RIB.21.099 Gecertificeerde instellingen Limburg
Tekst van het document
Tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. Passende hulp: Hulpverleners bieden hulp die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders. Daarnaast is de hulp bij een jeugdbeschermingsmaat-regel passend wanneer professional(s) kunnen toelichten en ouders/jeugdige ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk verminderen van het recidiverisico. De hulp is passend als deze overeenkomt met het plan, dat een gedragen koers bevat. De hulp is ook passend als blijkt dat professional en gezin het ingezette alternatief passend vinden. Tijdig: De hulp is tijdig wanneer binnen drie maanden na het uitspreken van de maatregel passende hulp is ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid/ ontwikkelingsbedreiging/ recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. De hulp is niet gestart als na de intake het kind/ gezin op een wachtlijst terecht komt. Indien het kind / gezin heeft moeten wachten op passende hulp, maar deze is in de doorbraakaanpak tot stand gekomen, dan beoordelen de inspecties dit positief.
Pagina 47 van 48
Duidelijk. Onafhankelijk. Eerlijk.
www.igj.nl
Pagina 48 van 48
Jeugdbeschermingsregio Limburg
(Noord-Limburg, Midden-Limburg West, Midden-Limburg Oost en Zuid-Limburg)
Regiorapport vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd
Utrecht, juli 2021
De accounthoudende wethouder aan het woord namens Limburg
Op deze punten uit het rapport zijn we trots: • Er is sprake van een goede samenwerking tussen de GI’s en de vier Limburgse jeugdzorgregio’s. • Met de faire tarieven die met GI’s zijn overeengekomen, is er ruimte voor inzet t.b.v. de gezamenlijke provinciale verbeteragenda, waar de doorbraakaanpak onderdeel van is geworden. • De regio Limburg is er grotendeels in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen en een gedragen koers uit te zetten. • Er is passende hulp gevonden voor 91% van de jeugdigen die in oktober 2020 wachtten op passende jeugdhulp. Van het totaal aantal jeugdigen met een maatregel, ontvangt 99,3% passende jeugdhulp.
Met deze punten uit het rapport gaan we aan de slag: • We zetten de verbeteragenda en de doorbraakaanpak voort om ook de laatste knelpunten die de inspecties signaleren op te lossen. We voelen ons gesterkt in de richting die we al samen zijn ingeslagen. • De punten die de inspecties signaleren ten aanzien van het zorgaanbod nemen we mee in onze verwervingstrajecten, waarbij we samen met zorgaanbieders en GI’s werken aan een beter passend jeugdhulpaanbod. • Gemeenten en GI’s zijn partners. Dit vraagt een inspanning van beide zijden. We moeten blijven investeren in het beter begrijpen van elkaars standpunten. • We streven naar een intensievere samenwerking op casusniveau. • De verbeteringen die in gang zijn gezet, worden duurzaam verankerd.
Wat gaan jeugdigen en ouders hiervan merken? • Jeugdigen en hun ouders hebben een vaste jeugdbeschermer/jeugdreclasseerder. • Jeugdigen en hun ouders weten tijdig welke doelen met de uitvoering van de maatregel worden nagestreefd, wat er van hen verwacht wordt en wat zij van de jeugdbeschermer/jeugdreclasseerder mogen verwachten: een gedragen koers. • Een goede ketensamenwerking draagt bij aan tijdige inzet van de passende jeugdhulp.
Samenvatting Dit rapport maakt deel uit van het toezichttraject Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: inspecties). In de voortgangsrapportage van oktober 2020 hebben de inspecties gevraagd om een doorbraakaanpak voor alle kinderen met een jeugdbeschermings- en/of reclasseringsmaatregel. Deze aanpak moet ertoe leiden dat elk kind met een dergelijke maatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer, tijdig een gedragen koers en tijdig passende hulp krijgt. Dit rapport van de inspecties geeft antwoord op de vraag of de regio Limburg hierin is geslaagd. Bevindingen en conclusies Tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De regio Limburg is er grotendeels in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor deze kinderen. De bevorderende factoren bij deze norm zijn de aanwezigheid van een jeugdbeschermer op de zitting die vervolgens ook de vaste jeugdbeschermer blijft van de cliënt(en), werken zonder wachtlijstbeheer, sturen op de caseload-termijnen, de casuïstiekbespreking (het Team Rond de Jeugdige) en de aandacht voor de begeleiding van startende jeugdbeschermers.
Tijdig passende hulp De regio Limburg is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel. De doorbraakaanpak in de regio’s heeft onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. Het knelpunt in Limburg zit vooral in de tijdigheid waarmee de hulp wordt ingezet. Het is de inspecties gebleken dat een aantal gemeenten in de regio het proces om te komen tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel zodanig heeft gecompliceerd dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Daarnaast is er geen eenduidigheid in de inkoop van jeugdhulp en kan het per gemeente verschillen hoe een aanmeldprocedure om in aanmerking te komen voor hulp, loopt. In Limburg ontbreekt het aan een toereikend aanbod voor jeugd-GGZ, groepen voor licht verstandelijk beperkte jeugdigen, perspectief biedende pleeggezinnen, gezinshuizen plus, kleinschalige woonvormen en (hoog)specialistische hulp voor jeugdigen met een zeer complexe hulpvraag. Daar staat tegenover dat er in de regio Limburg gewerkt wordt met een gezamenlijke verbeteragenda die door alle partijen wordt geaccepteerd en gedragen. Daarnaast is er sprake van bestuurlijke cohesie in de regio en ook met de bestuurder van BJZL en aanbieders. En er is overeenstemming over de tarieven van de GI’s in de regio.
Vervolg Tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft Bureau Jeugdzorg Limburg af. Over de landelijk werkende instellingen (William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering) rapporteren de inspecties wat betreft deze normen op geaggregeerd niveau in het landelijke rapport. Tijdig passende hulp De geconstateerde positieve ontwikkelingen en bevorderende factoren, zijn van dien aard dat de inspecties er voldoende van uit kunnen gaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties verwachten dat de jeugdhulpregio’s, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders binnen de jeugdbeschermingsregio alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht.
3 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
De inspecties zien tot slot dat er landelijk belemmeringen zijn in het tijdig bieden van passende hulp. De inspecties spreken de stelselverantwoordelijke ministers hierop aan in het landelijke rapport.
4 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Inhoudsopgave 1 Inleiding ...........................................................................................................................6 1.1 1.2 1.3
Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd ..............................................................6 Doorbraak nodig voor kinderen met een maatregel .....................................................6 Opzet van het onderzoek .........................................................................................6
2 Beschrijving van de jeugdbeschermingsregio ........................................................................8 2.1 2.2
Beschrijving jeugdbeschermingsregio Limburg ............................................................8 Beschrijving betrokken GI’s ......................................................................................8
3 Indruk na de monitoringsfase ..............................................................................................9 3.1 3.2
Beschrijving doorbraakaanpak Limburg ......................................................................9 Beeld op basis van monitoring ................................................................................ 10
4 Resultaten van de praktijktoets ......................................................................................... 12 Bevindingen .................................................................................................................. 12 5 Conclusie ........................................................................................................................ 23 5.1 5.2 5.3
Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers ............................................................................................... 23 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ............................ 23 Vervolg ................................................................................................................ 24
5 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
1 Inleiding Dit rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: inspecties) geeft antwoord op de vraag of elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel 1 in de jeugdbeschermingsregio 2 Limburg tijdig een vaste jeugdbeschermer, tijdig een gedragen koers en tijdig passende hulp krijgt.
1.1 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd In het najaar van 2019 hebben de inspecties in het rapport en signalement met de titel Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd respectievelijk Jeugdbeschermingsketen in gevaar geoordeeld dat de wijze waarop jeugdbescherming en jeugdreclassering op dat moment werd uitgevoerd niet acceptabel was. De inspecties oordeelden dat de overheid onvoldoende haar verantwoordelijkheid nam om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. Daarnaast constateerden zij structurele problemen die ertoe leidden dat de jeugdbeschermingsketen maximaal onder druk stond. De inspecties vonden dat er direct stappen moesten worden gezet die ertoe leidden dat kwetsbare kinderen zonder vertraging hulp krijgen. Hierop hebben de inspecties een intensief toezicht traject ingezet.
De bescherming van kwetsbare kinderen: een overheidstaak Ieder kind heeft recht op bescherming op mishandeling. Hier vallen alle vormen van lichamelijke en geestelijke mishandel, verwaarlozing en (seksueel) misbruik. Zowel in het gezin als daarbuiten. De overheid is verplicht maatregelen te nemen om kindermishandeling te voorkomen. Ook moet de overheid zorgen voor opvang en behandeling voor kinderen die hiervan slachtoffer zijn (artikel 19 IVRK).
1.2 Doorbraak nodig voor kinderen met een maatregel In 2020 en 2021 volgden de inspecties de activiteiten die moeten leiden tot een directe verbetering op de korte termijn en structurele verbetering op de langere termijn. In de voortgangsrapportage van oktober 2020 deden de inspecties verslag van de eerste bevindingen. De inspecties zagen dat er voor de langere termijn een positieve beweging in gang is gezet, maar stelden tegelijkertijd vast dat de jeugdbescherming en jeugdreclassering nog niet op orde waren. Om die reden hebben de inspecties gevraagd om een doorbraak te forceren voor alle kinderen met een jeugdbescherming of -reclassering maatregel door middel van een onorthodoxe actiegerichte aanpak. De doorbraakaanpak moest ertoe leiden dat voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer wordt toegewezen, tijdig een gedragen koers is uitgezet en dat tijdig passende hulp wordt ingezet die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. En dat daarmee de uitspraak van de rechter tijdig wordt uitgevoerd.
1.3 Opzet van het onderzoek Monitoring Van oktober 2020 tot en met februari 2021 hebben de inspecties de doorbraakaanpak van elke jeugdbeschermingsregio gemonitord door frequente gesprekken met door de regio aangewezen 1 2
Hiermee worden zowel de jeugdbeschermings- als ook de jeugdreclasseringsketen bedoeld. De inspecties zijn bij het toezicht in de regio’s uitgegaan van de gebieden waarbinnen een regionale gecertificeerde instelling werkzaam is en benoemen deze gebieden in het rapport als ‘jeugdbeschermingsregio’. Voor de meeste jeugdbeschermingsregio’s komen deze grenzen overeen met de provinciegrenzen van één of twee provincies. In Noord- en Zuid-Holland zijn twee regionale gecertificeerde instellingen werkzaam.
6 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
contactpersonen te voeren. In deze gesprekken werd telkens de stand van zaken omtrent bovengenoemde normen en de doorbraakaanpak besproken. Verdiepende Praktijktoets In februari en maart 2021 hebben de inspecties tijdens de verdiepende praktijktoets getoetst of kinderen met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een jeugdbeschermer, gedragen koers en passende hulp hebben. Dit hebben zij gedaan door middel van dossiertoetsen en gesprekken met kinderen, ouders en jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders. Aanvullend hierop zijn de inspecties in maart met gemeenten en een jeugdhulpaanbieder in gesprek gegaan. In dit rapport staan de resultaten en conclusies van de monitoring en de verdiepende praktijktoets.
7 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
2 Beschrijving van de jeugdbeschermingsregio 2.1 Beschrijving jeugdbeschermingsregio Limburg Limburg heeft vier jeugdhulpregio’s (Noord-Limburg, Midden-Limburg West, Midden-Limburg Oost en Zuid-Limburg). In 2019 zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen GI’s en gemeenten naar aanleiding van het provinciale traject ‘Tarieven voor de jeugdbescherming en –reclassering’. Met de Limburgse Verbeteragenda wordt gewerkt aan modules die zich richten op een aantal hoofdthema’s: Stelsel, Organisatie en Transformatie en Innovatie. Deze Verbeteragenda was er al voordat de VNG naar aanleiding van het inspectierapport uit 2019 ‘Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’ aan de jeugdbeschermingsregio’s vroeg om een verbeterplan op te stellen. De gemeenten en de GI’s zijn tevreden over hun samenwerking en komen twee keer per jaar bestuurlijk bij elkaar om het verbeterplan en de knelpunten te bespreken. De inkoop van de jeugdbescherming en jeugdreclassering werd tot 1 januari 2020 door de regio’s zelf gedaan. Vanaf 2019 zijn de vier regio’s in de provincie Limburg (33 gemeenten) tot overeenstemming gekomen over een subsidie-tender en vanaf 2020 over het tarief en de voorwaarden binnen negen identieke subsidieregelingen. Per subsidieregeling wordt aangegeven over welke gemeenten het gaat en de hoogte van het subsidiebedrag. De subsidieregeling voor de GI’s loopt van 2019 tot en met 2022.
De inkoop van jeugdhulp gaat via de vier jeugdhulpregio’s. De gemeente Roermond is de coördinerende gemeente van het bovenregionaal Expertisecentrum Limburg. In Zuid-Limburg en Midden-Limburg bestonden al regionale expertteams, in Noord-Limburg is sinds januari 2021 het expertteam operationeel.
2.2 Beschrijving betrokken GI’s In Limburg zijn drie gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering (GI’s) actief, namelijk: Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: BJZL), Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: LJ&R) en William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS). BJZL is een regionaal georganiseerde GI die zich richt op een brede doelgroep. LJ&R en de WSS zijn werkzaam in heel Nederland als landelijk werkende GI’s. Beide GI’s richten zich op een specifieke doelgroep. LJ&R heeft te maken met gezinnen en jongeren die vastlopen in complexe situaties en met meervoudige problematiek. Het gaat hierbij vaak om langdurige problematiek. De WSS biedt ondersteuning en hulp aan kinderen met een (verstandelijke) beperking of chronische ziekte, en/of aan kinderen van ouders met een (verstandelijke) beperking. BJZL is de GI met het grootste aantal maatregelen in Limburg; meer dan 60%, WSS heeft een derde en LJ&R minder dan 5% van de maatregelen.
8 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
3 Indruk na de monitoringsfase Tijdens de monitoringsfase van oktober 2020 tot en met februari 2021 voerden de inspecties vier gesprekken met een beleidsmedewerker van de gemeente Beekdaelen/programmagroep jeugd Zuid-Limburg die als accounthoudend/coördinerend ambtenaar is aangewezen voor Limburg vanuit de accounthoudende gemeente Maastricht 3. Tijdens deze gesprekken bespraken de inspecties de stand van zaken omtrent bovenstaande normen en de doorbraakaanpak. Vanaf het tweede gesprek was naast de contactpersoon, de bestuurssecretaris van BJZL aanwezig.
3.1 Beschrijving doorbraakaanpak Limburg De doorbraakaanpak van de regio Limburg is gesplitst in twee fases. Fase 1 (tussen half oktober en half november 2020): Deze periode is benut om inzicht te krijgen in de aantallen kinderen waar het over gaat door middel van een uitvraag op casusniveau. Deze informatie is door de werkgroep geanalyseerd en uitgesplitst per gemeente. Dit heeft geleid tot een beeld van jeugdigen in Limburg die niet (tijdig) passende jeugdhulp krijgen (nulmeting). De regio heeft hierbij alle jeugdigen meegenomen die wachten op passende hulp, ook wanneer de wachttijd korter was dan drie maanden. Fase 2: Fase 2 richtte zich op de acties die moesten worden ondernomen om verbeteringen op zowel de korte als de lange termijn door te voeren. De werkgroep zocht ‘out of the box’ naar mogelijkheden in samenwerking tussen de jeugdbescherming en de jeugdprofessional van de lokale teams. Het kind was hierbij het uitgangspunt, samen met het leveren van maatwerk én geen dingen over doen die al zijn gedaan. De jeugdbeschermer en de jeugdprofessional van het lokale team keken samen naar de casussen en vroegen zich af wat er werkte en wat er nog moet gebeuren en wat er al is gedaan. Als het nodig was, werd de jeugdhulpaanbieder erbij betrokken om alsnog de juiste hulp te organiseren.
Als het niet lukte om de juiste hulp te organiseren, of wanneer op voorhand al duidelijk was dat de jeugdprofessional en het lokale team de juiste hulp niet konden inzetten, werd het expertteam en eventueel het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (hierna: OZJ) erbij betrokken om een doorbraak in de vastgelopen casuïstiek te realiseren. Tijdens het oppakken en analyseren van de casuïstiek hebben de betrokken partijen (GI’s en gemeenten) diverse knelpunten gesignaleerd. Partijen hebben deze informatie na de praktijktoets met de inspecties gedeeld en gingen aan de slag met de knelpunten. De knelpunten waren onderverdeeld in: algemeen, verblijf en ambulant. De knelpunten in de casuïstiek waar de betrokken partijen op uitkwamen zijn: discussies tussen jeugdhulpaanbieder en GI wie een tolk moet financieren; financiering van leerlingenvervoer bij een uithuisgeplaatst kind; bij de eigen verantwoordelijkheid van ouders bij leerlingenvervoer wordt volgens de GI’s onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheden van ouders die behoren tot de LVBdoelgroep; GI’s wachten soms te lang met inschakelen gemeente bij casuïstiek m.b.t.
niet tijdig inzetten van passende hulp; financiering van jeugdhulp in het jeugdstrafrecht bij jeugdigen die ouder zijn dan 18 jaar; discussies over woonplaatsbeginsel tussen gemeente en GI’s; geen passend onderwijs door wachtlijsten voor scholen of ontbreken van passende ondersteuning; het proces JENS 4 sluit niet aan bij de afspraken die in Zuid-Limburg zijn gemaakt; complementaire zorg via huisarts zonder afstemming met GI waardoor het voor de GI lastig is om het totaalbeeld van een gezin te hebben en regie te houden op de benodigde hulpverlening; GI is primair gericht op kindproblematiek waardoor brede gezinsproblematiek niet of deels in kaart is (wonen, financiën); Voor elke gecertificeerde instelling is binnen de jeugdbeschermingsregio een accounthoudende jeugdhulpregio aangewezen die naar andere jeugdhulpregio’s acteert bij risico’s van discontinuïteit. 4 JENS is een coöperatie van zeven organisaties voor basishulpverlening en toeleiding naar specialistische zorg vanuit de gemeenten Heerlen, Voerendaal en Landgraaf 3
9 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
bij een aantal aanbieders (o.a. Xonar en Koraal) vindt de intake pas plaats ná het verzorgen van een Bepaling Jeugdhulp (hierna: BJH). Dit levert wachttijden op en gezinnen worden op meerdere wachtlijsten gezet (vervuiling van informatie). De afspraak is dat een intake vooraf gaat aan het opstellen van een BJH; onvoldoende pleeggezinnen (kwantitatief) beschikbaar en beschikbare plaatsen pleegzorg matchen nauwelijks (kwalitatief); onvoldoende voorbereiding en begeleiding pleeggezinnen, waardoor pleeggezinnen het niet meer aankunnen. De pleegouder(s) krijgen onvoldoende steun bij de factor ouders; te weinig (passende) gezinshuisplekken, perspectief biedende verblijfsplekken (geen behandeling) met vervolg naar zelfstandigheid (ook voor jeugdigen die uit geslotenheid komen), kleine specialistische behandelgroepen; financiën (degressief tarief residentieel verblijf Zuid-Limburg); verergering problematiek door gebrek aan begeleiding, waardoor zwaardere hulp (verblijf) nodig is. Dit knelpunt heeft een grote verwevenheid (en daardoor complexiteit) met de andere onderdelen en beschreven knelpunten; beperkt / onvoldoende divers aanbod ambulante zorg bij complexe scheidingsstrijd; lange wachttijden in ggz bij brede diagnostiek en vervolgbehandeling.
In de eindrapportage van de doorbraakaanpak van de regio Limburg van mei 2021 is een eerste aanzet gemaakt om te komen tot vervolgafspraken op provinciaal, (sub)regionaal of lokaal niveau.
3.2 Beeld op basis van monitoring Tijdig vaste jeugdbeschermer Op 3 november 2020 komt uit de eerste analyse van de werkgroep naar voren dat bij de drie GI’s alle jeugdigen met een maatregel een vaste jeugdbeschermer hebben. Als een jeugdige geen vaste jeugdbeschermer heeft, komt dat door een administratieve fout in het systeem waardoor het nog niet terug te zien is dat er wel een vaste jeugdbeschermer is. Op 7 december 2020 geven de contactpersonen aan dat in lastige casuïstiek twee vaste jeugdbeschermers worden gekoppeld om elkaar te vervangen. BJZL laat weten dat hun uitgangspunt is dat, uitzonderingen daargelaten (piekbelastingen), bij de zitting een jeugdbeschermer aanwezig is. De kerstvakantie heeft impact gehad op de tijdig vaste jeugdbeschermer bij BJZL door verminderde beschikbaarheid van de jeugdbeschermers in de vakantieperiode. BJZL heeft kort ervaring opgedaan met een startteam in Zuid-Limburg, maar wil de zorg niet op deze wijze inrichten en is hier mee gestopt. In januari en februari 2021 zijn er geen wijzigingen op basis van de monitoring te melden. Tijdig gedragen koers Bij het startgesprek van 5 november 2020 geeft BJZL aan dat bij 70% van de gezinnen binnen zes weken een gedragen koers is uitgezet. Voor de WSS is dat 97% en bij LJ&R is het percentage nog onbekend.
De WSS geeft in het monitoringsgesprek van 7 december 2020 aan dat voor 90% (Zuid-Limburg) tot 97% (Noord- en Midden-Limburg) van de gezinnen tijdig een gedragen koers is uitgezet. Voor BJZL is dat percentage 73% binnen zes weken. Bij BJZL wordt intern nadrukkelijk gestuurd op het behalen van de kritische prestatie-indicator (hierna: KPI) tijdig gedragen koers. LJ&R heeft in oktober 2020 op basis van twee plannen 0% behaald binnen de periode van zes weken. De WSS en LJ&R gaan na oktober 2020 hun monitoringscijfers landelijk aanleveren. Tijdens het monitoringsgesprek van 13 januari 2021 geeft BJZL aan dat er in oktober bij 90% en in november 2020 bij 93% van de aanmeldingen binnen zes weken een tijdig gedragen koers ligt. In het monitoringsgesprek wordt aangegeven dat dat het sturen van het middenkader op de registratie van het plan van aanpak positief effect heeft op de cijfers.
10 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Tijdig passende hulp Bij het startgesprek op 5 november 2020 valt het de inspectie op dat Limburg in de oorspronkelijke planning relatief laat contact heeft gezocht met de hulpaanbieders over de doorbraakaanpak. De regio heeft dat aangepast. De regio heeft vanaf december 2020 de kinderen zonder passende hulp in beeld (223 jeugdigen). Op 13 januari 2021 is een afname zichtbaar van het aantal kinderen dat wacht op passende hulp. Het gaat dan nog om 121 kinderen. Een deel van deze kinderen stond al op een wachtlijst voor hulp die in januari 2021 beschikbaar is gekomen. Volgens de regio is er urgentiebesef op het proces en zoeken GI’s en gemeenten samen naar oplossingen. Tijdens het laatste monitoringsgesprek van 10 februari 2021 zijn er in Limburg nog 43 kinderen zonder passende hulp. Ongeveer de helft van de kinderen heeft hulp, maar nog niet de meest passende. Waar de meest passende hulp niet beschikbaar is, kijkt de regio naar andere hulp die in ieder geval de veiligheid van de jeugdigen waarborgt (ambulante ondersteuning, crisispleegzorg, crisisverblijf). Er zijn verschillen tussen de regio’s in aantallen: Zuid-Limburg van 103 naar 21 jeugdigen, Midden-Limburg Oost van 12 naar 3 jeugdigen, Midden-Limburg West van 14 naar 2 jeugdigen en Noord-Limburg van 94 naar 17 jeugdigen.
Een aantal casussen is zeer complex, waardoor meer gevraagd wordt van betrokkenen om de juiste hulp op maat te organiseren. De overige casussen kennen een scala aan knelpunten waardoor de passende hulp nog niet is ingezet, waaronder: onduidelijkheid over werkafspraken tussen een gemeente en de GI. gebrek aan gezinshuis- en pleegouders te weinig inkoop van passende jeugdhulp. een tekort aan gedragsdeskundigen verzuim of verloop van groepsleiding. Het vinden en behouden van specialistisch personeel is gezien de arbeidsmarkt volgens verschillende samenwerkingspartners een knelpunt. De regio gaat de cijfers en casuïstiek van de doorbraakaanpak nader analyseren en stelt zichzelf daarbij de volgende vragen: welke problemen komen vaak voor en wat is een incident? De regio bekijkt ook op welke schaal de knelpunten kunnen worden opgelost; provinciaal of via regionale inkoopprocessen. De contactpersoon gaf aan dat de succesfactoren van de doorbraakaanpak in Limburg komen door een gedragen aanpak van gemeenten en GI’s en samenwerking op alle niveaus. De doorbraakaanpak is onderdeel van de al langer lopende Verbeteragenda in Limburg. De gesprekken tussen GI’s en gemeente(n) leidden ertoe dat alternatieven worden gevonden voor hulp die niet beschikbaar was. Bijvoorbeeld doordat gemeenten een minder bekende aanbieder aandroegen die een casus op een andere manier oppakte.
De overleggen zorgen voor uitwisseling van kennis over wat is ingekocht door de regio en wat kleinere innovatieve aanbieders kunnen betekenen. ‘De doorbraakaanpak staat niet op zich, alle gemeenten zijn sowieso bezig met de Verbeteragenda, transformatie en zorglandschap, op de arbeidsmarkt, vergroten pleegzorg etc.’ (contactpersoon monitoringsfase)
De doorbraakaanpak geeft inzicht in gezinnen die geen passende hulp ontvangen. Het kan een versnelling van de al bestaande Verbeteragenda en aanpassingen met betrekking tot de inkoop van jeugdhulp betekenen. De regio laat weten dat financiële tekorten en de capaciteit van de regionale expertteams geen belemmering mogen zijn voor de doorbraakaanpak. De belemmeringen zijn volgens de contactpersonen dat er een tekort is aan bepaalde vormen van hulp, zoals zelfstandigheids- en kamertraining voor 16 tot 18-jarigen, jeugd-ggz en pleeggezinnen. Sommige casussen gaan over hulp die niet start vanwege onduidelijkheid woonplaatsbeginsel. Dit punt is meegenomen bij de bovenregionale Verbeteragenda. Er is volgens BJZL voor een klein aantal jeugdigen met specifieke problematiek géén passende hulp. Daar is volgens BJZL bijna geen aanbod op te ontwikkelen en dan is alleen maatwerk passend.
11 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
4 Resultaten van de praktijktoets In dit hoofdstuk geven de inspecties hun conclusies uit de verdiepende praktijktoets weer per jeugdbeschermingsregio en per norm. De inspecties hebben in de jeugdbeschermingsregio voor de betrokken GI’s (BJZL, WSS en LJ&R) 21 dossiers onderzocht, 12 gesprekken met jeugdbeschermers gevoerd en 10 gesprekken met ouders en kinderen. Aanvullend hierop zijn de inspecties in maart met vertegenwoordigers van twee gemeenten (Venlo en Maastricht) en één aanbieder (JENS) in gesprek gegaan. De casuïstiek is opgehaald bij de GI’s. Het bleek niet noodzakelijk op casuïstiek niveau om andere hulpverleners te interviewen. De consequentie hiervan is dat de opgenomen voorbeelden en quotes, vanuit het perspectief van de jeugdbeschermers zijn geschreven. De quotes die zijn opgenomen betreffen een bepaalde gemeente, aanbieder of GI. De inspecties hebben de quotes niet gespecificeerd.
Bevindingen Norm 1
Tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel Vast: De jeugdbeschermer blijft gedurende de uitvoering van de OTS verbonden aan het gezin, of de wisseling van jeugdbeschermer vindt voorspelbaar / op vaste momenten plaats (bijv. na de afronding van het plan van aanpak). Er is hooguit één wisseling wegens verloop of ziekte. Bij wisseling komt het gezin niet bij bureaudienst / wachtlijstbeheer terecht. Tijdig: Binnen vijf werkdagen nadat de GI in kennis is gesteld is een jeugdbeschermer aan het kind / gezin gekoppeld.
Bevindingen De regio Limburg is er grotendeels in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat bijna elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Limburg tijdig een vaste jeugdbeschermer had. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal 37 casussen beoordeeld op een vaste jeugdbeschermer. Dit was in totaal in één geval niet op orde. De inspecties hebben in totaal 36 casussen die na half november 2021 zijn gestart beoordeeld op de tijdige beschikbaarheid van een jeugdbeschermer. Dit was in één geval niet op orde. De inspecties zien verschillen tussen de GI’s die werkzaam zijn in de regio. De bevindingen zijn hieronder per GI uitgewerkt. BJZL Bij BJZL hebben de inspecties 31 casussen beoordeeld op een vaste jeugdbeschermer en 32 op de tijdigheid van een vaste jeugdbeschermer. In één casus in Noord-Limburg was geen sprake van een vaste jeugdbeschermer vanwege vele wisselingen in personeel. Het ging om het vertrek van drie jeugdbeschermers en een senior jeugdbeschermer die werd vervangen door een junior jeugdbeschermer. In één casus in Noord-Limburg was geen sprake van een tijdige jeugdbeschermer.
Zeventien dagen na de zitting is actie ondernomen om contact te leggen met het gezin. De jeugdbeschermer schatte in dat gewacht kon worden, omdat de jeugdige was geplaatst in een crisisopvang. Bevorderende factoren:
Het lukt BJZL meestal om een jeugdbeschermer aanwezig te laten zijn op de zitting en deze blijft vervolgens ook de vaste jeugdbeschermer.
12 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
BJZL werkt niet met wachtlijstbeheer noch instroomteams. Volgens jeugdbeschermers worden de caseload termijnen goed bijgehouden, waardoor deadlines gehaald worden. BJZL heeft een inwerkprogramma voor ‘De senior taken geven mij ook weer plezier, houdt mij scherp nieuwe medewerkers, waarin aandacht op mijn eigen blinde vlekken’. (jeugdbeschermer BJZL) is voor de startende jeugdbeschermers. Senior medewerkers begeleiden de nieuwe collega’s. Periodiek intern teamoverleg over werk én privé is ondersteunend voor jeugdbeschermers. ‘Briefings elke week over alles wat het team betreft, hoe zit iedereen erbij, bijzonderheden privé of op het werk? Gisteren bijvoorbeeld was er een rechtszaak waar ouders heftig hebben gereageerd dan is daar even tijd voor om met elkaar te delen. Maar ook nieuwe casussen (wie heeft en voelt ruimte?). Prettig dat er ook naar het gevoel wordt gekeken.’ (jeugdbeschermer BJZL)
Belemmerende factor: BJZL kiest ervoor om het eerste contact soms digitaal te laten plaatsvinden vanwege Covid-19. Landelijk werkende instellingen: LJ&R en WSS Bij de WSS hebben de inspecties vijf casussen beoordeeld op een vaste jeugdbeschermer en drie op de tijdigheid van een vaste jeugdbeschermer. Dit was in alle gevallen op orde. De dossiers die de inspecties hebben ingezien bij de WSS, zijn over het algemeen overzichtelijk, gestructureerd en de handelingen en verrichtingen van de jeugdbeschermer zijn goed en navolgbaar bijgehouden. In geval van overdracht van een casus is goede dossiervorming bevorderend. Bij LJ&R hebben de inspecties één casus uit Zuid-Limburg beoordeeld op de norm tijdig een vaste jeugdbeschermer. De jeugdige uit de casus had tijdig een vaste jeugdbeschermer. LJ&R heeft gekozen om bij de start van een maatregel een instroommedewerker in te zetten. Het gaat hierbij om een medewerker die gedurende de eerste periode het gezin begeleidt en samen met hen een plan uitzet en de passende hulp inzet. Daarna draagt de instroommedewerker de zaak over aan een collega in het basisteam van de betreffende regio. In het registratieprogramma staat deze fase geregistreerd als minimale variant. In de casus van LJ&R heeft de rechtbank vooraf aan LJ&R gevraagd of ze de maatregel kunnen uitvoeren, aangezien één ouder in een andere provincie woont en één in Zuid-Limburg).
Uit de dossiercheck blijkt dat LJ&R hierop bevestigend heeft geantwoord. LJ&R is gestart met een jeugdbeschermer die nog steeds is betrokken bij het gezin en er wordt in het dossier gesproken over een minimale variant. De inspecties beoordelen het werken met wachtlijstbeheer tijdens deze praktijktoets als niet wenselijk, maar wel als voldoende, zolang de jeugdbeschermer daadwerkelijk met het gezin aan de slag gaat, in contact is met het gezin en samen met hen werkt aan een gedragen koers. Als een vaste jeugdbeschermer niet tijdig met een gezin aan het werk gaat om uitvoering te geven aan de maatregel, ontstaan risico’s. Wachttijden leiden ertoe dat gezinnen en kinderen onvoldoende verandering in hun situatie ervaren. Het vertrouwen van cliënten in de jeugdbescherming neemt af, door personeelswisselingen en doordat de voorspelbaarheid van de hulpverlening ontbreekt. Daarnaast is er sprake van een bestaande bedreiging van de gezonde en veilige ontwikkeling van een kind.
13 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 2
Voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een gedragen koers Tijdig: De koers is tijdig wanneer deze binnen zes weken is bepaald, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid / ontwikkelingsbedreiging / recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. Gedragen: De koers is gedragen als deze is uitgezet in samenspraak met het gezin, netwerk en met betrokken professionals. Wensen, behoeften, mogelijkheden van jeugdigen, ouders en netwerk zijn bekend bij hulpverleners. De jeugdige en ouders bepalen, binnen hun mogelijkheden, in samenspraak met de hulpverlener de hulpvraag en de doelen van de geboden hulp. Koers: Er is sprake van een koers bij een jeugdbeschermingsmaat-regel als de doelen en de noodzakelijke hulp zijn bepaald, die leiden tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging / het recidiverisico. De inspecties spreken van een koers en niet van een ‘plan’. In de praktijk wordt de koers vastgelegd in een plan, maar het plan is het middel, niet het doel. Het moet voor hulpverleners, jeugdigen en hun ouders duidelijk zijn wat de doelen van de hulp zijn en hoe hieraan gewerkt wordt. De doelen en afspraken zijn haalbaar, concreet en ontwikkelingsgericht.
Bevindingen De regio Limburg is er niet in geslaagd om tijdig een gedragen koers uit te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Limburg een gedragen koers had. De tijdigheid zou bij 10% van de casussen, mogelijk niet gelukt zijn. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal 31 casussen beoordeeld op de aanwezigheid van een koers. In 31 zaken was er sprake van een koers. In drie gevallen was de koers niet tijdig. En in één geval was de gedragenheid van de koers niet te achterhalen. De inspecties zien verschillen tussen de GI’s die werkzaam zijn in de regio. De bevindingen zijn hieronder per GI uitgewerkt. ‘De samenwerking met ouders is zo belangrijk. Daar gaat tijd inzitten. Het is fijn te merken dat de ouders meer en meer gaan vertellen.’ (jeugdbeschermer)
Bij BJZL zien de inspecties dat van de 29 getoetste casussen in 29 gevallen een koers zichtbaar was. Bij één casus in Zuid-Limburg werd de koers door ouder en jeugdige niet gedragen. De koers was in 26 gevallen tijdig en gedragen. Voor LJ&R hebben de inspecties één casus getoetst, waarbij de koers tijdig en gedragen was. De jeugdbeschermer heeft met zowel de ouders als de kinderen gesproken en hun mening is meegenomen in het plan van aanpak. Bij de WSS (één casus) was er ook sprake van een tijdige en gedragen koers. Beide ouders die te maken hebben met een complexe scheiding, zijn het eens met de doelen en zorgen die in het plan van aanpak beschreven staan. Bevorderende factoren van BJZL: Overleggen met ervaren collega’s in een casuïstiekbespreking wordt als positief ervaren. Bij BJZL wordt het (start) Team Rond de Jeugdige (TRJ), een multidisciplinair overleg met ouders, hulpverlener en gedragswetenschapper gepland in de derde of vierde week na de rechtszitting.
14 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Daarna zit de jeugdbeschermer om de zes of acht weken met de ‘Het merendeel van het team betrokken hulpverlening om de tafel om de casus te bespreken. werkt op deze wijze: dan BJZL stuurt strak op het behalen van de wettelijke termijnen. hou je de druk erop, dat Het management spreekt jeugdbeschermers aan op moet wel, anders blijft het overschrijden van termijnen. Dit leidt tot goed zicht op de liggen’. (jeugdbeschermer) caseload bij de jeugdbeschermers en in enkele gevallen tot frustratie, omdat het behalen van de wettelijke termijnen (net) niet gelukt is door factoren waar de jeugdbeschermers geen invloed op hebben. Deskundigheid van medewerkers. Inzet van het expertiseteam. Korte lijntjes tussen de jeugdbeschermer en de ketenpartners. Goed luisteren naar ouders en jeugdigen en regelmatig face to face contact. ‘Luister naar de kinderen en stel niet alleen maar regels, maar denk ook aan vrijheid’. (jongere) ‘Kom meer in contact met het kind, niet alleen voor het slechte nieuws, maar ook om elkaar te leren kennen.’ (ouder) ‘Kijk naar de hulpverlening die er al is (voor OTS).’ (andere ouder)
Vastleggen van de mening van ouders door middel van de email, bijvoorbeeld met betrekking tot het plan van aanpak. En elke stap in het proces zo transparant mogelijk met de ouders en de jeugdige delen. ‘Alles wordt stap voor stap op de mail gezet. Deze mail gaat ook naar de jeugdige als deze er oud genoeg voor is. Al deze communicatie wordt ook in het logboek in WIJZ bijgehouden.’ (jeugdbeschermer)
Goede match tussen de jeugdbeschermer en de ouder(s). ‘Zorg voor de juiste klik. Ik ben moslima en vond het fijn dat de rechter vroeg of ik een man of vrouw wilde’. (ouder) ‘Ik heb liever een jeugdbeschermer die ouder is en meer praktijkervaring heeft, zodat ik meer adviezen zou kunnen overnemen.’ (andere ouder)
Casus complexe scheiding, BJZL: De communicatie tussen ouders loopt grotendeels via de jeugdbeschermer, omdat de vader niet bereid is hulp te accepteren die zich richt op herstel van communicatie. Het plan is nu voornamelijk om vader vertrouwen te geven in de hulpverlening. Hij heeft zelf vanuit zijn jeugd negatieve ervaringen met de jeugdzorg. De jeugdbeschermer probeert weerstand bij de vader weg te nemen door open te zijn en vertrouwen te wekken. De jeugdbeschermer hoopt uiteindelijk dat vader inziet dat hulp wel kan werken. Het gaat tot nu toe moeizaam. Knelpunten van BJZL:
De onregelmatige werkdruk (piekbelasting) door verloop en verzuim van collega’s of een crisis maakt het voor jeugdbeschermers lastig om de termijnen te behalen. Daardoor worden zaken soms pas na twee of drie weken opgepakt. Covid-19 en de lockdown. Jeugdbeschermers geven aan dat het lastiger is om de gedragswetenschapper te spreken, want dit moet nu met een online afspraak in plaats van laagdrempelig face to face tussen andere afspraken door. Covid-19 zorgt ook voor extra werkdruk bij de medewerkers; cliënten doen sneller een beroep op de jeugdbeschermer. Verder geven jeugdbeschermers aan dat ze door het beeldbellen details missen, die in een huisbezoek snel(ler) gezien worden. Er zijn meer onlinegesprekken nodig of de gesprekken duren langer om hetzelfde beeld te krijgen. Er is kans op het missen van soft signals en ook
15 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
interactie tussen ouders en kinderen kan gemist worden met beeldbellen. Verder geeft een jeugdbeschermer aan dat het lastiger is om contact met kinderen te leggen. Jeugdbeschermers geven verder als knelpunt aan dat een aantal ouders niet op afspraken verschijnen of ouders die het niet eens zijn met de maatregel. Een jeugdbeschermer geeft aan dat hij bij het opschalen van complexe casuïstiek naar het expertteam doorzettingsmacht mist bij de deelnemers, waardoor het advies niet altijd opgevolgd wordt. Twee ouders noemen als knelpunt dat de jeugdbeschermers van BJZL niet altijd goed te bereiken zijn. Een andere ouder denkt gezinsvoogden te veel werk hebben. ‘Ik heb liever nog vaker contact met de jeugdbeschermer om op de hoogte te blijven van het plan. Omdat ik analfabeet ben, heb ik veel moeite met het goed begrijpen van geschreven plannen. En kan ik niet altijd voldoende volgen wat de tussenstappen zijn die worden genomen.’ (ouder)
Casus BJZL: De ouder heeft direct na de uitspraak van de rechter face-to-face kennisgemaakt met de jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer vertelde aan de ouder dat het de bedoeling was dat de jeugdige diezelfde avond nog geplaatst zou worden op een crisisplek. De ouder en jeugdige schrokken van de snelheid en konden op dat moment niet goed schakelen. De ouder besprak dit met de jeugdbeschermer en de jeugdige kon vervolgens nog een week bij de ouder blijven, voordat deze naar de crisisplek ging. De overgang verliep hierdoor wat soepeler en de ouder benoemde dat hij deze ruimte tot overleg als erg prettig heeft ervaren. De wens van de andere ouder (dat jeugdige zelfstandiger wordt en zichzelf beter kan redden) was door de jeugdbeschermer ook beschreven in het plan van aanpak. Er werd goed geluisterd volgens de ouders en dit hielp bij het creëren van draagvlak en vertrouwen.
Norm 3
Tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. Passende hulp: Hulpverleners bieden hulp die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders. Daarnaast is de hulp bij een jeugdbeschermingsmaat-regel passend wanneer professional(s) kunnen toelichten en ouders/jeugdige ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk verminderen van het recidiverisico. De hulp is passend als deze overeenkomt met het plan, dat een gedragen koers bevat. De hulp is ook passend als blijkt dat professional en gezin het ingezette alternatief passend vinden. Tijdig: De hulp is tijdig wanneer binnen drie maanden na het uitspreken van de maatregel passende hulp is ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid / ontwikkelingsbedreiging / recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. De hulp is niet gestart als na de intake het kind / gezin op een wachtlijst terecht komt. Indien het kind / gezin heeft moeten wachten op passende hulp, maar deze is in de doorbraakaanpak tot stand gekomen, dan beoordelen de inspecties dit positief.
16 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Bevindingen De regio Limburg is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp die leidt tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico, in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Limburg tijdig passende hulp kreeg. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal voor 34 jeugdigen van drie GI’s met een maatregel beoordeeld of de passende hulp tijdig is ingezet. Voor 28 jeugdigen is passende hulp ingezet, waarvan in negen gevallen de hulp wel passend was, maar niet tijdig. In vijf casussen was geen sprake van passende hulp. Op het gebied van tijdige inzet van passende hulp voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel zijn verschillen per jeugdhulpregio zichtbaar. Ook de ervaringen van jeugdbeschermers wat betreft aanmeldroutes voor passende hulp en hoe gemeenten omgaan met maatwerkoplossingen verschillen. Op basis van de aantallen casussen die per jeugdhulpregio zijn getoetst, kunnen de inspecties geen representatief beeld geven van de verschillen. De cijfers geven een voorzichtige indicatie dat de knelpunten in de regio’s Noord- en Zuid-Limburg het grootst zijn. Aantal casussen
NoordLimburg
Tijdig Niet Tijdig Passend Niet Passend
8 4 9 2
MiddenLimburg Oost 4 0 4 0
MiddenLimburg West 2 1 2 1
ZuidLimburg
Totaal
11 4 13 2
25 9 28 5
Omdat de inspecties kwalitatief onderzoek hebben gedaan en naast het uitdiepen van de casussen ook in algemene zin met jeugdbeschermers, zorgaanbieders en jeugdhulpregio’s hebben gesproken over de beschikbaarheid van (specialistische) jeugdhulp, kunnen zij een duiding en een richting geven van de knelpunten en de bevorderende factoren bij de tijdige inzet van passende jeugdhulp aan kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Waarom geen passende hulp? Bij vijf casussen was de hulp niet passend als gevolg van wachtlijsten of een niet passende plek waardoor een jeugdige bij de ouder wordt geplaatst, omdat de machtiging voor een gesloten plaatsing is verlopen en er nog geen vervolgplek op een open groep beschikbaar is. Tweemaal is in de casuïstiek nog geen sprake van passende hulp door een wachttijd op een plek met dagbesteding en passend onderwijs, waardoor één jeugdige al een jaar thuiszit. Deze jeugdige wacht ook op diagnostiek. Bij een andere casus was er sprake van vier maanden wachttijd op een plek voor beschermd wonen, terwijl de jeugdige ondertussen op een crisisgroep verblijft. Waarom geen tijdige hulp? In negen casussen is de hulp niet tijdig ingezet als gevolg van problemen rond de intake, wachtlijsten (pleegzorg, ambulante hulp, beschermd wonen), inhoudelijke bemoeienis met de verwijzing en stagneren van de instroom vanuit JENS.
En bij één casus is het knelpunt de wachttijd om in aanmerking te komen voor opvoedondersteuning. Deze hulp moest opnieuw worden aangevraagd, omdat deze via een jeugdhulpbepaling voor vader liep en de kinderen niet meer bij hem ingeschreven stonden. De gemeente gaf aan dat de jeugdhulpbepaling kon stoppen, terwijl de kinderen nog wel regelmatig bij vader verbleven en vader nog steeds opvoedondersteuning nodig had. Bevorderende factoren van BJZL:
Korte lijnen van de jeugdbeschermer met contactpersonen van gemeenten en/of aanbieders. En het nemen van gezamenlijke verantwoordelijkheid.
17 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
‘Bij het inzetten van passende hulp probeer ik de gemeente medeverantwoordelijk te maken voor het probleem. De zorg wordt ingekocht door de gemeente, als deze zorg niet toereikend of voldoende is, dan zijn zij medeverantwoordelijk.’ (andere jeugdbeschermer) ‘Nauw contact met politie en jongerenwerkers kan hierin positief werken; het kan zijn dat je hierdoor sneller de juiste mensen vindt.’ (jeugdreclasseerder)
Interne samenwerking en multidisciplinair werken bij GI’s.
‘(..) de casuïstiek met JR-collega’s te kunnen toetsen. Samen komen er meerdere ideeën uit, over hoe het zo passend mogelijk kan worden gemaakt. TRJ met hele team. Collega’s hebben ideeën die je zelf misschien niet had bedacht.’ (jeugdreclasseerder) ‘Verschillende typen professionals, diverse blik op de casussen. Iedereen heeft een netwerk vanwaar de kennis wordt gedeeld.’ (jeugdbeschermer) ‘Ik moet blijven zoeken, collega’s vragen, mailtjes bekijken van nieuwe aanbieders etc. Lastig hieraan is dat je de aanbieders wel moet kennen om echt maatwerk te kunnen toepassen.’
Gemeenten die open staan voor maatwerkafspraken.
‘Het valt op dat er bij de gemeente meer inzicht is gekomen over wat er gebeurt in de jeugdzorg en wat er nodig is. De samenwerking tussen de gemeenten en de regio’s is verbeterd. Financiën zijn nog steeds belangrijk, maar dit onderwerp verplaatst zich langzaam naar de achtergrond, de focus ligt tegenwoordig meer op de hulp. Eerst kijken naar welk aanbod er is en bespreken met collega’s.’ (jeugdbeschermer) ‘Aantal gemeenten zijn erg bereid mee te werken en zich in te zetten om mee te denken.’ (andere jeugdbeschermer)
Doorbraakaanpak zorgde voor bewustwording van de ernst van de situatie, maar heeft niet geleid tot tijdig passende hulp voor iedere jeugdige.
‘Het enige dat de doorbraakaanpak gebracht heeft, is dat er nu meer inzicht is in de ernst van de situatie (en dat het eigenlijk erger is dan aanvankelijk gedacht werd). Er is nu bewustwording over dat het niet oké is dat een kind een jaar moet wachten op j-ggz, en dat er geen passende hulp kan worden geboden. Alleen dit bewustzijn kan natuurlijk al helpen. Deze bewustwording is waargenomen bij de gemeenten, jeugdzorgaanbieders en Bureau Jeugdzorg. (jeugdbeschermer)
Knelpunten:
Beperkt ingekocht aanbod voor jeugdigen vanaf 12 jaar oud. Tekort aan verblijf/24-uursplekken, zoals: gezinshuizen (plus), groepen voor licht verstandelijk beperkte jeugdigen en perspectief biedende pleeggezinnen en kleinschalige woonvormen. Wachttijden bij aanbieders. Het komt bijvoorbeeld voor dat een kind meer dan vier of vijf maanden moet wachten op een pleeggezin, diagnostiek en behandeling in de specialistische jeugd-GGZ en begeleide omgang. Voor de jeugd-GGZ geldt dat na de intake weer een wachttijd
18 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
geldt voordat de behandeling daadwerkelijk kan starten, of dat er een afwijzing volgt en de jeugdbeschermer opnieuw moet zoeken naar passende hulp.
‘‘Deze jongere heeft bijna drie maanden gewacht op hulp. Nu is een machtiging uithuisplaatsing van zes maanden een onmogelijke opdracht. Realistischer zou een jaar geweest zijn. De extra verlenging frustreert opnieuw de ouders.’ (jeugdbeschermer) ‘Doordat de jongere zo lang op een wachtlijst staat, haken ouders vaak af. Dan heb je ze net over de streep, maar dan duurt het te lang en haken ze af.’ (andere jeugdbeschermer) ‘Wachtlijsten bij s-ggz. Het eerste contact gaat wel snel, maar daarna vindt lange tijd niets plaats. Dit is niet tijdig passende hulp. De regio moet hier iets mee. We hopen hier beter zicht op te krijgen via meerdere monitoringsinstrumenten en zoeken naar mogelijkheden om de aanbieder aan te spreken en gaan afspraken beter in de contracten zetten.’ (beleidsadviseur gemeente) ‘Er is te weinig verblijf, gezinshuis, perspectief biedende pleegzorg, te weinig plekken, zo lang mogelijk thuis gaat nog niet, stagneert. Dit soort signalen geef ik terug aan inkoop.’ (contactpersoon gemeente)
Wanneer gezinnen verhuizen kan grensproblematiek met België en Duitsland (andere weten regelgeving, verantwoordelijkheden onduidelijk) ontstaan, waardoor jeugdigen uit het zicht kunnen raken of dat er geen hulp meer wordt ingezet. Tijdrovend overleg van jeugdbeschermers met (instanties van) gemeenten m.b.t. het tijdig inzetten van passende hulp. In de gesprekken noemen de jeugdbeschermers met name Venlo, Maastricht en JENS als organisaties waar de aanmeldprocedures veel tijd kosten. Jeugdbeschermers hebben te maken met verschillende aanmeldprocedures binnen gemeenten voor de hulp die ze willen inzetten. Voor landelijk werkende jeugdbeschermers zijn verschillen tussen gemeenten nog lastiger en tijdrovender. o Jeugdbeschermers die te maken hebben met Venlo en niet-gecontracteerd aanbod willen inzetten, vinden de procedure die daarvoor geldt vertragend, omdat het leidt tot extra werk en overleg. Venlo geeft aan dat het mogelijk is om naast de 14 gecontracteerde zorgaanbieders en enige onderaannemers ook niet-gecontracteerd aanbod (hierna: NGA) in te zetten. De jeugdbeschermer moet dan contact opnemen met het team MID-office (ondersteunen wijkteam overstijgende zaken zoals NGA) die vervolgens een NGA-contract opstelt. Dit betekent voor de jeugdbeschermer dat hij/zij een aanvraagformulier van drie pagina’s moet invullen en de GI moet onderbouwen waarom NGA gewenst is.
Het MID-office van de gemeente Venlo doet vervolgens een korte check op het contract en tweemaandelijks is er overleg tussen Venlo en de GI’s over knelpunten, NGA en niet-NGA. Vanuit de gemeente wordt aangegeven dat bij de GI’s regelmatig de afspraken niet volledig bekend zijn of dat de GI (te) laat contact opneemt met de gemeente, waardoor dit voor extra druk bij zowel gemeente als GI zorgt. o Maastricht en Valkenburg willen meer grip krijgen op de kosten en de hulp die wordt ingezet. Ook willen deze gemeenten de transformatie en ontwikkeling over de inrichting van de zorg bij de GI’s laten landen. Contactpersonen van de gemeenten (professionals) stemmen per casus met de GI af voordat de jeugdbepaling wordt ingezet. De contactpersonen zijn drie ochtenden per week beschikbaar voor GI’s. Vanwege de privacy wordt de casus door de jeugdbeschermer mondeling toegelicht. Dit is echter ook niet AVG-proof. De contactpersonen willen de brede blik (op beschikbare jeugdhulp en voorliggend veld) van de gemeente meegeven, meer grip
19 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
krijgen op de zorg en kosten die ermee gepaard gaan, maar de bevoegdheid van het inzetten van zorg ligt bij de GI. Dat kan soms schuren. De insteek van de contactpersonen is ondersteunend, maar de jeugdbeschermers ervaren soms een drempel. Volgens de contactpersonen wordt hun advies meestal wel overgenomen en werkt de aanpak kostenbesparend. o JENS heeft een transformatieopdracht en heeft opstartproblemen gehad. Momenteel is er een gebrek aan ambulant hulpverleners bij JENS; waar noodzakelijk wordt hulp van JENS doorgezet naar een zorgaanbieder. Volgens JENS heeft de GI geen zicht op het totale aanbod. Vanuit het perspectief van JENS is het aanbod van voorliggende zorg tot specialistische zorg breder. Daarbij is volgens JENS het zorglandschap aan het kantelen wat mogelijkheden geeft om zorgvragen anders vast te pakken. Verschillende jeugdbeschermers geven in de gesprekken aan en uit twee dossiers blijkt dat de werkwijze van JENS een vertragende werking heeft gehad op inzet van tijdig passende hulp. Volgens JENS wordt het proces moeilijk gemaakt, omdat de GI vanwege de AVG geen inhoudelijke informatie met JENS wil delen. De vraag van de verwijzer komt binnen een week in een kernteam van JENS aan de orde, tenzij uit triage blijkt dat de vraag niet kan wachten. De zorgvraag wordt ‘gematcht op zorg’.
Soms is een verslag van de casus en een toelichtend gesprek tussen verwijzer (huisarts of
‘Om zorg bij een niet-gecontracteerde aanbieder te regelen bij de gemeente Venlo moet eerst een aanvraagformulier worden ingevuld. Hierin moet argumenten naar voren komen over waarom de gecontracteerde zorg niet passend is. Als je dit formulier goed wil invullen, kost het wel 1,5 uur. Er gaat ongeveer een week over zo’n traject en dan kom je vaak alsnog op de wachtlijst. Een wachtlijst van drie maanden is normaal, waardoor tijdig passende hulp dan niet mogelijk is. Er moet dan worden gekeken naar alternatieven, waardoor je soms voor ‘second best’ opties kiest.’ (jeugdbeschermer) ‘We zien regelmatig dat afspraken binnen de GI’s niet volledig bekend zijn of dat ze te laat contact opnemen met de gemeente, waardoor dit voor extra druk bij zowel de gemeente als GI zorgt.’ (beleidsadviseur) ‘De gemeente Maastricht wil heel veel info, en gaat dan opnieuw afwegen of de hulp ook ingezet gaat worden. Dit toetsen van informatie kan maar op twee tijden per week en als het dan niet lukt om jezelf ingepland te krijgen, moet je weer wachten. Je mag niet mailen of iets dergelijks.’ (jeugdbeschermer) ‘De gemeente Maastricht als streng en kritisch, maar op een positieve manier. Je moet goede argumenten aandragen om te krijgen wat je wil. Opschaling is niet nodig geweest. Het ligt vaker aan de gemeente dan aan de zorgaanbieder.’ (andere jeugdbeschermer) ‘Samenwerking met JENS werkt belemmerend.
Personeel wisselt veel. Is afhankelijk van welke medewerker je treft of er nog 20 vragen komen of wordt gezegd: “BJZL bepaalt”. Bij casus X ging het vrij vlot.’ (jeugdbeschermer) ‘Zoals de zorgmatch van JENS nu soms loopt voelt het vaak alsof er werk dubbel wordt gedaan. Wij hebben het met elkaar afgewogen, dan moet het gezin op komen draven bij de zorgaanbieder die nog een keer gaat kijken of er een match is met de hulpvraag en hun aanbod. Als dat dan akkoord blijft, dan pas gaat de aanvraag naar de evt. wachtlijst.’ (andere jeugdbeschermer)
jeugdbeschermer) en JENS voldoende voor een zorgmatch. Als een GI persé een bepaalde aanbieder wil inzetten anders dan JENS, vraagt JENS om een motivatie, omdat het volgens JENS om het oppakken van een hulpvraag gaat en niet per definitie een bepaalde aanbieder. Als JENS er in eerste instantie niet met de jeugdbeschermer uitkomt, wordt opgeschaald naar de gedragswetenschappers van JENS en de GI. JENS start een pilot waarbij de jeugdbeschermer direct bij het kernteam JENS aansluit.
20 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Volgens JENS ontstaat er geleidelijk meer vertrouwen en raken de GI’s bekender met JENS.
Sturen op financiën. Tekorten bij gemeenten.
‘Kind heeft een 24/7 plaatsing in j-ggz en gaat om het weekend naar grootouder, dat was netwerkpleegzorg met ondersteuning van de pleegzorgwerker. Ik had al gebeld en geregeld dat het dezelfde pleegzorgwerker kon worden. Nu is er een hele grote kans dat gemeente nee gaat zeggen. Reden: ze betalen al 24/7 dus we gaan niet nog meer hulp inzetten.’ (jeugdbeschermer)
Bureaucratie en administratieve fouten bij GI, aanbieder of gemeente, bijvoorbeeld het kwijtraken van een aanvraag voor pleegzorg in het systeem van een aanbieder.
‘Soms verloopt de jeugdhulp bepaling voor de zorg tijdens de OTS. Deze deadlines zijn niet altijd helder (komt ook geen melding over). Dan vraag ik een jeugdbepaling met terugwerkende kracht aan, maar dan wil de gemeente dit niet meer doen. Er moet dan een nieuwe aanvraag worden ingediend, hetgeen weer veel tijd kost. Omdat het niet met terugwerkende kracht kan, zit de zorgaanbieder met een probleem (die heeft hulp geleverd waar ze geen geld voor krijgen). In zo’n geval moet er veel contact met de zorgaanbieder blijven. Als jeugdbeschermer moet je zelf ook onder controle houden wanneer de zorg afloopt.’ (jeugdbeschermer)