RIB.24.046 Doorontwikkeling GIA
Tekst van het document
In de derde cohortstudie is wat betreft de verwaarlozing van kinderen geen significant verschil, terwijl dit wel zo was in de tweede cohortstudie. Indirecte kindermishandeling (getuige van partnergeweld) Net zoals in de tweede cohortstudie zien we dat de meeste kinderen (mogelijk) getuige zijn van partnergeweld, namelijk 90% (tabel 4.8). Als een kind opgroeit in een gezin waar sprake is van partnergeweld, gaat het gemiddeld om 91 maal per jaar wat betekent dat het bijna twee keer per week (tabel 4.9). Het percentage kinderen dat (mogelijk) getuige was van geweld tussen ouders neemt significant af tussen de twee metingen, waarbij sprake is van
54
een klein tot gemiddeld effect (η2=.07, p<.001). Kijken we naar de verschillende vormen van indirecte kindermishandeling, dan zien we voor alle vormen een significante daling wat betreft het percentage kinderen dat (mogelijk) getuige is van het geweld tussen ouders. Als we kijken naar mogelijke verschillen tussen de tweede en derde cohortstudie, zien we geen verschillen. Tabel 4.9
Tabel 4.10 Aantal incidenten als kinderen dat type kindermishandeling meemaken gerapporteerd door de ouders.
Percentage kinderen dat kindermishandeling meemaakt gerapporteerd door de ouders. Derde cohort Percentages N=952
Type kindermishandeling
T0
T1
Fysieke mishandeling
26%
14%***
gemiddelde score op de eerste meting 89 incidenten en dat neemt af in de tijd naar 59 incidenten. Voor de kinderen die directe kindermishandeling meemaken (63%) is het gemiddelde aantal 14 incidenten dat in de tijd daalt tot 12 incidenten. Er is wat betreft de gemiddelde incidenten tussen de tweede en derde cohortstudie voor directe kindermishandeling niet echt een verschil.
Tweede cohort Percentages N=748 T0
T1
31%
21%***
Derde cohort aantal incidenten T0
T1
T0
T1
Fysieke mishandeling
6
7
7
5
Psychische mishandeling
10
9
11
9
9
7
8
7
15
11
Type kindermishandeling
Psychische mishandeling
56% 46%***
61% 49%***
Verwaarlozing
Verwaarlozing
20%
23%
Totaal directe kindermishandeling
14
12
19%
18%**
Tweede cohort aantal incidenten
Totaal directe kindermishandeling
63% 53%***
70% 58%***
(mogelijk) getuige van fysieke partnergeweld
29
25
33
20
(mogelijk) getuige van fysieke partnergeweld
46% 26%***
46%
19%***
(mogelijk) getuige van psychisch partnergeweld
56
41
46
29
(mogelijk) getuige van psychisch partnergeweld
83% 67%***
85% 67%***
(mogelijk) getuige van seksueel partnergeweld
20
20
28
14
(mogelijk) getuige van seksueel partnergeweld
20%
11%***
16%
6%***
(mogelijk) getuige van controlerend gedrag partners
25
22
a
a
(mogelijk) getuige van controlerend gedrag partners
44% 32%***
a
a
81
55
74
37
Totaal indirecte kindermishandeling (zonder controlerend gedrag)
Totaal indirecte kindermishandeling (zonder controlerend gedrag)
85% 69%***
93
64
a
a
Totaal indirecte kindermishandeling (inclusief controlerend gedrag
Totaal indirecte kindermishandeling (inclusief controlerend gedrag
83% 69%***
a
a
Totaal kindermishandeling (zonder controlerend gedrag)
90% 80%***
91%
77%***
Totaal kindermishandeling (zonder controlerend gedrag)
79
51
74
37
Totaal kindermishandeling (inclusief controlerend gedrag)
91%
a
a
Totaal kindermishandeling (inclusief controlerend gedrag)
89
59
a
a
81%***
85% 68%***
a dit is niet bekend voor de 2e cohortstudie, aangezien controlerend gedrag niet is gemeten; ***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)
a
dit is niet bekend voor de 2e cohortstudie, aangezien controlerend gedrag niet is gemeten;
Wat betreft het aantal incidenten kindermishandeling is gekeken naar de gemiddelde score voor de kinderen waar sprake is van kindermishandeling. Voor de 91% kinderen die te maken hebben met kindermishandeling is de
55
4.4.2. Kindermishandeling gerapporteerd door kinderen Kinderen vanaf acht jaar hebben, als zij dat wilden, ook een vragenlijst ingevuld. Bij de eerste meting gaf 70% van de kinderen aan dat zij te maken hadden met kindermishandeling en bij de tweede meting was dit 65% (tabel 4.11). We zien voor kindermishandeling echter geen significante afname tussen de twee metingen. Daarnaast kunnen we concluderen dat als er sprake is van kindermishandeling, dit veelal structureel is, aangezien het vaker dan eenmaal per maand voorkomt (tabel 4.11). Bij de tweede cohortstudie zagen we dat het percentage kinderen waar sprake was van kindermishandeling wel significant afnam tussen de twee metingen, namelijk van 67% bij de eerste meting naar 55% bij de tweede meting. Directe kindermishandeling Het percentage kinderen dat aangeeft zelf mishandeld te worden door (een van) de ouders neemt niet significant af tussen de twee metingen. Als we kijken naar fysieke en psychische mishandeling, zien we alleen een afname van het percentage kinderen dat fysiek mishandeld wordt, van 22% op de eerste meting naar 15% bij de tweede meting (η2=.02, p<.05). Het percentage van de kinderen over fysieke kindermishandeling komt overeen met het percentages dat door de ouders genoemd wordt. Voor psychisch geweld rapporteren kinderen geen afname in de tijd, terwijl ouders dat wel rapporteren.
Kinderen die te maken hebben met kindermishandeling rapporteren meer incidenten dan de ouders rapporteren. Dit geldt voor het totaal geweld en als we psychisch en fysiek geweld apart bekijken. Het gemiddelde aantal incidenten bij de eerste meting voor het totale directe geweld is volgens de kinderen 25 incidenten, tegenover 14 incidenten volgens de ouders, terwijl bij ouders daarin verwaarlozing meegenomen is. Als we de tweede en derde cohortstudie vergelijken zien we dat voor de tweede cohortstudie het percentage dat directe kindermishandeling meemaakte significant afnam met een klein tot gemiddeld effect (η2=.07, p<.01),
terwijl er bij de derde cohort geen significante afname te zien is. Hoewel er voor fysieke kindermishandeling wel een significante afname is in het derde cohort, is het effect kleiner (η2=.02, p<.05), dan in de tweede cohortstudie (η2=.06, p<.01). Indirecte kindermishandeling (getuige van partnergeweld) Het percentage kinderen dat getuige was partnergeweld neemt in tegenstelling tot directe kindermishandeling wel significant af van 61% naar 56% (η2=.05, p<.01). Kijken we naar de verschillende vormen van partnergeweld, dan zien we een significante afname van zowel fysiek (η2=.08, p<.001) als psychisch geweld tussen ouders (η2=.05, p<.01). Tweederde van de kinderen zegt dat zij getuige zijn van partnergeweld, duidelijk is dat kinderen het nodige meekrijgen van het geweld tussen hun ouders of opvoeders. Als we de tweede en derde cohortstudie vergelijken zien we wat betreft indirecte kindermishandeling, het getuige zijn van partnergeweld, geen verschil tussen beide cohortstudies. Tabel 4.11
Percentage kinderen dat kindermishandeling ervaart gerapporteerd door kinderen Tweede cohort Derde cohort percentages N=179 percentages N=173
Type kindermishandeling
T0
T1
T0
T1
Fysieke mishandeling
22%
15%*
31%
18%**
Psychische mishandeling
53%
48%
58%
43%**
Totaal directe kindermishandeling
56%
49%
60%
43%**
Getuige van fysieke partnergeweld
23%
11%***
30%
10%***
Getuige van psychisch partnergeweld
60%
49%**
58%
43%**
Totaal indirecte kindermishandeling
61%
50%**
59%
45%**
Totaal kindermishandeling
70%
63%
67%
55%*
***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)
56
Tabel 4.12
Aantal incidenten als kinderen dat type kindermishandeling meemaken gerapporteerd door de kinderen Tweede cohort Derde cohort percentages N=179 percentages N=173
Type kindermishandeling
T0
T1
T0
T1
Fysieke mishandeling
12
Psychische mishandeling
21
20
12
16
15
16
15
Totaal directe kindermishandeling
25
21
22
18
Getuige van fysieke partnergeweld
8
9
13
12
Getuige van psychisch partnergeweld
21
18
24
15
Totaal indirecte kindermishandeling
24
20
30
17
Totaal kindermishandeling
49
31
46
35
4.5.
Oudermishandeling
In deze paragraaf gaan we in op het agressieve gedrag van kinderen naar ouders. Aan zowel de ouders als de kinderen is een vragenlijst voorgelegd. In deze paragraaf bespreken we eerst de rapportage van de ouders over het agressieve gedrag van de kinderen naar hen en daarna de rapportage van de kinderen.
vader in de tijd niet afneemt, niet wat betreft fysieke als psychisch geweld. Maar dat het aantal incidenten wel afneemt in de tijd. Waarbij ook hier weer opgemerkt moet worden dat het gemiddelde incidenten voor de gehele groep betreft waar de jongeren die niet gewelddadig zijn best groot is en daardoor het gemiddelde aantal incidenten omlaag haalt. Wat betreft het agressieve gedrag naar moeders zien we wel in de tijd een afname als het gaat om psychisch geweld, zowel wat betreft het percentage jongeren die psychisch gewelddadig als het aantal incidenten. Tabel 4.13
Geweld van kinderen naar hun vader volgens de ouders T0 N=233 Percentage kinderen
Gemiddeld aantal incidenten
Fysieke mishandeling
14%
2
14%
1
Psychische mishandeling
61%
11
57%
7*
Totaal oudermishandeling
62%
13
57%
9*
Type oudermishandeling
In deze paragraaf kijken we naar wat ouders rapporteren over agressie van hun kinderen naar hen. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen geweld naar vaders en moeders, aangezien uit onderzoek is gebleken dat oudermishandeling vaker gericht is op moeders dan op vaders (Calvete e.a, 2013). De resultaten zien we ook terug in deze studie (zie tabel 4.13 en 4.14). Fysieke mishandeling van jongeren naar hun moeder (25%) komt vaker voor dan naar vaders (14%), evenals psychische mishandeling (76% naar moeder en 61% naar vader). Opvallend is dat het percentage jongeren die agressief zijn tegen hun
Gemiddeld aantal incidenten
***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)
Tabel 4.14 Geweld van kinderen naar hun moeder volgens de ouders T1 N=450
T0 N=465
4.5.1. Ouders over agressief gedrag van kinderen naar hen
T1 N=208 Percentage kinderen
Percentage kinderen
Aantal incidenten
Percentage kinderen
Aantal incidenten
Fysieke mishandeling
25%
3
22%
2
Psychische mishandeling
76%
20
70%*
16***
Totaal oudermishandeling
77%
23
71%**
19**
Type oudermishandeling
***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)
57
Tabel 4.16 Geweld van kinderen naar hun ouders volgens de meisjes
4.5.2. Jongeren over oudermishandeling Als we kijken naar wat de jongeren zelf rapporteren over hun gedrag naar hun ouders, hebben we geen onderscheid gemaakt naar welke ouder de agressie is gericht. Wel hebben we een onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes omdat er mogelijk een sekseverschil zou kunnen optreden (tabel 4.15 en 4.16). Opvallend is dat jongeren zelf ook aangeven dat in de tijd hen agressieve gedrag naar ouders niet minder wordt. dat geldt voor zowel de meisjes als de jongens. Waarbij de meisjes aangeven iets meer oudergeweld te plegen dan de jongens. Dat meisjes meer eigen geweld rapporteren zien we ook terug bij volwassenen waar vrouwen meer eigen geweld rapporteren dan mannen. Mogelijk dat een dergelijk sekseverschil in zelfrapportage hier ook sprake van is. Onduidelijk is of het gedrag van jongeren een reactie is op het gedrag van de ouders. Vooral fysieke kindermishandeling heeft een zeer hoge correlatie met fysieke oudermishandeling., dit betreft een zeer sterke relatie (r = .73, p < .001). Ook psychisch geweld van ouders heeft een duidelijke relatie met psychisch geweld van het kind (r=.57, p<.001), waarbij ook psychische kindermishandeling een relatie heeft met fysieke kindermishandeling (r = .57, p < .001) en fysieke oudermishandeling een sterke relatie heeft met psychische oudermishandeling (r = .60, p < .001). Tabel 4.15
Geweld van kinderen naar hun ouders volgens de jongens T1 N=78
T0 N=79 Percentage kinderen
Aantal incidenten
Percentage kinderen
Aantal incidenten
Fysieke mishandeling
16%
1
12%
1
Psychische mishandeling
59%
11
59%
13
Totaal oudermishandeling
61%
12
59%
14
Type oudermishandeling
T1 N=99
T0 N=97 Percentage kinderen
Aantal incidenten
Percentage kinderen
Aantal incidenten
Fysieke mishandeling
18%
2
12%
1
Psychische mishandeling
69%
17
67%
12
Totaal oudermishandeling
70%
19
67%
13
Type oudermishandeling
4.6.
Andere vormen van geweld
Tenslotte stellen we een aantal losse vragen rondom huiselijk geweld. We vragen aan het eind van de vragenlijsten over geweld gevraagd of er naast de uitgevraagde geweldsvormen andere incidenten waren gericht op de ouder of diens kind (ook door andere familieleden). We vroegen deelnemers de incidenten te beschrijven. In totaal hebben 148 volwassenen ingevuld dat zij te maken hebben gehad met andere geweldsincidenten. Twaalf volwassenen geven aan dat er ook sprake was van geweld vanuit hun eigen ouders (grootouders) naar vooral henzelf, soms betreft het de ouders van een ex-partner. 16 volwassenen geven aan dat zij of hun kinderen te maken hebben met geweld van hun ex-partner. Kennelijk hebben deze volwassenen de vragenlijst ingevuld over hun huidige partner, maar hebben daarnaast ook te maken met partnergeweld door hun ex-partner. Daarnaast zijn er incidenten van de nieuwe partner naar de kinderen. 22 respondenten zeggen dat zijzelf of hun kinderen te maken hebben gehad met geweld door anderen dan mensen vanuit het gezin of de familie. Het betreft dat vooral incidenten op school of met vrienden of onbekende op straat. Twaalf zeggen dat zij te maken hebben gehad met geweld met familieleden zoals broers of zussen.
58
4.7.
effect (η2=.07, p<.001). Er blijft echter sprake van een duidelijke overlap tussen partnergeweld en kindermishandeling.
Partnergeweld gaat vaak samen met geweld tegen kinderen
Nagegaan is of er sprake is van een overlap tussen partnergeweld en kindermishandeling in de gezinnen. Voor deze analyse zijn de gegevens van alle ouders en alle kinderen per gezin meegenomen, om zo een compleet beeld van de overlap van het geweld binnen de gezinnen te kunnen geven. Bij de helft van de gezinnen (50%) was bij de eerste meting sprake van zowel partnergeweld als direct geweld tegen kinderen. Bij 35% was alleen sprake van partnergeweld en bij 9% van de gezinnen was alleen sprake van direct geweld tegen kinderen, zonder dat (ex-)partners gewelddadig naar elkaar waren (zie figuur 4.7). Figuur 4.7 Overlap van de verschillende soorten geweld in de gezinnen op beide meetmomenten 60% 49,6%
50%
35,3% 40%
35,2% 28,8%
30% 21,1%
20% 10% 0%
14,7% 9,4% 5,7%
T0 geen geweld
alleen kindermishandeling
alleen partnergeweld
T1
zowel kindermishandeling als partnergeweld
We zien dat in de loop van de tijd het aantal gezinnen toeneemt waar sprake is van geen geweld. Het percentage gezinnen waar alleen sprake is van partnergeweld neemt licht af (35% naar 29%). Het percentage gezinnen waar alleen sprake is van kindermishandeling neemt toe van 9% naar 15% bij de tweede meting. Met name de overlap neemt significant af van 49% bij de eerste meting naar 35% bij de tweede meting, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld
4.8.
Intergenerationele overdracht van geweld
In het onderzoek hebben we gekeken naar de vraag of volwassenen zelf kindermishandeling hebben meegemaakt in het gezin waar zij zijn opgegroeid of andere jeugdtrauma’s. Hiervoor hebben we de zogeheten ACE gebruikt (zie hoofdstuk 2). Binnen onderzoek wordt vooral gekeken naar vier of meer ACES, omdat de gevolgen in je latere leven veelal groot zijn als er sprake is van het meemaken van vier of meer jeugdtrauma’s. Deze groep krijgt in hun volwassen leven significant meer problemen zoals traumaklachten, suïcide, maar ook lichamelijke klachten zoals diabetes en longkanker (Felitti e.a., 1998; Dekker, 2010). In deze paragraaf kijken we naar drie verschillende groepen, namelijk a) ouders die het verleden zelf ook slachtoffers zijn geweest, b) partners zonder kinderen en hun verleden en c) jongeren die als zij een relatie beginnen ook weer in herhaling vervallen en te maken krijgen met dating violence al dan niet als slachtoffer. Om de resultaten beter te kunnen duiden zijn de resultaten voor de volwassenen zonder kinderen in de onderzoeksgroep vergeleken met de uitkomsten van het TNO-onderzoek die een steekproef hebben uitgevoerd met de ACE’s onder de algemene Nederlandse bevolking9 . Voor de volwassenen zonder kinderen is de referentiepopulatie uit 2012 gebruikt (zie hoofdstuk 2 voor een beschrijving van de referentiegroep). 4.8.1.
Ouders in het verleden zelf ook slachtoffer Veel ouders hebben zelf een jeugdtrauma meegemaakt of zijn opgegroeid in een gezin waar sprake was van huiselijk geweld in de eigen jeugd. Dit is een
9 TNO heeft in 2010 het ACE onderzoek uitgevoerd onder een steekproef in de Nederlandse bevolking.
59
belangrijke risicofactor voor het opnieuw optreden van huiselijk geweld in de huidige situatie. We hebben de gegevens van de ouders in de onderzoeksgroep vergeleken met die van de ouders uit de referentiegroep (een steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking10). We hebben zowel alle respondenten meegenomen als alleen ouders meegenomen in de referentiegroep, dat wil zeggen dat zij allen kinderen hebben. Opmerkelijk is dat de ouders uit de onderzoeksgroep veel meer jeugdtrauma’s hebben meegemaakt dan de ouders in de referentiegroep. Zoals in tabel 4.17 te zien is, liggen die percentages veel hoger dan gemiddeld in de referentiegroep, zowel voor de totale referentiegroep als de referentiegroep van ouders met kinderen. De onderzoeksgroep heeft 6.5 maal meer dan 4 ACES meegemaakt dan de referentiegroep (27% versus 4%). Overal met klein tot gemiddeld effect ten aanzien van verschil met de referentiegroep TNO, een gemiddeld tot groot effect ten aanzien van het verschil met de referentiegroep 2012, met uitzondering van ’Seksueel geweld’, ‘Alcohol of drugsmisbruik’ en ‘Depressie gezinslid’, daar eveneens een klein tot gemiddeld effect. Het meest voorkomende jeugdtrauma is het meemaken van een scheiding van de ouders, 38% van de onderzoekspopulatie tegenover 14% in de referentiegroep.
Als het gaat om kindermishandeling meemaken in je jeugd heeft bijna de helft van de ouders (48%) in de eigen jeugd één van de verschillende vormen van huiselijk geweld meegemaakt (kindermishandeling of getuige zijn van partnergeweld). Dat is veel hoger dan in de referentiegroep (10%). Psychische mishandeling komt als geweldsvorm het meest voor (34%) bij de deelnemers. Een op de vier respondenten geeft aan in hun jeugd te maken hebben gehad met fysieke mishandeling, dat is zes keer zo hoog als in de referentiegroep. Fysieke verwaarlozing komt relatief het minst vaak voor (7%).
Tabel 4.17
Percentage ouders uit de onderzoekspopulatie en referentiepopulatie die te maken hebben met gehad met jeugdtrauma’s
10 TNO heeft in 2010 het ACE onderzoek uitgevoerd onder een steekproef in de Nederlandse bevolking.
11 TNO heeft in 2010 het ACE onderzoek uitgevoerd onder een steekproef in de Nederlandse bevolking.
Volwassenen onderzoekspopulatie N=824 Psychische mishandeling
34%
Referentiepopulatie Referentie 2012 ouders met kinderTNO N=2.200 (kinderen onbekend) en N=208 19%***
8%***
Fysieke mishandeling
26%
17%***
4%***
Seksueel misbruik
24%
10%***
10%***
Psychische verwaarlozing
28%
21%***
4%***
Fysieke verwaarlozing
7%
5%*
2%***
Gescheiden ouders
38%
15%***
14%***
Mishandeling van de moeder
13%
8%***
2%***
Alcohol of drugmisbruik in het huishouden
28%
8%***
8%***
Depressie gezinslid
23%
10%***
10%***
Gezinslid gedetineerd
10%
2%***
2%***
Zelf huiselijk geweld meegemaakt (Aces 1, 2, 4, 5)
48%
Vier of meer Aces meegemaakt
27%
10%*** 11%***
4%***
***p < .001; **p < .01; *p < .05
4.8.2. Partners zonder kinderen in het verleden zelf ook slachtoffer We hebben de gegevens van partners zonder kinderen in de onderzoeksgroep vergeleken met de gehele referentiegroep TNO (een steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking11), en met de partners zonder kinderen in de referentie populatie 2012. Net zoals bij de ouders hebben partners zonder kinderen uit de onderzoeksgroep veel meer jeugdtrauma’s hebben meegemaakt dan de ouders in de referentiegroep. Zoals in tabel 4.18 te zien is, liggen die percentages
60
veel hoger dan gemiddeld in de referentiegroep, zowel voor de referentiegroep TNO als de referentiegroep 2012 volwassenen zonder kinderen. de percentages liggen over het algemeen ook iets hoger dan bij de ouders met kinderen (zie tabel 4.17). Dus zowel op de afzonderlijke thema’s scoort deze groep significant hoger dan de referentiegroep. De onderzoeksgroep heeft 12 maal meer dan 4 ACES meegemaakt dan de referentiegroep (36% versus 3%). Als het gaat om kindermishandeling meemaken in je jeugd heeft bijna de helft van de partners zonder kinderen (55%) in de eigen jeugd één van de verschillende vormen van huiselijk geweld meegemaakt (kindermishandeling of getuige zijn van partnergeweld). Dat is veel hoger dan de referentiegroep (12%). Tabel 4.18 Percentage partners zonder kinderen uit de onderzoekspopulatie en referentiepopulatie die te maken hebben met gehad met jeugdtrauma’s Partners zonder kinderen onderzoekspopulatie N=58
Referentiepopulatie Referentie 2012 N=2.200 volwassenen (kinderen onbekend) zonder kinderen
Dating geweld jongeren
Dating geweld is gemeten met een vragenlijst die door jongeren van 14 jaar en ouder ingevuld is. In totaal waren er 95 jongeren ouder dan 14 jaar die de tweede meting hebben ingevuld. Hiervan geven 41 jongeren aan dat ze een relatie hebben gehad van minimaal een maand. Van deze 41 jongeren zagen 15 jongeren hun vriend of vriendin (bijna) elke dag, 16 jongeren een aantal keer in de week en 10 jongeren 1 keer in de week of minder. Bijna alle jongeren (n=39) vindt de relatie belangrijk of heel belangrijk, voor de overige 2 was de relatie niet belangrijk, maar ook niet onbelangrijk. Tot slot hebben we gevraagd naar het ervaren van dating geweld in deze relatie. Van de 41 jongeren geven 16 jongeren aan geen dating geweld te hebben meegemaakt. De andere 25 jongeren (61%) hebben wel dating geweld ervaren (gemiddeld 5.8 incidenten); 6 jongeren waren alleen slachtoffer, 5 jongeren pleegden zelf dating geweld en bij 14 jongeren was sprake van zowel slachtofferschap als daderschap.
N=431
Psychische mishandeling
46%
19%***
8%***
Fysieke mishandeling
33%
17%*
3%***
Seksueel misbruik
29%
10%**
7%***
Psychische verwaarlozing
44%
21%***
6%***
Fysieke verwaarlozing
9%
5%
1%*
Gescheiden ouders
47%
15%***
12%***
Mishandeling van de moeder
19%
8%*
2%**
Alcohol of drugmisbruik in het huishouden
39%
8%***
4%***
Depressie gezinslid
26%
10%**
11%*
Gezinslid gedetineerd
14%
2%*
2%*
Zelf huiselijk geweld meegemaakt (Aces 1 t/m 5)
55%
Vier of meer Aces meegemaakt
36%
***p < .001; **p < .01; *p < .05
4.9.
12%*** 11%***
3%***
4.10. Conclusie We kunnen concluderen dat het partnergeweld en kindermishandeling na melding bij Veilig Thuis sterk afneemt voor zowel de gezinnen als partners zonder kinderen. Voor de totale populatie (gezinnen en partners zonder kinderen) zien we dat het percentage waar het geweld daadwerkelijk gestopt is, toeneemt van 6% bij de eerste meting naar 21% van de huishoudens bij de tweede meting (een jaar na melding bij Veilig Thuis). Ook het ernstige en veelvuldige geweld is afgenomen van 85% van de huishoudens bij eerste meting tot 64% bij de tweede meting. Ondanks deze afname van het geweld, is er nog steeds in ruim meer dan de helft van de huishoudens sprake van veel of ernstig geweld anderhalf jaar na de melding bij Veilig Thuis. Wat betreft de partners zonder kinderen zien we dat het percentage waar het geweld daadwerkelijk stopt (33%) hoger ligt dan voor de gezinnen (21%). Waarschijnlijk is
61
het moeilijker om als er kinderen zijn om de relatie daadwerkelijk te verbreken omdat je contact blijft houden in verband met de kinderen. Maar ook voor de partners zonder kinderen is er nog steeds in een ruime meerderheid (60%) sprake van veelvuldig of ernstig geweld een jaar na melding bij Veilig Thuis. De gezinnen die deelgenomen hebben aan de derde cohortstudie zijn vergeleken met de gezinnen uit de tweede cohortstudie. Er is nauwelijks verschil in het aantal gezinnen waar het geweld is gestopt op de tweede meting tussen de derde cohortstudie (20,6%) en de tweede cohortstudie (19,1%). Wel is de afname van de groep ernstig geweld voor de derde cohortstudie in de tijd significant hoger (20,5%) dan in de tweede cohortstudie (17,3%). Vanuit de tweede cohortstudie weten we dat deze daling zich doorzet in de tijd. Het merendeel van de volwassenen die meededen aan het onderzoek rapporteren partnergeweld. Een belangrijk resultaat, vergelijkbaar met eerder onderzoek, is dat het aantal vrouwen dat aangeeft slachtoffer te zijn van partnergeweld significant afneemt wat betreft alle vormen van partnergeweld.
Het aantal mannen dat aangeeft slachtoffer te zijn van partnergeweld neemt alleen significant af voor psychisch en fysiek geweld, verwondingen en controlerend gedrag, maar er is geen verschil in aan het aantal mannen dat aan geeft slachtoffer te zijn van seksueel geweld of stalking tussen de twee metingen. Opvallend is dat voor de partners zonder kinderen het aantal gerapporteerde incidenten tweemaal zo hoog is (178 incidenten op de T0) versus de gehele onderzoekspopulatie (86 incidenten op T0), hoewel er sprake is van een duidelijke afname blijft het aantal incidenten hoog. Wat betreft de ernst van het geweld van het partnergeweld zien we dat vrouwen meer ernstig geweld rapporteren dan de mannen, dat geldt zowel voor vrouwen met als zonder kinderen. Er is een duidelijke significante afname van zowel mild als ernstig geweld in het jaar na melding bij Veilig Thuis. Ook hier zien we dat partner zonder kinderen veel vaker ernstige geweldsincidenten rapporteren dan ouders. Bijna alle kinderen (91%) hebben ten tijde van de eerste meting te maken met kindermishandeling, dat wil zeggen fysiek en/of psychisch geweld,
verwaarlozing door de ouders of getuige zijn van partnergeweld. Bij de eerste meting heeft ongeveer een kwart van de kinderen in het onderzoek te maken met fysiek geweld, iets meer dan de helft heeft te maken met psychisch geweld en een op de vijf kinderen heeft te maken met verwaarlozing in het afgelopen jaar. Voor deze kinderen gaat het gemiddeld om 89 incidenten kindermishandeling in het afgelopen jaar en volgens de kinderen om 49 incidenten. Als we kijken naar het getuige zijn van partnergeweld, dan zien we dat de meeste kinderen (83%) in gezinnen opgroeien waar wekelijks partnergeweld voorkomt (gemiddeld 93 incidenten per jaar). Zowel de kinderen als de ouders geven aan dat er sprake is van een duidelijke afname van het percentage kinderen dat te maken heeft met kindermishandeling een jaar na de melding bij Veilig Thuis. Fysieke kindermishandeling neemt af van één op de drie kinderen tot één op de zeven kinderen. Psychische kindermishandeling neemt af van ruim de helft van kinderen naar minder dan de helft. Wat betreft het getuige zijn van partnergeweld blijkt dat ruim de helft van de kinderen partnergeweld bewust dit meemaakt. Het gaat daarbij om een kwart van de kinderen die fysiek partnergeweld rapporteren en ruim de helft van de kinderen die psychisch geweld rapporteren tussen de ouders of opvoeders bij de eerste meting.
Met name het fysieke partnergeweld neemt volgens de kinderen af na de melding. Maar ook het psychisch geweld tussen ouders neemt af volgens de kinderen maar iets minder sterk. Hoewel blijkt dat kinderen toch het nodige meekrijgen van het geweld tussen hun ouders/ opvoeders, zien zij niet alles. Ouders rapporteren beduidend meer en vaker partnergeweld dan de kinderen. We kunnen concluderen dat kindermishandeling duidelijk afneemt in het jaar na de melding bij Veilig Thuis. Maar de cijfers laten ook zien dat ruim de helft van de kinderen (63%) nog steeds sprake is van kindermishandeling, waarvan 49% te maken heeft met direct geweld tegen henzelf en 50% met indirect geweld, namelijk het partnergeweld tussen de ouders. Nieuw aan de studie is dat ook gekeken is naar geweld van kinderen naar hun ouders. we zien dat er een directe relatie is tussen het geweld van ouders
62
naar kinderen en het geweld van kinderen naar ouders. Zo’n twee op de drie jongeren (65%) zegt zelf geweld te gebruiken naar hun ouders, waarbij het geweld vaker gericht is naar moeder dan naar vader, zowel voor fysiek geweld als psychisch geweld. Een belangrijke conclusie is dat het aantal kinderen dat te maken heeft met meerdere vormen van kindermishandeling in de loop der tijd afneemt. Niet alleen is er overlap tussen kindermishandeling en partnergeweld, maar de meeste kinderen hebben te maken met psychisch geweld, veelal in combinatie met fysiek geweld of verwaarlozing, of getuige zijn van partnergeweld. Ruim de helft van de gezinnen (50%) in deze onderzoekspopulatie heeft te maken met een overlap bij de eerste meting. Dit daalt op de tweede meting naar een op de drie gezinnen (35%). Tenslotte blijkt uit de data dat bijna de helft van de ouders (48%) en partners zonder kinderen (55%) in deze onderzoekspopulatie zelf in hun jeugd te maken heeft gehad met kindermishandeling.
63
5
Relatie tussen het geweld en welzijn volwassenen en ouderschap
(zie figuur 5.1). Het percentage volwassenen met traumaklachten is op beide metingen hoger dan het percentage volwassenen met traumaklachten in de referentiegroep (T0: Cohen’s d = .29, p < .001; T1: Cohen’s d = .25, p < .001; zie hoofdstuk 2). In de tweede cohortstudie was wel een significante afname in het percentage volwassenen met traumaklachten te zien tussen de eerste meting (16%) en tweede meting (11%; η2 = .02, p < .005). Figuur 5.1
5.1.
Inleiding
Een van de onderzoekvragen is of er sprake is van een verbetering van het welbevinden en persoonlijk functioneren van de ouders. In de 2e cohortstudie zagen we dat het welzijn van ouders verbeterde in de anderhalf jaar na melding bij Veilig Thuis. In dit hoofdstuk kijken we opnieuw naar het welzijn en persoonlijk functioneren van volwassenen. Een verschil met de 2e cohortstudie is dat nu niet alleen ouders deelnamen, maar ook volwassenen zonder kinderen. We kijken eerst met repeated measure (M)Anova’s naar de psychische problemen van alle volwassenen, opvoedvaardigheden van de groep ouders, en veiligheidsbeleving en kwaliteit van leven van alle volwassenen. Opvoedvaardigheden zijn alleen beschreven voor volwassenen met kinderen. Bij de overige welzijnskenmerken, kijken we of verschillen bestaan tussen volwassenen met en volwassenen zonder kinderen. Daarnaast kijken we of er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen op alle aspecten.
5.2.
Psychotrauma’s van de volwassenen
Op het eerste meetmoment heeft 17% van de volwassenen een score die duidt op traumaklachten. Dit percentage is een jaar later niet significant verminderd
Percentage getraumatiseerde volwassenen per meting en verschil mannen en vrouwen
70 60 50 40 30 20 10 0
20% 17%
17% 15% 7%
11%
11% T0
totaal
man
T1
Referentiegroep
vrouw
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1. * bij de pijlen betekent significant verschil op het betreffende meetmoment tussen mannen en vrouwen.
Kijken we naar de verschillende soorten traumaklachten (angstige opwinding, depressie, woede, herbeleving, defensieve vermijding, dissociatie, seksuele zorgen, disfunctioneel seksueel gedrag, verstoord zelfbeeld en spanningsverminderend gedrag) bij volwassenen, dan nemen alle traumaklachten - behalve disfunctioneel seksueel gedrag - significant af tussen de eerste meting en de tweede meting (tabel 5.1). De effecten zijn echter klein of gemiddeld. Ondanks deze afname zien we dat bijna alle traumaklachten bij zowel de eerste meting als de tweede meting significant hoger zijn dan de referentiegroep. De onderzoeksgroep verschilt op disfunctioneel seksueel gedrag alleen op de eerste
64
meting van de referentiegroep. Voor seksuele zorgen zien we juist dat de onderzoeksgroep alleen op de tweede meting verschilt van de referentiegroep en daar scoort de onderzoeksgroep als enige lager dan de referentiegroep. Als we de tweede en derde cohortstudie vergelijken is het enige verschil dat bij de tweede cohortstudie voor alle subschalen een significante afname werd gevonden, dus ook voor seksuele zorgen. Tabel 5.1
Verschil afname traumaklachten volwassenen tussen de twee beide metingen en vergelijking met de referentiegroep T0
T1
Ref
Verschil T0 en Verschil T0 en T1 Eta-squared, ref Cohen’s d, p-waardea p-waardea
Verschil T1 en ref Cohen’s d, p-waardea
Angstige opwinding (n=782)
50,1
48,6
46,1
η2 = .06, p < .001
d = .54, p < .001
d = .37, p < .001
Depressie (n=782)
49,7
48,0
44,5
η2 = .07, p <.001
d = .62, p < .001
d = .48, p < .001
Woede (n=778)
48,2
46,9
45,4
η2 = .04, p < .001
d = .37, p < .001
d = .24, p < .001
Herbeleving (n=782)
50,0
48,9
45,3
η2 = .03, p < .001
d = .53, p < .001
d = .45, p < .001
Defensieve vermijding (782)
49,9
49,0
44,4
η2 = .02, p < .001
d = .67, p < .001
d = .58, p < .001
Dissociatie (n=782)
49,3
48,4
46,9
η2 = .02, p < .001
d = .30, p < .001
d = .21, p < .001
Seksuele zorgen (n=780)
45,8
45,3
45,9
η2 = .01, p < .001
n.s.
d = -.13, p < .001
Disfunctioneel seksueel gedrag (n=781)
47,6
47,3
47,0
n.s.
d = .09, p < .05
n.s.
Verstoord zelfbeeld (n=782)
49,0
47,7
47,1
η2 = .04, p < .001
d = .23, p < .001
d = .09, p < .05
Spanningsverminderd gedrag (n=782)
47,4
46,9
45,8
η2 = .01, p < .01
d = .23, p < .001
d = .19, p < .001
Wanneer we onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, zien we op de eerste meting dat het percentage vrouwen met traumaklachten significant hoger ligt dan het percentage mannen met traumaklachten (T0: Cohen’s d = -.21, p < .005; Figuur 5.1). Bij de tweede meting zien we geen significant verschil tussen mannen en vrouwen. Daarnaast geldt dat voor zowel mannen als vrouwen het percentage met traumaklachten niet significant afneemt tussen de eerste en tweede meting. Als we voor mannen en vrouwen apart kijken naar de afzonderlijke subschalen van trauma (tabel 5.2) zien we dat voor de subschalen angstige opwinding, herbeleving, defensieve vermijding, seksuele zorgen en spanningsverminderd gedrag alleen bij vrouwen een significante afname te zien is tussen de twee metingen. Bij depressie, woede, dissociatie en verstoord zelfbeeld zien we zowel een significante afname bij vrouwen als bij mannen. En voor disfunctioneel seksueel gedrag zit voor zowel mannen als vrouwen geen verschil tussen de eerste en tweede meting. Tot slot vergeleken we de scores van mannen en vrouwen op de eerste en tweede meting. Het bleek dat vrouwen significant hoger scoren op beide metingen voor angstige opwinding, woede, herbeleving en defensieve vermijding en juist significant lager op disfunctioneel seksueel gedrag (alleen tweede meting) dan mannen.
a n.s. betekent niet significant
65
Tabel 5.2
Verschil afname traumaklachten volwassenen tussen mannen en vrouwen Vrouwen
Verschil T0 en T1 Etasquared, p-waardea
T0
T1
Mannen
Vrouwen
Angstige opwinding
48,5 47,9 50,7 48,9
n.s.
Depressie
49,4 48,2 49,8 47,9
Woede
47,1 45,8 48,6 47,4
Herbeleving
48,3
Mannen
T0
Defensieve vermijding
T1
47,7 50,7 49,5
48,1 47,8 50,6 49,5
5.3.
Verschil mannen en vrouwenCohen’s d, p-waardea T0
T1
η2 = .9, p < .001
d = .30, p < .001
d = .15, p < .05
η2 = .04, p <.005
η2 = .08, p <.001
n.s.
n.s.
η2 = .04, p < .005
η2 = .04, p < .001
d = .19, p < .05
d = .22, p < .005
n.s.
η2 = .03, p < .001
d = .15, p < .05
d = .22, p < .005
n.s.
η2 = .03, p < .001
d = .31, p < .001
d = .21, p < .005
η2 = .03, p < .05
η2 = .02, p < .005
n.s.
n.s.
η2 = .02, p < .005
n.s.
n.s.
n.s.
Opvoedvaardigheden van de ouders
Alleen voor de volwassenen die kinderen hebben, en dus ouders zijn, hebben we gekeken naar de opvoedstress die ouders ervaren in de opvoeding. De opvoedstress van ouders neemt niet significant af tussen de eerste meting en de tweede meting (figuur 5.2). Op de beide meetmomenten scoren ouders nog steeds hoger dan de referentiegroep (T0: Cohen’s d = .47, p < .001; T1: Cohen’s d = .40, p < .001). Bij de tweede cohortstudie was wel een significante afname tussen de eerste meting (50,7) en tweede meting (47,7; η2 = .01, p < .05). Maken we onderscheid tussen mannen en vrouwen, dan zien we geen verschil wat betreft een afname van opvoedstress. Vrouwen rapporteren wel meer opvoedstress dan mannen op zowel de eerste als tweede meting (T0: Cohen’s d = .23, p < .01; T1: Cohen’s d = .29, p < .005). Figuur 5.2 Opvoedstress voor ouders op beide meetmomenten 70 60
Dissociatie
48,9
Seksuele zorgen Disfunctioneel seksueel gedrag
a
47,7 49,5 48,6
45,7 45,4 45,9 45,2
48,0 48,1 47,4 47,0
n.s.
n.s.
50 40
n.s.
51,5 50,3
47,1 40,4
53,6 52,3 46,0
30 20
d = .17, p < .05
Verstoord zelfbeeld
49,0 47,5 49,0 47,8
η2 = .05, p < .005
η2 = .04, p < .001
n.s.
n.s.
Spanningsverminderd gedrag
48,0 47,4 47,2 46,7
n.s.
η2 = .01, p < .05
n.s.
n.s.
10 0
T0 totaal (n=626)
man (n=204)
T1
Referentiegroep
vrouw (n=421)
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1. * bij de pijlen betekent significant verschil tussen mannen en vrouwen.
n.s. betekent niet significant
66
5.4.
Veiligheidsbelevingen kwaliteit van leven
In het onderzoek is gekeken naar hoe volwassenen hun veiligheidsgevoel en kwaliteit van leven beoordelen. Zowel het veiligheidsgevoel als de kwaliteit van leven worden weergegeven als rapportcijfers van 1 tot 10 (zie figuur 5.3 en figuur 5.4). Voor beide aspecten zijn geen gegevens bekend van een referentiegroep. Figuur 5.3 Gemiddelde scores op veiligheidsbeleving voor volwassenen
9,0
9 7,6
7,8
8,1
8,2 7,3
8,0
7,6
7,0
7
7,1
7,1
7,1
7,1
7,2
7,1
6,0
6
5,0
5
4,0
4
3,0
3
2,0
2 1
Figuur 5.4 Gemiddelde scores op kwaliteit van leven voor volwassenen en verschil mannen en vrouwen 10,0
10 8
(η2 = .03, p < .001) en niet bij mannen. Mannen (T0: 8.1; T1: 8.2) scoren wel significant hoger op veiligheidsbeleving dan vrouwen (T0: 7.3; T1: 7.6) op zowel de eerste meting als de tweede meting (T0: Cohen’s d = -.23, p < .01; T1: Cohen’s d = -.29, p < .001). We zien geen verschil tussen mannen en vrouwen wat betreft kwaliteit van leven.
T0 totaal
man
T1
1,0
vrouw
Noot: * bij T1 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1.* bij de pijlen betekent significant verschil tussen mannen en vrouwen.
Volwassenen geven een 7.6 voor hun veiligheidsbeleving bij de eerste meting en dit loopt significant op tot een 7.8 bij de tweede meting (η2 = .02, p < .001). Gezien het geweld dat nog speelt in de meeste huishoudens is dat opmerkelijk hoog. Bij de tweede cohortstudie zagen we ook een significante toename, van een 7.5 bij de eerste en een 7.8 bij de tweede meting (η2 = .02, p < .001). Ook op de kwaliteit van leven scoren de volwassenen redelijk hoog, namelijk een 7.1 op beide metingen. Er is dus geen significant verschil tussen de eerste meting en de tweede meting. Bij de 2e cohortmeting was wel een significante toename te zien van een 7 naar 7.2 (η2 = .01, p < .05). Als we mannen en vrouwen vergelijken (zie figuur 5.3 en figuur 5.4), dan zien we alleen een significante toename bij vrouwen in de veiligheidsbeleving
5.5.
T0 totaal
man
T1
vrouw
Vergelijking tussen volwassenen met en zonder kinderen
In deze paragraaf vergelijken we het welzijn van volwassenen met en zonder kinderen. Het valt op dat partners zonder kinderen op de verschillende welzijnskenmerken slechter scoren dan ouders (zie figuur 5.5 en figuur 5.6). Volwassenen zonder kinderen hebben hogere scores op traumaklachten dan volwassenen met kinderen (η2 = .05, p < .001). Ook op de veiligheidsbeleving scoren volwassenen zonder kinderen (T0: 6.4; T1: 6.8) significant lager dan volwassenen met kinderen (T0: 7.6; T1: 7.9; η2 = .04, p < .001). Ditzelfde patroon zien we bij kwaliteit van leven: volwassenen zonder kinderen (T0: 6.3; T1: 6.6) scoren significant lager wat betreft kwaliteit van leven dan volwassenen met kinderen (T0: 7.1; T1: 7.2; η2 = .02, p < .001).
67
Figuur 5.5 Percentage getraumatiseerde volwassenen met en zonder kinderen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
47%
17% 15%
Totaal
40%
15% 13% Met kinderen Zonder kinderen
T0
T1
Noot: * bij de pijl betekent significant verschil tussen volwassenen met en zonder kinderen.
Figuur 5.6 Gemiddelde scores op veiligheidsgevoel en kwaliteit van leven voor volwassenen met en zonder kinderen 10,0 9,0 8,0 7,0 6,0 5,0 4,0 3,0 2,0 1,0 0,0
7,6
7,8
7,6
7,9 6,4
Totaal
Met kinderen Veiligheid
6,8
Zonder kinderen T0
T1
7,1
7,1
Totaal
7,1
7,2 6,3
6,6
Met kinderen
Zonder kinderen
Kwaliteit van leven
T0
Noot: * bij de pijlen betekent significant verschil tussen volwassenen met en zonder kinderen.
T1
5.6.
Conclusie
In dit hoofdstuk is het welzijn van volwassenen en de opvoedvaardigheden van ouders bekeken. Volwassenen uit de onderzoeksgroep hebben op beide metingen hogere scores op traumaklachten dan volwassenen uit de referentiegroep. Het percentage traumaklachten neemt niet af tussen de metingen. Daarentegen nemen de meeste afzonderlijke traumaklachten wel af tussen de eerste meting en de tweede meting, maar de effecten zijn klein of gemiddeld. De onderzoeksgroep scoort bij de tweede meting, ondanks de afname, op vrijwel alle traumaschalen nog steeds hoger dan de referentiegroep. Verder zien we dat vrouwen bij veel traumaschalen meer klachten rapporteren dan mannen, maar dat bij hen ook op meer traumaschalen een afname in traumaklachten is tussen de twee metingen, terwijl bij de mannen geen afname in traumaklachten te zien is. De opvoedstress van ouders neemt niet significant af tussen de verschillende meetmomenten. Vrouwen hebben zowel op het eerste meetmoment als bij de tweede meting een hogere score op opvoedstress. Bovendien scoort de onderzoeksgroep op beide meetmomenten hoger op opvoedstress dan de referentiegroep. Het cijfer dat volwassenen hun veiligheidsbeleving geven, is bij de tweede meting hoger dan bij de eerste meting. Deze toename blijkt alleen voor vrouwen te gelden. Mannen geven hun veiligheidsbeleving bovendien een hogere score dan vrouwen.
Gezien het geweld dat speelt binnen de huishoudens, geven alle volwassenen hun veiligheidsbeleving een goed rapportcijfer op zowel de eerste als tweede meting. De score op kwaliteit van leven verschilt niet tussen de verschillende meetmomenten. Bovendien wijken de rapportcijfers van mannen en vrouwen over hun kwaliteit van leven niet significant af. Wanneer we onderscheid maken tussen volwassenen met en zonder kinderen, blijkt dat volwassenen zonder kinderen op alle welzijnskenmerken slechter scoren dan volwassenen met kinderen, namelijk hogere traumascores, lagere veiligheidsbeleving en een lagere kwaliteit van leven. 68
6
Relatie tussen geweld en ontwikkeling van het kind
6.1.
Inleiding
Uit de eerste cohortstudie bleek dat het partnergeweld dat de kinderen meemaken een relatie heeft met emotionele onveiligheid en traumasymptomen (Tierolf e.a., 2014a). Bovendien bleek een afname van partnergeweld samen te hangen met een toename van emotionele veiligheid en de afname van traumasymptomen. De resultaten van de tweede cohortstudie (Steketee e.a., 2020a) sloten hierbij aan. Afname van geweld hing samen met een toename van emotionele veiligheid en een afname van traumasymptomen. Echter, deze kinderen waren nog altijd emotioneel minder veilig dan een referentiegroep (een steekproef van kinderen van de algemene Nederlandse bevolking), en zij ervaarden meer traumasymptomen. Bovendien was er geen toename van hechting bij afname van geweld en verschilde het probleemgedrag niet over de meetmomenten, terwijl deze kinderen minder veilig gehecht waren dan de referentiegroep en meer probleemgedrag vertoonden. Ook hing de afname van geweld niet samen met een toename van kwaliteit van leven (Steketee e.a., 2020a). In dit hoofdstuk gaan we in op de ontwikkeling en het welzijn van kinderen ten tijde van de melding bij Veilig Thuis en hoe het een jaar later met hen ging. Net als bij de vorige cohortstudies zullen ouder-kind gehechtheid, emotionele veiligheid, traumasymptomen, het probleemgedrag en de kwaliteit van leven van kinderen worden gerapporteerd.
Daarnaast bespreken we de psychosociale problemen bij kinderen, en kijken we naar het welbevinden op school
(welbevinden met de leraar, welbevinden met medeleerlingen en cognitief zelfvertrouwen). Het verloop van bovenstaande factoren tussen de eerste-meting (T0) en de tweede meting (T1) is getoetst met repeated measures (M) ANOVA’s. Bij alle factoren gaan we ook in op de verschillen tussen jongens en meisjes, hetgeen getoetst is met one sample t-toetsen. Bovendien bespreken we verschillen tussen onze populatie en een referentiegroep, en tussen het huidige en vorige cohort. Tot slot gaan we in op de relatie tussen het geweld in het gezin dat deze kinderen hebben ervaren en bovengenoemde factoren op de twee meetmomenten. We beschrijven of een afname van het geweld samenhangt met een afname van traumaklachten, psychosociale problemen en probleemgedrag en een verbetering van hechting, emotionele veiligheid, kwaliteit van leven en welbevinden op school. Dit is getoetst met repeated measures (M)ANOVA’s. In dit hoofdstuk zijn alleen de gezinnen meegenomen, aangezien alleen daar kinderen zijn. Er is alleen gekeken naar gezinnen die aan beide meetmomenten hebben deelgenomen. In de data kunnen per gezin meerdere kinderen voorkomen. Er is besloten om bij de analyses van dit hoofdstuk alle kinderen mee te nemen, wat betekent dat broertjes en zusjes allemaal zijn meegenomen.
6.2.
Ouder-kind gehechtheid
De veiligheid in de gehechtheid tussen ouders en kinderen van 3 tot 18 jaar is gevraagd aan ouders, en aan kinderen vanaf 8 jaar over hun vader en moeder apart. De scores gerapporteerd vanuit kinderen over hun vader en moeder kunnen we vergelijken met een referentiegroep. De referentiegroep bestaat uit een groep kinderen die waren aangemeld bij twee poliklinische behandelcentra vanwege emotionele- en gedragsproblemen (Bastiaansen e.a., 2004). Bastiaansen e.a. (2004) onderscheidden twee groepen in dat onderzoek, namelijk een klinische (Child Behaviour Checklist score boven de klinische grens)
69
en niet-klinische groep (Child Behaviour Checklist score onder de klinische grens). Wij vergelijken de kinderen uit onze onderzoeksgroep met de niet-klinische groep (figuur 6.2). De scores gerapporteerd vanuit ouders kunnen we niet vergelijken met een referentiegroep. Op basis van gegevens verstrekt door ouders en kinderen is berekend welke kinderen veilig gehecht zijn (zie hoofdstuk 2). Op het moment van de melding (eerste meting) heeft 64% van de kinderen een veilige gehechtheid. We zien geen significant verschil met een jaar later (tweede meting), als 66% van de kinderen een veilige gehechtheid heeft (figuur 6.1). Dit is vergelijkbaar met de resultaten van de tweede cohortstudie, waar het percentage kinderen dat veilig gehecht scoorde op beide metingen 64% was.
Figuur 6.2 Hechting gerapporteerd vanuit moeder, vader en kind. 3,4 3,3
Kind over vader (n=164)
3,9 * 3,9 3,9
Kind over moeder (n=177)
4,3 * Vader over kind (n=315)
4,0 3,9
Moeder over kind (n=671)
4,0 4,1 0
Figuur 6.1 70%
Percentage veilig gehechte kinderen per meting vanuit ouders en kinderen. 64%
T1
1
2
3
4
5
Referentiegroep
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1.
66%
60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% T0
T0
T1
De gemiddelde gehechtheidsscores laten ook geen significante verschillen zien tussen de twee meetmomenten, zowel voor rapportage door de vader, de moeder, als het kind zelf (figuur 6.2). In vergelijking met de referentiegroep, scoren de kinderen uit onze onderzoeksgroep significant lager (onveiliger gehecht) dan de niet-klinische groep op beide meetmomenten voor zowel hechting met vader (T0: Cohen’s d = -.53, p < .001; T1: Cohen’s d = -.58, p < .001) als met moeder (T0: Cohen’s d = -.53, p < .001; T1: Cohen’s d = -.51, p < .001).
We hebben gekeken of de rapportage van kinderen over moeder-kind gehechtheid verschilt van de rapportage over vader-kind gehechtheid. Kinderen rapporteren op beide meetmomenten een veiligere gehechtheid met de moeder dan met de vader, waarbij sprake is van een gemiddeld effect (T0: Cohen’s d = -.44, p < .001; T1: Cohen’s d = -.48, p < .001). Een veiligere gehechtheid met de moeder vergeleken met de vader zien we ook in de referentiegroep. Hetzelfde patroon is ook te zien bij de ouderrapportage; moeders rapporteren een veiligere gehechtheid met hun kind dan vaders, waarbij sprake is van klein effect (T0: Cohen’s d = -.14, p < .05; T1: Cohen’s d = -.20, p < .005). En dit patroon zagen we ook bij de tweede cohortstudie. Tot slot keken we of ouder-kind gehechtheid verschilt voor jongens en meisjes. De kindrapportage laat geen verschil zien tussen jongens en meisjes op moeder-kind gehechtheid. Op de vader-kind gehechtheid rapporteren jongens op de eerste meting een veiligere gehechtheid dan meisjes (T0: Cohen’s d = .33, p < .05), maar op de tweede meting zijn geen verschillen tussen jongens en meisjes
70
in vader-kind gehechtheid. Bij de ouderrapportage van zowel vaders als moeders zien we geen significante verschillen over dochters en zonen in gehechtheid.
6.3.
Emotionele veiligheid van kinderen
Emotionele veiligheid van kinderen is op beide meetmomenten gevraagd aan ouders over kinderen tot en met 12 jaar, en aan kinderen vanaf 8 jaar. De scores hebben we vergeleken met een steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking (zie hoofdstuk 2). Op basis door gegevens verstrekt door ouders en kinderen is berekend welke kinderen emotioneel veilig scoren (zie hoofdstuk 2). Het percentage kinderen dat emotioneel veilig scoort neemt tussen de eerste meting en tweede meting significant toe van 58% tot 65% (η 2 = .02, p < .001; figuur 6.3). Deze toename zagen we ook bij de tweede cohortstudie, daar nam het percentage kinderen dat emotioneel veilig scoort toe van 54% tot 67% (η2 = .04, p < .001). In vergelijking met de referentiegroep scoort de onderzoeksgroep zowel op de eerste als tweede meting significant lager op emotionele veiligheid (T0: Cohen’s d = -.86, p < .001; T1: Cohen’s d = -1.08, p < .001).
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1. * bij T1 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1.
Op alle vier de subschalen van emotionele onveiligheid (emotionele reactiviteit (ER), gedragsdisregulatie (BD), openlijk vermijden (OA) en openlijk bemoeien (OI)) laten een significante afname zien tussen de twee metingen (ER: η 2 = .07, p < .001; BD: η2 = .01, p < .05; OA: η2 = .01, p < .05; OI: η2 = .02, p < .001; figuur 6.4). Bij de tweede cohortstudie zagen we ook voor alle vier de subschalen een significante afname (ER: η2 = .04, p < .001; BD: η2 = .01, p < .05; OA: η2 = .02, p < .005; OI: η2 = .03, p < .001. Figuur 6.4 Emotionele veiligheid van kinderen gerapporteerd door ouders en kinderen.
8,6 * 3,7 3,5* 3,2*
Gedragsdisregulatie (GD, n=607)
10,6 10,1* 9,7*
Openlijk vermijden (OA, n=592)
Figuur 6.3 Percentage emotioneel veilige kinderen per meting vanuit ouders en kinderen. 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
10,0* 9,5 * 9,2
Openlijk bemoeien (OI, n=612) 85% T0
65%
T1
Referentiegroep
0
2
4
6
8
10
12
14
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1. * bij T1 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1. * bij T0 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de referentiegroep.
58%
T0
11,5 10,4 *
Emotionele reactiviteit (ER, n=614)
T1
Referentie groep
Voor emotionele reactiviteit, gedragsdisregulatie en openlijk vermijden geldt dat, ondanks de afname, de onderzoeksgroep op de tweede meting nog altijd significant emotioneel onveiliger scoort dan de referentiegroep, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (ER: Cohen’s d = .44, p < .001; BD: Cohen’s
71
d = .29, p < .001; OA: Cohen’s d = .09, p < .05). Voor openlijk bemoeien verschilde de eerste meting wel significant met de referentiegroep (OI: Cohen’s d = .20, p < .001), maar bij de tweede meting wijkt de score van de onderzoeksgroep niet meer significant af van de referentiegroep. Tot slot bekeken we verschillen tussen jongens en meisjes. Jongens scoren significant lager op emotionele reactiviteit bij beide metingen (T0: Cohen’s d = .21, p < .01; T1: Cohen’s d = .23, p < .005) en op openlijk vermijden bij de tweede meting (T1: Cohen’s d = .25, p < .005) dan meisjes, wat betekent dat meisjes op deze aspecten emotioneel onveiliger scoren. Bij de tweede cohortstudie zagen we geen significante verschillen tussen jongens en meisjes.
6.4.
Psychotrauma’s van kinderen
Traumaklachten van kinderen is op beide meetmomenten gevraagd aan ouders over kinderen tot en met 12 jaar, en aan kinderen vanaf 8 jaar. Deze scores hebben we vergeleken met de steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking (referentiegroep). Op basis van gegevens verstrekt door ouders en kinderen is berekend welke kinderen getraumatiseerd zijn (zie hoofdstuk 2), wat betekent dat ze op minimaal één subschaal klinisch scoren. Het percentage kinderen dat een klinische score heeft op trauma, neemt tussen de eerste meting en de tweede meting significant af van 36% tot 27% (η2 = .03, p < .001; figuur 6.5). Deze afname zagen we ook bij de tweede cohortstudie, waar het percentage kinderen met een klinische score op trauma afnam van 32% tot 26% (η2 = .02, p < .001). Het percentage kinderen met een klinische score op trauma week zowel bij de eerste meting als bij de tweede meting significant af van de referentiegroep (T0: Cohen’s d = .66, p < .001; T1: Cohen’s d = .51, p < .001). Voor de afzonderlijke traumaschalen angst, woede en posttraumatische stress (PTSS) namen traumaklachten af tussen de eerste meting en de tweede meting, waarbij sprake is van een klein effect (angst: η2 = .02, p < .005; woede: η2 = .01, p < .05; PTSS: η2 = .01, p < .01; figuur 6.6). We zien geen significant verschil
voor de traumaschalen depressie, dissociatie en seksuele problemen. Bij de tweede cohortstudie was er naast een significant verschil tussen de metingen op angst, woede en PTSS ook een afname op depressie en dissociatie (angst: η2 = .02, p < .005; woede: η2 = .04, p < .001; PTSS: η2 = .05, p < .001; depressie: η2 = .04, p < .001; dissociatie: η2 = .02, p < .005). Figuur 6.5 Percentage getraumatiseerde kinderen per meting vanuit ouders en kinderen. 50% 40%
36% * 27%
30% 20% 10%
* 4%
0% T0
T1
Referentie groep
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1. * bij T1 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1.
Ondanks de afname op sommige subschalen, zijn bijna alle traumaklachten van kinderen in de onderzoeksgroep bij de tweede meting nog steeds significant ernstiger dan van kinderen in de referentiegroep. Hierbij is sprake van een laag tot gemiddeld effect, alleen het effect voor seksuele problemen is niet significant (het verschil op seksuele problemen tussen de metingen was bij de tweede cohortstudie ook niet significant; angst: Cohen’s d = .29, p < .001; depressie: Cohen’s d = .25, p < .001; woede: Cohen’s d = .18, p < .001; PTSS: Cohen’s d = .33, p < .001; dissociatie: Cohen’s d = .18, p < .001).
72
Figuur 6.6 Traumaklachten kinderen gerapporteerd door ouders en kinderen.
Angst (n=615)
55,1 53,7 * 50,0 *
Depressie (n=615)
53,7 53,1 50,0*
Woede (n=615)
53,2 52,2 * 50,0 * 55,8 54,5 * 50,0 *
Posttraumatische stress (n=615)
52,2 52,0 50,0 *
Dissociatie (n=616)
49,5 49,6 50,0
Seksuele problemen (n=616)
0 T0
T1
2e cohortstudie, al waren daar geen significante verschillen tussen jongens en meisjes op angst en depressie.
10
20
30
40
50
60
Referentiegroep
Noot: * bij referentiegroep geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1. * bij T1 geeft aan dat de score van de onderzoeksgroep op T0 significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op T1.
We zien significante verschillen tussen jongens en meisjes op beide metingen of alleen op de tweede meting. Meisjes ervaren significant meer angst (T1: Cohen’s d = .20, p < .05), depressie (T0: Cohen’s d = -.24, p < .01; T1: Cohen’s d = -.20, p < .05), PTSS (T0: Cohen’s d = -.19, p < .05; T1: Cohen’s d = .20, p < .05), dissociatie (T1: Cohen’s d = .21, p < .01) en seksuele problemen (T0: Cohen’s d = -.22, p < .01; T1 Cohen’s d = .20, p < .05) dan jongens, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect. Voor woede zien we geen verschillen tussen jongens en meisjes. De verschillen tussen jongens en meisjes zijn vergelijkbaar met de
6.5.
Psychosociale problemen
Naar psychosociale problemen bij kinderen is op beide meetmomenten gevraagd aan zowel kinderen vanaf 8 jaar als ouders van kinderen van 3-17 jaar. Voor een vergelijking met een referentiegroep, is gebruikgemaakt van de gegevens die door Kantar zijn verzameld. Deze referentiegroep bestaat uit 771 kinderen (51% meisjes) tussen de 8 en 18 jaar. Met deze referentiegroep kunnen we de kindrapportage vergelijken. De ouderrapportage hebben we niet vergeleken met een referentiegroep. De vragenlijst is voor enkele leeftijdscategorieën in de Nederlandse populatie genormeerd. Er is daarom gekozen om weer te geven in welke mate de kinderen psychosociale problemen hebben volgens de Nederlandse normeringen (beperkt aantal leeftijdscategorieën), gezien vanuit zowel kinderen als ouders. Daarnaast zijn de continue scores gebruikt, omdat dit over een grotere doelgroep gaat en kan worden ingegaan op de verschillende subschalen. Deze vragen zijn niet gesteld in de tweede cohortstudie, daarom is geen vergelijking gemaakt tussen de tweede en derde cohortstudie. Nederlandse normeringen Voor de zelfrapportage van kinderen zijn Nederlandse normeringen voor 12-17 jarigen. Bij de oudervragenlijst hebben we gebruikgemaakt van de Nederlandse normeringen van kinderen van 4-14 jaar.
Ondanks dat het aantal kinderen met psychosociale problemen lijkt af te nemen vanuit de kindrapportage, ouderrapportage en de totaalscore (figuur 6.7), zijn deze verschillen niet significant. De onderzoekspopulatie (kindrapportage) heeft op beide metingen significant meer psychosociale problemen dan de referentiegroep (T0: Cohen’s d = .34, p < .001; T1: Cohen’s d = .24, p < .01). Er is sprake van kleine effecten.
73
Figuur 6.7 Percentage kinderen met een verhoogde score op psychosociale problemen volgens de Nederlandse normering. 45 40 35
35
33
31
30 25
30
31
30
.27, p < .001), emotionele problemen (T0: Cohen’s d = .34, p < .001; T1: Cohen’s d = .19, p < .05), problemen met leeftijdsgenoten (T0: Cohen’s d = .13, p < .05; T1: Cohen’s d = .15, p < .05) en gedragsproblemen (T0: Cohen’s d = .52, p < .001; T1: Cohen’s d = .37, p < .001). Er zijn op beide metingen geen verschillen in pro-sociaal gedrag met de referentiegroep.
23
Figuur 6.8 Psychosociale problemen gerapporteerd door kinderen en referentiegroep (continue scores).
20 15 10 5 0
T0 totaal (n=626)
man (n=204)
T1
Totale probleemscore (N = 177)
Referentiegroep
10,2 *
vrouw (n=421)
Noot: * geeft aan dat de score van de referentiegroep significant afweek van de score van de onderzoeksgroep op zowel T0 als T1.
Continue scores Naast de Nederlandse normering, kijken we naar de continue scores op de totale schaal en de vijf subschalen van de vragenlijst, namelijk hyperactiviteit/aandachtstekort, emotionele problemen, problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen en pro-sociaal gedrag. Hierbij is onderscheid gemaakt naar gegevens vanuit kinderen (voor zowel de kinderen die gemeld zijn bij Veilig Thuis als de referentiegroep; figuur 6.8), gegevens vanuit ouders (figuur 6.9) en een totaalscore van kinderen en ouders. Volgens de kindrapportage nemen verschillende psychosociale problemen significant af tussen de eerste meting en de tweede meting, namelijk op de totale schaal (η2 = .04, p < .05), hyperactiviteit/aandachtstekort (η2 = .02, p < .05), emotionele problemen (η2 = .03, p < .05), en gedragsproblemen (η2 = .04, p < .01). Alle effecten zijn klein. Er is geen significant verschil tussen de metingen op problemen met leeftijdsgenoten en pro-sociaal gedrag. De continue scores op psychosociale problemen van de kinderen zelf zijn op vrijwel alle subschalen significant hoger dan de referentiegroep, namelijk op de totale schaal (T0: Cohen’s d = .52, p < .001; T1: Cohen’s d = .35, p < .001), hyperactiviteit/aandachtstekort (T0: Cohen’s d = .45, p < .001; T1: Cohen’s d =
5,2 4,9 * 4,2 *