CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan Provincialeweg 69 NL.IMRO.0321.0670PWEG69-VSBP.pdf

Gemeenteraad 25 januari 2022, gemeente HoutenBij agendapunt: Vaststelling ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 6922.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

30

voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6.8 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: a. ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; b. rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.

Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek De omgeving van het plangebied kan gezien de afwisseling van functies worden aangemerkt als een gemengd gebied. Op de uitsnede van ruimtelijke plannen in figuur 4.1 zijn de functies in de omgeving zichtbaar.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

31

Figuur 4.1: Uitsnede ruimtelijke plannen met bestemmingsplannen in de omgeving (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) Woonfunctie Voor de bedrijven ten westen (veevoederbedrijf Reudink) van de Provincialeweg geldt dat er reeds andere woningen tussen het bedrijf en het plangebied liggen. Deze woningen zijn maatgevend voor de milieuhinder van de omliggende bedrijven. De woonfunctie in het plangebied beperkt deze bedrijven daarmee niet. De bedrijven aan de westzijde van de Provincialeweg zullen daarmee ook het woon- en leefklimaat ter hoogte van het plangebied niet significant negatief beïnvloeden. Aan de overzijde van de Zuwedijk zijn ook twee bedrijven gelegen. Direct aan de overzijde van de weg ligt een bedrijfsbestemming waarin bedrijven t/m milieucategorie 2 zijn toegestaan. Hier is Garage Zuurhout met bedrijfswoning gevestigd, dit is een milieucategorie 2 bedrijf. Dit betekent dat in gemengd gebied er een richtafstand van 10 meter geldt. Het plangebied is gelegen op circa 11 meter afstand, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Ten noorden van het garagebedrijf is een melkveebedrijf (V.O.F. Verhoef Schalkwijk) gelegen. Hier is een akker- en vollegrondstuinbouw en een grondgebonden veehouderij toegestaan.

Voor dit bedrijf geldt echter dat de bedrijfswoning van de garage of het noordelijke bijgebouw (wanneer gebruik voor wonen) de maatgevende woningen zijn voor de toegestane milieuhinder die het bedrijf mag veroorzaken. Daarnaast wordt opgemerkt dat de woonfunctie binnen het plangebied altijd al is toegestaan en tot op heden onder het overgangsrecht nog steeds is toegestaan. Omliggende bedrijven hebben in het verleden en nu nog steeds al rekening te houden met de bestaande woonfunctie aan de Provincialeweg 69. Zonnepark Een zonnepark is geen gevoelige functie en geen gevaar-veroorzakende functie en heeft daarom geen negatieve gevolgen op het aspect externe veiligheid en de omliggende woningen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

32

Conclusie Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat op in het plangebied. De omliggende bedrijven worden niet in hun (uitbreidings-)mogelijkheden ingeperkt. Ook het zonnepark is inpasbaar ten opzichte van de woningen in en rondom het plangebied. Het aspect milieuzonering is voldoende onderbouwd en staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.

Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

33

Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart (zie figuur 4.2) waarin relevante risicobronnen worden getoond, zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen relevante risicovolle inrichting aanwezig. Wel vindt in de nabije omgeving van het plangebied vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor en het water.

Figuur 4.2: risicokaart)

Uitsnede professionele risicokaart plangebied rood gemarkeerd (Bron: Professionele

Het vervoer over het spoor vindt plaats ten zuidwesten van het plangebied, over het spoortraject Lunetten – Geldermalsen 71T.1. Het plangebied is niet gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject. Het invloedsgebied van het spoortraject reikt tot meer dan 4.000 meter. Het plangebied is gelegen op circa 1.950 meter afstand en valt zodoende binnen het invloedsgebied. Het plangebied ligt buiten 200 meter van de transportroute, waardoor berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Het vervoer over het water vindt plaats ten noordoosten van het plangebied, over de vaarwegroute Corridor Amsterdam – Rijn. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10-6 contour van de route. Het invloedsgebied van de vaarroute reikt tot 90 meter. Het plangebied is gelegen op circa 1,3 kilometer en valt daarmee buiten het invloedsgebied. De Lek, welke ten zuiden van het plangebied ligt, maakt geen onderdeel uit van het Basisnet Water. Via de Lek vindt derhalve geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaat. Over de Lek, ten zuiden van het plangebied, vind geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het zonnepark is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in de veiligheid inrichtingen (er zijn geen personen aanwezig). De woonfunctie is dat uiteraard wel.

Beknopte verantwoording groepsrisico De onderstaande beknopte verantwoording van het groepsrisico zal op basis van het advies van de veiligheidsregio nader worden uitgewerkt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van dagelijkse incidenten, zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

34

voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via verschillende wegen, waaronder de Provincialeweg, de Zuwedijk en de Lekdijk. Deze straten sluiten allen aan op het verdere wegennetwerk van Schalkwijk. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust. Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid De aanwezige personen in het plangebied zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen.

Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Lunetten – Geldermalsen. Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico echter niet toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

35

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; c. overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. In de provincie Utrecht wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het in of op de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage II bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bunzing, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (zie figuur 4.3). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden 'Rijntakken' en 'Lingegebied & Diefdijk-Zuid' liggen beide op ongeveer 8 km van het plangebied.

Vanwege de ruimte afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn significante effecten op voorhand uit te sluiten.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

36

Figuur 4.3:

Uitsnede Natura 2000

De enige bron van geluid bij een zonnepark betreft de omvormers. De geluidsproductie van deze omvormers bedraagt 33 dB vanuit de bron. Uit onderzoek naar verstoring van vogels door geluid (Reijnen, 1992) blijkt dat voor vogels een verstoringsdrempel geldt van 42 dB(A). Het is derhalve uitgesloten dat bij een bronvermogen van 33 dB beschermde natuurgebieden wordt verstoord. De zonnepanelen zullen zonlicht deels reflecteren met schittering als gevolg. Om de effectiviteit van de panelen te verhogen zijn deze standaard voorzien van een anti-reflecterende coating. De panelen worden verder onder een hoek van 15o geplaatst, waardoor de beperkte reflectie grotendeels omhoog zal zijn gericht en niet het omliggende gebied zal beïnvloeden. Tenslotte dient bedacht te worden dat de beperkte schittering van een zonnepark geringer is dan dat van een wateroppervlak waarvan de schittering bij zonnig weer met veel wind op grote afstand zichtbaar is. Samenvattend wordt geconcludeerd dat de uitstraling van het zonnepark naar het omliggende gebied verwaarloosbaar klein is. Afhankelijk van de inrichting en het beheer van de tussenliggende en omliggende ruimte (bijvoorbeeld als bloemrijk grasland) kan zelfs van een geringe ecologische meerwaarde worden gesproken aangezien het park dan kan fungeren als foerageergebied voor vogels en vleermuizen.

Soortenbescherming Onderhavig initiatief voorziet planologisch in de bestemmingswijziging van kantoor naar wonen. In de feitelijke situatie zullen er geen veranderingen optreden. De zonnepanelen worden los op het plangebied neergezet. Voorgenomen initiatief zal dan ook geen negatief effect hebben op het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Conclusie Een quickscan naar soortenbescherming en gebiedsbescherming is niet nodig, er zullen geen veranderingen optreden. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

37

4.8

Water

Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf (door middel van de digitale watertoets). De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees:  Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Provinciaal Waterplan;  Provinciale Structuurvisie;  Omgevingsverordening.

Waterschapsbeleid Waterkoers 2016-2021 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft haar ambities en langetermijnvisie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/). De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelend doel samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting.

Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

38

Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel:  De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven;  Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst. Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Gemeentelijk beleid In 2019 is door de gemeenteraad het Water- en Rioleringsplan 2020-2023 vastgesteld. In het gemeentelijk water en rioleringsplan is naast het rioleringsbeheer, het hemelwaterbeheer en grondwaterbeheer ook het oppervlaktewaterbeheer opgenomen met aandacht voor het schoon houden van de watergangen, het maaien van waterplanten en het baggeren van waterbodems. Doelen voor stedelijk afvalwater Het hoofddoel van de riolering is te zorgen voor een goede volksgezondheid door het stedelijk afvalwater snel af te voeren. Alle percelen waar afvalwater vrij komt, moeten zijn voorzien van een aansluiting op de riolering of van een individueel systeem voor behandeling van afvalwater. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt geëist dat afvalwater en regenwater gescheiden worden aangeleverd bij de perceelgrens of dat regenwater in een berging wordt opgevangen.

Hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt als dat mogelijk is. Doelen voor hemelwater De zorgplicht voor hemelwater heeft het karakter van een inspanningsverplichting. Dit houdt in dat de gemeente zorg dient te dragen voor een doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater. Dit geldt niet in situaties waarin de particulier redelijkerwijs kan worden gevraagd zelf het afvloeiende hemelwater in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. Bij nieuwe ontwikkelingen eist de gemeente dat regenwater gescheiden worden aangeleverd bij de perceelgrens of dat regenwater in een berging wordt opgevangen. Bij grootschalige nieuwbouw wordt een apart stelsel aangelegd voor het verwerken van hemelwater. Er geldt daarnaast een minimale bouwpeilhoogte bij nieuwbouw van 30 cm boven het straatniveau (hoogste punt). Om hemelwater schoon te houden wordt geprobeerd om verontreiniging van het water te voorkomen. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met de tritsen ’schoon houden – scheiden – schoonmaken’ en ’vasthouden-bergen-afvoeren’. Waterberging Bij nieuwbouw en verbouw dient een waterberging op eigen terrein minimaal 15 mm water te kunnen bergen per m2 verhard oppervlak (ook al is dit oppervlak niet op de riolering aangesloten). De eis van 15 mm sluit aan bij de eisen van het HDSR ter voorkoming van de versnelde afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater.

Het HDSR eist een bergingscapaciteit bij nieuwbouw van 45 mm per m2. Het verschil aan bergingscapaciteit van 30 mm (45mm - 15mm) zal de gemeente in de openbare ruimte realiseren. Dit kan door de aanleg van infiltratievoorzieningen (wadi’s, parkeerplaatsen met waterpasserende verharding) of van extra oppervlaktewater Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

39

waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aanof afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Figuur 4.4:

Watertoets (Bron: Digitale watertoets)

Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Provincialeweg 69 te Schalkwijk en is in de huidige situatie deels verhard en deels onverhard. Overigens is het gebied deels bebouwd. Het plangebied wordt in dit plan niet aangewezen als kwetsbaar gebied. Wel valt het – zoals het grootste gedeelte van de provincie – onder overstroombaar gebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem uit zavel en lichte klei (kalkloze poldervaaggronden). Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand lager ligt dan 0,4 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen beschermingszones waar rekening mee dient te worden gehouden voor deze ontwikkeling. Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Naast het plangebied is een watergang gelegen. Overigens liggen binnen het plangebied of in de nabije omgeving geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Verder bevinden zich tevens geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.

Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel, bestaande uit een gemengd stelsel. Bij hevige regenval kan het afwateringssysteem onvoldoende zijn en kunnen gebieden deels onder water komen te staan. Dit leidt tot schade en overlast. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit, waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, zijn normen vastgesteld. Deze normen variëren per landgebruiksfuncties: voor stedelijk gebied gelden strengere normen dan voor grasland. Deze normen voor wateroverlast zijn vastgelegd in de Waterverordeningen van de waterschappen. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het op orde brengen en houden van het watersysteem.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

40

Toekomstige situatie Het plangebied valt onder overstroombaar gebied. Een goede afwatering is noodzakelijk. De verharding neemt met de beoogde ontwikkeling niet toe. Wanneer het verhard oppervlak toeneemt worden compenserende maatregelen genomen om de piekafvoeren op te vangen. Dit kan door het vasthouden of bergen van het water door de aanleg van een waterberging of een infiltratievoorziening. Het beoogde voornemen heeft in beginsel beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De maximaal zes wooneenheden worden binnen de bestaande bebouwing gerealiseerd. Onder de zonnepanelen wordt geen gesloten verharding aangelegd, waardoor het regenwater vrij kan infiltreren. Compensatie van verharding is daarom niet aan de orde. Voor de huidige watergang langs het plangebied wordt een strook van 3,5 meter vrij gehouden van bebouwing voor het uitvoeren van onderhoud. De hoeveelheid afvalwater neemt met onderhavig voornemen tevens niet toe. Im de huidige situatie zijn reeds 3 wooneenheden aanwezig. De vervangen van het kantoor naar 2 woningen brengt geen significante toename van het afvalwater met zich mee. Conclusie Het voorliggend plan betreft uitsluitend een bestemmingswijziging van bestaande bebouwing. De situatie in het plangebied blijft gelijk, de verharding neemt niet toe. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.9

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet niet in bouw-, sloop- en/of bodemwerkzaamheden, waardoor bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Op deze gronden lag eerder een woonbestemming, de grond was eerder reeds geschikt voor de functie wonen. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmeringen voor de geplande functiewijziging. Conclusie Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

41

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: a. Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; b. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderzoek Cultuurhistorie Conform het vigerende bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk' kent het gebied geen dubbelbestemming voor cultuurhistorische waarden. Wel is het pand aangemerkt als Rijksmonument. Voorliggend initiatief maakt geen fysieke wijzigingen aan het monument mogelijk. Voor eventuele aanpassingen aan het monument (verbouwing, restauratie, onderhoud) is een vergunning noodzakelijk. Archeologie Het plangebied kent in het huidige bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3'. Ter voorkoming van aantasting van aanwezige archeologische waarden is het verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren over een oppervlakte van 5.000 m2 of meer en graafwerkzaamheden uit te voeren dieper dan 1,0 m onder maaiveld. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in graafwerkzaamheden, waardoor de archeologische waarden niet worden aangetast.

De dubbelbestemming wordt opgenomen op de verbeelding. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel dient voor eventuele werkzaamheden aan of in het pand een vergunning te worden aangevraagd in verband met de status als Rijksmonument.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

42

4.11

Kabels en leidingen

Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Uit de toelichting en verbeelding van 'Bestemmingsplan Eiland van Schalwijk' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn, tevens zijn er geen bodemroerende werkzaamheden gemoeid met het initiatief. Het aspect kabels en leiding vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: a. de kenmerken van de projecten; b. de plaats van de projecten; c. de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling betreft een bestemmingswijziging naar 'Wonen', in een pand waar bewoning al plaatsvindt. Verder kan ik er in de toekomst een inpandige verbouwing komen, die de realisatie van maximaal zes wooneenheden mogelijk zal maken. Daarmee blijft de beoogde ontwikkeling (ruim) onder de drempelwaarde.

Voor een landinrichtingsproject (zonnepark) geldt een drempelwaarde voor een functiewijziging van 125 hectare, terwijl het plan in eerste instantie een oppervlak van circa 240 m2 betreft en ook na eventuele uitbreiding ook ruim onder deze drempelwaarde blijft. Voor activiteit D 22.1 (oprichting thermische centrale) geldt een drempelwaarde van 200 MW (thermisch). Het voorgenomen opgestelde vermogen bedraagt minder dan 200 MW. Het plan blijft dus voor beide activiteiten onder de drempelwaarden. Conclusie Dit betekent dat een aanmeldnotitie in dit geval niet aan de orde is.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

43

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Wettelijke eisen

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

5.2

Opzet van de bestemmingsregeling

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang. Opzet verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch' opgenomen. Met een bouwvlak is aangegeven waar het gebouw gerealiseerd mag worden. Tevens worden de dubbelbestemmingen opgenomen, 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Landschap 1' en 'Waarde - Landschap 4'. Opzet regels De regels van het plan bestaan uit de volgende onderdelen: a. inleidende regels; b. bestemmingsregels; c. algemene regels; d. overgangs- en slotregel.

5.3

Toelichting op de inleidende regels

Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

44

Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

5.4

Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

Artikel 3 Agrarisch Binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn de productietakken grondgebonden veehouderij en akker- en vollegrondstuinbouw overal zonder meer toegestaan. Voor de gronden is tevens de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark' opgenomen. Op deze gronden is het realiseren van een zonnepark toegestaan. Artikel 4 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden. In de bestaande bebouwing worden maximaal 6 woningen toegestaan. Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn mede bestemd zijn voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Artikel 6 Waarde - Landschap 1 en Artikel 7 Waarde - Landschap 4 Deze gronden zijn tevens bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van de waarden die samenhangen met het karakteristiek landschap van de linten van Tull en 't Waal en Schalkwijk en het karakteristiek landschap van de oeverwal.

5.5

Toelichting op de algemene regels

Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, regels. Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Artikel 9 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is opgenomen dat bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld stoepen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken. Tevens zijn regels opgenomen voor voldoende parkeergelegenheid. Tot slot is een parkeerregeling opgenomen om de parkeersituatie te waarborgen. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken ten behoeve van geringe veranderingen in plaats, ligging of afmetingen van bestemmingsgrenzen.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van de overschrijding van de bestemmingsgrenzen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

45

Artikel 12 Overige regels Dit artikel regelt de wettelijke regelingen zoals deze gelden op het moment van vaststelling van het plan.

5.6

Toelichting op de overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht en Artikel 14 Slotregel In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangeduid.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

46

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

47

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De beoogde ontwikkeling betreft de verbouwing van één of meer gebouwen die gedeeltelijk voor kantoor en gedeeltelijk voor wonen in gebruik waren. Er worden maximaal zes wooneenheden gerealiseerd. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling geen bouwplan is als bedoeld in artikel 6.2.1 van de Bro (Besluit ruimtelijke ordening). Hieruit volgt dat de gemeente geen verplichting heeft om kosten te verhalen op de initiatiefnemer van de beoogde ontwikkeling en dus geen exploitatieplan hoeft vast te stellen. Gemeente en initiatiefnemer sluiten een overeenkomst om afspraken te maken over de uitvoering, over de betaling van plankosten, eventuele planschade en andersoortige afspraken. Verder heeft de initiatiefnemer richting de gemeente voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in staat is om de uitvoering en exploitatie van de beoogde ontwikkeling financieel te dragen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de verschillende overlegpartners. De ingekomen reacties zijn van een beantwoording, zie bijlage 2. Ter inzagelegging Het ontwerp bestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. In deze periode zijn geen reacties binnengekomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

48

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Vergunningverlening zonnepark

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

Bijlage 2 Nota vooroverleg

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

Bestemmingsplan Provincialeweg 69 Nota inspraak en vooroverleg Datum: 28 mei 2021

Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het voorontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 69 is overeenkomstig artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangeboden aan diverse vooroverlegpartners. In deze nota van vooroverleg en inspraak worden de binnengekomen reacties samengevat en voorzien van een beantwoording. 1.2. Vervolg van de bestemmingsplanprocedure en mogelijkheden voor reactie Wij streven ernaar om het ontwerpwijzigingsplan terinzage te leggen op donderdag 2 september 2021. Dit wordt bekendgemaakt in ‘t Groentje en de Staatscourant. In deze bekendmaking kunt u lezen hoe het bestemmingsplan geraadpleegd kan worden en hoe u uw mening kenbaar kunt maken. Het ontwerpbestemmingsplan kan worden geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast wordt het ontwerpbestemmingsplan geplaatst op de site van de gemeente Houten, en kan een papieren versie na afspraak worden ingezien. Een ieder kan gedurende zes weken vanaf de dag van tervisielegging een zienswijze kenbaar maken op het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijzen worden ter beoordeling voorgelegd aan het college, tegelijkertijd met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. 1.3. Toelichting op het plan Het plangebied ligt aan de Provincialeweg 69 in Schalkwijk. Ten zuiden ligt het museum Dijkmagazijn De Heul, daarachter ligt de Lekdijk.

Aan het kruispunt van de Provincialeweg, de Zuwedijk en Pothuizerweg zijn diverse bedrijven gevestigd, zoals: veevoederbedrijf Reudink, garagebedrijf Zuurhout en veehouderij Verhoef. Het perceel is kadastraal bekend als Gemeente Houten, sectie K, nummers 175 en 704. Zie figuur 1 voor de ligging van het plangebied. Het vigerende bestemmingsplan is “Eiland van Schalkwijk”, met de bestemmingen “Kantoor” en “Agrarisch” en de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 3”, “Waarde – Landschap 1” en “Waarde – Landschap 4”. In de huidige situatie wordt het hoofdgebouw en het bijbehorende koetshuis, tevens Rijksmonument, bewoond. In de huidige situatie zijn er 3 wooneenheden in het hoofdgebouw in gebruik en 1 in het koetshuis. Het gebruik van wonen valt onder het overgangsrecht. Het hoofdgebouw en bijbehorende bijgebouwen worden op dit moment niet meer gebruikt als kantoor. Het bestemmingsplan maakt alleen het gebruik ten behoeve van kantooractiviteiten en agrarische activiteiten als hoofdfunctie mogelijk. Naast het hoofdgebouw is een zonneveldje aanwezig met 100 panelen.

Bestemmingsplan Provincialeweg 69 voorontwerp Nota inspraak en vooroverleg 1

Figuur 1 Ligging plangebied en omgeving (Bron: Google Maps)

De initiatiefnemer wil het historische Lekdijkhuis behouden en nieuwe toekomstbestendige functie geven. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het wijzigen van de bestemming van kantoren naar wonen. Binnen het bestaande hoofdgebouw worden maximaal 5 eenheden toegestaan en in het bestaande koetshuis wordt 1 woning toegestaan. Er vinden geen bouwwerkzaamheden plaats. 1.4 Binnengekomen reacties Er zijn 3 reacties binnengekomen van de vooroverlegpartners; te weten van de Provincie Utrecht, Veiligheidsregio Utrecht en het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op het vooroverleg. In hoofdstuk 3 worden de belangrijkste aanpassingen ten opzichte van het voorontwerp wijzigingsplan besproken.

Bestemmingsplan Provincialeweg 69 voorontwerp Nota inspraak en vooroverleg 2

Hoofdstuk 2. Vooroverleg Er zijn vooroverlegreacties ingediend door de provincie Utrecht, het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en de Veiligheidsregio Utrecht. 3.1 Vooroverlegreactie 1; Provincie Utrecht Per brief van 10 mei 2021, kenmerk Z-GRO_VBP-2021-0760 Inhoud reactie Het voorliggende wijzigingsplan geeft geen aanleiding opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht (2021) en de Interim Omgevingsverordening, Provincie Utrecht 2021. Beantwoording reactie De reactie behoeft geen reactie. 3.2 Vooroverlegreactie 3; Veiligheidsregio Utrecht Per brief van 25 mei 2021, kenmerk 2021-001171 Inhoud reactie In de huidige situatie is geen primaire bluswatervoorziening aanwezig binnen 40m van het object (artikel 6.30, Bouwbesluit 2021). De VRU adviseert om de bestaande primaire bluswatervoorziening aan de Provincialeweg zodanig uit te breiden dat er op maximaal 40m van de (nieuw te realiseren) wooneenheden aan de Provincialeweg 69 bluswater kan worden onttrokken met een capaciteit van minimaal 30 m³/h. Beantwoording van de reactie Omdat er genoeg openwater in de omgeving aanwezig is, zien wij geen noodzaak om extra bluswatervoorzieningen aan te leggen. De gemeente gaat hierover in overleg met de veiligheidsregio.

3.3 Vooroverlegreactie 2; Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden Per mail van 28 mei 2021 Inhoud reactie Het bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor het watersysteem. Het waterschap attendeert er op dat het onderhoud langs de bestaande watergang gewaarborgd moet blijven. Het waterschap vraagt of de zonnepanelen zo gepositioneerd kunnen worden dat er circa 3,5m langs de bestaande watergang over blijft voor het uitvoeren van onderhoud. Beantwoording reactie In de toelichting bij het onderdeel “Water” wordt vermeld dat bij de vergunningaanvraag voor zonnepanelen rekening gehouden moet worden met de afstand voor het uitvoeren van onderhoud. Bestemmingsplan Provincialeweg 69 voorontwerp Nota inspraak en vooroverleg 3

Hoofdstuk 3. Overzicht aanpassingen De binnengekomen reacties van de vooroverlegpartners vormen aanleiding om het voorontwerpwijzigingsplan op grote delen te wijzigen. De voorgestelde toevoegingen van het waterschap zijn doorgevoerd.

Bestemmingsplan Provincialeweg 69 voorontwerp Nota inspraak en vooroverleg 4

REGELS

57

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Provincialeweg 69 met identificatienummer NL.IMRO.0321.0670PWEG69-VSBP van de gemeente Houten. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 agrarisch bedrijf een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. b. c. d. e. f. g.

akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt; grondgebonden veehouderij: grondgebonden veehouderij als bedoeld in artikel 1.19, daaronder niet begrepen een paardenfokkerij; glastuinbouw: de teelt van gewassen geheel met behulp van kassen; sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen; fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) zonder gebruik te maken van daglicht; paardenfokkerij: het fokken van paarden en pony's, het africhten c.q. trainen/dresseren alsmede de verkoop van gefokte paarden en pony's en het houden van paarden en pony's ten behoeve van de fokkerij.

1.6 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlak de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

58

1.8 beroep en bedrijf-aan-huis beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie verenigbaar is; hieronder wordt in ieder geval niet verstaan het voeren van een:  horecabedrijf;  prostitutiebedrijf;  detailhandel, met uitzondering van een webwinkel en/of verkoop van behandeling gerelateerde producten gelijktijdig bij een behandeling. 1.9 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.10 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.12 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.13 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.14 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel. 1.15 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten. 1.16 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.17 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.18 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.19 grondgebonden landbouw agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veebedrijven het benodigde ruwvoer (gras, snijmaïs) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de op basis van structureel bij het bedrijf behorende gronden.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

59

1.20 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is of zijn. 1.21 locatiespecifiek onderzoek een door een deskundig bureau opgesteld onderzoek ten behoeve van de onderbouwing voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omliggende functies van fruitboomgaarden, ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in die fruitboomgaarden. Het onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van de meest recente studies en Europese richtlijnen. 1.22 maaiveld a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein. 1.23 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.24 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (gesloten) dak, zonder eigen wanden. 1.25 peil a. niveau van het maaiveld; of b. voor zover blijkt uit de betreffende bestemmingsregeling. 1.26 perceelgrens de grens van een perceel.

1.27 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.28 voorgevelrooilijn de lijn in het verlengde van de voorgevel. 1.29 waterpeil de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag van de vergunning, afwijking of bestemmingswijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater. 1.30 webwinkel een detailhandelvestiging waar goederen via het internet of via de telefoon worden besteld en betaald. 1.31 woning een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één zelfstandig huishouden, niet zijnde een woonschip of -ark.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

60

1.32 zelfstandig wonen het bewonen van een zelfstandige woonruimte. 1.33 zelfstandige woonruimte woonruimte met een eigen toegang, die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. 1.34 zonnecollectoren diverse apparaten die worden gebruikt om zonnestraling te verzamelen en deze om te zetten in energie. 1.35 zonnepark veld met zonnecollectoren.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

61

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Meetmethode 2.1.1 lengte, breedte en diepte van bouwwerken tussen de verst van elkaar gelegen punten van die werken, horizontaal gemeten; 2.1.2 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.1.3 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.4 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.1.5 oppervlakte van een bouwwerk tussen de (fictieve) buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een gebouw of van een overig bouwwerk; 2.1.6 onderlinge afstanden afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn; 2.2 Uitzonderingen 2.2.1 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten,

pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, airco-units, zonnepanelen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

62

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

63

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Bestemmingsregels

Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in artikel 1.5 onder a en b; b. fruitteelt; c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, bestaande uit de openheid van het gebied en het verkavelingspatroon; d. bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies, voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van een nieuw aan te planten fruitboomgaard; e. extensieve dagrecreatie en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; f. het opwekken van energie door middel van het omzetten van zonlicht in elektriciteit en/of warmte met gebruik van zonnepanelen in een zonnepark, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark'; met daaraan ondergeschikt: g. h.

mestverwerking ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering; bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kuilvoerplaten, sleufsilo's, teeltondersteunende voorzieningen, mestvoorzieningen, paardenbakken, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen, kavelpaden en voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bruggen, dammen, duikers, gemalen, waterberging en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; tevens natuurvriendelijke oevers, helofytenfilters, vispaaiplaatsen en voorzieningen ten behoeve van de verbetering van de waterkwaliteit.

3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd. 3.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. buiten het bouwvlak is één schuilstal per bedrijf mogelijk met een maximale oppervlakte van 20 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 meter;

Rho adviseurs voor leefruimte

44002559.20192098

64

3.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met uitzondering van zonnepanelen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf zonnepark'; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn en buiten het bouwvlak maximaal 1 meter bedraagt; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de situering en/of afmetingen van bebouwing, indien dit noodzakelijk is in verband met: a. een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing; b. een goede verkeerskundige inpassing; c. een goede inpassing van de cultuurhistorische waarden; d. een goede hydrologische inpassing; e. een goede brandveiligheid en rampenbestrijding. 3.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. mestopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=7e515e38-e55c-4a65-a951-8cd14d4d039c