RIB.23.024 Woondeal
Tekst van het document
3.7.
In het Programma “Een thuis voor iedereen” is opgenomen dat via de regionale woningbouwprogrammering de nieuwbouw van sociale huurwoningen zo wordt ingepland dat wordt toegewerkt naar een meer evenwichtige verdeling. Zie de toelichting in het kader op blz. 20. Conform het bovenstaande zullen voor de periode 2025-2030 de gemeenten binnen de drie woonregio’s (dan wel de subregio’s) in Limburg onderling afspraken maken over de verdeling van hun aandeel sociale huurwoningen over de gemeenten in de nieuwbouw, in afstemming met de woningcorporaties en dit inbrengen in de Regionale Woontafel en ten behoeve van de eventuele jaarlijkse actualisering van de Woondeal.
19
Toelichting op 2/3 betaalbaar Als uitgangspunt is opgenomen dat van alle nieuwbouw die gerealiseerd wordt in een regio, 2/3 deel in het betaalbare segment gebouwd wordt. Dat geldt ook als in de bestaande voorraad al 2/3 deel of meer betaalbaar aanwezig is. Elke gemeente neemt daarin dus verantwoordelijkheid ongeacht de samenstelling van de bestaande woningvoorraad. Gemeenten in een woonregio, mogen onderling verevenen, zolang de regionale nieuwbouwrealisatie aan het uitgangspunt van 2/3 betaalbaar voldoet. De provincie ziet toe op de realisatie van 2/3 betaalbaar (bij invoering Wet Regie Versterking Volkshuisvesting) Wanneer een woonregio achterblijft, wordt door de Provincie gekeken welke (subregio en) gemeente achterblijft en waarom (Complay or explain!). De provincie krijgt wettelijke instrumenten in de nieuwe wet, om ervoor te zorgen dat dit uitgangspunt juist gehanteerd wordt.
Toelichting op 30% sociale huur Elke gemeente die op dit moment niet beschikt over een aandeel van 30% sociale huurwoningen in de bestaande voorraad, zet zich in om toe te groeien naar 30%. Om dat te bereiken stuurt die gemeente op de bouw van (extra) sociale huurwoningen. Een gemeente met x% sociale huurwoningen in de bestaande voorraad, realiseert dus meer dan x% van alle nieuwbouw in de gemeente in het sociale huursegment. De provincie krijgt wettelijke instrumenten om toe te zien op de inzet van elke gemeente bij het streven naar 30% sociale huur in de bestaande voorraad.
4. Bijzondere opgaven Aandachtsgroepen 4.1.
Om te zorgen dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen zijn tot en met 2030 nationaal 350.000 betaalbare koop- en middenhuurwoningen nodig. In het Programma Betaalbaar wonen is dan ook opgenomen dat 40% van de nieuwbouw dient plaats te vinden in deze segmenten. Het provinciale aandeel in deze nationale opgave zoals opgenomen in de bestuurlijke afspraken van 13 oktober 2022 betreft de realisatie van 11.000 woningen in het middensegment, dus de middenhuurwoningen en goedkope koopwoningen. Dit is 42% van de totale nieuwbouwopgave. Aangegeven is dat middenhuur en goedkope koop uitwisselbaar zijn afhankelijk van de behoefte van de betreffende regio.
4.2.
Partijen hebben specifiek aandacht voor de huisvesting van aandachtsgroepen waaronder ouderen. Het aantal ouderen groeit de komende jaren fors. Om ervoor te zorgen dat ouderen zo lang mogelijk prettig en gezond thuis kunnen blijven wonen, zijn er voldoende woningen geschikt voor ouderen nodig. De minister voor VRO heeft in het Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen bepaald dat van de totale nieuwbouwopgave van 900.000 woningen tot en met 2030, 290.000 woningen geschikt voor ouderen moeten 20
worden gebouwd. Daarvan zijn 170.000 woningen nultredenwoningen, 80.000 geclusterde woningen en 40.000 verpleegzorgplekken. Nultredenwoningen zijn geschikt voor ouderen, omdat zij de woning kunnen betreden zonder trappen te hoeven lopen en de belangrijkste vertrekken zonder traplopen kunnen bereiken. Dit stelt ouderen in staat langer thuis te kunnen wonen. Een deel van de ouderen zoekt een woning in een geclusterde woonvorm. Deze woonvorm is ingericht op het bevorderen van sociaal contact en het ondernemen van activiteiten, bijvoorbeeld doordat er een gemeenschappelijke ruimte aanwezig is. De woningen in een geclusterde woonvorm zijn tenminste nultredenwoningen. Om mensen langer zelfstandig thuis te kunnen laten wonen, ook wanneer zij zware zorg nodig hebben, zet het kabinet in op de bouw van 40.000 verpleegzorgplekken. Dit zijn dus geen plekken in een verpleeghuis, maar zelfstandige woonéénheden, doorgaans in clustering. De woning is ingericht op het ontvangen en verlenen van zware zorg, bijvoorbeeld door een badkamer met voldoende ruimte voor een hulpverlener. Meer dan de helft van deze geclusterde woonvormen zal in het bijzonder gericht zijn op mensen met dementie.
De bouw van woningen voor mensen met dementie vraagt extra aandacht bij bijvoorbeeld het gebruik van (contrasterende) kleuren, herkenbaarheid van voordeur en ruimten, voldoende daglicht en verduisterende gordijnen voor het dag-nachtritme, ruimten voor ontmoeting en ook een veilige, activerende omgeving van het wooncomplex. Het Limburgse aandeel in de nationale opgave voor huisvesting van ouderen bestaat uit de realisatie van 10.300 nultredenwoningen, 6.800 wooneenheden in geclusterde woonvormen en 3.310 verpleegzorgplekken. Een deel van deze woningen zal gerealiseerd moeten worden in de bestaande voorraad. De uitwerking van deze opgave vindt plaats bij de opstelling van de Woonzorgvisies. De gemeenten maken hiervoor een analyse van de woon-, zorg- en ondersteuningsbehoefte van de aandachtsgroepen in de eigen gemeente (hoeveel mensen, welke aandachtsgroepen, wat is de woonbehoefte en wat is de eventueel langdurige ondersteuningsbehoefte). Op regionaal niveau vindt de afstemming over de huisvestingsopgave plaats. Voor de invulling van de (ver)bouwopgave die voortvloeit uit de woonbehoefte van ouderen met een Wlz-indicatie worden het Zorgkantoor en waar nodig de zorgaanbieders betrokken.
Duurzaam en toekomstbestendig bouwen 4.3.
Partijen verkennen gezamenlijk op welke wijze stappen gezet kunnen worden in het toegroeien naar een duurzame en toekomstbestendige bouw2, maken afspraken over de te behalen doelen en de gewenste inzet daarbij van de partners. Dat kan bijvoorbeeld door het delen van goede voorbeelden, of circulariteit onderdeel te laten uitmaken van aanbestedingen en contacten, of door de mogelijkheden te laten onderzoeken om het bouwbesluit hierop aan te passen.
4.4.
Vakantieparken 4.5.
Eén van de toekomstscenario’s die in deze tijden van het woningtekort vanuit het Rijk extra aandacht krijgen is het transformeren van vakantieparken naar wonen. In Limburg worden steden en dorpen compact gehouden en stedelijke functies (zoals wonen) worden daar geconcentreerd. Vakantieparken in de provincie Limburg liggen in het omringende landelijk gebied. Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is op die locaties de functie wonen niet wenselijk en transformatie naar wonen conform het provinciaal beleid niet toegestaan.
2
Duurzaam en toekomstbestendig bouwen: Milieu impact, toepassing biobased materialen, aanpasbaar en flexibel bouwen, levensloopbestendig, klimaatadaptief en natuur-inclusief.
21
5. Ruimtelijke ordeningsaspecten 5.1.
Het realiseren van de in deze Woondeal opgenomen aantallen woningen moet in afstemming gebeuren met verschillende andere grote ruimtelijke opgaven als klimaat, waterveiligheid/overlast, landschap, natuur, landbouw en energie. Via het Programma NOVEX wordt gewerkt aan optimale inpassing en samenhang tussen alle grote fysiekruimtelijke opgaven en transities, en worden waar nodig keuzes gemaakt. De woningbouwaantallen die bestuurlijk afgesproken zijn in oktober 2022, en regionaal uitgewerkt en bestuurlijk afgesproken worden in deze Woondeal, zijn daar waar mogelijk uitgangspunt.
5.2.
De provincie Limburg hanteert het uitgangspunt “meer stad, meer land”, zoals in de POVI opgenomen: “Limburg kent verstedelijkte en landelijke gebieden. Deze maken deel uit van een grensoverschrijdend netwerk van steden en landschappen. We willen de variatie in gebieden koesteren en zetten zowel in op duurzame verstedelijking als op de transitie van het landelijk gebied. Dit houdt in dat we steden en dorpen compact houden en stedelijke functies daar concentreren. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen horen in principe thuis in bestaand bebouwd gebied. We ontwikkelen landelijke gebieden juist als tegenhanger van de drukkere stedelijke gebieden.”
5.3.
Partijen in deze Woondeal hanteren het principe om het water- en bodemsysteem sturend te laten zijn bij gebiedsontwikkeling en locatiekeuze. Wanneer hiertoe aanleiding bestaat, worden waterschappen in het planvormingsproces betrokken. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt verdere richtinggevende uitspraken en randvoorwaarden uit in het Programma Water en bodem sturend. Mogelijke gevolgen worden in de (jaarlijkse) herijking meegenomen.
6. Versnellingsafspraken 6.1.
Vanwege de grote urgentie van de opgave is het nodig dat woningen sneller worden gerealiseerd; sneller dan de 10 jaar die nu landelijk het gemiddelde is. Het is daarom cruciaal dat er wordt gewerkt aan het sneller, slimmer en efficiënter inrichten van de processen en procedures die bij de realisatie van woningbouw van toepassing zijn. Hierbij bezien we het gehele bouwproces tot en met de bezwaarprocedure. Ook is het van belang samen een goed participatieproces in te richten, informeel en formeel. Door BZK is in overleg met medeoverheden en marktpartijen een actieplan Versnellen Processen en Procedures opgesteld. De volgende aanbevelingen – voor zover nodig – worden (regionaal) gezamenlijk opgepakt; o Bij de initiatieffase, bij het organiseren van het plan- en realisatieproces, zorgen voor heldere beslismomenten en benodigde mandaten. Dit zorgt voor het efficiënt en binnen termijnen doorlopen van procedures. o Versterking van de samenwerking tussen provincie en gemeenten bij het zo efficiënt mogelijk inzetten van de beschikbare ambtelijke capaciteit en expertise. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de SPUK Flexibele inzet ondersteuning woningbouw, waarvoor de provincie een regeling heeft opgesteld.
Onderzocht wordt of en hoe het opzetten van een regionale flexpool, waarmee op regionaal niveau experts ingehuurd worden en waar meerdere gemeenten gebruik van kunnen maken, effectief en efficiënt kan zijn. Daarbij worden de mogelijkheden voor samenwerking met het onderwijs verkend. o Voor de uitvoering van werkzaamheden die van belang zijn voor het Woondealproces door de samenwerkingspartijen en de praktische organisatie
22
o
ervan, worden de door het Rijk beschikbaar gestelde procesgelden vanuit de SPUK Woondeals ingezet. Actueel houden van ruimtelijke beleidskaders en beleid rondom participatie en ruimtelijke plannen ten behoeve van een transparant en zorgvuldig proces.
6.2.
Om de woningbouwproductie te versnellen en de regionale woningbouwopgave te realiseren, is samenwerking met alle partijen in de woningbouwketen essentieel, met besef van ieders rol, verantwoordelijkheid en ieders inbreng. Dit vraagt om een nauwe betrokkenheid van woningcorporaties en marktpartijen bij deze Woondeal. Deze betrokkenheid krijgt vorm in de procesinrichting, zoals in hoofdstuk 8 omschreven.
6.3.
Partijen richten één of meerdere regionale Versnellingstafels in waaraan afspraken gemaakt kunnen worden om specifieke woningbouwprojecten te versnellen en thematische knelpunten op te lossen. Naast de provincie, de gemeente(n) en het Rijk, sluiten ook marktpartijen en woningcorporaties, en afhankelijk van het vraagstuk, waterschappen, kennisinstellingen, zorgpartijen en bewonersorganisaties aan. Partners aan deze tafel prioriteren met elkaar de te bespreken gebiedsspecifieke thema’s en maken duidelijk welke oplossing (resultaat) van welke partij verwacht wordt, met als doel, spoedige realisatie van het project. In voorkomende gevallen wordt aangesloten bij bestaande Versnellingstafels.
6.4.
Indien er sprake is van landelijke thema’s of thema’s die in meerdere provincies spelen, worden deze doorgezet naar de landelijke Versnellingstafel met een duiding van het verwachtte resultaat. Het is van belang bij vertraging samen naar oorzaak en oplossing(en) te zoeken en de te ondernemen actie(s) af te spreken en eenduidig te beleggen.
6.5.
In de realisatie van de regionale volkshuisvestingsopgave geven partijen zoveel als mogelijk ruimte en prioriteit aan projecten die optimaal bijdragen aan de regionale huisvestingsopgave en die snel te realiseren zijn. Gemeenten kunnen schuiven/wijzigen in en tussen projecten, voorwaarde is dat het totaal aantal woningen aansluit bij de afspraken die in het kader van deze woondeal gemaakt worden en geen afbreuk doet aan de verdeling van doelgroepen en betaalbaarheid.
6.6.
Om ervoor te zorgen dat bij planuitval reserveplannen beschikbaar zijn, maken partijen in de periodieke Woondealoverleggen afspraken over voldoende plancapaciteit en harde plancapaciteit. Partijen zetten in op voldoende harde plancapaciteit voor de realisatie van de woningbouwproductie (minimaal 130% plancapaciteit voor de periode 2025-2030).
6.7.
Naast het versnellen van de lopende bouwprojecten maken partijen voor zover mogelijk eind 2023 afspraken over de realisatie van flex- en transformatiewoningen om tegemoet te komen aan de vraag naar huisvesting voor spoedzoekers en voor inwoners die starten op de woningmarkt en deze (tijdelijke) huisvesting kunnen gebruiken als opstap naar een reguliere woning. Het betreft dan niet alleen maar de aantallen en de locaties, maar het gaat vooral ook om het slimmer omgaan met de processen rond de realisatie van dergelijke woningen. Als het flexwoningen betreft op tijdelijke locaties stelt het Rijk (mits voldaan wordt aan kwaliteitseisen) een herplaatsingsgarantie beschikbaar. Onderdeel van de herplaatsingsgarantie is dat gemeenten, regio, provincie en Rijk ervoor zorgen dat er na de tijdelijke exploitatie elders een volgende locatie beschikbaar komt voor die flexwoningen die een tweede periode kunnen ingaan. Voor de realisatie van deze woningen is de recent vastgestelde herplaatsingsgarantie van het Ministerie belangrijk. Deze garantie neemt een groot deel van het risico van een mogelijk kortere
23
exploitatietermijn grotendeels uit de businesscase. De regio kunnen daar waar noodzakelijk gebruik maken van de herplaatsingsgarantie volgens de “contouren financiële herplaatsingsgarantie d.d. 6-12-2022”. Tabel 3. Transformatie- en flexwoningen in Limburg
Regio en termijn
Hergebruik/ Aantal transformatie (andere flexwoningen opgave)
NL I NL II ML I ML II ZL I ZL II
1.608
482
Totaal I Totaal II Totaal 2022 - 2030
5.106
1.680
7.008
266+pm
12.114
1.946+pm
1.085
20
1.755
150
3.463
171
1.743
1.048
2.460
75+pm
7. Monitoring en bespreking voortgang 7.1.
De gemeenten en de provincie spreken af jaarlijks gezamenlijk de woningbouwproductie te monitoren. Momenteel wordt gewerkt aan de landelijke harmonisatieafspraken tussen IPO, VNG en BZK. De provincie streeft naar harmonisatie van monitoring tussen de overheidslagen. Deze harmonisatie moet de ruimte bieden voor integratie dan wel uitbreiding van de provinciale en gemeentelijke monitoringsbehoefte.
7.2.
De gemeenten/regio zetten hun data in het monitoringsysteem. De gemeente/regio blijft bronhouder en eigenaar van de data en daarmee verantwoordelijk voor de juistheid en actualiteit van de data. Voor tussentijdse systeemupdates blijven partijen afhankelijk van de mogelijkheden van externe leveranciers.
7.3.
Doel is door intensief en kort-cyclisch ambtelijk en bestuurlijk overleg goed zicht te krijgen en te houden op de uitvoering. Hierdoor signaleren partijen vroegtijdig wanneer de voortgang van de woningbouw stokt. Wanneer (gezamenlijk) wordt geconstateerd dat de voortgang stokt, stellen partijen gezamenlijk vast wat de achterliggende oorzaken daarvan zijn (fact finding). Op basis daarvan worden de benodigde en gewenste acties in gang gezet. Uitgangspunt is: ‘’los het op, of schaal het op’’.
8. Overlegstructuur: samenwerking & sturing 8.1.
De Partijen spreken een sturingscyclus af die gebaseerd is op een overleg twee keer per jaar: de Provinciale Woondealtafel, waarbij Rijk, Provincie en de drie woonregio’s bestuurlijk aanschuiven evenals per woonregio een vertegenwoordiger van de Limburgse woningcorporaties (indien mede-ondertekenen). Monitoring en een scherpe agendering is uiteraard een belangrijk element om deze tafels goed te voeden en effectief te laten zijn. Naast deze cyclus worden de noodzakelijke Versnellingstafels georganiseerd en vindt uiteraard het reguliere overleg BO Leefomgeving en BO MIRT plaats, waarbij zo veel mogelijk aansluiting zal worden gezocht. Figuur 1: Schematische weergave jaarcyclus overlegstructuur
24
8.2.
Er is een bestuurlijke overlegstructuur voorzien die enerzijds zorgt voor informatievestrekking richting het netwerk, evenals gezamenlijke agendering, maar ook het netwerk van overheden en overige partijen steviger bij elkaar brengt en versnellingsmogelijkheden bespreekt en agendeert. De procesinrichting is in de vorm van een jaarcyclus in figuur 1 schematisch weergegeven. o
o
o
o
8.3.
Regionale Woontafel (lichtblauw): dit is de tafel op woonregio niveau met een ambtelijke afvaardiging van de betrokken stakeholders: gemeenten/regio, provincie, woningcorporaties, waterschap, woonbond/afgevaardigde huurdersbelangenverenigingen en marktpartijen. Aan deze tafel wordt de voortgang van de woningbouwprojecten, de actuele problematiek en oplossingsrichtingen en hulpvragen besproken. Versnellend, informatief en agendasettend. BO woonregio: dit is het Bestuurlijk Overleg tussen woonregio en provincie, alwaar de agenda voor de Woondealtafel wordt voorbereid, gehoord hebbende de input van de Regionale Woontafel BO Limburg: dit is het Bestuurlijk Overleg met de drie voorzitters van de woonregio’s en de gedeputeerde, alwaar de agenda definitief wordt voorbereid en samengesteld ten behoeve van de Woondealtafel. Provinciale Woondealtafel (zwart): dit is het halfjaarlijks Bestuurlijk Overleg tussen minister, gedeputeerde, de voorzitters van de drie woonregio’s en drie vertegenwoordigers van de woningcorporatiesector (indien mee-ondertekenen).
Om gezamenlijk zicht te houden op de voortgang van de uitvoering van de voorliggende bestuurlijke afspraken vindt er ambtelijk: o Vier keer per jaar op ambtelijk niveau overleg plaats tussen het Ministerie van BZK (directeuren woningbouw, woningbeleid en opgavemanagers), de provincie en afgevaardigden vanuit de woonregio’s, waarvan tweemaal per jaar ter voorbereiding op het eerder genoemde overleg Woondealtafel.
25
o
Vier keer per jaar vindt ambtelijk overleg plaats tussen de gemeenten/woon(sub)regio’s, woningcorporaties en provincie over stand van zaken en voortgang van de realisatie van woningbouwplannen.
8.4.
Partijen agenderen vanuit de ambtelijke en/of bestuurlijke overleggen ten behoeve van de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties en tafels als de landelijke Versnellingstafel eventuele regio-overstijgende en algemene knelpunten. die uit. Tevens wordt concreet aangegeven welk resultaat noodzakelijkerwijs geboekt moet worden om de voortgang te kunnen waarmaken.
8.5.
Daarnaast worden op provinciaal niveau, afhankelijk van behoefte en actualiteit, een of meerdere separate Versnellingstafels georganiseerd indien er thema’s of knelpunten zijn die we gericht willen oppakken. Deze tafels kunnen divers van aard zijn, tijdelijk of langer lopend. De betrokken partijen komen regelmatig in enig jaar bij elkaar, afhankelijk van de noodzaak (urgentie, aard opgave enz.). De samenstelling en exacte werking van de Versnellingstafels worden nader uitgewerkt.
9. Vervolg 9.1.
Voor een goede uitvoering van deze Woondeal, wordt in 2023 gestart met de verdere uitwerking van enkele thema’s, samen met onze partners. Het betreft daarbij het opstellen van de Woonzorgvisies in elke gemeente, het door ontwikkelen van een Limburgse visie op de woon- en herstructureringsopgave in relatie tot NOVEX, BO Leefomgeving en het Ruimtelijk Arrangement. Ook zullen we afspraken gaan maken over de wijze waarop we vanaf 2025 gaan programmeren, opdat adequater ingespeeld kan worden op ontwikkelingen die de huisvestingsbehoeften sterk beïnvloeden. Tevens gaan we ons de komende periode inspannen om duurzaam, circulair en natuurinclusief bouwen verder te ontwikkelen. Momenteel is er veel ambitie, bijvoorbeeld op het gebied van normering en stimulering van circulair bouwen die nog geen plek hebben gekregen in de woningbouwprogramma’s. Er zijn voornemens om een aanscherping op het terrein van normering en stimulering van circulair bouwendoor te voeren vanaf 2025. Ook biobased bouwen, hergebruik of industrieel bouwen dragen bij aan versnelling, een betere milieuprestatie en minder stikstofuitstoot. Deze thema’s kunnen op een te organiseren Versnellingstafel verder worden vormgegeven.
26
10.
Kritische succesfactoren
De randvoorwaarden op orde Zoals in het Limburgs bod is benoemd, moeten de condities en randvoorwaarden op orde zijn om alle woningen bijtijds en met de beoogde kwaliteiten te realiseren. De partijen in deze Woondeal identificeren met elkaar een aantal kritische succesfactoren, zonder welke de realisatie van de afspraken uit deze Woondeal onder druk komt te staan. Voor alle opgenomen (afspraken over) kritische succesfactoren geldt dat deze periodiek besproken zullen worden in de Woondealoverleggen om de voortgang te monitoren. Het Rijk informeert de regio tijdig indien er (consultaties voor) nieuwe regelingen of subsidiemogelijkheden opengesteld worden. Ook zal het Rijk als vraagbaak optreden bij eventuele onduidelijkheden omtrent de aanvraag van financiële middelen. BZK coördineert de opgaven die samenhangen met woningbouw en fungeert als eerste aanspreekpunt richting andere departementen. De Minister voor VRO zet zich maximaal in om samen met de verantwoordelijke collega-ministers kritische succesfactoren in relatie tot woningbouw aan te pakken. Wanneer er al een andere gebieds-specifieke, regionale of landelijke tafel is voor een kritische succesfactor wordt het knelpunt primair daar opgelost. Wanneer partijen tegen locatie- of regio specifieke knelpunten oplopen voor de realisatie van de woningbouw worden deze ingebracht op een Versnellingstafel.
Indien er sprake is van landelijke thema’s kunnen deze worden doorgezet naar de landelijke Versnellingstafel. Ook fungeert BZK indien nodig als toegangspoort tot de andere departementen. 10.1.
Voldoende en structurele rijksmiddelen voor uitvoering van de Woondeal. De forse investeringen die nodig zijn voor woningbouw ook in relatie tot de hele volkshuisvestingsopgave, kunnen de gemeenten niet altijd zelf opbrengen of verhalen op de ontwikkelaar. Vanwege de vaak beperkte omvang van projecten, of de complexiteit van de bouwopgave (waaronder transitie bestaand vastgoed, sloop nieuwbouw, verbouw, herbouw, bouwen in bestaand bebouwd gebied staan businesscases sterk onder druk. Het gaat dan om bijvoorbeeld grond, infrastructuur en investeringen in de leefomgeving. Zeker in combinatie met de maatschappelijke doelstelling van betaalbaar bouwen is een financiële ondersteuning van het Rijk nodig om gewenste woning(ver)bouwprojecten vlot te trekken. Dit is de kern van de wederkerigheid in de afspraken. Anders komen deze niet van de grond of moeten de maatschappelijke doelstellingen zoals de betaalbaarheid losgelaten worden. In samenwerking met marktpartijen en woningcorporaties zoeken de partners in deze Woondeal naar oplossingen voor onrendabele businesscases. Gemeenten halen opbrengsten uit grondverkoop, of, als de gronden van ontwikkelaars zijn, uit het wettelijke kostenverhaal. Bij het realiseren van betaalbare woningen kent de businesscase een grotere onrendabele top.
Daarom is aanvullend op de lokale en provinciale inzet, financiële dan wel regulerende ondersteuning van het Rijk nodig. De realisatie van minimaal 26.550 woningen hangt zoals eerder aangegeven samen met ingrepen in de bestaande woningvoorraad middels ver- en herbouw en transformatie van bestaand leegstaand vastgoed. Dat brengt extra kosten (verwerving, sloop, terugbouw van minder woningen enz.) met zich mee. Om zorg te kunnen dragen voor de 2/3 betaalbaarheid, is financiële steun noodzakelijk.
27
Volgens de regio is het gewenst dat, voor het op peil brengen en houden van een continue bouwstroom, het Rijk aan de voorkant structurele middelen beschikbaar stelt per provincie in plaats van, dan wel naast incidentele regelingen waarop regio’s en provincies telkens opnieuw (in concurrentie) moeten inschrijven. Niet alleen sturen op aantallen, maar ook op kwaliteitsaspecten, waardoor er ook ruimte komt voor kleinere initiatieven, van voldoende kwaliteit. Partijen onderkennen dat veel projecten te maken hebben met een publiek onrendabele top. De forse investeringen die nodig zijn voor woningbouw kunnen de gemeenten niet altijd zelf opbrengen of verhalen op de ontwikkelaar. Partijen gaan met elkaar in gesprek over het wegnemen van de onrendabele top en hoe de verschillende instrumenten, zoals bijvoorbeeld de woningbouwimpuls en het Volkshuisvestingsfonds (VHF), hieraan kunnen bijdragen. Voor de regio is het belangrijk dat de WBI-procedures zo eenvoudig en efficiënt mogelijk zijn. Het rijk betrekt de provincie en regio bij de (door)ontwikkeling van de Woningbouwimpuls en het Volkshuisvestingsfonds en mogelijke aanpassingen. Zo blijven we in gesprek over de werkwijze van de regelingen en mogelijke verbeteringen ten aanzien van de effectiviteit en doelmatigheid van het instrument in zowel de aanvraag-, beoordeling- als beheerfase. 10.2.
Meer personele capaciteit bij gemeenten op het ruimtelijk domein Het ontwikkelen van nieuwe woningen en herstructurering van bestaande gebieden en gebouwen vraagt veel van organisaties als provincie, gemeenten en woningcorporaties. Veel gemeenten zetten in op de verhoging van de woningbouwproductie en een focus op complexe binnenstedelijke ontwikkeling. Daarvoor is het noodzakelijk om samen te werken aan een duurzame, structurele oplossing voor de capaciteitsproblemen met betrekking tot de beschikbaarheid van ambtelijke expertise, vooral op het terrein van het ambtelijke handwerk in de planprocedures. Vooralsnog heeft de provincie Limburg € 0,9 miljoen ontvangen uit de Specifieke Uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw (2e tranche) voor 2023. Deze middelen zijn ook inzetbaar ten behoeve van het opstellen van de Woonzorgvisies. In dat opzicht past de hoogte van het bedrag niet bij de opgave. Deze is nu uitsluitend geënt op de grootte van de provinciale uitbreidingsopgave. De ligging in een gebied wat door landsgrenzen wordt gekenmerkt en met buren die een andere taal spreken maakt dat het gevecht om personeel met actuele grensoverschrijdende kennis essentieel is. Meer aandacht en geld voor het aantrekken, ontwikkelen en behouden van extra uitvoeringscapaciteit wordt door de regio gezien als randvoorwaardelijk voor het behalen van de afspraken in deze Woondeal.
Dit kan bijvoorbeeld bewerkstelligd worden door meer geld naar het gemeentefonds te laten vloeien, oplossingen te zoeken op regionale schaal en/of door de samenwerking aan te gaan met onderwijsinstellingen of opleidingsinstituten om daarmee het aanbod professionals te vergroten.
10.3.
Plan van aanpak versnellen processen en procedures Daarnaast helpt het als gemeenten worden ontlast als het gaat om de onderzoekslast die komt kijken bij deze ontwikkeling. Hierbij valt te denken aan het vergoeden van bestemmingsplanontwikkelingen en andere onderzoeken. De regio vraagt aandacht voor vereenvoudigde planprocedures, het inperken van bezwaarprocedures en transparantie in Raad van Stateprocedures. Het Rijk heeft het actieplan Versnelling Woningbouwprocedures inmiddels gepubliceerd, waarin dit een plek krijgt. Het uitvoeren van dit actieplan is belangrijk voor het versnellen van de afspraken in deze Woondeal.
10.4.
Stikstofproblematiek in relatie tot de woningbouwopgave
28
Het is randvoorwaardelijk voor de realisatie van menig woningbouwprogramma dat er op korte termijn duidelijkheid komt over de aanpak van de stikstofproblematiek. 10.5.
Grip op kostenstijgingen De afgelopen jaren zijn de bouwkosten fors gestegen. Hierdoor worden nieuwbouw en herstructureringsprojecten fors duurder. Het is van belang om oplossingen te vinden om de ambities van de geplande nieuwbouw- en herstructureringsprojecten te kunnen realiseren.
10.6.
Investering in infrastructuur en mobiliteit Bij veel woningbouwplannen is sprake van (lokale) infrastructurele uitdagingen. Bij binnenstedelijke of binnendorpse inbreidingen en transformaties spelen diverse zaken die om investeringen vragen. De kwalitatieve inrichting van de openbare ruimte en combinaties van andere ruimtelijk opgaves zoals het tegengaan van hittestress, het stimuleren van wandelen en fietsen, bereikbaarheid van ov, fiets- en auto parkeren. Hierbij geldt dat de regio behoefte heeft aan structurele middelen die niet verdeeld zijn over meerdere regelingen.
10.7.
Investeringscapaciteit woningcorporaties De rijksoverheid en woningcorporaties hebben Nationale Prestatieafspraken (NPA). gemaakt. Deze afspraken zien toe op een zeer forse ambitie in verduurzaming, nieuwbouw én betaalbaarheid. De financiële realiteit sinds het tekenen van de Nationale Prestatieafspraken is sterk veranderd. Daarmee staat de haalbaarheid van de afspraken onder druk, net als de haalbaarheid van woningbouwplannen van andere partijen. Het afschaffen van de verhuurderheffing is een goede en zeer belangrijke stap om woningcorporaties aan investeringsruimte te helpen die nodig is voor het realiseren van de opgave. Echter in de tussenliggende periode staat deze onder druk door de renteontwikkeling, de gestegen vennootschapsbelasting en een kostenstijging van bouwmaterialen. Corporaties verwachten dat er extra middelen nodig zullen zijn om de stapeling aan opgaven zoals benoemd in de Nationale Prestatieafspraken te kunnen realiseren. Immers, uit een doorrekening van de Nationale Prestatieafspraken toentertijd blijkt dat de opgaven weliswaar landelijk financieel haalbaar zijn, maar dat juist de woningcorporaties in Limburg de kritische grens van de Loan to Value te dicht naderen. Deze kritische grens komt door de bovengenoemde factoren dichterbij, immers de financiële situatie op de woningmarkt is sindsdien verslechterd.
In de Nationale Prestatieafspraken is afgesproken om de financiële haalbaarheid van de maatschappelijke opgaven door woningcorporaties in 2024 integraal in beeld te brengen. Vanwege de sterk veranderende macro-economische omstandigheden wordt deze geplande update een jaar naar voren gehaald en reeds in 2023 uitgevoerd.
10.8.
Beschikbaarheid bouwgrond woningcorporaties Om de opgave in het sociale huursegment te realiseren, beschikken woningbouwcorporaties momenteel over onvoldoende grond om deze opgave te kunnen realiseren. Sinds de invoering van de Woningwet is het grondbezit van corporaties noodgedwongen sterk afgenomen. Corporaties mogen in de DAEB-tak immers enkel gronden verwerven mits er binnen vijf jaar wordt gestart met bouwen en er een woonbestemming op de locatie rust. Deze voorwaarde beperkt de opbouw van grondposities door corporaties. De grond die in potentie kan worden ingezet voor nieuwbouw is veelal in bezit van private ontwikkelaars. Het verkrijgen van bouwlocaties voor sociale huurwoningen zal daardoor slechts mogelijk zijn tegen hoge grondprijzen. Deze staan ver van de sociale grondprijs die nodig is om een sociale huurwoning te
29
realiseren. Corporaties achten maatregelen nodig vanuit de overheid in het grondbeleid om de ambitie zoals beschreven in deze Woondeal te kunnen realiseren. Er liggen volop kansen om via verdergaande samenwerking tussen gemeente, ontwikkelaars en corporaties om de bouw op gang te houden. Alle partijen in de keten zullen flexibiliteit moeten betrachten om de bouwproductie op gang te houden 10.9.
Mogelijkheid om betaalbare koop en huur langdurig juridisch te kunnen verankeren Termijnen voor het plaatsen of gebruiken van tijdelijke woningen of locaties zijn nu landelijk vastgesteld op 15 jaar. Indien het Rijk zorgt voor wet- en regelgeving die langdurige juridische verankering van betaalbare koop en huur mogelijk maakt, draagt dit bij aan de structurele oplossing van het tekort aan betaalbare woningen. Met de huidige verankering van maximaal 15 jaar worden maatschappelijke gelden feitelijk ingezet voor het creëren van tijdelijke oplossingen. Advies is om langdurige verankering vast te leggen door een meer expliciete link te leggen tussen de realisatie van betaalbare huur door woningcorporaties.
10.10. Monitoring en rapportage Voor het naleven en herijken van de afspraken is een goede monitoring nodig. Het Rijk kondigt een Interbestuurlijke landelijke monitor voortgang woningbouw aan. Het is voor de regio van belang dat deze monitor naast kwantitatieve gegevens ook kwalitatieve informatie bevat. De regio pleit ervoor geen extra monitoring in te richten, maar gebruik te maken van en aan te sluiten op de provinciale monitoring en gemeentelijke behoefte aan monitoringsgegevens. Voor het slagen van de uitvoering van de Woondeal is het noodzakelijk dat op korte termijn duidelijk wordt hoe de monitoring eruit gaat zien, wat de rol van gemeenten en provincie is in het aanleveren van data en dat er bij de start van de uitvoering van de Woondeal een nulmeting ligt om de afspraken te ijken. Voor tussentijdse systeemaanpassingen blijven partijen afhankelijk van de mogelijkheden van externe leveranciers. 10.11. Ontwikkelingen op andere beleidsvelden. Knelpunten als gevolg van de formulering van uitgangspunten en randvoorwaarden in andere beleidsvelden kunnen effect hebben op de woningbouwafspraken. Dit soort uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld water en bodem sturend, worden dan ook geagendeerd op de regionale Woondealtafel en regionale Versnellingstafel(s). Desgewenst kan het aan de orde worden gesteld bij de landelijke Versnellingstafel. 10.12.
Wettelijke verankering verantwoordelijkheden en bevoegdheden Om deze afspraken te kunnen nakomen is een wetswijziging noodzakelijk die realisatiekracht mobiliseert en waarin rollen, taken en verantwoordelijkheden eenduidig belegd zijn. Zonder extra bijbehorende instrumenten, middelen en capaciteit zijn de doelen niet realiseerbaar.
30
C. Limburgse Woonregio’s < TABBLAD >
31
a. Woonregio NOORDLIMBURG < TABBLAD >
32
a. Woonregio Noord-Limburg Algemene beschrijving van de opgave in Noord-Limburg Noord-Limburg heeft de grootste groeipotentie en hiermee de grootste bouwopgave om de huishoudensgroei te faciliteren van Limburg. Uit het woningmarktonderzoek van STEC groep, dat onderdeel was van het provinciaal bod, blijkt duidelijk dat het grootste deel van de totale bouwopgave in Noord-Limburg ligt. Vanuit het perspectief rust en ruimte is er aandacht voor meer leefbaarheid en woonkwaliteit in alle kernen van Noord-Limburg, door het toevoegen van duurzame toekomstgerichte woningen voor senioren en starters, met hierbij voldoende keuzemogelijkheden voor alle inwoners van de gemeenten. Dit is kenmerkend voor de specifieke identiteit en eigenheid van alle dorpskernen in Noord-Limburg en draagt bij aan de vitaliteit om te (blijven of gaan) wonen in een aantrekkelijk deel van de provincie, dat gunstig gelegen is ten opzichte van de andere provincies. Noord-Limburg heeft en vraagt- ook van haar medeoverheden- extra aandacht voor de opgaven in de bestaande woningvoorraad (levensloopbestendig maken en verduurzamen), de transformatieopgave van niet toekomstbestendige locaties en het verbeteren van de leefbaarheid in de wijken. Extra aandachtspunt voor specifieke doelgroepen (waaronder internationale medewerkers), beschouwt Noord-Limburg als een vanzelfsprekend onderdeel van deze opgave.
In de komende periode wordt de ambitie, of dit nu gaat om groei of het versterken en behouden van bestaande kwaliteiten, nader uitgewerkt voor de periode na 2024. Passend bij de opgave waar we voor staan en hiermee een bijdrage leverend aan de landelijke opgave om voldoende woningen te realiseren. In Noord-Limburg concentreren zich naast de bouwopgave een aantal complexe ruimtelijke opgaves, denk hierbij aan de landbouwtransitie, vrijkomende agrarische bebouwing, opgaven rondom water en de energietransitie. Keuzes met betrekking tot die opgaven worden o.a. gemaakt in het kader van Novex-gebied De Peel. Dit biedt ook kansen en mogelijkheden om (een deel) van het woonvraagstuk op te lossen. In Noord-Limburg is gezondheid een belangrijke verbindende schakel. We kiezen bewust en doelgericht voor gezondheid als basis om prettig te kunnen leven, werken, ontwikkelen en samenwerken. De acht Noord-Limburgse gemeenten bundelen al jaren de krachten om een impuls te geven aan de verdere ontwikkeling van de regio en het oplossen van regionale, maatschappelijke vraagstukken. Met nog de nodige behoefte aan nieuwbouw, wordt o.a. ingezet op voldoende (sociale) huurwoningen en betaalbare koopwoningen. Ook wordt, mede door de toenemende vergrijzing, sterk ingezet op het bevorderen van doorstroming.
Noord-Limburg kenmerkt zich door de nodige dynamiek als gevolg van de strategische ligging als logistieke hotspot tussen de mainports in Nederland, Vlaanderen en Duitsland, de Venlo Greenport als belangrijk onderdeel van de Limburgse kennis-as van de Brightlandcampus en de verbondenheid met regio’s als Nijmegen en Brainport Eindhoven. Agribusiness, maakindustrie en logistiek zijn stuwende economische sectoren. In de afgelopen jaren heeft daarnaast met name de vrijetijdseconomie een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Het agrarische karakter met afwisselend landschap met onder andere De Peel en de Maasduinen, de ruimte en de Maas zetten daar rust tegenover. De woningbouwopgave moet ook gezien worden in de mix van grote dynamiek en rust en ruimte die Noord-Limburg kenmerkt. Vanuit het perspectief dynamiek bekeken is een sterke verbondenheid met omliggende regio’s, zoals Nijmegen en Brainport Eindhoven, te zien. Met een plus op het (op behoefte gebaseerde) woningbouwprogramma kan de druk op de woningmarkt in
33
aangrenzende regio’s verlicht worden en dragen wij zorg voor een evenwichtigere samenstelling van onze wijken. Daarnaast dragen ontwikkelingen binnen de eigen regio (denk aan hoger onderwijs en verstreken economische structuur) ook bij aan extra groei. Dit sluit aan op de stedelijke dynamiek die ook in Noord-Limburg te vinden is. Werkwijze Noord-Limburg De regio Noord-Limburg zet zich op basis van de in 2020 vastgestelde Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024 in om in samenwerking met corporaties en marktpartijen 10.649 woningen te realiseren, zoals aangegeven in de onderstaande tabel a1. De sleutelprojecten, door de provincie gedefinieerd als zijnde projecten met een financiële bijdrage vanuit de provincie en/of rijk, zijn in tabel a4 gemarkeerd én op kaart 2 aangegeven. De planlijsten zoals bijgevoegd hebben een dynamisch karakter en worden jaarlijks geactualiseerd. Dit geldt zodoende ook voor de aantallen zoals ingevuld in de tabellen. Huisvestingsopgave Regio Noord-Limburg: van provinciale naar regionale opgave Noord-Limburg bouwt in de eerste termijn van 2022 tot en met 2024, 5.239 woningen, waarvan 2.654 (51%) in het betaalbare segment.
In de opmaat naar én gedurende de tweede termijn van 2025 tot en met 2030 voeren de partijen, daar waar de kwaliteit in relatie tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad op een zodanige wijze dat minimaal 2/3 betaalbaar wordt gerealiseerd. Deze zullen dan ook in de daadwerkelijke realisatie vanaf 2025 landen. De programmering van de tweede termijn (2025 – 2030) is structureel onderwerp van gesprek op de regionale woontafel. De woningbouwopgaven en -kansen worden voor de tweede termijn (2025 – 2030) nog nader geduid voor de regio Noord-Limburg middels een op te stellen ‘Toekomstvisie wonen NoordLimburg’. Onderstaande tabel geeft inzicht in het totaal aantal te realiseren woningen (T) in de twee termijnen (I en II) Tabel a1: De Woondeal overzichtstabel Regio Noord-Limburg: 2022 – 2030* Bruto toevoegingen (te realiseren woningen)3
Beschikbare bruto plancapaciteit (aantal woningen)4
Aantal woningen in harde plancapaciteit5
Betaalbaarheid6
Aantal woningen door woningcorporaties
SH
MH
GK
SH
MH
I
5.239
4.990
3.477
1.256
829
569
973
150
II
5.410
5.372
1.251
1.022
218
973
633
10
T
10.649
10.362
4.728**
2.278
1.047
1.542
1.606
160
* De bovenstaande cijfers komen mogelijk niet overeen met hetgeen er per gemeente is opgevoerd in de PlanCapaciteitsMonitor (PCM). Dezezijn afkomstig uit de gemeentelijke administraties en dus actueler dan de PCM.
3 De daadwerkelijke toevoegingen (dus exclusief sloop) 4 Aantal woningen van de bruto toevoegingen die in de plancapaciteit zijn opgenomen. 5 ‘Harde plancapaciteit’ zijn die plannen die onherroepelijk vastliggen in een bestemmingsplan 6
Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max van €1000 per maand en koopwoningen onder de €355.000.
34
** Bovenstaande cijfers komen niet overeen met het totaal uit de PCM. Gemeenten hanteren voor intern gebruik actuelere projectenoverzichten die nog opgevoerd dienen te worden in de PCM. Voor de eerste termijn (I: periode 2022-2024) zijn de realisaties per gemeente aangegeven in tabel a2. Tabel a2. De eerste termijn Woondeal Regio Noord-Limburg per gemeente: 2022 – 2024*** Gemeente
Toevoegingen
Plancapaciteit
Beesel
261
258
Bergen
274
259
Gennep
390
376
Horst aan de Maas
996
968
Mook en Middelaar
365
364
Peel en Maas
600
564
Venlo
1.745
1.594
Venray
608
607
Totaal
5.239
4.990
*** De bovenstaande cijfers komen mogelijk niet overeen met hetgeen er per gemeente is opgevoerd in de PCM. De bovenstaande cijfers zijn afkomstig uit de gemeentelijke administraties en dus actueler dan de PCM.
De regio Noord-Limburg draagt met onderstaande aantallen bij aan de realisatie van de Limburgse opgaven op het terrein van flexwonen, transformatie en herstructurering. Tabel a3. Flexwonen, herstructurering en transformatie Noord-Limburg Periode
Hergebruik/ transformatie (andere opgave)
Herstructurering door
Aantal flexwoningen
Periode I
1.608
- 128
482
Periode II
1.085
- 82
20
Totaal
2.693
- 210
502
Sloop woningen
35
Sleutelprojecten Onderstaande bouwlocaties zijn aangewezen als sleutelprojecten in de regio en noodzakelijk voor realisatie van de regionale opgave. Eventuele knelpunten voor de realisatie van deze locaties zijn in tabel a4 opgenomen. We blijven via de Woondealtafel met elkaar continue het gesprek voeren om gesignaleerde knelpunten ten behoeve van de realisatie aan te pakken. Tabel a4. Sleutelprojecten Gemeente
Aantal projecten
Toevoeging
Onttrekking
Regelingen
Beesel
3
85
0
KLC, Doeluitkering herstructurering Bedrijventerreinen en Subsidie Flexibele inzet woningbouw
Bergen
2
34
5
KLC
Gennep
3
79
0
KLC
Horst aan de Maas
4
984
64
KLC en RHA
Mook en Middelaar
1
250
0
KLC
Peel en Maas
3
284
0
KLC
Venlo
2
706
0
KLC,BIRK
Venray
5
218
0
KLC
36
Kaart 2. Versnelling (tot 2025) en sleutelprojecten Noord-Limburg
37
Kritische succesfactoren en ondersteuning De kritische succesfactoren zoals weergegeven in de inleidende tekst worden door de NoordLimburgse gemeenten onderschreven. Onderstaand een weergave van kritische succesfactoren die kenmerken zijn voor de regio Noord-Limburg: Al geruime tijd wordt er gewerkt aan de planvorming voor de verdubbeling en elektrificatie van de Maaslijn. De ontwikkeling van de Maaslijn is cruciaal voor de aantrekkelijkheid van de aangelegen kernen. Door de elektrificatie en verdubbeling worden kernen beter en sneller bereikbaar én aantrekkelijker. De vernieuwing zorgt voor een kortere woon-werkafstand, wat het reizen én studeren in eigen regio of provincie aantrekkelijker maakt. Het is van groot belang voor de leefbaarheid van de kernen dat er vaart wordt gemaakt met de elektrificatie en verdubbeling van de Maaslijn. Voor de opgave van sociale huur zijn de woningcorporaties grotendeels afhankelijk van bouwlocaties die de gemeenten ter beschikking stellen tegen (doorgaans) betaalbaardere tarieven. Hierdoor komen gemeentelijke grondexploitaties, met name van kleine projecten, onder druk te staan. Subsidies voor kleine projecten zijn dan ook zeer wenselijk om haalbare businesscases neer te kunnen zetten. in algemene zin geldt dat er ook sprake is van lokale belemmeringen, bijvoorbeeld door hoogspanningsleidingen.
Het proces om deze wel/niet ondergronds te laten lopen is langdurig. De opgave is in Noord-Limburg voor een groot deel kwalitatief van aard. Door meervoudige opgaven op diverse terreinen zoals waterberging, klimaatadaptatie en voldoende groen staat de financiële haalbaarheid van woningbouwprojecten onder druk. Helemaal als het gaat om het toevoegen van (kleinere aantallen) woningen in het betaalbare segment binnen bestaand stedelijk gebied, bijvoorbeeld door transformatie. Daarnaast zijn er op diverse locaties lokale belemmeringen, hetgeen een negatief effect heeft op voldoende bouwlocaties.
38
39
b. Woonregio MIDDENLIMBURG < TABBLAD >
40
b. Woonregio Midden-Limburg Algemene beschrijving van de opgave in Midden-Limburg Midden-Limburg is het verbindend hart van Limburg, waar het aantrekkelijk wonen en leven is. De regio bestaat uit 2 stedelijke en 5 plattelandsgemeenten. Naast de steden Roermond en Weert, met een belangrijke verzorgende functie voor de regio, zijn er ruim 50 (kleine) kernen. Hoewel Midden-Limburg in omvang de kleinste regio is, heeft Midden-Limburg, na Noord-Limburg, wel de grootste bouwopgave. Dit blijkt ook uit het woningmarktonderzoek, dat door Stec Groep is uitgevoerd als onderdeel van het Limburgs bod. Midden-Limburg scoort hoog in de Monitor brede welvaart. De regio wil haar unieke karakter behouden en verder uitbouwen door gezamenlijk te werken aan drie hoofdopgaven: een duurzaam en klimaatbestendig Midden-Limburg; een toekomstbestendige (circulaire) economie; een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het thema wonen is hierbij van cruciaal belang. In Midden-Limburg gaat het goed. Een groot deel van de inwoners is welvarend. MiddenLimburgers houden van tradities zoals kermis, carnaval en schutterijen en voelen zich thuis in de regio: het groene hart van Limburg met het smalste stukje van Nederland. De afgelopen decennia heeft de regio een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Door de grindafgravingen is een groot aaneengesloten watersportgebied tot stand gekomen.
Daarnaast kent de regio schitterende (grens- overschrijdende) natuurgebieden waaronder vele met de status van Natura-2000. Het is hier prettig wonen, werken, winkelen en recreëren in aantrekkelijke steden en de nabij gelegen vitale dorpen in het groen. Door de regio lopen verschillende stromen, sporen, kabels, buizen en wegen waarlangs mensen, goederen, energie en grondstoffen onderweg zijn naar de plek van bestemming. Door deze ligging en de transportassen is de regio aantrekkelijk voor vele bedrijven. Midden-Limburg loopt in Limburg voor op het gebied van innovatie wat betreft de energietransitie. De eerste windmolens in Limburg zijn gerealiseerd in Leudal en het eerste coöperatieve zonnepark van Limburg ligt in Weert. Een groot deel van Midden-Limburg is welvarend. Tegelijkertijd zijn er in delen van het buitengebied, in sommige landelijke kernen, in stedelijke wijken en bij specifieke doelgroepen grote opgaven op het gebied van welzijn, gezondheid, eenzaamheid en leefbaarheid. Dit komt onder meer door demografische veranderingen, schaalvergroting in de economie en een daarmee samenhangend teruglopend voorzieningenaanbod. In de kernen en steden leidt het toewijzingsbeleid voor sociale huurwoningen bovendien tot segregatie en een vrij eenzijdig samengestelde bevolking, terwijl in het landelijk gebied de toenemende leegstand van agrarische bedrijven een probleem wordt.
De kwaliteit van het wonen in Midden-Limburg is hoog. Toch zijn er op het gebied van wonen uitdagingen, die in 2022 zijn vastgelegd in de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025. Daarnaast bestaat er een nadrukkelijke bestuurlijke wens om ambitieuzer te bouwen dan uitsluitend voor de lokale/regionale behoefte. Hiermee wordt ingespeeld op een ontwikkeling (overloop vanuit zuidoost Brabant) die feitelijk al plaats vindt. De ambitie om een gedeelte van de bouwopgave van zuidoost Brabant in te vullen, is eveneens opgenomen in de regioparagraaf van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI). Naast het (laten) bouwen van voldoende woningen dient er uiteraard voor de juiste doelgroepen gebouwd te worden, is er aandacht voor transformatie en herstructurering en aanpassing van de bestaande voorraad in relatie tot verduurzaming en het levensloopbestendig maken van de woningvoorraad. Zo wordt de leefbaarheid van de kernen en wijken op peil gehouden en een thuis
41
geboden voor huidige en toekomstige inwoners. Aan specifieke opgaven zoals huisvesting voor internationale werknemers en uitbreiding van woonwagenlocaties wordt gewerkt. De regio Midden-Limburg heeft de wens en het ontwikkelpotentieel om de ambitie uit deze Woondeal te kunnen realiseren, onder de voorwaarden die elders in dit document zijn genoemd (kritische succesfactoren). Werkwijze Midden-Limburg De regio Midden-Limburg zet zich op basis van de in 2022 vastgestelde Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van 10.350 woningen, zoals aangegeven in de onderstaande tabel b1. De sleutelprojecten, door de provincie gedefinieerd als zijnde projecten met een financiële bijdrage vanuit de provincie en/of rijk, zijn in tabel b4 gemarkeerd én op kaart aangegeven. Dit laat onverlet dat de gemeenten daarnaast prioritaire projecten hebben aangewezen, die van wezenlijk belang zijn voor de betreffende gemeenten. De planlijsten, die aan deze Woondeal ten grondslag hebben gelegen, hebben een dynamisch karakter en worden jaarlijks geactualiseerd. Dit geldt zodoende ook voor de aantallen zoals ingevuld in de tabellen. Alle procesafspraken met betrekking tot de plannen, zijn gebaseerd op een door de regio uitgevoerd en vastgesteld woningbehoefteonderzoek.
Huisvestingsopgave Regio Midden-Limburg: van provinciale naar regionale opgave Midden-Limburg bouwt in de eerste termijn van 2022 tot en met 2024, 3.450 woningen, waarvan 2.334 (68%) in het betaalbare segment. In de opmaat naar én gedurende de tweede termijn van 2025 tot en met 2030 voeren de partijen, daar waar de kwaliteit in relatie tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad op een zodanige wijze dat minimaal 2/3 betaalbaar wordt gerealiseerd. Deze zullen dan ook in de daadwerkelijke realisatie vanaf 2025 landen. De programmering van de tweede periode is structureel onderwerp van gesprek op de regionale woontafel. Onderstaande tabel b1 geeft inzicht in het totaal aantal te realiseren woningen (T) in de twee perioden (I en II) Tabel b1: De Woondeal overzichtstabel Regio Midden-Limburg: 2022 – 2030 Bruto toevoegingen (te realiseren woningen)
Beschikbare bruto plancapaciteit (aantal woningen)
Aantal woningen in harde plancapaciteit
Betaalbaarheid
Aantal woningen door woningcorporaties
SH
MH
GK
SH
MH
I
3.450
4.340
2.898
1.387
562
385
1.117
42
II
6.900
5.621
639
1.167
688
218
951
52
T
10.350
9.961
3.537
2.554
1.250
603
2.068
94
42
Voor de eerste termijn (I: periode 2022-2024) zijn de realisaties per gemeente aangegeven in tabel b2. Tabel b2. De eerste termijn Woondeal Regio Midden-Limburg per gemeente: 2022 - 2024 Gemeente
Toevoegingen
Plancapaciteit
Echt-Susteren
375
459
Leudal
450
456
Maasgouw
300
534
Nederweert
300
270
Roerdalen
300
312
Roermond
1.050
1.231
Weert
675
1.078
Totaal
3.450
4.340
De regio Midden-Limburg draagt met onderstaande aantallen bij aan de realisatie van de Limburgse opgaven op het terrein van flexwonen, transformatie en herstructurering. Tabel b3. Flexwonen, herstructurering en transformatie Midden-Limburg Periode
Hergebruik/ transformatie (andere opgave)
Herstructurering door
Aantal flexwoningen
Periode I
1.755
-340
150
Periode II
3.463
-669
171
Totaal
5.218
-1.009
321
Sloop woningen
43
Sleutelprojecten Onderstaande bouwlocaties zijn aangewezen als sleutelprojecten in de regio en noodzakelijk voor realisatie van de regionale opgave. Eventuele knelpunten voor de realisatie van deze locaties zijn in bijlage 3 opgenomen. We blijven via de Woondealtafel met elkaar het continue gesprek voeren om gesignaleerde knelpunten ten behoeve van de realisatie aan te pakken.
Tabel b4. Sleutelprojecten Gemeente
Aantal plannen
Toevoeging
Onttrekking
Leudal
Bijdrage
1
47
0
Weert
9
1.701
658
KLC 1 en 2, Mobiliteitsmaatregelen versnelling Rijk, Stedelijke ontwikkeling, RHA, Prov. Subsidie Stimulering woningbouw
Roermond
9
714
96
Inframiddelen versnelling Rijk, KLC, Prov. Subsidie SRW,
Echt-Susteren
10
212
0
KLC 1 en 2
Roerdalen
5
168
12
KLC, RHA
Maasgouw
2
20
0
Nederweert
2
107
0
ISV-3
Prov. subsidiekader stimulering bouw en transitie Limburgse woningmarkt, RHA
44
Echt Susteren --> aantal 221 wijzigen in 212
Kaart 3. Versnelling (tot 2025) en sleutelprojecten Midden-Limburg
45
Met opmaak: Nederlands (standaard) Met opmaak: Nederlands (standaard)
Kritische succesfactoren De kritische succesfactoren zoals weergegeven in de inleidende tekst worden door de MiddenLimburgse gemeenten onderschreven. Onderstaand een weergave van kritische succesfactoren die kenmerkend zijn voor de regio Midden-Limburg: -
-
Voor de opgave sociale huur zijn de woningcorporaties grotendeels afhankelijk van bouwlocaties die de gemeenten ter beschikking stellen tegen (doorgaans) lagere grondprijzen. Hierdoor komen gemeentelijke grondexploitaties, met name van kleine projecten, onder druk te staan. Bijdragen van het Rijk, ook voor kleine projecten zijn dan ook zeer wenselijk om haalbare businesscases neer te kunnen zetten. Daarnaast speelt de haalbaarheid voor corporaties en gemeenten bij grote herstructureringsopgaven. Bijdragen voor sloop en nieuwbouw voor de corporaties en voor (her)inrichting van de openbare ruimte voor de gemeenten zijn nodig om de plannen haalbaar te maken. Leefbaarheid, ontmoeting, veiligheid en klimaatadaptief inrichten van de openbare ruimte zijn cruciaal voor de sociale samenhang en een toekomstbestendige openbare ruimte in wijken en kernen.
46
-
c. Woonregio ZUIDLIMBURG < TABBLAD >
47
Woonregio Zuid-Limburg algemeen Algemene beschrijving van de opgave in Zuid-Limburg Zuid-Limburg kenmerkt zich door haar unieke ligging in Europa en met haar stedelijke gebieden te midden van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Hierdoor is de woningmarkt zowel stedelijk als landelijk vervlochten. Veel van de werkgelegenheid is te vinden rondom de samenwerkende Brightland campussen (Health-, Chemelot- en de Smart Services Campus), Chemelot Industrial Park, Maastricht University, hogescholen en de groeiende toeristische sector. Daarnaast is ZuidLimburg een ideale uitvalsbasis om te studeren, wonen en werken over de grens (bijvoorbeeld Aken of Luik). Deze factoren zorgen voor een hogere (arbeids)migratie en daarbij aansluitende woningbouwprogramma's. Naast het bijzondere landschap, heeft de regio ook een rijk industrieel verleden. Er staan veel (jonge) monumenten in centra en daarbuiten. Door de massabouw in tijden van mijnbouw en wederopbouw zijn veel kwalitatief laagwaardige woningen gebouwd. Daardoor ligt er nu een stevige uitdaging op het vlak van energietransitie, transformatie en renovatie. Om deze (monumentale) gebouwen te kunnen herstructureren zijn er nieuwe woningen nodig. De bestaande woningvoorraad is vaak dermate verouderd dat renovatie soms niet realistisch is of het woningtype niet meer aansluit bij de wensen van de samenleving (bijvoorbeeld levensloopgeschikt).
Inwoners moeten bovendien kunnen doorstromen naar betere huizen. Doorstroming is ook nodig op het vlak van gezinswoningen naar levensloopgeschikte appartementen en nultredenwoningen. Dit niet alleen in het kader van de vergrijzing, maar ook vanwege de sterke regionale binding die groepen jongeren hebben en die graag willen blijven wonen op de plek waar zij zijn opgegroeid. De ambitie om via herstructurering en transformatie kwalitatieve woningen toe te voegen aan de voorraad is groot. Een impuls om deze ambitie te verwezenlijken is belangrijk, waarbij aandacht nodig is voor de specifieke opgaven die spelen in de grensregio’s van Nederland. Binnen Zuid-Limburg is er sprake van drie verschillende subregio’s: Maastricht-Heuvelland, Parkstad Limburg en de Westelijke Mijnstreek. De Zuid-Limburgse subregio's hebben ieder hun eigen specifieke opgaven, maar kenmerken zich in de bovenstaande gezamenlijke woningbouwambitie. Maastricht-Heuvelland De regio Maastricht-Heuvelland bestaat uit de stedelijke en landelijke gebieden van de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Maastricht, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul. Kenniswerkers uit de euregio, studenten, senioren en jongeren: Maastricht-Heuvelland is een populaire plek om te wonen.
De verwachting is dat de populariteit van deze subregio aanhoudt en toeneemt, mede door de groei van de universiteit, bruisende stadscentra, de wens van senioren en jongeren om in hun omgeving te blijven wonen en de buitenlandse migratie. De vraag naar woningen in de regio komt helaas niet altijd overeen met het aanbod. Bestaande woningen moeten daarom worden verduurzaamd of levensloopgeschikt worden gemaakt. De transformatie- en herstructureringsopgave is onmogelijk om te realiseren zonder nieuwbouw. Nieuwbouw kan zorgen voor doorstroming, snellere verduurzaming, betere menging van woning typologieën en goedkopere woonproducten. Ook wil de regio plek blijven bieden aan expats en andere kenniswerkers uit de (Eu)regio om passend te blijven wonen en ook hun kinderen hier te laten opgroeien. Het United World College zorgt voor een passend onderwijsaanbod. Op basis van de prognoses en programmeringen van Maastricht-Heuvelland is er sprake van een behoefte aan minimaal 12.000 woningen, waarvan 4.365 tijdelijke woningen voor de periode 2022-2030. Deze behoefte is gebaseerd op de groei van de universiteit Maastricht (circa 3% per jaar), maar ook stijgende migratie, behoefte aan tijdelijke woonruimtes en de huidige krapte op de woningmarkt. 48
Projecten binnen Maastricht-Heuvelland ontvangen hiervoor al steun van de Provincie Limburg en het Rijk door middel van verschillende regelingen: het Volkshuisvestingsfonds, het Kader Kwaliteit in Limburgse Centra, Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen en de Versnellingsafsafspraken BO MIRT. Daarnaast is er samen met de subregio Westelijke Mijnstreek een aanvraag ingediend voor de 4e tranche Regio Deal met de naam InGenieus, Groen en Gezond. Parkstad Limburg Parkstad Limburg bestaat enerzijds uit een stedelijk gebied (Heerlen, Kerkrade, Brunssum en Landgraaf) en anderzijds uit een aantal rustieke, landelijke gemeenten (Beekdaelen, Voerendaal en Simpelveld). De regio kent een verouderde woningvoorraad. De afgelopen jaren stond de woningbouwopgave in het teken van herstructurering. Omdat in deze periode relatief weinig nieuwbouwwoningen zijn gerealiseerd, wordt de nieuwbouwopgave steeds urgenter. Op basis van recent woonbehoefteonderzoek betreft de bruto nieuwbouwopgave circa 7.500 woningen in 10 jaar tijd. Het betreft een behoefte aan nieuwe woningen voor bestaande bewoners (gericht op doorstroming/vernieuwing) én voor nieuwe instromers. De regionale economie draait goed. Door de hoge (arbeids)migratie, is er nog maar sprake van een minimale bevolkingsdaling.
Bestuurlijk is in Parkstad de wens geuit om een extra woningbouwambitie uit te spreken en te functioneren als ‘overloopregio’ voor schaarste-gebieden en/of als alternatief (thuiswerken/corona). Door de ontwikkeling van de regio Aken als ‘kennishub’ ontstaat bovendien tegelijk nog meer druk op de woningmarkt in Aken dan voorheen, die door Parkstad kan worden benut. Het voorjaar van 2023 staat in het teken van het vaststellen van een nieuwe regionale woonvisie waarbij de gezamenlijke aanpak op de volkshuisvestelijke opgave nog sterker verankerd wordt bij de gemeenteraden en waarbij de fundering wordt gelegd voor de doorvertaling van de prioriteiten woningbouw van VRO en de daaruit voortvloeiende afspraken in voorliggende woondeal. De stelselmatige aanpak van de volkshuisvestelijke opgaven binnen de regio met onze partners (waaronder vernieuwing) is een essentiële pijler voor de verbetering leefbaarheid en de veiligheid in de regio. Zo is de regio benoemd tot één van de koplopersregio’s uit het programma ‘Een Thuis voor Iedereen’ en wordt de aanpak van de sociale achterstanden in de meest kwetsbare gebieden van Parkstad vanuit de Regio Deal voortgezet en kracht bijgezet bijvoorbeeld vanuit het Volkshuisvestingsfonds, de Woningbouwimpuls en het Mobiliteitsfonds.