RIB.24.046 Doorontwikkeling GIA
Tekst van het document
Hyperactiviteit/aandachtstekort (N = 181) 3,5 3,1 * 2,8 *
Emotionele problemen (N = 181)
Problemen met leeftijdsgenoten (N = 178)
2,0 2,0 1,8 *
Gedragsproblemen (N = 180)
2,4 2,1 * 1,5 * 8,2 8,1 8,1
Pro-sociaal gedrag (N = 181) 0 T0
T1
13,0 12,1 *
2
4
6
8
10
12
14
Referentiegroep
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1. * bij T1 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1.
De ouderrapportage over kinderen (figuur 6.9) en de totaalscore van kinderen en ouders laten vergelijkbare resultaten zien als de kindrapportage, met opnieuw kleine effecten. Er is een significante afname op de totale schaal
74
(ouderrapportage: η2 = .02, p < .001; totaalscore kind/ouder: η2 = .02, p < .001), hyperactiviteit/aandachtstekort (ouderrapportage: η2 = .02, p < .001; totaalscore kind/ouder: η2 = .03, p < .001), emotionele problemen (totaalscore kind/ouder: η2 = .01, p < .05) en gedragsproblemen (ouderrapportage: η2 = .01, p < .005; totaalscore kind/ouder: η2 = .01, p < .001), en een significante toename in pro-sociaal gedrag (ouderrapportage: η2 = .01, p < .001; totaalscore kind/ouder: η2 = .01, p < .05). Er is geen significant verschil in emotionele problemen (ouderrapportage) en problemen met leeftijdsgenoten tussen de eerste en tweede meting. Figuur 6.9 Psychosociale problemen gerapporteerd door ouders (continue scores). 10,8 10,2 *
Totale probleemscore (N = 902) 4,3 4,1 *
Hyperactiviteit/aandachtstekort (N = 906) 2,7 2,6
Emotionele problemen (N = 905) Problemen met leeftijdsgenoten (N = 907)
1,9 1,8
Gedragsproblemen (N = 905)
2,0 1,8 * 8,1 8,2 *
Pro-sociaal gedrag (N = 908) T0
T1
0
2
4
6
8
10
12
Noot: * bij T1 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1.
Tussen jongens en meisjes zijn significante verschillen op uiteenlopende psychosociale problemen volgens zowel de kind- als ouderrapportage (continue scores). De effecten zijn klein of gemiddeld. Op de kindrapportage scoren meisjes significant hoger op emotionele problemen (T0: Cohen’s d = -.48, p < .001; T1: Cohen’s d = -.59, p < .001) en op totale problemen bij de tweede
meting (T1: Cohen’s d = -.31, p < .05). Er zijn geen verschillen op hyperactiviteit/ aandachtstekort, problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen, pro-sociaal gedrag en op totale problemen (eerste meting). Ouders rapporteren meer significante verschillen tussen jongens en meisjes dan kinderen. Volgens de ouderrapportage zijn op alle psychosociale problemen verschillen tussen jongens en meisjes bij zowel de eerste als tweede meting. De effecten van de verschillen zijn klein. Meisjes hebben een significant hogere score op emotionele problemen (T0: Cohen’s d = -.18, p < .01; T1: Cohen’s d = -.16, p < .05) en pro-sociaal gedrag (T0: Cohen’s d = -.21, p < .005; T1: Cohen’s d = -.28, p < .001) dan jongens. Jongens hebben een significant hogere score dan meisjes op totale problemen (T0: Cohen’s d = .17, p < .01; T1: Cohen’s d = .21, p < .005), hyperactiviteit/aandachtstekort (T0: Cohen’s d = .39, p < .001; T1: Cohen’s d = .41, p < .001) gedragsproblemen (T0: Cohen’s d = .15, p < .05; T1: Cohen’s d = .20, p < .005) en problemen met leeftijdsgenoten (T0: Cohen’s d = .13, p < .05; T1: Cohen’s d = .15, p < .05). Vanwege de uiteenlopende resultaten tussen de kind- en ouderrapportage over verschillen tussen jongens en meisjes, wijken de resultaten van de totaalscores van kind- en ouderrapportage hier vanaf. Opnieuw zijn alle effecten klein.
Meisjes scoren significant hoger op emotionele problemen (T0: Cohen’s d = -.24, p < .001; T1: Cohen’s d = -.24, p < .001) en pro-sociaal gedrag (T0: Cohen’s d = -.19, p < .005; T1: Cohen’s d = -.26, p < .001), terwijl jongens significant hoger scoren op hyperactiviteit/aandachtstekort (T0: Cohen’s d = .28, p < .001; T1: Cohen’s d = .28, p < .001) en gedragsproblemen bij de tweede meting (T1: Cohen’s d = .15, p < .05). Er zijn geen verschillen op de gedragsproblemen bij de eerste meting en problemen met leeftijdsgenoten. Opvallend is dat bij de kindrapportage meisjes een significant hogere score hadden op totale problemen bij de tweede meting, terwijl bij de ouderrapportage juist jongens een significant hogere score hadden. Bij de combinatiescore is bij zowel de eerste als de tweede meting geen verschil tussen jongens en meisjes op totale problemen.
75
6.6.
Probleemgedrag kinderen
Kinderen vanaf 8 jaar hebben vragen ingevuld over verschillende probleemgedragingen op beide meetmomenten. Vanaf 12 jaar hebben kinderen ook vragen ingevuld over alcohol- en drugsgebruik. Het probleemgedrag van de onderzoekspopulatie kunnen we vergelijken met een vergelijkbare referentiegroep van de International Self Report Delinquency (ISRD-3) studie (Enzmann e.a., 2017). Dit is een steekproef van 2421 Nederlandse kinderen (51% jongens), waarbij wij kijken naar kinderen tussen de 11 en 18 jaar. Het percentage kinderen dat probleemgedrag vertoont op de eerste meting verschilt niet van het percentage kinderen op de tweede meting (figuur 6.10). Bij de referentiegroep vertoont 13% van de kinderen probleemgedrag en dit is vergelijkbaar met het percentage kinderen van de onderzoeksgroep op beide metingen. Bij de 2e cohortstudie verschilde het percentage jongeren met probleemgedrag ook niet tussen de eerste meting (17%) en tweede meting (21%), maar was het percentage kinderen met een hoge score op probleemgedrag in de onderzoeksgroep op beide metingen wel significant hoger dan het percentage in de referentiegroep. Figuur 6.10 Percentage kinderen dat probleemgedrag vertoont per meting.
30% 25% 20% 15%
16%
13%
13%
T1
Referentie groep
10% 5% 0%
T0
Vervolgens hebben we specifiek gekeken naar de gedragingen die onder agressief en gewelddadig gedrag vallen, omdat kinderen die opgroeien met geweld thuis meer kans hebben om agressief en gewelddadig gedrag te vertonen. We zien geen significante toename of afname wat betreft vandalisme, een wapen gedragen, betrokken bij een vechtpartij, iemand in elkaar geslagen of iemand bedreigd hebben om geld tussen de twee meetmomenten. In vergelijking met de kinderen uit de ISRD referentiegroep, zien we dat kinderen uit de huidige onderzoeksgroep vaker vandalisme plegen (T0: Cohen’s d = .15, p < .05) en iemand in elkaar geslagen (T0: Cohen’s d = .28, p < .001; T1: Cohen’s d = .17, p < .05), maar het effect is klein. Voor de overige gedragingen zien we geen significante verschillen. We zien ook geen verschillen tussen jongens en meisjes, terwijl in de tweede cohortstudie wel verschillen waren tussen jongens en meisjes op een wapen dragen, iemand in elkaar slaan en betrokken bij een vechtpartij.
6.7.
Kwaliteit van leven en welbevinden op school
Vragen over de kwaliteit van leven van kinderen is op beide meetmomenten gevraagd aan ouders over kinderen tot 18 jaar, en aan kinderen vanaf 8 jaar. Vanuit ouders en kinderen is een score berekend voor algeheel welzijn. Op basis door gegevens verstrekt door ouders en kinderen is een totale score berekend voor kwaliteit van leven (zie hoofdstuk 2). Aan kinderen zelf is daarnaast nog gevraagd naar vijf aspecten van kwaliteit van leven: fysiek welzijn, psychisch welzijn, ouders, vrienden en school. De scores vanuit kinderen op de zes schalen van kwaliteit van leven kunnen we vergelijken met een normeringssteekproef van 1885 jongeren tussen de 8 en 18 jaar die representatief is op basis van sekse, leeftijd en opleidingsniveau voor de Nederlandse bevolking (the Kidscreen Group Europe, 2006). We zien geen verbetering of verslechtering in algeheel welzijn van kinderen tussen de eerste meting en de tweede meting (figuur 6.11). Dit geldt voor de gecombineerde score van ouders en kinderen, maar ook voor de ouderrapportage en kindrapportage afzonderlijk van elkaar. We zien ook geen verbetering
76
of verslechtering tussen de kindrapportage op de eerste meting en de tweede meting voor alle subschalen (figuur 6.12). Bij de tweede cohortstudie was alleen de kindrapportage meegenomen. Daarbij was tussen de eerste en tweede meting wel een significante toename in algeheel welzijn te zien (van 49,8 naar 51,6; η2 = .04, p < .05). Net als in de derde cohortstudie vonden we in de tweede cohortstudie geen verschillen tussen de eerste twee metingen wat betreft de verschillende subschalen. Het algeheel welzijn en de vijf subschalen gerapporteerd door het kind hebben we vergeleken met de referentiegroep. Kinderen in de onderzoeksgroep scoren significant lager dan de referentiegroep op algeheel welzijn (T0: Cohen’s d = -.70, p < .001; T1: Cohen’s d = -.58, p < .01), fysiek welzijn (T0: Cohen’s d = -.17, p < .05; T1: Cohen’s d = -.15, p < .05), psychisch welzijn (T0: Cohen’s d = -.76, p < .001; T1: Cohen’s d = -.78, p < .001), ouders (T0: Cohen’s d = -.44, p < .001; T1: Cohen’s d = -.32, p < .001) en school (T0: Cohen’s d = -.36, p < .001; T1: Cohen’s d = -.40, p < .001). Alleen wat betreft vrienden zien we geen verschil tussen de onderzoeksgroep en referentiegroep.
Figuur 6.12 Kwaliteit van leven gerapporteerd door kinderen.
Figuur 6.11 Algeheel welzijn gerapporteerd door ouders en kinderen.
Jongens scoren beter dan meisjes op de subschalen algeheel welzijn (T0: Cohen’s d = 44, p < .005; T1: Cohen’s d = 33, p < .05), fysiek welzijn (T0: Cohen’s d = .54, p < .001; T1: Cohen’s d = .52, p < .001), psychisch welzijn (T0: Cohen’s d = .53, p < .001; T1: Cohen’s d = .37, p < .05) en ouders op de eerste meting (T0: Cohen’s d = .31, p < .05). Op vrienden en school en op ouders op de tweede meting, verschillen jongens en meisjes niet. In de tweede cohortstudie waren minder verschillen tussen jongens en meisjes dan in deze studie. Aan de deelnemende kinderen (8-17 jaar) zijn daarnaast vragen gesteld over hun welbevinden op school, namelijk over het welbevinden met de leraar (primair onderwijs) of mentor (voortgezet onderwijs), het welbevinden met medeleerlingen en het cognitief zelfvertrouwen. De resultaten zijn vergeleken met de referentiegroep verzameld door Kantar, zoals beschreven bij paragraaf 6.5. Deze vragen zijn niet meegenomen in de tweede cohorstudie, daarom kon geen vergelijking gemaakt worden.
* 54,1
55 54 53 52
51,3 51,3
51,9 52,0
51 50 49
48,2 48,5
48 47 46
T0
45 Algeheel welzijn vanuit ouders & kinderen (n=824)
Algeheel welzijn vanuit ouders (n=773)
T1
Referentiegroep
Algeheel welzijn vanuit kinderen (n=171)
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1.
49,7 49,2
School (n=177)
53,1 * 52,4 53,4 52,4
Vrienden (n=173) 49,2 50,7
Ouders (n=168)
54,0 * 46,2 45,3
Psychisch welzijn (n=179)
52,8 * 50,1 50,8
Fysiek welzijn (n=178)
T0
T1
Referentiegroep
40
52,3 * 42
44
46
48
50
52
54
56
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1.
77
Allereerste is geen verbetering of verslechtering te zien in het welbevinden met de leraar/mentor (figuur 6.13). Zowel voor de totale groep als voor het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) apart, zijn er tussen de metingen geen significante verschillen in welbevinden met de leerkracht/mentor. In vergelijking met de Kantar referentiegroep scoort de onderzoekspopulatie lager het welbevinden met de leraar/mentor (T0: Cohen’s d = -.42, p < .001; T1: Cohen’s d = -.57, p < .001). Ook zien we verschillen tussen jongens en meisjes. Jongens hebben een significant hoger welbevinden met de leraar/mentor dan meisjes (T0: Cohen’s d = .35, p < .05; T1: Cohen’s d = .35, p < .05). Op het welbevinden met medeleerlingen zien we ook geen significante verschillen tussen de eerste meting en tweede meting (figuur 6.13) voor zowel de gehele groep als voor po en vo apart. In vergelijking met de Kantar referentiegroep heeft de onderzoekspopulatie een lagere score op het welbevinden met medeleerlingen (T0: Cohen’s d = -1.66, p < .001; T1: Cohen’s d = -1.56, p < .001). Tussen jongens en meisjes zien we geen significante verschillen in welbevinden met medeleerlingen.
Het cognitief zelfvertrouwen van de kinderen neemt tussen de eerste meting en tweede meting significant toe voor alle kinderen als één groep (figuur 6.13) en voor de kinderen in het vo, maar de effecten zijn klein (alle kinderen: η2 = .03, p < .05; vo: η2 = .10, p < .005). In vergelijking met de Kantar referentiegroep zijn er alleen verschillen in cognitief zelfvertrouwen op de tweede meting, waarbij de onderzoekspopulatie een hoger cognitief zelfvertrouwen heeft dan de controlegroep (T1: Cohen’s d = .18, p < .05). Bij de tweede meting blijken er verschillen te zijn tussen jongens en meisjes. Jongens hebben bij de tweede meting een significant hoger cognitief zelfvertrouwen dan meisjes (T1: Cohen’s d = .51, p < .001). Bij de eerste meting is geen verschil tussen jongens en meisjes in de scores op cognitief zelfvertrouwen.
Figuur 6.13 Welbevinden met de leraar/mentor, welbevinden met medeleerlingen en cognitief zelfvertrouwen. 3,4 Welbevinden met leraar/mentor (n=172)
3,3 3,7 * 3,2 3,2
Welbevinden met medeleerlingen (n=171)
3,9 * 3,6 Cognitief zelfvertrouwen (n=173) 3,6 ^ T0
T1
Referentiegroep
2,8
3
3,2
3,4
3,6
3,7 * 4
3,8
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1. ^ bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1. * bij T1 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1.
6.8.
Conclusie
We zien geen verschil in hechting tussen ouders en kinderen tussen de meetmomenten. Het percentage veilig gehechte kinderen (zowel hechting met moeder als met vader) ligt in de onderzoeksgroep lager dan in de algemene Nederlandse bevolking. Kinderen en ouders rapporteren een veiligere hechting aan moeder dan aan vader, en jongens rapporteren een veiligere gehechtheid aan vaders dan meisjes. Het percentage kinderen dat emotioneel veilig scoort, neemt tussen de meetmomenten toe. Desondanks scoort deze populatie nog altijd emotioneel onveiliger dan de referentiegroep. Op enkele aspecten van emotionele onveiligheid scoren meisjes slechter dan jongens. Het aantal kinderen dat een klinische score heeft voor trauma, neemt tussen de meetmomenten af. Dit geldt alleen voor angst, woede en PTSS; er is geen verschil op de overige traumaklachten. Ondanks dat het percentage kinderen met traumaklachten afneemt, is het aantal kinderen met een
78
klinische score op alle traumaschalen bij de tweede meting nog altijd hoger dan bij de referentiegroep. Meisjes ervaren vrijwel alle traumaklachten vaker dan jongens. Het aantal kinderen met een verhoogde score op psychosociale problemen volgens de Nederlandse normeringen, neemt niet significant af tussen de meetmomenten. Het aantal kinderen met een verhoogde score is ook bij de tweede meting hoger dan in de algemeen Nederlandse bevolking. Dit betekent dat er in de onderzoekspopulatie hoger op psychosociale problemen wordt gescoord. Wanneer we kijken naar de totale scores op de afzonderlijke psychosociale problemen, zien we dat op verschillende problemen wel een afname is tussen de meetmomenten. Zo scoren zowel kinderen als ouders lager op hyperactiviteit/ aandachtstekort, emotionele problemen en gedragsproblemen, en op de totale schaal. Bij de ouderrapportage zien we bovendien een toename in pro-sociaal gedrag tussen de metingen. Voor problemen met leeftijdsgenoten zien we geen afname. Op alle schalen (op pro-sociaal gedrag na) zijn de scores van kinderen zowel op de eerste als de tweede meting hoger dan de referentiegroep. We zien uiteenlopende verschillen tussen jongens en meisjes in scores op psychosociale problemen. Uit de kindrapportage blijken meisjes meer emotionele problemen en een hogere totale score te hebben dan jongens.
Uit de ouderrapportage blijken meisjes ook een hogere score op emotionele problemen te hebben dan jongens, en een hogere score op pro-sociaal gedrag. Daarentegen hebben jongens volgens de ouderrapportage een hogere totale score dan meisjes, meer hyperactiviteit/aandachtstekort en meer gedragsproblemen. Er is geen afname in het percentage kinderen dat hoog scoort op probleemgedrag tussen de meetmomenten. Ook wanneer we naar de gedragingen kijken die onder agressief en gewelddadig gedrag vallen, zien we geen toename of afname tussen de meetmomenten. We zien daarnaast geen verschil tussen de onderzoeksgroep en referentiegroep in de mate van probleemgedrag. Wanneer we alleen naar agressief en gewelddadig gedrag kijken, blijken kinderen uit de onderzoeksgroep wel vaker vandalisme te plegen en iemand in elkaar te
slaan dan kinderen in de referentiegroep. Er zijn geen verschillen gevonden tussen jongens en meisjes. Er is geen toename of afname in algeheel welzijn van kinderen tussen de meetmomenten. Kinderen in de onderzoekgroep scoren significant lager op algeheel welzijn, fysiek welzijn, psychisch welzijn, ouders en school dan kinderen in de referentiegroep. Jongens hebben een betere score dan meisjes op algeheel welzijn, fysiek welzijn, psychisch welzijn en ouders. Het welbevinden met de leraar/mentor en met medeleerlingen neemt tussen de metingen niet toe of af. Het cognitief zelfvertrouwen van kinderen neemt tussen de metingen wel toe. In vergelijking met de referentiegroep scoort de onderzoeksgroep lager op het welbevinden met de leraar/mentor en met medeleerlingen. Er is geen verschil tussen de scores op cognitief zelfvertrouwen tussen de onderzoekspopulatie en de referentiegroep. Jongens hebben een significant hoger welbevinden met de leraar/mentor en hoger cognitief zelfvertrouwen dan meisjes. We kunnen concluderen dat het welzijn van kinderen op uiteenlopende aspecten slechter is dan het welzijn in de algemeen Nederlandse bevolking. Het welzijn van kinderen wijkt niet op alle aspecten af van de referentiegroepen en de effecten zijn bovendien klein.
79
7
Ontvangen (in)formele hulp gedurende jaar na melding
7.1.
Inleiding
Een belangrijke onderzoekvraag is wat de invloed van de informele en formele hulpverlening is op het stoppen of verminderen van het geweld en daarmee op het verbeteren van het welzijn van volwassenen en kinderen. Allen zijn immers gemeld bij Veilig Thuis en de verwachting is dat als er inderdaad sprake is van huiselijk geweld voor deze volwassenen en kinderen een traject wordt ingezet. Na een veiligheidsbeoordeling volgt een besluit voor vervolg, dit kan bijvoorbeeld het lokale team of lopende hulpverlening zijn die met het gezin afstemt welke hulp nodig is. Als er aanwijzingen zijn voor acute of structurele onveiligheid kan de Veilig Thuis organisatie een onderzoek uitvoeren of zet de dienst Voorwaarden & Vervolg in, waarna een advies volgt wat nodig is om de veiligheid te garanderen en welk hulptraject hieraan kan bijdragen. We zijn nagegaan of er een relatie is tussen de soort van (in)formele hulp die het gezin heeft ontvangen en de afname van het geweld in het gezin of relatie. En zien we ook een dergelijke relatie met het welzijn van volwassenen en kinderen? In het onderzoek is bekeken welke steun en hulp de respondenten hebben ontvangen nadat zij gemeld zijn bij Veilig Thuis. In dit hoofdstuk beschrijven we in de eerste twee paragrafen welke professionele hulp en ondersteuning deze volwassenen en kinderen, hebben gekregen.
Waarbij een belangrijke onderzoeksvraag is: welke huishoudens, dat wil zeggen welke volwassenen en kinderen, worden bereikt door de hulpverlening en informele zorg?
Daarna gaan we in op de vraag wat het resultaat is van de (in)formele hulpverlening die de volwassenen en kinderen hebben ontvangen op de afname van het geweld en het welzijn van volwassen en ouders. Eerst algemeen daarna kijken we meer specifiek naar de relatie van bepaalde problemen en de gerichte hulp die daarop in is gezet. Verder wordt in dit hoofdstuk gekeken naar de effecten van een gedwongen hulpverlening op het geweld in het gezin. Hierbij wordt enerzijds gekeken naar de inzet van een tijdelijk huisverbod voor één van de leden van het huishouden, daarnaast wordt gekeken naar die huishoudens waarbij de politie in het laatste jaar betrokken is geweest en ten slotte voor de gezinnen met kinderen is gekeken naar het effect van de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering in het gezin op het geweld dat in het gezin heeft plaatsgevonden. Tenslotte bespreken we met wie de volwassenen en kinderen hebben gesproken over hun geweldservaringen en hoe zij de hulp en ondersteuning ervaren hebben.
7.2.
Inventarisatie van het (in)formele hulpverlenings- of begeleidingstraject voor volwassen?
Aan de volwassenen is gevraagd welke hulp zij hebben ontvangen gedurende het jaar dat het onderzoek liep (zie tabel 7.1). Als eerste is gekeken naar het onderscheid tussen formele en informele hulp. Hieruit wordt duidelijk dat 11% van de volwassenen geen hulp heeft ontvangen na melding bij Veilig Thuis. Voor partners zonder kinderen is dat een op de acht. De rest van de volwassenen (89%) heeft wel hulp of ondersteuning ontvangen, meestal van verschillende hulpverleners of bekenden. Ruim de helft van de volwassenen (59%) heeft informele hulp gekregen van vrienden, buren of familie, en bijna 85% heeft een vorm van formele hulp gekregen. Meer dan de helft van de volwassenen (55%) heeft zowel informele als formele hulp ontvangen. 80
Tabel 7.1
Percentage volwassenen en de formele en informele hulp aan volwassenen die zij hebben ontvangen Ouders N=714
Partners zonder kinderen N=48
Volwassenen N=762
geen formele of informele hulp informele hulp (vrienden, familie, buren) formele hulp
11,3% 58,3% 4,6%
12,5% 66,7% 1,3%
11,4% 58,8% 84,4%
alleen formele hulp
30,4%
20,8%
29,8%
alleen informele hulp
4,1%
6,3%
4,2%
zowel formele als informele hulp
54,2%
60,4%
54,6%
In de tabel 7.2 hieronder wordt ingegaan op de verschillende soorten van hulp waarvan volwassenen hebben aangegeven dat ze deze hebben ontvangen na melding bij Veilig Thuis. Hierin is een onderscheid gemaakt tussen de eerste en tweede lijnsvoorzieningen en de meer specialistische hulp. Wat opvalt is dat niemand aangegeven heeft dat zij hulp hebben ontvangen van een ervaringsdeskundige, die wel als antwoordcategorie opgenomen is in de vragenlijst, mogelijk dat er nog weinig gewerkt wordt met ervaringsdeskundigen. In de eerste lijn wordt medische hulp van de huisarts of praktijkondersteuner huisarts het meest genoemd (40%). Wat erop lijkt te duiden dat iets minder dan de helft van de respondenten hulp zoekt bij de huisarts. Dit is in lijn met onderzoek naar laagdrempelige hulp voor slachtoffer van geweld, waaruit blijkt dat vooral hulp gezocht wordt voor de gevolgen die voortkomen uit het meemaken van het geweld, zoals angsten, concentratie of slaapproblemen (De Wildt, e.a., 2023). Anderzijds is de huisarts een belangrijke verwijzer voor gespecialiseerde hulp. Een behoorlijk aantal volwassen namelijk 62 respondenten (8,1%) zeggen dat zij hulp ontvangen voor een lichte verstandelijk beperking. Dat is hoger dan in de vorige cohortstudies waar 2,2% van de ouders aangaf dat zij deze vorm van hulp kregen.
Het algemeen maatschappelijk werk/ jongerenwerk wordt door bijna een derde van de respondenten genoemd (32%). Een behoorlijk aantal respondenten zegt dat zij juridische hulp of financiële hulp krijgen
voor partners zonder kinderen is dat 37% en met kinderen 21%, wat erop kan duiden dat er sprake is van een vechtscheiding. Een op de zes volwassenen hebben ook te maken met financiële hulp. Vanuit de tweedelijnsorganisaties krijgt minder dan de helft van de ouders (42%) krijgt hulp geboden gericht op de opvoeding of relatie. Daarnaast krijgen ouders (29%) maar ook partners zonder kinderen (42%) hulp vanuit de psychiatrie wat niet onlogisch is gezien de traumaklachten van deze volwassen op de eerste meting. Ook dit is hoger dan in de tweede cohortstudie waar 19% van de ouders psychiatrische hulp ontvingen. De jeugdbescherming is bij een op de vier ouders betrokken (27%), wat zeer vergelijkbaar is met de tweede cohortstudie (25%). Ten slotte valt op dat gespecialiseerde hulp huiselijk geweld en kindermishandeling bij een op de zes volwassenen wordt ingezet (16%), dit is inclusief de vrouwenopvang. Tabel 7.2
Formele hulp in samengevatte categorieën Ouders N=714
Partners zonder kinderen N=48
Volwassenen N=762
1e lijn LVB/dagbesteding
8,1%
8,3%
8,1%
Wijkteam/Alg.Maatsch.Werk/ Jongerenwerkers
32,4%
18,8%
31,5%
Medische hulp (ziekenh.,fysio,huisarts,POH)
39,6%
45,8%
40,0%
Juridische hulp/ Financiële hulp
37,0%
20,8%
36,0%
Gezin/relatie/opvoeding
42,9%
8,3%
40,7%
Psychiatrisch problematiek
28,9%
41,7%
29,7%
Gedragsproblematiek
14,7%
14,6%
14,7%
Verslavingsproblematiek
3,4%
4,2%
3,4%
2e lijn
Specialistisch Jeugdbescherming
27,0%
Gespecialiseerde aanpak HG/KM
15,4%
Reclassering
2,1%
25,3% 27,1%
16,1% 2,0%
81
Een vraag is of de volwassenen de juiste hulp hebben gekregen, gezien de problemen die er speelden in het gezin. In tabel 7.3 staat weergegeven welke hulp geboden is bij een bepaalde problematiek. Tabel 7.3
Welk percentage van volwassenen met welk achtergrondprobleem komt bij welke hulpvorm terecht? 4 PartACE’s ner geweld N=209 N=634
Armoede N=242
Werk- Alleen loos staand N=276 N=405
Lage Opleiding N=45
Zelf prob. drank gebr N=231
Partn. prob. Drankgebr. N=370
Trauma Hoge N=128 opv. Stress N=146
61,8%
61,7%
65,3%
59,1%
63,2%
55,6%
57,1%
62,2%
67,2%
65,8%
LVB/dagbesteding
7,6%
12,0%
14,0%
16,3%
9,6%
35,6%
6,9%
7,6%
10,9%
13,0%
Wijkteam /MW/ JW
32,3%
30,6%
35,5%
34,8%
35,6%
40,0% 29,9%
32,7%
32,8%
39,0%
Medische hulp
41,8%
44,5%
46,7%
46,4% 43,7%
37,8%
39,8%
45,1%
50,8% 45,9%
Jurid./ Financ. hulp
38,3%
41,1%
46,7%
43,5%
44,4% 40,0% 35,9%
38,6%
35,9%
32,9%
Gezin/relatie/opvoed. 41,8% 41,6%
39,3%
44,9% 39,0%
46,7%
41,6%
41,9%
41,4%
55,5%
Psychiat. Probl.
30,8%
41,6%
35,1%
38,4%
33,3%
31,1%
29,9%
31,9%
57,8%
32,2%
Gedragsprobl.
14,4%
14,4%
16,1%
17,0%
16,3%
13,3%
15,2%
14,3%
20,3%
25,3%
Verslavingsprobl.
3,8%
7,2%
3,7%
6,2%
3,2%
6,7%
4,8%
3,2%
8,6%
1,4%
26,0% 24,4%
24,8%
25,4%
27,9%
24,4%
23,4%
28,9%
18,8%
30,1%
Informele hulp 1e lijn
2e lijn
Specialistisch Jeugdbescherming
Spec aanpak HG/KM 17,2%
16,7%
18,2%
19,6%
18,3%
20,0% 18,6%
17,8%
25,8%
15,8%
Reclassering
1,9%
1,2%
2,2%
2,0%
0,0%
1,9%
2,3%
2,1%
Geen hulp
1,7%
10,4%
9,1%
7,4%
8,7%
8,1%
6,7%
1,7%
10,4%
8,9%
5,5%
De informele hulp wordt eigenlijk voor elk probleem ingezet ongeacht de soort problemen die er spelen bij de volwassenen. Daarnaast laten de resultaten zien dat voor bepaalde problemen ook de wenselijke hulp aangeboden wordt. Zo zien we dat LVB-hulp vooral aan laagopgeleiden wordt geboden, psychiatrische en medische hulp vooral aan respondenten met traumaklachten en financiële en juridische hulp wordt ingezet als er sprake is van armoedeproblematiek. Toch zijn er een aantal zaken die opvallen. Ten eerste dat degenen met alcoholproblematiek niet vanzelfsprekend hulp vanuit de verslavingszorg krijgen, maar 5% krijgt daadwerkelijk hulp voor hun problematisch alcoholgedrag. Meer dan de helft van de respondenten met traumaklachten krijgt psychiatrische hulp (58%) wat een goede teken is, in de vorige cohortstudie betrof dat maar een op de drie respondenten (32%). Ongeveer een op de negen volwassenen (11%) zegt geen hulp te ontvangen na melding bij Veilig Thuis. Duidelijk is dat de volwassenen die geen hulp hebben ontvangen nog wel de nodige problemen hebben (zie tabel 7.4). Zo is bij driekwart van deze volwassenen sprake van partnergeweld, maar dit is wel lager dan de volwassenen die wel hulp ontvangen. Voor een aantal problemen is er geen verschil tussen degenen die wel en geen hulp hebben gekregen, zoals jeugdtrauma’s of alcoholgebruik.
Maar over het algemeen genomen is het percentage volwassenen dat geen hulp heeft ontvangen en last heeft bepaalde problemen beduidend lager dan voor de volwassenen die wel hulp hebben ontvangen. Ten aanzien van partnergeweld, armoede, alleenstaand, problematisch drankgebruik partner, trauma en opvoedingsstress is het verschil significant. Dit betekent mogelijk dat er minder vaak sprake is van complexe, meervoudige problematiek, maar tegelijkertijd kunnen we ook constateren dat deze volwassen zonder hulp wel de nodige problemen hebben.
4,8%
82
Tabel 7.4
Vergelijking tussen volwassenen die wel en geen hulp hebben ontvangen wat betreft achtergrondproblematiek Wel hulp volwassenen N=675
Geen hulp volwassenen N=87
Partnergeweld
84,1%
75,9%*
4 ACE’s of meer
28,1%
21,8%
Armoede
33,2%
20,7%*
werkloos
37,3%
27,6%
alleenstaand
55,1%
37,9%**
Lage opleiding
6,2%
3,4%
Zelf problematisch drankgebruik
30,7%
27,6%
Partner problematisch drankgebruik
49,9%
37,9%*
Trauma
17,9%
8,0%*
Opvoedingsstress
20,6%
8,0%*
Tabel 7.5
Inventarisatie (in)formele hulpverleningstraject aan de kinderen
We hebben van 885 kinderen en tieners informatie over de formele hulp die zij ontvangen hebben gedurende het jaar na melding bij Veilig Thuis (zie tabel 7.6). We zien dat maar een kleine groep geen enkele hulp heeft ontvangen (19%) dat is lager dan in de tweede cohortstudie (30%). Driekwart van de kinderen (75%) heeft een vorm van formele hulp ontvangen, dat is aanzienlijk meer dan in de tweede cohortstudie waar iets meer dan de helft van de kinderen (56%) ondersteuning of hulp van een formele hulpvoorziening had ontvangen. Over de helft van de kinderen (50%) is (door henzelf of door de ouders) gemeld dat zij informele hulp hebben ontvangen, veelal van familie of vrienden.
Percentage kinderen N=885
soort hulp geen formele of informele hulp
19,2%
alleen formele hulp
31,3%
alleen informele hulp
5,8%
zowel formele als informele hulp
43,7%
Als we kijken welk soort hulp wordt ingezet ten behoeve van de kinderen zien we vooral dat tweedelijns hulp gericht op opvoedingsproblematiek ingezet wordt (33%). Wat opvalt is de betrokkenheid van het onderwijs. Een op de drie kinderen (35%) krijgt specifieke ondersteuning vanuit de school (schoolmaatschappelijk werk, de docent of mentor). Tabel 7.6
* p<.0.5, ** p<.01
7.3.
Formele en informele hulp aan kinderen
Voorzieningen die genoemd zijn waarvan kinderen hulp hebben ontvangen Percentage kinderen N=885
1e lijn LVB/dagbesteding
10,1%
Wijkteam/Algemeen maatschappelijk werk/ Jongerenwerkers
28,7%
Medische hulp (ziekenhuis, fysiotherapeut, huisarts, praktijkondersteuner)
24,6%
Schoolmaatschappelijk werk/leraar/mentor/leerproblemen
35,3%
2e lijn Gezin/relatie/opvoeding
32,9%
Psychiatrische problematiek
26,3%
Gedragsproblematiek
18,3%
Verslavingsproblematiek
1,2%
Specialistisch Jeugdbescherming/jeugdreclassering/HALT/verblijf
29,5%
Gespecialiseerde aanpak HG/KM
16,9%
83
Daarnaast is het wijkteam in iets meer dan een kwart van de kinderen (29%) betrokken. Iets minder dan een op de drie kinderen heeft te maken met een kinderbeschermingsmaatregel. En een op de zes kinderen heeft hulp gekregen vanuit de specialistische aanpak huiselijk geweld. In tabel 7.7 staat welke hulp de kinderen met een bepaald probleem hebben ontvangen. Hierin zien we dat tieners die probleemgedrag vertonen zoals delicten of gewelddadig gedrag veelal formele hulp ontvangen (89%). Vooral vanuit de school, tweederde van jongeren met gedragsproblemen ontvangen steun van de docent of schoolmaatschappelijk werk. Tabel 7.7
Welk percentage kinderen met achtergrondprobleem komt bij welke hulpvorm terecht? Kindermishandeling N= 614
Kind trauma n= 259
Onveilig hechting n= 342
Emotioneel onveilig n= 307
Probleem gedrag (alleen tieners) N= 28
Formele hulp
73,8%
86,9%
82,7%
77,9%
89,3%
Informele hulp
49,7%
58,3%
54,4%
55,4%
53,6%
LVB/dagbesteding
11,7%
15,1%
14,3%
9,4%
25,0%
Wijkteam/AMW/ JW
30,3%
35,9%
35,4%
29,0%
46,4%
Medische hulp
26,4%
32,8%
28,9%
24,1%
35,7%
SMW/leraar/mentor
37,3%
48,6%
45,0%
40,7%
67,9%
Gezin/relatie/opvoeding
34,0%
42,9%
40,9%
39,4%
46,4%
Psychiatrisch problematiek
25,6%
39,0%
35,1%
30,6%
50,0%
Gedragsproblematiek
20,5%
27,8%
25,1%
19,9%
35,7%
Verslavingsproblematiek
1,5%
1,2%
1,5%
1,0%
3,6%
JB/Jeugdreclassering/HALT/verblijf
26,5%
39,4%
34,5%
32,6%
39,3%
Specialistische aanpak HG/KM
17,4%
20,5%
19,0%
17,3%
28,6%
Geen hulp
16,0%
5,8%
9,4%
12,7%
7,1%
Daarnaast krijgt de helft van deze jongeren psychiatrische hulp (50%) en vanuit de eerste lijn: maatschappelijk werk of jongeren werk (46%). De aantallen zijn
zo hoog dat we kunnen veronderstellen dat deze jongeren meerdere vormen van hulp aangeboden krijgen. Kinderen met traumaklachten krijgen voornamelijk psychiatrische hulp geboden, waarbij opgemerkt moet worden dat maar een derde van deze kinderen met traumaklachten psychische hulp krijgt. Kinderen waar de jeugdbescherming betrokken is het percentage kinderen dat traumaklachten heeft hoger namelijk 40%. Dat is in lijn met de uitkomsten naar de inzet van de jeugdbescherming bij kindermishandeling (Steketee & Doelman, 2022), waaruit bleek dat kinderen met een ondertoezichtstelling het aantal getraumatiseerde kinderen zeer hoog was (54%). Wat tenslotte opvalt is dat een op de zes kinderen (16%) waar sprake is van kindermishandeling geen enkele vorm van hulp aangeboden krijgt. Maar dat is wel een verbetering ten opzichte van de tweede cohortstudie waar 30% geen hulp kregen.
7.4.
Aantal hulpinstellingen waarvan volwassenen en kinderen hulp hebben gekregen
Bij alle volwassenen die formele hulp hebben gekregen (N=643) is gekeken van hoeveel verschillende instellingen zij hulp in het afgelopen jaar hebben gekregen. Hetzelfde is gedaan bij alle kinderen die hulp hebben gekregen in het afgelopen jaar. We kunnen concluderen dat er meestal meerdere hulpverleners hulp betrokken zijn, bij sommige volwassenen zijn zelfs 13 verschillende instellingen en bij enkele kinderen zijn er 20 of meer verschillende instellingen betrokken. De volwassenen noemden uiteindelijk tussen de 1 en 14 instellingen waarvan zij het afgelopen jaar hulp hebben gekregen, met een gemiddelde van 4 instellingen per volwassene. Het meeste genoemde aantal betrof 3 instellingen, dit werd door 20% van de volwassenen genoemd. De informatie over de kinderen wordt onderscheiden in informatie van de ouders over de kinderen en informatie van de kinderen zelf, omdat het niet
84
mogelijk was om te corrigeren voor die gevallen waarin we van beide informatie hadden 12 . Bij de kinderen die zelf hebben aangegeven dat ze formele hulp hebben gekregen (N=137) werden tussen de 1 en 13 instellingen genoemd waarvan zij het afgelopen jaar hulp hebben gekregen, met een gemiddelde van 4 verschillende instellingen per kind. Het meest genoemde aantal betrof 2 instellingen, hetgeen door 20% van de kinderen werd genoemd. Bij de gegevens die de ouders over de hulp aan de kinderen hebben ingevuld is uiteindelijk informatie verkregen over 604 kinderen. Deze kinderen kregen het afgelopen jaar hulp van 1 tot 31 verschillende instellingen, met een gemiddelde van 3 verschillende instellingen per kind. Hier betrof het meest genoemde aantal 1 instelling, hetgeen over 27% van de kinderen werd genoemd.
7.5.
De relatie tussen geboden (in)formele hulp en ondersteuning en de afname van geweld
In deze paragraaf worden de resultaten gepresenteerd van de relatie tussen de geboden formele en informele hulpverlening en ondersteuning enerzijds en de afname van het geweld gerapporteerd door de volwassenen en kinderen. Evenals in de voorgaande hoofdstukken betreft geweld zowel partnergeweld (fysiek, psychisch, letsel, seksueel misbruik) als kindermishandeling (fysiek en/of psychisch geweld en verwaarlozing) (zie voor een uitgebreide beschrijving paragraaf 2.4.1). Wat betreft de afname van het geweld gerapporteerd door volwassenen, zien we geen relatie met één van de specifieke hulpverleningsvormen. Bij geen van de hulpverleningsvormen vinden we een significant verschil tussen de groep die de betreffende hulpvorm wel en de groep die de betreffende hulpvorm
12 Omdat de instellingen afzonderlijk niet bij naam genoemd werden in de vragenlijst, konden ze dus ook niet worden gematcht tussen ouders en kinderen, alleen naar soort en dat zou niet zuiver genoeg zijn, zodat we waarschijnlijk veel te veel dubbeltellingen zouden krijgen.
niet heeft gekregen. Ook wat betreft de informele hulp die de volwassenen hebben ontvangen is er geen relatie zichtbaar met de afname van het geweld. Overigens zien we bij alle hulpvormen wel een afname, deze afname is echter nergens significant groter vergeleken met de groep die de betreffende hulp niet had gekregen. We zien zelfs geen significant verschil in de afname tussen de groep die enige vorm van hulp heeft gekregen en de groep die geen enkele vorm van hulp heeft gekregen (figuur 7.1). Wel zien we dat voor vrijwel alle hulpvormen de geweldscores van de volwassenen die hulp hebben gehad, significant hoger liggen dan van de volwassenen die geen hulp hebben gehad. Dit wordt geïllustreerd hieronder ten aanzien van ‘alle hulp samen’, waarbij enerzijds de groep wordt getoond die geen enkele vorm van hulp heeft gehad en anderzijds de volwassenen die minimaal één soort hulp hebben gehad. Alleen op de T1 is het verschil tussen deze twee groepen significant waarbij sprake is van een gemiddeld effect (T1: Cohen’s d = .40 p<.001). Dit betekent dat de groep die in deze hulpvorm terechtkwam significant grotere geweldsproblematiek kende dan de groep die niet in deze hulpvorm terechtkwam. Figuur 7.1
100 90 80 70 20 60 50 40 30 20 10 0
Verschil in afname van het totaal aantal geweldsincidenten (HG/KM) tussen T0 en T1, tussen volwassenen die wel of geen hulp ontvangen hebben 92,6 71,8
56,8
20,9
T0
T1
wel hulp gehad
geen hulp gehad
85
7.6.
De relatie tussen geboden (in)formele hulp en het welzijn van volwassenen van kinderen
Zoals beschreven in de vorige paragraaf, hebben de meeste volwassenen meerdere vormen van hulp ontvangen, maar voor de analyses kijken we naar de afzonderlijke vormen van hulp. Dit betekent dat we de gecombineerde vormen niet meenemen. Het geeft dus een indicatie van de mogelijke relatie tussen de hulp van een afzonderlijke hulpsoort en de afname van het geweld. Als er geen significante relatie is gevonden voor de afzonderlijke hulpsoorten, hebben we verder gekeken naar een hoger niveau, namelijk een combinatie van de eerste-, tweedelijns en specialistische voorzieningen of naar een combinatie van alle formele en/of informele hulp. 7.6.1.
De relatie tussen geboden hulp en het welzijn van volwassen en kinderen
Als we kijken naar de relatie tussen de geboden (in)formele hulp en het welzijn van volwassenen dan zien we nergens een verschil optreden tussen degenen die wel en geen hulp hebben ontvangen. Er is zowel voor traumaklachten, als voor opvoedstress, hechting met de kinderen, kwaliteit van leven en veiligheidsbeleving geen verschil tussen de volwassenen die wel en geen hulp krijgen in de afname tussen de eerste en tweede meting. Ook op het niveau van de kinderen zien we dat er geen verschil is tussen kinderen die wel en die geen hulp hebben ontvangen. Voor sommige welzijnsaspecten zien we wel verbetering in de tijd zoals het verminderen van traumaklachten en het verbeteren van de emotionele veiligheid van kinderen, maar deze verbetering is even groot in de groep kinderen die wel hulp hebben ontvangen als de groep die geen hul[p hebben ontvangen.
7.6.2. De relatie tussen geboden hulp gericht op specifieke problemen van volwassenen en kinderen Moeten we nu constateren dat de hulp niet werkt en niet nodig is? Duidelijk is dat er meerdere hulpverleners betrokken zijn in het gezin. De variatie is erg groot, waarbij volwassen en kinderen te maken hebben met meerdere verschillende hulpverleners. Het is daarom bijna niet mogelijk om naar de inzet van enkelvoudige hulpvormen te kijken. Tevens is het duidelijk dat er meerdere problemen spelen in deze huishoudens die elkaar ook in stand kunnen houden. Met deze relativerende opmerkingen in het achterhoofd willen we toch iets meer te weten te komen over het nut van de specifieke behandeling. Omdat we geen effecten van de hulp in het algemeen vinden hebben we daarom in deze paragraaf specifiek gekeken naar de soort hulp en waar deze hulp specifiek zich richt op bijvoorbeeld het inzetten van traumahulpverlening bij traumaklachten van volwassenen en kinderen. In de volgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op de problemen ten aanzien van trauma, onveiligheid en opvoeding/hechting, en de bijbehorende hulpsoorten, waarbij steeds eerst de situatie van volwassenen wordt besproken en daarna de situatie van de kinderen.
Traumasymptomen en traumahulpverlening aan volwassenen Op basis van de vragenlijst was het mogelijk de aangeboden hulpverlening onder te verdelen naar specifieke vormen van hulp, die zich richten op specifieke problematiek die in deze rapportage wordt behandeld. In eerste instantie kijken we hierbij naar de posttraumatische stresssymptomen van respondenten en hulpverlening specifiek gericht op traumaklachten van de volwassenen en kinderen. Als eerste kijken we hierbij naar de volwassenen. In totaal hebben 133 (17,4%) van de 765 volwassenen die de vragen over de hulpverlening hebben beantwoord, aangegeven dat ze specialistische traumahulpverlening hebben gekregen in het afgelopen jaar. Voor het bepalen van trauma bij de volwassenen,
86
werd de Trauma Symptom Inventory gebruikt een vragenlijst die 10 post traumatische stress symptomen meet via T-scores (M=50, SD=10). We zien bij 8 van deze 10 symptomen een significante afname van de ernst van de symptomen over tijd, waarbij sprake is van een klein effect (tussen η2=.035 en η2=.01), maar bij geen van deze symptomen zien we meer afname dan bij de groep die geen specialistische traumahulpverlening heeft gekregen. Wel zien we bij alle 8 symptomen een significant verschil tussen de groep die wel en de groep die geen specialistische traumahulpverlening heeft gekregen voor wat betreft traumasymptomen op beide meetmomenten. Dat wil zeggen dat de volwassenen die gerichte traumabehandeling hebben ontvangen significant hoger scoren op beide meetmomenten wat betreft hun traumaklachten dan de groep die geen hulp heeft ontvangen. Dit illustreren we aan de hand van de meest typerende PTS symptomen volgens de DSM 5, herbeleving, defensieve vermijding (zie figuur 7.2). Figuur 7.2
Afname traumaklachten herbeleving en defensieve vermijding voor de respondenten die wel en geen traumabehandeling hebben ontvangen.
Herbeleving
Defensieve vermijding
70
70 65
65 60 55 50
57 49
56 48
60 55 50
45
45
40
40
35
T0 geen traumahulp
T1 wel traumahulp
35
55
55
49
48
T0
T1
geen traumahulp
wel traumahulp
Voor zowel herbeleving als defensieve vermijding is het verschil significant waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (herbeleving: η2=13, p <.001;
defensieve vermijding η2=10, p <.001), waarbij de volwassenen die hulp kregen van de specialistische traumahulpverlening gemiddelde scores hadden die veel hoger (hoger dan 55) waren dan de groep die geen specialistische trauma hulpverlening kreeg. In deze laatste groep waren de scores dusdanig laag (lager dan 49) dat niet kon worden gesproken van PTSS problematiek. Dit duidt er op dat de groep die de specialistische traumahulpverlening kreeg, daar terecht hulp heeft gekregen. Bij de zes andere traumasymptomen was eveneens sprake van een significant verschil tussen de groep die wel en geen specialistische traumahulpverlening had gekregen, maar was het verschil tussen de scores van de groep die geen hulp kreeg en de groep die wel hulp kreeg aanzienlijk kleiner dan bij herbeleving en defensieve vermijding. Traumasymptomen en traumahulpverlening aan kinderen Ook bij de kinderen is op dezelfde manier gekeken naar de kinderen die wel en geen specialistische traumahulpverlening hebben gekregen, echter hierbij is gebruik gemaakt van de PTSS subschaal in de Nederlandse versies van de Trauma Symptom Checklist for Children en de Trauma Symptom Checklist for Young Children, deze zijn beide gestandaardiseerd voor de Nederlandse bevolking (M=50, SD=10).
In totaal hebben 129 kinderen (14,6%) van de 885 kinderen waarover informatie over de hulpverlening bekend was, gebruik gemaakt van specialistische traumahulpverlening. Het verloop in tijd van de scores is in beide groepen niet significant hetgeen betekent dat er geen sprake is van een significante toe- of afname (zie figuur 7.3). Het verloop verschilt ook niet tussen de twee groepen. Hierbij moet worden opgemerkt, dat vanuit de traumahulpverlening bekend is dat op het moment dat personen in de hulp terechtkomen, ze vaak eerst opnieuw geconfronteerd worden met de traumatische gebeurtenissen die geleid hebben tot het trauma. In eerste instantie is een verergering van het trauma dan ook niet verwonderlijk. Ditzelfde zagen we ook in de 2e cohortstudie, waar de (grote) verbetering in traumascores, pas bij de tweede meting (na anderhalf jaar) naar voren kwam. 87
Ten aanzien van deze groep speelt nog veel sterker dat wat we ook al bij de volwassenen signaleerden, namelijk dat de kinderen die traumahulp kregen veel hogere PTSS scores hebben dan kinderen die geen traumahulp hebben gekregen (η2=12, p<.001). Het gemiddelde in de groep die traumahulp kreeg was zelfs hoger dan 65, volgens de handleidingen van de TSCC en TSCYC ligt de kritische waarde van de PTSS schaal, waarboven kinderen als klinisch traumatisch worden beoordeeld, op 65. Wanneer het gemiddelde van de PTSS scores in de groep die hulp kreeg hoger was dan 65, duidt dit er op dat deze groep klinisch getraumatiseerd moet zijn geweest en dus terecht in de traumahulp terecht is gekomen. Het gemiddelde in de groep die geen traumahulp heeft gekregen lag veel lager, namelijk op 54, meer dan 10 punten (1 SD) lager dan in de groep die wel traumahulp kreeg. Overigens is deze score van 54, wel (significant) hoger dan in de algemene bevolking (M=50), maar nog lang niet in het klinisch gebied. Figuur 7.3 PTSS scores kinderen die wel en geen specialistische traumahulp kregen PTSS score 75 70 65 60 55 50 45 40 35
65
65
54
53
T0
T1
geen traumahulp
wel traumahulp
7.6.3.
Onveiligheid en specialistische HG/KM hulpverlening aan volwassenen en kinderen
In deze paragraaf wordt gekeken naar het effect van de speciaal op huiselijk geweld en kindermishandeling gerichte hulpverlening. Aangezien hierbij altijd de koppeling met geweld wordt gemaakt is in de analyse het (verloop van het) geweld ook meegenomen. Bij de volwassenen kijken we daarom naar de veiligheidsbeleving en het partnergeweld in combinatie met de specialistische HG/ KM hulpverlening. En bij de kinderen kijken we naar de emotionele veiligheid en de kindermishandeling met de specialistische HG/KM hulpverlening. Partnergeweld en onveiligheid bij volwassenen In totaal hebben 123 (16,1%) van de 765 volwassenen die de vragen over hulpverlening hebben ingevuld, aangegeven dat ze in het afgelopen jaar specialistische HG/KM hulpverlening hebben gekregen. Het effect van de hulpverlening wordt bepaald op basis van een afname van het partnergeweld en een toename van de veiligheidsgevoelens van de volwassenen/ouder. In de figuur 7.4 hieronder wordt het beloop van het partnergeweld en het beloop van de veiligheidsgevoelens van de volwassenen weergegeven.
In z’n algemeenheid is sprake van een significante afname van partnergeweld en een significante toename van het veiligheidsgevoel van de respondenten, waarbij ten aanzien van de afname van het partnergeweld sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.08, p < .001) en ten aanzien van de toename van het veiligheidsgevoel een klein effect (η2=.02, p < .001). Net als bij traumasymptomen zien we hier ten aanzien van beide onderwerpen geen verschil in het beloop tussen de groep die wel en de groep die geen specialistische HG/KM hulpverlening heeft gekregen. Echter, ook hier zien we wel weer dat er ten aanzien van beide onderwerpen een significant verschil bestaat zowel op de T0 als de T1 qua scores tussen de groep die wel en de groep die geen specialistische HG/KM hulpverlening heeft gehad (geweld (η2=03, p<.001; veiligheid η2=.06, p<.001)). Waarbij in de groep die wel specialistische HG/KM hulpverlening heeft gehad de scores op partnergeweld zowel op de T0 88
als op de T1 significant hoger waren (meer partnergeweld). En waarbij de scores op veiligheidsgevoel zowel op de T0 als de T1 significant lager waren (meer onveiligheid). Zoals gezegd, het beloop in beide groepen is niet verschillend en in beide groepen positief, dus afname geweld en toename veiligheidsgevoel. Figuur 7.4a en b Beloop partnergeweld (aantal incidenten) en veiligheidsgevoel (score 1-10) volwassenen die wel/geen specialistische HG/KM hulpverlening hebben gekregen Partnergeweld
Veiligheidsgevoel
140
10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
120
131,3
100 80 60
78,3
76,5
43,5
40 20 0
T0
geen HG/KM hulp
T1 wel HG/KM hulp
7,7
7,9 7
6,6
Net als bij de volwassenen zien we ook bij de kinderen geen significant verschil in het beloop tussen de groep die wel specialistische HG/KM hulpverlening heeft gekregen en de groep die dat niet heeft gekregen. En tegelijkertijd zien we ook hier dat er ten aanzien van beide onderwerpen een significant verschil bestaat, zowel op de T0 als de T1 qua scores tussen de groep die wel en de groep die geen specialistische HG/KM hulpverlening heeft gehad. Waarbij in de groep die wel specialistische HG/KM hulpverlening heeft gehad de scores op kindermishandeling en emotionele onveiligheid zowel op de T0 als op de T1 significant hoger waren (meer kindermishandeling η2=02, p<.001 en meer emotionele onveiligheid (η2=.01, p<.05). Figuur 7.5a en b Effect HG/KM hulp op kindermishandeling (aantal incidenten) en emotionele onveiligheid (score) van kinderen Partnergeweld
Emotionele onveiligheid
140
39 38 37 36 35 34 33 32 31 30
120 T0 geen HG/KM hulp
T1 wel HG/KM hulp
Kindermishandeling en emotionele onveiligheid kinderen Ten aanzien van de kinderen is gekeken naar de emotionele onveiligheid in combinatie met directe kindermishandeling en wederom de specialistische HG/KM hulpverlening. In totaal is over 150 (16,9%) van de 885 kinderen waarover informatie over de hulpverlening bekend was, aangegeven dat ze in het afgelopen jaar specialistische HG/KM hulpverlening hebben gekregen. Het effect van de hulpverlening wordt bepaald op basis van een afname van het kindermishandeling en een afname van de emotionele onveiligheid van de kinderen. Over de gehele groep zien we ten aanzien van beide onderwerpen een verbetering in de juiste richting, waarbij de kindermishandeling en emotionele onveiligheid significant afnemen, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (gecombineerd: η2=.04, p < .001; kindermishandeling η2=01, p<.05; emotionele onveiligheid (η2=03, p<.001).
131,3
100 80 60
78,3
76,5
43,5
40 20 0
T0
geen HG/KM hulp
T1 wel HG/KM hulp
38,2 35,9
35,6
33,3
T0 geen HG/KM hulp
T1 wel HG/KM hulp
Opvoedstress en hechting in relatie tot opvoedingshulpverlening Als laatste onderwerp ten aanzien van specifieke hulpverlening wordt ingegaan op de effecten van de specifiek op de opvoeding gerichte hulpverlening in combinatie met opvoedingsstress van ouders en veiligheid in de hechting tussen ouders en kinderen en de hulp die kinderen hebben ontvangen. Tenslotte kijken we naar schoolproblemen van jongeren in relatie tot de hulp vanuit het onderwijs hebben ontvangen.
89
Opvoedstress van ouders In totaal 264 (34,5%) van de ouders heeft in het afgelopen jaar specifieke hulp gekregen ten aanzien van de ondersteuning bij opvoedingsproblemen. Hieronder wordt gekeken in hoeverre deze hulp een effect heeft gehad op het verloop van de opvoedstress van ouder. In z’n algemeenheid zien we over de twee metingen geen significante afname van opvoedstress onder de ouders. Wanneer we de groep ouders die specifieke opvoedingshulp hebben gekregen vergelijken met de groep ouders die deze hulp niet kregen, zien we geen significant verschil in het beloop van de opvoedstress van deze ouders. In beide groepen is sprake van een heel lichte (niet-significante afname). Tegelijkertijd zien we ook hier weer dat de groep die wel opvoedingshulp heeft gekregen zowel op de T0 als de T1 extreem veel hogere opvoedstress had dan de groep die geen opvoedingshulp heeft gekregen, een scoreverschil van 11 punten (η2=05, p<.001). Figuur 7.6 Opvoedstress van ouders die wel en geen opvoedingshulp hebben gekregen 75 70 65 60 55 50 45 40 35 30 25
de kinderen over de veiligheid in de hechting is meegenomen, is deze analyse alleen gedraaid vanuit de kinderen die zelf hebben meegedaan. Van de 179 kinderen die de vragenlijsten over de hulp hebben ingevuld, hebben 93 (52%) aangegeven dat ze hulp ten aanzien van opvoeding en gezinsrelaties hebben gekregen in het afgelopen jaar. De analyse laat zien dat er sprake is van een significant verschillend verloop in de veiligheid in de hechting met ouders tussen kinderen die deze hulpvorm wel en niet hebben gekregen, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.06, p < .001). Waarbij bij de kinderen die deze hulpvorm wel hebben gekregen de veiligheid in de hechting met ouders is verslechterd, terwijl bij de kinderen die deze hulpvorm niet hebben gekregen de veiligheid in de hechting met de ouders is verbeterd (zie figuur 7.7). Figuur 7.7
Veiligheid in de hechting met ouders bij kinderen die wel en geen specifieke opvoedhulp hebben gekregen
5 4,5
58
4 56 3,5
47
3,7 3,6
3,4
46 3
T0 geen opvoedhulp
T1 wel opvoedhulp
Veiligheid in de hechting en opvoedingshulpverlening aan kinderen Bij de kinderen is gekeken naar de veiligheid in de hechting tussen ouder en kinderen vanuit de optiek van de kinderen, en de mogelijke invloed daarop van hulpverlening gericht op de opvoeding en gezinsrelaties. Omdat de optiek van
3,8
T0 geen opvoedhulp
T1 wel opvoedhulp
Tegelijkertijd zien we hier ook weer dat er ook een significant verschil bestaat tussen de groep die wel en die geen opvoedhulp hebben gekregen, ten aanzien van de hechtingsscores bij zowel de T0 als T1, waarbij de groep die deze hulpvorm wel heeft gekregen op beide meetmomenten een significant onveiliger hechting met de ouder laat zien. Hierin is echter geen verschil tussen hechting met de vader en de moeder. 90
7.7.
Effect van de inzet van gedwongen kader op geweld in het huishouden/gezin
Als laatste in dit hoofdstuk wordt gekeken naar het effect van de inzet van een gedwongen kader op het geweld in het huishouden of het gezin. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naar verschillende soorten van inzet. Een mogelijke gedwongen maatregel om de situatie in een huishouden of gezin veiliger te maken, is de inzet van het Tijdelijk Huisverbod voor één van de leden van het huishouden/gezin. Een ander soortige inzet betreft de bemoeienis van de politie bij het huishouden/gezin. In veel gevallen van huiselijk geweld is de politie de eerste partij waar het huishouden/gezin mee te maken krijgt, omdat er vaak een melding van overlast of geweld via buren/bekenden/familieleden bij de politie terechtkomt. Ten slotte zijn er de dwang(drang)maatregelen die via de Jeugdbescherming/Jeugdreclassering kunnen worden toegepast op een gezin. In dit kader nemen we de (gedwongen) Uithuisplaatsing, de Ondertoezichtstelling, de Drangmaatregel en de Jeugdreclassering mee als mogelijke maatregelen die binnen het gedwongen kader kunnen worden toegepast in een gezin. In de analyse worden deze maatregelen samengenomen omdat ze allemaal een gedwongen kader representeren. Tijdelijk huisverbod Als eerste wordt gekeken naar de inzet van een tijdelijk huisverbod. In 41 (5,2%) van de 788 huishoudens waarover deze informatie bekend was, was sprake van een tijdelijk huisverbod in het laatste jaar.
In de figuur hieronder wordt het beloop weergegeven van het totaalgeweld in de huishoudens waarin wel en geen sprake was van een tijdelijk huisverbod.
Figuur 7.8 Beloop van het geweld (aantal incidenten) in huishoudens waarin wel of niet sprake was van een tijdelijk huisverbod 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0
geen THV
172 135 100 56
T0
T1 wel THV
We zien geen significant verschil in het beloop van het geweld over de twee metingen, in beide groepen is sprake van een significante afname van het totale geweld. Hier zien we echter ook weer wel een significant verschil tussen de groepen wel THV en geen THV ten aanzien van de scores van het geweld zowel bij de T0 als bij de T1, waarbij sprake is van een klein effect (η2=03, p<.001). en waar in de huishoudens waarin sprake was van een tijdelijk huisverbod meer geweld plaatsvond. De veronderstelling is dat het inzetten van een tijdelijk huisverbod een middel is om te zorgen dat het huiselijk geweld daadwerkelijk stopt. We kunnen concluderen dat het misschien tijdelijk tijdens het huisverbod zelf sprake is van geen geweld, maar dat in de meeste gevallen het huiselijk geweld voortduurt (83%) (zie tabel 7.8). Wanneer we kijken naar het verschil in wel en geen geweld tussen de groep waarin wel sprake was van een tijdelijk huisverbod en waarin geen sprake was van een tijdelijk huisverbod, zien we geen significant verschil tussen beide groepen. In de huishoudens waarin sprake was van een tijdelijk huisverbod is het geweld in 17% van de huishoudens gestopt en in de huishoudens waarin geen sprake was van tijdelijk huisverbod is het geweld in 21% van de huishoudens gestopt, maar dit betreft geen significant verschil.
91
Tabel 7.8
Huishoudens waar wel en geen tijdelijk huisverbod is ingezet en het wel of niet stoppen van het huiselijk geweld Wel THV
Geen THV
Totaal
geweld gestopt
158 (21%)
7 (17%)
165 (21%)
geweld duurt voort
590 (79%)
34 (83%)
624 (79%)
748
41
789
Totaal
Politiebemoeienis Vervolgens is gekeken naar het effect van politiebemoeienis in het huishouden (zie figuur 7.9). Bij in totaal 258 (37,2%) van de 788 huishoudens waar deze informatie over bekend was, heeft politiebemoeienis plaatsgevonden in het afgelopen jaar. Wanneer we kijken naar het effect van deze politiebemoeienis op het geweld dat in het gezin plaatsvindt, zien we een significant ander beloop van het geweld over de twee metingen, tussen de huishoudens waar wel en geen politiebemoeienis bij is geweest. In de huishoudens waar wel politiebemoeienis is geweest is de afname van het geweld minder dan in de huishoudens waar geen politiebemoeienis is geweest (zie de figuur hieronder), hierbij is sprake van een klein effect (η2=.01, p < .01).
Tegelijkertijd was ook hier weer sprake van een significant verschil tussen de twee groepen ten aanzien van de geweldscores op zowel de T0 als T1, waarbij in de groep waar met politiebemoeienis sprake was van significant meer geweld op beide meetmomenten. Jeugdbescherming Als laatste gaan we in dit verband in op het effect van de aanwezigheid van jeugdbescherming/jeugdreclassering maatregelen in gezinnen met kinderen op het geweld wat in de gezinnen plaatsvindt. In totaal was in 145 (23,8%) van de gezinnen sprake van een jeugdbescherming/jeugdreclassering maatregel zoals hierboven benoemd. Wanneer we kijken naar het effect van deze maatregelen op het geweld in het gezin, zien geen significant verschil tussen de gezinnen waarin wel en geen JB/JR maatregel heeft plaatsgevonden in het afgelopen jaar. Figuur 7.10 Beloop van het geweld (aantal incidenten) in gezinnen waar wel en geen JB/JR maatregel van toepassing was 120
80
Figuur 7.9 Beloop van het geweld (aantal incidenten) in huishoudens waar wel en geen politiebemoeienis is geweest
91 62 52
60 40
140 120
118
100
97
80
20 91
0
T0 geen JB/JR
60 45
40 20 0
96
100
T0 geen politiebemoeienis
T1
T1 wel JB/JR
Ook zien we geen significant verschil ten aanzien van de scores op de T0 en T1 tussen deze twee groepen. Wel is in beide groepen sprake van een significante afname van het geweld, waarbij sprake was van een klein tot gemiddeld effect (η2=.07, p < .001).
wel politiebemoeienis
92
7.8.
Met wie zijn de geweldsincidenten besproken?
Naast alle vragen over welke hulp volwassenen en kinderen ontvangen hebben er is ook gevraagd of ze met anderen hebben gesproken over dit huiselijk geweld. Na de inventarisatie van partnergeweld en kindermishandeling is aan zowel de volwassenen als kinderen gevraagd of zij over deze ruzies en conflicten met anderen hebben gesproken. In tabel 7.9 hieronder wordt getoond dat bijna 78% van de volwassenen en ruim 56% van de kinderen hierover gesproken heeft met anderen. Bij de volwassenen zien we wel dat vrouwen significant vaker (p < .001) met anderen over het geweld spreken dan mannen. Wat vooral opvallend is dat in de tijd er minder gesproken wordt met anderen over de ruzies en conflicten in het gezin. Dit is opvallend omdat er gevraagd wordt naar ruzies en conflicten, dus een dusdanige brede vraag dat er altijd wel ruzies of conflicten zijn in ieder gezin. Het geldt voor iedereen mannen en vrouwen alsook kinderen.