RIB.24.046 Doorontwikkeling GIA
Tekst van het document
Stuknummer: 24.0002458
Raad 28-05-2024 RIB.24.046
raadsinformatiebrief van
: Burgemeester en wethouders
portefeuillehouder
: R. Bouten
aan
: De leden van de gemeenteraad
datum
: 01/05/2024
status
: Actieve informatie
openbaar
: Ja
Onderwerp Stand van zaken lokale doorontwikkeling geweld in afhankelijkheidsrelaties Aanleiding In de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties (zoals huiselijk geweld en kindermishandeling) spelen we als gemeente, in samenwerking met ketenpartners als Veilig Thuis en politie, een belangrijke rol. Uit verschillende landelijke en lokale inzichten blijkt dat we op dit moment onvoldoende in staat zijn om veiligheid te realiseren in gezinnen die te maken hebben met huiselijk geweld. Zo laat de derde cohortstudie van VerweyJonker (bijlage 1) zien dat in slechts 21% van de gezinnen het geweld na een jaar is gestopt. 1 Vanwege de ernst, urgentie en impact van deze problematiek – zowel individueel als maatschappelijk – en het intergenerationele karakter (waarbij geweldsproblematiek van generatie op generatie wordt doorgegeven), in combinatie met de hardnekkigheid van geweldspatronen, zetten we als gemeente Horst aan de Maas stappen om de veiligheid in deze gezinnen te herstellen en te behouden. Gezinnen die te maken hebben met geweld, in de breedste zin van het woord, hebben een intensievere, structureel andere aanpak nodig om te herstellen van onveiligheid.
Ondanks de landelijke en regionale aandacht voor dit thema stellen we als gemeente Horst aan de Maas vast dat deze gezinnen niet langer kunnen wachten en zetten we stappen om de veiligheid in deze gezinnen te herstellen en te behouden. Daarbij houden we een aantal inhoudelijke uitgangspunten aan, waaronder: ▪ Snel handelen bij binnenkomst van een melding; ▪ Een goede, systemische analyse aan de voorkant; ▪ Een vast gezicht en transparantie voor het gezin; ▪ Langdurige en flexibele nabijheid. Op basis van deze uitgangspunten ontwikkelen we aan de hand van de volgende lijnen: 1) Gezamenlijkheid aan de voorkant; 2) Intensief casemanagement; 3) Continuïteit in de samenwerking.
1 Huiselijk geweld, een complex en hardnekkig probleem. Derde Cohortstudie: Resultaten van de aanpak partnergeweld en
kindermishandeling. Majone Steketee, Liselotte van Loon-Dikkers, Milou Lünnemann, Youp Dusault, Bas Tierolf. September 2023. Bezoekadres: Wilhelminaplein 6, Horst
Postbus 6005 / 5960 AA Horst
T 077 – 477 97 77
F 077 – 477 97 50
Pag. 2 van 3
De onderdelen zijn hieronder nader toegelicht. Gezamenlijkheid aan de voorkant In de huidige situatie is er sprake van een estafettemodel, waarbij een melding van huiselijk geweld steeds wordt overgedragen naar de volgende organisatie die vanaf dat moment de verantwoordelijkheid draagt. In dit systeem is er sprake van versnippering en gaat informatie verloren. Daarnaast is de route te traag als het gaat om verbinding maken met het gezin in kwestie en hulpverlening positioneren; volgens het landelijk handelingsprotocol heeft Veilig Thuis maximaal 5 werkdagen om de melding te beoordelen en eventueel over te dragen. Dit terwijl het van essentieel belang is om zo snel mogelijk – wanneer de oester nog geopend is – in contact te komen met het gezin in kwestie, omdat op dat moment de bereidheid tot het accepteren van hulp nog het grootste is. Het voorstel dat we op dit moment uitwerken betreft om die reden een periodieke, gezamenlijke triage. Daarbij worden twee keer per week, samen met politie, Veilig Thuis en de gemeente, de Veilig Thuis-meldingen besproken en informatie verrijkt. Vanuit hun wettelijke bevoegdheid beoordeelt Veilig Thuis vervolgens direct, op basis van de verrijking en input van de andere partijen, het veiligheidsniveau en welke partij de melding vervolgens oppakt.
Met deze werkwijze komt de beschikbare informatie tegelijkertijd op tafel en kan het beeld van de situatie zo volledig mogelijk worden gevormd. Daarnaast kan de melding, vanwege het frequente karakter, zo snel mogelijk worden opgepakt. De zeer acute meldingen worden bij binnenkomst direct door Veilig Thuis zelf opgepakt; deze niet kunnen wachten tot het volgende triagemoment. Tot slot wordt er gewerkt aan een convenant om het op deze manier delen en verrijken van informatie te onderbouwen en vast te leggen. Intensief casemanagement Wanneer de melding wordt overgedragen aan de gemeente landt deze, in de huidige situatie, bij de gebiedsteams in het sociaal domein. Een gezinscoach of maatschappelijk werker neemt vervolgens contact op met het gezin om beter beeld te krijgen van de situatie en te beoordelen wat er nodig is om de veiligheid te herstellen. Patronen van huiselijk geweld of kindermishandeling zijn echter complex, vaak intergenerationeel (van generatie op generatie) en moeilijk te doorbreken, zodanig dat op dit moment de benodigde randvoorwaarden om geweld duurzaam te stoppen binnen de gebiedsteams ontbreken. Om die reden zijn we bezig met het uitwerken van een functie waarbinnen intensief casemanagement is belegd.
Collega’s die deze rol gaan vervullen zullen worden opgeleid in onder andere systemisch werken (met aandacht voor de context en de relaties binnen het systeem), het kunnen bieden van meervoudige partijdigheid (een onafhankelijke positie ten opzichte van de gezinsleden) en kennis op het gebied van verschillende geweldspatronen. Daarnaast zullen ze worden gefaciliteerd in tijd, ruimte en mandaat, zodat ze vanuit hun rol kunnen doen wat nodig is om veiligheid te realiseren. Tegelijkertijd wordt er een aantal competenties van ze verwacht, waaronder flexibiliteit, stressbestendigheid en relativerend vermogen. De intensief casemanager zal proactief, structureel en langdurig betrokken zijn en een vast gezicht voor het gezin in kwestie vormen. Tegelijkertijd is deze de spin in het web en aanspreekpunt voor betrokken partners. Continuïteit in de samenwerking Onder randvoorwaarden verstaan we niet alleen de tijd en ruimte die de intensief casemanager krijgt, maar daarnaast ook continuïteit in de samenwerking met partners, zoals GGZ-aanbieders en Gecertificeerde Instellingen (GI’s). Wanneer (specialistische) hulpverlening nodig is in het gezin, is het van belang dat deze zo snel mogelijk kan worden ingezet. We verkennen daarom een aantal mogelijke scenario’s van nauwere
2
Pag. 3 van 3
samenwerking met een aantal GGZ-aanbieders. Deze verkenning bevindt zich nog in een voorfase, maar zal de komende tijd concretere vormen aannemen. Daarnaast is de samenwerking met de Gecertificeerde Instellingen op dit moment opgeknipt. De GI’s komen in beeld wanneer er een gedwongen jeugdmaatregel wordt opgelegd, zoals een ondertoezichtstelling. Wanneer deze maatregel wordt opgelegd, sluit het gebiedsteam van de gemeente de casus af en wordt deze overgedragen aan de Gecertificeerde Instelling. Dit maakt dat het ‘bekende gezicht’ verdwijnt, terwijl de GI in principe tijdelijk betrokken is. Daarnaast is de GI verantwoordelijk voor de begeleiding van de jeugdige(n), terwijl huiselijk geweld en kindermishandeling een probleem is van het hele systeem. Een vaste betrokkene die in het belang van het hele gezin handelt is dus belangrijk. Daarom verkennen we samen met de Gecertificeerde Instellingen een doorlopende samenwerking: wanneer er wordt opgeschaald naar het gedwongen kader, blijft de intensief casusregisseur in beeld en wordt er in gezamenlijkheid opgetrokken. Ook deze samenwerking moet nog verder worden uitgewerkt de komende tijd. Tot slot komt het voor dat er intensief casemanagement nodig is na bijvoorbeeld de inzet van een dienst van Veilig Thuis of de betrokkenheid van een gezinscoach of Wmo-consulent.
In dat geval is er, in het kader van continuïteit en transparantie richting het gezin, altijd sprake van een warme overdracht. Terugblik Filomena en vervolg Op maandag 22 april zijn we met een brede vertegenwoordiging van de gemeenteraad afgereisd naar Rotterdam, voor een werkbezoek aan de politie Rotterdam en Filomena, Centrum voor huiselijk geweld en kindermishandeling. We zijn meegenomen in de werkwijze rondom het Tijdelijk Huisverbod en de inzet van intensief casemanagement bij Filomena wanneer er sprake is van intieme terreur of extreem geweld. De sterke ketensamenwerking en de brede inzetbaarheid van het tijdelijk huisverbod nemen we mee in onze lokale doorontwikkeling. Daarnaast onderzoeken we of en hoe de werkwijze van Filomena zou kunnen landen in onze regio. Waar we in onze lokale doorontwikkeling nadrukkelijk kiezen voor intensief casemanagement is Filomena veelzijdig ingericht; een open inloop en samenwerking met regionale partners onder één dak, waarbij de locatie is ingericht om te kunnen voorzien in medisch onderzoek en een veilige, huiselijke context voor slachtoffers en kinderen. De voorbereidingen voor de drie bovengenoemde lijnen in onze lokale doorontwikkeling zijn in volle gang. We sturen op de operationele start vóór 1 januari 2025.
Een nadere financiële onderbouwing voor een eventuele structurele investeringsvraag zal te zijner tijd worden voorgelegd aan uw gemeenteraad. Bijlagen 1. Derde Cohortstudie Verwey-Jonker: Resultaten van de aanpak partnergeweld en kindermishandeling
3
25% Derde Cohortstudie: Resultaten van de aanpak partnergeweld en kindermishandeling
Huiselijk geweld: een complex en hardnekkig probleem Majone Steketee Liselotte van Loon-Dikkers Milou Lünnemann Youp Dusault Bas Tierolf
Huiselijk geweld: een complex en hardnekkig probleem Derde Cohortstudie: Resultaten van de aanpak partnergeweld en kindermishandeling Auteurs: Majone Steketee Liselotte van Loon-Dikkers Milou Lünnemann Youp Dusault Bas Tierolf Met medewerking van: Mathilde Compagner Jildou van der Ploeg
Utrecht, september 2023
Inhoudsopgave Voorwoord5 Samenvatting6
3 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7.
Dankwoord11 3.9. 1 1.1. 1.2.
1.6.
Inleiding 12 Inleiding en achtergrond van het onderzoek 12 Huiselijk geweld en kindermishandeling: aard en omvang en gehanteerde definities 13 Onderzoeksdoel en vraagstelling 15 Onderzoeksopzet 16 De derde cohortstudie in relatie tot de eerdere cohortstudies17 Leeswijzer 18
2 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7.
Methodologische verantwoording Inleiding Dataverzameling Vragenlijsten voor volwassenen en kinderen Overzicht vragenlijsten en validiteitstoetsen Werving van respondenten voor de referentiegroep Effecten Conclusie
1.3. 1.4. 1.5.
20 20 20 22 31 32 33 34
Achtergrondkenmerken onderzoekspopulatie 35 Inleiding 35 Bereik van de respondenten in Nederland 35 Regionale spreiding van de respondenten 35 Samenstelling van de onderzoeksgroep 37 Achtergrondkenmerken van de deelnemende volwassenen en ouders38 Achtergrondkenmerken deelnemende kinderen 41 Samenstelling onderzoekspopulatie op T0 en de respondenten die aan beide metingen hebben deelgenomen 41 Conclusie 43
4 4.1. 4.2.
Afname van partnergeweld en kindermishandeling 44 Inleiding 44 Is er sprake van een afname van het totaal aan geweld in de huishoudens?44 4.3. Partnergeweld 46 4.4. Kindermishandeling 54 4.5. Oudermishandeling 57 4.6. Andere vormen van geweld 58 4.7. Partnergeweld gaat vaak samen met geweld tegen kinderen 59 4.8. Intergenerationele overdracht van geweld 59 4.9. Dating geweld jongeren 61 4.10. Conclusie 61 5 5.1. 5.2.
Relatie tussen het geweld en welzijn volwassenen en ouderschap64 Inleiding 64 Psychotrauma’s van de volwassenen 64
3
5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 6 6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.6. 6.7. 6.8. 7 7.1. 7.2.
Opvoedvaardigheden van de ouders Veiligheidsbelevingen kwaliteit van leven Vergelijking tussen volwassenen met en zonder kinderen Conclusie Relatie tussen geweld en ontwikkeling van het kind Inleiding Ouder-kind gehechtheid Emotionele veiligheid van kinderen Psychotrauma’s van kinderen Psychosociale problemen Probleemgedrag kinderen Kwaliteit van leven en welbevinden op school Conclusie
66 67 67 68 69 69 69 71 72 73 76 76 78
Ontvangen (in)formele hulp gedurende jaar na melding 80 Inleiding 80 Inventarisatie van het (in)formele hulpverlenings- of begeleidingstraject voor volwassen? 80 7.3. Inventarisatie (in)formele hulpverleningstraject aan de kinderen 83 7.4. Aantal hulpinstellingen waarvan volwassenen en kinderen hulp hebben gekregen 84 7.5. De relatie tussen geboden (in)formele hulp en ondersteuning en de afname van geweld 85 7.6. De relatie tussen geboden (in)formele hulp en het welzijn van volwassenen van kinderen 86 7.7. Effect van de inzet van gedwongen kader op geweld in het huishouden/gezin91 7.8. Met wie zijn de geweldsincidenten besproken? 93 7.9. Tevredenheid van huishoudens met de ontvangen hulp 94 7.10. Conclusie 96
8 8.1. 8.2. 8.3. 8.4. 8.5. 9 9.1. 9.2. 9.3. 9.4. 9.5. 9.6.
Wat als het geweld niet stopt? Inleiding Verschillen de huishoudens waar het geweld gestopt is van de andere huishoudens? De vraag is of het uitmaakt of het geweld daadwerkelijk stopt Hebben de huishoudens waar het geweld gestopt is andere hulp ontvangen dan de andere huishoudens? Conclusie volwassenen Belangrijkste conclusies van het onderzoek en de implicaties voor de praktijk Inleiding De respondenten die deelgenomen hebben aan de studie Afname van partnergeweld en kindermishandeling Relatie afname geweld met welzijn volwassenen en kinderen Wat werkt voor welke gezinnen? Implicaties voor hulpverlening en aanbevelingen
Gebruikte literatuur Bijlagen 1 Leden van de begeleidingscommissie 2 Studenten en project-assistenten die meegewerkt hebben aan het onderzoek 3 Geleerde lessen voor toekomstige cohortstudies
100 100 100 102 108 109
111 111 112 113 115 116 120 126
132 133 134
4
Voorwoord Huiselijk geweld als thema kruipt de laatste jaren steeds meer uit zijn schulp. Verschillende ministeries maken al jaren beleidsvoorstellen, en verschillende ministers dragen die regelmatig met verve uit. Het parlement volgt de ontwikkelingen met een behoorlijke mate van betrokkenheid. In de media zijn begrippen als femicide inmiddels met regelmaat terug te vinden, en de hulpverlening aan slachtoffers van huiselijk geweld is al lang geen obscure uithoek meer van het institutionele palet aan zorginstellingen. Dat is winst, maar ook pas een begin. Er is meer onduidelijk dan duidelijk over de aanpak van huiselijk geweld. Wat zijn de precieze profielen van slachtoffers en daders – en zijn die altijd duidelijk van elkaar te scheiden? Wat werkt om slachtoffers te ondersteunen om weg te komen uit een geweldsituatie, wat werkt om trauma’s te verwerken, welke interventies zijn mogelijk om daders te bewegen om te stoppen en wat kun je doen om te zorgen dat ze blijvend niet in herhaling vallen? En onder welke condities werkt iets wel of niet? En daarachter schuilt te vraag: hoe kunnen we huiselijk geweld daadwerkelijk voorkómen? Er zijn aanzetten tot antwoorden, er is de nodige praktijkervaring – die helaas vaak niet verder komt dan de individuele hulpverleners –, er zijn gespecialiseerde organisaties ontstaan en er is een beperkte stroom van onderzoek.
Je zou willen dat het proces van het krijgen van meer inzicht sneller ging. De aanpak van huiselijk geweld is een kwestie van lange adem, zo weten we inmiddels, maar de ontwikkeling van inzichten omtrent huiselijk geweld is dat zeker ook. Het onderzoek waar dit rapport verslag van doet, is een exponent van het streven om systematisch verder te werken aan inzichten over huiselijk geweld. Het is het derde in een rij die het Verwey-Jonker Instituut uitbrengt over het voorkomen van huiselijk geweld. Daarmee ontstaat een gedetailleerd landelijk
en regionaal beeld van de frequentie en het karakter van huiselijk geweld. En daarmee ontstaan ook de contouren van de profielen van daders, slachtoffers en beloop van geweld. Dat is een wezenlijke bijdrage aan het langzame proces van kennisopbouw voor beleid en hulpverlening. Het onderzoek zelf was monnikenwerk. Precies 1815 mensen (volwassenen en kinderen) die deel uitmaakten van 819 gezinnen vulden twee keer een vragenlijst in. Om dat te realiseren hebben 116 studenten en projectassistenten in totaal 2700 huisbezoeken afgelegd. Dat maakt het onderzoek uniek in zijn reikwijdte en longitudinale karakter, en daarmee in de representativiteit van de bevindingen. Het is een groot compliment voor de onderzoekers dat ze in staat zijn geweest een onderzoek van deze omvang binnen de beschikbare tijd en budget te realiseren. Het onderzoek is een schakel in de omslag van erkenning van de problematiek van huiselijk geweld naar het bezien hoe beleid, hulpverlening en andere interventies (zoals justitiële) het beste vorm kunnen krijgen. Hopelijk draagt dit onderzoek er toe bij dat het momentum niet verloren gaat.
Peter van Lieshout Voorzitter begeleidingscommissie
5
Samenvatting In deze cohortstudie is onderzocht wat de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling oplevert als het gaat om het terugdringen van partnergeweld en kindermishandeling. In het onderzoek zijn ruim 800 huishoudens een jaar gevolgd nadat zij gemeld zijn bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van partnergeweld of kindermishandeling. Huiselijk geweld heeft aanzienlijke gevolgen voor het welzijn van individuen en gezinnen. Nagegaan is hoe het welzijn van volwassenen en kinderen is ten tijde van de melding en of er sprake is van een verbetering van het welzijn in het jaar dat zij gevolgd zijn. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van ZonMw in 13 Veilig Thuisregio’s: Zuidoost-Brabant en West-Brabant, Drenthe, Friesland, Noord Oost Gelderland, Gelderland-Midden, Gelderland-Zuid, Noord-Holland Noord, Hollands-Midden, Zuid-Holland Zuid, Noord en Midden Limburg, ZuidLimburg en Zeeland1 . Tijdens het onderzoek hebben volwassenen (partners zonder kinderen en ouders) en kinderen twee maal vragenlijsten ingevuld. Dit rapport gaat over 858 volwassenen en 957 kinderen, die aan beide metingen hebben deelgenomen (819 gezinnen). Het rapport betreft een derde cohortstudie naar de ervaringen van volwassenen en kinderen die te maken hebben met partgeweld of kindermishandeling.
Door de studie meerdere malen uit te voeren wordt duidelijk wat er wel en niet verandert bij deze huishoudens als geprobeerd wordt de hulpverlening op dit gebied te verbeteren. De resultaten laten zien dat het in de loop der jaren
1
steeds iets beter gaat, we zien positieve ontwikkelingen bij volwassenen en kinderen. Maar tegelijkertijd zien we dat we er nog lang niet zijn, in te veel relaties en gezinnen duurt huiselijk geweld voort. Het onderzoek maakt duidelijk dat er meer aandacht moet komen voor het analyseren van wat er ‘echt’ speelt in de gezinnen of relaties om de gewenste aanpak te kunnen bieden. Meer aandacht is nodig voor het soort geweld en de functie van het geweld Niet alleen is het belangrijk dat geweld tijdig herkend en gesignaleerd wordt, maar ook dat er inzicht komt in het soort geweld dat wordt gebruikt én de context waarin het voorkomt is van belang. De resultaten maken zichtbaar dat er diverse geweldspatronen en daarmee verband houdende problemen zijn die om een gerichte aanpak vragen. Nieuw in deze studie is de aandacht voor ‘controle en dwang’ als het gaat om partnergeweld. Duidelijk is dat het partnergeweld in deze relaties ernstig, veelvuldig en eenzijdig van aard is, en dat dit in de tijd nauwelijks afneemt. Deze groep van ‘controle en dwang’ komt voor bij één op drie stellen en bijna één op de vier gezinnen Deze vorm van partnergeweld vraagt om een andere aanpak die aansluit bij de dynamiek van dit soort geweld. Geweld dat uit onmacht of frustratie voorkomt, vraagt om een andere, meer systemische aanpak, dan geweld dat bedoeld is om te controleren en manipuleren.
Uit onderzoek van Lünnemann en collega’s (2023) blijkt dat deze laatste groep slachtoffers juist niet gebaat is bij een systemische aanpak waarbij alle personen tegelijkertijd aan tafel zitten. Bescherming en veiligheid heeft in die relaties en gezinnen prioriteit. Begrijpen waarom het geweld plaatsvindt en welke rol het speelt in relaties, zowel tussen ouders en kind, en tussen ouders of partners onderling, is cruciaal om effectieve preventie en interventies mogelijk te maken. Meer kennis en expertise over de functie en aard van het partnergeweld en kindermishandeling is een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle aanpak.
Deze VT-regio’s zijn andere regio’s dan in de tweede cohortstudie.
6
Meer aandacht voor de impact van het opgroeien in onveiligheid op het gedrag van kinderen Een andere bevinding van dit onderzoek is dat er meer aandacht moet zijn voor de impact van huiselijk geweld op kinderen. De resultaten laten namelijk zien dat bijna twee derde van de jongeren die opgroeien in een onveilig gezin, als puber te maken krijgt met dating geweld. Intergenerationele overdracht van het geweld zien we ook terug in de cijfers over oudermishandeling in dit onderzoek. Ongeveer twee derde van de jongeren rapporteert zelf, net als hun ouders, dat zij zowel fysiek als psychisch gewelddadig zijn naar hun ouders. Er is een sterke relatie tussen de ervaren kindermishandeling en het gerapporteerde oudergeweld. Willen we de intergenerationele cirkel van geweld doorbreken dan is het nodig om systematischer aandacht te besteden aan de impact van het geweld op het gedrag van kinderen. En daarnaast door deze jongeren te leren dat problemen in relaties opgelost kunnen worden door te communiceren en naar elkaar te luisteren en niet door gewelddadig gedrag (zie ook het proefschrift over dating geweld van Lünnemann, 2023). Partnergeweld en kindermishandeling nemen af, maar het blijft een complex en hardnekkig probleem Net zoals in de vorige studies nemen zowel partnergeweld als kindermishandeling af gedurende het jaar na melding bij Veilig Thuis.
In 21% van de partnerrelaties en gezinnen is het geweld daadwerkelijk na een jaar gestopt. Dat is vergelijkbaar met de vorige cohortstudie uit 2020 waar in 19% van de gezinnen het geweld was gestopt op de tweede meting. Het percentage gezinnen waar sprake is van ernstig of veelvuldig geweld neemt af van 83% naar 63% bij de tweede meting. Dit is een significant sterkere afname dan in de tweede cohortstudie, maar hierbij is sprake van een klein effect. De positieve trend van de vorige studie, dat het steeds beter lukt om het geweld te stoppen en het ernstige en veelvuldige geweld te verminderen, zet zich door in deze derde cohortstudie. Tegelijkertijd kunnen we ook concluderen dat zowel partnergeweld als kindermishandeling een complex en hardnekkig probleem
is, dat niet gemakkelijk op te lossen is. Immers in bijna twee derde van de relaties en gezinnen is na een jaar nog steeds sprake van frequent en ernstig partnergeweld of kindermishandeling. Het aantal incidenten partnergeweld is hoog op het moment dat de melding bij Veilig Thuis wordt gedaan. Vooral voor relaties zonder kinderen is er sprake van gemiddeld 178 veelal ernstige incidenten in het jaar voor melding bij Veilig Thuis. Dit is tweemaal zo hoog als voor relaties waar wel kinderen zijn. Mogelijk verlaagt de aanwezigheid van kinderen de drempel om te melden bij vermoedens van huiselijk geweld. Er is voor alle vormen van partnergeweld een sterke afname in de tijd, waarbij opvalt dat geweld veelal niet de huidige partner betreft, maar vooral de ex-partner. Bijna alle kinderen in het onderzoek (91%) hebben te maken met kindermishandeling en we zien een duidelijk significante afname. Toch hebben nog veel kinderen (81%) te maken met mishandeling bij de tweede meting. We zien dat fysieke kindermishandeling afneemt van 26% naar 14%, maar dat de meeste kinderen nog steeds te maken hebben met forse conflicten tussen de ouders thuis. Net zoals in het vorige cohortonderzoek neemt verwaarlozing in de tijd niet af. Psychisch geweld neemt wel af in de tijd maar komt bij de tweede meting nog steeds bij de helft van de kinderen voor.
Verbetering van welzijn bij kinderen maar niet bij volwassenen Opvallende conclusie is dat er niet echt een verbetering zichtbaar is bij de volwassenen op het tweede meetmoment. Hoewel er een afname is van verschillende specifieke vormen van trauma gerelateerde klachten, zoals depressie of angst, is er geen significante afname van traumaklachten in het algemeen. Alleen wat betreft de veiligheidsbeleving van vrouwen is er een verbetering in de tijd. Net zoals in de vorige studie zien we geen verbetering als het gaat om veilige hechting van kinderen met hun ouders. Bij de kinderen is er wel sprake van een verbetering op enkele aspecten van het welzijn. Het percentage kinderen dat traumaklachten heeft, neemt af. Dit geldt met name voor traumaklachten zoals angst, woede en PTSS. Het aantal
7
kinderen dat zich emotioneel veilig voelt neemt eveneens toe. Daarentegen zien we geen verbetering als het gaat om psychosociale problemen van de kinderen of de kwaliteit van leven. Het cognitieve zelfvertrouwen van kinderen neemt tussen beide metingen wel toe. Ondanks deze verbeteringen zien we dat zowel de volwassenen als de kinderen nog steeds slechter scoren dan het gemiddelde Nederlandse kind of de gemiddelde Nederlandse volwassene. Meer kinderen krijgen hulp en ondersteuning Waar in de vorige cohortstudie nog maar de helft van de kinderen daadwerkelijk hulp kreeg, zien we nu dat driekwart van de kinderen een vorm van formele hulp krijgt. Opvallend is dat docenten en het schoolmaatschappelijk werk zowel door kinderen als ouders genoemd worden als belangrijke bron van hulp en ondersteuning. Tegelijkertijd hebben jongeren, die thuis opgroeien in een onveilige situatie, over het algemeen een minder goede relatie met hun leraar/mentor dan jongeren in het algemeen in Nederland. Het blijkt moeilijk om de juiste hulp in te zetten wanneer we naar de problemen kijken waarmee de kinderen en jongeren worstelen. Hoewel meer kinderen met klinische traumaklachten hulp krijgen dan in de vorige cohortstudie, krijgt 60% van deze kinderen nog geen psychiatrische of traumagerichte hulp. De lange wachtlijsten in de jeugd-ggz kunnen hier mogelijk debet aan zijn.
Hulp wordt gerichter ingezet voor volwassenen Een belangrijke conclusie uit dit onderzoek is dat de hulp die volwassenen ontvangen gerichter ingezet wordt op hun problemen. Zo krijgt een ruime meerderheid van de volwassen met traumaklachten of met vier of meer jeugdtrauma’s (ACE’s) psychiatrische hulp. Dit is van essentieel belang om de intergenerationele overdracht van geweld te doorbreken, omdat zowel de huidige traumaklachten van ouders als jeugdtrauma’s een duidelijke relatie hebben met zowel partnergeweld als kindermishandeling (Lünnemann e.a., 2019; Hauser, 2023).
Een ander resultaat is dat partners zonder kinderen andere hulp ontvangen dan volwassenen met kinderen. Gezien de ernst en de intensiteit van partnergeweld zien we dat partners zonder kinderen vaker hulp aangeboden krijgen van de gespecialiseerde aanpak huiselijk geweld; ook zijn de traumaklachten van deze groep hoger en krijgen ze vaker psychiatrische hulp. Daarentegen wordt er nog steeds te weinig aandacht besteed aan het problematisch alcoholgebruik van zowel ouders als partners zonder kinderen. Slechts een zeer klein percentage van de mensen, die zelf aangeven dat er sprake is van middelenproblematiek bij henzelf of hun partners, krijgt hulp van de verslavingszorg. Het lijkt dan ook aan te bevelen dat bij het gezamenlijk overleg over de casuïstiek ook professionals vanuit de verslavingszorg aansluiten, wat in de MDA++ aanpak inmiddels al vaak het geval is (Sondeijker e.a., 2023). Ook zou er meer aandacht moeten zijn voor de plegeraanpak. We zien dat maar een klein aantal respondenten aangeeft dat zij hulp krijgen in de vorm van agressiebeheersing of sociale vaardigheden. Willen we een systemische aanpak realiseren dan zal er ook hulp aangeboden moeten worden die gericht is op de pleger zelf.
Wat werkt er? Een belangrijke onderzoeksvraag is of er een relatie is tussen enerzijds de geboden hulp, en anderzijds de afname van de kindermishandeling en het partnergeweld en een toename van het welzijn van zowel de kinderen als de volwassenen. Duidelijk is dat er meerdere hulpverleners betrokken zijn bij de huishoudens. De variatie is erg groot, waarbij volwassenen en kinderen gemiddeld te maken hebben met twee tot veertien verschillende hulpverleners. Tevens is het duidelijk dat er meerdere problemen spelen in deze gezinnen, problemen die elkaar ook in stand kunnen houden. Daarnaast is er een duidelijk verschil in problematiek tussen de volwassenen en kinderen die wel en geen hulp krijgen. Degenen die hulp krijgen, kampen met aanzienlijk zwaardere problemen en de aard en frequentie van het geweld is ernstiger dan degenen die geen hulp
8
hebben ontvangen. Met deze relativerende opmerkingen in het achterhoofd, willen we toch iets meer te weten komen over het nut van (gerichte) hulp. We zien in de data nergens een relatie tussen de soort hulp die geboden wordt, bijvoorbeeld vanuit het wijkteam, de gespecialiseerde aanpak huiselijk geweld of psychiatrie, en de afname van het partnergeweld en kindermishandeling. Ook op het niveau van de kinderen en de volwassenen zien we geen verschil tussen degenen wel en die geen hulp hebben ontvangen. Terwijl in de tweede cohortstudie er wel een verschil was voor kinderen die wel en geen hulp ontvingen, maar dit kwam pas bij de derde meting naar voren. Mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat effecten van de geboden hulp op de langere termijn pas zichtbaar worden. Kinderen en volwassenen zijn wel tevreden over de hulp die zij geboden krijgen. De tevredenheid van volwassenen en kinderen hangt sterk samen met het gevoel dat zij wat aan de hulp hebben gehad. In de analyses naar specifieke vormen van hulpverlening zien we wel een welzijnsverbetering bij volwassenen die specifieke hulp hebben ontvangen gericht op hun problemen. Bij volwassenen met klinische traumaklachten is er een significante afname als het gaat om degenen die gerichte traumabehandeling hebben ontvangen, terwijl we voor de gehele groep geen afname in de tijd zagen.
Degenen die te maken hebben met acute of structurele veiligheid en die een aanbod kregen vanuit de specialistische aanpak huiselijk geweld, vertonen meer afname van huiselijk geweld en meer toename veiligheidsbeleving ten opzichte van degenen die deze vorm van hulp niet ontvangen hebben. Opvallend is dat we deze resultaten van de volwassenen niet terug zien bij de kinderen. Meer kinderen ontvangen hulp dan in de tweede cohortstudie. In de tijd zijn er op een aantal gebieden duidelijke verbeteringen van het welzijn van de kinderen. Maar deze verbeteringen zijn echter niet gekoppeld aan een specifiek hulpaanbod dat de kinderen hebben gekregen. Afgezien van emotionele veiligheid, worden de verbeteringen die we bij de kinderen waarnemen niet verklaard door de geboden hulp met gerichte interventies. Ten slotte de inzet van gedwongen hulpverlening. Er is gekeken of de inzet van het tijdelijk huisverbod, de betrokkenheid van de politie en de
jeugdbescherming iets doet als het gaat om de afname van het geweld. We zien voor alle vormen van gedwongen interventies een afname van partnergeweld en kindermishandeling, maar er is geen verschil in afname ten opzichte van de groep die alleen vrijwillige hulp heeft ontvangen. Mogelijke verklaring voor deze resultaten is dat de gedwongen maatregel ingezet wordt bij de meest lastige zaken. Het is dan al een bijzonder resultaat dat in deze moeilijke zaken het geweld net zoveel afneemt als in de gezinnen waar minder sprake is van ernstige of structurele geweldsproblematiek. Wat als het geweld niet daadwerkelijk stopt? We kunnen concluderen dat we een duidelijke verbetering zien bij de volwassenen en de kinderen als het geweld daadwerkelijk gestopt is, in vergelijking met gezinnen waar het geweld voortduurt. In één op de vijf gezinnen en relaties is de kindermishandeling en het partnergeweld daadwerkelijk gestopt na melding bij Veilig Thuis. De groepen waarin het geweld stopt (‘geen geweld’) en waarin het voortduurt (‘wel geweld’) verschillen niet op het moment van melding bij Veilig Thuis (T0) wat betreft de risicofactoren die ten grondslag kunnen liggen aan het geweld, zoals armoede, het zelf meegemaakt hebben van kindermishandeling in de eigen jeugd, of andere zaken. In de groep ‘wel geweld’ is bij melding meer alcoholgebruik en is het geweld ernstiger en frequenter.
Als we kijken naar het welzijn van kinderen dan zien we dat in de gezinnen waar het geweld voortduurt het welzijn van kinderen laag is, er zijn meer traumaklachten, meer emotionele onveiligheid, meer onveilige hechting en meer psychosociale problemen. Deze klachten nemen in de tijd voor beide groepen (geweld is gestopt en geweld duurt voort) af. Er is geen verschil in de mate van afname van klachten tussen de groep geen en wel geweld. Alleen wat betreft hechting met de moeder – gerapporteerd door moeder- zien we een significante verbetering in de groep waar geen sprake meer is van kindermishandeling ten opzichte van ‘wel geweld’. En bij de ouderrapportage van emotionele en gedragsproblemen van kinderen zien we een sterkere afname in de groep waar het geweld is gestopt. Ten slotte zien we dat de kwaliteit van leven in de
9
groep waar het geweld is gestopt toeneemt, terwijl dit voor de groep waar het geweld voortduurt gelijk blijft. Bij volwassenen zien we dat waar het geweld gestopt is de traumaklachten meer zijn afgenomen dan in de ‘wel geweld’ groep. Ook voor opvoedstress zien we in beide groepen een afname, maar de ervaren opvoedstress blijft voor ouders in de groep ‘wel geweld’ groter dan voor ouders waar het geweld is gestopt. Wat betreft kwaliteit van leven en veiligheidsbeleving neemt deze sterker toe bij ouders in de groep ‘geen geweld’. Deze resultaten bevestigen de bevindingen van Lünnemann (2020), dat het geweld daadwerkelijk moet stoppen en niet alleen moet verminderen, omdat in de gezinnen waar nog steeds sprake is van kindermishandeling of partnergeweld, de problematiek van zowel de ouders als de kinderen ook nog steeds groot is. Implicaties voor de praktijk, beleid en onderzoek Duidelijk is dat partnergeweld en kindermishandeling een complex en hardnekkig probleem is, dat een duurzame en gerichte aanpak vergt. Het onderzoek levert een aantal aanbevelingen op ten aanzien van het beleid en de praktijk om nog meer gericht te werken en daarmee het huiselijk geweld terug te dringen.
Om daadwerkelijk verbetering te bewerkstellingen binnen gezinnen waar sprake is van huiselijk geweld, is het van essentieel belang dat hulpverleners meer kennis en inzicht ontwikkelen van de aard en ernst van partnergeweld en kindermishandeling evenals de context waarin deze zich voordoen. Inzicht in de achtergrond van het geweld is nodig om patronen van geweld te kunnen doorbreken. Gezien de complexiteit van de problematiek waar deze partnerrelaties en gezinnen mee worstelen, is een goede gezamenlijke analyse van wat er ‘echt’ speelt nodig. Een gezamenlijke verklarende analyse met betrokken hulpverleners en betrokkenen (volwassen en kinderen), die recht doet aan de context van de problemen en de verschillende rollen die volwassenen en ouders kunnen hebben, is een belangrijke voorwaarde om beter te begrijpen wat er speelt in de relatie of het gezin. Waarbij men vanuit een netwerksamenwerking
werkt aan een integrale aanpak om gezamenlijke doelen te bereiken. Deze samenwerking betekent dat betrokken partijen samenwerken om preventie, interventie en ondersteuning te bieden aan de volwassenen en kinderen. Dit vergt een brede blik van professionals op de problematiek waarbij aandacht is voor zowel de kant van de pleger, als de kant van het slachtoffer, maar zeker ook voor de kinderen. De hiervoor genoemde aanbevelingen voor de praktijk vragen om investering vanuit het beleid. Met name het landelijk beleid kan een stimulerende en agenderende rol vervullen in de aanpak van huiselijk geweld. Ten eerste door het ontwikkelen van een gezamenlijke langetermijnvisie op de aanpak van kindermishandeling en partnergeweld, waarin ruimte is voor professionals om te experimenteren en kennis en expertise te ontwikkelen. Ten tweede door zorg te dragen voor voldoende aanbod voor degenen die dat het hardst nodig hebben, waarbij duidelijk is dat het aanbod voor plegers nu nog onvoldoende aanwezig is. Tenslotte door tijd en financiële ruimte te creëren voor reflectie en kwaliteitstoetsing, om daarmee de aanpak te verbeteren en door onderzoek te financieren dat aan dit proces kan bijdragen. Ten slotte is het van belang dat er data is om te gebruiken voor evaluatie en reflectie. Onderzoek naar deze complexe problematiek die aansluit bij de vragen die er zijn in de praktijk is nodig.
Daarom raden we aan om voortdurend te monitoren wat volwassenen en kinderen zelf aangeven over wat er wel en niet veranderd is in de afname van het huiselijk geweld en hun welzijn na melding bij Veilig Thuis. Daarnaast blijven verdiepende studies nodig om beter te begrijpen welke hulp nodig is gezien de aard en ernst van het huiselijk geweld.
10
Dankwoord Zonder de betrokkenheid en medewerking van een groot aantal mensen had dit onderzoek niet plaats kunnen vinden. Wij danken iedereen dan ook die een bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van deze rapportage. Onze speciale dank gaat uit naar de deelnemende respondenten, volwassenen, ouders en kinderen, die vanuit een moeilijke situatie toch wensten mee te werken aan dit onderzoek en gedurende twee metingen in een jaar tijd veel vragen hebben beantwoord over het wel en wee van hun situatie. Verder gaat bijzondere dank uit naar Peter van Lieshout als voorzitter van de begeleidingscommissie. Dankzij zijn betrokkenheid werden belangrijke afspraken gemaakt en – mede dankzij hem – kon de dataverzameling verlengd worden.
Ook de overige leden van de begeleidingscommissie, bestaande uit Valesca Kuling – ZonMw, Brigit de Kleer – Ministerie van VWS, Steven Tjalsma – Ministerie van Justitie en Veiligheid, Debbie Maas – Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond, Annemarie ten Boom – persoonlijke titel, Gineke Kuin – Gemeente Breda, Susanne Slikkerveer – 4Happinezz, Geertjan Overbeek – Universiteit van Amsterdam, Lenneke Alink – Universiteit Leiden, Matthias Gijsbertsen – Geweld hoort nergens thuis, Jan Mol – CBS, Tijne Berg – VNG, Cees Hoefnagels – Hogeschool Utrecht, Claudia Lucardie – Ministerie van VWS, Madieke Wiegersma – Sociaal Domein Fryslân, en Vicky Verschoor – ZonMw, danken wij van harte voor hun betrokkenheid, kritische blik, behulpzaamheid en flexibiliteit gedurende dit project. Daarnaast willen wij de dertien Veilig Thuis regio’s bedanken die aan dit onderzoek mee hebben gewerkt voor het aanleveren van de bellijsten, het betrekken van de stagiaires en de stagecontracten. Onze speciale dank gaat uit
naar Babette Tempelman, Bridget Luijten, Eline Kortman, Elizabeth Hamelinck, Floor Koukoulas, Ingrid van Sluijs, Isabel Kalis, Jacqueline Posthumus, Janske Mommers, Jenny Klijnsma, Lucelle van Hövell, Marvin Musch, Ria Veldkamp, Rian Willems, Yvette de Regt, en alle andere medewerkers die ons waardevol hebben ondersteund achter de schermen. Binnen het Verwey-Jonker Instituut hebben vele onderzoekers en ondersteuners meegewerkt aan het project. Wij willen Katinka Lünnemann, Jildou van der Ploeg, Mathilde Compagner, Marije Voorwinden, Suzanne Andeweg, Eline Hulst, Frouke Sondeijker, Gaby van den Hurk, Dionne Senders, Linda Kruis en Mark Zeelenberg bedanken voor hun inzet rondom de start van het onderzoek, huisbezoeken, studentenwerving en -opleiding, administratie en financiën. Zonder de inzet van universiteiten hadden wij niet zoveel studenten kunnen werven. Wij willen Carien Nelissen, Mitch van Geel en Jasper Maas van de Universiteit Leiden, en Maarten Eisma van de Rijksuniversiteit Groningen danken voor het aanleveren en begeleiden van studenten voor de huisbezoeken. De vele studenten van de Vrije Universiteit en van de Erasmus Universiteit die mee hebben gewerkt, werden begeleid door de auteurs of andere onderzoekers van het Verwey-Jonker Instituut die mee hebben gewerkt aan het onderzoek.
Tot slot willen wij alle 116 studenten (en projectassistenten; zie bijlage 2) danken voor hun inzet bij de dataverzameling. Zonder hen hadden nooit meer dan 2700 huisbezoeken gedaan kunnen worden. De motivatie en kritische blik van studenten die – vaak als onderdeel van hun studie – aan ons onderzoek meewerkten, was inspirerend.
11
1
Inleiding
1.1.
Inleiding en achtergrond van het onderzoek
Voor u liggen de resultaten van de derde cohortstudie naar de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Sinds 2009 voert het Verwey-Jonker Instituut een longitudinaal onderzoek uit naar huiselijk geweld. Door middel van cohortstudies meten we over langere tijd hoe het ervoor staat met volwassenen/gezinnen (ouders en kinderen) die gemeld zijn bij Veilig Thuis. Deze derde cohortstudie is gefinancierd vanuit het programma ‘Geweld Hoort Nergens Thuis’ van de ministeries van VWS en J&V en de VNG. Het doel van het programma is om huiselijk geweld en kindermishandeling terug te dringen, de schade ervan te beperken en de vicieuze cirkel van geweld te doorbreken. Uit twee eerdere cohortstudies (Tierolf e.a., 2014a; Steketee e.a., 2020a) weten we dat huiselijk geweld lastig te stoppen is. We zijn op de goede weg, bleek uit de tweede cohortstudie, want in vergelijking met de eerste cohortstudie is in meer gezinnen de kindermishandeling en partnergeweld daadwerkelijk gestopt, maar we zijn er ook nog lang niet, gezien het aantal gezinnen waar het geweld nog voortduurt. Tegelijkertijd weten we dat het noodzakelijk is dat het geweld daadwerkelijk stopt om het welzijn van volwassenen en kinderen naar het niveau van de algemene Nederlandse populatie te brengen (Lünnemann e.a., 2019; Steketee & Doelman, 2022).
De grote complexiteit van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt daarom om een programmatische en systemische aanpak. De resultaten uit de vorige onderzoeken laten zien dat de resultaten van het onderzoek aanknopingspunten bieden voor beleidsmakers en uitvoerende professionals op landelijk en regionaal niveau voor verbetering van preventie en de aanpak.
Het huidige onderzoek heeft als doel om na te gaan wat de resultaten zijn van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling en de hulpverleningstrajecten bij de huishoudens die bij Veilig Thuis zijn gemeld. Het onderzoek is een vervolg op twee eerdere cohortonderzoeken die door het Verwey-Jonker instituut zijn uitgevoerd. In deze derde cohortstudie volgen we opnieuw mannen, vrouwen en kinderen die bij Veilig Thuis zijn gemeld vanwege (een vermoeden van) huiselijk geweld. Ditmaal voerden we de cohortstudie uit in de dertien Veilig Thuis regio’s die niet hebben deelgenomen aan de eerdere cohortstudies. De vraagstelling van het onderzoek is hetzelfde: lukt het in het jaar na de melding bij Veilig Thuis om het geweld te stoppen of te verminderen en wat betekent dat voor het welzijn van betrokken volwassenen en kinderen? Welke ondersteuning krijgen deze volwassenen en kinderen en wat werkt? Een belangrijke andere onderzoeksvraag is of er ook verschillen zijn te constateren tussen de verschillende cohortstudies als het gaat om de resultaten van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. De eerdere cohortstudies hebben veel informatie opgeleverd over wat wel en niet werkt in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling en hebben dan ook impact gehad op het beleid en de uitvoeringspraktijk van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling.
Mattias Gijsbertsen, directeur van het programma Geweld Hoort Nergens Thuis van de ministeries J&V en VWS en de VNG, stelde na de tweede cohortstudie: “De informatie uit dit onderzoek en uit onze impactmonitor is cruciaal om te bepalen wat de juiste acties zijn om huiselijk geweld te stoppen. We zien in dit onderzoek positieve resultaten van gezamenlijke inspanningen in de afgelopen jaren. Dit onderzoek helpt ons om samen met partners en regio’s de goede prioriteiten te stellen en nog eerder en vaker het geweld te signaleren en te stoppen”. Zo is er in het beleid en de uitvoeringspraktijk veel meer aandacht gekomen voor de onveiligheid in deze huishoudens. Dit betekent dat er in de praktijk meer aandacht is voor het borgen van de veiligheid
12
in deze huishoudens om daarna aandacht te hebben voor de onderliggende risicofactoren en problematiek die ten grondslag liggen aan deze onveiligheid, de zogeheten gefaseerde ketenaanpak. Daarnaast heeft Veilig Thuis als taak gekregen om de (on)veiligheid op de langere termijn te monitoren. Op landelijk en regionaal niveau zijn continu ontwikkelingen gaande in praktijk en beleid om te zorgen dat de geboden hulp beter aansluit op wat de problematiek in deze familiaire relaties en gezinnen vraagt. Het is belangrijk om blijvend te monitoren in hoeverre deze beleidsinspanningen zichtbaar zijn in een sterkere afname van geweld en verbetering van het welzijn van volwassenen en kinderen. Om deze reden voerden wij de derde cohortstudie uit. De resultaten bieden voor beleidsmakers en uitvoerende professionals op landelijk en regionaal niveau aanknopingspunten voor verbetering van preventie en aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. In deze inleiding bespreken we op welke vormen van huiselijk geweld dit onderzoek zich richt, wat de aard en omvang van deze vormen is, wat de doelen vraagstelling is van het onderzoek en hoe de huidige cohortstudie aansluit op de eerder uitgevoerde cohortstudies. We sluiten de inleiding af met een leeswijzer voor dit rapport.
1.2.
Huiselijk geweld en kindermishandeling: aard en omvang en gehanteerde definities
Anno 2023 is het nog in veel relaties en gezinnen niet veilig. Partnergeweld en kindermishandeling vormen nog steeds een aanzienlijk wereldwijd maatschappelijk probleem wat ondanks allerlei beleidsinspanningen nog steeds niet afneemt. Zo blijkt uit de prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel geweld dat in Nederland anno 2022 1,3 miljoen personen te maken hebben gehad met huiselijk geweld (PHGSG 2022). Huiselijk geweld omvat geweld dat door iemand uit de huiselijke- of familiekring van het slachtoffer wordt gepleegd (Ten Boom & Wittebrood, 2019; Van Dijk e.a., 2010). Dit kunnen bijvoorbeeld gezinsleden, familieleden, (ex)partners, huisgenoten of huisvrienden zijn.
Binnen dit onderzoek richten wij ons op partnergeweld, kindermishandeling en kind-ouder geweld. Uit een synthese van eerdere empirische studies blijkt dat in Nederland naar schatting 3% van de bevolking slachtoffer is (geweest) van fysiek of seksueel (ex-)partnergeweld 2 in de afgelopen 5 jaar (Ten Boom & Wittebrood, 2019). In ruim driekwart van deze gevallen gaat het om eenmalig geweld of enkele incidenten. Bij 72% van de slachtoffers is sprake van alleen fysiek geweld, bij 13% komt alleen seksueel geweld voor en bij 15% is sprake van zowel fysiek als seksueel geweld. Hoofdzakelijk vrouwen zijn slachtoffer van partnergeweld: naar schatting 278.000 vrouwen en 139.000 mannen (Ten Boom & Wittebrood, 2019; Van Eijkern e.a.). Bij 15% van de slachtoffers van partnergeweld leidt het geweld tot verwondingen, wederom hoofdzakelijk bij vrouwen. Partnergeweld omvat alle gedragingen, handelingen en houdingen van een van de (ex-)partners om de andere partner te controleren en domineren. Er kan sprake zijn van fysiek, psychisch of seksueel geweld. In dit onderzoek meten wij deze vormen. Ten opzichte van de eerdere cohortstudies meten wij in deze cohortstudie ook controlerend gedrag en stalking.
Vrouwen zijn veel vaker slachtoffer van ‘coercive control’, waarbij onder andere sprake is van dwingende controle, door hun partner dan mannen, en het zijn vooral vrouwen die slachtoffer zijn van seksuele dwang door hun partner of ex-partner (Stark, 2007; Tanha e.a., 2010). Hieronder valt ook (online) seksuele intimidatie. Daarnaast is stalking een probleem dat vaak zichtbaar is in partnergeweld, waarbij de (ex)partner herhaaldelijk en opzettelijk het slachtoffer tot last is. Voorbeelden daarvan zijn telkens ongewenst telefonisch contact opnemen en bespioneren. Ook kijken we naar dating violence. Dit is geweld van fysieke, emotionele of seksuele aard in intieme relaties van adolescenten (Gracia-Leiva e.a., 2019). Geschat wordt dat 10 tot 25% van zowel jongens als meisjes dating geweld
2 Er is alleen gekeken naar fysiek of seksueel geweld. Psychisch geweld en stalking zijn hierin niet meegenomen.
13
meemaakt (Viejo e.a., 2016; Wincentak e.a., 2016). Dating geweld is gerelateerd aan partnergeweld (Herrenkohl & Jung, 2016), en getuige zijn van partnergeweld en geeft een vergrote kans op slachtoffer worden van dating geweld (Park & Kim, 2018). Naast partnergeweld meten we ook kindermishandeling. In Nederland groeien nog steeds te veel kinderen op in gezinnen waar het onveilig is. Dit is één van de grootste maatschappelijke uitdagingen in ons land. Opgroeien in een gezin waar het onveilig is, staat een gezonde ontwikkeling in de weg (Alink e.a, 2011; 2018). Uit het scholierenonderzoek Kindermishandeling dat in 2006, 2010 en 2016 heeft plaatsgevonden, blijkt dat bijna 27% van de leerlingen in het primair onderwijs (Vink e.a., 2016) en bijna 25% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs ooit te maken heeft gehad met kindermishandeling (Schellingerhout & Ramakers, 2017). Van deze scholieren op het voortgezet onderwijs is 30% slachtoffer van meerdere vormen van kindermishandeling. Psychische mishandeling is de meest voorkomende vorm van mishandeling, gevolgd door fysiek geweld. Op basis van het informantenonderzoek komen emotionele en fysieke verwaarlozing het meest voor, gevolgd door fysieke en psychische mishandeling, en komt seksueel misbruik het minst voor (Alink e.a., 2017; Lamers-Winkelman, 2004; Ten Boom & Wittebrood, 2019).
We weten uit onderzoek dat kindermishandeling zowel op korte als op lange termijn nadelige effecten heeft op de ontwikkeling van kinderen tot volwassenheid, zoals een verhoogd risico op lichamelijke, educatieve en mentale gezondheidsproblemen (Kiesel e.a, 2016; Romano e.a, 2015; Wegman & Stetler, 2009), met hoge economische en maatschappelijke kosten tot gevolg (Slack e.a, 2017). Daarom is het cruciaal dat we kinderen beter beschermen en ingrijpen om de negatieve gevolgen ervan te beperken of te herstellen. Kindermishandeling wordt sinds 2015 als volgt gedefinieerd in de Jeugdwet: “Elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of
dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel” (2015, art 1.1). Verwaarlozing en het onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs vallen hier ook onder. In dit onderzoek meten wij de vormen lichamelijke mishandeling en verwaarlozing, psychische mishandeling en verwaarlozing en getuige zijn van huiselijk geweld. Seksueel misbruik wordt niet gemeten omdat hier (nog) geen voldoende gevalideerde vragenlijsten voor beschikbaar zijn. In de huidige cohortstudie meten wij ook oudermishandeling (kind-ouder geweld). De prevalentie van oudermishandeling in Nederland is tot nu toe niet specifiek onderzocht (Vink e.a., 2014). Verkennend onderzoek van Movisie en TNO (2014) liet zien dat minimaal 2.000 meldingen per jaar binnen kwamen over oudermishandeling bij de voormalige Steunpunten Huiselijk Geweld (SHG). Uit cijfers van de politie bleek dat in ongeveer 10% van de meldingen van huiselijk geweld het ging om geweld tegen de ouder/verzorger (Ferwerda & Hardeman, 2013). Uit verkennend onderzoek onder 249 cases van oudermishandeling bij de toenmalige steunpunten huiselijk geweld bleek dat 87% van de daders van oudermishandeling jongens waren en dat het geweld in 62% van de gevallen gericht was tegen de biologische moeder (Vink e.a., 2014). In veel gevallen ging het om thuiswonende jongeren met een alleenstaande moeder.
Lichamelijk en psychisch geweld waren de meest voorkomende vormen van oudermishandeling en in 11% ging het om financiële uitbuiting. In deze gezinnen was in 87% van de gevallen sprake van andere problemen binnen het gezin, zoals een scheiding (31%), problemen in de opvoeding met andere kinderen (14%), of (ex-)partnergeweld (10%). In 4% van de gevallen was geregistreerd dat de daders zelf kindermishandeling hadden meegemaakt. Bij veel van deze jongeren komen ook andere problemen voor, zoals andere gedragsproblemen, psychiatrische problemen, verslaving, schulden, verstandelijke beperking of criminaliteit. Oudermishandeling gaat vaak gepaard met veel schaamte en stress voor de ouder, wat mogelijk kan leiden tot een toename van geweld van de ouder richting de partner of het kind (Ulman & Straus, 2003). In het onderzoek verstaan we onder oudermishandeling (dreigen
14
met) fysieke, psychische of financiële handelingen door het kind om macht en controle te krijgen over de ouder (Holt, 2016). Geweld van kinderen gericht op ouders past tot op zekere hoogte bij een normale ontwikkeling van jonge kinderen en neemt door de jaren heen af (Ulman & Straus, 2003). We spreken van oudermishandeling als het niet-incidenteel geweld betreft, gepleegd door een jeugdige of jongvolwassene tussen de 12 en 23 jaar, gericht op (een van) de ouders/verzorgers (Vink e.a., 2014).
1.3.
Onderzoeksdoel en vraagstelling
Het doel van het onderzoek is om te kijken of de reguliere Nederlandse aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling (‘care as usual’) na een melding bij Veilig Thuis leidt tot een afname van het geweld en bijdraagt aan de ervaren veiligheid, het welzijn van volwassenen en kinderen, en (indien van toepassing) de opvoedrelatie. De hoofdvraag van het onderzoek is: “Wat zijn de resultaten van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling en van de hulpverleningstrajecten bij die huishoudens of gezinnen die bij Veilig Thuis zijn gemeld?” De hoofdvraag is onderverdeeld in de volgende deelvragen: z In hoeverre is het geweld daadwerkelijk gestopt of afgenomen? z Welk percentage van de slachtoffers en plegers bespreekt huiselijk geweld met anderen, en met wie? z Is er sprake van verbetering van het welbevinden van de volwassenen, ook in de hoedanigheid van de opvoeder wat is de relatie met het stoppen of voortduren van het geweld? z Is er sprake van een verbetering van welbevinden van de kinderen en wat is de relatie met het stoppen of voortduren van het geweld? z Wat is de invloed van de informele en formele hulp op het stoppen of verminderen van het geweld en daarmee op het verbeteren van het welzijn van volwassenen en kinderen?
z
Zijn er verschillen in de afname van het geweld tussen de tweede en derde cohortstudie?
De doelgroep van het onderzoek is geworven via de meldingen huiselijk geweld bij Veilig Thuis. Het betreft zowel volwassenen die te maken hebben met partnergeweld als gezinnen waar sprake is van kindermishandeling en/of partnergeweld. Er is dus een groep volwassenen met en een groep volwassenen zonder kinderen in dit onderzoek. Aangezien de resultaten ook op regionaal niveau geanalyseerd worden, hebben we sommige soorten van huiselijk geweld die veel minder vaak voorkomen (zoals geweld tegen ouderen of eergerelateerd geweld) niet meegenomen. Geweld tegen ouderen betreft maar 2% van alle meldingen van huiselijk geweld. Tegenover kindermishandeling (46% van alle meldingen) en partnergeweld (34% van alle meldingen). Daarmee is deze categorie te klein om apart voldoende kritische massa over te vergaren om uitspraken over te doen (net als eergerelateerd geweld, huwelijksdwang en de andere subcategorieën waarover gegevens worden verzameld). Wil men recht doen aan de groep van ouderen dan zou een apart onderzoek nodig zijn. Om dezelfde reden worden eergerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking, waarvan de prevalentie nog lager is, niet meegenomen in dit onderzoek. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de respondenten zijn geworven via Veilig Thuis organisaties, maar dat we niet het functioneren van Veilig Thuis hebben onderzocht.
Veilig Thuis is een organisatie waar vermoedens van huiselijk geweld gemeld kunnen worden. Na melding doet Veilig Thuis onderzoek of er daadwerkelijk sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling. Op basis van de veiligheidsbeoordeling verwijst Veilig Thuis naar een instelling voor de juiste hulp, dat kan vrijwillige hulp, de Raad voor de Kinderbescherming of de politie zijn. Daar waar in het onderzoek over hulp gesproken wordt hebben we het dus niet over Veilig Thuis.
15
1.4.
Onderzoeksopzet
Het onderzoek betreft een longitudinaal onderzoeksdesign met twee metingen, waarbij de deelnemers een digitale vragenlijst invulden. Voor de werving van deelnemers werkte het Verwey-Jonker Instituut samen met de Veilig Thuis organisaties in dertien regio’s: Zuidoost-Brabant en West-Brabant, Drenthe, Friesland, Noord Oost Gelderland, Gelderland-Midden, GelderlandZuid, Noord-Holland Noord, Hollands-Midden, Zuid-Holland Zuid, Noord en Midden Limburg, Zuid-Limburg en Zeeland. Daarnaast is samengewerkt met studenten van diverse universiteiten (Rijksuniversiteit Groningen, Vrije Universiteit Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, Universiteit Utrecht, Radboud Universiteit, Universiteit van Tilburg, Universiteit Leiden, Universiteit Maastricht en de Erasmus Universiteit Rotterdam) of pas afgestudeerden die als stagiair(e) gekoppeld werden aan Veilig Thuis voor de werving, of aan het Verwey-Jonker Instituut voor de afname van de vragenlijsten. De eerste meting (T0) vond plaats tussen juni 2021 en februari 2022. Deze meting werd gepland kort nadat de Veilig Thuis melding was gedaan. De tweede meting (T1) vond één jaar later plaats tussen, juni 2022 - april 2023. Volwassenen vulden vragenlijsten over zichzelf in en – indien van toepassing – ook over twee van hun kinderen in de leeftijd van 3 tot en met 17 jaar.
Daarnaast vroegen we kinderen in de leeftijd van 8 tot en met 17 jaar of zij ook wilden deelnemen aan het onderzoek en vragenlijsten in wilden vullen. In gezinnen met meer dan twee kinderen vond de selectie van de kinderen plaats op basis van jongste kinderen in de leeftijdscategorie 3 - 12 jaar of 13 - 17 jaar, tenzij de ouder zelf aangaf het liever over een ander kind te willen invullen. Indien er kinderen deelnamen in een gezin, vulden ouders de vragenlijsten in over deze kinderen.
De inclusiecriteria voor deelname aan het onderzoek waren: z Een Veilig Thuis melding in 2021; z In de melding is sprake van minimaal één van de onderstaande codes uit de Beleidsinformatie Veilig Thuis3: Kindermishandeling (CBS-code 01); Geweld tegen ouders jonger dan 65 jaar door hun kinderen (tot 23 jaar) (CBS-code 02); (Ex-)partnergeweld (CBS-code 03); z Betrokkenen zijn op de hoogte van de melding; z De periode na melding is korter dan drie maanden geleden; z Betrokkenen beheersen basisschoolniveau Nederlands; z Indien kind(eren) zelf wilde(n) deelnemen: minimaal 8 jaar en maximaal 17 jaar. Zoals we eerder al hebben beschreven waren de eerdere cohortstudies gericht op gezinnen. In deze derde cohortstudie zijn op verzoek van de opdrachtgever ook meldingen van partnergeweld bij Veilig Thuis meegenomen waarin stellen geen kinderen hebben. Om helderheid te verschaffen over welke groep van respondenten we het hebben, gebruiken we de volgende termen: z Huishoudens: betreft de groep partners zonder kinderen en gezinnen (ouders en kinderen) z Volwassenen: de groep volwassenen met en zonder kinderen: z Partners zonder kinderen z Ouders waarmee ook verzorgers bedoeld wordt
3 Veilig Thuis koppelt aan de hand van de informatie die de melder verstrekt één of meerdere codes uit de Beleidsinformatie Veilig Thuis aan de melding. Deze codes zijn door VWS vastgelegd in een bijlage bij de wet Wmo.
16
In totaal hebben 1428 huishoudens aan het onderzoek deelgenomen uit de hiervoor genoemde 13 VT-regio’s. In elk van deze regio’s werden tussen de 66 en 151 huishoudens geworven voor het onderzoek, met gemiddeld 100 huishoudens per regio.
1.5.
De derde cohortstudie in relatie tot de eerdere cohortstudies
De huidige studie is de derde cohortstudie naar huiselijk geweld en kindermishandeling. De eerste cohortstudie werd uitgevoerd tussen 2009-2014, naar aanleiding van de vraag van de vier grootste steden (de G4, bestaand uit Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht) of de vernieuwde integrale aanpak van huiselijk geweld effectief was. De tweede cohortstudie is uitgevoerd in de periode 2010 tot 2012 opnieuw in de vier grote steden en negen Veilig Thuis regio’s. Ditmaal voeren wij de derde cohortstudie uit in de 13 niet eerder onderzochte Veilig Thuis regio’s. Het uitvoeren en analyseren van de verschillende cohortstudies levert allerlei inzichten op die niet alleen bijdragen aan de wetenschappelijk kennis en de uitvoeringspraktijk, maar maken ook duidelijk hoe het onderzoek verbeterd kan worden. Daarom zijn een aantal zaken toegevoegd of veranderd aan het onderzoek. In deze paragraaf bespreken we deze veranderingen en verschillen tussen de derde cohortstudie ten opzichte van de vorige studies. Een eerste verschil ten opzichte van de tweede cohortstudie is dat toentertijd de regio’s zichzelf hebben aangemeld voor deelname aan het onderzoek. Door middel van een brief moesten zij motiveren waarom ze aan het onderzoek wilden deelnemen en wat zij met de uitkomsten van het onderzoek zouden gaan doen.