2 bestemmingsplan Overeind 22 Schalkwijk - NL.IMRO.0321.0600OVEREIND22-VSBP.pdf
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld Met het erf wordt tevens een nieuwe economische drager toegevoegd in het gebied, waarmee het recreatief medegebruik (rustpunt, voedselbos, etc.) bijdraagt aan de betere recreatieve ontsluiting van het gebied. Tot slot wordt er met de bed & breakfastfunctie ook ingespeeld op de doelstelling om de verblijfsrecreatieve functie te vergroten. Het plan is in overeenstemming met de Visie Recreatie en Toerisme. 4.3.4
Toekomstvisie Houten 2025 ‘proeftuin Houten’
4.3.4.1 Algemeen Het toekomstbeeld waar de Houtenaar in gelooft is de Proeftuin: duurzaam, innovatief en kleinschalig. Met oog voor elkaar, veel ruimte voor experiment en initiatief bij inwoners. Dit is het toekomstbeeld dat inwoners op de ‘Dag van de Toekomst’ uit vier mogelijke scenario’s kozen. In deze visie is dat beeld verrijkt met positief gewaardeerde punten uit de andere scenario’s: zorg en respect voor elkaar, juist ook tussen mensen met een verschillende achtergrond, oud en jong, arm en rijk. Een overheid die meedenkt, faciliteert en helpt als het echt nodig is en samenwerking in de regio belangrijk vindt. De visie vormt het kompas dat met vijf hoofdprincipes Houten op koers houdt: • • • • •
de mens staat centraal; verschillen worden gewaardeerd; men is zuinig op de omgeving; men bouwt voort op het ruimtelijk DNA; men is actief in de regio.
Proeftuin Houten is de rode draad. Daarbinnen zijn meerdere thema’s en proeftuinen te onderscheiden. Proeftuinen zijn ontwikkelomgevingen waar bedrijven, (kennis) instellingen, overheden en eindgebruikers nieuwe producten en diensten uitproberen. Niet elk experiment zal meteen raak zijn. Ruimte om te kunnen leren is dus nodig. In Proeftuin Houten nemen inwoners steeds vaker zelf het initiatief. Soms hebben zij daarbij steun van de overheid nodig. Dat kan zijn: partijen met elkaar in contact brengen, initiatieven aan elkaar verbinden, kennis en informatie delen, processen begeleiden en (soms) locaties of geld bieden. Maar durven pionieren, vraagt ook om een overheid die weinig barrières opwerpt. 4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Toekomstvisie Met dit initiatief wordt er ingespeeld op verschillende doelstellingen: Zo wordt bijgedragen aan het doel om zuinig op de omgeving te zijn. Het gaat om een duurzaam project, waarbij middels een burgerinitiatief een zogenaamd zelfvoorzienend ‘ecodorp’ wordt gerealiseerd. Ook draagt het initiatief bij aan de ruimtelijke DNA, waarin ruimte is voor nieuwe concepten en innovatieve woonconcepten. Het initiatief is in overeenstemming met de Toekomstvisie. 4.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in een bestemmingsplan ten behoeve van een bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, niet gesprongen conventionele explosieven, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, water en het besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in de onderstaande tabel. Wettelijke geluidszone van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Het plangebied is gelegen in het buitenstedelijk gebied aan Overeind en de daaraan parallel lopende Provincialeweg. Voor deze wegen geldt een 50 km/h regime. In dit kader is door B JZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Het onderzoek is gericht op de geluidbelasting ter plaatse als gevolg van de Provincialeweg. Een hogere waarde voor het aspect wegverkeerslawaai is in voorliggend geval noodzakelijk in verband met de overschrijding van de voorkeurswaarde ter plaatse van twee voorgevels, als gevolg van deze weg. Aangezien de locatie in buitenstedelijk gebied ligt kan voor deze voorgevels van ‘Woningen 1’ en ‘Woningen 2’ (zie bijlage 2) een hogere waarde tot en met 53 dB worden aangevraagd. De maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Er kan voor de voorgevels van ‘Woningen 1’ en ‘Woningen 2’ (zie bijlage 2) dan ook een hogere waarde L DEN van respectievelijk maximaal 52 dB en 50 dB worden aangevraagd, als gevolg van de Provincialeweg. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld Gelet op het vorenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft wegverkeerslawaai. Opgemerkt wordt dat wanneer een hogere geluidsbelasting wordt toegestaan het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd moet worden. De noodzakelijke gevelwering bedraagt maximaal (57 dB – 33 dB =) 24 dB. Er dient nader te worden onderbouwd dat de noodzakelijke gevelmaatregelen worden getroffen. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wgh, aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
Door Rouwmaat Groep is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek inclusief asbestonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport in opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen. Verkennend bodemonderzoek Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • • •
De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen vanuit de WBB geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Het aangetroffen matig verhoogde gehalte in de grond aan lood overschrijdt de waarde voor nader onderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de boringen 01 en 08 voldoet niet aan bodemkwaliteitsklasse Wonen, bij eventuele herinrichting/ gebruikswijziging dient hier rekening mee te worden gehouden. Bij het asbestonderzoek zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als in de fijne fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen.
Op basis van het matig verhoogde gehalte lood welke is aangetroffen in de bovengrond ter plaatse van boring 08, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aard en omvang van de verontreiniging. Hierbij dient bepaald te worden of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging (meer dan 25 m 3 verontreinigde grond). Dit betekent dat de verontreiniging in zowel het horizontale als in het verticale vlak afgeperkt dient te worden middels een aantal aanvullende boringen. Indien blijkt dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, zal bepaald dienen te worden of er sprake is van een spoedeisend geval. Op basis hiervan kan worden bepaald of eventuele saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld Nader bodemonderzoek Als aanvulling op het verkennend bodemonderzoek is een nader bodemonderzoek naar asbest uitgevoerd door Rouwmaat Groep. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 4. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • •
In de afperkende boringen zijn geen matig of sterk verhoogde gehalten aangetoond. Het betreft een beperkte spot. Het betreft geen ernstig geval van bodemverontreiniging (< 25 m3). Indien er grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden in of nabij de verontreinigde spot dient hierover contact opgenomen te worden met bevoegd gezag.
Geadviseerd wordt om geen grondwerkzaamheden op de locatie ter plaatse van boring 08 uit het verkennend bodemen asbestonderzoek uit te voeren. Indien er werkzaamheden plaats moeten vinden in de bodem binnen de aangegeven contouren, dient hiervoor contact opgenomen te worden met bevoegd gezag. Zonder goedkeuring van bevoegd gezag is het verboden op deze plek grondwerkzaamheden uit te voeren. Boring 8 bevindt zich achter de beoogde Hooiberg. Ter plaatse zijn geen bodemingrepen gepland. Aan het advies wordt voldaan. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
5.3.2.1 Algemeen Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie (wonen) niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.2.2 Advieswaarden WHO en GGD De WHO hanteert advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. In onderstaande kaarten (meetjaar 2030) is aangegeven wat de waarden in het plangebied in 2030 zijn. Uit de kaarten blijkt dat de concentratie fijnstof (PM2,5) onder de 10 microgram per kuub ligt. Hiermee wordt voldaan aan de advieswaarden. Uit de kaart in afbeelding 5.2 (fijnstof PM10, meetjaar 2030) blijkt tevens dat de concentratie fijnstof (PM10) onder de 18 microgram per kuub bedraagt. Hiermee wordt ook voldaan aan de advieswaarden.
Afbeelding 5.1
Luchtkwaliteitskaart fijn stof (PM2,5) (Bron: Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, RIVM)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld
Afbeelding 5.2
5.3.3
Luchtkwaliteitskaart fijn stof (PM10) (Bron: Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, RIVM)
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.3
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: • • • • • 5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; er zich geen hoogspanningsmasten in of nabij het plangebied bevinden. Conclusie
Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Schalkwijk, in een bebouwingslint. In de omgeving van het plangebied zijn (bedrijfs)woningen, detailhandel en agrarische bedrijven aanwezig.
In de VNG uitgave bedrijven en milieuzonering is aangegeven dat lintbebouwing in het buitengebied met een agrarisch karakter aan te merken is als gemengd gebied. Het plangebied worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld 5.1 5.2 5.3 6
500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
5.5.3
Situatie plangebied
300 m 500 m 700 m 1.000 m
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voornemen ziet toe op het realiseren van een mix van woonfuncties, recreatiefuncties, een horecafunctie en agrarische functies in combinatie met kleinschalige ambachtelijke activiteiten. De woonfunctie is niet milieubelastend. De ambachtelijke bedrijfsfunctie, de workshopsruimte en de recreatieve functies (te vergelijken met de functie hotel/pension) zijn allemaal zeer kleinschalig. Het betreffen allen functies in maximaal milieucategorie 2, waarvoor op basis van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ een afstand van 10 m geldt.
Voor wat betreft de kleinschalige agrarische activiteiten geldt dat deze functie op basis van de geldende bestemming nu al mogelijk is. Wel is er met dit plan sprake van het hobbymatig houden van vee. Deze functie is op basis van het nu geldende bestemmingsplan niet mogelijk, gezien er binnen de agrarische bestemming geen bouwvlak aanwezig is. Het betreft echter een zeer kleinschalige wijze van vee houden, het gaat naar verwachting om enkele kippen, een haan, een aantal eenden, drie schapen, twee varkens, een koe en een paard of ezel. Er is geen winstoogmerk. Het vee wordt gestald in een schuur van circa 100 m2. Gezien deze beperkte oppervlakte is het houden van een groot aantal dieren niet mogelijk. Agrarische nevenactiviteiten zijn normaliter mogelijk binnen de hoofdbestemming (woonbestemming), mits de activiteit ondergeschikt blijft aan de hoofdbestemming. Daar is in dit geval sprake van. De hoofdfunctie is ‘wonen’. De agrarische hobbymatige activiteiten zijn een onderdeel van het totale concept voor het ‘ecodorp’. Gezien vorenstaande wordt gesteld dat redelijkerwijs te verwachten is dat er sprake is van een aanvaardbare situatie. Samenvattend wordt gesteld dat het in alle gevallen gaat om zeer kleinschalige activiteiten in maximaal milieucategorie 2.
Voor functies in categorie 2 geldt dat deze relatief weinig milieubelastend zijn en over het algemeen goed passen in een woonomgeving. Het afwijken van de richtafstand van 10 meter is daarmee aanvaardbaar. Redelijkerwijs kan worden verwacht dat er sprake is van een aanvaardbare situatie. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). In de nabijheid van het plangebied liggen enkele milieubelastende functies. Hierna wordt op de functies ingegaan. Er liggen ook een aantal veehouderijen in de omgeving. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Het aspect ‘geur’ buiten beschouwing latend, geldt een grootste afstand van 10 meter voor stof en geluid (op basis van gemengd gebied). Bedrijf
Milieucategorie
Afstand tot plangebied
3.2
Richtafstand (gemengd gebied) 50 meter
Overeind 28 – Grondgebonden veehouderij Provinciale weg 27 – Grondgebonden agrarisch bedrijf Provincialeweg 28 - Bedrijf Provincialeweg 32 – Grondgebonden agrarisch bedrijf Provincialeweg 36 – Fruitteeltbedrijf
3.2
50 meter
80 meter
2 3.2
10 meter 50 meter
60 meter 30 meter
2
10 meter
80 meter
80 meter
De afstanden zijn gemeten tussen het bouwvlak van de beoogde woningen en de uiterste situering van de milieubelastende functies. Als de in de tabel genoemde afstanden worden vergeleken met de richtafstanden uit de VNG-uitgave, kan worden geconcludeerd dat aan de richtafstanden ten aanzien van alle functies, met uitzondering van de Provincialeweg 32, wordt voldaan. Voor de Provincialeweg 32 geldt dat het gaat om een grondgebonden agrarisch bedrijf. Planologisch gezien kan hier een veehouderij worden gevestigd. In de feitelijke situatie is er een bessenkwekerij gevestigd. Gezien het feit dat er meerdere gevoelige functies om het bedrijf liggen, kan redelijkerwijs ook niet verwacht worden dat er een nieuwe veehouderij zal worden gevestigd. Daarom wordt in dit geval getoetst aan de functie bessenkwekerij, die op basis van de VNG het beste kan worden vergelen met de functie ‘akkerbouw en fruitteelt’. Voor deze functie geldt op basis van de VNG in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Deze wordt gehaald. Andersom geldt dat deze bestaande omliggende bedrijven niet worden beperkt als gevolg van dit voornemen. Temeer omdat in alle gevallen al gevoelige bestemmingen (woningen) op een kortere afstand van het plangebied liggen. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit project besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2
Situatie plangebied
In dit geval ligt het agrarische bouwvlak van het bedrijf aan de Provincialeweg 32 op een afstand van 30 meter van het plangebied. Ten aanzien van dit bedrijf wordt de vaste afstand (50 meter) niet gehaald. Alle andere bedrijven (zie paragraaf 5.5) liggen op meer dan 50 meter afstand en vormen dan ook geen belemmering. Omgekeerd worden deze bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering, aangezien er in alle gevallen al woningen op een kortere afstand van het plangebied liggen. Zoals hiervoor reeds aangeven geldt voor het bedrijf aan de Provincialeweg 32 dat de richtafstand van 50 meter niet wordt gehaald. Er kan echter een nuancering aangebracht worden: Voor de Provincialeweg 32 geldt dat het gaat om een grondgebonden agrarisch bedrijf. Planologisch gezien kan hier een veehouderij worden gevestigd. In de feitelijke situatie is er een bessenkwekerij gevestigd. Gezien het feit dat er meerdere gevoelige functies om het bedrijf liggen, kan redelijkerwijs ook niet verwacht worden dat er een nieuwe veehouderij zal worden gevestigd. Daarom wordt in dit geval getoetst aan de functie bessenkwekerij, die op basis van de VNG het beste kan worden vergelen met de functie ‘akkerbouw en fruitteelt’. Voor deze functie geldt op basis van de VNG in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Deze wordt gehaald.
Daarbij geldt dat in het plangebied aan het Overeind 22 reeds een woning aanwezig is. Deze is planologisch mogelijk in het gehele bouwvlak. Met de realisatie van de nieuwe woonfuncties wordt de afstand tussen het betreffende agrarische bedrijf en de woningen niet kleiner dan nu het geval is. Gezien vorenstaande wordt gesteld dat er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd wordt het agrarisch bedrijf niet in haar bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hierna wordt separaat ingegaan op gebiedsbescherming en soortenbescherming. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde gronden aangewezen als Natura 2000gebied, zijn gelegen op circa 7 kilometer afstand van het plangebied. In dit geval is er door initiatiefnemer een stikstofberekening met behulp van de Aerius-calculator 2019 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van depositieresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar. Het plan heeft dan ook geen negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000. De berekening is opgenomen als bijlage 5 van deze toelichting. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangeduid als NNN liggen op minimaal 2 kilometer afstand van het plangebied. Hierdoor hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de NNN. 5.7.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is door Eco-line Ecologisch onderzoek en Advies een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Het volledige onderzoek is bijgesloten in bijlage 6 bij deze toelichting. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. De constructie van de opstallen is dusdanig dat daar op basis van expertise de kans op gebruik door beschermde dieren zo goed als uitgesloten kan worden. Er zijn nergens sporen van gebruik, ook niet door bijvoorbeeld huismussen. Lage spleten zijn in het algemeen minder in trek bij vleermuizen vanwege kwetsbaarheid voor katten en andere rovers. Kieren bij de afdichting van de dakgoten zijn erg klein en tonen ook geen sporen van bewoning. De achterliggende stal en het annex kippenhok zijn van een andere constructie en daar is in meer detail gekeken naar sporen van diergebruik. Het plafond hiervan heeft loslatende isolatieplaten.
Op plaatsen waar deze platen loshangen kan hier en daar daglicht worden gezien, wat betekent dat de tussenliggende ruimte toegankelijk is voor kleinere zoogdieren en vogels. Het betekent ook dat de ruimte thermisch zeer instabiel is en daardoor ongeschikt voor vleermuizen. Ook tussen de dakspantverbindingen zijn geen vleermuizen aangetroffen. En er waren ook geen prooiresten aanwezig. De ruimte zelf is goed schoon en in gebruik voor opslag van ingepakte huisraad. Daardoor zouden eventuele sporen als keutels en andere prooiresten duidelijk zichtbaar zijn. Er zijn geen oude huismusnesten aangetroffen en er is ook geen recente activiteit van huismussen geconstateerd. Idem voor zwaluwen, merels en winterkoningen. Hieruit blijkt dat er geen (frequent) gebruik van betreffende ruimtes wordt gemaakt door dieren. Nergens zijn sporen, prooiresten, dan wel uitwerpselen aangetroffen van beschermde diersoorten. Ook niet van niet-beschermde soorten, afgezien van spinnen en andere geleedpotigen. Er werden geen beschermde diersoorten aangetroffen in de opstallen, noch sporen daarvan. Op basis van deze bevindingen zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de geplande werkzaamheden. Overigens wordt opgemerkt dat de algemene zorgplicht in acht zal worden genomen bij het uitvoeren van de werkzaamheden. 5.7.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De locatie is grotendeels voorzien van de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1”. Op grond van bijbehorende regels is archeologisch onderzoek vereist bij bodemverstoringen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Deze oppervlakte wordt in dit geval overschreden. In dit geval is daarom door Laagland advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 7. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
Conclusie en verwachting Bij twee van de vier boringen is tot aanzienlijke diepte sprake van een recent opgehoogd pakket en één boring is gestuit op het recente puin, terwijl de A-horizont in boring 1 een diepte van maar liefst 90 cm -mv. Onder de opgebrachte grond en dikke A bevindt zich een onverstoord pakket oeverafzettingen met op een aanzienlijke diepte een laklaag, met daaronder een veenpakket. Algemeen zijn geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Archeologische relevante lagen of eventuele vindplaatsen worden door de geplande bodemwerkzaamheden niet bedreigd omdat de maximale verstoringsdiepte waarschijnlijk 80 cm –mv zal zijn. Selectieadvies Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is aangetoond dat de bodem tot op een aanzienlijke diepte is opgehoogd of uit een dikke A-horizont bestaat. Daaronder bevindt zich wel een intact bodemprofiel, maar zijn er geen archeologische indicatoren of anderszins directe aanwijzingen voor archeologische sporen aanwezig. De intacte bodemopbouw ligt onder de voorziene verstoringsdiepten, in ieder geval waar de voornaamste bodemingrepen zijn voorzien. Om deze reden wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Houten, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente.
5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld 5.8.2.2 Situatie plangebied Binnen de begrenzing van het plangebied bevindt zich een monumentale boerderij. De boerderij heeft een woonfunctie. Deze blijft behouden. Wel zal de boerderij worden gesplitst, waarbij in het achterste deel een extra woning ontstaat. Bij deze splitsing zullen de karakteristieken en kwaliteiten van het monument niet worden aangetast. Uitpandig zullen er geen wijzigingen aangebracht worden. Ook inpandig zullen de wijzigingen niet leiden tot aantastingen. Bij de uiteindelijk omgevingsvergunning zal dit aspect nader worden beoordeeld door de welstandscommissie van de gemeente Houten. Gesteld wordt dat de ruimtelijke indeling en structuur van het erf grotendeels onveranderd blijven. De woonboerderij blijft het belangrijkste gebouw op het erf. De overige gebouwen zullen ondergeschikt achter de boerderij gebouwd worden. Zoals reeds eerder vermeld is in 2021 de Nieuwe Hollandse Waterlinie op de UNESCO werelderfgoedlijst gekomen als uitbreiding van de Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam heeft al vanaf 1996 de UNESCO status. Beide linies zijn erfgoed van wereldniveau. Samen laten ze zien hoe groot die militaire verdediging met water als bondgenoot was. Ze zijn uniek en verdienen het om te blijven bestaan voor volgende generaties.
Voor een toetsing van de ontwikkeling aan de uitgangspunten van het UNESCO. Dit plan heeft geen negatieve effecten ten aanzien van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Met de ontwikkeling, waarbij recreatie een onderdeel is, wordt het gebied juist meer beleefbaar gemaakt. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van het aspect Cultuurhistorie. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek niet benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.9
Wateraspecten
5.9.1
Vigerend beleid
5.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.9.1.3 Provinciaal beleid De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Water- en Milieuplan 20162021. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied de provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn: •
• • •
Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.
Om deze doelen te bereiken worden in het beleid twee hoofdlijnen onderscheiden: • •
Focus op 4 prioriteiten Werken vanuit 6 basiskwaliteiten
De vier prioriteiten zijn: • • • •
Waterveiligheid en wateroverlast Schoon en voldoende oppervlaktewater Ondergrond Leefkwaliteit stedelijk gebied
De zes basiskwaliteiten zijn: bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid en externe veiligheid. De zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van onze kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. 5.9.1.4 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Waterkoers 2016-2021 Hoogheemraadschap heeft haar ambities en langetermijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/). De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie.
Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de Deltabeslissing BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: • •
De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.
Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. 5.9.2
Waterparagraaf
5.9.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.9.2.2 Watertoetsproces Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Uit de digitale analyse blijkt dat de normale procedure van toepassing is. In dit geval heeft initiatiefnemer in de voorfase reeds contact gehad met het waterschap. Hieruit zijn de volgende maatregelen/uitgangspunten geformuleerd: Realisering waterberging: • •
De nieuw aan te leggen parkeervoorziening zal voorzien worden van halfverharding (grind) zodat hemelwater in de bodem kan infiltreren. Men zal het bestaande watersysteem verbeteren door de doodlopende watergang aan de achterzijde van het perceel te verbinden met de westelijk gelegen watergang (zie ook de planbeschrijving in hoofdstuk 3).
Omgang hemelwater en waterkwaliteit: • •
Het hemelwater van schone oppervlakken (daken en infrastructuur) zal direct op het oppervlaktewater geloosd worden. Om vervuiling van afkomend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen zullen we geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) voor de daken, de dakgoten en de regenpijpen gebruiken.
Riolering en grondwater: •
Bij de ontwikkeling van de woningen zullen we rekening houden met voldoende drooglegging met een marge van het vloerpeil van minimaal 30 cm boven het maaiveld, dit in verband met klimaatverandering (meer kans op grote piekbuien)
Meldplicht: •
De watergang kan onder een algemene regel met meldplicht en zorgplicht worden aangelegd. Voorwaarden is dan wel dat de minimale diepte van de watergang 0,50 meter bedraagt ten opzichte
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld van het laagst opgenomen peil in peilbesluit en minimale breedte op waterlijn bij laagst opgenomen peilbesluit 2,00 meter bedraagt. Anders geldt een vergunningplicht. Het waterschap heeft in een mail (d.d. 17 juni 2020) het plan geaccordeerd. Met bovenstaande punten zal in de planuitvoering rekening gehouden worden.
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
•
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
•
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 7 kilometer afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening is gebleken dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van dit Natura 2000gebied, aangezien er geen sprake is depositieresultaten boven de 0,00 mol. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. 5.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld (beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. Het plan betreft de een ontwikkeling van een mix van functies, waaronder wonen, educatie, ambachtelijke bedrijvigheid, agrarische activiteiten en recreatie. Alle functies zijn kleinschalige functies. De totale bebouwde oppervlakte blijft gelijk. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 3. In onderdeel D 11.2 wordt onder een stedelijke ontwikkeling het volgende verstaan: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. In de nota van toelichting op het Besluit m.e.r wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook dorpen hieronder vallen.
Wat stedelijke ontwikkeling inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” In dit geval is uit Hoofdstuk 5 gebleken dat er geen sprake is van aanzienlijke milieugevolgen. Daarnaast is in een uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geoordeeld dat een project die voorzag in een gedeeltelijke functiewijziging, waarbij de bebouwde oppervlakte gelijk bleef, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Uit voorgaande volgt dat onderhavige ontwikkeling in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Er is namelijk geen sprake van aanzienlijke gevolgen voor het milieu (zie ook Hoofdstuk 5) en er is geen sprake van een toename aan bebouwd oppervlakte. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.
5.10.3 Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.
5.11
UNESCO werelderfgoedlijst: Nieuwe Hollandse Waterlinie
5.11.1 Algemeen Het plangebied ligt in de attentiezone van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). De NHW is in 2021 opgenomen op de Lijst van Werelderfgoederen die Nederland bij UNESCO. De voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied hebben mogelijk effecten op de Outstanding Universal Value (OUV) (uitzonderlijke wereldwijde waarde) van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. 5.11.2 Situatie plangebied Er vinden geen significante veranderingen plaats ten aanzien van de integriteit (volledigheid/ alomvattendheid) of de authenticiteit (waarachtigheid/geloofwaardigheid) van het militair landschap, het watermanagementsysteem, de militaire werken en de hierbij behorende attributen. Het beoogde initiatief heeft daarom een neutraal effect op de OUV van de NHW. Hierdoor bestaat er geen risico voor NHW als onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld 5.11.3 Conclusie Dit plan heeft geen negatieve effecten ten aanzien van kenmerken en waarden van de NHW. Hierdoor bestaat er geen risico voor de NHW als onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Bestemmingsplan “Overeind 22, Schalkwijk” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.