CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan Herbergierserf ongenummerd_NL.IMRO.0321.0880HERBERGIERSERF-VSBP

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente HoutenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Herbergierserf ongenummerd, Houten26.955 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld van 48 dB. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai kan dan ook achterwege worden gelaten. 4.1.2.2 Railverkeerslawaai Het plangebied bevindt zich op circa 330 meter van de spoorlijn Utrecht – ’s Hertogenbosch. In artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is aangegeven dat een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. In onderstaande tabel staan de zones in meters aangegeven die horen bij het betreffende geluidproductieplafond (Gpp). Hoogte geluidproductieplafond Kleiner dan 56 dB Gelijk aan of groter dan 56 dB en kleiner dan 61 dB Gelijk aan of groter dan 61 dB en kleiner dan 66 dB Gelijk aan of groter dan 66 dB en kleiner dan 71 dB Gelijk aan of groter dan 71 dB en kleiner dan 74 dB Gelijk aan of groter dan 74 dB

Breedte zone (in meters) 100 m 200 m 300 m 600 m 900 m 1200 m

Aan de hand van het Geluidregisterspoor is een inventarisatie gedaan naar de Gpp ter plaatse van het spoor. Hierbij is gekeken naar de punten in de nabijheid van de beoogde woningen. Uit de inventarisatie blijkt dat het Gpp langs het spoor in de nabijheid van de toekomstige bebouwing maximaal 57 dB bedraagt. Hiervoor geldt een zone van 200 meter. In voorliggend geval ligt het plangebied op circa 330 meter van de as van de buitenste spoorstaaf en valt hiermee binnen de wettelijke geluidszone van de spoorweg. 4.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wgh, aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 4.5 (milieuzonering). 4.1.3

Conclusie

Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Algemeen

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2

Situatie plangebied

Door Dumea is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek inclusief asbestonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan is een nader onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport in opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen. Verkennend bodemonderzoek •

In het bovengrondmengmonster BM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn lichte verhogingen zware metalen en minerale olie aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld •

• • •

In het bovengrondmengmonster BM1 zijn matige verhogingen zink en lood en een sterke verhoging PAK aangetroffen. Naar aanleiding van deze verhogingen zijn de separate deelmonsters van BM1 geanalyseerd op de verhoogde parameters. Daarnaast zijn enkele grondmonsters van de boringen 1, 2 en 9 aanvullend geanalyseerd op de verhoogde parameters om zodoende een beeld te krijgen van de verontreiniging. In de separaat geanalyseerde deelmonsters zijn lichte en matige verhogingen zink en lichte tot sterke verhogingen lood en PAK aangetroffen. Formeel geven deze verhogingen aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader onderzoek naar de ernst en omvang van de verontreiniging. De mengmonsters MM1 en MM2 zijn licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn (ruim) lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Het gewogen asbestgehalte in het mengmonster van DZ1 is hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). In de fractie <0,5mm zijn geen asbestvezels gemeten. Formeel geeft deze druppelzone aanleiding tot nader onderzoek.

Naar de mening van Dumea is er een reden om af te zien van een nader onderzoek ter plaatse van de druppelzone. De omvang van de verontreiniging kan worden geschat op 0,1 m3 per strekkende meter. Bij sanering van de druppelzone is het verstandig om de zone breder en dieper uit te graven om zo de hele druppelzone in één werkgang te saneren. In overleg met de gemeente Houten is besloten om ten aanzien van de druppelzone geen nader onderzoek naar asbest uit te laten voeren. Nader onderzoek •

• •

•

Uit de analyseresultaten blijkt dat er maximaal licht verhoogde gehaltes zink, lood en PAK zijn aangetoond in de monsters. Enkel ter plaatse van boring 108 is in de laag 0,50-1,00 m-mv een matige verhoging lood aangetoond. Aan de hand van dit resultaat is de laag 1,00-1,50 m-mv geanalyseerd op lood. In dit monster is een lichte verhoging lood aangetoond. Op basis van het verkennend- en nader onderzoek kan gesteld worden dat de verontreiniging zowel horizontaal als verticaal voldoende in beeld is gebracht. De bovengrond van kadastraal perceel 13766 (202 m2) kan als licht tot sterk verontreinigd worden beschouwd met zink, lood en PAK. In de ondergrond (0,50-1,00 m-mv) zijn enkele verontreinigingsspots aangetoond. De geschatte diepte van de verontreiniging wordt vastgesteld op 0,50 m-mv. Dit komt totaal neer op een geschatte hoeveelheid van 101 m3. Er is sprake van een ernstig historisch geval van bodemverontreiniging. De verontreiniging is ontstaan voor 1987 en is groter dan 25 m3 bodemvolume.

De RUD en de provincie Utrecht zijn akkoord om geen nader onderzoek naar asbest uit te voeren. De verontreiniging ter plaatse van de druppelzone kan middel een BUS-melding gesaneerd worden. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2

Situatie plangebied

4.3.2.1 Algemeen Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie (wonen) niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.2.2 Advieswaarden WHO Plannen dienen te voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Idealiter wordt gekeken naar de advieswaarden die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteert. Hierbij wordt meteen geanticipeerd op de Omgevingswet, waarin gezondheid en milieu meer aan elkaar worden gekoppeld. Onderstaande tabel geeft een overzicht weer van de grenswaarden van maatgevende stoffen vanuit de Wet milieubeheer, evenals de advieswaarden van het WHO: Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Ultra fijn stof (PM2,5)

Wettelijke grenswaarde (μg/m3) 40 40 25

WHO advieswaarde (μg/m3) 10 15 5

In onderstaande tabel staan de concentraties vermeld van bovenstaande stoffen in 2020 (Bron: Atlas van de Leefomgeving) en 2030 (Bron: RIVM).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld Stof

Concentratie 2020 (μg/m3)

Concentratie 2030 (μg/m3)

Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Ultra fijn stof (PM2,5)

14,9 16,3 9,0

11-12 14-14,5 7,5-7,7

Zoals in bovenstaande tabel te zien is wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en (ultra) fijnstof. Er wordt in 2020 echter niet voldaan aan de WHO advieswaarden. In de tabel is te zien dat er sprake is van een dalende trend en deze daling ook tot 2030 wordt verwacht. Voor het jaar 2030 worden achtergrondconcentraties verwacht voor (ultra) fijn stof van hoogstens 14,5 respectievelijk 7,7 μg/m3, waarmee het aannemelijk is dat in de nabije toekomst eveneens wordt voldaan aan de advieswaarden van de WHO. Voor stikstofdioxide is de concentratie in 2030 nog boven de advieswaarde. Gelet op de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling wordt gesteld dat het voornemen niet zal leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ten aanzien van stikstofdioxide. 4.3.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie plangebied

Algemeen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe ster) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 4.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas van de Leefomgeving)

Op circa 335 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich een basisnet-spoortraject zonder PAG-indicatie (traject nr. 71 Breukelen – Betuweroute Meteren). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter van een transportroute is een nadere verantwoording nodig van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (artikel 8.1 Bevt). Gelet op de afstand tussen het plangebied en de spoorweg is er geen nadere verantwoording nodig van het plaatsgebonden en groepsrisico. Echter bevindt het plangebied zich wel binnen het invloedsgebied (1.500 meter) van de spoorlijn. De Veiligheidsregio Utrecht heeft advies uitgebracht ten aanzien van rampbestrijding en zelfredzaamheid. Hieronder wordt ingegaan op dat advies. Rampbestrijding en zelfredzaamheid De aanwezigen in het plangebied kunnen door een incident met giftige stoffen op het spoor slachtoffer worden van een toxische wolk. De gifwolk kan visueel zichtbaar zijn. Afhankelijk van de blootstellingstijd en concentratie kunnen slachtoffers veroorzaakt worden. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving en de weersomstandigheden. Een gifwolk kan tot 1.500 meter slachtoffers veroorzaken. Voor een adequate hulpverlening door de brandweer is het van belang dat voldoende bluswater aanwezig is bij het incident met gevaarlijke stoffen.

Gezien de kans op een gifwolk op het spoor zeer klein is, wordt de (bestaande) bluswatervoorziening voldoende geacht. Het is daarnaast van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied is hierbij van essentieel belang. Op basis van de beschikbare gegevens is de bereikbaarheid van het betreffende perceel en de incidentlocatie voldoende. Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. Kijkend naar de functie in het plangebied, kunnen de aanwezigen als zelfredzaam worden beschouwd. Het handelingsperspectief bij een gifwolkscenario is schuilen in het gebouw tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Ramen, deuren en ventilatieopeningen dienen gesloten te worden. Ook is het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het mechanische ventilatiesysteem daarvoor een vereiste. Toepassing zelfredzaamheid Bovenstaand advies van de Veiligheidsregio is gedeeld met initiatiefnemers. Zij zijn op de hoogte van de risico’s en houden rekening met het ontwerp ten aanzien van ventilatie. Geconcludeerd wordt dat de risico’s hiermee voldoende zijn beperkt. Overig Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: • • • 4.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; er zich geen hoogspanningsmasten in of nabij het plangebied bevinden. Conclusie

Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld 4.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in de kern van Houten, aan een woonerf. In de omgeving van het plangebied zijn uitsluitend woningen aanwezig. Het plangebied ligt ook niet aan een doorgaande weg. Het plangebied wordt dan ook getypeerd als ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voornemen ziet toe op het realiseren van twee woningen. Ten aanzien van de functie 'wonen' wordt opgemerkt dat een dergelijke functie niet wordt beschouwd als een milieubelastende functie voor de omgeving. Er is daarom geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). De milieubelastende functies in de omgeving bevinden zich op minimaal circa 300

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld meter afstand van het plangebied. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder worden omliggende milieubelastende functie niet (verder) in de ontwikkelmogelijkheden beperkt. 4.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit project besloten ontwikkeling.

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hierna wordt separaat ingegaan op gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.6.2

Gebiedsbescherming

4.6.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde gronden aangewezen als Natura 2000gebied, zijn gelegen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen.

Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is door BJZ.nu een zogenaamde AERIUSberekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van depositieresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar. Het plan heeft dan ook geen negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000-gebieden. De berekening is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. 4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld Het plangebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangeduid als NNN liggen op circa 1,8 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Hierdoor hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op het NNN. 4.6.3

Soortenbescherming

Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is door Teia een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Het volledige onderzoek is bijgesloten in bijlage 3 bij deze toelichting. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. Quickscan flora en fauna •

Ten aanzien van vogels dient buiten het broedseizoen van algemene vogels gewerkt te worden (half maart-half juni);

•

Ten aanzien van vleermuizen dient het gebruik van lichtbronnen tijdens de bouw beperkt dan wel afgeschermd te worden;

•

Ten aanzien van amfibieën dient de ontwikkeling voor amfibieën geschikt habitat (tijdelijke plassen en vergraafbare grond) vermeden te worden in de periode mei-september;

•

Ten aanzien van overige diersoorten geldt naast de algemene zorgplicht geen beperkingen.

4.6.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7

Archeologie & Cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie plangebied Het plangebied kent geen archeologische dubbelbestemming. Ook op basis van de Archeologische Beleidskaart Houten kent het plangebied hoogstens een lage archeologische verwachtingswaarde. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten uiterst klein wordt geacht. In situaties waarin er geen sprake is van een bijzondere bepaling of voorschrift op het gebied van ruimtelijke ordening is de archeologie zeker niet vogelvrij.

De gemeente kiest er echter voor in situaties en gebieden waar BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld de trefkans zeer laag is, vooraf geen bijzondere eisen ten aanzien van de archeologie te stellen aan grondeigenaren en initiatiefnemers. In het geval dat in die gebieden toch archeologische resten worden aangetroffen zal de gemeente het initiatief nemen om tot een verantwoorde oplossing te komen. De Monumentenwet verplicht overigens grondeigenaren en vinders van archeologische waarden deze direct bij de gemeente te melden. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat nader onderzoek niet nodig is. Het voornemen leidt niet tot negatieve effecten ten aanzien van het aspect ‘archeologie’. 4.7.2

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie plangebied Binnen de begrenzing van het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke of rijksmonumenten. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele gemeentelijke en rijksmonumenten waarop voorliggend plan van invloed kan zijn. Het betreft de panden aan de Loerikseweg 12 (rijksmonument) en de Loerikseweg 10, 12, 18, 19, 21 en 23 (gemeentelijke monumenten). Hieronder wordt nader ingegaan op de monumenten. Op circa 230 meter ten westen van het plangebied bevindt zich het rijksmonument Loerikseweg 12. Het monument betreft de kerk ‘O.L. Vrouw ten Hemelopneming’. Naast de monumentale kerk bevinden zich enkele gemeentelijke monumenten op het perceel, zoals een Christusbeeld.

De overige gemeentelijke monumenten aan de Loerikseweg bestaan uit woningen. Het dichtstbijzijnde gemeentelijke monument (Loerikseweg 23) ligt op circa 135 meter ten zuidwesten van het plangebied. Het voornemen voorziet in de bouw van twee woningen. Gesteld wordt dat het voornemen niet van negatieve invloed is op de omliggende monumenten. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie daarmee geen belemmering vormt voor dit plan.

4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek niet benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

4.8

Wateraspecten

4.8.1

Vigerend beleid

4.8.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.8.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich onder andere op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het programma een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Nationale Omgevingsvisie (2020), het Bestuursakkoord Water (2011, aangevuld in 2018) en de Waterwet (2009). 4.8.1.3 Provinciaal beleid In het Bodem- en Waterprogramma 2022-2027 wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op schoon oppervlaktewater, schone bodem en grondwater, bodem, voldoende water, waterveiligheid en energie uit bodem en water. Het plangebied ligt in de kern Houten. Houten is onderdeel van het Stadsgewest Utrecht.

Hiervoor geldt een gebiedsgerichte aanpak. De huidige manier waarop steden en ook dorpen zijn ingericht, samen met onder meer de woningbouwopgave en de energietransitie, zorgen voor een toenemend probleem van wateroverlast, droogte- en hittestress en toenemende drukte in de ondergrond. Zowel bij ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied als bij uitbreidingslocaties is het van belang om voldoende waterberging te realiseren, teneinde wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te beperken. Mogelijkheden tot verkoeling zijn ook belangrijk, dus meer natuur, groen en recreatievoorzieningen, zoals zwemwater. 4.8.1.4 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft de ambities en inzet van het hoogheemraadschap om de waterdoelen voor het beheergebied te bereiken. Voor de komende periode heeft het hoogheemraadschap haar koers in vier thema’s verwoord: • • • •

Zuiver afvalwater. Energieneutraal en circulair; Robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied; Waterbewust leven en genieten van water; Waterveilige leef- en werkomgeving.

Daarnaast zijn voor verschillende gebieden nadere uitwerkingen opgesteld. Het plangebied ligt in het ‘Stedelijk Middengebied’. De inzet van het hoogheemraadschap is dat ontwerpen met water een prominentere rol krijgt in gebiedsontwikkelingen en de openbare ruimte, zoals bij locatiekeuzes en planvorming van nieuwe bouwlocaties. De inzet van water dient meerdere doelen, zoals de opvang van overtollige neerslag bij extreme buien en watervoorziening van stadswater met een goede waterkwaliteit en stedelijk groen. En dit zorgt weer voor het tegengaan van hittestress, de aanvulling van grondwater en een gezonder en aangenamer leefklimaat. Het hoogheemraadschap werkt samen met de Provincie Utrecht, gemeenten en de bouwsector aan een convenant duurzaam bouwen, wat hier een belangrijke impuls aan kan geven. Daarmee wordt water en klimaatadaptie een vanzelfsprekend onderdeel van het programma van eisen bij ontwikkeling in stedelijk gebied. 4.8.2

Waterparagraaf

4.8.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.8.2.2 Watertoetsproces Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Het resultaat van de watertoets staat vermeld in bijlage 4. Uit het resultaat blijkt dat de korte procedure van toepassing is. Op basis van de ingevoerde gegevens blijkt dat de ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: ‘het standstill beginsel’. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat.

De ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, hebben een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. 4.8.2.3 Waterhuishoudkundige aspecten Hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Bij het infiltreren van schoon hemelwater in de bodem (afkoppelen) kan het afvalwater worden afgevoerd naar het vuilwaterriool/DWA. Afvoer hemelwater Hemelwater kan worden geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur.

Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool/DWA-riool. Verharding In dit geval is de toename van het verharde oppervlak in het plangebied minder dan 500 m2. Er is dan ook geen opgave voor watercompensatie. Afvalwater Afvalwater wordt conform het gemeentelijk rioolbeleid verwerkt. Dit houdt in dat er gebruik kan worden gemaakt van de bestaande aansluiting. Indien in dit geval een grotere aansluiting nodig is wordt ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning tevens een rioolaansluitvergunning aangevraagd. Grondwater Het plangebied ligt niet binnen een beschermingszone voor drinkwaterwinning. De realisatie van de beoogde woningen resulteert niet in een verslechtering van de grondwaterkwaliteit of tot een groter risico op verontreiniging ervan. Hiermee wordt voldaan aan het standstill principe.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden geeft een positief wateradvies.

4.9

Besluit milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.9.2

Situatie plangebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 10,5 kilometer afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening is gebleken dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van dit Natura 2000gebied, aangezien er geen sprake is depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldend bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de kenmerken van het plan (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.9.3

Conclusie

Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

4.10

Trillingshinder

Het plangebied bevindt zich op circa 330 meter afstand van de spoorlijn Utrecht – ’s Hertogenbosch. Doordat de spoorlijn relatief dichtbij is gelegen zou er sprake kunnen zijn van trillingshinder. Uit ervaring blijkt dat spoorwegbeheerders bij plannen en projecten binnen 100 meter afstand van een spoorlijn onderzoek verlangen naar trillingshinder. In voorliggend geval betreft de afstand tussen het plangebied en de spoorlijn ruim meer dan 100 meter. Daarnaast wordt opgemerkt dat er veel tussenliggende bebouwing is. Van trillingshinder is dan ook met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen sprake en nader onderzoek naar trillingshinder wordt niet nodig geacht. Het aspect trillingshinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5 5.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2

Opzet van de regels

5.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 5.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: •

Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld •

Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

•

Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd

5.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 6) In deze regel zijn bepalingen opgenomen over het overschrijden van bestemmingsgrenzen, ondergronds bouwen en bestaande afstanden en andere maten. Tevens zijn regels opgenomen over de herbouw van woningen, overschrijdingen bouwgrenzen, werking wettelijke regelingen en voldoende parkeergelegenheid.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In deze regel zijn bepalingen omtrent strijdig gebruik en isolatie opgenomen. Ook zijn er regels over beroepen- en bedrijven aan huis opgenomen. In deze regeling is maatwerk opgenomen, teneinde de in dit plan besloten ontwikkelingen mogelijk te maken. Zo is er geen maximum oppervlakte voor aanhuis-verbonden beroepen en bedrijven opgenomen. Ook is opgenomen dat deze beroepen tevens buiten de gebouwen plaats mogen vinden. Voor het detailhandelsverbod is een uitzondering opgenomen die het mogelijk maakt dat ondergeschikte detailhandel ter plaatse van een aanduiding wel mogelijk is. Tot slot is bepaald dat een beroep- of bedrijf aan huis mag worden uitgeoefend door één of meer gezamenlijke bewoners van de woningen.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In dit artikel is een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om het plan op ondergeschikte punten te kunnen wijzigen. Het gaat over het overschrijden van bestemmingsgrenzen.

5.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Tuin – Voortuin (Artikel 3) Deze bestemming is conform het geldend planregime op andere locaties in de kern Houten opgenomen ter plaatse van de voortuin. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor voortuinen, verhardingen en erven. Tevens zijn erkers, inritten voor parkeren en water(huishoudkundige) voorzieningen toegestaan. In de bouwregels zijn bepalingen omtrent erkers, voordeurluifels en kliko-ombouwen toegestaan. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de situering en/of afmetingen van bebouwing. Wonen – Vrijstaand (Artikel 4) De te realiseren woningen in het plangebied zijn vrijstaand. De bestemming ‘Wonen – Vrijstaand’ is opgenomen ter plaatse van de beoogde woningen. In de bestemmingsregels is geregeld dat naast wonen ook beroepen en bedrijven aan huis zijn toegestaan.

In de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Hoofdgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gerealiseerd. Voor de goot- en bouwhoogte geldt dat deze respectievelijk maximaal 6 en 9 meter bedragen. Deze regel is middels een aanduiding op de verbeelding weergegeven. Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat deze zowel binnen als buiten het bouwvlak gerealiseerd mogen worden. Echter geldt dat de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel, met een maximale oppervlakte van 50 m². Op deze manier wordt overmatige verharding van het perceel tegengegaan, in lijn met het gemeentelijk beleid voor natuurinclusief bouwen. Ook voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn enkele regels opgesteld. In de specifieke gebruiksregels zijn nadere regels opgenomen ten aanzien van het uitoefenen van beroepen en bedrijven aan huis als ondergeschikte activiteit aan de woonfunctie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van het vaststellen van een bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de Nota Kostenverhaal. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente voor de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

Vooroverleg

7.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 7.1.2

Provincie Utrecht

De Provincie Utrecht heeft positief gereageerd. De provincie zag geen aanleiding opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en geborgd in de bijbehorende Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht. 7.1.3

Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden

De watertoets heeft plaatsgevonden op de website www.dewatertoets.nl. De uitkomst van deze watertoets heeft geleid tot de 'korte procedure'. Uit het vooroverleg komt dat het waterschap een positief wateradvies geeft. 7.1.4

Veiligheidsregio Utrecht

De Veiligheidsregio Utrecht heeft advies uitgebracht ten aanzien van de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Lunetten-Geldermalsen. Het advies van de Veiligheidsregio is verwerkt in de versie van het bestemmingsplan die ter inzage wordt gelegd. Paragraaf 4.4 is aangevuld.

7.2

Inspraak

7.2.1

Participatie

7.2.1.1 Eerste ronde Initiatiefnemer heeft gehandeld volgens het ‘Stappenplan participatie omgevingsinitiatieven’ van de gemeente Houten. Gelet op de aard en omvang van het voornemen is hierbij participatie route 2 gevolgd (‘matige impact’). Initiatiefnemer heeft in een vroeg stadium overleg gevoerd met de buurtbewoners van het Herbergierserf en de Loerikseweg. De eigenaren van de betrokken percelen (zie paragraaf 2.1.2) zijn in het bijzonder betrokken bij het voornemen. Initiatiefnemer heeft naar aanleiding van het ‘Stappenplan’ en de gevoerde gesprekken een participatieverslag opgesteld. Deze staat opgenomen in bijlage 5. Hieronder wordt kort ingegaan op dit verslag. Over het geheel genomen leken de betrokkenen positief te staan tegenover ontwikkeling van de gronden in het plangebied. Bij enkele bewoners van het Herbergierserf waren er zorgen voor de mogelijkheden voor geluidsoverlast. Initiatiefnemer geeft aan geen geluidsoverlast te voorzien na voltooiing van de bouw, maar zal tijdens de bouwfase de bewoners tijdig informeren over mogelijk overlast gevende activiteiten. Andere betrokkenen hadden vragen over de hoogte van de bouw. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat het voornemen geenszins gaat om een appartementencomplex, woonflat of iets dergelijks. Initiatiefnemer heeft hierbij aangegeven binnen de gemeentelijke grenzen te blijven.

Klachten met oog op het veranderende straatbeeld zijn nog niet geuit. Men leek niet onwelwillend te staan tegen de ontwikkeling van de ruimte voor twee ‘starters’. Initiatiefnemer heeft de betrokkenen laten weten naar welke personen zij toe kunnen gaan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Herbergierserf ongenummerd” Vastgesteld voor vragen over het voornemen. Bij nadere uitwerking van de plannen worden de omwonenden opnieuw betrokken. 7.2.1.2 Tweede ronde Voor de ter inzage legging van het plan is initiatiefnemer opnieuw langs geweest bij buurtbewoners. Initiatiefnemer heeft de resultaten van de tweede participatieronde verwerkt in het format van het ‘Stappenplan’. Deze staat opgenomen in bijlage 6. Hieronder wordt kort ingegaan op de gestelde vragen en de reactie van initiatiefnemer op deze vragen. Hoe hoog gaan jullie bouwen? Wordt het hoogbouw? Hoeveel verdiepingen? In voorliggend bestemmingsplan is de maximale bouwhoogte 8 meter. De eigen wens van initiatiefnemer is om niet hoger dan 7 meter te bouwen. Het gaat daarnaast ook niet om meerdere appartementen, maar om twee vrijstaande woningen. Waar komen de ramen? En hoe zit dat met de erfgrens? Deze vraag wordt meegenomen in de gesprekken met de bouwer. Initiatiefnemer volgt de richtlijnen van de gemeente hierover. Er komen op de eerste etage links waarschijnlijk geen ramen. Rechts komen er twee ramen op de eerste etage. Initiatiefnemer plaatst sowieso geen ramen op de erfgrens.

Zijn er plannen voor het stuk grond links van de kavels? Voor nu of in de toekomst? Initiatiefnemer heeft laten zien dat er, naar tekeningen van de gemeente, de mogelijkheid is om in de toekomst links van het bestemmingsplan een woning te realiseren. In voorliggend bestemmingsplan is dit niet meegenomen en de eigenaren wensen dit niet te verkopen. Wat gebeurt er met het stuk gras dat hier ligt? Initiatiefnemer heeft de nieuwe tekeningen van de gemeente meegenomen om te illustreren wat er gaat gebeuren met de grasstrook. De linkerkant wordt overgekocht door de eigenaren van Loerikseweg 36, de rechterkant zal dienen als voortuin voor de nieuw te realiseren woning. De daar geplaatste lantaarnpaal zal blijven staan om de buurt te verlichten. Hoe zit het met parkeren? Komen er meer auto's op de gedeelde parkeerplaats te staan? Bij beide kavels worden twee parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd, waardoor er geen gebruik gemaakt hoeft te worden van de openbare parkeerplaats (zie ook paragraaf 2.3.1). Hoeveel feestjes gaan jullie geven? In verband met geluidsoverlast. Deze vraag kwam voor de tweede keer op. Door de geringe schaal van het project (twee zelfstandige woningen), is het niet de verwachting dat de toekomstige bewoners zorgen voor buitensporig veel geluid. 7.2.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=bd391a80-b14c-41b3-87ed-a1166431959f