RIB.24.046 Doorontwikkeling GIA
Tekst van het document
De volwassenen hebben, in volgorde van grootte, het meest gesproken over de ruzies en conflicten, met hulpverleners, familie, vrienden (+ buren en collega’s), Veilig Thuis en met de politie. Bij de eerste meting, ten tijde van de melding bij Veilig Thuis scoort hulpverleners hoog (75%). Toch wordt de medewerker van Veilig Thuis op beide meetmomenten niet hoog gescoord, respectievelijk op T0 58% en T1 40%. Na de hulpverlener wordt familielid of iemand uit het sociale netwerk vooral genoemd. Figuur 7.11 Met wie hebben volwassenen het meest gesproken over de ruzies en conflicten Hulpverlener
73% 68%
Familielid
68% 68%
Hulpverlener Iemand uit uw omgeving (vrienden, buren, collega’s)
Heeft u met anderen gesproken over de ruzies en conflicten in het gezin of huishouden?
Heeft u met anderen gesproken over ruzie en conflicten tussen u, uw (ex)partner en/of kin(deren)? T0 T1
Volwassenen Vrouwen (N=874) (N=602)
Mannen (N=270)
Ja
81,6%
84,8%
74,6%
Nee
18,4%
15,2%
25,4%
Ja
70%
71,9%
66%
Nee
30%
28,1%
34%
Heb jij met anderen gesproken over de ruzies en conflicten tussen jou en je ouders? T0 T1
Ja
51,7%
Nee
48,3%
Ja
42,4%
Nee
57,6%
34% 33%
(Stief-)zoon/dochter
13% 12%
Advocaat/Rechter/RvdKB/Voogd
12% 10%
Huisarts/Medisch
2% 1%
Medewerker Centrum Seksueel Geweld
2% 1%
School/Onderwijs
1% 0%
Anders T0
T1
55% 38%
Politie
Deelnemende kinderen (N=179)
58%
40%
Medewerker Veilg Thuis
Tabel 7.9
75%
66%
0% 0% 0%
10%
20%
30%
40%
*
50%
60%
70%
80%
Opvallend hoog is het aantal respondenten die zegt dat zij er met de politie over gesproken hebben, zowel bij de eerste meting (55%) als bij de tweede meting (38%). Dat ook op het tweede moment Veilig Thuis en de politie genoemd wordt, 93
lijkt erop te duiden dat er sprake kan zijn van hermeldingen. Wat gezien het gegeven dat in veel van deze relaties of gezinnen nog steeds sprake is van ernstig of veelvuldig vormen van partnergeweld of kindermishandeling niet verbazingwekkend is. Opvallend laag is dat een derde van de respondenten dat ze met hun partner erover gesproken hebben De kinderen hebben relatief het meest over het huiselijk geweld gesproken met achtereenvolgens, vrienden (incl. buren en klasgenoten), familie, hulpverleners en leerkrachten (incl. mentoren). Dat verandert ook niet in de tijd. Maar de helft van de kinderen geeft aan dat zij in het jaar na de melding met een hulpverlener hebben gesproken over de ruzies en conflicten thuis. Je zou verwachten dat dit wel een onderwerp van gesprek zou zijn met de hulpverleners. Ook weinig kinderen geven aan dat zij ten tijde van de melding met iemand van Veilig Thuis hierover gesproken hebben (23%) terwijl volgens het kwaliteitskader van Veilig Thuis er wel met de kinderen gesproken had moeten worden.
7.9.
Figuur 7.12 Met wie hebben kinderen/jongeren gesproken over de ruzies en conflicten 68% 63%
Iemand uit je omgeving (vrienden, buren, klasgenootjes)
52% 55%
Familielid 43%
Hulpverlener
23% 20% 15% 11%
Politie
Medewerker Centrum Seksueel Geweld
T0
T1
*
19% 0% 0% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
Tabel 7.10 Het oordeel over hulp voor volwassenen (N=732) Schoolcijfer tussen 1-10
N
Informele hulp (hulp van vrienden en familie);
7,6
471
1e lijn
7,2
571
• LVB/dagbesteding
6,9
62
• Algemeen Maatschappelijk Werk/ Jongerenwerk
6,7
259
• Medische hulp (ziekenhuis, fysiotherapeut, huisarts, POH)
7,3
329
• Juridische hulp / Financiële hulp
7,5
296
6,8
490
6,5
321
• Psychiatrische hulp
7,3
269
• Gedragsproblematiek
6,6
115
• Hulp bij verslaving
6,4
26
5,6
296
• Jeugdbescherming
5,1
206
• Gespecialiseerde aanpak HG/KM
6,0
137
• Reclassering
6,9
18
Alle formele hulp tezamen
6,8
693
Alle informele en formele hulp tezamen
7,1
732
Specialistisch
11%
Anders
Tevredenheid van volwassenen over hulp Hieronder de tevredenheid van de volwassenen over de hulp aan henzelf besproken.
• Gezin/relatie/opvoeding
42% 39%
Medewerker Veilg Thuis
De tevredenheid over de hulp is deze keer direct bevraagd, waarbij voor elke vorm van hulp aan de respondenten is gevraagd een totaal (school)cijfer te geven over de tevredenheid over de uitvoering, de beleving en het effect van de hulp. Dit is zowel uitgevraagd bij de volwassen deelnemers over de hulp aan henzelf, als bij de jongeren over de hulp aan henzelf.
2e lijn
51%
Leraar (juf, meester) of mentor
Tevredenheid van huishoudens met de ontvangen hulp
60%
70%
80%
94
De volwassenen zijn over het algemeen wel tevreden over de geboden hulp en ondersteuning. Ook hier krijgt de informele hulp het hoogste cijfer (7,6). Het cijfer voor de informele hulp is wel significant hoger dan alle andere cijfers voor de hulp, met uitzondering van de Juridische/Financiële hulp. De 1e lijnshulp scoort een 7,2 waarbij naarmate de hulp specialistischer wordt, het gemiddelde cijfer lager wordt, met een 6,8 voor de 2e lijnshulp en een heel krappe voldoende (5,6) voor de specialistische hulp. Net als bij de jongeren krijgt de hulp van de Jeugdbescherming als enige een onvoldoende (in dit geval gemiddeld een 5,1), en scoort daarmee significant (tussen p<.01 en p<.001) lager dan alle andere soorten hulp. Alle formele hulp tezamen scoort met een 6,8 vrijwel hetzelfde als bij de jongeren, net als alle hulp (informeel en formeel) tezamen, die hier eveneens met een 7,1 een ruime voldoende scoort. Ook aan de volwassenen is gevraag wat zij aan de hulp hebben gehad en is er gekeken wat de relatie is met hun tevredenheid. Er is een zeer hoge correlatie tussen de tevredenheid van de volwassene en wat de hulp hen heeft opgeleverd (circa ρ van 0.70 per instelling variërend van een ρ van .89 tot .61). De weergave van de tevredenheid is daarmee een goede weergave van wat de respondenten vinden dat de hulpverlening voor hen betekende.
gaat om eerste lijnszorg dan de volwassenen. De enige hulpsoort die gemiddeld een onvoldoende scoort is de Jeugdbescherming/ Jeugdreclassering, met een 4,9 scoort deze hulp een duidelijke onvoldoende in de beleving van de jongeren. Van de formele hulpsoorten scoort de hulp ten aanzien van psychiatrische problematiek (traumabehandeling, angst- en depressiebehandeling, hulp bij zelfvertrouwen) het hoogst met een 7,2. Het oordeel van de jongeren over alle hulp tezamen is met een 7,3 ruim voldoende. Daarnaast is er gevraagd wat jongeren aan de hulp hebben gehad en is er gekeken wat de relatie is met hun tevredenheid. Er is een zeer hoge correlatie tussen de tevredenheid van de jongeren en wat de hulp hen heeft opgeleverd (circa ρ van 0.80 per instelling variërend van een ρ van 1.0 tot .63, waarbij maar een keer een score onder de .70). De tevredenheid van de jongeren over de instelling weerspiegelt daarmee hun gevoel wat zij aan de hulp hebben gehad. Tabel 7.11
Het oordeel over hulp voor jongeren (N=147)
Informele hulp (hulp van vrienden en familie); 1e lijn (totaal)
Tevredenheid van jongeren over de ontvangen hulp Bij het programmeren van de vragen over de tevredenheid is gebruik gemaakt van de uitgebreide indeling naar hulpcategorieën, in deze paragraaf bespreken we echter de indeling naar hoofdcategorieën uit de vorige paragrafen beperkter dan hiervoor besproken. De resultaten laten zien dat de jongeren vooral een positief oordeel hebben over de informele hulp, deze scoort met gemiddeld een 8,3 verreweg het hoogst van alle hulpsoorten en is significant (p<.001) hoger dan alle andere hulpsoorten. Het is ook significant (p<.001) hoger dan bij de volwassenen. Wanneer we naar de hoofdcategorieën kijken zien we dat hoe specialistischer de hulp, hoe lager het gemiddelde cijfer, de 1e lijnshulp scoort een 6,9 en 2e lijnshulp gemiddeld een 6,6 en de specialistische hulp gemiddeld een 5,5, wat ternauwernood voldoende kan worden genoemd. De kinderen score significant (p<.001) lager dan als het
• Algemeen maatschappelijk werk / Jongerenwerkers Medische hulp (ziekenhuis, fysiotherapeut, huisarts, • praktijkondersteuner) Schoolmaatschappelijk werk/leraar/mentor/ • leerproblemen 2e lijn (totaal)
schoolcijfer tussen 1-10
N
8,3
96
6,9
117
6,4
66
7,0
43
7,1
87
6,6
92
• Gezin/relatie/opvoeding
6,2
73
• Psychiatrische hulp
7,2
58
• Gedragsproblematiek
6,7
22
• Hulp bij verslaving
6,0
3
Specialistisch
5,5
60
• Gespecialiseerde aanpak HG/KM
5,7
48
• Jeugdbescherming/jeugdreclassering/HALT/verblijf
4,9
29
Alle formele hulp tezamen
6,7
135
Alle informele en formele hulp tezamen
7,3
147
95
7.10. Conclusie Een belangrijke conclusie is dat in tegenstelling tot de tweede cohortstudie nu de meeste kinderen hulp krijgen. Het merendeel van de kinderen krijgt formele of informele hulp en ondersteuning. Toch krijgt nog een op de vijf kinderen geen hulp of steun aangeboden noch vanuit het sociale netwerk noch vanuit de formele instanties. Driekwart van de kinderen heeft formele hulp ontvangen, dat is aanzienlijk hoger dan in de tweede cohortstudie waar iets meer dan de helft van de kinderen formele hulp ontving. Wat betreft de steun en hulp vanuit het informele circuit zegt maar de helft van de kinderen dat zijn steun of hulp krijgen van familie of vrienden. Wat betreft het inzetten van de hulp zien we dat vooral hulp voor opvoedingsproblemen ingezet wordt. Een opvallende is de rol van het onderwijs in ruim een op de drie kinderen biedt het schoolmaatschappelijk werk of een docent hulp of ondersteuning. Een op de tien kinderen krijgt ook hulp vanuit de LVB-instellingen, dat is procentueel gezien best hoog. Tenslotte is bij ruim een op de vier kinderen de jeugdbescherming betrokken. Als we kijken of de hulp ook de juiste problematiek aanpakt dan zien we dat 39% van de kinderen met traumaklachten nu psychiatrische hulp krijgt.
Dat is meer dan in de vorige studie maar nog steeds is er een grote groep van getraumatiseerde kinderen waarvan het lijkt dat ze nog niet de juiste hulp krijgen. Positief is dat de groep jongeren met gedragsproblemen zeer veel hulp krijgen vanuit verschillende instellingen zoals, de school, het wijkteam en de psychiatrie. Mogelijk dat de betrokkenheid van de jeugdbescherming ervoor zorgt dat deze jongeren de hulp krijgen die ze nodig hebben. De volwassenen in het onderzoek krijgen vooral hulp vanuit het formele circuit aangeboden. Iets minder dan de helft zegt geen steun of hulp te krijgen vanuit het informele circuit. Mogelijk dat het onderwerp huiselijk geweld toch een te hoge drempel is voor ouders en volwassenen zonder kinderen om binnen de eigen familie of vriendenkring hulp te zoeken. Uit recent onderzoek van CBS onder ouders blijkt dat ouders voor problemen in de opvoeding niet snel
hulp vragen binnen hun sociale netwerk, eerder zoeken zij hulp bij professionals (Van Luijck, 2023). Terwijl juist het informele circuit een belangrijk rol kan vervullen. De respondenten gaan vooral naar de huisarts of praktijkondersteuner voor hulp, wat erop kan duiden dat vooral hulp gezocht wordt voor de gevolgen van het meemaken van geweld. Dat zien we ook terug in de cijfers over hulp gericht op agressietraining of sociale vaardigheden, maar een klein deel van de respondenten noemen dat zij hiervoor hulp ontvangen, terwijl je op basis van de cijfers huiselijk geweld zou verwachten dat dit meer ingezet wordt. Slecht een op de zeven volwassenen krijgt hulp vanuit de gespecialiseerde aanpak huiselijk geweld. Er is een duidelijk verschil in de hulp die volwassenen met en zonder kinderen ontvangen. Wat opvalt is dat volwassenen zonder kinderen meer psychiatrische hulp ontvangen en vaker in de gespecialiseerde aanpak huiselijk geweld hulp ontvangen. Enerzijds kan dit mogelijk komen door de ernst van het partnergeweld dat bij deze stellen speelt. Anderzijds zien we dat bij een kwart van de ouders jeugdbescherming betrokken is, wat in de praktijk veelal betekent dat er geen gespecialiseerde aanpak huiselijk geweld meer wordt ingezet. We kunnen constateren dat de hulp gerichter ingezet wordt op de problematiek die volwassenen hebben.
Bijna drie op de vijf volwassen met traumaklachten krijgen psychische of psychiatrische hulp geboden, naast andere medische hulp. Er is ook meer aandacht voor het zelf meegemaakt hebben van jeugdtrauma’s, nu krijgt 42% van de respondenten psychiatrische hulp, tegenover 27% in de tweede cohortstudie. Huishoudens die onder de armoede grens leven krijgen veelal financiële hulp. Daarentegen blijkt dat maar de helft van de gezinnen daadwerkelijk opvoedondersteuning wordt geboden terwijl vanuit systemisch perspectief er bijna altijd is iets aan de hand in de ouderkind relatie. Daarnaast is er weinig aandacht voor verslavingsproblematiek, hulp vanuit de verslavingszorg wordt zeer zelden ingezet terwijl de relatie
96
met geweldproblematiek duidelijk aanwezig is (Yu e.a., 2019; Lipskey e.a., 2005; Smith e.a., 2012). Als het gaat om meldingen bij Veilig Thuis is er bijna altijd sprake is van complexe en meervoudige problematiek. Dat betekent dat er veelal meerdere instellingen betrokken zijn. Gemiddeld zijn er op individueel niveau voor volwassenen vier verschillende instellingen betrokken, voor kinderen is dat gemiddeld drie tot vier instellingen maar voor sommige volwassenen en kinderen betreft het zelfs incidenteel 13 tot 31 verschillende instellingen. Toch is er een groep van volwassenen die geen formele hulp ontvangen die wel nog allerlei problemen hebben. Bij de huishoudens die geen formele hulp ontvangen laat de data zien dat er minder vaak sprake is van complexe meervoudige problematiek. Toch heeft driekwart van deze respondenten nog wel thuis te maken met partnergeweld. Daarnaast speelt er alcoholproblemen en allerlei problemen op het sociaal domein zoals armoedeproblematiek, werkloosheid of alleenstaand ouderschap. Een belangrijke onderzoeksvraag is of er een relatie is tussen enerzijds de geboden hulp, en anderzijds de afname van de kindermishandeling en het partnergeweld en een toename van het welzijn van zowel de kinderen als de volwassen.
We zien in de data nergens een relatie tussen de soort hulp die geboden wordt, zoals maatschappelijk of psychiatrie, en de afname van het partnergeweld en kindermishandeling. Mogelijk dat dit te maken heeft met dat we nu maar twee metingen doen. Hoewel we zien dat er soms een afnemende trend is, is er geen significant verschil tussen de groep die wel en de groep die geen hulp kreeg. In de tweede cohortstudie zagen we dat er pas een verschil zichtbaar werd op de derde meting (T2). We zien wel een duidelijk verschil tussen geen en wel hulp. Het geweld is veel hoger in de groep die hulp ontvangt dan de groep die geen hulp krijgt. In beide groepen neemt het geweld duidelijk af. Ook als het gaat om het welzijn van volwassenen zijn de problemen veel hoger in de groep die hulp ontvangt dan in de groep die geen hulp ontvangt. Uitzondering is de hechtingsproblematiek tussen ouders en kinderen die in
beide groepen hoog is. Maar er is geen sprake van een meer afname van de problematiek van de volwassen voor degenen die hulp hebben ontvangen. dat is in lijn met de resultaten uit de tweede cohortstudie. Toen vonden ook geen relatie tussen de hulp die volwassenen ontvangen en het verbeteren van hun welzijn. Mogelijk dat er methodologische oorzaken zijn in de wijze van onderzoeken die dit resultaat kunnen verklaren. De meeste volwassenen hebben namelijk meerdere vormen van hulp ontvangen terwijl wij kijken naar categorieën van samengenomen hulpsoorten. De resultaten roepen echter ook de vraag op hoe gericht de hulpverlening ingezet wordt. Met andere woorden: krijgen de volwassenen wel de juiste hulp voor de complexe problematiek die er speelt? Een uitkomst die daarop wijst, is de geringe inzet van de verslavingszorg of een instelling gericht op volwassenen met een verstandelijke beperking, terwijl dit gezien de problematiek bij deze gezinnen wel nodig lijkt te zijn. Ook op het niveau van de kinderen zien we dat er geen verschil is tussen kinderen die wel en die geen hulp hebben ontvangen, terwijl in de vorige cohortstudie deze er wel waren. We zien wel trends dat er verbetering is bij wel hulp maar geen verschil met geen hulp, maar mogelijk dat veranderingen langer de tijd nodig hebben.
Een andere mogelijkheid is dat de groep kinderen die geen hulp heeft ontvangen kleiner is en het daarom lastiger is om significante verschillen te vinden. Om toch iets dieper te kijken naar de mogelijke effecten van de hulp hebben we gekeken naar de resultaten waarin voor bepaalde problemen gerichte specifieke hulp ingezet is. Wat betreft de afname van het geweld is er gekeken naar de inzet van specialistische aanpak huiselijk geweld (bijvoorbeeld vrouwenopvang, MDA++ aanpak of specialistische hulp zoals Sterk Huis of Fier). Maar een klein deel van de volwassen (16%) die aangeeft dat er sprake is van huiselijk geweld heeft specialistische hulp huiselijk geweld heeft gekregen. Duidelijk is wel dat de hulp gericht op de groep waar sprake is van gemiddeld zeer veel incidenten huiselijk geweld, circa 130 incidenten op de eerste meting (T0) versus 78 incidenten in de groep die geen specialistische hulp heeft gekregen. Je kan constateren dat
97