Bijlage 2. Motivering BOPA Beverakker te Houten
Tekst van het document
Uitgangspunten In de navolgende tabel worden de uitgangspunten die van toepassing zijn op de waterhuishouding in het projectgebied weergegeven.
31
Uitgangspunten water
Benodigde waterberging Op basis van de voorgenomen ontwikkeling zal er circa 2.720 m2 verhard oppervlak gerealiseerd worden. Dit is een geringe toename ten opzichte van de huidige situatie. Voor de toekomstige verharding is de bergingseis van het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden leidend met een bergingseis van minimaal 45 mm. Dit resulteert in een bergingsopgave van 122 m3. Binnen het projectgebied is geen ruimte om oppervlaktewater aan te leggen. Voor een groot deel van de berging dient derhalve gezocht te worden naar oplossingen om het water te bergen, te infiltreren in de ondergrond en/of vertraagd af te voeren. Mogelijke oplossingen binnen het projectgebied kunnen zijn: Het toepassen van een groendak; Realiseren van verlagingen in het maaiveld of een 'raingarden' ter plaatse van de binnentuin; Berging onder de parkeerkoffer; Berging in kratten of rockwool. Hierbij dient opgemerkt te worden dat ondergrondse infiltratie voorzieningen enkel mogen worden aangelegd als het aanleggen van oppervlakkige infiltratie vanwege ruimtelijke, technische en/of financiële aspecten niet mogelijk is. De mogelijke oplossingen 1 en 2 zullen dus in principe eerst uitgevoerd dienen te worden waarbij voor het 'restant' van de benodigde berging gekozen kan worden voor oplossing 3 of 4. Op basis van bovengenoemde oplossingen kan voldoende berging worden gerealiseerd.
De uiteindelijke wijze van berging dient afgestemd te worden met de gemeente en het waterschap. Het
32
hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd en civieltechnisch uitgewerkt te worden. Gezien de resultaten van de analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het projectgebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Overige aandachtspunten Het huidige maaiveld is gelegen op circa 2,6 m +NAP. Hiermee wordt ruim voldaan aan de ontwateringseis. Geadviseerd wordt echter om het vloerpeil van de bebouwing op minimaal 0,3 meter boven het niveau van het de omliggende infrastructuur te realiseren. Het vloerpeil zal dan op circa 3,0 m +NAP liggen. Aanbevolen wordt dan ook het maaiveld te egaliseren en aan te leggen op een hoogte van 2,7 m +NAP. Op basis van deze hoogtes van het projectgebied en de naastgelegen gebieden is er geen overlast te verwachten ten tijde van hevige neerslag. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.6 Inrichting Openbare ruimte en afvoer huishoudelijk afvalwater op gemeentelijke riolering Toetsingskader De onderbouwing fysieke leefomgeving moet voor het aspect inrichting openbare ruimte en afvoer huishoudelijk afvalwater op gemeentelijke riolering de volgende punten bevatten: zijn de uitgangspunten rioolverordening en hemelwaterverordening gevolgd; is er een rioleringsplan eigen terrein opgesteld waarop de afvoer van grondwater, regenwater en huishoudelijk afvalwater is uitgewerkt; het BIOR is van toepassing; de effecten op de gemeentelijke beheerkosten van nieuwe object(en) moet worden uitgewerkt. Onderzoek en motivering Door Buro Ontwerp & Omgeving is in november 2025 een quickscan water uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 3 (projectnummer: 4475.01, d.d. 27 november 2025) bijgevoegd. Een onderdeel van deze quickscan is het aspect vuilwater In overleg met de gemeente zal bekeken moeten worden of en hoe de te realiseren woningen op het bestaande rioolsysteem aangesloten kunnen worden. Gezien in de huidige situatie een al een rioolaansluiting aanwezig is wordt aangenomen wordt dat het appartementecomplex ook onder vrijverval op het riool kan worden aangesloten. De huidige basisschool heeft circa 280 leerlingen. Volgens de richtlijnen van Stichting RIONED is de maatgevende belasting voor scholen 2-3 liter/uur/leerling.
Dit resulteert in een maximale DWA productie van circa 840 liter/uur of te wel 0,84 m3/uur. De toename van de DWA (droogweerafvoer) wordt bepaald door de piekafvoer en het (gemiddeld) aantal bewoners. Piekafvoer afvalwater: 10 liter per uur en 120 liter per dag per inwoner (alleen overdag wordt berekend); Gemiddelde bezetting per woning: 2,5 inwoners. De verwachtte toename in het DWA bij een piekbelasting betreft circa: Aantal woningen x 2,5 inwoner/woning x 0,01 m³/uur/inw. In de toekomstige situatie is sprake van een DWA piekbelasting van circa 1 m3/uur bij een bezetting van
33
2,5 inwoners per woning. In de praktijk zullen waarschijnlijk minder inwoners per woning aanwezig zijn. In totaal zal er naar verwachting een maximale toename van 0,16 m3/uur in afvalwaterafvoer plaatsvinden. Conclusie Het aspect huishoudelijk afvalwater water vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.7
Klimaatadaptatie
Toetsingskader De onderbouwing fysieke leefomgeving moet voor het aspect klimaatadaptatie aangeven hoe de speerpunten van het gemeentelijke klimaatadaptatieplan verwerkt zijn in de ontwikkeling: beperken hittestress door schaduwwerking van gebouwen/reflectie van glas; beperken hittestress door extra bomen of beplanting te plaatsen; toepassen bodemenergie (afhankelijk van de locatie, behoefte, etc.). WKO, restwarmte, geothermie, individuele toepassing (luchtwarmtepompen), etc.; toepassen van blauwgroene daken / groene gevels: het bergen van water, voorkomen van verhitting van de gevel; voorkomen van verdroging, vertraagd afvoeren van regenwater en voorkomen van wateroverlast via een regenwaterinfiltratie in de bodem; hoogte bouwpeil moet minimaal 300 mm boven de as van de weg voor het bouwwerk liggen; waterberging op het eigen terrein van 40-70 mm per verharde m2. Onderzoek en motivering Binnen het ontwerp van de ontwikkeling aan de Beverakker 19 is meegenomen hoe hittestress kan worden beperkt, water vastgehouden en groen(structuren) kan worden verbeterd. In de binnentuin en de overige buitenruimte worden bomen en andere beplanting toegepast die zorgen voor natuurlijke schaduwwerking en verkoeling. Het aandeel verhard oppervlak is beperkt en waar mogelijk uitgevoerd met waterdoorlatende verharding.
Op het dak van de gemeenschappelijke ruimte wordt een groen dak toegepast, waarmee water wordt geborgen en opwarming van het gebouw wordt tegengegaan. Binnen het projectgebied worden maatregelen toegepast om hemelwater op eigen terrein te kunnen opvangen, infiltreren en vertraagd af te voeren. Door onder andere groene daken en andere waterbergende voorzieningen wordt het gebied beter voorbereid op piekbuien en langdurige droogte. Deze aanpak draagt bij aan een klimaatbestendige inrichting van het terrein. Conclusie Het aspect klimaatadaptatie is geen belemmering voor dit project.
4.8
Groen en biodiversiteit
Toetsingskader Wettelijk kader is de voormalige Wet natuurbescherming (nb), die onderdeel geworden is van de Omgevingswet. Hierin wordt o.a. de bescherming van soorten geregeld. Diverse soorten zijn strikt beschermd, soms op basis van Europese afspraken. De Provincie Utrecht is hiervoor het bevoegd gezag. Bij een ontwikkeling moet beschreven worden wat de impact is op flora en fauna. Vaak moet hiervoor een quickscan gedaan worden en soms ook ecologisch vervolgonderzoek. Op basis hiervan kan beoordeeld worden of een ontwikkeling mogelijk is en of er mitigerende en/of compenserende maatregelen moeten worden genomen.
34
De gemeente Houten heeft een visie Groen en Biodiversiteit. In deze visie wordt beschreven wat bij een ontwikkeling de mogelijkheden zijn om de biodiversiteit te verhogen. Aan de initiatiefnemer wordt een inrichtingsplan gevraagd: wat moet er eventueel aan groen verdwijnen voor de ontwikkeling en hoe wordt het gebied verder ingericht qua beplanting, soorten e.d. Ook vraagt de gemeente Houten aandacht te hebben voor natuurinclusief bouwen. Onderzoek en motivering Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn er diverse ecologische onderzoeken uitgevoerd. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 4.10 Ecologie van deze motivering. In het ontwerp wordt aandacht besteed aan het versterken van de biodiversiteit en het groene karakter van de omgeving. Zo worden er insectenhotels geplaatst en nestkasten voor zwaluwen in het gebouw geïntegreerd. Hiernaast wordt er een groen dak toegepast op de gemeenschappelijke ruimte en een binnentuin gerealiseerd met een rijke beplanting. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect groen en biodiversiteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Mobiliteit en parkeren
4.9.1
Toetsingskader
De gemeente Houten streeft naar een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en investeert in het behoud en de ontwikkeling van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Nieuwe functies brengen extra verkeer met zich mee. Bij de toelating van een (nieuwe) functie moet daarom worden aangetoond welk effect dit heeft op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Ook de verkeersontsluiting moet duidelijk worden gemaakt. Daarnaast moet worden onderzocht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en scooters en hoe deze wordt ingevuld. Eventuele effecten mogen niet onaanvaardbaar zijn en moeten binnen het eigen terrein worden opgevangen. De ontwikkelingen worden getoetst aan de Nota Parkeernormen Houten. 4.9.2
Onderzoek en motivering
Verkeer Om de verkeersgeneratie te berekenen is gebruik gemaakt van de kengetallen van het CROW (Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering, publicatie 744). Volgens de richtlijnen van het CROW en de Parkeernota van de gemeente Houten (2021) valt het projectgebied onder het gebiedstype 'rest bebouwde kom', aangezien het is gelegen in een woonwijk nabij het centrum van de kern Houten. De gemeente Houten wordt door het CBS aangemerkt als een 'sterk stedelijke gemeente'. Huidige situatie In de huidige situatie is binnen het projectgebied een basisschool gevestigd met een oppervlakte van circa 1.150 m². De basisschool kan worden getypeerd als 'basisonderwijs'. Voor een basisschool zijn geen kencijfers door het CROW bepaald. Wel kan gesteld worden dat de medewerkers van de school die met de auto komen, zorgen voor twee voertuigbewegingen per medewerker, per dag ('s ochtends bij aankomst en 's middags bij vertrek). Uitgaande van gemiddeld 4 medewerkers die met de auto naar werk gaan, levert dit 8 voertuigbewegingen per etmaal op. Voor het halen en brengen van leerlingen van de basisschool is gekeken naar de hoeveelheid leerlingen die op de locatie zijn gehuisvest. De basisschool biedt onderwijs aan 141 leerlingen uit de onderbouw (groep 1 tot en met 4. Voor de berekening van de voertuigbewegingen is een worst-casebenadering
35
gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de situatie dat 25% van de leerlingen met de auto naar school wordt gebracht en gehaald op twee momenten ('s ochtends en 's middags). Uitgaande van 141 leerlingen betekent dit (141*0,25*4=) 141 voertuigbewegingen per etmaal. Alles bij elkaar wordt er voor de basisschool uitgegaan van een verkeersgeneratie van (141+8=)149 voertuigbewegingen per etmaal. Toekomstige situatie Alle bebouwing die in de huidige situatie aanwezig is, wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt in de toekomstige situatie een woongebouw gerealiseerd. Dit woongebouw bestaat uit 40 appartementen. De 40 appartementen zijn bestemd voor koop en huur en hebben verschillende afmetingen. Volgens het CROW kunnen 13 appartementen worden getypeerd als 'Huur, appartement, sociale huur, 50-75 m² bvo', 6 appartementen als 'Huur, appartement, vrije sector, < 75 m² bvo' ,2 appartementen als 'Huur, appartement, vrije sector, 75-100 m² bvo', 17 appartementen als 'Koop, appartement, 75-100m2 bvo' en 2 appartementen als 'Koop, appartement, >100m2 bvo'. Zie navolgende tabel voor de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie.
Tabel verkeersgeneratie van de toekomstige situatie
Dit komt voor de toekomstige situatie uitgaande van 40 appartementen neer op gemiddeld 167,8 voertuigbewegingen per etmaal, afgerond 168. Dit betekent dat met het initiatief sprake is van een kleine toename van het aantal voertuigbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. De toename bedraagt (168-149 =) 19 voertuigbewegingen per etmaal. Deze toename is gezien de aard en omvang van de ontwikkeling beperkt. Hiernaast zullen de verkeersbewegingen van de toekomstige situatie meer gespreid over de dag plaatsvinden, dit in tegenstelling tot de huidige situatie, waarbij sprake is van piekmomenten in de ochtend en in de middag. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het initiatief voorziet. Om te kunnen achterhalen wat de passende parkeersituatie is door Goudappel een Parkeeronderzoek en -telling (kenmerk : 022950.20260224.R1.02, d.d. 26 februari 2026) uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Aanleiding voor dit onderzoek is dat het huidige parkeerbeleid (vastgesteld in 2021) hogere parkeernormen hanteert dan in de praktijk nodig blijkt. Om die reden heeft Goudappel onderzocht wat een passende parkeernormen zijn voor de ontwikkeling, gebaseerd op daadwerkelijk autobezit en de parkeerdruk in de omgeving van het projectgbied.
Als eerste zal worden toegelicht hoeveel parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, waarna de parkeerbehoefte en het parkeren in de openbare ruimte aan bod komen. Voor deze laatste twee aspecten is het onderzoek van Goudappel als onderbouwing gebruikt. Parkeren op eigen terrein
36
De invulling van de parkeerbehoefte gebeurt op naast in de openbare ruitme ook op eigen terrein. Op eigen terrein worden 29 plaatsen gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen zullen openbaar of semi-openbaar worden aangeboden en zijn daarmee geschikt voor dubbelgebruik.
Indicatieve tekening situering parkeerplaatsen op eigen terrein (afbeelding is georiënteerd op het oosten)
Parkeerbehoefte Uitgaande van het woonprogramma (40 appartementen in diverse woningcategorieën en een ontmoetingsruimte van 90 m²) is er conform gemeentelijk beleid een 58 parkeerplaatsen, waarvan 46 parkeerplaatsen voor bewoners en 12 parkeerplaatsen voor bezoekers. Zie navolgende tabel voor de parkeernorm per woningtype.
Ongewogen parkeerbehoefte
Openbare parkeerplaatsen kunnen door verschillende doelgroepen worden gebruikt, dit heet dubbelgebruik. Aan de hand van aanwezigheidspercentages (de mate waarin verschillende doelgroepen een parkeerbehoefte hebben) kan rekening worden gehouden met dit effect. In het gemeentelijke parkeerbeleid (gebaseerd op CROW-publicatie 381) zijn dergelijke aanwezigheidspercentages opgenomen. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabel. Het gearceerde moment, de werkdagavond, betreft het maatgevende moment van de week (met moment met de hoogste parkeerbehoefte).
37
* Gewogen parkeerbehoefte (inclusief dubbelgebruik) conform gemeentelijk beleid; Parkeerdruk openbaar na bezetting 29 parkeerplaatsen eigen terrein
De gewogen parkeerbehoefte bedraagt 51 parkeerplaatsen, waarbij de werkdagavond het maatgevende moment vormt. De parkeerdruk op openbaar terrein, na de toepassing van 29 parkeerplaatsen op eigen terrein, komt daarmee uit op 22 parkeerplaatsen. Hiernaast is op basis van niet openbare CBS-microdata onderzocht wat het daadwerkelijke autobezit is bij woningen binnen de bebouwde kom van Houten. Gebaseerd op het autobezit voor vergelijkbare woonwijken in Houten en op de bezoekersnorm uit CROW-publicatie 744 blijkt dat de ongewogen parkeerbehoefte op basis van het autobezit 47 parkeerplaatsen bedraagt. Zie navolgende tabel.
Ongewogen parkeerbehoefte op basis van CBS-microdata
Wanneer deze behoefte wordt gewogen (op basis van de aanwezigheidspercentages), komt deze uit op 41 parkeerplaatsen, waarbij de werkdagavond en -nacht als maatgevend moment worden beschouwd. Zie navolgende tabel.
* Gewogen parkeerbehoefte op basis van CBS-microdata (en op basis van aanwezigheidspercentages) Parkeerdruk op de openbare ruimte na gebruik van 29 parkeerplaatsen op eigen terrein
De resultaten vallen aanzienlijk lager uit dan de parkeerbehoefteberekeningen conform het vigerende gemeentelijke beleid. Volgens dit beleid bedraagt de gewogen parkeerbehoefte een maximale bezetting van 22 auto's in de openbare ruimte, terwijl dit op basis van de microdata-analyse slechts 12 auto’s blijkt te zijn. Zowel de parkeerbehoefte op basis van het feitelijke autobezit als de herijkte bezoekersnorm leiden tot
38
reducties ten opzichte van de standaard parkeernormering. Hierdoor is het zeer aannemelijk dat sprake zal zijn van een parkeeroverschot wanneer het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd conform het gemeentelijk beleid. Deze bevindingen zijn gebruikt om verdere conclusies te kunnen stellen op basis van de parkeerdrukmetingen. Parkeren in de openbare ruimte Ten behoeve van dit onderzoek is een parkeerdrukmeting uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn noodzakelijk om de parkeerbehoefte van de ontwikkeling af te zetten tegen de feitelijke bezetting van de openbare parkeercapaciteit. In de parkeernormennota is vastgelegd dat voor de functie wonen buiten het centrum een acceptabele loopafstand van 150 meter geldt. Deze afstand is daarom als uitgangspunt gehanteerd bij het bepalen van het relevante zoekgebied tussen de parkeerplaatsen en de ontwikkeling. Het gemeentelijk beleid hanteert maximale bezettingsgraden voor parkeren in de openbare ruimte. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat de parkeerdruk als gevolg van de ontwikkeling niet hoger mag worden dan 85%. Om te beoordelen hoe de huidige parkeersituatie functioneert en of sprake is van restcapaciteit, is gekeken naar de daadwerkelijke bezetting van het parkeeraanbod in de omgeving. Hiervoor is een parkeeronderzoek uitgevoerd in de vorm van een parkeerdrukmeting.
In totaal zijn zes metingen uitgevoerd op drie verschillende momenten: Werkdagmiddag (2 metingen) Werkdagavond (2 metingen) Weekenddagmiddag (2 metingen) Binnen de gehanteerde loopafstand van 150 meter is het openbare parkeeraanbod vastgesteld op 254 parkeerplaatsen. Dit aanbod is bepaald door gemarkeerde parkeerplaatsen te tellen en waar nodig locaties voor straatparkeren te inventariseren. Zie de navolgende tabel voor de resultaten van de parkeerdrukmeting op de maatgevende momenten.
Resultaten parkeerdrukmeting
Uit de tabel blijkt dat de donderdag nacht van 22 januari het drukst gemeten moment was. Op dit moment was circa 61% van de parkeerplaatsen bezet, wat resulteert in een totaal van 154 bezette parkeerplaatsen en 100 vrije parkeerplaatsen. In de navolgende tabel is het planeffect van de ontwikkeling bepaald op de openbare parkeerdruk. Dit wordt gedaan door de parkeerbehoefte aan de hand van de CBS-microdata uit te zetten tegen de vrije parkeerplaatsen voor elk gegeven moment. Op basis van deze waarden is een toekomstige parkeerdruk berekent.
39
* Planeffect op de parkeerdruk in de openbare ruimte (conform CBS-microdata) Parkeerdruk op de openbare ruimte na gebruik van 29 parkeerplaatsen op eigen terrein
Hieruit blijkt dat er op het drukste gemeten moment (de werkdag nacht) een toename ontstaat in de parkeerbehoefte van de omgeving van 12 parkeerplaatsen. Dit resulteert in een parkeerdruk van 166 auto's en daarbij 88 parkeerplaatsen die ongebruikt zijn. De bezetting op dat moment betreft 65% inclusief de parkeerbehoefte van de ontwikkeling. Dit is een sluitende balans waarbij de grenswaarde uit het gemeentelijke beleid van 85% bezetting niet wordt overschreden. Fiets parkeren Volgens Bijlage C van de ‘Nota Parkeernormen Houten’ dient bij woonfuncties een afsluitbare, goed bereikbare en genummerde fietsenberging te worden gerealiseerd, waarbij het aantal fietsparkeerplaatsen afhankelijk is van de gebruiksoppervlakte van de woningen. Voor woningen met een gebruiksoppervlakte van 50 tot 75m² geldt een norm van 3 fietsparkeerplaatsen per woning , voor woningen met een gebruiksoppervlakte van 75 tot 100 m² geldt een norm van 4 fietsparkeerplaatsen per woning en voor woningen met een gebruiksoppervlakte van 100 tot 125 m² geldt een norm van 5 fietsparkeerplaatsen per woning. Binnen het projectgebied worden 15 appartementen met een gebruiksoppervlakte tussen 50 en 75, 23 appartementen met een gebruiksoppervlakte tussen 75 en 1002 en 2 appartementen met een gebruiksoppervlakte tussen 100 en 125m2 .
Dit resulteert in een totale fietsparkeerbehoefte van (15x3)+(23 × 4) + (2 × 5) = 162 fietsparkeerplaatsen. Deze fietsparkeerbehoefte wordt opgelost in de bergingen die bij elke woning wordt gerealiseerd. Per woning wordt een berging gerealiseerd van mnimaal 5m2. Ten aanzien van fietsparkeren voor bezoekers worden 20
40
parkeerplaatsen geraliseerd op straatniveau. 4.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Ecologie Toetsingskader Als de gewenste ontwikkeling effecten kan hebben op de ecologische situatie in het plangebied, moet de initiatiefnemer voor een BOPA-procedure inzichtelijk maken wat deze effecten inhouden. Dit met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan en of het voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij wordt gekeken naar soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daarnaast moet worden gemotiveerd of het plan aan het gemeentelijk ecologiebeleid voldoet. De initiatiefnemer kan ecologie onderbouwen met een Quickscan flora en fauna en mogelijk vervolgonderzoek. Voor soortenbescherming moeten daarin naast de bekende beschermde soorten ook rode lijstsoorten worden meegenomen. Voor gebiedsbescherming wordt met name gekeken naar de stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie kan verder worden toegelicht in de paragraaf waarin AERIUS berekeningen worden toegelicht. Daarnaast moet worden gekeken of de ontwikkeling in een Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebied ligt of binnen de Groene contour. Als dit het geval is, moet worden voldaan aan de eisen die worden gesteld hierover van de omgevingsverordening van de provincie Utrecht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van op elkaar aangesloten natuurgebieden in ons land.
De gebieden binnen de Groene Contour zijn zones waar de provincie nog geen natuur ontwikkelt, maar waar wel kansen liggen voor natuurontwikkeling. De gebieden maken geen deel uit van het NNN, maar sluiten daarbij aan en kunnen deze versterken. De onderbouwing fysieke leefomgeving moet voor het aspect soortenbescherming de volgende punten bevatten: Soortenbescherming een toelichting van de resultaten van de QuickScan; een toelichting welke maatregelen worden genomen om de flora en fauna te beschermen Gebiedsbescherming een beschrijving van de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (zie verder paragraaf 4.12 stikstof), NNN gebieden en de Groene contour; indien het plangebied ligt binnen een NNN gebied of de Groene contour, in hoeverre het initiatief voldoet aan de provinciale verordening. Gemeentelijk beleid een motivering in hoeverre het initiatief voldoet aan het landschapsontwikkelingsplan Houten. Onderzoek en motivering QuickScan ecologie Door ecologisch adviesbureau Els & Linde B.V. is de QuickScan ecologie (projectnummer: 23.005, d.d. 1 maart 2023) uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 bij deze motivering.
41
In de uitgevoerde QuickScan is door ecoloog beoordeeld of er een kans is op aanwezigheid van beschermde soorten. Daarbij wordt gelet op de structuur van de omgeving, aanwezige habitats en landschapselementen. Tevens wordt gezocht naar sporen van beschermde soorten. De uitgevoerde QuickScan gaat ui van onderstaande activiteiten: Een literatuur/bronnenonderzoek met betrekking tot de potentieel aanwezige beschermde soorten binnen de planlocatie; Een veldbezoek waarbij de locaties worden beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Hierbij worden bijvoorbeeld de te kappen bomen beoordeeld op geschiktheid voor vleermuizen en jaarrond beschermde nesten; Voor de aangetroffen strikt beschermde soorten wordt, door een beschrijving van de ecologische functionaliteit van het gebied (foerageergebied, migratieroute, voortplantingsgebied of winterverblijf, enz.), aangegeven hoe het gebied door iedere soort wordt gebruikt; Een schatting van de impact van de werkzaamheden op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten; Een effectbeoordeling gericht op (eventueel) nabij gelegen beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk en Weidevogelleefgebied). Om een goed oordeel te kunnen geven is op 2 februari 2023 door een ecoloog een bezoek gebracht aan de planlocaties.
Tijdens het veldbezoek is onderzocht of er in potentie beschermde planten en dieren aanwezig zijn binnen de planlocaties. Daarvoor is gezocht naar sporen en andere aanwijzingen van planten en dieren. Op basis van de aanwezige herkenbare begroeiing en habitats, is beoordeeld of er leefgebieden aanwezig zijn voor beschermde soorten. In de uitgevoerde QuickScan ecologie wordt geconcludeerd dat, ter plaatse van de projectlocatie, de aanwezigheid van vleermuizen, gierzwaluw en huismus niet kan worden uitgesloten. Deze soorten kunnen het pand binnendringen via de openingen in het pannendek, en openingen in de gevel van het pand. Hiertoe is een aanvullend ecologisch onderzoek naar deze soorten noodzakelijk. Aanvullende ecologisch onderzoek huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen Gezien de resulteren van de ecologische QuickScan is door adviesbureau Els & Linde B.V. is een aanvullend ecologisch onderzoek naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen uitgevoerd. Dit onderzoek (projectnummer: 23.098, d.d. 27 oktober 2023) is opgenomen als Bijlage 6 bij deze motivering. In het onderstaande zijn de conclusie van het nader onderzoek kort samengevat. -
Huismus
Het onderzoek naar huismussen is conform de handleidingen voor goede inventarisaties uitgevoerd. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek naar de huismus blijkt dat er geen nestplekken aanwezig zijn binnen de planlocatie. -
Gierzwaluw
Het onderzoek naar gierzwaluwen is conform de handleidingen voor goede inventarisaties uitgevoerd. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw blijkt dat er geen nestplekken aanwezig zijn binnen de planlocatie. -
Vleermuis
Het onderzoek naar vleermuizen in conform het vleermuisprotocol en andere handleidingen voor goede inventarisaties uitgevoerd. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoekt blijkt dat er 1 zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis aanwezig binnen de planlocatie. Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit bij de provincie Utrecht Gezien de aanwezigheid van 1 zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis is het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit bij de provincie Utrecht noodzakelijk. Voor de aanvraag is door Blom Ecologie het 'Mitigatieplan sloop/nieuwbouw Beverakker 19 te Houten' opgesteld. Dit
42
rapport (project: 2026-0106, d.d. 11 februari 2026) is opgenomen als Bijlage 7 bij deze motivering. In het immigratieplan wordt o.a. ingegaan op de te nemen mitigerende maatregelen zoals instaleren van tijdelijke vleermuiskasten en het realiseren van permanente voorzieningen in de nieuwe bebouwing. In de toekomstige situatie zullen in totaal 4 vleermuisinbouwstenen ingebouwd worden. De vleermuisinbouwstenen worden op een voor de vleermuis geschikte plek aangebracht. De aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit bij de provincie Utrecht is medio februari 2026 ingediend. In het ontwerp wordt eveneens aandacht besteed aan het versterken van de biodiversiteit en het groene karakter van de omgeving. Zo worden er insectenhotels geplaatst en nestkasten voor zwaluwen in het gebouw geïntegreerd. Hiernaast wordt er een groen dak toegepast op de gemeenschappelijke ruimte en een binnentuin gerealiseerd met een rijke beplanting. Voortoets stikstofdepositie Het projectgebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Aangezien het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ca. 11,5 km afstand ligt zijn negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering,verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten uitgesloten. Door Buro Ontwerp & Omgeving is in November 2025 een voortoets stikstof uitgevoerd.
Zie paragraaf 4.12 voor een uitgebreidere toelichting over de uitgevoerde voortoets stikstof. Bomeneffectanalyse In de huidige situatie zijn langs de grens van het projectgebied 16 gemeentelijke bomen aanwezig. Om te bepalen of de bomen bij de uitvoering van het initiatief duurzaam behouden kunnen blijven is door Rooibos Boomverzorging een bomeneffectanalyse (project: 2026-0106 , d.d. 2 maart 2026) uitgevoerd. Deze bomeneffectanalyse is als Bijlage 8 opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanpassingen nodig zijn om de bomen te behouden, alleen voor de boom nabij de geplande nutsvoorzieningen wordt geadviseerd het tracé op 2 meter afstand aan te leggen. De invloed van de sloop- en bouwwerkzaamheden op het bomenbestand is beperkt, maar om schade te voorkomen zijn maatregelen noodzakelijk, zoals het aanbrengen van stamommanteling, het afschermen van groeiplaatsen en het zorgvuldig omgaan met wortels en verharding binnen de kroonprojectie. Daarnaast dienen specifieke randvoorwaarden te worden toegepast zodat blootgelegde of te verwijderen wortels correct worden behandeld en zwaar verkeer op onverharde groeiplaatsen wordt vermeden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect groen en biodiversiteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
Hierbij is het verkrijgen van een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit bij de provincie Utrecht noodzakelijk.
4.11 Landschap Toetsingskader De gemeente Houten volgt hierbij het provinciale beleid, zoals: niet bouwen buiten de rode contour en in het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinies. Ook het landschapsontwikkelingsplan (LOP) en beeldkwaliteitsplan (BKP) geven richtlijnen voor het beoordelen van ontwikkelingen. Onderzoek en motivering Het projectgebied aan de Beverakker 19 ligt binnen bestaand stedelijk gebied van Houten en binnen de provinciale rode contour. De locatie maakt geen deel uit van beschermde landschappelijke structuren van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De directe omgeving wordt gekenmerkt door woonbebouwing
43
met twee bouwlagen (en kap) en enkele kleinschalige appartementencomplexen. De nieuwe bebouwing sluit qua schaal, massa en bouwhoogte aan bij deze bestaande stedelijke context. Het ontwerp voorziet in een zorgvuldig ingepaste bouwmassa met drie bouwlagen, waarbij de architectuur aansluit bij het dorpse karakter van Houten. De lichte baksteenarchitectuur met witte accenten en horizontale banden sluit aan bij de bestaande bebouwingsstijl in de wijk. In de inrichting van de buitenruimte is aandacht besteed aan het groene en open karakter van de omgeving. De toevoeging van bomen en een gezamenlijke binnentuin versterkt de ruimtelijke samenhang en draagt bij aan een geleidelijke overgang tussen privé- en openbaar gebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect landschap geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Stikstof (AERIUS) Toetsingskader Dit is een onderdeel van gebiedsbescherming. Het stikstofbeleid wordt regelmatig aangepast. In december 2024 is bepaald dat intern salderen geen onderdeel meer is van de voortoets, waardoor deze altijd vergunningplichtig is. Wegens het additionaliteitsprincipe is intern salderen op dit moment lastig. Artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn bepaalt dat voor plannen die (afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied (Natura 2000-activiteiten), een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Om te beoordelen of een plan significante gevolgen kan hebben, wordt eerst een voortoets uitgevoerd. Een voortoets bestaat uit berekeningen van de aanlegfase en de gebruiksfase. Voor de voortoets heeft de overheid het rekenprogramma AERIUS Calculator ontwikkeld. Dit is het wettelijk voorgeschreven rekeninstrument om stikstofdepositie van activiteiten op Natura 2000-gebieden te berekenen. Wanneer een stikstofbijdrage hoger is dan 0,00 mol/ha/jr op een (bijna) overbelast stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, dan kunnen negatieve effecten niet op voorhand worden uitgesloten. In dat geval is meestal een passende beoordeling nodig en is het plan vergunningplichtig.
De provincie wordt in dat geval mede-beoordelaar van de ontwikkeling. Het plan mag dan alleen worden vastgesteld wanneer uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast (artikel 10.24 lid 1 respectievelijk 8.74b lid 1 Bkl). De onderbouwing fysieke leefomgeving moet voor het aspect stikstofdepositie de volgende punten bevatten: een toelichting van de resultaten van de voortoets waarin de realisatiefase en de gebruiksfase zijn berekend middels recente versie van de AERIUS calculator; of hieruit volgt dat er sprake is van een passende beoordeling/Natura-2000 activiteit; een toelichting van de passende beoordeling/Natura-2000 activiteit, als deze al is uitgevoerd. Onderzoek en motivering Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van 40 woningen nabij het centrum van Houten. Als gevolg van de ingebruikname van de nieuwe woningen zal het aantal verkeersbewegingen toenemen en door het gebruik van werktuigen kunnen er indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om de mogelijke effecten van de voorgenomen woningbouwontwikkeling op nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een voortoets stikstofdepositie middels AERIUS-berekening uitgevoerd. De voortoets met AERIUS- berekeningen voor de gebruiks- en de bouwfase (projectnummer: 4475.01, d.d.
19 februari 2026) is opgenomen in Bijlage 9 bij deze motivering. Het projectgebied ligt buiten Natura 2000-gebieden en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op
44
circa 11,5 km afstand. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Er is dus geen significante toename als gevolg van het initiatief. Er is ook voor de realisatiefase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Ook in de realisatiefase blijkt dat er geen depositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect stikstof geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Houten ligt binnen een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Dit betekent dat de omgevingswaarden altijd in acht genomen moeten worden bij plannen in Houten. In de onderbouwing moet worden aangegeven of: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Naast van het effect van een initiatief op de luchtkwaliteit, beoordeelt de gemeente ook of de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is extra aandacht voor hoog gevoelige groepen (o.a. zieken, ouderen, kinderen) en emissies vanuit veehouderijen gewenst, daar wordt hieronder nader op ingegaan. ETFAL In principe wordt bijna overal in Nederland voldaan aan de rijksomgevingswaarden (§ 2.2.1.1. Bkl). Het is echter afhankelijk van het gemeentelijk beleid of er sprake is van aanvaardbare luchtkwaliteit bij het toelaten van bepaalde functies.
Daarnaast worden deze omgevingswaarden naar verwachting in 2030 gehalveerd vanuit Europese wetgeving. De gemeente kan de initiatiefnemer vragen om berekeningen van de luchtkwaliteit om de aanvaardbaarheid te beoordelen. Wanneer de gemeente niet akkoord gaat met waarden die voldoen aan de rijksomgevingswaarden, dan moeten er wel strengere luchtkwaliteitswaarden vastgesteld zijn waar de gemeente naar streeft. Een andere manier om ETFAL te borgen is door in het beleid richtlijnen te bepalen tussen functies waar kwetsbare groepen verblijven (denk aan kinderen, mensen met mogelijke longziektes, etc.) en lucht vervuilende bronnen. Vanuit het Schone Lucht Akkoord is hierover een advies geschreven. Ook de GGD heeft hierover advies afstanden bepaald, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Hooggevoelige groepen (Schone Lucht Akkoord) Het Schone Lucht Akkoord (SLA) is door de gemeente Houten ondertekend. Vanuit het SLA is een advies geschreven, hoe lokale overheden hooggevoelige groepen kunnen beschermen. Hooggevoelige groepen zijn onder andere scholen, kinderopvang en wooncentra voor ouderen. De gemeente kan hooggevoelige groepen ook breder definiëren.
In het advies wordt geadviseerd om de volgende minimale afstanden aan het houden voor het toelaten van functies waar hooggevoelige groepen verblijven: 150 meter tot snelwegen 25 meter tot drukke binnenstedelijke wegen ('druk': meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal)
45
50 meter tot provinciale wegen Wanneer het niet lukt om de adviesafstanden aan te houden, kunnen per specifieke situatie de volgende stappen worden afgegaan: houd ook zo veel mogelijk afstand. kies voor de minst ongunstige locatie. (bijvoorbeeld langs de minst drukke weg of een locatie met afscherming) neem maatregelen die emissies van de bron beperken. neem maatregelen die de blootstelling van hooggevoelige groepen op de locatie beperken. (bijvoorbeeld door te zorgen dat binnen een gebouw verblijfsruimten zoveel mogelijk aan de verkeersluwe zijde zijn. Laat u hierbij adviseren door de GGD. Emissies vanuit veehouderijen Verder geldt dat uit onderzoek blijkt dat hoe dichterbij een veehouderij bij woningen ligt, hoe hogere blootstelling aan stofdeeltjes, endotoxinen en micro-organismen. Dit leidt tot een toename van gezondheidsrisico's. Als het gaat om het toelaten van een gevoelige functie (woon-, zorg-, onderwijs- of opvangfunctie) in de buurt van een snelweg of veehouderij moet de plaatselijke luchtkwaliteit mee worden gewogen in de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De GGD heeft hiervoor (advies)richtafstanden bepaald.
Er is een kwalitatieve onderbouwing noodzakelijk wanneer de volgende richtafstanden worden overschreden: 2 km tussen gevoelige bestemming en geitenhouderijen 500 meter tussen gevoelige bestemmingen en pluimveehouderijen Onderzoek en motivering Het plan voorziet in de realisatie van 40 woningen. De woningen maken deel uit van een woonconcept gericht op 'jongere' en 'oudere' senioren vanaf 55+, die zelfstandig willen wonen met de mogelijkheid tot onderlinge ondersteuning en gedeelde voorzieningen. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Het projectgebied is gelegen in het aandachtsgebied 'NO2 én PM10 - wegverkeer' van de agglomeratie Utrecht. Dit vraagt om een zorgvuldige beoordeling van de luchtkwaliteit, zeker gezien de aanwezigheid van een doelgroep. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK maakt gebruik van specifieke meetpunten, hoofdzakelijk langs (rijks- en provinciale) wegen.
Het meest nabij gelegen meetpunt is op de Rondweg, ter hoogte van het projectgebied (30279619_190066). Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tot 2030. De gemeente Houten is één van de gemeenten welke gecommitteerd zijn aan het Schone Lucht Akkoord. Het doel van het Schone Lucht Akkoord is om gezamenlijk de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren. Deelnemende partijen nemen maatregelen om de luchtverontreiniging van binnenlandse bronnen te beperken. Met de aanpak van de binnenlandse bronnen wordt gestreefd naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Een andere afspraak uit het Schone Lucht Akkoord is dat partijen toewerken naar de WHO-advieswaarden in 2030. De advieswaarden uit 2005 zijn daarbij uitgangspunt. Hoewel woningbouw geen gevoelige functie is, is bij dit plan sprake van woningen voor senioren vanaf 55+ waarvan de bewoners tot een relatief gevoelige groep kunnen behoren ten aanzien van luchtverontreiniging.
46
Op 14 oktober 2024 heeft de Europese Raad ingestemd met een herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijn waardoor er nieuwe wettelijke grenswaarden gaan gelden binnen enkele jaren. Het rekenpunt dat het dichtst bij het projectgebied ligt kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5. Stof
Monitoring jaar Monitoring jaar Wettelijke WHOEU-grenswaarden 2030 2025 (µg/m3) 2030 (µg/m3) grenswaarde advieswaarden (µg/m3) n (µg/m3) 2005 (µg/m3) NO2 15,2 12,7 40 40 20 PM10 15,2 14,4 40 20 20 PM2,5 8,4 7,5 25 10 10 De monitoringstool maakt duidelijk dat de betreffende concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2025 en 2030 in het projectgebied onder de huidige grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De grenswaarden die zijn bepaald voor vanaf 2030 worden tevens aan voldaan voor het monitoring jaar 2025 en 2030. Tevens blijft de hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied onder de advieswaarden uit 2005 van het WHO, welke momenteel nog voor het Schone Lucht Akkoord gelden. De recentere WHO-grenswaarden uit 2021, en daarnaast het EU-beleid zero-pollution 2050 worden voor de drie verschillende stoffen alle overschreden.De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het plan.
4.14 Geluid Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen en activiteiten en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere bestemmingen waar mensen verblijven tegen geluid. Geluid door activiteiten Wanneer een functie met geluid producerende activiteiten wordt ontwikkeld moet worden gemotiveerd of deze ontwikkeling uitvoerbaar is op het gebied van ruimtelijke inpasbaarheid. Wanneer een geluidgevoelig gebouw wordt toegevoegd moet worden gemotiveerd of deze functie de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet inperkt. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (zie artikel 22.57 bruidsschat waar waarden gelden). Wanneer een niet-geluidgevoelig gebouw wordt toegevoegd moet (kwalitatief) worden gemotiveerd dat deze functie wordt gerealiseerd in een aanvaardbaar leefklimaat en op het gebied van aanvaardbaarheid geen omliggende bedrijven inperkt.
In de bruidsschat is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 Bruidsschat); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 Bruidsschat); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 Bruidsschat).
47
Geluid door (spoor)wegverkeer Wanneer de ontwikkeling van een geluidgevoelig gebouw plaatsvindt langs een weg met een intensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, dan moet in het kader van het 'evenwichtig toedelen van functies aan locaties' (ETFAL) een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd of een motivering worden gegeven. Bij lagere intensiteiten kan in afstemming met het bevoegd gezag ook worden gekozen voor een kwalitatieve onderbouwing. In het kader van ETFAL kan in sommige gevallen een intensiteit onder de 1.000 namelijk ook relevant zijn. Dit kan komen door een toename van de verkeersintensiteit in de toekomst of het type wegdek. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De gemeente beoordeelt het geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
Daarnaast wordt in deze motivering, als de standaardwaarde wordt overschreden, inzichtelijk gemaakt welke maatregelen aan de bron, de overdracht of het gebouw zijn genomen om de geluidsbelasting zo laag mogelijk te laten zijn, en welke maatregelen noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat sprake is van een geluidsluwe gevel. De onderbouwing fysieke leefomgeving moet voor het aspect geluid de volgende punten bevatten: een toelichting van de ligging van het plangebied ten opzichte van wegen, spoorwegen, industrieterreinen en geluid veroorzakende functies. als het gaat om een functie met geluidbelasting op de omgeving, een toelichting van de ligging van het plangebied ten opzichte van andere functies. indien van toepassing, een toelichting van de geluidsonderzoeken en een motivering waarom de ontwikkeling voldoet aan ETFAL. indien van toepassing een kwalitatieve motivering over de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling op het gebied van geluid. Onderzoek en motivering Voor het plan worden woningen (geluidsgevoelige functies) gerealiseerd. Het projectgebied ligt binnen een bestaande woonwijk en wordt omgeven door verschillende wegen. De Dassenakker en de Beverakker zijn beide 30 km/uur-wegen waarop op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een tijdelijk geluidaandachtsgebied van 100 meter van toepassing is. Voor deze wegen is een akoestisch onderzoek noodzakelijk.
De overige relevante omliggende woonstraten, waaronder de Hazenakker, kennen een verkeersintensiteit van minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Voor dergelijke wegen geldt op grond van het Bkl geen geluidaandachtsgebied en naar verwachting hebben deze wegen geen relevante invloed op het akoestische klimaat. Akoestisch onderzoek naar deze wegen is daarom niet noodzakelijk. In november 2025 heeft Buro Ontwerp & Omgeving een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van de Dassenakker en de Beverakker. De volledige onderzoeksrapportage (0rojectnummer: 4475.01, d.d. 24 november 2025) is als Bijlage 10 bij deze motivering opgenomen. De cumulatieve geluidbelasting wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre de geluidbelasting toelaatbaar is. Bij het cumulatieve geluid wordt rekening gehouden met de hinderlijkheid ervan. Voor het projectgebied bedraagt de hoogste cumulatieve waarde 53 dB, wat volgens de Miedema-classificatie valt in de categorie 'redelijk'. De cumulatieve geluidbelastingen is hiermee volgens de kaders van het Bkl acceptabel. Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een
48
minimale geluidsisolatie van 20 dB.Wanneer de gevels van de nieuwe woningen conform de geldende Bbl-eisen worden uitgevoerd, wordt daarmee automatisch voldaan aan de benodigde gevelwering en kan de binnenwaarde van 33 dB worden bereikt. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
4.15 Geur Toetsingskader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. Als de BOPA de realisatie van een geurgevoelige bestemming inhoudt, moet bij deze ontwikkeling rekening gehouden worden met de geldende geurnormen in de bruidsschat. Als er een niet-geurgevoelige bestemming wordt gerealiseerd dan geldt altijd de aanvaardbaarheidseis. In de bruidsschat zijn verschillende regels over geur opgenomen. Wanneer een ontwikkeling hier betrekking op heeft moet dit worden gemotiveerd in de onderbouwing. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De initiatiefnemer motiveert, afhankelijk van het voorgenomen plan, kwalitatief of door middel van geuronderzoek dat er wordt voldaan aan de waarden uit de bruidsschat en het Bkl.
Als het gaat om de realisatie van een niet-geurgevoelig gebouw zal een kwalitatieve motivering voldoende zijn. Het toevoegen van een bestemming waar mensen verblijven mag niet de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven inperken. De onderbouwing fysieke leefomgeving moet voor het aspect geur de volgende punten bevatten: indien van toepassing, een toelichting van de ligging van het plangebied ten opzichte van geur veroorzakende functies (veehouderijen, andere landbouwactiviteiten, industrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en andere milieubelastende activiteiten); als het gaat om een functie met geurbelasting op de omgeving, een toelichting van de ligging van het plangebied ten opzichte van geurgevoelige functies; indien van toepassing, een toelichting van de geuronderzoeken en een motivering waarom de ontwikkeling voldoet aan ETFAL; indien van toepassing een kwalitatieve motivering over de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling op het gebied van geur. Onderzoek en motivering Het plan voorziet in het toevoegen van woningen. Hiermee is er sprake van de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten. In de relevante omgeving van het projectgebied is geen veehouderij, of andere bedrijvigheid die geurhinder veroorzaakt, gevestigd. Een berekening van mogelijke geurhinder op de geurgevoelige objecten binnen het projectgebied is dan ook niet nodig. Conclusie
49
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het plan.
4.16 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in het Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in het omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.
5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl). De onderbouwing fysieke leefomgeving moet voor het aspect omgevingsveiligheid de volgende punten bevatten: ligging ten opzichte van risicobronnen; indien de ontwikkeling een risicovolle activiteit zelf betreft, de ligging ten opzichte van kwetsbare functies;
50
in hoeverre wordt voldaan aan de hierboven beschreven regelgeving; indien van toepassing, welke maatregelen worden genomen om de veiligheidsrisico's te beperken. Onderzoek en motivering Het voorgenomen initiatief voorziet in de ontwikkeling van een woongebouw met 40 appartementen en een ontmoetingsruimte. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de externe veiligheidskaart van Atlas Leefomgeving. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een rode cirkel.
Externe Veiligheidskaart Atlas Leefomgeving
Het projectgebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 risicocontour afkomstig van stationaire of mobiele risicobronnen. Tevens is het projectgebied niet gelegen in een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het plan.
4.17 Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed Toetsingskader In het Bkl zijn t.a.v. de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Onderzoek en motivering
51
Archeologie Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij het 'Omgevingsplan gemeente Houten' wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld. Het projectgebied ligt volgens het geldende omgevingsplan, met onderliggend de beheersverordening 'Houten Noord en Zuid' niet op gronden waarbij archeologische waarden wordt verwacht. Om deze reden is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Conform de cultuurhistorische kaart van de gemeente Houten ligt het projectgebied niet in een gebied met cultuurhistorische waarden. Het pand zelf is tevens niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Er zullen dan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast worden door de planrealisatie. Het voorgenomen initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan het aspect cultuurhistorie niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect archeologie en cultureel erfgoed geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
4.18 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Een bodemgevoelig gebouw of bodemgevoelige locatie zijn plekken waar mensen langer dan 2 uur verblijven. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de tuin of terrein behorende bij woningen. De waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het definitieve omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4).
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit is ook het geval voor een gebouwtransformatie. De bodemkwaliteitskaart Houten geeft hiervoor een indicatie. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Bij een wijziging naar wonen of een activiteit waar kinderen verblijven is het belangrijk dat de tuin of het bijbehorende omliggend terrein wordt onderzocht. Vooronderzoek moet uitwijzen of verder onderzoek van bodem en/of grondwater nodig is om vast te kunnen stellen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden en/of dat er sprake is van een significante verontreiniging van grondwater. Het vooronderzoek moet worden uitgevoerd volgens de norm NEN 5725. De gemeente kan alsnog een onderzoek vragen om te kunnen bepalen of er sprake is van een uitvoerbaar plan en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als een
52
locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging en onvoldoende informatie bekend is over de daadwerkelijke kwaliteit van de bodem of het grondwater, dan is vervolgonderzoek conform de norm NEN 5740 noodzakelijk. Naast de regels uit het Bkl en het Bal moet een activiteit voldoen aan de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht. Hierin staan onder andere instructieregels over de grondwaterbeschermingsgebieden. Onderzoek en motivering Door Grondslag is in november 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek (Project: 40251, d.d. 1 november 2024) is bijgevoegd als Bijlage 11. Navolgend de belangrijkste conclusies uit het onderzoek. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat voor de locatie geen afwijking ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart zijn. De boven- en ondergrond zijn beoordeeld als kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de onderzochte parameters gemeten. Ook zijn er geen aanwijzingen voor bodemverontreiniging met asbest aangetroffen, waardoor de locatie als asbestonverdacht wordt beschouwd. Er is daarom geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Vrijkomende grond kan dus binnen het project worden hergebruikt. Indien afvoer nodig is, kan dit naar een grondbank, voor hergebruik buiten de regio is een partijkeuring vereist conform het Bkl.