing. Samenvattend kan gesteld worden dat er internationaal beperkt onderzoek beschikbaar naar de relatie tussen blootstellingsduur aan slagschaduw en de effecten hiervan op personen. In 2016 heeft Health Canada aanvullend onderzoek gedaan naar variabelen die de hoogte van de ervaren hinder beïnvloeden. Hieruit is gebleken dat wanneer de aaneengesloten blootstellingsduur van slagschaduw onder de 10 minuten is, de hinder beperkt is tot 3,8% van de blootgestelde personen. Tussen de 10 en 20 minuten neemt dit in beperkte mate toe tot 5,2%. Daarna neemt het aanzienlijk toe. Tussen 20 en 30 minuten is het 13,5%, en indien de blootstellingsduur meer dan 30 aaneengesloten minuten bedraagt, ervaart 21,1% van de personen ernstige hinder.

Dit betekent dat bij meer dan 20 minuten slagschaduw per dag, de mate van ernstige hinder aanzienlijk toeneemt. Bij een maximum van 20 minuten per dag kan dit tot een minimum beperkt worden.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

34

Om de effecten van de verschillende mitigerende maatregelen op de productie van duurzame energie in kaart te brengen is een opbrengstberekening uitgevoerd (zie bijlage 7 – Opbrengstberekening Windpark Goyerbrug – Blue Bear Energy). Hieruit is gebleken dat voor slagschaduw de norm ‘’14 uren netto slagschaduw per jaar met een maximum van 20 minuten per dag’’ een acceptabele norm is, waarbij de voordelen van de mitigerende maatregel nog in verhouding staan met het verlies aan productie van duurzame energie. Hierbij is reeds rekening gehouden met de Lden 47 dB norm voor geluid. Dit is de strengste norm die gehanteerd kan worden waarbij het windpark nog financieel uitvoerbaar is. Omdat mitigerende maatregelen in verband met geluid een groter effect hebben op de productieverliezen dan mitigerende maatregelen in verband met slagschaduw heeft het geen zin om voor slagschaduw nog beperkender normen te hanteren. Bij een Lden 47 dB norm voor geluid is daarom de ‘’14 uren netto slagschaduw per jaar met een maximum van 20 minuten per dag’’ norm de strengste norm die voor slagschaduw gehanteerd kan worden. Bij een beperkender norm wegen de productieverliezen aan duurzame energie niet langer op tegen de te behalen voordelen voor omwonenden en zal het windpark financieel niet uitvoerbaar zijn.

Door het opnemen van de norm dat er maximaal 14 uur netto slagschaduw per jaar plaatsvindt hebben de omwonenden de zekerheid dat ze in ieder geval niet meer dan deze norm aan slagschaduw kunnen ervaren. Dat is aanmerkelijk beperkender dan de norm die voorheen gold vanuit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. In die situatie was er sprake van maximaal 17 dagen waarop meer dan 20 minuten slagschaduw kon optreden, en alle overige dagen kon er minder dan 20 minuten slagschaduw optreden. Hierdoor kon de totale slagschaduwduur per jaar volgens deze norm aanzienlijk oplopen en in zijn algemeenheid potentieel meer kan bedragen dan de regulier gehanteerde 6 uur op jaarbasis. Op basis van het verrichte onderzoek naar de gevolgen van slagschaduwhinder op de omgeving en de impact van het treffen van mitigerende maatregelen ter voorkoming van die hinder, wordt voor dit windpark een projectspecifieke norm van maximaal 14 uur slagschaduw per jaar en maximaal 20 minuten per dag aangehouden. Daarmee wordt in ieder geval een grote mate van hinder voorkomen, aangezien met deze norm gemiddeld tenminste 746 uur minder slagschaduw op jaarbasis plaatsvindt ten opzichte van de ongemitigeerde situatie. Deze mitigatie gaat gepaard met een verlies van 660 MWh duurzame energie (meer dan 200 huishoudens elektrisch verbruik) op jaarbasis.

Met deze norm wordt in ieder geval ernstige hinder uitgesloten, zoals blijkt uit het aangehaalde Duitse onderzoek. Wel treedt enige mate van hinder op, maar dat is inherent aan het plaatsen van windturbines met slagschaduw. Een verdere reductie van de slagschaduwhinder is niet evenredig in verhouding met het daarmee gepaard gaande verlies van duurzame energie en opbrengstcapaciteit. Daarbij speelt mee dat uit het beschikbare wetenschappelijke onderzoek kan worden afgeleid dat een norm van 14 uur niet tot onaanvaardbare hinder leidt. In het kader van de te verrichten belangenafweging voor het stellen van de norm kan daarom voor een norm van maximaal 14 uur per jaar worden gekozen.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

35

Bij het stellen van een norm van maximaal 14 uur slagschaduw per jaar speelt bij dit project mee dat er met 16 van de 17 omliggende woningen afspraken zijn gemaakt, op basis waarvan de bewoners van deze woningen financieel baat hebben bij het windpark. Aangezien het voor de hinderbeleving uitmaakt of een bewoner baat heeft bij een windpark, vormen deze afspraken een aanvullende reden om de gestelde norm niet onaanvaardbaar te achten.

3.8

Externe veiligheid

Door LBP|SIGHT is een risicoanalyse uitgevoerd naar de risico’s voor nabijgelegen objecten en activiteiten als gevolg van de ontwikkeling (zie Bijlage 8a - Rapport externe veiligheid - LBP|SIGHT ). De resultaten hiervan zijn behandeld in onderstaande paragrafen. Voor berekeningen, definities, figuren en achtergronden wordt verwezen naar het onderzoek. Dat de normen uit het Activiteitenbesluit niet kunnen worden toegepast, doet in beginsel niets af aan de uitkomsten van het onderzoek. In het onderzoek is namelijk uitvoerig aansluiting gezocht met het Handboek Risicozonering Windturbines, het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt). In 2020 heeft er een actualisatie plaatsgevonden van het Handboek Risicozonering Windturbines. Daarbij is het handboek gesplitst in een Handreiking Risicozonering Windturbines v1.0 en een Handleiding Risicoberekeningen Windturbines (versie oktober 2019). LBP|SIGHT heeft per brief aangegeven dat met het oog op deze actualisatie, en ook het feit dat de normen uit het Activiteitenbesluit niet meer rechtstreeks toepasbaar zijn, de resultaten uit het onderzoek van 2019 nog steeds geldig zijn. Zie Bijlage 8b - Brief geldigheid rapport - LBP|SIGHT. In tabel 3.22 is weergegeven welke turbines onderzocht zijn met de bijbehorende rotordiameter en tiphoogte.

Verder is weergegeven wat per windturbinetype de bijbehorende maximale werpafstand, PR10-5-contour en PR10-6-contour is. Turbine

Rotordiameter Tiphoogte Maximale werpafstand (overtoeren)

PR10-5-contour (m) PR10-6-contour (m)

Vestas 136

136

217

494 meter

68

217

Vestas 150

150

241

492 meter

75

241

Nordex 131 131

211

520 meter

66

211

Nordex 149 149

239

529 meter

75

239

Senvion 140 140

230

391 meter

70

230

Senvion 148 148

239

454 meter

74

239

Tabel 3.22 Maximale werpafstanden (bij overtoeren) van de onderzochte windturbines

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

36

Onderzochte scenario’s Zoals in het wettelijk kader beschreven, worden de risico’s van windturbines gevormd door de volgende scenario’s: 1.

breuk van windturbineblad;

2.

omvallen van een windturbine door mastbreuk;

3.

naar beneden vallen van de gondel en/of rotor;

4.

het naar beneden vallen van kleine onderdelen (bouten, blad- en tipdelen, ijs).

In het onderzoek zijn alleen risico’s 1 en 2 nader onderzocht. Voor het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor (scenario 3) geldt dat incidenten alleen binnen een afstand van een bladlengte (enkele tientallen meters) vanaf de mast kunnen optreden. Aangezien binnen deze afstanden geen objecten en passanten voorkomen (en daarmee het risico per definitie is uitgesloten), blijft dit scenario in de berekeningen en beoordeling verder achterwege. Voor kleine onderdelen en ijsafwerping (scenario 4) is het risico dermate klein dat het PR hiervan verwaarloosbaar is (Handboek Risicozonering Windturbines, Bijlage C-38). Voor dit scenario zijn namelijk geen bijzondere omstandigheden aanwezig waardoor een aanvullend onderzoek nodig wordt geacht. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een bijzondere situatie als het gebied onder de rotor vrij toegankelijk is voor passanten of als lokale weersomstandigheden significant afwijken van het gemiddelde Nederlandse klimaat. Daarom wordt ook ‘ijsafwerping’ en ‘vallen van kleine onderdelen’ niet verder onderzocht. Invloedsgebied en maximale werpafstand Om het invloedsgebied van de windturbines met betrekking tot externe veiligheid te bepalen, wordt de maximale werpafstand van een turbineblad berekend. De maximale werpafstand is de afstand dat een turbineblad weggeworpen kan worden wanneer dit afbreekt.

In tabel 3.22 is weergegeven wat de maximale werpafstanden van de onderzochte windturbines zijn. De grootste werpafstand van alle onderzochte windturbines bij overtoerensituatie bedraagt 529 meter (Nordex 149). Onderzochte categorieën Volgens het Handboek Risicozonering Windturbines zijn nabijgelegen objecten in te delen is in één van de acht onderstaande hoofdcategorieën: 1. bebouwing; 2. wegen; 3. vaarwegen; 4. spoorwegen; 5. industrie; 6. buisleidingen; 7. hoogspanningsinfrastructuur; 8. dijklichamen en waterkeringen.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

37

In het onderzoek zijn alleen de categorieën bebouwing, wegen, vaarwegen en dijklichamen en waterkeringen nader onderzocht. De categorieën spoorwegen, industrie, buisleidingen en hoogspanningsinfrastructuur zijn niet verder onderzocht, omdat deze categorieën zich niet binnen de maximale werpafstand (529 meter) van de windturbines bevinden. 1. spoorwegen (op circa 3.325 meter afstand, in de Blokhovenpolder in Schalkwijk); 2. industrie (ammoniakkoelinstallatie op circa 1.250 meter afstand, Tuurdijk 43 in ’t Goy; géén Bevi-inrichting aanwezig binnen de maximale werpafstand); 3. buisleidingen (op circa 4.320 meter afstand, nabij Tunnelweg in Culemborg); 4. hoogspanningsinfrastructuur (op circa 7.550 meter afstand, nabij Rijnseweg in Bunnik). Bebouwing De maximale PR 10-5 contour ligt op 75 meter (zie tabel 3.22) en binnen deze contour zijn geen beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Zie figuur 3.9. De PR 10-6 contour ligt op 241 meter (zie tabel 3.22) en binnen deze contour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig. Zie figuur 3.10. Ter informatie, binnen de PR 10-6 contour (op 241 meter) zijn twee beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Deze onroerende zaken zijn onderdeel van de inrichting van Windpark Goyerbrug en worden niet als object voor externe veiligheid meegenomen. Zie het kader met nadere toelichting.

Figuur 3.9 PR 10-5-contour

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

38

Figuur 3.10 PR 10-6-contour Wegen De turbinebladen van de windturbines draaien niet over wegen heen. Zie figuur 3.11 tot en met 3.14.

Figuur 3.11 Situatietekening overdraai (inclusief locatie fundament en kadastrale grenzen) windturbine 1.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

39

Figuur 3.12 Situatietekening overdraai (inclusief locatie fundament en kadastrale grenzen) windturbine 2.

Figuur 3.13 Situatietekening overdraai (inclusief locatie fundament en kadastrale grenzen) windturbine 3.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

40

Figuur 3.14 Situatietekening overdraai (inclusief locatie fundament en kadastrale grenzen) windturbine 4. Voor het personenvervoer over de Zuwedijk en Kanaaldijk-Zuid is berekend wat het risico op ongevallen is tijdens bladbreuk (bij nominaal toerental en overtoeren) en mastbreuk. Dit wordt inzichtelijk gemaakt met het Individueel Passanten Risico (IPR) en Maatschappelijk Risico (MR). Zowel het IPR als het MR voor wegen voldoen ruim aan de normen. Het berekende IPR bedraagt 8,45.10-12 (de norm is 1.10-6). Het berekende MR bedraagt 1,54.10-5 (de norm is 2,0.10-3). Over de Zuwedijk en Kanaaldijk-Zuid, maar ook over andere wegen in de omgeving zoals de Beusichemseweg, Lekdijk, Kanaaldijk-Noord, Hoeksedijk en Goyerdijk, vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats en daarom is er geen sprake van risicotoename door plaatsing van de windturbines. Vaarwegen De turbinebladen van de windturbines draaien niet over de vaarwegen heen. Zie figuur 3.11 tot en met 3.14. Voor het personenvervoer over de vaarwegen (het Amsterdam-Rijnkanaal) geldt voor windturbines een minimale afstandseis van 50 meter uit de rand van de vaarweg. Aangezien de kortste afstand tot het Amsterdam-Rijnkanaal 105 meter bedraagt (bij turbine nummer 2), wordt voldaan aan de eis. Daarom hoeft het IPR en MR niet te worden berekend. Voor de volledigheid is dat in dit onderzoek wel gedaan.

Daaruit blijkt dat het IPR en MR veel lager zijn dan de norm en daarmee acceptabel. Het Amsterdam-Rijnkanaal is opgenomen in het aangewezen vaarwegennet voor gevaarlijke stoffen, het Basisnet Vaarwegen. Het kanaal ligt in het invloedgebied van de windturbines. Er moet daarom nagegaan worden dat de bijdrage aan de ongevalsfrequentie voor tankschepen acceptabel is voor wat betreft het plaatsgebonden risico en het groepsrisico als gevolg van ongevallen met

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

41

gevaarlijke stoffen. Dit gebeurt net als bij wegen aan de hand van ongevallen zoals bladbreuk (bij nominaal toerental en overtoeren) en mastbreuk. Uit de berekening blijkt dat de faalfrequentie met schepen toeneemt met 2,72%. Dat is minder dan de norm van 10% zoals die wordt genoemd in het Handboek Risicozonering Windturbines. De toename van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico als gevolg van de situatie met windturbines vormt geen belemmering. Verder wordt opgemerkt dat de turbines van het windpark niet tussen een walradar en het Amsterdam-Rijnkanaal of de Lek in staan. Het is daarmee uitgesloten dat het project een effect op de walradarposten heeft. Dit is tevens verduidelijkt door het feit dat Windpark Goyerbrug ruim voldoet aan de afstandseis van 50 meter uit de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken”. Hinder voor wal- en scheepsradarapparatuur en op visuele hinder voor schippers en bedieningspersoneel is hier in indirect beoordeeld. Aangezien de kortste afstand tot het Amsterdam-Rijnkanaal 105 meter bedraagt (bij turbine nummer 2), wordt voldaan aan de eis. Dijklichamen en waterwegen De windturbines zijn niet geplaatst in de primaire waterkering of in de beschermingszone. De turbines draaien ook niet over een dijklichaam of waterweg.

Daarom zijn er geen negatieve gevolgen voor de waterkerende functie van de primaire waterkering. Normstelling In het kader van de normstelling heeft AVIV een rapport opgesteld om aan te tonen dat de PR 10-5 en 10-6 normen voor Windpark Goyerbrug aanvaardbaar zijn (zie bijlage 8c – Onderzoek normstellend kader – AVIV). Het rapport is een uitwerking van de risicoanalyse van LBP|SIGHT en ook de normen en het groepsrisico worden beschouwd. Het doel van dit rapport is om het bevoegd gezag normen aan te reiken waaraan de veiligheid van windturbines voor de omgeving getoetst kan worden en te onderbouwen dat deze normen aanvaardbaar zijn. Hieronder is het rapport kort toegelicht. Het aspect dat nader onderzocht en onderbouwd dient te worden (omdat deze door het Nevelearrest niet meer zondermeer mag worden gebruikt om aan te toetsen) is het aspect bebouwing (zoals ook in de risicoanalyse van LBP|SIGHT is onderzocht). Omdat de oorsprong van de overige aspecten (Individueel Passanten Risico (IPR), het Maatschappelijk Risico (MR) en het Groepsrisico (GR)) niet volgt uit het Activiteitenbesluit of de Activiteitenregeling, staan deze aspecten niet ter discussie. Het invloedsgebied door werpafstanden volgt uit het Handboek, zodat ook uitgegaan mag worden van het invloedsgebied zoals bepaald door LBP|SIGHT.

De resultaten uit het rapport van LBP|SIGHT blijven voor de overige onderdelen dan ook geldig.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

42

Voor het bepalen van de externe veiligheidsrisico’s is uitgegaan van een fictieve worstcase turbine. Dat wil zeggen dat van verschillende type turbines de worstcase van de werpafstand en plaatsgebonden risicocontouren (PR) is gecombineerd. In dit geval is de fictieve worstcase turbine een samengestelde turbine bestaande uit de worst-case werpafstand (Nordex 149 met een werpafstand van 529 meter) en worst-case PR-contouren (Vestas 150 met een PR 10-6-contour van 241 meter). De fictieve worstcase turbine heeft verder een PR 10-5-contour van 75 meter. Om de risico’s breed inzichtelijk te maken zijn niet alleen de PR 10 -5 en 10-6 berekend, maar ook de PR 10-4 tot en met 10-9. Op deze manier heeft het bevoegd gezag een completer beeld van de risico’s van de windturbines in dit project waardoor een norm beter kan worden onderbouwd. In onderstaande tabel zijn de plaatsgebonden risicocontouren weergegeven. Opgemerkt wordt dat zowel bij de PR 10-5 als de PR 10-8 zijn twee afstanden af te leiden. Echter is het risico tussen de twee afstanden lager. Personen die zich bevinden tussen de twee afstanden worden dus blootgesteld aan een lager risico. Plaatsgebonden risico contour

Afstand (meter)

10

-4

7,5

10

-5

75 (en 193)

10

-6

193 (t/m 241)

10-7

241

10-8

241 (en 492)

10

n.v.t

-9

Tabel 3.23 Verschillende PR contouren van de fictieve worstcase turbine Om een beeld te krijgen van het aantal personen dat wordt blootgesteld aan een veiligheidsrisico van de windturbines zijn de verschillende risicocontouren rondom de turbines op een kaart weergegeven met daarbinnen objecten waar personen kunnen verblijven. Alle verblijfsruimten (dus ook stallen, opslagen en kantoren) zijn beschouwd. Zie onderstaand figuur.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

43

Figuur 3.15 Risicocontouren behorende bij de fictieve worstcase turbine (grootste contour is die van de maximale werpafstand, de kleinste die van de PR 10-4) en de verblijfsruimten (in oranje). In onderstaande tabellen is aangegeven wat het cumulatief aantal aanwezige personen binnen de risicocontouren bedraagt voor de dag- en nachtsituatie. Turbine

PR 10-4

PR 10-5

PR 10-6

PR 10-7

PR 10-8 (1)

PR 10-8 (2)

Werpafstand

7,5 meter

75 meter

241 meter

241 meter

241 meter

490 meter

529 meter

1

0

0

1,5 (1)

1,5 (1)

1,5 (1)

5,9 (4)

8,7 (5)

2

0

0

0

0

0

9,6 (5)

15,4 (9)

3

0

0

3,0 (1)

3,0 (1)

3,0 (1)

6,0 (3)

7,5 (4)

4

0

0

0

0

0

2,8 (2)

2,8 (3)

Tabel 3.24 Cumulatief aantal aanwezige personen binnen de risicocontouren in de dagsituatie. Tussen haakjes is het aantal panden met verblijfsfunctie weergegeven. Turbine

PR 10-4

PR 10-5

PR 10-6

PR 10-7

PR 10-8 (1)

PR 10-8 (2)

Werpafstand

7,5 meter

75 meter

241 meter

241 meter

241 meter

490 meter

529 meter

1

0

0

3,0 (1)

3,0 (1)

3,0 (1)

11,8 (4)

17,5 (5)

2

0

0

0

0

0

18,0 (5)

27,6 (9)

3

0

0

3,9 (1)

3,9 (1)

3,9 (1)

9,9 (3)

12,9 (4)

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

44

4

0

0

0

0

0

5,6 (2)

5,6 (3)

Tabel 3.25 Cumulatief aantal aanwezige personen binnen de risicocontouren in de nachtsituatie. Tussen haakjes is het aantal panden met verblijfsfunctie weergegeven. Geconcludeerd wordt dat er geen (beperkt kwetsbare) gebouwen binnen de PR 10 -5 contour staan. Binnen de overige PR-contouren bevinden zich enkele beperkt kwetsbare gebouwen. Maximaal kunnen 28 personen worden blootgesteld aan de veiligheidsrisico’s van 1 turbine (turbine 2 in de nachtsituatie). Voor alle turbines gezamenlijk kunnen maximaal 42 personen worden blootgesteld aan de risico’s van de windturbines. Deze personen kunnen echter niet allemaal gelijktijdig aan de veiligheidsrisico’s worden blootgesteld. Dit wordt nader onderbouwd ten behoeve van het groepsrisico. Groepsrisico Een groepsrisico kan alleen ontstaan wanneer er een groep mensen van 10 of meer direct kan komen te overlijden als gevolg van een incident met de windturbine. Hiervoor moet eerst bekend zijn wat de maximale afstand is waarbinnen nog personen dodelijk getroffen kunnen worden. Dit heet het invloedgebied en wordt bepaald door de maximale werpafstand. In dit geval is dat voor de fictieve worstcase turbine 529 meter (bij overtoeren). Bij een incident met een windturbine kunnen nooit alle personen in het hele gebied in een straal van 529 meter rond de turbine geraakt worden.

De meeste personen zijn aanwezig binnen het invloedsgebied van windturbine 2, namelijk 28 personen in de nachtsituatie. De gebouwen waar personen kunnen verblijven liggen echter ver van elkaar vandaan en de bevolkingsconcentratie is te laag. De panden liggen allemaal buiten de PR 10 6

contour en de meeste zelfs op de rand van de maximale werpafstand bij overtoeren. Zie ook

onderstaande figuur.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

45

Figuur 3.16 Aanwezige gebouwen rond turbine 2 (de oranje lijn geeft de PR10 -6 contour aan, en de paarse lijn de maximale werpafstand bij overtoeren). Buiten de PR 10-6 contour kunnen gebouwen alleen geraakt worden door het scenario waarbij (delen van) een blad afbreken in de overtoerensituatie. Het effectgebied van dit scenario is de ellipsvormig contour. De enige wijze waarbij een groep van minimaal tien personen kan worden getroffen is als de bladen afbreken in overtoerensituatie, deze bladen zowel in noordelijke als zuidelijke richting worden weggeslingerd, en daarbij zowel pand 14 als 19 en 20 worden geraakt. Het veronderstelt totaal aantal personen in deze panden tezamen is maximaal 12. Omdat de aangenomen faalfrequentie voor de overtoerensituatie meer dan een factor 100 kleiner is dan de faalfrequentie bij nominaal toerental neemt het (plaatsgebonden) risico buiten het effectgebied van het scenario bladbreuk bij nominaal toerental echter zeer sterk af. Het plaatsgebonden risico ter plaatse van de drie panden ligt tussen de 10-8 en 10-9 per jaar. Er kan dus een situatie ontstaan dat deze panden allemaal geraakt worden, maar de kans hierop is nagenoeg uitgesloten. Ook bij de andere turbines kan om vergelijkbare redenen geen groepsrisico ontstaan. De twee bedrijfswoningen liggen binnen de 10-6 contour, maar ook hier is groepsrisico uitgesloten.

Hoe groter de afstand des te kleiner de kans om geraakt te worden. De maximale werpafstand bij overtoeren zal in de praktijk niet door een heel blad geraakt worden, maar door stukken van een blad. De impact hiervan is beperkter, naarmate de afstand ten opzichte van de turbine groter wordt. Zelfs in de meest worst case situatie zal, indien er al sprake is van een groepsrisico, het groepsrisico verwaarloosbaar klein zijn.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

46

Geconcludeerd wordt dat binnen het invloedsgebied van de windturbines dusdanig weinig personen aanwezig zijn dat het niet onmogelijk is, maar de kans verwaarloosbaar klein is, dat een groep van minimaal 10 personen tegelijk geraakt wordt. Daarnaast bevinden de meeste personen zich buiten de PR 10-6 contour. Conclusie In navolging van andere risicobronnen (zoals transport en inrichtingen met gevaarlijke stoffen) kan ook voor windturbines uitgegaan worden van een basisbeschermingsniveau voor de omgeving (grenswaarde PR 10-6), aangezien er een overlijdensrisico optreedt voor de omgeving. Daarbij is het een voor de hand liggende gedachte om aan te sluiten bij het beleidskader voor externe veiligheid door onderscheid te maken tussen beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten en deze te beoordelen aan de hand van de plaatsgebonden risicocontouren. Grenswaarden als PR 10-5 en 10-6 zijn ook bekend vanuit andere risicogebonden activiteiten, zoals in de (petro)chemische industrie. Ook internationaal worden deze standaarden toegepast.

Met een kans van 1 de 100.000 (10-5) per jaar bij continue onbeschermd verblijf op de PR10-5 contour bij (beperkt) kwetsbare objecten en 1 op de miljoen (10 -6) bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-6 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico’s en gelijk is aan andere risicobronnen van externe veiligheid. Differentiatie naar andere objecten worden niet zinvol geacht. De hoeveelheid personen die een risico van meer dan PR10 -6 kunnen ondervinden is voor deze projectlocatie zeer beperkt. Om te voorkomen dat een grotere hoeveelheid personen dit risico kunnen ervaren kan voor kwetsbare objecten een norm worden gesteld op een bepaalde PRwaarde. Om te voorkomen dat enige personen een groter risico van meer dan PR10-5 kunnen ervaren, kan ook voor nieuwe beperkt kwetsbare objecten een norm worden gesteld op een bepaalde PR-waarde. In het onderzoek van AVIV is gesteld dat het groepsrisico verwaarloosbaar klein is. AVIV stelt vast er geen statistieken of andere gegevens bekend die erop wijzen dat andere normen dan PR-normen van 10-6 en 10-5 beter passend of actueler zouden zijn. Ook zijn hiervoor geen aanwijzingen gevonden vanuit de wetenschap.

Toepassing van de 10 -6 (voor kwetsbare objecten) en 10-5 (voor beperkt kwetsbare objecten) contouren voor plaatsgebonden risico blijken de effecten bij realisatie van het windpark goed inzichtelijk te kunnen maken. Ook zijn de rekenmethodieken inzichtelijk, verifieerbaar en reproduceerbaar. Daarnaast geven de plaatsgebonden risicocontouren de mogelijkheid om criteria te stellen en deze te vergelijken met andere risicodragende activiteiten. De manifestatie van de effecten op de locatie zijn goed in beeld te brengen. Toepassing van de 10-6 en 10-5 contouren voor plaatsgebonden risico draagt de mogelijkheid in zich om van worst case situaties uit te gaan en zo risico’s maximaal te mitigeren.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

47

Door met PR-contouren de effecten op omwonenden gedurende een woon- en werksituatie inzichtelijk te maken, wordt het bevoegd gezag in staat gesteld de aanvaardbaarheid van het windpark voor woon- en leefklimaat goed te beoordelen. Wanneer een PR-norm van 10-6 voor kwetsbare objecten en 10-5 voor beperkt kwetsbare objecten wordt toegepast, dan vormt het windpark geen belemmering ten aanzien van externe veiligheid.

3.9

Luchtkwaliteit

Als een windturbine stroom opwekt, dan komen daarbij geen vervuilende stoffen vrij. Er komt CO 2 vrij tijdens de bouw, bij het onderhoud en de afbraak van de windturbines, aangezien daarvoor energie nodig is uit fossiele brandstoffen. Na drie tot zes maanden draaien heeft een turbine deze hoeveelheid CO2-uitstoot al bespaard. Tijdens de rest van de 25 jaren dat de windturbines mee gaan, leveren ze stroom zonder uitstoot van broeikasgassen.

3.10

Radar

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende regeling (Rarro) bevatten het toetsingskader voor radarverstoring van defensieradar. Op grond van artikel 2.6.9 Barro, waarin is voorgeschreven dat onder meer een omgevingsvergunning voor bouwwerken (zoals windturbines) met een grotere bouwhoogte dan is opgenomen in de Rarro, moet worden getoetst aan de rekenregels voor radarverstoring. Deze toets wordt uitgevoerd met behulp van het rekenmodel Perseus dat wordt beheerd door TNO. Voor nieuwe windturbines geldt dat toetsing verplicht is binnen een gebied van 75 km rondom een radarpost die in de Rarro is aangewezen. Op grond van de wettelijke regeling in het Barro wordt de mogelijke verstoring van het defensieradar als gevolg van radarreflectie en schaduwwerking berekend en uitgedrukt in een percentageverlies aan detectiekans van objecten. Het verlies aan detectiekans mag niet meer bedragen dan de minimale detectiekans die door het Ministerie van Defensie op de betreffende locatie wordt gehanteerd. Naast militaire radar, dient ook het effect van het windpark op het primaire verkeersleidingsradarnetwerk, bestaande uit een vijftal MASS verkeersleidingsradarsystemen verspreid over Nederland, sinds 1 januari 2017 aangevuld met de Terminal Approach radar TAR West bij Schiphol, onderzocht te worden.

Door TNO is een radarverstoringsonderzoek uitgevoerd. Het radarverstoringsonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9a - Radarverstoringsonderzoek Windpark Goyerbrug - TNO. Het rapport geeft de effecten van Windpark Goyerbrug weer op: -

het primaire verkeersleidingsradarnetwerk aangevuld met de Terminal Approach radar TAR West bij Schiphol;

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

48

-

de MPR gevechtsleidingsradar nabij Nieuw Milligen;

-

de gevechtsleidingsradar nabij Herwijnen.

De beoordeling heeft uitgewezen dat er voor het aspect radar geen belemmeringen zijn. Er wordt met ruime marges aan de gestelde eisen voldaan. Er treden geen belangrijke nadelige gevolgen op. De verklaring van geen bezwaar van het Ministerie van Defensie is inmiddels ontvangen en is bijgevoegd als bijlage 9b - Verklaring van geen bezwaar - Ministerie van Defensie. Het radaronderzoek en de beoordeling daarvan door het Ministerie van Defensie, heeft respectievelijk in december 2017 en mei 2018 plaatsgevonden. Ondertussen kunnen de vermogens van de onderzochte turbines vergroot zijn, zonder dat daarvoor de buitenmaten (welke relevant zijn voor het radaronderzoek) gewijzigd zijn. Daartoe informeert TNO het Ministerie van Defensie dat bij gelijkblijvende buitenmaten ook bij een groter vermogen dan 4,4 MW (per turbine), het radaronderzoek en de conclusies in de Verklaring van geen bezwaar in stand blijven. In bijlage 9c bij - Brief verklaring van geen bezwaar windpark Goyerbrug – TNO is de brief bijgevoegd waar TNO aangeeft dat het grotere vermogen van de V150 niet tot andere conclusies leidt. Op de locatie en in de omgeving van het windpark bevinden zich geen laagvliegroutes en gebieden. Zie ook het volgende figuur. Er liggen ook geen vliegvelden in de buurt van Windpark Goyerbrug.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

49

3.11

Lichthinder

De Activiteitenregeling schrijft ten behoeve van het voorkomen van lichtschittering voor dat een windturbine moet worden voorzien van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

50

Lichthinder vanwege lichtschittering van de bladen treedt niet op aangezien het windturbinetype dat gerealiseerd wordt, in alle gevallen voorzien wordt van een anti-reflecterende coating. Ter borging hiervan wordt verzocht een daartoe strekkend vergunningvoorschrift op te nemen gelijk aan de formulering uit de Activiteitenregeling. De kans is groot dat de windturbines moeten worden voorzien van obstakelverlichting. Doel van obstakelverlichting is om te voorkomen dat de veiligheid van de luchtvaart in het geding is. Voor Windpark Goyerbrug geldt dat dat de tiphoogte groter is dan 150 meter. In dat geval moeten windturbines worden voorzien van obstakelverlichting en –markering. De turbines worden voorzien van een vast brandende, rode topverlichting. Deze topverlichting mag ‘s nachts bij goede zichtbaarheid ook gedimd worden. De lampen worden dan uitgerust met sensoren die de waterdeeltjes in de lucht meten en zich daarop kunnen instellen. Overdag is witte knipperverlichting verplicht. Bij een normale, heldere dag is deze nauwelijks waarneembaar voor de omgeving. Naast deze 2 verlichtingssoorten krijgen de turbines mogelijk mastverlichting. Ongeveer halverwege de mast komen dan vast brandende rode lampen die ‘s nachts rondom uitstralen. Deze lampen hebben een lage intensiteit en zijn nodig voor het vliegverkeer als aanvulling op de topverlichting.

Een voorstel voor het aanbrengen van markering en obstakellichten op de windturbines wordt ter instemming voorgelegd aan de IL&T.

3.12

Mitigerende maatregelen

In het kader van Wet natuurbescherming worden mitigerende maatregelen getroffen. Wat betreft vogels en vleermuizen kan er sprake zijn van een toename van het aantal aanvaringsslachtoffers ten opzichte van de huidige situatie, dit in afhankelijkheid van het type en de precieze locatie van de geplande windturbines. Dit is in de natuurtoets nader onderzocht en beoordeeld. In de natuurtoets is tevens onderzocht wat de effecten van het windpark zijn op de gunstige staat van instandhouding (GSI) van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger. Hieruit blijkt dat de GSI niet in het geding is omdat er mitigerende maatregelen worden getroffen. Twee windturbines worden met een stilstandvoorziening uitgerust. Aanvullend op de stilstandsvoorziening voor de soortenbescherming zijn er slagschaduw beperkende voorzieningen nodig om voor alle woningen aan de maximale norm te kunnen voldoen. De voor de normoverschrijding relevante windturbines van het windpark moeten volgens het Activiteitenbesluit worden uitgerust met een stilstandsvoorziening om te voldoen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een slagschaduwcomputer, die garandeert dat slagschaduw binnen de norm blijft. De computer kent de gevoelige objecten en controleert voortdurend of er sprake is van slagschaduw.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

51

Ook in het kader van het aspect geluid zijn er mitigerende maatregelen nodig. Deze maatregelen kunnen bestaan uit: -

Selectie van een turbinetype met een lagere jaargemiddelde bronsterkte;

-

Noise-modes;

-

Stilstand gedurende bepalende etmaalperioden.

Het is aannemelijk dat er uiteindelijk zogenoemde noise-mode instellingen worden toegepast. Zodra bekend is welk type windturbine gerealiseerd gaat worden wordt bepaald welke instellingen er noodzakelijk zijn.

3.13

Conclusie

Gezien de beperkte potentiële effecten als gevolg van de realisatie van Windpark Goyerbrug in combinatie met de kenmerken en de gevoeligheid van de omgeving, is de impact van het windpark op het milieu verwaarloosbaar te noemen. Belangrijke nadelige effecten voor het milieu zijn hiermee uitgesloten. Op basis van de aanmeldingsnotitie (zie bijlage 3 – Aanmeldingsnotitie m.e.r.beoordeling – LBP|SIGHT) wordt geconcludeerd dat de realisatie van Windpark Goyerbrug geen belangrijke negatieve milieueffecten veroorzaakt en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Geconcludeerd wordt dat de OBM kan worden verleend.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

52

4

Bouwen

In dit hoofdstuk wordt de aanvraag voor een vergunning op basis van de Wabo artikel 2.1 lid 1 onder a toegelicht. Dit betreft het bouwen van een bouwwerk, zijnde een windturbine. Voorafgaand aan de start van de bouw wordt een definitieve keuze gemaakt voor een windturbinetype. Dit windturbinetype blijft binnen de vergunde bandbreedte. Verzocht wordt om in de vergunning een voorschrift op te nemen waarin gesteld wordt wanneer deze keuze voor een windturbine moet worden aangeleverd, inclusief de nog aan te leveren informatie, zie hoofdstuk 5. In Bijlage 10a – General description 4MW platform is ter informatie de technische gegevens van het 4MW platform van Vestas (turbinefabrikant) opgenomen. Ook zijn er verschillende aanzichten bijgevoegd van diverse turbines, zie Bijlage 10b - Voor- en zijaanzichten - Mug Ingenieursbureau. Bijlage 10c – Aanzichten – Vestas geeft een goed overzicht van de verschillende aanzichten van een V150 inclusief mast.

4.1

Type bouwwerk

Een windturbine is een serieproduct. Het ontwerp en de fabricage zijn gecertificeerd conform de internationale ontwerpnorm voor windturbines, de IEC 61400. De belangrijkste onderdelen van een windturbine zijn, ongeacht het type; •

De rotorbladen;

•

De gondel;

•

De mast;

•

De fundering.

Deze onderdelen worden in onderstaande figuur weergegeven.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

53

Figuur 4.1 Principe aanzicht windturbine Hoewel elke turbine uit dezelfde onderdelen is opgebouwd, verschilt de uiterlijke verschijning. Zo kunnen er verschillen zijn in de gondel en in het materiaal van de mast (beton of metaal). Mast De opbouw en indeling van de mast van de windturbines is afhankelijk van het type windturbine. Een fabrikant bepaalt welke mast het meest geschikt is voor de windturbine, een turbine wordt dan ook inclusief mast gekocht. Masten bestaan uit stalen of betonnen delen of een combinatie van beide. De mast is conisch waarbij de onderzijde breder is dan de bovenzijde. Bij een stalen mast is de onderzijde minder breed dan bij een betonnen mast. Onderin de mast bevindt zich een deur voor de toegang van de windturbine. Vaak zit onderin de mast een deel van de technische voorzieningen (schakelkasten, omvormer en soms de transformator etc.) maar dit is typeafhankelijk. Tevens bevat een mast een lift, een trap met op verschillende hoogten een platform en de kabels die van gondel naar fundering lopen. Gondel Bovenop de mast staat de gondel. Dit is het machinehuis van de windturbine waarin de elektriciteit wordt geproduceerd. Rotor De rotor bestaat uit de rotorbladen en de neus (hub) van de turbine. Een windturbine heeft drie rotorbladen (wieken). Deze hebben een lichtgrijze kleur.

In Nederland worden geen rode banen op de rotorbladen (en de mast) toegepast zoals dat in enkele andere landen gebruikelijk is.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

54

De bladen draaien over hun eigen as (pitchen) om optimaal de wind te benutten. De bladen draaien over het algemeen rechtsom. De windturbines krijgen een maximale rotordiameter van 150 meter. Het rotoroppervlak dat gevormd wordt door de rotorbladen is van groot belang voor de productie van elektriciteit; hoe groter de oppervlakte hoe hoger de productie. De neus van de rotor (en daarmee de rotorbladen) is altijd naar de wind toegekeerd. De turbine zorgt zelf voor dit zogenaamde kruien.

4.2

Afmetingen

Er wordt een vergunning aangevraagd voor de bouw van vier windturbines. In tabel 4.1 zijn de eigenschappen weergegeven die relevant zijn voor de bouw van windturbines. Tabel 4.1 Bouweigenschappen Eigenschap

Bandbreedte maatgeving

Ashoogte

145 m – 166 m

Rotordiameter

Geen Bandbreedte

Maximaal 150 meter

Tiphoogte

211 m - 241 m

Materiaal mast

-

Beton of staal of combinatie

Aantal rotorbladen

-

Drie

Kleurstelling mast

-

Kleurstelling bladen

-

Lichtgrijs

Kleurstelling gondel

-

Lichtgrijs

Lichtgrijs of wit (mogelijk met groene randen onder aan de mast)

Bruto-vloeroppervlak De bruto-oppervlakte van het te bebouwen terrein is opgevat als de som van de oppervlaktes van de mastvoeten van de inrichting en de oppervlaktes van het trafohuisje(s). De oppervlakte van de mastvoet is gebaseerd op de maximale fundatiebreedte. Bruto-inhoud De bruto-inhoud van de gondel is gebaseerd op de maximale afmetingen van de gondel, te weten 12,8 x 4,2 x 4,0 meter (L x B x H) = 215 m3.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

55

Tabel 4.2 afmetingen van de windturbine Relevante onderdelen

Afmetingen

Bebouwde oppervlakte van het terrein (4 turbines)

14.359 m2

Bruto vloeroppervlakte van het bouwwerk (4 turbines)

2.463 m2

Bruto inhoud van het bouwwerk (gondel, mast, bladen, hub, fundering) (4 turbines)

4.3

26.017 m3

Fundering

De windturbines komen op een stevige fundering te staan die ontworpen is om de krachten die op en in de windturbine ontstaan aan te kunnen. Een windturbine is een serieproduct, terwijl een fundatie een locatie-specifiek ontwerp is dat is afgestemd op de omgevingscondities, de bodemopbouw en de belastingen van de turbine die de fundatie moet dragen. Relevante condities voor het windpark zijn de bodemcondities. Aangezien het definitieve turbinetype later wordt gekozen, wordt in deze aanvraag een principefundatie aangevraagd. Ter voorbereiding op de bouw vindt detailengineering van de fundatie plaats. Deze wordt specifiek afgestemd op de locatie van elke individuele windturbine. De vereiste constructie- en sterkte berekeningen, inclusief sonderingen, worden dan ook –gezamenlijk met de exacte dimensies en detaillering van de fundering – voor de start van de bouw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd. Op dit moment is het niet wenselijk om reeds een sonderingsonderzoeken uit te voeren omdat de situatie op het land niet gunstig is (nat). Hierdoor kan de structuur van de grond worden aangetast. Sonderingen worden naar verwachting in het voorjaar van 2019 uitgevoerd. Voor de onderhavige aanvraag wordt gebruik gemaakt van een principefundering, waarin de maximale afmetingen ten opzichte van maaiveld worden gehanteerd.

De fundering steekt niet of slechts beperkt boven het maaiveld uit. In figuur 4.2 is een voorbeeld fundering weergegeven inclusief verhouding tot het maaiveld.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

56

Figuur 4.2 Principe detail fundatie De windturbines komen op betonnen fundaties te staan met een diameter van maximaal 28 meter en een dikte tussen circa 1,5 tot 3,5 meter. De heipalen zijn van belang voor de stabiliteit van de windmolen. Zowel neergaande als opgaande krachten worden daarmee opgevangen. Het type paal, aantal en de afmetingen (lengte en doorsnede) is afhankelijk van de ondergrond. Ervaring leert dat de lengte van de heipalen kan variëren tussen 30 en 45 meter. De dimensionering van de heipalen wordt bepaald door de ‘kleef’ in de ondergrond. Wanneer het type windturbine bekend is, wordt ook duidelijk welke afmetingen de fundaties hebben en welk type en aantal heipalen er nodig zijn. Dit wordt in overleg met de aannemer van de civiele werkzaamheden besloten. Een principe funderingstekening is bijgevoegd als Bijlage 11 – Principe tekening fundering – Vestas. Uiterlijk 1 maand voorafgaand aan de bouw wordt het definitieve ontwerp inclusief de sondering overlegd.

4.4

Aanleg wegen, kraanopstelplaatsen, elektrische/data infrastructuur

Voor de ligging van de wegen en kraanopstelplaatsen wordt verwezen naar Bijlage 12a – Wegen en kraanopstelplaatsen – Windpark Goyerbrug die bijgevoegd is bij deze toelichting. In Bijlage 12b – Duikers, sloten en compensatiegebied – Windpark Goyerbrug is te zien waar welke compensatiegebieden voor waterberging er gegraven worden. Kraanopstelplaatsen Voor de realisatie en onderhoud van de windturbines worden kraanopstelplaatsen gerealiseerd. Deze hebben een maximale afmeting van circa 40 bij 53 meter en bestaan uit een permanente verharding. Details over de definitieve afmetingen en materialen wordt uiterlijk 1 maand voorafgaand aan de werkzaamheden aan het bevoegd gezag voorgelegd.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

57

Aanleg wegen Voor de wegen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestaande wegen in het plangebied. Deels worden er nieuwe (niet openbare) wegen aangelegd. De breedte van de wegen bedraagt maximaal 4,5 meter. Dat betekent dat er circa 5.755 m2 nieuwe weg gerealiseerd wordt. Het is nog onbekend hoe de wegen worden uitgevoerd. De fundering kan worden opgebouwd uit bijvoorbeeld zand of gebroken puin. Er kan een toplaag over de weg worden aangebracht. Deze verharding kan bestaan uit betonplaten, gestort beton, asfalt of een andere verharding. De opbouw van de weg is afhankelijk van de contractuele specificaties van de turbineleverancier. Deze zijn momenteel niet beschikbaar. Het kan overigens ook zijn dat er geen toplaag op de verharding wordt aangebracht. Geotextiel wordt regelmatig toegepast om te voorkomen dat gebroken puin in het omliggende land terecht komt. Ten behoeve hiervan wordt geen grond aangevoerd.

Figuur 4.3 Voorbeeld van het geotextiel (links) en menggranulaat (rechts)

Figuur 4.4 Impressie dwarsdoorsnede van een halfverharde weg Deze verhardingsmethode sluit goed aan bij de reeds aanwezig paden in het plangebied. De toegangswegen bestaan waarschijnlijk bestaat grotendeels uit zand en/of gebroken puin (de voorkeur gaat uit naar zand). Menggranulaat met afmetingen tussen de 0 en 40 millimeter (ter illustratie, een grote kei) past goed bij de bestaande samenstelling van de weg. Door de toepassing van geotextiel is drainage naar de ondergrond goed mogelijk.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

58

Kabels/infrastructuur De parkbekabeling voor het transporteren van de elektriciteit naar het schakelstation wordt naar verwachting conform de situatietekening aangelegd afhankelijk van de uiteindelijke windturbinekeuze. -

De totale lengte van de aan te leggen parkbekabeling is circa 1.725 meter. De parkbekabeling wordt naar verwachting op maximaal 1,2 meter onder maaiveld aangelegd (zie ook bijgevoegde tekening: Bijlage 13a – Principe tekening kabelsleuf – Van den Heuvel)

Rondom de sleuf wordt een werkstrook gecreëerd. Deze werkstrook wordt gebruikt ten behoeve van de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg van de kabel. Bovenop de kabels worden de voorgeschreven kabelbescherming aangebracht. De aanvulling van de sleuf bestaat uit gebiedseigen materiaal. De gehele aanvulling van de kabelsleuf zal zorgvuldig laagsgewijs worden verdicht. Wanneer bestaande kabels en leidingen in het tracé aanwezig zijn zal de sleuf met een zogenaamde mini-graver of mobiele graafmachine worden gemaakt. Een medewerker zal in de kabelsleuf zorg dragen voor de exacte lokalisering van de bestaande kabels en leidingen waardoor de kans op beschadiging geminimaliseerd wordt. Wanneer bestaande kabels en leidingen geen belemmering vormen in het uitvoeren van de werkzaamheden zal gebruik worden gemaakt van een zogenaamde kettinggraver. Bij kruisingen van wegen en waterlopen wordt de kabel verdiept aangelegd. Aan het einde van iedere werkdag worden, indien nodig, de wegen die door de werken vervuild zijn geraakt geveegd. Dit wordt gedaan door een tractor met hydraulische rolbezem. Na afloop wordt de werkstrook teruggebracht in oorspronkelijke staat en is de aanwezigheid van de kabel niet meer herkenbaar in het landschap. In onderstaande figuur 4.5 is schematisch de opbouw van de sleuf weergegeven.

Afhankelijk van de locatie worden de kabels beschermd met beschermflab of mantelbuis. Ter hoogte van de watergang wordt de kabel haaks op de watergang aangelegd. Verder wordt de kabel voldoende diep onder de waterbodem aangelegd. Deze werkwijze maakt dat de omgeving zo min mogelijk wordt aangetast en de sloot in haar functioneren niet wordt aangetast.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

59

Figuur 4.5 Schematische weergave sleuf voor bekabeling Tijdens de engineeringsfase zal om de 50 meter een handboring uitgevoerd worden om een goed profiel van de toegangswegen te kunnen maken. Deze gegevens zullen samen met het definitieve ontwerp van de fundamenten, wegen, kraanopstelplaatsen, inkoopstation en kabeltracé worden ingediend bij de gemeente voordat gestart wordt met de aanleg – en bouwwerkzaamheden.

4.5

Gebruik

Het nieuwe bouwwerk betreft 4 windturbines die gebruikt worden voor het opwekken van elektriciteit uit wind en zijn 24 uur per dag in bedrijf. De windturbines zijn niet bestemd voor het verblijf van personen, het betreft hier dan ook een onbemande machine-installatie. Uiteraard is het bouwwerk wel toegankelijk voor inspectie, onderhoud en reparatie. Het betreft een bouwwerk met overige gebruiksfunctie.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

60

4.6

Schakelstation

Om de geproduceerde energie aan het elektriciteitsnet te kunnen leveren moet er een schakelstation worden gebouwd. Dit is klein gebouw met daarin meet- en schakelapparatuur. De exacte afmetingen van het inkoopstation zijn nog niet bekend. Deze worden pas bekend nadat verdere engineering heeft plaatsgevonden. Wel kan alvast gesteld worden dat het inkoopstation niet groter wordt dan de maximale afmetingen waarbinnen een inkoopstation vergunningsvrij gerealiseerd kan worden (maximale oppervlakte 15 m2 en maximale bouwhoogte 3 meter conform Besluit omgevingsrecht, bijlage II artikel 2, sub 18 onder a). De mogelijke locatie van het gebouw is in de situatietekening opgenomen. Voor de aanzichten en afmetingen van het schakelstation en de plattegrond wordt verwezen naar Bijlage 13b – Kabeltracé – Windpark Goyerbrug, Bijlage 13c – Principe tekening inkoopstation - AKA (maatvoering kan afwijken) en Bijlage 13d - Kruisingen oppervlaktewaterlichamen kabeltracé Windpark Goyerbrug. Om een schakelinstallatie (bijvoorbeeld bij een windturbine) veilig te kunnen bedrijven, wordt gebruik gemaakt van isolatoren. SF6-gas is een goede isolator en wordt daarvoor gebruikt. Dit gas blijft overigens in de installatie aanwezig (anders functioneert de isolator niet meer). Maar ook CO2 kan een prima isolator zijn. Initiatiefnemer heeft nog geen keuze gemaakt voor het type installatie.

4.7

Bouwveiligheidsplan

In overeenstemming met het “Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning” wordt een bouwveiligheidsplan opgesteld. Dit plan heeft tot doel de veiligheid van de directe omgeving van het bouwwerk te waarborgen. Daarbij gaat het bij dit bouwwerk om de bescherming van onder andere omwonenden, verkeersdeelnemers en agrariërs tegen de externe risico’s van het bouwen. Het bouwveiligheidsplan bevat onder andere één of meer tekeningen waaruit de bouwplaatsinrichting blijkt. De inrichting van de bouwplaats is afhankelijk van het type windturbine dat wordt gerealiseerd. Elke fabrikant heeft bij elke type windturbine een plan voor de bouwplaatsinrichting dat uitgewerkt wordt naar de specifieke bouwlocaties. Het Bouwveiligheidsplan voldoet aan de criteria in het ‘Besluit indieningvereisten aanvraag bouwvergunning’. Ook de personen die werken aan de realisatie van het project worden beschermd tegen veiligheids- en gezondheidsrisico’s. Hiervoor gelden de bepalingen van het Arbobesluit bouwproces, waarbij het werken volgens een Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G-plan) één van de elementen is. Door de bij het bouwen betrokken aannemers wordt een V&G-plan opgesteld conform ISO 9001.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

61

In afstemming met het transportbedrijf en het bedrijf dat de hijswerkzaamheden gaat doen wordt een plan opgesteld met de transportroute en de planning van het transport van de hijskraan en van grote delen van de windturbine. Dit transportplan wordt in overleg met het bevoegd gezag vastgesteld.

4.8

Brandveiligheid

In elke gondel is een brandblusser met CO 2 aanwezig tijdens onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, al dan niet meegenomen door het dienstdoende personeel. Ook is onderin de windturbinevoet een brandblusser aanwezig. De turbine is voor het grootste gedeelte gefabriceerd van niet-brandbare materialen.

4.9

Bouwkosten

Gelet op het feit dat in het huidige stadium van de vergunningaanvraag nog geen turbinetype bekend is en ook nog geen prijsopgaven worden gedaan, dient voor de raming van de bouwkosten uit te worden gegaan van gevalideerde marktonderzoeksgegevens. Uitgaande van 4 turbines met een gemiddeld windparkvermogen van 18,4 MW (indicatief tussen 14,4 MW en 22,4 MW) met een kostprijs van 700.000 EUR/MW, leidt dit tot een kostprijs van 12,88 miljoen EUR. De werkelijke kosten worden achteraf via openboek met gemeente Houten gedeeld zodat de exacte kostprijs kan worden vastgesteld en de leges verrekend.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

62

5

Aan te vragen normen

Voor Windpark Goyerbrug worden de volgende normen aangevraagd. Geluid Voor het aspect geluid wordt een norm aangevraagd van Lden 47 dB geldend op de gevel van gevoelige objecten. Hoewel geen separate Lnight norm noodzakelijk is, wordt voor de volledigheid wel een Lnight 41 norm in de vergunningvoorschriften bij de omgevingsvergunning aangevraagd. Slagschaduw Voor het aspect slagschaduw wordt een norm aangevraagd van ’’14 uren netto slagschaduw per jaar met een maximum van 20 minuten per dag, geldend op de lichtdoorlatende delen van de gevels van gevoelige objecten’’. Lichtschittering Voor het aspect lichtschittering wordt de norm van NEN-EN-ISO 2813 aangevraagd. Veiligheid a.

Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en gewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan voldoet een windturbine aan de veiligheidseisen opgenomen in:NEN-EN-IEC 61400-1;

b. NEN-EN-IEC 61400-2; c.

NEN-EN-IEC 31400-3.

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

63

6

Nog aan te leveren bescheiden en gegevens

Eerder in deze toelichting is reeds aangegeven dat verzocht worden bijlagen en/of gegevens in een later stadium in te dienen. De gemeente bepaalt welke stukken later mogen worden ingediend. Wij verzoeken de gemeente om medewerking aan uitgestelde gegevensverstrekking op basis van artikel 4.7 Bor (en 2.7 Mor). Onderstaand is een overzicht opgenomen van de bescheiden en gegevens welk later, doch uiterlijk 1 maand voor de start van de bouw worden aangeboden aan het bevoegd gezag, conform paragraaf 1.5 van het Besluit indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning. •

Definitieve turbinekeuze inclusief ontwerpcertificaat;

•

Definitieve ontwerp fundatie incl. constructie en sterkteberekeningen;

•

Definitieve kleurstelling windturbine en mast (RAL 7035 of 9010, lichtgrijs/gebroken wit, wit);

•

Effectbeoordeling geluid, slagschaduw en externe veiligheid voor definitieve windturbinetype;

•

Overige gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan overige voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Dit heeft hoofdzakelijk betrekking op detaillering van een eventueel hekwerk en trappen;

•

Sonderingsonderzoek;

•

Bouwveiligheidsplan.

LBP|SIGHT BV

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

64

Bijlage 1 Vaststelling bevoegd gezag – Gedeputeerde Staten

R068362ab.18AKCNR.jwi | versie 11_001 | 29 juli 2022

ffi

PROVINCIE:: UTRECHT

college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Houten Postbus 30

3990 DA Houten

SRO

DATUM

10 oktober2018

TEAM

NUMMER

81 D9F75C

REFERENTIE

UW BRIEF VAN

8 oktober

DOORKIESNUMMER

2583397

E-MAILADRES

UW NUMMER

geen

BIJLAGE

ONDERWERP

Toepassing artikel 9f elektriciteitswet nzake Windpark Goyerbrug I

Geacht college, Er zijn door initiatiefnemer "Windpark Goyerbrug bv" plannen in voorbereíding voor de realisatie van windturbines binnen de gemeente Houten, nabij het Amsterdam Rijn Kanaal. Het gaat om een windproject van meer dan 5 MW en minder dan 100 MW, gelegen binnen het zoekgebied zoals opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie, Provinciale Ruimtelijke Verordening en de gemeentelijke Structuurvisie. Het project wordt aangeduid als "windpark Goyerbrug". Naar verwachting zal hiertoe een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Op grond van artikel 9f, tweede lid van de Elektriciteitswet zijn wij als bevoegd gezag aangewezen om besluiten te nemen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg van een windpark met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW. De wetgever heeft hiermee een versnelling van de besluitvorming voor ogen gehad. Gelet op het feit dat de volledige voorbereiding van de besluitvorming rond dit project door u wordt opgepakt, zijn wij van mening dat overname van de bedoelde besluitvorming van het project mogelijk tot complicaties zal leiden en niet tot enige versnelling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=a3a4beeb-8a7f-4015-8d0e-81d8f348f451