CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB.24.046 Doorontwikkeling GIA

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven.51.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

De centrumgemeente in de Veilig Thuis regio moest dan ook een eigen bijdrage betalen aan het onderzoek om daarmee ook de borging van de uitkomsten in het beleid en praktijk te garanderen. Voor het derde cohortonderzoek zijn de dertien regio’s benaderd die zich indertijd niet hebben opgegeven. Mogelijk kan dit betekenen dat vooral de voorlopers op het gebied van

huiselijk geweld en kindermishandeling aan de tweede cohortstudie hebben deelgenomen, die door deelname vooral zichtbaar wilden maken wat er al bereikt was. Anderzijds kan het ook betekenen dat de Veilig Thuis regio’s vier jaar langer de tijd hebben gehad om de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling te concretiseren. En ander verschil van de derde cohortstudie ten opzichte van de eerdere cohortstudies is dat we de vragenlijsten hebben aangepast op een aantal onderwerpen. Daarnaast is er sprake van een andere en bredere doelgroep en is de wijze waarop de data is verzameld niet helemaal gelijk. Ten eerste de vragenlijsten. Zoals we hiervoor hebben aangegeven, zijn er verschillende vragen toegevoegd als het gaat om partnergeweld. In de tweede cohortstudie zijn vijf profielen ontwikkeld waarin zowel de functie van het geweld als de onderliggende problematiek aan elkaar gekoppeld zijn. Controle en dwang, is één van de vormen van partnergeweld die uitdrukkelijk naar voren kwam in de interviews met slachtoffers (zie Steketee, e.a., 2020a). Om deze vorm van partnergeweld beter zichtbaar te maken, is er besloten om zowel stalking als vormen van controle en dwang toe te voegen aan de vragenlijst (zie voor verantwoording van de items hoofdstuk 2).

Daarnaast kwam in de diepte-interviews uit verschillende onderzoeken naar voren dat niet alleen geweld gericht op kinderen voorkomt maar ook van kinderen naar ouders (Steketee e.a., 2020a; Steketee & Doelman, 2022). Het is binnen de cohortstudie niet mogelijk om te onderzoeken wat de oorzaak en gevolg is, kinder-ouder geweld kan een gevolg zijn van het geweld van een van de ouders naar elkaar of naar de kinderen, maar kan ook eigenstandig optreden vanuit problematiek bij de kinderen. We zijn van mening dat het van belang is om te onderzoeken of kinderen ook geweld gebruiken naar ouders. Daarom zijn hierover vragen toegevoegd aan de vragenlijst (zie voor verantwoording van de vragen hoofdstuk 2). Een ander verschil is de bredere doelgroep waar het onderzoek zich op richt. De vorige cohortstudies waren gericht op gezinnen waar minimaal een kind in de leeftijd tussen de 3 en 18 jaar thuis woonde, nu is het onderzoek

17

gericht op alle huishoudens, dus ook respondenten die geen kinderen hebben. Het onderzoek is gericht op alle meldingen die betrekking hebben op partnergeweld en kindermishandeling. Dat wil zeggen al het geweld dat in huiselijke kring plaatsvindt, uitgezonderd ouderenmishandeling. Tenslotte is een verandering tussen de verschillende cohortstudies dat de deelname aan het huidige onderzoek bestaat uit twee metingen, namelijk een meting na de melding en een meting een jaar na de melding bij Veilig Thuis. In de vorige cohortstudies was er sprake van drie metingen, direct na melding, een jaar en anderhalf jaar na melding bij Veilig Thuis. De cohortstudie is zoals eerder gezegd gefinancierd door het onderzoeksprogramma Geweld Hoort Nergens Thuis en de resultaten worden ook gebruikt voor de landelijke impactmonitor ‘huiselijk geweld en partnergeweld’. Het doel was om elke twee jaar in de verschillende regio’s opnieuw de cohortstudie uit te voeren zodat eens in de vier jaar de Veilig Thuis regio’s informatie krijgen over hoe zij ervoor staan in de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. De uitkomsten van de cohortstudie maakt in sommige regio’s ook deel uit van de doelstellingen in de regioplannen aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. Zo wil men bijvoorbeeld het aantal gezinnen waar het geweld is gestopt verhogen met 30% ten opzichte van de vorige meting.

Om elke vier jaar een cohortstudie te kunnen uitvoeren is het niet mogelijk om gezien de tijdsperiode van twee jaar drie metingen te blijven doen. Daarom is het aantal metingen op verzoek van het onderzoeksprogramma Geweld Hoort Nergens Thuis teruggebracht tot tweemaal. Uiteraard zullen we in de wijze waarop de uitkomsten gepresenteerd worden rekening gehouden worden met de veranderingen tussen de verschillende cohortstudies. Daarom worden in alle hoofdstukken zowel de resultaten gepresenteerd op de nieuwe wijze van dataverzameling (derde cohort) als op de oude wijze (tweede cohort).

1.6.

Leeswijzer

Deze rapportage bestaat uit meerdere delen. In deel 1 wordt de achtergrond en methodologie van het onderzoek besproken. In het eerste inleidende hoofdstuk is de aanleiding voor het onderzoek, de definities en aard en problematiek van de vormen van huiselijk geweld die worden onderzocht, en de bevindingen uit eerdere onderzoeken over de aanpak van huiselijk geweld besproken. Hoofdstuk 2 betreft de onderzoeksvragen en gebruikte methodologie, waaronder de onderzoeksopzet, proces van dataverzameling en gebruikte meetinstrumenten. In hoofdstuk 3 beschrijven we de achtergrondkenmerken van de onderzoekspopulatie. In deel 2 van het rapport bespreken wij de resultaten. Als eerste gaan we in hoofdstuk 4 in op het geweld in de huishoudens, onderverdeeld naar de hierboven beschreven verschillende soorten geweld. Hoofdstuk 5 gaat specifiek over de ouderfactoren die we hebben gemeten, hierin is aandacht voor psychotrauma, opvoedstress, middelengebruik en kwaliteit van leven. In hoofdstuk 6 ten slotte komen alle kindfactoren aan de orde waarbij we kijken naar hechting, emotionele veiligheid, psychotrauma’s, psychosociale problemen en probleemgedrag, kwaliteit van leven en welbevinden van de kinderen. Deel 3 van het onderzoek is gericht op de vraag: wat werkt er? In hoofdstuk 7 wordt beschreven welke formele en informele hulp de volwassenen en kinderen hebben ontvangen.

Is er een relatie tussen de soort (in)formele hulp die het gezin heeft ontvangen en de afname van het geweld in het gezin? En zien we ook een dergelijke relatie met het welzijn van volwassenen en kinderen? In hoofdstuk 8 worden de huishoudens waar het geweld is gestopt nader

18

geanalyseerd. Maakt het uit voor het welzijn van de kinderen en volwassenen dat het geweld daadwerkelijk is gestopt? In Deel 4 worden de belangrijkste conclusies van het onderzoek samengevat en doen wij aanbevelingen over wat er verbeterd kan worden in de hulpverlening aan volwassenen en kinderen waar sprake is van geweld.

19

2

Methodologische verantwoording

2.1.

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de methodologische verantwoording beschreven. Het onderzoek heeft als hoofddoel na te gaan of de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling (care as usual) leidt tot een afname van het geweld in huishoudens, verbetering van de opvoedingsvaardigheden van de ouders en het welzijn van de volwassenen en kinderen. Daartoe zijn ruim viertienhonderd huishoudens die gemeld zijn bij Veilig Thuis, gedurende een jaar gevolgd om na te gaan welke hulpverlening en interventies zij ontvangen hebben na de melding. Dit hoofdstuk betreft de methodologische verantwoording van het onderzoek. Hierin wordt beschreven op welke wijze de data verzameld is en welke meetinstrumenten gebruikt zijn in het onderzoek.

2.2.

Dataverzameling

Hieronder lichten we de verschillende onderdelen van de dataverzameling verder toe, namelijk de werving van respondenten en dataverzameling, de training en begeleiding van studenten, het buddysysteem voor de veiligheid van de studenten, waarborging van de privacy van de respondenten en de impact van coronapandemie.

Werving respondenten en dataverzameling Bij de T0-meting zijn aan elke Veilig Thuis regio een of meerdere stagiaires gekoppeld, zodat zij vanuit hun Veilig Thuis contract potentiële deelnemers voor het onderzoek konden benaderen. Via onze Veilig Thuis contactpersoon werd een lijst opgevraagd van gemelde huishoudens die voldoen aan de eerdergenoemde inclusiecriteria. Vervolgens verstuurde de Veilig Thuis stagiaire een brief naar deze personen waarin stond vermeld dat ze over het onderzoek gebeld konden worden en indien ze niet gebeld wensten te worden, zij zich hiervoor telefonisch of via de mail konden afmelden bij de stagiaire. Alle andere huishoudens werden door de stagiaire gebeld met meer informatie over het onderzoek, om vragen over het onderzoek te beantwoorden en te vragen of ze wilden deelnemen. In deze fase waren de gegevens van deze huishoudens opgeslagen op de beschermde omgeving van de Veilig Thuis regio en niet bij het Verwey-Jonker Instituut. Als mensen wilden deelnemen, vroeg de Veilig Thuis stagiaire toestemming voor de overdracht van contactgegevens naar het Verwey-Jonker Instituut en plande een afspraak in bij een van de stagiaires verbonden aan het Verwey-Jonker Instituut. In principe werd een online afspraak ingepland, waarbij de stagiair telefonisch contact zou hebben om de respondenten te begeleiden bij het invullen van de online vragenlijst.

Echter, als een online afspraak voor de deelnemer niet mogelijk was – bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een laptop of internetverbinding – of de deelnemer een online afspraak niet zag zitten, werd een live afspraak ingepland. Als het voor de respondent echt niet mogelijk was om een concreet tijdstip af te spreken, werd bij hoge uitzondering afgesproken dat de respondent de vragenlijst zelfstandig invulde en konden ze bij vragen bellen naar een van de onderzoekers van het Verwey-Jonker Instituut. Er zijn 40 respondenten die deels of helemaal zelf de vragenlijst hebben ingevuld.

20

Deelnemers werden tijdens het bezoek nogmaals geïnformeerd over het onderzoek en hadden de gelegenheid om vragen te stellen. Vervolgens vulde de deelnemer het digitale toestemmingsformulier in en startte met de vragenlijst. Deelnemers vulden de vragenlijst zelfstandig in en de stagiair waarborgde dat geen anderen in dezelfde ruimte aanwezig waren. Voor volwassenen duurde dit gemiddeld circa 60 tot 120 minuten en voor kinderen 20 tot 45 minuten. Waar nodig hielp de stagiair, bijvoorbeeld met uitleg van moeilijke woorden, vragen over specifieke onderdelen in de vragenlijst, technische ondersteuning, een luisterend oor als de vragenlijst bepaalde emoties opriep en om te waarborgen dat de deelnemer in een zo rustig mogelijke omgeving de vragenlijst kon invullen. Na afloop vroeg de stagiaire hoe de deelnemer de vragenlijst had ervaren. In sommige gevallen, bleek dat de deelnemer een concrete hulpvraag had of vervelende ervaringen had gehad met Veilig Thuis. In dat geval adviseerde de stagiaire dit indien mogelijk met reeds betrokken hulp te bespreken en/of liet een Hulpwijzer achter; in enkel gevallen volgde een anonieme terugkoppeling naar Veilig Thuis. Per afname ontvingen volwassenen als dank voor hun deelname een vergoeding van 20 euro en kinderen een vergoeding van 10 euro. Richting het eind van de T0-meting werd duidelijk dat er onvoldoende kinderen zelf deel hadden genomen.

De dataverzameling is daarom in negen regio’s met vijf maanden verlengd. Deelname van tenminste één kind gold als voorwaarde voor inclusie van een gezin bij de verlenging. Training en begeleiding Vanuit het Verwey-Jonker Instituut werd een training van twee dagdelen geboden aan alle stagiaires voordat zij startten met het bellen voor de werving en/of het uitvoeren van de afspraken. Deze training bestond uit een algemene training met achtergrond over het onderzoek en uitleg van het dataverzamelingsproces inclusief het oefenen van casuïstiek én daarnaast een aanvullende beltraining. Middels wekelijkse en maandelijkse bijeenkomsten werd gewaarborgd dat de dataverzameling juist werd uitgevoerd. Ook was er altijd één van de coördinatoren telefonisch bereikbaar bij wie studenten terecht konden als

ze een dringende vraag hadden, even wilden overleggen over een lastige casus of behoefte hadden aan een luisterend oor na een vervelend gesprek. Veiligheidsmaatregelen, buddysysteem en noodtelefoon Om de veiligheid van studenten bij live afspraken te waarborgen, werkten we met veiligheidsmaatregelen, een buddysysteem en een noodtelefoon. De veiligheidsmaatregelen hielden in dat er altijd een tweede stagiaire meeging in geval er een man aanwezig was tijdens de afspraak of als het huisbezoek in de avonduren plaatsvond. Ten tweede hanteerden we een buddysysteem. Elke student zat in een buddyteam van circa vier studenten. Zodra een live huisbezoek was ingepland, meldde de student dit huisbezoek aan in de WhatsAppgroep van het buddyteam. Eén van de leden uit het buddyteam was tijdens het huisbezoek de buddy. De student die op huisbezoek ging appte deze buddystudent voordat hij/zij naar binnen ging bij de respondent, een kwartier na binnenkomst, een uur na binnenkomst, daarna na elk halfuur, totdat hij/zij weer buiten stond. Als de buddystudent geen contact kon krijgen met de student die op huisbezoek was, dan belde deze student het coördinatieteam. Het coördinatieteam kon op dat moment besluiten om de student te bellen, de respondent te bellen of op te schalen.

Aangezien veel huisbezoeken buiten kantooruren of in de weekenden plaatsvonden, was er voor dit project een noodtelefoon, waardoor indien nodig altijd iemand van het coördinatieteam bereikbaar was. Deze noodtelefoon circuleerde binnen het onderzoeksteam. In de praktijk is het niet voorgekomen dat de noodtelefoon voor urgente gevallen gebeld is. Voor online afspraken golden ook veiligheidsmaatregelen, namelijk dat in geval van grensoverschrijdend gedrag (zoals bedreigingen of seksueel getinte berichten) de stagiaires dit altijd melden bij het coördinatieteam van het Verwey-Jonker Instituut. Indien nodig werd dit gemeld bij Veilig Thuis en/of werd afgesproken dat de student het telefoonnummer of mailadres van betreffende respondent blokkeerde. Eenmaal is bij de eerste meting (T0) een telefoonnummer geblokkeerd omdat degene een medewerker ‘s nachts een aantal keer belde.

21

Privacy en ethische goedkeuring Voorafgaand aan de stage ondertekenden alle stagiaires een geheimhoudingsverklaring en privacyprotocol. Daarnaast hadden alle stagiaires een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor het onderzoek. Om de privacy van respondenten te waarborgen, hanteerden we een vaste procedure. Op het moment dat een respondent bij de Veilig Thuis stagiaire aangaf mee te willen doen aan het onderzoek, werd mondelinge toestemming gevraagd voor overdracht van contactgegevens naar het Verwey-Jonker Instituut en plande de Veilig Thuis stagiaire een afspraak in bij een van de Verwey-Jonker Instituut stagiaires. Deze toestemming voor gegevensoverdracht werd vastgelegd met een geluidsopname. De Veilig Thuis stagiaire stuurde de contactgegevens via een versleuteld afsprakenoverzicht naar de ingeplande Verwey-Jonker Instituut stagiaire, dat na afloop van het bezoek werd verwijderd. Het coördinatieteam bewaarde een back-up in een beveiligde map op SharePoint. Het onderzoek is goedgekeurd door een ethische toetsingscommissie van de Vrije Universiteit te Amsterdam onder het nummer VCWE-2021-059. Impact coronapandemie Tijdens het onderzoek maakten we meerdere coronalockdowns mee. De oorspronkelijke bedoeling was om de metingen zoveel mogelijk live uit te voeren. Vanwege de coronacrisis was dit niet mogelijk.

Daarom is besloten ‘online huisbezoeken’ in te plannen, waarbij de stagiaire telefonische uitleg en waar nodig begeleiding bood. Als dit niet mogelijk was voor respondenten, werd een laptop aan huis gebracht en de volgende dag weer opgehaald of met extra coronamaatregelen wel thuis afgesproken. Een eerder onderzoek uitgevoerd aan het begin van de coronacrisis toonde geen verschil aan tussen vragenlijsten die voor en na de lockdown zijn ingevuld (zie Steketee e.a,2020).

2.3.

Vragenlijsten voor volwassenen en kinderen

In het onderzoek is gebruik gemaakt van internationaal gevalideerde vragenlijsten om zo de validiteit en betrouwbaarheid van de metingen te waarborgen. In deze paragraaf beschrijven we de vragenlijsten die gebruikt zijn in het onderzoek. We beschrijven eerst de theoretische keuze voor de meetinstrumenten, daarna de meetinstrumenten en tot slot het gebruik van validiteitstoetsen binnen de vragenlijsten. Voor een volledig overzicht van de gebruikte vragenlijsten, zie Tabel 1 onderaan dit hoofdstuk. 2.3.1.

Afname van het geweld

In het onderzoek staat de vraag centraal of het geweld daadwerkelijk is afgenomen en in hoeverre herhaling van het geweld plaatsvindt. In de derde cohortstudie worden partnergeweld, kindermishandeling en oudermishandeling gemeten. Partnergeweld betreft meestal een combinatie van verschillende vormen van geweld. Zo vindt fysiek partnergeweld bijna altijd plaats in combinatie met psychisch partnergeweld. Uit onderzoek blijkt dat ruim één op de vijf vrouwen in relatie met een man ooit eenzijdig geweld heeft meegemaakt en ruim één op de twintig vrouwen was ooit in een relatie betrokken waarbij zowel zijzelf als de partner licht tot matig geweld gebruikten (Römkens, 2010). Meer recent komt uit onderzoek naar voren dat zowel mannen als vrouwen pleger kunnen zijn van partnergeweld en kindermishandeling, net als dat zowel vrouwen als mannen slachtoffer kunnen zijn van partnergeweld (Tanha e.a., 2010). Kijken we echter naar het type geweld, dan zijn vrouwen veel vaker slachtoffer van ernstige vormen van geweld dan mannen en plegen mannen dus vaker ernstig partner geweld dan vrouwen (Akkermans e.a., 2020; SmithMarek e.a., 2015; Van Eijkern e.a., 2018) Partnergeweld bestaat niet alleen uit geweldsgedragingen, maar ook uit dwang en controle.

Vrouwen zijn veel vaker slachtoffer van ‘coercive control’ door hun partner dan mannen, en het zijn vooral vrouwen die slachtoffer zijn van seksuele dwang door hun partner of

22

ex-partner (Stark, 2007; Tanha e.a., 2010). Hieronder valt ook (online) seksuele intimidatie. Daarnaast is stalking een probleem dat vaak zichtbaar is in partnergeweld, waarbij de ex-partner herhaaldelijk en opzettelijk het slachtoffer tot last is. Voorbeelden daarvan zijn telkens ongewenst telefonisch contact opnemen en bespioneren. Ook kijken we naar dating violence. Dit is geweld van fysieke, emotionele of seksuele aard in intieme relaties van adolescenten (Gracia-Leiva e.a., 2019). Geschat wordt dat 10 tot 25% van zowel jongens als meisjes dating geweld meemaakt (Viejo e.a, 2016; Wincetak e.a., 2016). Dating geweld is gerelateerd aan partnergeweld (Herrenkohl & Jung, 2016), en getuige zijn van partnergeweld en geeft een vergrote kans op slachtoffer worden van dating geweld (Park & Kim, 2018). In het onderzoek wordt ook gekeken naar kindermishandeling (fysiek en/ of psychisch geweld en verwaarlozing). Partnergeweld en kindermishandeling komen vaak samen voor (Holt e.a, 2008). Zo bleek uit het scholierenonderzoek dat bij 17% van de scholieren die kindermishandeling rapporteerden ook sprake was van fysiek geweld tussen de ouders (Ten Boom & Wittebrood, 2019).

Bij de informantenstudie bleek dat van de kinderen die zelf mishandeld of verwaarloosd worden, tussen de 28 en 65% ook getuige was van fysiek geweld tussen de ouders, waarbij slachtoffers van psychische kindermishandeling het vaakst ook geweld tussen de ouders meemaakten. Nieuw is dat we in dit onderzoek geweld van jongeren tegen hun ouders of verzorgers meten. Hieronder verstaan we (dreigen met) fysieke, psychische of financiële handelingen door het kind om macht en controle te krijgen over de ouder (Holt, 2016). Ook oudermishandeling komt met name voor in gezinnen waar ook sprake is van partnergeweld of kindermishandeling (Ulman & Straus, 2003). Oudermishandeling gaat gepaard met veel schaamte en stress voor de ouder, wat mogelijk kan leiden tot een toename van geweld van de ouder richting de partner of het kind (Ulman & Straus, 2003). Daarnaast is vaak sprake van revictimisatie omdat de schuld voor het gedrag van het kind wordt gelegd bij de ouder (Holt, 2016). Er is nog geen onderzoek gedaan naar welke vormen van hulp goed werken om deze vorm van geweld te stoppen.

De gebruikte vragenlijsten: De prevalentie en frequentie van partnergeweld en kindermishandeling zijn gemeten door middel van de CTS2 (Conflict Tactics Scale, partnergeweld) en de CTSPC (Conflict Tactics Scale Parent Child, kindermishandeling). Beide instrumenten zijn eerder in het Nederlands gebruikt in gezinnen waarin sprake was van partnergeweld en/of kindermishandeling (Tierolf e.a., 2014). De CTSPC is een versie van de CTS2, maar bij de CTSPC wordt het geweld tussen ouder en kind gemeten en bij de CTS2 het geweld tussen partners. Partnergeweld De CTS2 is door Straus, Hamby, Boney-McCoy, en Sugarman ontwikkeld (1996) en door Lamers-Winkelman naar het Nederlands vertaald. Voor dit onderzoek worden de volgende subschalen gebruikt: fysiek geweld, psychologisch geweld, seksueel geweld, verwondingen, en onderhandelen. De subschaal onderhandelen betreft geen partnergeweld maar wordt gebruikt als controlevragen. De vragenlijst bestaat uit 39 items die worden voorgelegd. Voor elk item wordt gevraagd naar het geweld dat de respondent zelf gebruikt en naar het geweld door de partner. Ook kon de respondent een score geven tussen de 1 (dit is nooit gebeurd) en 8 (meer dan twintig keer in het afgelopen jaar). De Cronbach’s alpha’s voor de fysiek-geweldschaal en de psychisch-geweldschaal zijn respectievelijk .91 en .89.

De Cronbach’s alpha voor de seksueel-geweldschaal is .81 en voor de verwondingenschaal is .80. De totale geweldschaal heeft in dit onderzoek een Cronbach’s alpha van .95. Aan deze vragenlijsten zijn vragen toegevoegd over coercive control en stalking gebaseerd op vragenlijsten ontwikkeld door het WODC (Akkermans e.a., 2020) met Cronbach’s alpha’s van respectievelijk .65 en .75. Volwassenen vullen over zichzelf en over de (ex) partner vragen in over het controleren van financiële uitgaven en contact met familie en vrienden (coercive control) en als het een ex-partner betrof ongewenst benaderen en bespioneren (stalking). Wat betreft coercivecontrol zijn er drie items toegevoegd, en voor stalking zes items.

23

Dating geweld Dating geweld is gemeten met een door onszelf verkorte versie van bovenstaande CTS2. Deelnemende kinderen van 14 jaar en ouder vulden de vragenlijst in. Eerst vulden zij algemene vragen over daten in, zoals of zij al relaties hadden, hoeveel relaties zij al hadden gehad, hoe lang, en hoe belangrijk deze voor hen waren geweest (Lamers-Winkelman e.a, 2007). Vervolgens werd voor meerdere gedragingen die vallen onder fysiek, emotioneel of seksueel geweld (zoals belachelijk maken, bedreigen, slaan) vijf vragen gesteld waarbij telkens gevraagd is of zij slachtoffer of ploeger waren. De frequentie is uitgevraagd middels scores tussen de 1 (dit is nooit gebeurd) en 8 (meer dan twintig keer in het afgelopen jaar). We vroegen of deelnemers dit hadden gedaan en of deelnemers hier slachtoffer van waren geweest. De Cronbach’s alpha van de dating geweld vragenlijst is .79. Kindermishandeling De CTSPC wordt gebruikt om kindermishandeling te meten. Deze is ontwikkeld door Straus, Hamby, Finkelhor, Moore en Runyan (1998) en door LamersWinkelman naar het Nederlands vertaald. Voor dit onderzoek worden twee versies gebruikt, namelijk de ouderversie en de kindversie. Kinderen kunnen deze vragenlijst vanaf acht jaar invullen.

Bij de ouderversie wordende volgende subschalen gebruikt: niet-gewelddadige disciplinering (α=.80), psychische agressie (α=.76), fysiek geweld (α=.61, inclusief vragen over disciplinering of lichamelijke straffen), en verwaarlozing (α=.41). Bij de kindversie worden de subschalen niet-gewelddadige disciplinering (α=.74, deze wordt niet meegenomen voor de score op kindermishandeling alleen gebruikt als controlevragen), psychische agressie (α=.86), fysiek geweld (α=.87, inclusief vragen over disciplinering of lichamelijke straffen) en getuige van geweld tussen ouders (α=.89) gebruikt. Voor elk item kon de respondent een score geven op een 8-punts Likertschaal tussen de 1 (dit is nooit gebeurd) en 8 (meer dan twintig keer in het afgelopen jaar). De betrouwbaarheidscoëfficiënt van de CTSPC voor het totaal aan geweld is een Cronbach’s alpha van .75 voor ouders en .92 voor kinderen.

Oudermishandeling Om oudermishandeling te meten wordt de Child-to-Parent Aggression Questionnaire gebruikt (CPAQ; Calvete e.a., 2013). Uit een recente studie waarin meerdere vragenlijsten werden vergeleken bleek dat dit instrument momenteel wordt aangeraden (Arias-Rivera e.a, 2020). De vragenlijst is gevalideerd voor de leeftijd van 13 tot 18 jaar en bestaat uit 10 items die over beide ouders worden ingevuld. Zeven items gaan over fysiek geweld en drie items over psychisch geweld, met Cronbach’s alpha’s van .78 tot .83. De vragen worden beantwoord over het afgelopen jaar en met een schaal van 0 (nooit gebeurd), 1 (1 of 2 keer gebeurd), 2 (3-5 keer gebeurd) tot 3 (6 of meer keren gebeurd). We hebben de vragenlijst voor gelegd aan kinderen vanaf 8 jaar. Van de vragenlijst voor kinderen is ook een versie voor ouders door ons gemaakt, zodat we oudermishandeling zowel bij ouders als kinderen konden uitvragen. De vragenlijst voor ouders heeft een Cronbach’s alpha van .74 voor fysiek en .85 voor psychisch geweld. Andere vormen van familiair geweld Tenslotte stellen we een aantal losse vragen rondom huiselijk geweld. We vragen of en voor wie er een tijdelijk huisverbod (THV) is ingezet en of er sprake is van een contactverbod.

Ook hebben we aan het eind van de vragenlijsten over geweld gevraagd of er naast de uitgevraagde geweldsvormen andere incidenten waren gericht op de ouder of diens kind (ook door andere familieleden). We vroegen deelnemers de incidenten te beschrijven. Hierna vroegen we of deelnemers met anderen hadden gesproken over het geweld en zo ja, met wie ze hierover hadden gesproken. Op deze manier meten we welk percentage van slachtoffers en plegers van huiselijk geweld dit bespreekt met anderen. Zowel volwassenen als kinderen hebben deze vragen beantwoord. Totaal huiselijk geweld Voor de analyses die we uitvoeren wordt op basis van de vragenlijsten die kindermishandeling (psychisch, fysiek, verwaarlozing) en partnergeweld (psychisch, fysiek, seksueel, verwondingen, controlerend gedrag) meten een 24

indeling gehanteerd van drie groepen: ‘geen’, ‘mild’ en ‘ernstig of veelvuldig’ geweld (vgl. Tierolf e.a., 2014a, Steketee e.a., 2020a; Lünnemann e.a., 2022). Stalking is niet meegenomen omdat dit alleen uitgevraagd is bij een kleine specifieke groep van respondenten. De CTS-2 en CTSPC maken een indeling naar milde en ernstige incidenten van kindermishandeling en partnergeweld. De 3 items van controlerend gedrag die zijn meegenomen in dit onderzoek worden als losse items als milde incidenten gezien, maar als deze gedragingen 4 of meer keer zijn voorgekomen het afgelopen jaar wordt het gezien als ernstig geclassificeerd. Daarnaast hebben we het meer-actoren perspectief gebruikt. Dit betekent dat we meerdere informatiebronnen over geweld hebben opgenomen, namelijk van mannen, vrouwen, en eventuele kinderen. Voor de vormen fysieke en psychologische kindermishandeling net als fysiek en psychologisch partnergeweld hebben we informatie vanuit meerdere bronnen (ouders en kinderen, beide partners). Aangezien respondenten eerder onderrapporteren dan overrapporteren (Langhinrichsen-Rohling & Vivian, 1994; Petersen e.a., 2013), gebruiken we de score van de respondent die het hoogste aantal incidenten heeft gemeld.

Een huishouden wordt geclassificeerd als ‘geen geweld’ wanneer alle gezinsleden 0 incidenten van kindermishandeling en 0 incidenten van ernstig partner hebben gerapporteerd, en opgeteld minder dan vier incidenten van matig psychologische partnergeweld (van de CTS-2 items) hebben gerapporteerd. De keuze voor vier incidenten van matig psychisch partnergeweld is als volgt. In de grootschalige Europese studie onder 28 landen (FRA, 2014) is besloten dat ook matige psychologische agressie moet worden gezien als geweld als het meer dan incidenteel voorkomt. We hebben twee onderzoeken gebruikt die zijn uitgevoerd onder gezinnen die de algemene Nederlandse bevolking weerspiegelen om te bepalen welke grens we moeten gebruiken voor de frequentie van matig psychisch partnergeweld (Akkermans e.a., 2020; Tierolf e.a., 2014a). Uit het onderzoek van Tierolf en collega’s (2014) bleek dat gezinnen in de algemene Nederlandse bevolking gemiddeld vier items van

de CTS-2 rapporteerden die milde vormen van partnergeweld zijn (bijv. het huis uit stormen, schreeuwen). Het onderzoek van Akkermans en collega’s (2020) concludeerde dat bijna de helft van de respondenten melding maakte van (lichte) verbale agressie, waarbij ruim 80 procent aangaf dat dit minder dan vier keer gebeurde. Hieruit blijkt dat in een ‘gemiddelde’ intieme relatie deze gedragingen ook wel eens voorkomen. Een gezin wordt geclassificeerd als ‘matig geweld’ als het aantal incidenten matig partnergeweld opgeteld maximaal 21 is (met een minimum van 4 incidenten voor matig psychisch partnergeweld en minimaal 1 voor de andere vormen van partnergeweld en kindermishandeling), en maximaal 2 matige incidenten kindermishandeling en geen van de gezinsleden een ernstig incident van kindermishandeling of partnergeweld heeft gerapporteerd. Ten slotte, wanneer ten minste één van de gezinsleden één of meer ernstige gevallen van kindermishandeling of partnergeweld had gemeld, of meer dan 21 incidenten van matig partnergeweld of meer dan 3 incidenten van matige kindermishandeling, werd dit gezin geclassificeerd als ‘ernstig of veelvuldig gezinsgeweld’. Met deze indeling willen we duidelijk maken hoe onveilig het is binnen het gezin of de relatie.

We hebben hierin geweld van kind naar ouder niet meegenomen, omdat we een beeld willen schetsen van de onveiligheid die door volwassenen wordt gecreëerd. 2.3.2. Welzijn van volwassenen Om te onderzoeken of het welzijn van volwassenen verbetert worden verschillende constructen gemeten, namelijk traumaklachten, opvoedstress en ouderschapscompetenties, alcohol- en drugsgebruik, kwaliteit van leven en achtergrondvariabelen van de ouder. Het opgroeien in een conflictueus gezin met agressie en geweld vergroot het risico om zelf als volwassene geweld te plegen in intieme relaties en tegen kinderen (WHO, 2006). Men gaat ervan uit dat een derde van de kinderen die zijn opgegroeid in een gezin waar agressie en geweld plaatsvonden, als volwassene geweld gebruikt tegen zijn of haar

25

kinderen, terwijl twee derde de geweldsspiraal weet te doorbreken (Assink e.a., 2018: Madigan e.a., 2019). Nagegaan wordt wat de gezinssituatie is en of volwassenen in hun jeugd kindermishandeling of andere jeugdtrauma’s hebben meegemaakt. De Adverse Childhood Experience (ACE)-studie (Felitti e.a., 1998) laat zien dat er een sterke relatie bestaat tussen ACE’s, zoals kindermishandeling, en fysieke en psychische aandoeningen. De geweldservaringen dragen ertoe bij dat het meer psychische inspanning kost om een goede ouder te zijn, zeker als de moeder ook als slachtoffer is getraumatiseerd. Kortom, jeugdtrauma’s en het zelf meegemaakt hebben van geweld in het gezin waar je bent opgegroeid worden niet alleen geassocieerd met herhaling van het geweld maar ook met een slechte geestelijke gezondheid tijdens de volwassenheid (Montalvo-Liendo e.a., 2015). In het onderzoek wordt nagegaan of volwassenen zelf traumaklachten hebben al dan niet als gevolg van de jeugdtrauma’s of het huidige partnergeweld. Geweld in het gezin zet de opvoeding van kinderen onder druk. Ouders die te maken hebben met geweld in hun relatie vinden het vaak moeilijk om hun kinderen emotionele steun te bieden en kunnen de kinderen niet altijd de aandacht bieden die zij nodig hebben (Pels e.a, 2011). Spanningen binnen de ouderrelatie hebben een negatief effect op de ouder-kind relatie.

Ook problemen in de partnerrelatie blijken direct door te werken in de opvoedingsrelatie. In de opvoeding is een belangrijke risicofactor voor het ontstaan van kindermishandeling de mate van opvoedstress die ouders ervaren (Mackenzie e.a., 2011). Ouders zouden bijvoorbeeld minder sensitief en responsief worden naar hun kinderen en zij gebruiken hierdoor sneller ineffectieve disciplineringsmethodes, zoals schreeuwen en (zomaar) negeren. In het onderzoek kijken we naar de ouderschapscompetenties en opvoedstress van de ouders. Alcohol en middelenmisbruik zijn een belangrijke voorspeller voor partnergeweld (Winkel e.a., 2009). Voor middelengebruik in het algemeen geldt overigens dat er een verband bestaat met een geweldsgeschiedenis: plegers met een geschiedenis van familiegeweld (inclusief partnergeweld) hebben een grotere kans op middelenmisbruik dan wanneer dit niet het geval is (Winkel

e.a., 2009). Ook blijkt uit onderzoek dat probleemdrinkers vaker recidiveren met fysiek, psychisch en seksueel geweld tegen hun partner dan niet-probleemdrinkers (Horn e.a, 2006). Niet in alle huishoudens spelen ‘zware’ problematiek, zoals traumaklachten van volwassenen of kinderen. Om toch een mogelijke verbetering van de aanpak huiselijk geweld zichtbaar te maken, bekijken we ook de kwaliteit van leven van de volwassenen. Daarnaast kijken we naar een aantal achtergrondvariabelen van de volwassenen zelf. Uit de literatuur is bekend dat een aantal individuele factoren voorspellers zijn voor partnergeweld en kindermishandeling. Een relatief jonge leeftijd en een lagere sociaaleconomische klasse zijn statisch relevante risicofactoren, evenals geweld in het gezin van herkomst (Steketee e.a., 2016). Jeugdtrauma’s Jeugdtrauma’s worden gemeten met de verkorte vragenlijst van de Adverse Childhood Experiences (ACE; Dube, e.a., 2003). Hierbij vullen deelnemers tien vragen in over traumatische gebeurtenissen in de eerste 18 jaar van hun leven, waarbij ze ‘ja’ of ‘nee’ kunnen antwoorden.

Het betreft de volgende tien categorieën: emotioneel misbruik, lichamelijke mishandeling, seksueel misbruik, emotionele verwaarlozing, lichamelijke verwaarlozing, ouderlijke scheiding of echtscheiding, moeder gewelddadig behandeld, middelenmisbruik van een van de familieleden uit het gezin, geestesziekte van een van de familieleden uit het gezin, detentie van een van de familieleden uit het gezin. De interne betrouwbaarheid van de ACE is hoog: met een Cronbach’s alpha van .75 is de ACE betrouwbaar. Traumatische symptomen De Trauma Symptoms Inventory (Briere, 1995) is gebruikt om traumasymptomen bij volwassenen te meten. Deze lijst is te gebruiken bij de evaluatie van acute of chronische posttraumatische symptomen, waaronder effecten van verkrachting, huiselijk geweld, fysieke mishandeling, oorlogshandelingen,

26

grote ongelukken, natuurrampen, alsmede kindermishandeling en andere vroegere traumatische gebeurtenissen. De subschalen van de TSI meten een breed scala aan psychologische effecten en betreffen niet alleen symptomen die gewoonlijk zijn verbonden met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) of een acute stressstoornis (ASS), maar ook zowel intra- als interpersoonlijke problemen die vaak worden geassocieerd met meer chronische psychologische trauma’s (Briere, 1995). De lijst bestaat uit drie validiteitsschalen en de volgende tien klinische schalen: angstige opwinding (α=.80), depressie (α=.91), woede (α=.89), opdringerige ervaringen (α=.90), defensieve vermijding (α=.90), dissociatie (α=.81), seksuele problemen (α=.83), disfunctioneel seksueel gedrag (α=.83), verstoord zelfbeeld (α=.86), en spanningsvermijdend gedrag (α=.72). De zelfrapportage vragenlijst bestaat uit 100 items. Respondenten moeten aangeven hoe vaak bepaalde ervaringen de afgelopen zes maanden zijn voorgekomen. De items worden beantwoord op een ordinale 4-punts Likertschaal, lopend van ‘nooit’ (0) tot ‘vaak’ (3). De betrouwbaarheidscoëfficiënt van de klinische schalen in de huidige steekproef is gemiddeld .84. Ervaren opvoedstress en ouderschapscompetentie Om ouderschapscompetenties en opvoedstress te meten worden meerdere vragenlijsten gebruikt.

Met behulp van de NOSI-K (Nijmeegse Ouderlijke Stress Index - verkorte versie) vragenlijst wordt opvoedstress gemeten. Zo kan worden nagegaan in hoeverre de ouder met de geboden hulp en ondersteuning (weer) in staat is om de pedagogische verantwoordelijkheid voor de kinderen op zich te nemen. De NOSI-K is gebaseerd op de NOSI, de Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (De Brock, e.a., 1992). Deze verkorte versie bevat 25 items, waarbij ouders voor elke stelling aangeven in hoeverre ze het ermee eens zijn op een 6-punts Likertschaal, die loopt van 1 (helemaal oneens) tot 6 (helemaal mee eens). Een hogere score op deze schaal duidt op meer opvoedstress. De totaalscore op deze vragenlijst geeft een indicatie van de door ouders ervaren opvoedstress. De NOSI-K heeft een hoge interne consistentie met een Cronbach’s alpha van .96. De NOSI-K wordt aangevuld met vragen uit de subschaal ‘Competentie’ van

de Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (NOSI; De Brock e.a., 1992). Deze schaal meet de mate waarin de ouder het gevoel heeft voldoende vaardigheden en handigheid te hebben in de omgang met het kind. Ook hierbij wordt gebruik gemaakt van een 6-puntsschaal van 1 (helemaal mee oneens) tot 6 (helemaal mee eens). Een hogere score houdt in dat ouders zich minder competent voelen in de opvoeding. De interne consistentie is hoog, met een Cronbach’s alpha van .72. Alcoholgebruik van ouders Het alcoholgebruik van respondenten en hun partners wordt gemeten met de Audit-C (Bush e.a., 1998). De Audit-C bestaat uit 3 vragen en is een bewerkte vorm van de Audit met 10 vragen. De hier gebruikte versie vraagt zowel naar het eigen alcoholgebruik als naar het alcoholgebruik van de partner. De antwoordcategorieën lopen volgens een 5-punts Likertschaal. Bij twee van de drie vragen loopt deze van 0 (nooit) tot 4 (4 of meer keer per week). Eén vraag gaat in op het aantal drankjes en loopt van 0 (1 of 2) tot 4 (10 of meer). De betrouwbaarheid van de Audit-C voor eigen alcoholgebruik is .61, de betrouwbaarheid van de Audit-C voor alcoholgebruik van de partner is .85. Drugsgebruik van volwassenen De drugvragenlijst Drug Use Disorders Identification Test (DUDIT; Berman e.a, 2007) wordt toegevoegd omdat juist in deze doelgroep veel drugsgebruik als een risicofactor wordt gezien.

De Nederlandse versie van de DUDIT wordt gebruikt om het drugsgebruik van de deelnemende volwassene in kaart te brengen. Deze screeningslijst bevat 11 items. Hoeveel van deze items de deelnemer te zien krijgt hangt af van de antwoorden die worden ingevuld: deelnemers die wel drugsgebruik rapporteren krijgen aanvullende vragen getoond. Cronbach’s alpha van .95.

27

Kwaliteit van leven Kwaliteit van leven van volwassenen is gemeten met de Manchester Short Assessment of quality of life (MANSA, Priebe e.a., 1999). De MANSA is een multidimensionale vragenlijst ontwikkeld met het doel de kwaliteit van leven vast te stellen. De vragen verwijzen naar tevredenheid over iemands baan, woning, relatie en algemene gezondheid. De vragenlijst bestaat uit 12 tot 16 gesloten vragen waarmee de tevredenheid over de leefomstandigheden wordt vastgesteld. De betrouwbaarheidscoëfficiënt van de MANSA is. 84. 2.3.3. Welzijn van kinderen Het welzijn van kinderen wordt gemeten met de constructen hechting, emotionele veiligheid, traumaklachten, probleemgedrag, functioneren en welzijn op school, kwaliteit van leven en kenmerken van het kind. Geweld in het gezin heeft een enorme impact op kinderen. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat kindermishandeling is geassocieerd met een toegenomen risico op het ontwikkelen van een onveilige hechting (Bacon & Richardson, 2001; Baer & Martinez, 2006; Lo e.a, 2017; Raby e.a, 2017). Vanuit het perspectief van de gehechtheidstheorie waarvan Bowlby (1969) de grondlegger is, bedreigen geweld en het aanschouwen van geweld bij een kind de ontwikkeling van een veilige gehechtheid. Door de geweldsincidenten kunnen de ouders niet garant staan voor de bescherming van de kinderen.

Dit heeft tot gevolg dat het vertrouwen en de gehechtheid van de kinderen wordt geschaad (Dijkstra, 2007). Gedesorganiseerde hechting doet zich voor wanneer de hechtingsfiguur tegelijkertijd een bron van veiligheid én van angst is; bij kinderen is dan sprake van zowel toenadering als vermijding naar de ouder. In het onderzoek is gekeken in hoeverre sprake is van een verstoorde hechtingsrelatie en wat de relatie is met het probleemgedrag van de kinderen. Alle vormen van partnergeweld, fysiek, psychisch of in de vorm van verwaarlozing, hebben negatieve gevolgen en leveren stress op bij de kinderen (Cummings & Davies, 2010). Zelfs wanneer de mate van geweld tussen ouders

gering is, blijkt dat dit van invloed is op de emotionele, cognitieve en gedragsmatige reacties van kinderen op dit geweld een jaar later (Cummings e.a, 2009). Ook wanneer ouders non-verbaal ruzie maken, bijvoorbeeld door elkaar te negeren en niet over hun meningsverschillen te praten, reageren kinderen hierop, omdat kinderen de non-verbale signalen in het gedrag van de ouders opvangen. We onderzoeken of er sprake is van emotionele onveiligheid als gevolg van het partnergeweld tussen de ouders en opvoeders en of emotionele veiligheid toeneemt wanneer dit geweld afneemt. Betrokkenheid bij conflicten tussen ouders blijkt het risico bij kinderen op latere externaliserende en internaliserende problemen en traumasymptomen te verhogen (Jouriles e.a., 2014). Het meemaken van geweld tussen ouders valt in de categorie complexe trauma’s. Een complex trauma verwijst naar ‘de ervaring van meerdere, chronische en langdurige, ongewenste traumatische gebeurtenissen, meestal van een interpersoonlijk karakter (bijvoorbeeld seksueel of lichamelijk misbruik, oorlog, partnergeweld)’. Als gevolg van traumatische gebeurtenissen kunnen kinderen diverse trauma gerelateerde klachten ontwikkelen.

Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een verstoorde emotie- en impulsregulatie, leerproblemen op school, maar ook vaak ruzie hebben met leeftijdsgenoten, doordat kinderen als gevolg van het getuige zijn van huiselijk geweld traumasymptomen en/of PTSS ontwikkelen. De strategieën die kinderen hanteren tijdens de conflicten kunnen internaliserende problemen voorspellen, zoals angsten en depressies. In het onderzoek wordt daarom naast traumaklachten ook gekeken welk probleemgedrag de jongeren vertonen, zoals delinquent gedrag, schoolprestaties en middelengebruik. Aangezien het niet alleen maar slecht gaat met kinderen, wordt er ook gekeken naar de kwaliteit van leven. Onderzoek naar de gevolgen van kindermishandeling is vaak gefocust op gedrag en mentale gezondheid. Het concept van kwaliteit van leven en het algemeen welzijn zijn minder onderzocht (Weber e.a, 2017). Nagegaan zal worden hoe kinderen hun kwaliteit van leven beoordelen op de verschillende gebieden van gezondheid, psychisch welzijn, school, vrienden en de relatie met hun ouders.

28

Traumaklachten van de kinderen Traumasymptomen van kinderen worden door middel van twee vragenlijsten gemeten, namelijk een ouderversie en een kindversie. Ouders vullen over hun kinderen van 3 tot 12 jaar de Nederlandse vertaling in van de Trauma Symptom Checklist for Young Children (TSCYC; Tierolf & Lamers-Winkelman, 2014). Hierbij vullen ouders 90 items in op een 4-punts Likertschaal van 0 (niet) tot 3 (heel vaak) hoe vaak symptomen die mogelijke reacties van kinderen kunnen weergeven op traumatische gebeurtenissen in de afgelopen vier weken zijn voorgekomen. De vragen zijn uitgesplitst over twee validiteitsschalen en zes klinische subschalen: angst, depressie, posttraumatische stress, seksuele problematiek (.70), dissociatie (.83) en boosheid. De Cronbach’s alpha’s zijn: PTSS (.92), angst (.79), depressie (.85), seksuele problematiek (.69), dissociatie (.85) en boosheid (.90). Kinderen van 8 tot 18 vullen de Nederlandse vertaling van de Trauma Symptom Checklist for Children in (TSCC; Briere, 1996). Hierbij worden 54 items ingevuld op een 4-punts Likertschaal van 0 (nooit) tot 3 (bijna altijd). Kinderen wordt gevraagd aan te geven hoe vaak ze ergens aan denken, hoe ze zich voelen of hoe vaak ze iets doen. In de vragenlijst komen symptomen aan de orde die mogelijke reacties van kinderen kunnen weergeven op een traumatische gebeurtenis.

De lijst bestaat uit twee validiteitsschalen en zes klinische schalen: angst, depressie, posttraumatische stress, seksuele problematiek, dissociatie en boosheid. De Cronbach’s alpha’s voor de subschalen waren in het eerste cohortonderzoek achtereenvolgens angst (.85), depressie (.89), posttraumatische stress (.88), seksuele problematiek (.76), dissociatie (.80) en boosheid (.89). Emotionele (on)veiligheid van kinderen Emotionele veiligheid van kinderen wordt door middel van twee vragenlijsten gemeten, namelijk een ouderversie en een kindversie. Beide vragenlijsten meten dezelfde twee componenten van emotionele veiligheid: regulatie van de blootstelling en emotionele reactiviteit. Ouders vullen voor kinderen van 3 tot 12 jaar de Security in the Marital Subsystem Parent Report in (SIMS-PR;

Cummings & Davies, 2010). De SIMS-PR bestaat uit een lijst met mogelijke reacties van een kind op conflicten tussen zijn ouders. De ouder kan aangeven in welke mate de beschreven reactie overeenkomt met de reactie van zijn/ haarkind op een ruzie, conflict of onenigheid tussen hem- of haarzelf en zijn/ haar partner in het afgelopen jaar. Er zijn 28 reacties van het kind beschreven. De antwoorden worden gescoord op een 5-punts Likertschaal van 1 (helemaal niet) tot 5 (helemaal). Emotionele reactiviteit (in het vorige onderzoek) heeft een betrouwbaarheidscoëfficiënt van .91, gedragsdisregulatie .84, vermijden .74 en bemoeien .85. Kinderen van 8 tot 18 jaar vullen de Security in the Interparental Subsystem Scale Child Report in (SIS; Cummings & Davies,2010). Beide vragenlijsten meten dezelfde twee componenten van emotionele veiligheid: regulatie van de blootstelling en emotionele reactiviteit. Aan oudere kinderen wordt echter ook gevraagd naar interne representaties van de relatie tussen de ouders (Cummings & Davies, 2010). De regulatie van de blootstelling wordt gemeten met de subschalen Openlijke vermijding (OA) en Openlijk bemoeien (OI). Emotionele reactiviteit bestaat uit de subschalen Openlijke emotionele reactiviteit (OER) en Gedragsdisregulatie (BD). De derde component van de SIS betreft de Representatie van de ouderrelatie.

Deze bestaat uit drie subschalen: Constructieve familierepresentaties (CFR), Destructieve familierepresentaties (DFR) (die precies het tegenovergestelde meet), en als laatste Conflict spillover representaties (CSR; Cummings & Davies, 2010). Spillover betekent dat het kind denkt dat het negatieve effect van conflicten over kan gaan naar andere relaties in het gezin. De SIS bestaat uit 44 stellingen waarover kinderen aangeven hoe waar ze voor het kind waren in het afgelopen jaar. De antwoorden worden gescoord op een 4-punts Likertschaal van 1 (niet waar voor mij) tot 4 (helemaal waar voor mij). De Cronbach’s alpha van de vier subschalen van de SIS ligt tussen de .57 (gedragsdisregulatie) en .89 (emotionele reactiviteit). Hechting van het kind met de ouder(s) Hechting tussen ouders en kinderen wordt door middel van twee vragenlijsten gemeten, namelijk een ouderversie en een kindversie. Ouders vullen de

29

Security Scale (Kerns, Klepac & Cole, 1996) in over kinderen tussen de 3 en 18 jaar. De Cronbach’s alpha van deze schaal is .78. Kinderen vanaf 8 jaar vullen de Security Scale in over zowel hun (stief)vader als (stief)moeder. De Security Scale bestaat uit 15 items die beantwoord worden op een 5-punts Likertschaal van 1 (helemaal niet mee eens) tot 5 (heel erg mee eens). Deze vragenlijst is gebaseerd op de gehechtheidstheorie en richt zich op (a) de mate waarin kinderen de gehechtheidsfiguur als responsief en beschikbaar ervaren, (b) de mate waarin het kind ertoe neigt om steun te zoeken bij de ouder ten tijde van stress; en (c) de mate waarin het kind de communicatie met de ouder prettig vindt en waardeert. De betrouwbaarheidscoëfficiënt is .89 voor de vragenlijst over (stief) vaders en .87 voor (stief)moeders. Probleemgedrag van jongeren Probleemgedrag van jongeren wordt gemeten met twee vragenlijsten, waaronder de International Self Report Study Delinquency (ISRD-3). Jongeren vullen 16 vragen in over delinquentie (geweldsdelicten en vermogensdelicten) en middelengebruik (alcohol, softdrugs en harddrugs). Elf probleemgedragingen gedefinieerd in de ISRD worden gebruikt, zoals spijbelen, winkeldiefstal, vandalisme, gewelddadig gedrag en drank- en middelengebruik. De Cronbach’s alpha is .72 voor delinquentie en .68 voor middelengebruik.

De tweede vragenlijst is de Nederlandse versie van de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) en meet psychosociale problematiek (Theunissen e.a., 2016; Goodman, 1997). Deze wordt door kinderen zelf en door ouders over kinderen ingevuld. De vragenlijst is gevalideerd voor kinderen vanaf 11 jaar. Ondanks dat er geen normscores voor bekend zijn nemen wij deze ook af bij de kinderen tussen 8 en 11 jaar oud. Er zijn vijf subschalen: hyperactiviteit/aandachtstekort, emotionele problemen, problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen en pro-sociaal gedrag. De vragenlijst bestaat uit 25 stellingen waarop wordt het kind of de ouder aangeeft of de stelling 1) niet waar, 2) een beetje waar of 3) zeker waar is voor dit kind. De betrouwbaarheidscoëfficiënt van de 25 items ingevuld door kinderen is .73 en ingevuld door ouders is .78.

Kwaliteit van leven De kwaliteit van leven van kinderen is gemeten met de Kidscreen-27 (the Kidscreen Group Europe., 2006). Vragen zijn gebaseerd op ideeën over fysieke, emotionele, mentale, sociale en gedragscomponenten van gezondheid, welzijn en levenskwaliteit. Deze ideeën zijn verzameld in literatuuronderzoek, expertconsultaties en groepsinterviews met kinderen en jongeren. De vragenlijst bestaat uit 27 vragen over de volgende domeinen: lichamelijk welzijn (vijf items); psychisch welbevinden (zeven items); relatie met ouders (zeven items); relatie met vrienden (vier items); school en leren (vier items). De Cronbach’s alpha’s van deze domeinen zijn respectievelijk .84, .85, .85, .89 en .83. Op basis van 10 van deze 27 items wordt een totaalschaal berekend, de Kidscreen-10. De interne samenhang van de Kidscreen-10 met Cronbach’s Alpha is .83. Daarnaast vullen de ouders de proxy lijst over de kinderen van de Kidscreen-10 (the Kidscreen group Europe, 2006) in, over alle kinderen waarover zij vragenlijsten invullen. De versie voor ouders heeft een betrouwbaarheid van .89. Welbevinden op school Om het functioneren en welbevinden op school te meten, hebben we naast het schoolniveau ook het cognitief zelfvertrouwen en het welbevinden met de leraar en medeleerlingen uitgevraagd.

Hiervoor zijn de vragen gebruikt die ook in verschillende cohortstudies zijn gebruikt (Driessen e.a., 2015; Smeets e.a., 2019). Deze vragen waren gebaseerd op vragen uit de ‘Patterns of Adaptive Learning Survey (PALS)’ (Midgley e.a., 2000) en Peetsma e.a. (2001) en lieten Cronbach’s alpha’s van boven de .86 zien. De vragenlijsten bestonden in totaal uit 17 items, waarbij kinderen met een 5-punts Likertschaal aangeven of de stelling voor hen klopte (1 Klopt helemaal niet, tot 5 Klopt precies). 2.3.4. Hulpverlening Tot slot wordt in kaart gebracht welke formele en informele hulp volwassenen en kinderen ontvangen. Aan het einde van vragenlijst is een sectie opgenomen

30

over de hulp die de respondenten ontvangen. Naast de inventarisatie van het hulpaanbod is er ook gevraagd naar de tevredenheid van respondenten over het aanbod en de samenhang tussen de verschillende hulpvormen. Ouders is gevraagd naar de ontvangen hulpverlening van henzelf en van de kinderen. Kinderen vanaf 8 jaar hebben daarnaast ingevuld welke hulpverlening ze zelf hebben ontvangen. Hierbij is zowel naar formele hulpverlening gevraagd als informele vormen van ondersteuning, zoals van vrienden en familie. Aangezien uit het eerste cohortonderzoek bleek dat voor respondenten niet altijd duidelijk is met welke instelling zij te maken hebben, hebben we voor elke regio specifieke instellingen voor hulpverlening ingeprogrammeerd zodat iedereen voor hem/haar herkenbare instellingen krijgt als voorbeeld. Middels vragen aan volwassenen en kinderen over de ingezette hulp en beleving hiervan meten we de indicatoren van samenhangende en effectieve hulp.

Tabel 2.1. Vragenlijsten voor volwassenen en kinderen T0 en T1

2.3.5. Demografische kenmerken We verzamelen meerdere demografische kenmerken. Over het gezin vragen we bijvoorbeeld de woonregio, het gezinsinkomen, het aantal kinderen in bepaalde leeftijdscategorieën, hoeveel kinderen thuis wonen, of en welke beschermingsmaatregelen zijn uitgesproken. Per deelnemer vragen we ook de leeftijd, het geboorteland, geslacht (man, vrouw, anders), betaald werk, opleidingsniveau, religie, schulden en hoeveel tijd ouder met het kind doorbrengt.

2.4.

Overzicht vragenlijsten en validiteitstoetsen

Er zitten een vijftal validiteitstoetsen in de vragenlijsten, op basis waarvan wordt bepaald of de cliënten de vragenlijsten ‘valide’ invullen, zodat de score van de betreffende cliënt niet wordt meegenomen wanneer de vragenlijsten sociaal wenselijk, willekeurig, niet-realistisch ernstig, of niet-realistisch onproblematisch zijn ingevuld. Deze validiteitstoetsen zijn een gevalideerd onderdeel van de vragenlijsten.

Construct

Meetinstrument Ouders

T

Kinderen 8-18

0/1

Demografie

SR: leeftijd, sekse, opleidingsniveau, werk, inkomen, huishouden samenstelling, woonregio, schulden, religie

0/1

Leeftijd, sekse, woonregio, religie

0/1

Kindermishandeling

CR: Conflict Tactic Scale Parent Child (CTS-PC)

0/1

Conflict Tactic Scale Parent Child (CTSPC), Dating violence (vanaf 14 jaar oud)

0/1

SR: Revised Conflict Tactic Scale Partnergeweld (CTS2), WODC vragen over coercive control en stalking

0/1

Revised Conflict Tactic Scale (CTS2)

0/1

Oudermishandeling

SR: Child-to-Parent Aggression Questionnaire (CPAQ)

0/1

Child-to-Parent Aggression Questionnaire (CPAQ)

0/1

Ouderlijke competentie

SR: Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (NOSI) subschaal Parental competence

0/1

x

x

Opvoedstress

SR: Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (NOSI)

0/1

x

x

Alcoholgebruik ouders

SR: Alcohol use disorder indentification test for consumption (Audit-C)

0/1

x

x

Druggebruik ouders

SR: DUDIT

0/1

x

x

Hechting

CR: Security Scale

0/1

Security Scale

0/1

Emotionele veiligheid

CR: Security in the marital subsystem parent report (SIMPR)

0/1

Security in the Interparental Subsystem Scale Child Report (SIS)

0/1

Traumatische jeugd

SR: Adverse Childhood Experience (ACE)

0

x

x

31

Construct

Meetinstrument Ouders

2.5. T

Kinderen 8-18

0/1

Trauma Symptom Checklist for Children (TSCC)

0/1

0/1

Traumasymptomen

SR: Trauma Symptom Inventory (TSI), CR: Trauma Symptom Checklist for Young Children (TSCYC)*

Hulpverlening en steun

Vragen over zowel formele als informele hulpverlening en waardering; bespreken van geweld; ingezette beschermingsmaatregelen, THV, contactverbod

0/1

Vragen over zowel formele als informele hulpverlening en waardering; bespreken van geweld; ingezette beschermingsmaatregelen, THV, contactverbod

Kwaliteit van leven

SR: Manchester Short Assessment of quality of Life (MANSA); CR: Kidscreen-10

0/1

Kidscreen-27

0/1

0/1

International Self-report Delinquency Study (ISRD3) subscale delinquent behaviour; SDQ

0/1

0/1

Probleemgedrag kinderen

CR: SDQ

Middelengebruik

x

x

European School Survey Project on Alcohol and Other Drugs (ESPAD) subschaal substance use

Schoolcarrière kinderen

Schoolniveau

0/1

Schoolniveau, cognitief zelfvertrouwen, welbevinden met leraar en medeleerlingen

0/1

Coronamaatregelen

Vragen over impact van corona op hulpverlening

0/1

Vragen over impact van corona op hulpverlening en school

0/1

SR

ouder zelfrapportage,

CR

ouder over kind rapportage

*

alleen gerapporteerd voor kinderen van 3-12 jaar oud

**

alleen gerapporteerd door kinderen van 12-18 jaar oud

Werving van respondenten voor de referentiegroep

0/1

Voor het effectonderzoek zijn verschillende vragenlijsten gebruikt. We gebruiken hiervoor vanuit het Amerikaans naar het Nederlands vertaalde gevalideerde vragenlijsten en reeds eerder in het Nederlands vertaalde en gevalideerde vragenlijsten. Onze onderzoeksgroep is selectief geworven via Veilig Thuis. We wilden graag de samenhang tussen de constructen die wij meten (partnergeweld, psychotrauma, opvoedstress, jeugdtrauma’s, emotionele veiligheid), toetsen aan de situatie in ‘normale’ gezinnen of volwassenen. Daarom zetten we de onderzoeksgroep af tegen een referentiegroep. De referentiegroep bestaat uit een steekproef van de gehele Nederlandse bevolking, dat wil zeggen dat ook in deze steekproef huiselijk geweld voorkomt. Aangezien een Nederlandse normering in een aantal gevallen ontbreekt, is het voor de duiding van de resultaten in de populatie die te maken heeft (gehad) met huiselijk geweld (hierna te noemen: de onderzoeksgroep), noodzakelijk om ook de resultaten van een Nederlandse referentiegroep te hebben. Voor twee vragenlijsten (de emotionele-veiligheid-lijsten) is geen goede normering voorhanden, vandaar dat wij hebben besloten deze data zelf te verzamelen.

Dit betekent dat wij tijdens het eerste cohortonderzoek (2012) een referentiegroep hebben benaderd die enerzijds representatief is voor de Nederlandse bevolking (18 jaar en ouder) en anderzijds voldoende gezinnen met kinderen tussen de 3 en 18 jaar omvat, om uitspraken te kunnen doen over de samenhang. Vanwege de omvang van de verschillende vragenlijsten kozen we ervoor om niet alle instrumenten hiervoor te gebruiken, maar hebben we de belangrijkste (over geweld, jeugdtrauma’s, opvoedstress, psychotrauma’s en emotionele veiligheid) geselecteerd en in combinatie getoetst binnen een steekproef onder de Nederlandse bevolking. De werving van respondenten voor dit onderzoek werd telefonisch uitgevoerd, waarbij uit alle bekende (mobiele en vaste) telefoonnummers (7.500.000) van de bekendste providers in Nederland in 2012 (KPN, Vodafone) een willekeurige steekproef van 1.000.000 nummers werd getrokken. Deze verdeelden we in negen verschillende blokken van 111.000

32

nummers. De negen blokken werden vervolgens op volkomen willekeurige volgorde gezet en ter beschikking gesteld aan negen onderzoekers die gedurende tien avonden in groepjes van drie tot zeven onderzoekers van 18:30 – 20:30 uur de nummers belden. Voor het kiezen van de nummers was een programma gemaakt dat uit de pool van 111.000 nummers steeds een niet eerder getoond nummer toonde aan de onderzoeker. Na afronding van een telefoongesprek werd via de toets ‘volgende’ een nieuw niet eerder gebeld nummer getoond. In de gesprekken werd het onderzoek toegelicht en werd de respondent gevraagd of hij of zij mee wilde werken. Indien een respondent wilde meewerken, stelden de onderzoekers een aantal aanvullende vragen over de gezinssamenstelling, zodat indien mogelijk ook de kinderen en partners konden meedoen. Daarna kreeg de respondent een e-mail met daarin de informatie over het onderzoek, de internetlink naar de vragenlijsten en gebruikersnamen/ wachtwoordcombinaties voor alle mogelijke deelnemers uit het huishouden. Indien respondenten de vragenlijsten niet via internet wilden (of konden) invullen, kregen ze vragenlijsten op papier toegezonden. Daarnaast is er gebruik gemaakt van een jongerenpanel van Kanter die bepaalde vragen ingevuld waardoor we voor bijvoorbeeld de SDQ ook een referentiegroep hebben. 741 jongeren van het panel van Kanter hebben de vragenlijst ingevuld.

Het gaat om jongeren die de referentiegroep vormen voor de kinderen die te maken hebben gehad met kindermishandeling.

bepaald of een verschil/verband statistisch significant is, en anderzijds wordt gekeken hoe groot het effect van het verschil/verband is. Dit laatste wordt uitgedrukt in ‘klein’, ‘gemiddeld’ en ‘groot’. Wanneer een effect kleiner dan ‘klein’ is (de ondergrens), dan wordt het verschil/verband niet benoemd, ook al kan het dan wel statistisch significant zijn. We spreken dus alleen van een verschil/ verband wanneer er minimaal sprake is van een significant klein effect. Wanneer het effect groter is, wordt daarmee het verschil/verband betekenisvoller. We maken hierbij gebruik van de door Cohen (1988) voorgestelde en deels door Miles en Shevlin (2001) bijgestelde vuistregels voor effectgrootte, deze worden hieronder in de tabel weergegeven voor de maten die wij voor de effectgrootte in deze rapportage zullen gebruiken. Bij elk geconstateerd verschil/verband wordt tevens de effectgrootte aangegeven met de waarde voor de bijbehorende maat, hierbij kan dezelfde maat (η2) bij een andere analyse een andere betekenis hebben. Deze maten worden hieronder in de tabel kort uitgelegd. Op een aantal plekken worden gemiddeldes van dichotome variabelen (0/1) als percentages in de tekst en tabellen weergegeven, terwijl het effect wordt bepaald op basis van het gemiddelde. Tabel 2.2 Effectmaten en bepaling effectgrootte analyses Personen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14206932/1