CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Gewijzigd ontwerpbestemmingsplan Forward Farming Fruit (ASV III) gecomprimeerd

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente HoutenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Forward Farming Fruit, Provincialeweg 32 en hoek Lange Uitweg – Waalseweg (ASV III)20.875 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Binnen de beoogde erfinrichting worden deze principes toegepast. Bedrijfsverkeer (tractoren) komen niet op het schone voorerf maar blijven aan de achterzijde bij de loods. Bezoekers en extern verkeer kruisen niet met bedrijfseigen verkeer. Parkeerplaatsen voor bezoekers komen aan de voorzijde van het erf. En worden specifiek aangelegd voor bezoekers. Extern vrachtverkeer kan keren op het voorerf zonder te kruisen met intern bedrijfsverkeer. De ontvangstruimte maakt onderdeel uit van de permanent teeltondersteunende voorziening. Bezoekers worden vanuit de ontvangstruimte naar de onderzoekruimte geleid. Delen, opsplitsen of een andere van de functie gebieden is ongewenst. Vanwege het interne klimaat en bewegingen van nuttige insecten is het belangrijk dat de permanent teeltondersteunende voorziening voldoende oppervlak en hoogte heeft, compartimenteren van de onderzoeksruimte is derhalve geen optie. Zie ook paragraaf 3.3.5.1 onderbouwing noodzaak permanent teeltondersteunende voorziening. Toelichting

43

Voor het gehele perceel (19 ha.) is een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een gaard incl. regenkappen. De permanent teeltondersteunende voorziening sluit qua materiaal en vorm en schaal aan bij het achterliggende perceel dat is voorzien van regenkappen. Juist dit gedeelte van het eiland wordt gekenmerkt door het besloten karakter hierdoor kan een dergelijke bebouwing op deze plek worden ingepast. Het doorzicht aan de noordwest van het perceel in de voorliggende inpassing behouden. Voorliggende initiatief in combinatie met het inpassingsplan past binnen de ruimtelijke vertrekpunten van De komgronden ten noorden van Schalkwijk. 3.3.2.2 Waalseweg Het plangebied aan de Waalseweg bevindt zich in het deelgebieden 'Komgronden ten noorden van Tull en 't Waal' en 'Nieuwe Hollandse Waterlinie'. Beide worden hier beschreven en getoetst. 1. Deelgebied: Komgronden ten noorden van Tull en ' t Waal De komgronden ten noordoosten van Tull en 't Waal kenmerken zich door een contrasterend landschap: de openheid van het Linielandschap (inundatieveld en schootsveld Werk aan de Waalse Wetering) en de beslotenheid van de fruitboomgaarden en bosschages. De landbouw is en blijft hoofdbeheerder van het landschap. Er wordt ruimte geboden aan recreatie ondernemers, mits initiatieven passen bij een duurzaam eiland.

Het kan gaan om agrariërs die mogelijkheden zien voor verbreding of nieuwe ondernemers. Door het landschap (gedeeltelijk) te verdichten kan het landschap een diversiteit aan recreatieve functies opnemen en kan de belevingswaarde worden versterkt. De maat en schaal van het gebied vragen om een zorgvuldige inpassing. Uitgangspunt is hoofd- en nevenfuncties te faciliteren en waar nodig te ondersteunen met bebouwing. Eventueel toe te voegen bebouwing dient een bijdrage te leveren aan een duurzame ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk. Ruimtelijke dragers landschappelijke kwaliteit De hoger gelegen komgronden ten noorden van Tull en 't Waal kennen een copeverkaveling (110 meter breed en 1250 meter lang). Met name de karakteristieke diepe doorzichten over de gehele diepte van de polder tot aan het AmsterdamRijnkanaal zijn een belangrijke ruimtelijke kwaliteit. Het deelgebied wordt in het zuiden begrensd door het bebouwingslint van Tull en 't Waal en in het 44

ASV III

noorden door de Schalkwijksewetering met bijbehorende karakteristieke wilgenbeplanting en het oostelijke deel van het bebouwingslint van Schalkwijk. Binnen het gebied liggen het Werk aan de Waalsewetering en het inundatiekanaal, karakteristieke elementen uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deeloets Komgronden ten noorden van Tull en ' t Waal Het realiseren van de compensatiewoningen houdt sterk verband met de versterking van de agrarische structuur van het Eiland. Vanwege het beschutte karakter en de hogere ligging leent de omgeving zich voor het opnemen van compacte nieuwe ruimtelijke initiatieven. Het voorliggende plan draagt bij aan het behoud van de structuur van de copeverkaveling. Door het verdichten en het verstreken van het beschutte karakter wordt contrast met de open gebieden vergroot. Door het voorliggende wordt de bestaande copeverkaveling gerespecteerd en worden bestaande diepe doorzichten niet belemmerd. Middels het inpassingsplan wordt landschappelijke elementen meegenomen bij het ontwerp waardoor er sprake is van een goede landschappelijke aansluiting op de directe omgeving. Het toevoegen van de ruimtelijke verdichting ligt in de polder waarmee karakteristieke doorzichten behouden blijven. Hiermee is er geen sprake van een onevenredige aantasting van het doorzicht van de linten.

Het gebied direct ten zuiden van de Schalkwijkse wetering, grenzend aan de A -27, maakt onderdeel uit van open en weidse zicht op de polder. Het project gebied ligt niet aangrenzend aan de A -27. Ook heeft het voorliggende initiatief geen invloed op doorzichten vanaf de Schalkwijkse wetering. Ook door het voorliggende initiatief aan de Waalseweg blijven karakteristieke diepe doorzichten behouden. Het initiatief wordt ontsloten vanaf de bestaande infrastructuur. Het initiatief past qua maatvoering, schaal, vormgeving en matriaalgebruik bij de aanwezige bebouwing. Dit is uitgewerkt in het inpassingplan (zie Bijlage 9) en het beeldkwaliteitsplan. 2. Deelgebied: de Nieuwe Hollandse waterlinie Het hele systeem van de Waterlinie is beeldbepalend voor het eiland. Fort Honswijk vormt met het inundatiekanaal, de Gedekte Gemeenschapsweg, de inundatievelden, schootsvelden en diverse andere forten en kazematten een bijzonder ensemble dat optimaal verweven is met het bestaande landschap van het Eiland van Schalkwijk. De waterlinie maakt optimaal gebruik van de geografische omstandigheden van het land. Daar waar hoog Nederland overgaat in laaggelegen Toelichting

45

polders kon het land onder water worden gezet. Door het openzetten van sluizen of het doorsteken van dijken wordt een 40 cm diepe laag water gecreëerd (geïnundeerd). Voor de vijand te diep om doorheen te waden, te ondiep om te varen. De inundatievelden zijn de diepst gelegen delen van het eiland en vallen nagenoeg samen met polder Blokhoven en Vuylcop De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie betreffen: een samenhangend systeem van forten, dijken, kaden en inundatiekommen; het groene en overwegend rustige karakter; de openheid. Dat betekent dat de inundatievelden en schootsvelden te ervaren zijn via een open agrarisch landschap en op sommige plaatsen een wateropgave kan worden ondergebracht. Het is wenselijk enerzijds de openheid te bewaren en anderzijds recht te doen aan het oorspronkelijk gebruik. Om deze reden wordt voorgestaan om de schootsvelden te vrijwaren van bebouwing en verdichting (m.u.v. bestaande verdichting). Deeltoets de nieuwe Hollandse Waterlinie Het planvoornemen aan de waalseweg is gelegen in het gebied 'vrije schootsveld nieuwe Hollandse Waterlinie' en het gebied 'Inundatie vlak Nieuwe Hollandse Waterlinie'. In de huidige situatie is de zichtrelatie tussen het verdedigingswerk 'Werk aan de Korte Uitweg' en het plangebied aan de Waalseweg al verstoord. Er is geen sprake van verdere aantasting van de zichtrelatie.

46

ASV III

Afbeelding 3.6: locatie waalseweg binnen inundatievlak en vrije schootsved NHW. 3.3.3

Conclusie

De ontwikkeling aan de Provincialeweg is wordt zodanig vorm gegeven dat het aansluit bij de ruimtelijke vertrekpunten van de Linten van Schalkwijk en Tull en 't Waal en de komgronden ten noorden van Schalkwijk. De ontwikkeling aan de Waalseweg draagt bij aan het behoud van de structuur van de copeverkaveling. Door het verdichten en het verstreken van het beschutte karakter wordt contrast met de open gebieden vergroot ter plaatse van de komgronden ten noorden van Tull en 't Waal. Er vindt geen verdere aantasting van de zichtrelatie plaats de de 'vrije schootsveld nieuwe Hollandse Waterlinie'. Het initiatief is passend binnen de kaders van de structuurvisie 'Eiland van Schalkwijk'.

Toelichting

47

3.3.4

Bestemmingsplan

3.3.4.1 Provincialeweg 32 Zoals in paragraaf 1.3 aangegeven is het initiatief aan de Provincialeweg in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk' (zie Bijlage 2) Voor het initiatief is de realisatie van een permanent teeltondersteunende voorziening noodzakelijk. In Bijlage 4 wordt de noodzaak onderbouwd en wordt in Bijlage 6 ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit. 3.3.4.2 Waalseweg Evenals bij de locatie Provincialeweg 32 is voor de Waalseweg in paragraaf 1.3 beschreven dat het realiseren van drie woningen op de voorgenomen locatie in strijd met het geldend planologisch regime. Dit voornemen is economisch verbonden met het initiatief aan de Provinciale weg. De locatiekeuze(zie Bijlage 8) en de ruimtelijke- en beleidsmatige verantwoording is in voorgaande paragrafen behandeld. Deze beoordeling maakt inzichtelijk dat het voornemen op deze locatie passend is qua beleid binnen het 'Eiland van Schalkwijk'. 3.3.5

Conclusie

Het planvoornemen is passen binnen de beleidsdoelstellingen voor de ontwikkeling van 'Eiland van Schalkwijk'.

48

ASV III

Hoofdstuk 4 Milieu en omgevingsaspecten Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Het gaat daarbij (vooral) om de mogelijke effecten van de activiteit dit het plan heeft op de omgeving. Bij deze effectbeschrijving is uitgegaan van de maximale invulling van de ruimte die het plan biedt.

4.1

Milieuzonering

4.1.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en Toelichting

49

gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype tot rustig buitengebied:

Tabel 4.1: richtafstanden per categorie en gebied. Daarnaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.1.2

Toets

Provincialeweg 32 Externe werking De bedrijfsactiviteiten t.b.v. het teeltbedrijf hebben een milieucontour. De functie laat zich als volgt vertalen in de omschrijvingen die volgen uit bijlage 1 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009):

50

ASV III

Tabel 4.2: afstanden VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) Uit bovenstaande tabel valt op te maken dat op grond van de bedrijfsactiviteiten een minimale richtafstand van 30 meter geldt. Voor gemengde functiegebieden mogen de afstandsnormen met één trap worden verlaagd. Dit betekent dat de maximaal in acht te nemen afstand 10 meter bedraagt. De kortste afstand tussen een woning van derden (Provincialeweg 30) en het uit te breiden deel van het bouwvlak bedraagt circa 8 meter (gemeten tussen het bouwvlak en het woongedeelte). Geconcludeerd wordt dat aan de richtafstand van 10 meter ten opzichte van omliggende woningen niet wordt voldaan. In de huidige situatie is de afstand van het agrarisch bouwvlak tot deze woning ook circa 8 meter. Met de uitbreiding van het bouwvlak wordt de afstand niet verkleind. Het bedrijfsgebouw binnen het bouwvlak dat op circa 8 meter van de woning aan de Provincialeweg 30 ligt is een bestaand gebouw. In de toelichting op afbeelding 2.3 van deze toelichting staat dat deze schuur wordt gebruikt voor opslagdoeleinden. Gesteld kan worden dat opslagactiviteiten een lage geluidbelasting hebben. De nieuwbouw zal op circa 60 meter van de dichtstbijzijnde woning van derden worden gerealiseerd. Ruim buiten de richtafstand van 10 meter.

Interne werking In de omgeving van de aangevraagde ontwikkeling bevinden zich een aantal bedrijven waaronder teeltbedrijven, veehouderijen en detailhandelsbedrijven.

Tabel 4.3: afstanden tot omliggende bedrijven De agrarische bedrijven vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De wettelijke afstanden uit het Activiteitenbesluit hebben voorrang op de richtafstanden uit de VNG publicatie. De afstand voor het aspect geur is niet Toelichting

51

van toepassing omdat in de nieuwe situatie binnen de inrichting geen dieren meer worden gehouden. Vanwege de omvorming van de veehouderijbedrijf naar fruitteelt is er sprake van een afname van de fijnstof emissie. Immers geldt voor teeltbedrijven, anders dan voor veehouderijen, geen norm. Voor teeltbedrijven wordt uitgegaan van de vaste afstandsnorm van 10 m. Aan die wettelijke afstand en de resterende richtafstanden voor stof, geluid en gevaar wordt ten opzichte van het uit te breiden gedeelte van het bedrijf voldaan. Waalseweg Externe werking Het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming op het perceel Waalseweg heeft geen negatieve externe werking op de omgeving. Interne werking In de directe werking van het plangebied zijn enkele woonbestemmingen en teeltbedrijven en teeltpercelen gelegen. De aanwezige bedrijven vallen onder de werkingssfeer van het activiteitenbesluit.

Tabel 4.4: afstanden tot bedrijfslocaties in de omgeving Ten opzichte van veehouderijen geldt een minimaal in acht te nemen afstand van 50 meter, aan deze wettelijke voorwaarde wordt voldaan. Ten opzichte van de teeltbedrijven in de omgeving zal een afstand van minimaal 10 meter (gemengd gebied) voor de aspecten geur, geluid en stof gehanteerd moeten worden. Ten opzichte van naburige woningen gelden geen afstandsnormen. Voor de aspecten geur, geluid en stof wordt ten opzichte van de nieuw woningen vodaan aan de gestelde afstand voor de omliggende bedrijven. Het plangebied aan de Waalseweg grenst direct aan de bestaande bessengaard en het teeltbedrijf aan de Waalseweg 4. Het perceel (maisland) aan de overzijde van de Lange Uitweg ligt op 50 meter van de voorzijde van de nieuwe woningen. Vanwege mogelijke gezondheidsrisico's door het gebruik van pesticiden geldt voor 52

ASV III

de woonpercelen een in acht te nemen afstand van 50 meter ten opzichte van een 'de bessengaard'. Bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat werd gebruik worden gemaakt van de “Systematiek van Wageningen”. Deze Systematiek is gebaseerd op onderzoek waarin is aangetoond dat gezondheidsrisico's als gevolg van drift afhankelijk is van de toegepaste spuittechniek en perceelafscherming. Op grond van de in het onderzoek genoemde afstanden tabel en een drift reducerende techniek (DTR 75) in combinatie met het toepassen van een windhaag om de woonpercelen volstaat een afstand van 25 meter tussen de woningen en de bessengaard. Deze afstand wordt gehaald. De bestaande bessengaard is in eigendom van initiatiefnemer. Binnen een afstand van 50 meter uit de woonpercelen zal initiatiefnemer geen gewasbeschermingsmiddelen toepassen. Ten opzichte van het belendende perceel Waalseweg 4, waar een bestaand agrarisch teeltbedrijf is gevestigd, bedraagt de afstand van de woningen tot het perceel circa 30 meter. Het dichtstbijzijnde bedrijfsonderdeel is een loods / verwerkingsruimte waar geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De bestaande teelt op het perceel vinden plaats in de kweektunnels op grotere afstand, in ieder geval meer dan 50 meter. De loods / verwerkingsruimte zorgt bovendien voor een afschermende werking voor de woningen.

Eén van de onderdelen van Forward Farming is juist het verminderingen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Daarmee wordt de impact van de teeltactiviteit op het milieu en de omgeving kleiner. Juist door ruimte te bieden aan ondernemers om op dit gebied te pioneren zal op termijn resulteren in minder middelengebruik. Hierdoor zullen de spuitzones naar de toekomst toe kunnen worden verkleind. 4.1.3

Conclusie

Gelet op de richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) is de verandering van veehouderij naar fruitteeltbedrijf en de bestemmingswijziging naar wonen aan de Waalseweg uitvoerbaar.

Toelichting

53

4.2

Bodem

4.2.1

Wettelijk kader

Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Er wordt gestreefd naar een duurzaam bodembeheer. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn, dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s). 4.2.2

Toets

Provincialeweg 32 Voor het grondgebied waar de bedrijfsactiviteiten van de melkveehouderij plaats hebben gevonden is een bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 11). Uit dit onderzoek komt naar voren dat er voor dit deel van het plangebied de bodemkwaliteit geen risico's vormt. Op de ligboxenstal liggen asbestverdachte platen. De ligboxenstal is voorzien van goten waadoor er geen aanleiding is dat de druppelzones onder de goten verontreinigd zijn met asbest. Aanvullend is uit de terrein-inspectie gebleken dat er geen asbest verdacht materiaal aanwezig is. De permanent teeltondersteunende voorziening valt buiten het onderzochte gebied. Bij de permanent teeltondersteunende voorziening wordt een ontvangstruimte gerealiseerd. Hier worden de mensen ontvangen voordat ze de permanent teeltondersteunende voorziening in gaan. Deze ruimte is geen permanente verblijfsruimte omdat groepen hier niet meer dan twee uren on-onderbroken gebruik van zullen maken. Ook is er gelet op het huidige gebruik van de gronden geen indicatie dat de bodemkwaliteit ter plaatse een risico vormt voor de beoogde functie. Waalseweg Op deze locatie worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. Met het oog op deze toekomstige verblijfsfunctie is een bodemonderzoek (zie Bijlage 12) uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit 54

ASV III

geschikt is voor het beoogde gebruik als woonfunctie. 4.2.3

Conclusie

Voor de locatie Provincialeweg is het op grond van het uitgevoerde onderzoek en de van toepassing zijnde de regels niet noodzakelijk om een nader bodemonderzoek uit te voeren. Voor de nieuwe woningen aan de Waalseweg maakt een bodemonderzoek onderdeel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Vooralsnog is het aannemelijk dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect bodem. 4.3

Geluid

4.3.1

Wetgeving

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen binnen een geluidzone waarbij geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) zijn betrokken is de Wgh van toepassing. De Wgh kent drie geluidbronnen waarvoor geluidzones gelden: railverkeerslawaai; wegverkeerslawaai: industrielawaai. Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wgh, zal akoestisch moeten worden aangetoond dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan. Kan niet worden voldaan aan deze grenswaarden, dan bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd om deze hogere grenswaarden vast te stellen. Hierbij moet een procedure worden doorlopen die aan de eisen van de Wgh moet voldoen. 4.3.2

Toets

Provincialeweg 32 Voor de locatie Provinciale weg is een akoestisch onderzoek uitgevoerd dit is bijgevoegd als Bijlage 13. In het onderzoek zijn het gemiddelde geluidsniveau en het piekgeluidsniveau berekend op de woningen die in de omgeving van het bedrijf liggen. Verder is aandacht besteed aan de geluidsbelasting door het verkeer van en naar het bedrijf. Uitgangspunten Toelichting

55

In het onderzoek is rekening gehouden met alle relevante geluidsbronnen die tijdens een drukke dag kunnen voorkomen. Het gaat onder andere om de koelinstallatie, het gebruik van de spoelplaats en de rijbewegingen van vrachtwagens, bestel- en personenauto's. Gemiddelde geluidsbelasting De inrichting valt onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. De normstelling uit het Activiteitenbesluit geldt alleen voor de vast opgestelde toestellen en installaties. Voor de nieuwe situatie is echter een planologische procedure noodzakelijk. In dat verband dienen alle geluidsbronnen (vaste en mobiele) binnen het bedrijf beoordeeld te worden. Er dient gemotiveerd te worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek blijkt dat in het onderhavige geval voldaan wordt aan het toetsingskader en dat er daarom sprake is van een aanvaardbare situatie. Piekgeluidsniveau Piekgeluiden bij het bedrijf worden bepaald door het aan- en afrijdend vrachtverkeer. De optredende piekgeluiden voldoen aan het toetsingskader uit het Activiteitenbesluit. De normstelling waarbij in de planologische procedure bij voorkeur wordt getoetst wordt overschreden. Daarom moet gemotiveerd worden dat in deze concrete situatie bij het optredende piekgeluidsniveau toch sprake is van een aanvaardbare situatie.

In hoofdstuk 5 van het akoestisch onderzoek is gemotiveerd dat de optredende geluidsbelasting in deze concrete situatie acceptabel is. Argumenten waarom dat in de onderhavige situatie is, zijn: De overschrijding van de normstelling (uit stap 2) wordt alleen veroorzaakt door de rijbewegingen van verkeer op de oprit van de inrichting. Het aantal rijbewegingen waardoor de normstelling wordt overschreden is beperkt tot 10 bewegingen in de dagperiode en 2 bewegingen in de avondperiode. Maximale geluidniveaus ten gevolge van rijbewegingen worden overhet lgemeen niet als erg hinderlijk beschouwd. Daarom worden deze maximale geluidniveaus in het Activiteitenbesluit uitgezonderd van de toetsing. In de bestaande situatie is er sprake van een rundveehouderij op deze locatie. In deze bestaande situatie vinden er rijbewegingen van vrachtwagens en landbouwvoertuigen plaats. Het aantal transportbewegingen dat in de nieuwe situatie zal plaatsvinden zal (jaargemiddeld) lager zijn dan in de bestaande situatie het geval is. 56

ASV III

Verkeer op de openbare weg zal vergelijkbare maximale geluidniveaus veroorzaken als het verkeer van en naar de inrichting. Gezien de aard en de frequentie van de activiteit en op grond van de bovenstaande argumenten wordt de onderzochte situatie niet als onaanvaardbaar beschouwd. Geluidsbelasting door verkeer op de openbare weg (van en naar het bedrijf) De geluidsbelasting als gevolg van het verkeer van- en naar het bedrijf kan voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Waalseweg Voor de ontwikkeling van woningen aan de Waalseweg is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 14. Het onderhavige plan ligt binnen de bebouwde kom en er is sprake van een nieuwe woningen. Ter hoogte van het plangebied bedraagt de maximumsnelheid 30 km/u, op zowel de Waalseweg als de Lange Uitweg. De woningen liggen deels binnen de geluidszone van (het gezoneerde deel van) de Lange Uitweg. In tabel 4.5 is de hoogst berekende gecumuleerde geluidsbelasting weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting op alle drie de nieuwe woningen lager is dan de voorkeursgrenswaarde zoals die geldt per gezoneerde weg. De geluidsbelasting van elk van de wegen is dus lager dan de voorkeursgrenswaarde.

Tabel 4.5: 4.3.3

Gecumuleerde geluidsbelasting Lden in dB.

Conclusie

Het aspect geluid vormt wel/geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.4

Geur

4.4.1

Wetgeving

Voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen gelden de volgende kaders: Wet geurhinder en veehouderij; Activiteitenbesluit milieubeheer;

Toelichting

57

4.4.2

Toets

Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen gaat het erom voor geurhinder van veehouderijen de volgende vragen te beantwoorden: 1. Is ter plaatse van geurgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? 2. Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? Welke afstand voldoende is, vloeit op grond van de jurisprudentie over de omgekeerde werking voort uit de regelgeving voor geurhinder. In het algemeen is het zo, dat wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand van veehouderijen zijn gepland, het woon- en leefklimaat als goed wordt aangemerkt en niemand onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Provincialeweg 32 De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op het oprichten of in gebruik nemen van geurgevoelige objecten. Derhalve is er voor deze locatie ook geen sprake van een belemmering voor het gebruik van gronden of gebouwen van derden. Het woon- en leefklimaat op de locatie is hierbij niet in het geding. Waalseweg Voor nieuwe woningen in het buitengebied moet worden aangetoond dat er op het gebied van geurbelasting sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bij de toetsing wordt een onderscheid gemaakt tussen: veehouderijbedrijven met diercategorieën waarbij bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld; veehouderijbedrijven met dierencategoriën waar een vaste afstand voor geldt.

In een cirkel van 2 km rondom de locatie zijn een aantal intensieve veehouderijbedrijven gevestigd. Dit zijn veehouderijbedrijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden. Deze bedrijven zijn op grote afstand ( > 670 m) gelegen van het plangebied aan de Waalseweg. Op basis van deze afstand, in combinatie met de algehele verspreiding van de bedrijven kan aangenomen worden dat deze bedrijven geen effect hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

58

ASV III

Tabel 4.6: intensieve veehouderijbedrijven binnen 2 kilometer tot het plangebied. De veehouderijbedrijven waar dieren worden gehouden waar op grond van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste afstand voor geldt, liggen op meer dan 50 meter van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling werkt niet belemmerend voor deze bedrijven. Het woon- en leefklimaat op de locatie is hiermee voldoende gewaarborgd. 4.4.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plannen. 4.5

Externe veiligheid

4.5.1

Wetgeving

Externe veiligheid beschrijft risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar PR-contour (die als Toelichting

59

wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR is weer te gegeven in de fN-curve: een grafiek waar de kans (f) is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1% letaliteitgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Hoe moet worden omgegaan met risico’s voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen. Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen Besluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes Besluit risico’s zware ongevallen Vuurwerkbesluit Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik Besluit ruimte Circulaire effectafstanden LPG Activiteitenbesluit 4.5.2

Toets

Provincialeweg 32 Risico's Met behulp van de risicokaart externe veiligheid is gekeken naar de risico’s in de omgeving van de Provincialeweg. De risicokaart is hulpmiddel om risicobronnen in de omgeving te kunnen bepalen.

60

ASV III

Afbeelding 4.1: uitsnede risicokaart met afstand tot spoorlijn (Bron: www.risicokaart.nl). Inrichtingen In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich geen Bevi-bedrijven. Ook vanuit het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Besluit ruimte, Circulaire effectafstanden LPG en de Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden. Buisleidingen In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich geen relevante buisleidingen. Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico’s In de omgeving van de locatie aan de Provincialeweg ligt de spoorlijn Lunetten-Geldermalsen, waarover een aantal transporten met gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De afstand tot de spoorlijn is circa 786 meter. De locatie ligt binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. De Veiligheidsregio geeft aan dat geen groepsrisicoverantwoording noodzakelijk is voor het planvoornemen aan de Provincialeweg. In verband met een gifwolkscenario op het spoor is het handelingsperspectief om te schuilen in het gebouw tot de Toelichting

61

lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Ramen, deuren en ventilatieopeningen dienen gesloten te worden. Ook is het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het mechanische ventilatiesysteem daarvoor een vereiste. In verband hiermee is het advies om de nieuwbouw te voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie. Ook adviseert de Veiligheidsregio om in het bedrijfsnoodplan het handelingsperspectief bij een gifwolkscenario op te nemen. De voorgenomen ontwikkeling aan de Provincialeweg vindt verder plaats op voldoende afstand van: bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen; wegen waarop vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; ondergrondse buisleidingen waarin vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risicocontouren van opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen vormen geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling. Ook het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in het vestigen of oprichten van een risicovolle inrichting aan de Provincialeweg. Dit vormt voor het aspect externe veiligheid geen risico voor de omgeving. Waalseweg Met behulp van de risicokaart externe veiligheid is gekeken naar de risico’s in de omgeving van de Waalseweg.

De risicokaart is hulpmiddel om risicobronnen in de omgeving te kunnen bepalen.

62

ASV III

Afbeelding 4.2: uitsnede risicokaart met projectlocatie Lange Uitweg (Bron www.risicokaart.nl) Inrichtingen In de directe omgeving van de projectlocatie aan de Waalseweg bevinden zich geen Bevi-bedrijven. Ook vanuit het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Besluit ruimte, Circulaire effectafstanden LPG en de Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden. Buisleidingen In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich geen relevante buisleidingen. Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico’s In de omgeving van de locatie aan de Waalseweg ligt een spoorlijn waarover een aantal transporten met gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De afstand tot de spoorlijn is dermate groot (1,76 km) waardoor deze transportroute niet relevant is voor de beoordeling. De voorgenomen ontwikkeling aan de Waalseweg vindt plaats op voldoende afstand van: bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen; wegen waarop vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; ondergrondse buisleidingen waarin vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Toelichting

63

De risicocontouren van opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen vormen geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling. Ook het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in het vestigen of oprichten van een risicovolle inrichting aan de Waalseweg. Dit vormt voor het aspect externe veiligheid geen risico voor de omgeving. 4.5.3

Conclusie

Het plangebied aan de Provinciaalseweg ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Lunetten-Geldermalsen. Om de gevolgen van een incident met giftige stoffen te beperken wordt de nieuwbouw uitgevoerd met mechanisch afsluitbare ventilatie. In de bedrijfsnoodplan zal initiatiefnemer de handelingsperspectieven bij een incident met giftige stoffen opnemen. Voor het aspect externe veiligheid is het plan uitvoerbaar. 4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Wetgeving

De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wet Luchtkwaliteit). Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld. Hierbij zijn twee sporen te onderscheiden: het creëren van bestemmingen die potentieel bijdragen aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit en het creëren van bestemmingen die gevoelig zijn voor (een slechte) luchtkwaliteit. Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een bestemmingsplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging; het project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 64

ASV III

of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de Wet luchtkwaliteit staan de grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen. In de praktijk blijft toetsing aan grenswaarden beperkt tot de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende besluiten en regelingen: Besluit en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. 4.6.2

Onderzoek

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De Regeling NIBM is van toepassing omdat de ruimtelijke procedure voorziet in het uitbreiden van een bouwvlak en het wijzigen van de bestemming ten behoeven van wonen. Die ontwikkeling valt qua verkeersaantrekkende werking aanmerkelijk lager uit dan de in de Regeling NIBM genoemde woonwijk met 1500 woningen. Verdere bronnen van stikstofdioxide en fijn stof op het terrein zijn qua bijdrage aan de luchtkwaliteit verwaarloosbaar. 4.6.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk. Het plan kan voor het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar worden geacht.

Toelichting

65

4.7

Water

4.7.1

Wetgeving

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.7.2

Toets

Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft de beleidsregels vastgesteld in de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018, herzien in 2021. In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwater-lichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting. Bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt moeten maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten (grotere aan- en afvoer van water) te voorkomen. Uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied en in het betreffende peil vak. Uitgangspunt is de maatgevende situatie. Deze beleidsregel is van toepassing in het gehele beheersgebied van het waterschap en geldt zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Doel van het beleid is om effecten van nieuwe stedelijke uitbreidingen te neutraliseren.

De minimale oppervlakte waarvoor deze beleidsregel geldt, bedraagt binnen de bebouwde kom 500 m² nieuw verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct of indirect op het oppervlaktewater wordt geloosd en buiten de bebouwde kom 5.000 m² nieuw verhard oppervlak (zie Uitvoeringsregels bij de Keur HDSR 2018, algemene regel 66

ASV III

15.2). Indien er niet gekozen wordt voor een compensatie in oppervlaktewater is het mogelijk om een zelfstandige wateropvang te realiseren. De benodigde opvang bedraagt dan 4,5 m3/ 100 m2 uitbreiding van het verhard oppervlak. Provincialeweg 32 Op de locatie Provincialeweg worden bestaande gebouwen, ruwvoeropslagen en erfverharding verwijderd. In het voorliggende plan wordt een nieuwe werktuigenberging en ontvangstruimte en bijbehorende erfverharding gerealiseerd. Het parkeerterrein wordt voorzien van halfverharding in de vorm van waterdoorlatende grasbetontegels. De wadi (tijdelijk bergen regenwater) wordt centraal op het erf gesitueerd en middels een overloop verbonden met de nabijgelegen watergang. Tevens wordt op het erf een phytobac geplaatst. Micro-organismen breken gewasbeschermingsmiddelen vanuit de spoelwateropslag biologisch af en het resterende waarbij het resterend water verdampt. Tevens wordt er een permanent teeltondersteunende voorziening gerealiseerd voor de teelt van zachtfruit. In de tabel is de toename van het verhard oppervlak en de bijbehorende waterbergingsruimte weergegeven. De compenserende waterberging als gevolg van de toename van het verhard oppervlak wordt deels voorzien middels een Wadi en door het onderkelderen van de loods t.b.v. wateropvang. In de onderstaande tabel is het verhard oppervlak weergeven (zie Bijlage 15): Uitgangssituatie

Verhard oppervlak in m

Totaal verhard

Beoogde situatie

Verhard oppervlak in m2

2

2.546

oppervlak Verhard oppervlak

3.913

Oppervlak permanent

10.451

teeltondersteunende voorziening Totaal

2.546

14.364

Toelichting

67

Toename verhard

11.818

oppervlak Tabel 4.7: toename verhard oppervlak Provincialeweg 32. Initiatiefnemer heeft er voor gekozen om compensatie van waterberging vanwege de uitbreiding van het verhard oppervlak middels een wadi en een ondergrondse wateropslag te regelen. De totaal benodigde waterbergingsruimte bedraagt (11.794 m2: 100 m2) * 4,5 = 530 m3. Het oppervlak van de Wadi bedraagt 300 m2. De gemiddelde diepte van de Wadi bedraagt 0,50 meter, de totale bergingscapaciteit van de wadi bedraagt 300 m2 * 0,5 m1 = 150 m3. Om buien van meer dan 45 mm te kunnen geleiden wordt er een overloop gerealiseerd richting het bestaande watersysteem. De ondergrond van de wadi bestaat uit zand met lichte zavel. Het waterdoorlatend vermogen van deze ondergrond vormt geen beperking voor het gebruik van de wadi. Het water zal binnen enkele dagen in de wadi kunnen bezinken (vertraagde afvoer naar grondwater). De loods heeft een oppervlak van (15*40=) 600 m2. Door het gedeelte onder de loods te onderkelderen tot 1 meter diepte, voor opvang van spoelwater, ontstaat een waterberging van 600 m3. Deze waterberging zal vertraagt worden leeg gepompt met een dompelpomp en worden afgevoerd naar het oppervlakte water. De overige 5 meter onder de wasplaats vormt een aparte ruimte en is bedoeld om het spoelwater apart op te vangen. Dit wordt afgevoerd naar de phytobac waar dit biologisch wordt afgebroken.

De totale waterberging van wadi en loods bedraagt (150 + 600=) 750 m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan het benodigde water compensatie. Waalseweg De uitbreiding van het verhard oppervlak op deze locatie bedraagt minder dan 1.000 m2. Op grond van de keur is het niet voorgeschreven om vanwege de uitbreiding van het verhard oppervlak waterbergingsruimte te compenseren. Ten aanzien van de woningbouw dient ook rekening gehouden te worden met het gemeentelijke water en rioleringsplan 2020-2023 als beleidskader. Planspecifiek heeft dat tot gevolg dat bij panden die nieuw worden geplaatst of verbouwd een ondergrondse infiltratie unit moet worden gerealiseerd met een inhoud van 15 mm ten opzicht van het nieuw verhard oppervlak. Deze 15 mm kan via een groen dak worden vastgehouden of via een krattensysteem of IT leiding en extra materiaal met 68

ASV III

holle ruimte (granulaat 4/32) in de bodem worden geïnfiltreerd. De overloop van dit systeem kan dan worden aangesloten op oppervlaktewater. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Bij de bouw wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. 4.7.3

Conclusie

De definitieve digitale watertoets is uitgevoerd en toegevoegd als Bijlage 16. De compensatie vanwege de toename van het verhard oppervlak aan de Provincialeweg kan middels wateropslag en vertraagde afvoer goed worden geregeld. Voor het aspect water kan dit plan uitvoerbaar worden geacht. 4.8

Ecologie

4.8.1

Wettelijk kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijk) aanwezige natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming regelt onder andere de bescherming van de Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen op grond van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Daarnaast is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze gebieden kunnen nadelige invloed ondervinden als de uitstoot van ammoniak op de gebieden toeneemt. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt ook de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden of er beschermde soorten aanwezig zijn in of nabij het plangebied, in hoeverre het plan negatieve gevolgen kan hebben op die beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen moeten worden genomen.

Toelichting

69

4.8.2

Toets

Provincialeweg 32 Gebieden In de voorliggende situatie is er sprake van een transitie van een voormalig veehouderijbedrijf naar een fruitteeltbedrijf. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden is het Lingebied & Diefdijk-Zuid op 7 km. In de omgeving van het plangebied liggen echter wel enkele Natura 2000-gebieden. Het betreft: 1. Oostelijke Vechtplassen, ten noordwesten van Utrecht; 2. Kolland en Overlangbroek, net ten oosten van Wijk bij Duurstede; 3. Uiterwaarden Neder-Rijn, ten oosten van Wijk bij Duurstede; 4. Uiterwaarden Lek, ten westen van Lexmond; 5. Zouweboezem, ten westen van Lexmond; 6. Lingegebied & Diefdijk-Zuid, ten zuiden van Diefdijk.

Afbeelding 4.3: Natura 2000-gebieden in de omgeving van de plangebieden. 70

ASV III

Beoordeling stikstof (realisatiefase) Op 2 november 2022 is door de Raad van State deeluitspraak gedaan inzake de bouwvrijstelling die volgde uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. In deze uitspraak oordeelde de Raad van State dat de bouw/aanlegfase van een project apart beoordeeld dient te worden. De beoordeling van de sloop- en aanlegfase is meegenomen in de voortoets. Uit deze berekening volgt dat er in de aanlegfase geen significant negatieve effecten plaatsvinden op de betreffende Natura 2000-gebieden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied en het dieselverbruik binnen het plangebied voor de gebruikssituatie is in beeld gebracht. Voor deze situatie is een AERIUS berekening uitgevoerd in de voortoets. Uit deze berekening volgt dat het planvoornemen in de gebruiksfase geen significante effecten heeft op de stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. De voortoets voor de locatie aan de Provincialeweg 32 is bij deze toelichting opgenomen als Bijlage 17 Soorten Voor beide locaties is een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 18. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vleermuis-, amfibieën-, grondgebonden zoogdier- en vogelsoorten.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er jaarlijks vogels, bezetten verschillende amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen rust- of verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot beschadigen/vernielen van vogelnesten, moeten daarom bij voorkeur uitgevoerd worden buiten de voortplantingsperiode. Indien werkzaamheden uitgevoerd Toelichting

71

worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden, voorafgaand aan de activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en de amfibieënsoorten, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf en voortplantingsplaatsen’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, leidt niet tot wettelijke consequenties. Mits rekening gehouden wordt met bezette vogelnesten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Waalseweg Gebieden Met betrekking tot mogelijke stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase is een voortoets uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 19. Uit deze berekening volgt dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt tijdens de bouw- en gebruiksfase. Soorten Voor de locatie Waalsweg is de conclusie uit de Quickscan natuurwaardenonderzoek (zie Bijlage 18) eveneens van toepassing. Deze conclusie is bij de soortentoets van de Provincialeweg 32 opgenomen. 4.8.3

Conclusie

Uit de bovenstaande beoordeling in het kader van de gebieds- en soortenbescherming (Wet natuurbescherming) blijkt dat het plan voor dit aspect uitvoerbaar is. 4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1

Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Naar aanleiding hiervan houden gemeenten bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). 72

ASV III

In alle gevallen, ongeacht de grootte van de ingreep, blijft de archeologische meldingsplicht van toevalsvondsten van kracht (art. 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag. In dit geval de gemeente Houten. 4.9.2

Toets

4.9.2.1 Archeologie Provincialeweg 32 Op een deel van het plangebied aan de Provincialeweg 32 is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' van toepassing. In de regels bij deze bestemming zijn beperkingen opgenomen om de archeologische waarden ter plaatse te beschermen. Bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,5 m en met een oppervlakte van meer dan 100 m2 zal met archeologisch onderzoek aangetoond moeten worden dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Ook voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden zijn regels binnen deze bestemming opgenomen. De uitbreiding van het bouwvlak is gelegen op gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Voor deze gronden geldt dat er bij een ruimtelijke ingreep met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 en dieper dan 1,0 m - maaiveld middels een onderbouwing moet worden aangetoond dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van archeologische waarden van de te verstoren gronden. Ook dit zal bij de aanvraag omgevingsvergunning moeten worden aangetoond. Waalseweg De gronden van plangebied aan de Waalseweg hebben deels een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en deels geen specifieke archeologische bestemming. De geplande bodemingreep voor de realisatie van de woningen zal geen verstoring van archeologische waarden met zich meebrengen.

4.9.2.2 Cultuurhistorie Provincialeweg Toelichting

73

Voor het plangebied aan de Provincialeweg gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Landschap 1' en 'Waarde - Landschap 2'. De gronden met deze bestemmingen zijn bedoeld voor: behoud, versterking en ontwikkeling van de waarden die samenhangen met het karakteristiek landschap van de linten van Tull en 't Waal en Schalkwijk; behoud, versterking en ontwikkeling van de waarden die samenhangen met het karakteristiek landschap van de komgronden ten noorden van Schalkwijk en Tull en 't Waal. In het landschapsplan dat is opgesteld voor deze planlocatie is rekening gehouden met de aanwezige waarden. Waalseweg De Waalseweg ligt in het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit is als uniek Nederlands erfgoed steeds meer onderkend. Sindsdien zijn concrete programma's opgezet en uitgevoerd voor behoud, herstel en ontwikkeling van het Nationaal Landschap 'Nieuwe Hollandse Waterlinie' (verder NHW). De NWH doorkruist de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant. Om Werelderfgoed te worden moet iets uniek en van Uitzonderlijke Universele Waarde zijn; Outstanding Universal Value. Hiervoor heeft UNESCO criteria en de Hollandse Waterlinies voldoen aan 3 van deze criteria.

9 De Uitzonderlijke Universele Waarde van de Hollandse Waterlinies is: Een buitengewoon voorbeeld van een Europees verdedigingssysteem van de moderne tijd dat intact is gebleven; Een ingenieus systeem van militaire verdediging door inundatie dat gebruik maakt van eigenschappen en elementen van het aanwezige landschap; Uniek in de Europese architectuurgeschiedenis; Een illustratie van Nederlandse inventiviteit in land- en waterbeheersing. In januari 2019 heeft het Rijk de Nieuwe Hollandse Waterlinie ingediend bij het World Heritage Centre van UNESCO in Parijs. In 2019 is het dossier beoordeeld door enkele adviescommissies van UNESCO. De Werelderfgoed Commissie heeft in de zomer van 2021 het besluit genomen de Nieuwe Hollandse Waterlinie, als uitbreiding van de Stelling van Amsterdam, toe te voegen als Werelderfgoed. De ligging van de planlocatie aan de Waalseweg binnen het Werelderfgoed gebied heeft ertoe geleid dat in de planopzet en verdere uitwerking rekening is gehouden 74

ASV III

met de kernkwaliteiten van het Werelderfgoed. Bestaande landschappelijke structuren zijn in de ontwerpfase als uitgangspunt genomen en met het ontwerp waar mogelijk versterkt. In de verschillende overleggen met de overige betrokken overlegpartners, zoals de provincie Utrecht en de Rijksdienst Cultureel Erfgoed zijn deze criteria het toetsingskader geweest en is in lijn met deze criteria ook verzocht om aanpassingen en bijstellingen in het plan. In het inpassingplan voor het plangebied Waalseweg isrekening gehouden met de aanwezige waarden. 4.9.3

Conclusie

Het planvoornemen kan in het kader van archeologie en cultuurhistorie uitgevoerd worden. 4.10

Verkeer en Parkeren

Provincialeweg 32 Het bestaande veehouderij erf aan de Provincialeweg 32 wordt getransformeerd en ingericht voor de exploitatie van een fruitteeltbedrijf met onderzoekscentrum en demonstratie ruimte. Het erf wordt ontsloten via Provincialeweg. Vanwege de beperkte breedte van de perceelstoegang is het niet mogelijk om een verkeerstromen te scheiden. Zowel bedrijfsverkeer als bezoekers gebruiken dezelfde inrit. Op het erf worden de verkeersstromen wel zoveel mogelijk gescheiden in een schoon en vuilgedeelte door een wadi te plaatsen in het midden van het erf. Voor bezoekers worden er semiverharde parkeerplaatsen aangelegd. Verkeersbewegingen Voorheen was er sprake van een melkveebedrijf met bijbehorende transporten voor het aanvoeren van krachtvoer en ruwvoer en de afvoer van vee, melk en mest. In 2017 is een vergunning verleend voor de aanleg van circa 19 hectare boombaard. Het vers geplukt product wordt in de huidige situatie dagelijks vervoerd naar de locatie van initiatiefnemer in Eck en Wiel. In de nieuwe situatie is er met name sprake van vervoersbewegingen ten behoeve van werknemers, bezoekers en reguliere bedrijfsbenodigheden. De fruitoogst wordt in de nieuwe situatie gekoeld bewaard en in één keer afgeboerd. Toelichting

75

In de onderstaande tabellen zijn de voormalige en toekomstige vervoersbewegingen weergegeven. Hierbij is elke aan- of afvoerbeweging aangeduid als een afzonderlijke vervoersbeweging.

Tabel 10.1: verkeersbewegingen huidige situatie

Tabel 10.2: verkeersbewegingen toekomstige situatie De Provincialeweg is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom en sluit aan op de A-27. Ten opzichte van het gebruik van de locatie als veehouderijbedrijf en de afvoer van het verse fruit naar Eck en Wiel zal in de nieuwe situatie het aantal verkeersbewegingen met zwaar verkeer niet of nauwelijks toenemen. De wiellader komt bovendien niet op de openbare weg. Deze rijdt tijdens het oogstseizoen tussen de teeltvelden en de bewaarloods. Het aantal verkeersbewegingen met licht verkeer zullen daarentegen wél toenemen 76

ASV III

vanwege met name de bezoekers aan het bedrijf. Gelet op de verkeersafwikkeling via de Provincialeweg zal de capaciteit van het wegennet geen belemmering vormen voor de voorgestane ontwikkeling. De ontsluiting op de Provincialeweg is overzichtelijk. Er staan geen bomen die het zicht op de weg bokkeren. De op- en afrit is daarom veilig. Omdat het aandeel zwaar verkeer ten opzichte van het gebruik van de locatie als veehouderijbedrijf nauwelijks toeneemt kan worden gesteld dat het planvoornemen geen problemen veroorzaakt voor de veiligheid van fietsers en ander kwetsbaar verkeer. Parkeren Het voorliggende plan voorziet in parkeergelegenheid op het eigen terrein voor bezoekers en medewerkers. Voor medewerkers en erfbetreders zijn 14 reguliere verharde parkeerplaatsen beschikbaar. Deze liggen aansluitend naast de nieuwe loods. In combinatie met het eigen personeel kunnen er dan 35 tot 40 auto's komen. Voor bezoekers zijn 33 parkeerplaatsen beschikbaar. Deze parkeerplekken zijn opgenomen in de erfinrichting en worden semi verhard. Ook worden er op deze parkeerplaats enkele bomen geplaatst. Zie Bijlage 2 met uitwerking van het verhard oppervlak. Deelconclusie De transitie van het erf van veehouderij naar fruitteeltbedrijf met onderzoeks- en demo ruimte zorgt niet voor forse toename van het aantal verkeersbewegingen.

Ontwikkeling van het plangebied zorgt niet voor knelpunten ten aanzien van parkeren. Waalseweg Verkeersbewegingen De Waalseweg is een erf toegangsweg buiten de bebouwde kom. De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de drie te realiseren woningen is minimaal. De woningen worden ontsloten op de Waalseweg. Het voornemen heeft derhalve ook een marginaal effect op het aantal verkeersbewegingen en de doorstroming. De ontsluiting van de woningen op de Waalseweg is overzichtelijk. Ook hier staan Toelichting

77

geen bomen die het zicht op de weg bokkeren. Bovendien is het een rustige weg. De op- en afritten zijn daarom veilig. Parkeren In het voorliggende plan worden parkeerplaatsen gerealiseerd binnen de woonbestemming. Deel conclusie De realisatie van de woningen heeft geen negatief effect op de verkeerssituatie ter plaatse van de Waalseweg. Er is voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Conclusie Voor het aspect verkeer en parkeren is het planvoornemen uitvoerbaar. 4.11

M.e.r.-beoordeling

4.11.1 Wetgeving De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; c.

het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit 78

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=bbd588a4-26ba-4ae6-ab8d-ee6410fa63e9