CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB.24.046 Doorontwikkeling GIA

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven.51.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Inclusief gezinsleden

+/- 1400

onbekend

Verzonden uitnodiging via e-mail

701

1154

Verzonden uitnodiging op papier

55

86

Deelname via Internet

440

726

Deelname via papier

24

30

Bruto respons*

33,14%

onbekend

Netto respons

66,19%

60,97%

Totaal aantal gesprekken

2.6.

Effecten

In deze rapportage worden verschillende analyses gedaan om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Veelal zijn we daarbij op zoek naar verschillen tussen bepaalde groepen (zoals tussen huishoudens waar het geweld wel of niet gestopt is) of verbanden tussen variabelen (bijvoorbeeld of er een relatie is met het alcoholgebruik). Als we een verschil of verband vinden, wordt dit uitgedrukt in de effectgrootte. Hiermee wordt feitelijk bedoeld hoe (statistisch) belangrijk het gevonden verschil/verband gevonden wordt. Enerzijds wordt

* Percentage meegedaan van totaal aantal gesproken personen

33

2.7.

Conclusie

Bij zelfrapportage wordt soms de betrouwbaarheid van de resultaten in twijfel getrokken. Dit hebben we in dit onderzoek ondervangen door waar mogelijk gebruik te maken van gevalideerde en genormeerde vragenlijsten die (inter) nationaal getest en gebruikt worden. Daarnaast hebben we zeer conservatieve cut-off points gebruikt om vast te stellen of er sprake is van bijvoorbeeld problematische hechting of problematisch alcoholgebruik of probleemgedrag van jongeren. Het blijft natuurlijk altijd mogelijk dat respondenten sociaal wenselijke antwoorden geven, met name omdat het gaat om kindermishandeling of partnergeweld, wat door veel mensen als schaamtevol wordt ervaren. Echter, omdat wij gebruik hebben gemaakt van een aantal validiteitsschalen in de vragenlijsten, was het mogelijk om de niet-valide ingevulde vragenlijsten in de analyses buiten beschouwing te laten. Bij de analyses waarbij gegevens uit de vragenlijsten met validiteitsschalen werden gebruikt, werden de deelnemers met niet-valide ingevulde vragenlijsten niet meegenomen.

34

3

Achtergrondkenmerken onderzoekspopulatie

3.1.

Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we de onderzoekspopulatie die aan het onderzoek heeft deelgenomen. Eerst wordt beschreven hoeveel huishoudens hebben deelgenomen en wat de non-respons is van huishoudens die niet aan het onderzoek wilden deelnemen. We gaan in op de regionale spreiding van de respondenten (paragraaf 3.3), de samenstelling van de onderzoeksgroep (paragraaf 3.4), en de achtergrondkenmerken van zowel de deelnemende volwassenen (paragraaf 3.5) als kinderen (paragraaf 3.5). Bij de achtergrond is gekeken naar een aantal achtergrondvariabelen, zoals de migratieachtergrond van de respondenten, het opleidingsniveau, inkomen en arbeid. Ten slotte wordt beschreven welke onderzoeksgroep we gebruiken voor de analyses en testen we of er sprake is van een bias in de onderzoeksgroep van respondenten die aan beide meetmomenten hebben deelgenomen.

3.2.

Bereik van de respondenten in Nederland

Zoals in hoofdstuk 2 beschreven, zijn in de periode 2021-2023 in dertien Veilig Thuis regio’s op willekeurige momenten alle huishoudens benaderd, die de afgelopen drie maanden aangemeld waren bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van geweld. De bellijst bestond uit de gegevens van 9982 huishoudens; van deze gegevens bleek 4824 niet te kloppen of waren respondenten niet bereikbaar (gemiddeld 5 keer gebeld). Daarnaast bleken 455 huishoudens niet

te voldoen aan de inclusiecriteria: zo konden 4703 huishoudens die in aanmerking kwamen voor deelname aan het onderzoek, benaderd worden. Daarvan hebben uiteindelijk 1428 huishoudens deelgenomen aan het onderzoek. Dat betekent een non-respons van 70%. Redenen waarom mensen niet aan het onderzoek wilden deelnemen waren: niet geïnteresseerd (26%), te druk (19%), afmelding naar aanleiding van de brief over het onderzoek (13%), negatief ten opzichte van Veilig Thuis of hulporganisatie (9%), te veel problemen (5%) of andere redenen (23%). Een aantal ouders gaf als reden dat de vragenlijst te heftig zou zijn voor hun kinderen. Wat betreft de representativiteit van de onderzoeksgroep hebben we geen vergelijkende analyse kunnen doen tussen de respons en non-respons groepen. We hebben geen beschikking over de gegevens van de non-responsgroep van de Veilig Thuis organisaties. De landelijke cijfers van de meldingen van Veilig Thuis zijn niet te vergelijken met de gegevens van het onderhavige onderzoek, aangezien het om zelfrapportage gaat die betrekking heeft op het afgelopen jaar. De registratie van Veilig Thuis op landelijk niveau heeft betrekking op de reden van de melding zoals die door de medewerker wordt ingevuld. Daardoor is een vergelijking tussen de registratiegegevens van Veilig Thuis ten behoeve van de representativiteit van de respondentengroep niet mogelijk.

Maar een deelname van 30% van de benaderde respondenten is redelijk normaal en dit garandeert op zichzelf al een goede representatie van de huishoudens die gemeld zijn bij Veilig Thuis.

3.3.

Regionale spreiding van de respondenten

Zoals in hoofdstuk 1 is beschreven hebben we de regio’s benaderd voor medewerking aan het onderzoek die niet aan de tweede cohortstudie hebben deelgenomen. In de onderstaande kaart (zie Figuur 3.1) zijn alle Veilig Thuis regio’s weergegeven, ingekleurd naar inwoneraantal. De regio’s die meededen aan het derde cohortonderzoek zijn gearceerd. Zoals in de kaart is te zien, zijn de 35

vier grote steden niet vertegenwoordigd en betreft deze steekproef vooral de minder druk bevolkte regio’s zoals Friesland, Limburg, Zeeland en Limburg. Figuur 3.1

Kaart met deelnemende Veilig Thuis regio’s aan het onderzoek naar aantal inwoners

Inwoners 1.170.000 to 1.390.000 (2) 930.000 to 1.170.000 (2)

In de tabel 3.1 staat het aantal huishoudens en het aantal volwassenen en kinderen per regio dat heeft meegedaan. Het originele doel was om in elke regio tussen de 75 en 100 huishoudens te werven. Dit is voor bijna alle regio’s gelukt. In de meeste regio’s hebben we meer dan het maximum beoogde aantal geworven, alleen in de regio Noord Oost Gelderland hebben we iets minder dan het beoogde aantal kunnen werven (zie tabel 2). De meeste huishoudens (151) zijn geworven in de regio Zuid-Holland Zuid.

690.000 to 930.000 (6)

Tabel 3.1

450.000 to 690.000 (12) 210.000 to 450.000 (4) in steekproef

Friesland

(13)

Deelnemende huishoudens, ouders en kinderen per regio bij de eerste meting (T0)

Drenthe Noord-Holland Noord

Hollands Midden

Zuid-Holland Zuid

Zeeland

Noord- en Oost Gelderland Gelderland Midden Gelderland Zuid

West Brabant Zuidoost Brabant

NoordMidden Limburg

Zuid Limburg

Totaal kinderen vragenlijst ingevuld door ouders en kinderen

Totaal kinderen zelf de vragenlijst ingevuld

Veilig Thuis Regio

Aantal huishoudens

Regio Drenthe

105

118

151

32

Regio Friesland

122

123

164

42

Regio Gelderland-Midden

127

132

148

14

Regio Gelderland-Zuid

87

95

96

12

Regio Hollands-Midden

91

94

122

38

Regio Noord- en Midden Limburg

96

101

117

24

Regio Noord Oost Gelderland

66

66

98

20

Regio Noord-Holland Noord

113

125

157

34

Regio West-Brabant

136

147

174

42

Regio Zeeland

85

84

93

11

Regio Zuid-Holland Zuid

151

164

205

40

Regio Zuid-Limburg

135

148

145

31

Regio Zuidoost-Brabant

114

117

126

22

Total

1428

1514

1796

362

Totaal volwassenen

36

3.4.

Samenstelling van de onderzoeksgroep

In totaal hebben 1428 huishoudens deelgenomen aan het onderzoek. Deze gezinnen zijn gemeld bij Veilig Thuis op grond van vermoedens van huiselijk geweld. Aangezien het om vermoedens ging, was niet in alle huishoudens daadwerkelijk sprake van huiselijk geweld. Omdat het onderzoek zich vooral richt op de vraag of het huiselijk geweld afneemt, zijn de huishoudens waar zowel bij de eerste als bij de tweede meting volgens de ingevulde vragenlijsten geen sprake was van huiselijk geweld, niet meegenomen. Daarnaast is in een aantal huishoudens de vragenlijsten zeer onvolledig ingevuld door de betrokkenen. Ook deze respondenten zijn niet meegenomen in het onderzoek (zie Figuur 3.2).

De uiteindelijke onderzoekspopulatie bestond uit 1323 huishoudens, waarvan 1464 volwassenen deelgenomen (1376 ouders). In 141 huishoudens hebben beide partners deelgenomen. Ouders konden maximaal over twee kinderen vanaf 3 tot en met 17 jaar een vragenlijst invullen. Kinderen vanaf 8 jaar (tot en met 17 jaar) konden zelf ook een vragenlijst invullen, 350 kinderen hebben dat gedaan. Als een kind deelnam, is aan de ouders gevraagd om over dat betreffende kind de vragenlijst in te vullen. De 1376 ouders hebben een vragenlijst ingevuld over 1676 kinderen. Er is informatie over in totaal 1702 kinderen, wat betekent dat over 26 kinderen geen vragenlijst is ingevuld door ouders, maar die zelf wel hebben meegedaan. Tabel 3.2

Figuur 3.2 Deelnemende huishoudens aan de studie

Start

Niet meegenomen huishoudens

N=64

Nee

Steekproefomvang op de drie verschillende meetmomenten. Tussen haakjes staat het aantal ouders gemeld.

Huishoudens

1323

819

N=1428

Volwassenen (ouders)

1464 (1376)

858 (800)

• Vrouwen (moeders)

999 (934)

595 (551)

• Mannen (vaders)

464 (441)

263 (249)

• Anders

1 (1)

0

1702

957

• Meisjes

830

468

• Jongens

867

487

• Anders

5

2

350

181

• Meisjes

185

99

• Jongens

162

81

• Anders

3

1

Volledig? * * Huishoudens met volledige vragenlijsten

Over kinderen N=1364

N=41

Nee

T0-T1

Deelgenomen huishoudens

Onderzoeksgroep

Niet meegenomen huishoudens

T0

Met geweld? * * Huishoudens met geweld afgelopen 2 jaar Uiteindelijke Onderzoeksgroep

N=1323

Kinderen zelf

Einde

37

Aan de tweede meting (T1) hebben 819 huishoudens (62%) aan beide metingen meegedaan (zie Tabel 3.2). Van de volwassenen heeft 858 (59% van het totaal) aan beide metingen meegedaan. Van de 1702 kinderen waarover informatie bij de T0 bekend was, zijn er 957 kinderen (56%) waarvan zowel van de T0 als van de T1 informatie is. En uiteindelijk heeft 52% (181) van de deelnemende kinderen zowel aan de T0 als de T1 meegedaan. Als we kijken naar de verdeling van volwassenen met en zonder kinderen, heeft een vijfde van de volwassenen geen kinderen (zie tabel 3.3). Het merendeel van de respondenten heeft wel kinderen (79%). Hoewel aan de respondenten is gevraagd om voor maximaal twee kinderen de vragenlijst in te vullen, is er een kleine groep van 13% die de vragenlijst voor meer dan twee kinderen heeft ingevuld. Dit is alleen gebeurd wanneer ouders bij de T1 over andere kinderen de vragenlijst hebben ingevuld dan bij de T0. De vragenlijst op de T0 en de T1 afzonderlijk, stond niet toe dat er over meer dan twee kinderen vragenlijsten werden ingevuld, dit komt dan ook niet voor. Tabel 3.3

Aantal kinderen waar ouders vragenlijst over ingevuld hebben

Aantal kinderen van 3 t/m 18 jaar (%)

Volwassenen Vrouwen (N=595) (N=858)

Mannen (N=263)

Geen kinderen

20,9%

23,0%

16,0%

1 kind van 3 t/ 18 jaar

31,0%

29,9%

33,5%

2 kinderen van 3 t/ 18 jaar

34,7%

34,3%

35,7%

3 kinderen van 3 t/ 18 jaar

9,9%

9,1%

11,8%

>4 kinderen van 3 t/ 18 jaar

3,4%

3,7%

3,1%

>4 kinderen van 3 t/ 18 jaar

3,4%

3,7%

3,1%

Omdat aan ouders gevraagd is om vragenlijsten in te vullen voor twee kinderen kan er sprake zijn van een interafhankelijkheid van de data per gezin. Deze afhankelijkheid is meerder malen getoetst met verschillende resultaten. Voor

de gehelde dataset zien we een afhankelijkheid maar als we voor bepaalde uitkomstvariabelen of subgroepen kijken is er veelal geen afhankelijkheid. Besloten is om alle kinderen mee te nemen in de analyses omdat het niet mogelijk is om voor elke aparte analyse de afhankelijkheid te toetsen of gebruik te maken van verschillende subgroepen (bv. wanneer gekeken wordt naar sekseverschillen). Aangezien er veel wisselingen zijn in de tijd wat betreft de partners van de respondenten, is gevraagd over wie zij de vragenlijst hebben ingevuld. De vragenlijst is op T0 door het merendeel van de respondenten die aan beide metingen mee heeft gedaan, ingevuld over hun ex-partner. In slechts een derde van de gevallen betrof het hun huidige partner (zie tabel 3.4). Tabel 3.4

Vragenlijst ingevuld over huidige partner of ex-partner

Vragenlijst ingevuld over (%)

Volwassenen Vrouwen (N=562) (N=812)

Mannen (N=250)

Huidige partner

37,8%

37,0%

39,6%

Ex-partner

62,2%

63,0%

60,4%

3.5.

Achtergrondkenmerken van de deelnemende volwassenen en ouders

In deze paragraaf gaan we in op de achtergrondkenmerken van de volwassen respondenten, namelijk geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, migratieachtergrond, armoede, werkloosheid en religie. Wat betreft de achtergrondkenmerken van de volwassenen en ouders laat de onderzoeksgroep enerzijds op een aantal kenmerken, zoals leeftijd, migratieachtergrond of opleiding, een heel representatief beeld van de Nederlandse bevolking zien (zie tabel 3.5). Anderzijds wordt duidelijk een selectieve groep gemeld bij Veilig Thuis, vooral

38

als het gaat om armoede en werkloosheid, die veel hoger liggen bij de onderzoeksgroep dan in de algemene Nederlandse bevolking. Zoals eerder al vermeld hebben meer vrouwen dan mannen deelgenomen aan het onderzoek. 31% van de respondenten is een man. Hierin is geen verschil tussen gezinnen of huishoudens zonder kinderen. Het aantal mannen dat deelgenomen heeft ligt daarmee ongeveer gelijk aan het percentage mannelijke deelnemers dat aan de tweede cohortstudie deelnam (29%) en is een veel beter resultaat ten opzichte van de eerste cohortstudie in 2009-2012 (9%). De leeftijd bij de T0 meting van de ouders ligt grotendeels tussen de 35 en 55 jaar, waarbij de vrouwen gemiddeld iets jonger zijn (39 jaar) dan de mannen (45 jaar). De leeftijd ligt gemiddeld iets hoger dan in de 2e cohortstudie (vrouwen: 33 jaar, mannen: 38 jaar). Aangezien nu ook respondenten zonder kinderen meegenomen worden, is dit een te verwachten verschil, omdat hierdoor ook meer ‘oudere’ stellen met partnergeweld kunnen zijn geïncludeerd. In de tweede cohortstudie hadden alle respondenten minimaal een kind in de leeftijdscategorie 3 tot 18 jaar, waardoor de leeftijd van de ouders vooral de leeftijd tussen de 35 en 55 jaar betrof. Het opleidingsniveau van de ouders is vergelijkbaar met het opleidingsniveau van de algemene Nederlandse bevolking (CBS, 2021).

Een klein deel van de respondentengroep heeft alleen lager onderwijs (6%), 18% van de respondenten heeft de mavo/lbo afgerond, 45% heeft havo/vwo/mbo opleiding afgerond en 26% hbo of een universitaire studie afgerond. De verdeling naar migratieachtergrond laat eveneens een zeer representatief beeld zien van de algemene Nederlandse bevolking. Doordat er geen grote steden in het onderzoek zitten, is het totale percentage respondenten met een migratieachtergrond in het onderzoek (20%) iets lager dan gemiddeld in de Nederlandse bevolking (26% in 2020, CBS). In bijna een derde van de gezinnen (32%) is sprake van armoede. Deze gezinnen hebben een inkomen van minder dan €1.500 netto per maand. Dat is een hoog percentage vergeleken met de algemene Nederlandse bevolking, waar één op de zeven gezinnen (14%) onder de armoedegrens leeft. De groep die het

iets beter heeft (inkomen tussen € 1.500 en € 3.100 netto per maand) betreft 46% van de deelnemers aan het onderzoek, tegenover 10% van de gezinnen met kinderen in de algemene Nederlandse bevolking (CBS, 2020). De groep met het hoogste inkomen (meer dan € 3.100 netto per maand) betreft in de bevolking bijna 75% en in de onderzoekspopulatie slechts 22%. Deze cijfers geven aan dat we in de onderzoekspopulatie te maken hebben met een arme populatie in vergelijking met de algemene Nederlandse bevolking. Nieuw in deze derde cohortstudie is dat gevraagd is of er ook sprake is van schuldenproblematiek. We zien dat een kwart van de volwassen respondenten (25%) aangeven dat zij schulden hebben. Van deze groep heeft een meerderheid een schuldenregeling (78%). Ook ten aanzien van werkloosheid (uitgedrukt als het omgekeerde van de in de tabel genoemde netto arbeidsparticipatie4 , ‘Betaald werk voor meer dan 12 uur per week’) zien we een andere verhouding in de onderzoekspopulatie vergeleken met de Nederlandse bevolking. Ook hier blijkt dat de ‘werkloosheid’ onder de volwassen deelnemers veel hoger is dan in de Nederlandse bevolking, in de onderzoekspopulatie ligt deze op 36%, onder de Nederlandse bevolking is deze werkloosheid 27,8% (CBS, 2020). In de huidige cohortstudie is ook gevraagd naar de religieuze achtergrond. De meeste volwassenen zijn niet gelovig (57%).

Van de respondenten die zeggen wel religieus te zijn, noemt het merendeel het christelijke geloof (28%) en 4% van de respondenten noemen de islam als geloof.

4 Het aandeel van de werkzame bevolking (voor meer dan 12 uur per week) in de totale bevolking (zowel beroepsbevolking als niet-beroepsbevolking) tussen 15 en 75 jaar. Aangezien we in de onderzoekspopulatie niet kunnen onderscheiden naar beroeps- en niet-beroepsbevolking heeft de werkloosheid hier een andere betekenis dan de formele definitie van het CBS, die alleen kijkt naar het niet-werkzame deel van de beroepsbevolking. Wij kijken naar het niet-werkzame deel van de totale bevolking, uitgedrukt als percentage is dat het omgekeerde percentage van de netto participatiegraad, voor Nederland in 2020 dus 27,8%.

39

Tabel 3.5

Volwassenen Vrouwen N=857 N=594

Achtergrondkenmerken van de deelnemende volwassenen en gezinnen, die aan beide metingen hebben meegedaan Volwassenen Vrouwen N=857 N=594

Mannen N=263

Ouders N=800

2e cohort CBS5

Leeftijd < 25 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55 jaar en ouder

4,1% 24,0% 39,4% 25,1% 7,2%

5,6% 27,6% 39,9% 23,1% 3,9%

1,1% 16,0% 38,4% 29,7% 14,8%

2,5% 22,7% 41,2% 26,5% 7,0%

2,8% 29,1% 42,7% 22,4% 3,0%

0,6% 15,0% 31,5% 33,9% 19,0%

Migratieachtergrond Nederlands Antilliaans Marokkaans Surinaams Turks Indonesisch Duits Belgisch overig

79,9% 2,3% 1,5% 1,8% 1,3% 1,9% 1,5% 2,1% 7,7%

78,2% 2,7% 1,9% 1,9% 1,4% 2,0% 2,0% 2,2% 7,8%

83,7% 1,5% 0,8% 1,5% 1,1% 1,5% 0,4% 1,9% 7,6%

79,9% 2,4% 1,5% 1,6% 1,1% 1,9% 1,4% 2,3% 7,9%

70,2% 4,1% 3,8% 5,9% 1% 3,2% 11,9%

73,1% 1,1% 2,4% 2,4% 2,7% 2,3% 1,7% 0,7% 13,6%

6,1% 17,9% 44,8% 25,6% 5,6%

6,4% 17,5% 45,2% 24,4% 6,6%

5,3% 19,0% 43,7% 28,5% 3,4%

6,3% 18,3% 43,5% 26,3% 5,8%

7,7% 20,7% 42,0% 24,6% 4,9%

8,5% 19,5% 36,4% 34,9% 0,7%

32,1% 45,7% 22,3%

39,7% 41,7% 18,7%

14,8% 54,8% 30,4%

30,9% 46,0% 23,1%

45,3% 42,8% 11,8%

20,0% 30,0% 50,0%

25,3% 78,3% 21,7%

24,5% 82,2% 17,8%

27,0% 70,4% 29,6%

25,4% 78,8% 21,2%

Opleiding Lager onderwijs VMBO HAVO/VWO/MBO HBO/WO Anders Netto maandinkomen < €1.500 €1.500 - €3.100 > € 3.100 Schulden Met een regeling Zonder een regeling

-

Mannen N=263

Ouders N=800

2e cohort CBS5

Betaald werk > 12 uur betaald werk

64,0%

59,0%

75,3%

63,7%

52,5%

72,2%

Gezinssamenstelling Samenwonend Alleen wonend

46,1% 53,9%

44,2% 55,8%

50,4% 49,6%

47,0% 53,0%

41,5% 58,5%

56,9% 43,1%

Religie Christendom Islam Hindoeïsme Boeddhisme Anders Geen

28,3% 4,1% 0,7% 0,1% 9,9% 56,9%

26,4% 4,9% 0,7% 0,2% 9,8% 58,1%

32,7% 2,3% 0,8% 0,0% 10,0% 54,2%

28,6% 4,2% 0,6% 0,1% 10,1% 56,4%

31% 6% 6% 57%

Aangezien in hoofdstuk 4 gekeken wordt of er een verschil is tussen de tweede en derde cohortstudie wat de afname van het geweld, is er gekeken of er verschillen zijn in de onderzoekspopulatie waar we rekening mee moeten houden bij de interpretatie van de resultaten. Hierbij is alleen gekeken naar de gezinnen. De populatie van de derde cohortstudie is zeer vergelijkbaar met de tweede cohortstudie. Toch zijn er wel verschillen tussen de derde en tweede cohortstudie: er zijn minder respondenten met een migratieachtergrond (20% versus 30%), minder armoede (31% versus 45%) en minder werkloosheid (36% versus 59%) in vergelijking met de steekproef van het tweede cohortstudie. Mogelijk dat deze verschillen te maken hebben dat alle grote steden in de tweede cohortstudie zitten. Ondanks dat er minder respondenten met een migratieachtergrond in dit onderzoek zitten in vergelijking met de vorige cohortstudie, is dit aantal nog altijd vergelijkbaar met de algemene Nederlandse bevolking. Bovendien is de armoedeproblematiek en het aantal mensen met een betaalde baan – net als in de tweede cohortstudie – nog altijd veel hoger dan in de algemene Nederlandse bevolking.

5 Uitgangspunt bij de CBS gegevens waren volwassenen tot 70 jaar in huishoudens met kinderen, omdat dat ook verreweg de grootste groep in onderzoekspopulatie is.

40

3.6.

Achtergrondkenmerken deelnemende kinderen

In het onderzoek zijn bij de eerste meting de gegevens van 957 kinderen verzameld, waarbij 181 kinderen zelf de vragenlijst hebben ingevuld. De verdeling naar sekse van de kinderen laat zien dat deze gelijk verdeeld is: 49% is meisje en 51% jongen (zie Tabel 3.6). De meeste kinderen zijn jonger dan 12 jaar (68%). Bij de vragenlijsten die door de kinderen zelf zijn ingevuld is de helft tussen de 8 en 12 jaar en de helft ouder dan 12 jaar. Wat betreft de migratieachtergrond van de kinderen is het percentage heel vergelijkbaar met die van de ouders (19%). Ook hier geldt dat het percentage iets lager is dan het landelijke gemiddelde doordat er geen grote steden in deze steekproef zitten en minder regio’s uit de randstad. Tabel 3.6

ruim een kwart volgt Havo of VWO (29%). Een klein aantal van de kinderen zit al op vervolgonderwijs (4%). Tabel 3.7

Onderwijsniveau deelnemende kinderen (vanaf 4 jaar)

Onderwijsniveau

Kinderen (N=910)

Primair onderwijs

54,0%

Middelbare school

30,7%

Praktijkonderwijs

3,6%

Achtergrondkenmerken kinderen bij de eerste meting

Vmbo

59,5%

Havo

18,4%

Vwo

10,5%

Anders

7,9%

Speciaal onderwijs

9,6%

181

Mbo

3,5%

48,6%

54,7%

Hbo/universiteit

0,2%

67,7%

68,7%

47,5%

Niet naar school

2,0%

13 – 17 jaar

32,3%

31,3%

52,5%

Migratieachtergrond

18,9%

19,0%

17,7%

Ouder ingevuld Zelf ingevuld

Kinderen

Totaal6

Aantal

957

923

Percentage meisjes

48,9%

T/m 12 jaar

Wat betreft het onderwijs zitten de meeste kinderen op de basisschool (54%), een klein deel van de kinderen zit op het speciaal onderwijs (10%). Van de kinderen die naar de middelbare school gaan (31%) zit een ruime meerderheid op het VMBO, een zeer klein percentage volgt praktijkonderwijs (4%) en de

6 Het totaal is lager dan over hoeveel kinderen ouders hebben ingevuld en hoeveel kinderen zelf hebben meegedaan, opgeteld, omdat over 147 kinderen zowel de ouders vragenlijsten hebben ingevuld als kinderen zelf de vragenlijsten hebben ingevuld.

3.7.

Samenstelling onderzoekspopulatie op T0 en de respondenten die aan beide metingen hebben deelgenomen

Aangezien we in de analyses alleen de groep respondenten meenemen die aan beide metingen hebben deelgenomen, is nagegaan of deze groep verschilt van de groep die alleen aan de eerste meting heeft deelgenomen. Wat betreft het geweld dat er in de huishoudens speelt bij de eerste meting is er geen verschil tussen de specifieke groep (N=857) die aan de twee metingen heeft deelgenomen en de totale groep van respondenten (N=1464) die alleen meegedaan hebben met de eerste meting. Er is geen significant verschil tussen beide groepen als het gaat om de leeftijd van de volwassenen, de migratieachtergrond

41

en het opleidingsniveau van de volwassenen en het inkomen van het huishouden, of het aantal volwassenen dat een jeugdtrauma heeft meegemaakt (zie tabel 3.7). We kunnen concluderen dat de groep die aan beide metingen deelnemen niet significant afwijkt van de groep die alleen aan de eerste meting deel heeft genomen, en dat de uiteindelijke onderzoeksgroep representatief is in vergelijking met de T0-populatie. Tabel 3.8

Achtergrondgegevens van de gehele dataset op T0 en de dataset voor T0-T1. Totale T0 N=1464

T0 en T1 N=857

Significantie

Percentage vrouwen

68,4%

69,5%

-

Leeftijd < 25 jaar 25-35 jaar 35-45 jaar 45-55 jaar 55 jaar en ouder

4,2% 24,3% 39,4% 25,2% 7,0%

4,2% 24,0% 39,4% 25,1% 7,2%

-

Migratieachtergrond Nederlands Antilliaans Marokkaans Surinaams Turks Indonesisch Duits Belgisch overig

79,8% 1,9% 2,1% 1,4% 1,4% 2,3% 1,4% 1,9% 7,7%

79,9% 2,3% 1,5% 1,8% 1,3% 1,9% 1,5% 2,1% 7,7%

-

-

Opleiding Lager onderwijs MAVO/LBO HAVO/VWO/MBO HBO/WO Anders

7,2% 17,7% 45,2% 23,5% 6,4%

6,1% 17,9% 44,8% 25,6% 5,6%

-

Totale T0 N=1464

T0 en T1 N=857

Significantie

Netto maandelijks inkomen < €1.500 €1.500 - €3.100 > € 3.100

31,5% 46,7% 21,8%

32,1% 45,7% 22,3%

-

Schulden

25,0%

25,3%

-

Betaald werk > 12 uur betaald werk

64,3%

64,0%

-

Gezinssamenstelling Samenwonend Alleen wonend Ooit gescheiden

47,5% 52,5% 57,1%

46,1% 53,9% 58,9%

-

Religie Christendom Islam Hindoeïsme Boeddhisme Anders Geen

29,2% 5,1% 0,4% 0,2% 8,1% 57,0%

28,3% 4,1% 0,7% 0,1% 9,9% 56,9%

-

ACE studie (vier of meer ACES

26,9%

27,4%

-

Geweldsincidenten per type Licht geweld door (ex)partner Licht geweld door zelf Ernstig geweld door (ex)partner Ernstig geweld door zelf Dwingende controle (ex)partner Dwingende controle zelf Stalking (ex)partner Stalking zelf Fysieke kindermishandeling Psychische kindermishandeling Verwaarlozing

35 14 20 3 9 2 18 4 1 5 2

36 15 21 3 9 2 19 4 1 6 2

-

42

Ten slotte hebben we ook gekeken naar de mate van het geweld. Het percentage huishoudens dat aangeeft of er wel of geen geweld speelde op de T0, hebben we uitgesplitst voor degenen die alleen aan de T0 hebben deelgenomen en de respondenten die aan beide metingen hebben deelgenomen. Als we kijken naar het percentage huishoudens waar geweld speelde ten tijde van de eerste meting, zien we geen significante verschillen (zie Figuur 3.3). Wat betreft het geweld dat er speelde, is het databestand dat we gebruiken voor de analyses in deel 2 (namelijk alleen de huishoudens die zowel aan de eerste als tweede meting deel hebben genomen), zeer vergelijkbaar met het databestand van de huishoudens die alleen aan de eerste meting hebben deelgenomen. Figuur 3.3 Vergelijking geweld in huishoudens die alleen T0 hebben meegedaan en huishoudens die zowel To als T1 hebben meegedaan 90%

84,2%85,1%

80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

3.8.

6,4% 5,6% geen geweld

9,4% 9,3% matig geweld

meer en/of ernstig geweld

T0

T0-T1

3.9.

Conclusie

Als het gaat om een regionale spreiding, betekent de deelname van de 13 Veilig Thuis regio’s dat er sprake is van een goede gestratificeerde steekproef van huishoudens die gemeld zijn bij Veilig Thuis. De spreiding van de respondenten in het onderzoek over de dertien Veilig Thuis regio’s is goed. Daarnaast blijkt uit de achtergrondgegevens van de volwassenen die deelgenomen hebben aan het onderzoek dat er sprake is van een specifieke groep die gemeld wordt bij Veilig Thuis als het gaat om bepaalde achtergrondgegevens. Op een aantal punten vormen de volwassenen een goede weerspiegeling van de Nederlandse bevolking, zoals het opleidingsniveau en de migratieachtergrond. Bijzonder is dat het gelukt is om voldoende deelnemers met een migratieachtergrond in het onderzoek te betrekken, aangezien dat met dit type (schriftelijk vragenlijst-)onderzoek vaak een probleem lijkt te zijn. Hoewel de vier grote steden niet in deze steekproef zitten is er toch een goede vertegenwoordiging van het aantal respondenten met een migratieachtergrond, ook als is het percentage van 20% lager dan in de vorige cohortstudie (30%), maar wel vergelijkbaar met het aantal migranten in de Nederlandse samenleving. Bij andere achtergrondgegevens is er een duidelijke scheve verdeling ten opzichte van de algemene Nederlandse bevolking.

Ten eerste nemen meer vrouwen deel dan mannen, maar desondanks is er toch een aanzienlijke groep van mannen (31%) die aan het onderzoek hebben deelgenomen. De volwassenen in het onderzoek leven beduidend vaker in armoede en er is veel vaker sprake van werkloosheid. Daarnaast is er veelal sprake van eenoudergezinnen, waarbij de kinderen meestal bij de moeder wonen. Wat betreft de representativiteit van de onderzoeksgroep ten opzichte van de non-responsgroep is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen beide groepen. Uiteindelijk heeft 30% van de benaderde respondenten aan het onderzoek deelgenomen, wat een redelijke response is in dit soort onderzoek.

43

4 4.1.

Afname van partnergeweld en kindermishandeling Inleiding

Een belangrijke onderzoeksvraag is of de kindermishandeling en het partnergewelddaadwerkelijk zijn gestopt of verminderd. In dit hoofdstuk kijken we of kindermishandeling en partnergeweld in het jaar na de melding bij Veilig Thuis wel of niet zijn afgenomen. Omdat we vooral willen weten welke veranderingen er in de tijd zijn, nemen we in dit hoofdstuk alleen die huishoudens mee die aan alle twee de meetmomenten hebben deelgenomen. Nieuw aan de derde cohortstudie is dat we niet alleen kijken naar meldingen bij Veilig Thuis van partnergeweld waar kinderen bij betrokken zijn, maar ook naar meldingen van partnergeweld waar geen kinderen bij betrokken zijn. Dan gaat het om relaties waarbij beide partners geen kinderen hebben. Daarnaast is wat betreft partnergeweld ook gekeken naar controlerend gedrag en stalking in deze studie. Tot slot is nieuw aan deze cohortstudie dat we kijken naar oudermishandeling, dat wil zeggen het geweld van kinderen naar ouders. In dit hoofdstuk is gebruik gemaakt van repeated measures (M)ANOVA’s. Eerst gaan we in op het totale geweld dat volwassenen en kinderen meemaken. Daarna bespreken we apart voor het partnergeweld en kindermishandeling hoe het geweld eruit zag in het jaar voorafgaand aan de melding bij Veilig Thuis en of deze afgenomen of toegenomen is op het tweede meetmoment, een jaar na melding.

De resultaten van oudermishandeling worden in een aparte paragraaf besproken (4. Verder gaan we nog in op andere vormen van geweld,

de overlap tussen verschillende vormen van geweld, de intergenerationele overdracht van geweld en dating geweld

4.2.

Is er sprake van een afname van het totaal aan geweld in de huishoudens?

In deze paragraaf kijken we naar het percentage huishoudens waar een jaar na melding het geweld gestopt is, waar er nog sprake is van matig en incidenteel huiselijk geweld, en waar er sprake is van ernstig of veelvuldige incidenten van huiselijk geweld. Hierin worden alle vormen van partnergeweld en kindermishandeling meegenomen (zie voor de definitie van geen, mild en ernstig huiselijk geweld paragraaf 2.2.1 totaal geweld). We maken in de analyses onderscheidt tussen: alle huishoudenpartners zonder kinderen; gezinnen (voor een vergelijking met de tweede cohortstudie). Huishoudens Kijken we naar alle huishoudens (figuur 4.1) dan neemt het percentage huishoudens dat te maken heeft met ernstig of veelvuldig geweld significant af van 85% op de eerste meting (T0) naar 64% op de tweede meting (T1). Het aantal huishoudens waar het geweld daadwerkelijk is gestopt stijgt significant van 5,7% bij de eerste meting naar 21,1% op de tweede meting. Het aantal huishoudens waar sprake is van milde of matige vormen van huiselijk geweld is gestegen van 9,4% op de eerste meting naar 14,5% op de tweede meting.

44

Figuur 4.1

Prevalentie cijfers voor huishoudens waar geen geweld, mild geweld of ernstig geweld plaatsvindt (inclusief nieuwe items)

Huishoudens 90%

84,8%

80%

***

70%

64,4%

Vergelijking tweede en derde cohort Om te bepalen of de afname van het totale geweld verschilt tussen de tweede en derde cohortstudie is er alleen gekeken naar gezinnen. Ook is controlerend gedrag hier niet meegenomen in het totale geweld. We zien geen verschil tussen de twee cohorten (zie figuur 4.3).

60% 50% 40%

***

30%

21,1%

***

20% 10% 0%

afneemt van 91,2% bij de eerste meting naar 59,6% bij de tweede meting. Het percentage partners waar het geweld helemaal gestopt is stijgt significant van 1,8% naar 33%. Het percentage partners waar sprake is van mild partnergeweld blijft gelijk.

5,7%

geen geweld

9,4%

14,5%

matig geweld

meer en/of ernstig geweld

T0

T1

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

Figuur 4.2 Prevalentiecijfers voor partners zonder kinderen waar geen geweld, mild geweld of ernstig geweld plaatsvindt (inclusief nieuwe items). Partners zonder kinderen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% *** 33,3% 30% 20% 7,0% 7,0% 10% 1,8% 0% geen geweld matig geweld

Figuur 4.3 Prevalentie cijfers voor gezinnen waar geen geweld, mild geweld of ernstig geweld plaatsvindt in de derde en tweede cohortstudie (zoals gedefinieerd in de tweede cohortstudie) Gezinnen 90%

83,3%

81,8%

80% 91,2%

70%

***

***

64,5%

62,8%

60% 50%

*** 59,6%

40% 30%

***

10%

***

20,6% *** 16,6%

20% 6,2%

10,6%

12,1%

19,1% ** 16,3%

6,1%

0%

meer en/of ernstig geweld

T0

T1

T0

T1 3e cohort

T0

geen geweld matig geweld meer en/of ernstig geweld

T1 2e cohort

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

Partners zonder kinderen Wat betreft partners zonder kinderen (figuur 4.2) zien we dat het percentage partners dat ernstig en veelvuldig partnergeweld meemaakt significant

Bij de derde cohortstudie zijn er twee meetmomenten, bij de tweede cohortstudie was er nog een derde meetmoment 1,5 jaar na de melding bij Veilig Thuis. Uit de tweede cohortstudie weten we dat de daling zich in de tijd doorzet en dat op het derde meetmoment het aantal gezinnen waar het geweld gestopt

45

was op 29% lag. Maar een jaar na dato is dat in de tweede cohortstudie 19,1% en voor de derde cohortstudie 20,6%. Er is in de derde cohortstudie significant meer afname van frequent of ernstig geweld dan in de tweede cohortstudie, namelijk 21% versus 17%, waarbij sprake is van een zeer klein tot klein effect (Cohen’s d=.08; p <.05).

4.3.

Partnergeweld

In deze paragraaf kijken we alleen naar partnergeweld. Daarbij worden eerst de resultaten beschreven wat betreft de aard en omvang van slachtofferschap en daderschap van partnergeweld op de eerste meting en of de verschillende vormen van partnergeweld zijn afgenomen bij de tweede meting (4.3.1). Daarna kijken we naar hoe structureel het partnergeweld is dat volwassenen meemaken (4.3.2) en de ernst van het geweld (4.3.3). Tot slot gaan we in op de vraag of het geweld gepleegd wordt door een huidige of ex-partner en wat dat betekent voor de af- of toename van het geweld (4.3.4). We maken in de analyses onderscheidt tussen: alle huishouden; partners zonder kinderen; en ouders (voor een vergelijking met de tweede cohortstudie). 4.3.1.

Afname van verschillende vormen van partnergeweld

In deze paragraaf wordt voor de verschillende vormen van partnergeweld gekeken of een afname te zien is in het partnergeweld tussen de twee metingen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen daderschap en slachtofferschap. Aangezien we weten dat er verschil zit tussen mannen en vrouwen wat betreft dader en slachtofferschap hebben we altijd apart gekeken naar mannen en vrouwen.

onderzoek (zie tabel 4.1). Een belangrijk resultaat, vergelijkbaar met eerder onderzoek, is dat het percentage vrouwen dat zegt slachtoffer te zijn van ernstige vormen van geweld (verwondingen, seksueel geweld en stalking) veel hoger ligt dan het percentage mannen die hier slachtoffer van is. Daarnaast zien we dat het aantal vrouwen dat aangeeft slachtoffer te zijn van partnergeweld significant afneemt wat betreft alle vormen van partnergeweld. Het aantal mannen dat aangeeft slachtoffer te zijn van partnergeweld neemt alleen significant af voor psychisch en fysiek geweld, verwondingen en controlerend gedrag, maar er is geen verschil in aan het aantal mannen dat aanheeft slachtoffer te zijn van seksueel geweld of stalking tussen de twee metingen. Als we kijken naar daderschap zien we minder verschillen tussen de rapportage van mannen en vrouwen. Het lijkt erop dat veelal sprake is van wederzijds psychisch geweld. Hoewel de cijfers lager zijn dan voor slachtofferschap van psychisch geweld vanuit de (ex-)partner, zien we wel dat een ruime meerderheid van zowel de mannen als vrouwen aangeeft zelf ook psychisch geweld te hebben gepleegd. Daarnaast is het percentage mannen 31% en vrouwen (30%) dat fysiek gewelddadig is geweest in het afgelopen jaar gelijk.

Voor zowel psychisch geweld, fysiek geweld en verwondingen zien we een significante afname van het percentage plegers, zowel bij mannen als vrouwen. Daarnaast zegt een zeer klein percentage (4%) van mannen en vrouwen dat zij hun partner seksueel misbruiken, maar dat percentage blijft gelijk bij de tweede meting . Opvallend is dat iets meer vrouwen dan mannen zeggen dat zij pleger zijn als het gaat om controlerend gedrag (24% versus 17%) en stalking van hun ex-partner (26% versus 20%).

Huishoudens Eerst is gekeken op het niveau van huishoudens, dus naar alle vrouwen en mannen die gemeld zijn bij Veilig Thuis en hebben deelgenomen aan het

46

Tabel 4.1

Prevalentiecijfers mannen en vrouwen partnergeweld (totale populatie volwassenen)

T1

T0

Vrouwen N=44

Mannen N=14 T1

T0

T1

T0

T1

Slachtoffer van partnergeweld

Slachtoffer van partnergeweld

1

Prevalentiecijfers mannen en vrouwen zonder kinderen die te maken hebben met partnergeweld

Vrouwen N=602

Mannen N=270 T0

Tabel 4.2

Psychisch geweld

93%

50%*

95%

78%*

Psychisch geweld

79%

68%**

84%

66%***

Fysiek geweld

79%

33%**

86%

51%***

Fysiek geweld

42%

23%***

51%

28%***

Verwondingen

57%

25%*

64%

34%***

Verwondingen

17%

9%**

33%

18%***

Seksueel geweld

21%

8%

32%

27%

Seksueel geweld

8%

6%

23%

14%***

Controlerend gedrag

64%

14%**

66%

50%

a

a

96%

59%** 73%**

Controlerend gedrag

35%

23%***

42%

31%***

Stalking1

40%

36%

66%

47%***

Stalking1 Pleger zelf geweld tegen (ex) partner Psychisch geweld

93%

50%*

93%

Pleger zelf geweld tegen (ex) partner

Fysiek geweld

86%

25%**

48%

41%

Psychisch geweld

69%

54%***

75%

56%***

Verwondingen

57%

25%

32%

24%

Fysiek geweld

31%

17%***

30%

19%***

Seksueel geweld

21%

0%

7%

10%

Controlerend gedrag

29%

7%

45%

39%

a

a

36%

31%

Verwondingen

19%

7%***

15%

8%***

Seksueel geweld

4%

2%

3%

3%

Controlerend gedrag

17%

13%

24%

18%**

Stalking1

20%

13%*

26%

19%

alleen bij ex-partners; ***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde) N=356 voor vrouwen en N= 155 voor mannen die zeggen dat er sprake is van ex-partners.

Partners zonder kinderen Er is apart gekeken voor mannen en vrouwen zonder kinderen (N=58) die gemeld zijn bij Veilig Thuis (zie tabel 4.2). Een belangrijke bevinding is dat de prevalentiecijfers van alle vormen van partnergeweld voor deze groep mannen en vrouwen veel hoger is dan voor de groep ouders, zowel voor slachtofferschap als plegerschap (zie tabel 4.3).

Stalking1

1 alleen bij ex-partners; a te weinig mannen voor analyses; ***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde); N=28 voor vrouwen en N=8

Verder zien we dat zowel bijna alle vrouwen (95%) als mannen (93%) aangeven dat zij slachtoffer zijn van psychisch geweld, maar ook bijna alle vrouwen en mannen geven aan pleger te zijn van psychisch geweld. Een ruime meerderheid van zowel mannen als vrouwen geeft aan slachtoffers te zijn van fysieke mishandeling of hebben verwondingen opgelopen als gevolg van het partnergeweld. Wat betreft het plegen van fysiek geweld en het toebrengen van letsel zien we dat het percentage mannen die dit doet hoger is dan het percentage vrouwen. Als we kijken in de tijd voor deze vormen van geweld (psychisch, fysiek, verwondingen) blijkt dat zowel het percentage mannen als vrouwen afneemt, maar dat het percentage vrouwen dat aangeeft slachtoffer te zijn bij de tweede meting hoger ligt dan het percentage mannen dat slachtoffer is.

47

Voor seksueel geweld zien we geen afname voor zowel mannen als vrouwen. Daarnaast geeft zo’n twee derde van zowel de mannen als vrouwen aan dat sprake is van controlerend gedrag door hun (ex-)partner. Bij de tweede meting is het percentage mannelijke slachtoffers van controlerend gedrag significant afgenomen, bij vrouwelijke slachtoffers zien we geen significant verschil. Kijken we naar daderschap, dan is het percentage vrouwen dat controlerend gedrag rapporteert hoger dan het percentage mannen. Voor beide zien we geen afname van het percentage mannen en vrouwen dat controlerend gedrag rapporteert bij de tweede meting. Tot slot geven bijna alle vrouwen (97%) aan slachtoffer te zijn van stalking door hun ex-partner. Dit aantal neemt significante af bij de tweede meting. Voor mannen kon vanwege het kleine aantal respondenten geen analyses gedaan worden. Ouders Om een vergelijking tussen beide cohortstudies te maken includeren we alleen de gezinnen, omdat dit een inclusiecriterium was voor de tweede cohortstudie. Daarnaast is in de tweede cohortstudie alleen naar psychisch, fysiek en seksueel geweld en verwondingen gekeken.

Kijken we naar de mannen, dan zien we wat betreft slachtofferschap van partnergeweld voor zowel de tweede als derde cohortstudie dat er sprake is van een significante afname van het percentage mannen dat zegt slachtoffers te zijn van fysiek en psychisch geweld door hun (ex-)partner. Voor psychisch geweld is de afname in tijd voor de derde cohortstudie iets lager (p<.05) dan voor de tweede cohortstudie (p<.001). Daarentegen neemt het percentage mannen dat te maken heeft met letsel als gevolg van partnergeweld bij de derde cohortstudie significant af, terwijl in de tweede cohortstudie het verschil tussen de metingen niet significant was. Voor seksueel geweld zien we in beide cohortstudies geen verschil tussen de metingen. Voor vrouwen is er in beide cohortstudies een duidelijk afname van partnergeweld voor psychisch, fysiek geweld, letsel en seksueel geweld Ook is geen verschil als het gaat om plegerschap bij vrouwen tussen de twee cohortstudies,

in beide studies neemt fysiek, psychisch geweld en letsel significant af en is er geen verschil tussen de metingen voor seksueel geweld. Tabel 4.3

Vergelijking tweede en derde cohortstudie wat betreft de prevalentiecijfers voor partnergeweld in de gezinnen tijdens de T0 en T1. Derde cohortstudie

Tweede cohortstudie

Mannen N=256

Mannen N=162

T0

T1

T0

T1

Psychisch geweld

79%

69%*

77%

59%***

Fysiek geweld

40%

22%***

31%

14%***

Verwondingen

15%

8%**

12%

7%

Seksueel geweld

8%

5%

7%

3%

Psychisch geweld

68%

54%***

67%

50%***

Fysiek geweld

28%

17%***

23%

8%***

Verwondingen

17%

6%***

13%

5%**

Seksueel geweld

3%

2%

4%

1%

Slachtoffer van partnergeweld

Dader zelf geweld tegen (ex) partner

Vrouwen N=558 T0

Vrouwen N=471 T1

T0

T1

Dader zelf geweld tegen (ex) partner Psychisch geweld

83%

65%***

81%

65%***

Fysiek geweld

49%

26%***

48%

20%***

Verwondingen

31%

17%***

32%

9%***

Seksueel geweld

22%

13%***

19%

7%***

Psychisch geweld

74%

55%***

73%

55%***

Fysiek geweld

28%

17%***

28%

13%***

Verwondingen

13%

7%***

14%

3%***

Seksueel geweld

3%

2%

5%

2%

Dader zelf geweld tegen (ex) partner

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

48

4.3.2. Structureel geweld In het onderzoek zijn we nagegaan hoe vaak het partnergeweld (psychisch, fysiek, seksueel, verwondingen, controlerend gedrag) voorkomt in het afgelopen jaar. Bij driekwart van de huishoudens is sprake van structureel geweld: het partnergeweld vindt maandelijks, wekelijks of dagelijks plaats. De andere respondenten geven aan dat in het afgelopen jaar één tot 12 keer een geweldsincident plaatsvond (minder dan één keer per maand). Huishouden Als we kijken naar het verloop in tijd voor alle huishoudens (figuur 4.4) dan zien we dat het aantal incidenten partnergeweld significant is afgenomen in het afgelopen jaar van gemiddeld 86 incidenten naar gemiddeld 51 incidenten(η2=.10, p < .001). Wat betekent dat er gemiddeld nog steeds sprake is van structureel partnergeweld tijdens de tweede meting. Figuur 4.4 Gemiddeld aantal incidenten partnergeweld voor eerste en tweede meting voor alle huishoudens. 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0

101*** 51***

T0

totale populatie

Ouders Voor de vergelijking met het tweede cohort worden alleen gezinnen meegenomen. Ook wordt het partnergeweld exclusief controlerend gedrag bekeken, omdat controlerend gedrag niet is meegenomen bij de tweede meting. Er is geen verschil in het gemiddeld aantal incidenten bij de eerste meting tussen de tweede en derde cohortstudie (figuur 4.5). Beide cohortstudies laten een significante afname zien van het aantal incidenten tussen de twee metingen (3e cohort: η2=.09, p < .001; 2e cohort: η2=.11, p < .001). Figuur 4.5 Gemiddeld aantal incidenten partnergeweld voor eerste en tweede meting voor ouders in tweede en derde cohortstudie.

178

86

Partners zonder kinderen Als we kijken naar partners zonder kinderen dan zien we dat het aantal incidenten veel hoger ligt bij de eerste meting dan als we kijken naar de totale groep, namelijk 178 incidenten partnergeweld. Bij deze groep zien we ook dat het aantal incidenten significant afneemt, namelijk tot 101 incidenten op de tweede meting (η2=.23, p < .001). Ook hier kunnen we constateren dat sprake is van structureel geweld als er gemiddeld ongeveer twee incidenten per week plaatsvinden.

T1 relaties zonder kinderen

80 70 60 50 40 30 20 10 0

67 64 39*** 25***

T0

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

derde cohortstudie

T1 tweede cohortstudie

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

49

4.3.3. Ernst van het geweld

percentage dat ernstige geweldsincidenten rapporteert significant afneemt. Hetzelfde patroon zien we terug als we kijken naar plegerschap

In deze paragraaf kijken we naar de ernst van het geweld; was er vooral sprake van ernstige geweldsincidenten of van milde (of minder ernstige) geweldsincidenten. Ernstig geweldsincidenten zijn bijvoorbeeld slaan, stompen of seksueel geweld. Minder ernstige geweldsincidenten zijn bijvoorbeeld het beledigen of uitschelden van je partner.

Partners zonder kinderen Voor de groep partners zonder kinderen zien we dat er veel vaker sprake is van ernstige vormen van partnergeweld dan in de gezinnen (zie tabel 4.5). Tabel 4.5

Huishoudens Van de volwassenen die aangeven dat ze slachtoffer waren van partnergeweld geeft vrijwel iedereen aan dat in ieder geval milde geweldsincidenten voorkwamen (tabel 4.4). .

Gemiddeld percentage partnergeweld het afgelopen jaar op het eerste meetmoment, opgesplitst naar ernstig en minder ernstig voor partners zonder kinderen Vrouw N=44

Man N=14 T0

T1

T0

Totaal geweld afgelopen jaar

93%

50%**

98%

73%**

Ernstig partnergeweld

71%

33%*

86%

56%**

Mild partnergeweld

93%

50%**

95%

73%**

Totaal geweld afgelopen jaar

100%

43%**

93%

70%**

Ernstig partnergeweld

79%

25%**

52%

44%

Mild partnergeweld

100%

43%**

91%

68%**

Percentage

T1

Slachtofferschap

Tabel 4.4

Gemiddeld percentage partnergeweld het afgelopen jaar op het eerste meetmoment, opgesplitst naar ernstig en minder ernstig voor de gehele populatie

Plegerschap

Vrouw N=602

Man N=270 T0

T1

80%

67%***

Ernstig partnergeweld

44%

24%***

57%

36%***

Mild partnergeweld

80%

67%***

84%

65%***

Totaal geweld afgelopen jaar

70%

55%***

77%

57%***

Ernstig geweld

33%

16%***

35%

21%***

Mild geweld

68%

53%***

76%

57%***

Percentage

T0

T1

Slachtoffer van partnergeweld Totaal geweld afgelopen jaar

85%

66%***

Plegerschap

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

Slechts een hele kleine groep geeft aan dat alleen ernstige geweldsincidenten voorkwamen zonder milde geweldincidenten. Vrouwen geven significant vaker aan slachtoffer te zijn van ernstig geweld dan mannen op de eerste meting, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (Cohen’s d = .28; p <.001). We zien dat zowel het percentage dat milde geweldsincidenten rapporteert als het

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

Zowel mannen als vrouwen geven aan dat vrijwel altijd sprake is van zowel plegerschap als slachtofferschap, en mannen geven aan dat altijd sprake is van milde geweldsincidenten. En ook bijna alle vrouwen geven aan dat sprake is van milde geweldsincidenten. Als we kijken naar ernstige geweldsincidenten geeft ook een grote groep (zowel mannen als vrouwen aan) daar slachtoffer van te zijn. Wat betreft plegerschap is het percentage mannen dat aangeeft pleger te zijn van ernstige geweldsincidenten hoger dan het percentage vrouwen. Voor slachtofferschap neemt het percentage mannen en vrouwen dat milde geweldsincidenten meemaakt significant af bij de tweede meting, en dit geldt ook voor ernstige geweldsincidenten. Kijken we naar plegerschap, dan neemt het percentage mannen en vrouwen dat milde geweldsincidenten meemaakt 50

significant af bij de tweede meting. Maar alleen het percentage mannen dat aangeeft ernstig partnergeweld te plegen neemt af, terwijl het percentage vrouwen gelijkt blijft. Ouders Ook voor het onderscheid mild en ernstig partnergeweld is er vergelijking gemaakt tussen het derde en het tweede cohort (zie Tabel 4.6). Tabel 4.6

Gemiddeld aantal incidenten partnergeweld het afgelopen jaar op het eerste meetmoment, opgesplitst naar ernstig en minder ernstig voor gezinnen uit de derde en tweede cohort. (= dus zonder controle en dwang) Derde cohort

Tweede cohort

Mannen N=256

Mannen N=162

T0

T1

T0

T1

Totaal geweld afgelopen jaar

79%

68%**

77%

59%***

Ernstig partnergeweld

43%

24%***

30%

16%***

Mild partnergeweld

78%

68%*

78%

58%***

68%

55%***

68%

50%***

Ernstig partnergeweld

31%

16%***

22%

11%**

Mild partnergeweld

66%

54%**

67%

48%***

Percentage Slachtofferschap

Plegerschap Totaal geweld afgelopen jaar

Vrouwen N=558 Percentage

T0

Vrouwen N=471 T1

T0

Hier zien we dat de uitkomsten van de twee cohorten sterk op elkaar lijken. Het enige verschil dat opvalt is dat de mannelijke respondenten zowel vaker zeggen slachtoffer te zijn van ernstig partnergeweld als pleger van ernstig geweld te zijn in de derde cohortstudie dan in de tweede cohortstudie. Ook bij de vrouwelijke respondenten in de derde cohortstudie rapporten iets vaker ernstige vormen van partnergeweld dan in de tweede cohortstudie zowel als slachtoffer en als pleger. 4.3.4. Geweld door partners of ex-partners Respondenten kunnen in het jaar tussen de metingen nieuwe relaties zijn aangaan of juist verbroken hebben. Daarom is op beide meetmomenten gevraagd of het partnergeweld betrekking had op de huidige partner, de ex-partner of dat er sprake is van een nieuwe partner. Tenslotte kan iemand ook weer zijn gaan samenwonen met een ex-partner. Zowel vrouwen als mannen rapporteren vaker over partnergeweld vanuit de ex-partner op de eerste meting dan vanuit de huidige partner (zie tabel 4.7). Tabel 4.7

Rapportage geweld huidige of ex-partner (aantal incidenten in het afgelopen jaar) totale populatie volwassenen

Eerste meting (T0) T1

Slachtofferschap Totaal geweld afgelopen jaar

84%

64%***

82%

66%***

Ernstig partnergeweld

55%

34%***

50%

24%***

Mild partnergeweld

83%

64%***

82%

66%***

Totaal geweld afgelopen jaar

75%

55%***

74%

55%***

Ernstig partnergeweld

34%

19%***

30%

17%***

Mild partnergeweld

73%

55%***

73%

55%***

Plegerschap

Vrouwen N=561

Mannen N=252

Totaal geweld afgelopen jaar

Percentage

Aantal Aantal Percentage incidenten incidenten

93%

50%**

98%

73%**

Huidige partner

40,3%

42

37,3%

54

Ex partner

59,7%

58

62,7%

134

Huidige partner

49,5%

24

41%

29

Nieuwe andere partner

1,8%

9

3,3%

36

Ex-partner

48,7%

38

55,7%

86

Tweede meting (T1)

***p < .001; **p < .01; *p < .05 (p-waarden betreffen het verschil tussen de T0- en de T1-waarde)

51

Daarnaast zien we vooral bij vrouwen dat het aantal geweldsincidenten door hun ex-partner bij melding bij Veilig Thuis zeer hoog is in vergelijking met vrouwen die rapporteren over partnergeweld vanuit de huidige partner. Dit verschil zien we ook op de tweede meting. Bij de mannelijke respondenten zien we ook dat gerapporteerd geweld door de ex-partner hoger is dan voor degenen die rapporteren over hun huidige partner. 4.3.5. Controle en dwang Een van de conclusies van de kwalitatieve interviews in de tweede cohortstudie was dat er meer aandacht moest zijn voor verschillen in de context waarin de conflicten en het geweld zich afspelen. Duidelijk werd dat er meer aandacht moet komen voor de functie van het huiselijk geweld en de onderliggende problematiek die daaraan ten grondslag ligt (zie ook Lünnemann e.a., 2023). In de literatuur over partnergeweld is het Johnson (2006) die voor het eerst een onderscheid maakte tussen situationeel geweld en controle en dwang, twee verschillende patronen van geweld in heteroseksuele relaties. In het eerste geval is het geweld doorgaans minder ernstig en komt het meer voort uit stress en situationele factoren zoals armoede, werkeloosheid, plotselinge diepingrijpende gebeurtenissen, en middelengebruik. In het tweede geval staat controle van de ander op de voorgrond.

Hier is het geweld vaak ernstiger, en gaat het gepaard met isoleren en vernederen, en is er veel angst bij het slachtoffer. In deze paragraaf gaan we in op de vraag in hoeverre er sprake is van controle en dwang in de relaties van de volwassenen. Operationalisatie van controle en dwang In de vragenlijst zijn drie items opgenomen waaruit blijkt dat een volwassene dwingende controle wil hebben over zijn partner. Het betreft het bepalen welke vrienden of familie de partner mag zien; het bepalen voor de partner waar hij of zij haar geld aan mag geven en ten slotte het regelmatig controleren van telefoontjes, post, sociaal media of e-mails. We zijn daarbij uitgegaan dat

er sprake moest zijn van een bepaalde chroniciteit van deze controle, namelijk dat deze items gemiddeld minimaal eens per maand voorkwamen in het afgelopen jaar. Daarnaast wordt regelmatig genoemd het manipuleren van je partner door middel psychisch kleineren of vernederen van de partners. Vier items binnen de CTS2 hebben hierop betrekking een voorbeeld is ‘ik heb mijn partner beledigd of tegen hem/haar gevloekt’. Op zich hoeven deze items als zij incidenteel voorkomen niet zo’n enorme impact te hebben. Maar als het kleineren en beledigen structureel plaatsvindt dan is meer sprake van psychisch manipuleren. Ten slotte zijn er een aantal vragen in de CTS2 waarin duidelijk dreiging gebruikt wordt om seks met hun partner te krijgen. Het betreft vier items en een voorbeeld is ‘Ik gebruikte geweld (bijv. slaan/neerdrukken) om te zorgen dat mijn partner seks met mij had’. Als op een van deze items gescoord is, is deze meegenomen. Volgens de gehanteerde definitie moest voor deze drie elementen van controle en dwang minimaal twee items gescoord worden. Dat wil zeggen dus: of minimaal 12 keer het afgelopen jaar een vorm van dwingende controle, en/of minimaal 22 keer7 psychisch geweld zoals treiteren of vernederen en/of bedreiging ten aanzien van seksualiteit.

De variabele controle en dwang is uiteindelijk een dichotome variabele, de waarde 1 wanneer er wel sprake is van controle en dwang en de waarde 0 wanneer er geen sprake is van controle en dwang. Voor vrouwen correleren de hierboven genoemde 11 items allemaal significant (p < .001) met de variabele controle en dwang, waarbij er wel een grote variatie in correlaties is, voor ‘gebruikte geweld om te zorgen dat ik orale of anale seks met mijn partner zou hebben’ zien we de laagste score (ρ=.21, p <.001) tot ‘controleerde regelmatig mijn post, telefoontjes, berichten, e-mails,

7 De grens van 22 incidenten komt uit de 2e cohortstudie, waarin we op basis van de gegevens van de CTS2 uit het referentie-onderzoek van 2012 hebben bepaald dat wanneer er sprake is van meer dan het gemiddelde aantal incidenten + 1 SD (21 incidenten) in de referentiepopulatie we dit ‘ernstig of veelvuldig geweld’ noemen.

52

of sociale media’ de hoogste score (ρ =.75, p <.001). Voor de mannen zijn er minder sterke verbanden, waarbij het sterkste verband met ‘hield mij weg bij mijn familie en/of vrienden’ (ρ=.56, p <.001) en ‘controleerde regelmatig mijn post, telefoontjes, berichten, e-mails, of sociale media’ (ρ =.55, p <.001), tot geen significant verband met ‘gebruikte dreigementen om mij te dwingen tot orale of anale seks’ (ρ=-.02, p=.7). Prevalentie van controle en dwang Van de 804 volwassenen die gemeld waren bij Veilig Thuis en die deze vragen hebben beantwoord op beide meetmomenten, geeft ruim 18% (146 respondenten) bij de eerste meting aan dat sprake is van controle en dwang (figuur 4.6). Figuur 4.6 Afname percentage respondenten dat slachtoffer is van controle en dwang op beide meetmomenten 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% totaal

34,5%

18,2% 16,9%

T0

17% 10,4% 9,9% T1

partner zonder kinderen

totaal

We zien dat in de tijd het aantal respondenten dat zegt slachtoffer te zijn van controle en dwang significant afneemt (naar ruim 10%), waarbij sprake is van een klein effect (Cohen’s d = .20, p < .001). Bij vrouwen houdt de controle en dwang bij 75 partners op (64%), bij een derde van vrouwen duurt de controle en dwang voort. Bij de tweede meting komen er 25 nieuwe vrouwen bij waarvan de partners controle en dwang

hebben gepleegd het afgelopen jaar. Bij de mannen houden 22 (79%) van de partners op met controle en dwang bij de T1, bij iets meer dan een op de vijf mannen duurt de controle en dwang voort bij de T1 (21%). Maar er komen ook 10 nieuwe mannen bij waar controle en dwang bij de T1 gepleegd wordt. Slachtofferschap komt bijna twee keer zo vaak (zowel op T0 als T1) voor bij partners zonder kinderen (T0: 34,5% tegenover 16,9% en T1: 17% tegenover 9,9%) als in huishouden met kinderen. Zoals verwacht geven de meeste mannen en vrouwen in huishoudens waar controle en dwang speelt, aan dat het eenzijdige controle en dwang van de partner betreft bij 86% (25/29) van de mannen die controle en dwang in het huishouden rapporteren en bij 89% (109/122) van de vrouwen die controle en dwang in het huishouden rapporteren. Dit verandert niet in de tijd. Op de tweede meting geven net zoals bij de eerste meting (T0) de meeste mannen en vrouwen in huishoudens waar controle en dwang speelt, aan dat het eenzijdige controle en dwang van de partner betreft bij 87,5% (14/16) van de mannen die controle en dwang in het huishouden rapporteren en bij 93% (64/69) van de vrouwen die controle en dwang in het huishouden rapporteren. Frequentie van aantal incidenten partnergeweld In lijn met de literatuur over controle en dwang is de hoge frequentie van het aantal incidenten partnergeweld.

Als we kijken naar het totale partnergeweld dan zien we een groot verschil tussen huishoudens waar wel en geen sprake is van controle en dwang. Bij huishoudens waar sprake is van controle en dwang vinden gemiddeld 207 incidenten plaats in het jaar voor de melding, tegenover gemiddeld 34 geweldsincidenten in huishoudens waar geen controle en dwang in de relatie speelt (zie tabel 4.8). Tegelijkertijd zien we dat de frequentie nauwelijks afneemt. Bij de relaties waar sprake is van controle en dwang is het gemiddeld aantal incidenten maar heel licht afgenomen (van 208 naar 191, afname van 13%), terwijl het bij de niet-controle en dwang partners veel sterker is afgenomen (van 35 naar 21, afname van 40%).

53

Tabel 4.8

Gemiddelde aantal incidenten partnergeweld T0 en T1 voor wel en niet slachtoffers en plegers van controle en dwang Gemiddeld aantal incidenten Gemiddeld aantal incidenten geweld gepleegd door partner geweld gepleegd door partner op T1 op T0

Slachtofferschap Geen controle en dwang

35

21

Wel controle en dwang

208

191

4.4. Kindermishandeling In deze paragraaf gaan we in op de ervaren kindermishandeling. Hierbij kijken we enkel naar de gezinnen, aangezien daar alleen kinderen zijn. Kindermishandeling is gerapporteerd door zowel ouders als kinderen tussen de 8 en 18 jaar. Eerst presenteren we de resultaten van de directe en indirecte kindermishandeling volgens de ouders (4.4.1), daarna volgens de kinderen (4.4.2). 4.4.1. Kindermishandeling volgens de ouders Volgens de zelfrapportage van de ouders hebben bijna alle kinderen op de eerste meting (mogelijk8) te maken met kindermishandeling. In totaal heeft 91% te maken met een vorm van kindermishandeling, dat wil zeggen fysiek of psychisch geweld, verwaarlozing door de ouders of het (mogelijk) getuige zijn van partnergeweld ( zie Tabel 4.9). Het percentage kinderen dat slachtoffer was

8 In deze gezinnen heeft partnergeweld plaatsgevonden volgens de ouders. Het is natuurlijk nooit helemaal zeker dat kinderen hier getuige van waren, maar de kans is groot (zeker wanneer we naar de rapportage van de kinderen kijken) dat kinderen hier in elk geval iets van meekrijgen.

van (directe en/of indirecte) kindermishandeling nam significant af tussen de twee metingen (η2=.05, p<.001). Directe kindermishandeling We zien een significante daling van het percentage kinderen dat te maken heeft met kindermishandeling in de tijd (η2=.03, p<.001). Kijken we naar de verschillende vormen van directe kindermishandeling, dan zien we dat het percentage kinderen dat volgens de ouders te maken heeft met fysieke mishandeling daalt van 26% naar 14% (fysiek: η2=.06, p<.001) en bij psychisch geweld daalt van 56% naar 46% (psychisch: η2=.04, p<.001). Voor verwaarlozing zien we echter geen verschil. Bij de eerste meting heeft 26% van de kinderen te maken met fysieke mishandeling, ruim de helft heeft te maken met psychische kindermishandeling en een op de vijf kinderen heeft te maken met verwaarlozing (20%). In tabel 4.9 staan het gemiddelde aantal incidenten voor deze kinderen. Als kinderen psychische mishandeld worden, gaat het gemiddeld om tien incidenten bij de eerste meting. En als kinderen verwaarloosd worden, gaat het gemiddeld om 9 incidenten bij de eerste meting. Als we kijken naar mogelijke verschillen tussen de tweede en derde cohortstudie, dan zien we alleen verschil als het gaat om de afname van het percentage kinderen dat te maken krijgt met verwaarlozing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14206932/1