CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB.21.099 Gecertificeerde instellingen Limburg

Gemeenteraad 7 september 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven.29.337 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dat zijn jeugdigen die zeer beschadigd zijn en zelf een combinatie van problemen hebben, zoals agressieproblematiek, GGZproblematiek, trauma, verslaving, verstandelijke beperking. Voor hen is een stabiele plek nodig totdat zij op eigen benen kunnen staan. Soms hebben zij ook als zij volwassen zijn hulp nodig, bijvoorbeeld in een voorziening voor beschermd wonen. Uit het toezicht in het hele land komt naar voren dat kinderen met dergelijke problemen om uiteenlopende redenen lang op crisisplekken verblijven, op wachtlijsten staan, veel te maken hebben met verplaatsingen en geen passende behandeling krijgen. Voor deze kinderen is echt te weinig aanbod en voor aanbieders is het om verschillende redenen niet aantrekkelijk of haalbaar dit aanbod te creëren. Deze kinderen kunnen niet thuis wonen, in dat geval is de ambitie ‘zo thuis mogelijk’ bijvoorbeeld in gezinshuizen. Als het de ambitie is om deze kinderen, die voorheen in (grootschalige) residentiële voorzieningen verbleven, ‘zo thuis mogelijk’ te laten opgroeien en daar te laten blijven, dan is het nodig om de (hoog)specialistische hulp daar in te zetten. Dat betekent dat er voldoende gezinshuizen nodig zijn die deze complexe kinderen kunnen ‘handelen’, met integrale deskundigheid en soms met (vierentwintig uurs) een-op-een begeleiding.

Ook voor jeugdigen met ouders die niet in staat zijn om te zorgen voor een veilige omgeving, is het nodig dat er een langdurig verblijf is met zo min mogelijk verhuizingen, zodat de jeugdige op zo’n normaal en gezond mogelijke manier kan groeien naar volwassenheid.

4.2.2

Onvoldoende specialistisch ambulant (GGZ) hulpaanbod: wachtlijsten De vraag naar dit residentiële aanbod zou een stuk kleiner kunnen worden als kinderen en hun ouders in hun thuissituatie tijdig de hulp krijgen die nodig is. En dat met die hulp voorkomen wordt dat het kind ernstig beschadigd raakt of ouders overvraagd raken. Zo tijdig mogelijk, en bij voorkeur niet in het gedwongen kader (zonder jeugdbeschermingsmaatregel). Als de kinderrechter als ultimum remedium stelt dat de ontwikkelingsbedreiging van een kind moet worden afgewend met een jeugdbeschermingsmaatregel, dan moet die hulp direct kunnen worden ingezet. Pagina 26 van 48

Maar ook deze ambulante jeugdhulp is onvoldoende beschikbaar: of het nu gaat om hulp bij een complexe scheiding of bijvoorbeeld om ambulante (spoed-)opvoedhulp. De inspecties zien landelijke verschillen, maar het tekort aan jeugd GGZ is overal in het land manifest 1, waardoor jeugdigen lang op wachtlijsten staan. Problematiek verergert doordat trauma’s niet behandeld worden. Met name in de grote steden dringen kinderen met zeer ernstige problematiek om voorrang en moeten onmogelijke keuzes worden gemaakt. Het is zo ernstig dat moet worden geprioriteerd tussen kinderen met de grootste ontwikkelingsbedreiging, tussen bijvoorbeeld de dreiging van mogelijke suïcide afwenden of verwerking van een ernstig trauma van een kind met een jeugdbeschermingsmaatregel. 4.2.3

Onvoldoende bovenregionale samenwerking Voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend specialistisch hulpaanbod is bovenregionale samenwerking noodzakelijk. Er is namelijk een beperkt aantal kinderen dat dit aanbod nodig heeft en een beperkt aantal voorzieningen kan deze specialistische hulp bieden. Gemeenten, soms afzonderlijk en soms in jeugdhulpregio-verband, maken de afweging welk hulpaanbod voor hun inwoners essentieel is. De (gemeenten in de) jeugdhulpregio’s kunnen deze afweging zelf maken, dit is inherent aan de decentralisatie van de jeugdhulp. Door verschillen in hulpvragen van inwoners in verschillende gemeenten ontstaan verschillende zorglandschappen die aansluiten bij wat inwoners nodig hebben. Echter hierdoor ontstaat het risico dat een bepaald aanbod van specialistische hulp wegvalt, omdat heel weinig inwoners van deze vorm van hulp gebruik hoeven te maken. Een gemeente kiest dan voor andere oplossingen die te koste gaan van de (hoog)specialistische zorg en de alternatieven die geboden worden, beschikken vaak over te weinig deskundigheid om aan de complexe hulpvraag te kunnen beantwoorden. Specialistisch hulpaanbod is meestal duur en met krappe budgetten, bezuinigen diverse gemeenten op dit onderdeel.

Met lagere tarieven, of door lagere instroom van cliënten is het voor de gespecialiseerde aanbieder niet rendabel om het aanbod te blijven leveren of de zorgaanbieder komt in de financiële problemen. Daarnaast pakken de verschillende vormen van inkoop, contractering, verantwoording en financiering in een aantal jeugdbeschermingsregio’s nadelig uit voor het organiseren van (hoog)specialistisch jeugdhulpaanbod, dat vaak juist voor de jeugdigen en hun gezinnen met een jeugdbeschermingsmaatregel moet worden ingezet. Deze omstandigheden maken het voor zorgaanbieders complex om in te zetten op innovatie en leiden tot financiële zorgen bij de specialistische jeugdhulpaanbieders. Het is dan ook belangrijk dat jeugdhulpregio’s de specialistische jeugdhulp op het juiste schaalniveau met elkaar en zoveel als mogelijk onder dezelfde voorwaarden en met eenzelfde financieringssystematiek inkopen. Voor het bestendigen en innoveren van het specialistisch jeugdhulpaanbod is bovenregionale inkoop en een goede bovenregionale samenwerking nodig tussen de regio’s, de gecertificeerde instellingen en het specialistische jeugdhulpaanbod. Samenwerking op bovenregionaal niveau werkt als jeugdhulpregio’s en gemeenten een gemeenschappelijke visie en doelen hebben. Ook helpt het wanneer de samenstelling van inwoners en de hulpbehoefte op elkaar lijkt.

Hoe groter de verschillen in visie, des te moeilijker het is om samen te werken. Daarnaast zijn er jeugdbeschermingsregio’s die te maken hebben met één jeugdhulpregio, maar ook die met negen jeugdhulpregio’s te maken hebben. Hoe meer jeugdhulpregio’s en gemeenten deel uit maken van een jeugdbeschermingsregio, des te lastiger is de 1

Onvoldoende tijdige en juiste hulp voor jongeren met ernstige psychische problemen naar factsheet, IGJ 2021

Pagina 27 van 48

samenwerking goed vorm te geven. Een laatste complicerende factor is dat de jeugdhulpregio’s in wisselende samenstelling gezamenlijk verschillende vormen van jeugdhulp al dan niet bovenregionaal inkopen. Noch de regio’s, noch de zorgaanbieders hebben inzicht in het totale, landelijke tekort aan verschillende vormen van hulp. 4.2.4

Knelpunten in de toeleiding naar passende hulp De inspecties hebben in het rapport uit 2019 benoemd dat de gecertificeerde instelling de wettelijke taak heeft te bepalen of, en zo ja welke, jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van een jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel. De Jeugdwet schrijft voor dat de GI hiertoe overlegt met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd en anderzijds dat de gemeente als financier dient te weten welke jeugdhulp nodig wordt geacht (en dus moet worden ingekocht). Afstemming tussen de GI en de gemeente dient gericht te zijn op en ondersteunend aan het vinden van passend aanbod, op basis van de koers die de GI multidisciplinair en met het gezin heeft uitgezet. Het administratieve en bureaucratische proces mag niet vertragen, of ertoe leiden dat de noodzakelijke hulp aan een jeugdige wordt onthouden. Bovendien dient het overleg plaats te vinden met inachtneming van de privacywetgeving en de regels omtrent het beroepsgeheim. Voor een jeugdhulpbepaling voor een jeugdige met een maatregel is geen beschikking van de gemeente nodig. De inspecties hebben positieve voorbeelden gezien waarbij GI, gezin, (namens de gemeente) het lokale team en eventuele andere betrokkenen in een vroeg stadium met elkaar om tafel gaan.

En waarbij alle betrokkenen vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid in goede samenwerking meedenken om te komen tot een passend hulpaanbod. De inspecties hebben overal in het land, maar per regio en soms per gemeente verschillend, ook voorbeelden gezien waarbij een gemeente jeugdhulpbepalingen van GI’s (inhoudelijk) toetst. Met name voor (dure) hoog specialistische hulp en maatwerktrajecten zien de inspecties dat het proces in de praktijk vertraagt, bijvoorbeeld door controles op de jeugdhulpbepaling van de GI. Gemeenten vragen de GI waarom de inzet van de hulp nodig is, of het ook anders maar vooral ook goedkoper kan. De processen zijn per regio en per gemeente verschillend ingericht. Soms wordt gevraagd om een schriftelijke onderbouwing, soms wordt de bepaling opnieuw besproken aan tafels met gemeenten, GI en eventuele andere bij de casus betrokkenen. Overigens laten de jeugdhulpregio’s vrijwel zonder uitzondering weten dat de bepaling van de GI vervolgens vrijwel altijd wordt gevolgd. De verschillende procedures, inkoopvoorwaarden en contractering van zorgaanbod vormen niet alleen een knelpunt voor de GI’s, maar ook voor de veelal grote, bovenregionaal werkende specialistische hulpaanbieders. Voor de inzet van hulp aan jeugdigen met de meest complexe problemen werkt resultaat-gestuurde financiering in de praktijk vertragend.

Bij deze financieringsvorm wordt de jeugdhulpaanbieder gefinancierd op basis van het behaalde resultaat, waarbij het te behalen resultaat vooraf wordt bepaald. Dit leidt in de praktijk vaak tot lange ‘onderhandelingen’ met zorgaanbieder(s), over welke hulp moet worden ingezet en tot welk resultaat dit moet leiden. Juist voor kwetsbare jeugdigen (met meervoudig complexe problematiek) is de kans op falen van een hulpverleningstraject of plaatsing groot. Resultaatgerichte financiering leidt Pagina 28 van 48

ertoe dat zorgaanbieders de meest kwetsbare jeugdigen niet (tijdig) accepteren en de jeugdige niet wordt geholpen. Verschillende regio’s werken met een beperkt aantal hoofdaannemers, die onderaannemers inschakelen als zij zelf bepaalde onderdelen van de hulp niet kunnen bieden. De GI kan zelf niet direct verwijzen naar de twee verschillende aanbieders, of soms zelfs twee producten van één aanbieder (dit wordt ‘stapelen’ van hulp genoemd). Dit levert in de praktijk knelpunten op voor de tijdige inzet van passende hulp. Als de jeugdbeschermer een geschikte onderaannemer heeft gevonden voor een jeugdige (omdat de hoofdaannemer de noodzakelijke hulp niet kan bieden), dan is het aan de hoofdaannemer deze zorgaanbieder als onderaannemer aan te stellen en de hoofdaannemer is hier niet altijd toe bereid. Ook hebben de inspecties voorbeelden gezien dat de hoofdaannemer zelf (minder passende) hulp inzet, in plaats van een onderaannemer in te schakelen. 4.2.5

Knelpunten bij zorgaanbieders Naast wachtlijsten en vertraging als gevolg van gemeentelijke processen, kan de werkwijze bij zorgaanbieders tot vertraging leiden. De inspecties hebben voorbeelden gezien dat het weken duurt voordat een intake plaatsvindt, waarbij de zorgaanbieder op dat moment vaststelt dat deze een jeugdige of zijn gezin niet kan helpen. Dat betekent dat opnieuw een intake moet plaatsvinden bij een andere zorgaanbieder. Ook hebben de inspecties gezien dat een jeugdige of zijn gezin na een succesvolle intake opnieuw op een wachtlijst komt te staan. Zorgaanbieders hanteren contra-indicaties bij de intake van een jeugdige en/of zijn gezin. Dit maakt het bij uitstek lastig om jeugdigen met combinaties van problemen geplaatst of in zorg te krijgen. Een zorgaanbieder is bijvoorbeeld gespecialiseerd in het werken met jeugdigen met gedragsproblemen, maar niet met GGZ-problemen of verslavingsproblematiek. Of een zorgaanbieder is gespecialiseerd in de behandeling van GGZ-problemen, maar heeft geen expertise op het gebied van LVB. Ook komt het voor dat een jeugdige niet op een groep of in een gezinshuis terecht kan omdat zijn of haar problematiek te ontregelend zou werken op de rest van de groep. Een ander probleem is dat een instabiele situatie een reden is om niet met de behandeling van een jeugdige te starten, ook niet als de jeugdbeschermer dit wel raadzaam vindt.

Dat soort situaties doen zich voor bij complexe echtscheidingen, bij onduidelijkheid waar een jeugdige gaat wonen. De inspecties hebben voorbeelden gezien van jeugdigen waarvan de verblijfplaats na de crisisopvang niet duidelijk is, het verblijf in de crisisopvang voortduurt, waardoor de behandeling van de jeugdige niet kan starten. De inspecties vinden het wenselijk dat zorgaanbieders met ‘samenwerkingscriteria’ gaan werken in plaats van contra-indicaties of uitsluitingscriteria. Als een jeugdige een combinatie van problemen heeft, dan is samenwerking tussen verschillende expertises/ zorgaanbieders dus noodzakelijk. In een aantal regio’s komt een dergelijke samenwerking goed van de grond. Bijvoorbeeld in de regio Utrecht, waar zorgaanbieders in (interprofessionele) teams samenwerken en zo maatwerk kunnen bieden.

Pagina 29 van 48

5

Conclusies en aanbevelingen

5.1

Conclusies

5.1.1

Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Voor dertien procent van de kinderen met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel is het niet gelukt om tijdig een vaste jeugdbeschermer en voor elf procent niet om tijdig een gedragen koers uit te zetten. In 2019 signaleerden de inspecties 2 dat de kwaliteit en de tijdigheid van de bescherming van een kind dat ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd mede afhankelijk is van de lokale context. De ongelijkheid tussen gemeenten met betrekking tot de inzet van jeugdbescherming constateren de inspecties nog steeds. Doordat veel regio’s hebben geïnvesteerd in de gecertificeerde instellingen, is er sinds 2019 veel verbeterd. Het lukt de meeste GI’s om kinderen tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen. Ondanks bijvoorbeeld een krappe bezetting of werken met een instroomteam lukt het vaak ook om een tijdig gedragen koers uit te zetten. De jeugdbeschermers maken zich hier hard voor. Toch blijft de vitale functie van jeugdbescherming zeer kwetsbaar. Op een intensive care is altijd extra capaciteit beschikbaar. Wanneer dit in het gedrang komt, wordt hier actief op geacteerd. Voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel mag ook worden verwacht dat er altijd een jeugdbeschermer en passende hulp beschikbaar zijn. Dit is momenteel niet het geval.

Nog altijd minimale varianten Negen GI’s werken met wachtlijstbeheer, instroomteams, verdeellijsten, of ‘beperkt hulpaanbod’. Deze ‘minimale varianten’ doen de kinderen en hun gezinnen tekort en geen recht aan de urgentie van een jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel. De inspecties beoordeelden deze werkwijzen desondanks voor nu toch als voldoende, als de jeugdbeschermer in contact is met het gezin en actief samen met hen werkt aan een gedragen koers en het inzetten van noodzakelijke hulp. De gecertificeerde instellingen Briedis, Jeugdbescherming Brabant, Jeugdbescherming Gelderland, De Jeugd- en Gezinsbeschermers en het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering lukte dit op het moment van de praktijktoets nog onvoldoende. In Zeeland en Brabant is de situatie na de praktijktoets verder verslechterd door het faillissement van Briedis, de beëindiging van het contract van de Zeeuwse gemeenten met Intervence en de opnamestop bij Jeugdbescherming Brabant en de William Schrikker Stichting. Nog altijd hoog verloop en verzuim GI’s spannen zich in om jeugdbeschermers te behouden en voor te bereiden op het werk. Maar door de krappe arbeidsmarkt en de hoge werkdruk is het voor jeugdbeschermers aantrekkelijk om elders in de jeugdhulp te werken onder betere omstandigheden. De inhoud van het werk is zwaar en blijft zwaar.

Dat geldt voor nieuwe onervaren medewerkers die nog niet genoeg zijn toegerust voor hun taak en snel weer uitstromen. Het geldt ook voor deskundige en ervaren medewerkers. Met dit gegeven moet de sector omgaan en erop anticiperen. Ook op een intensive care wisselt het personeel regelmatig. Het zou mogelijk moeten zijn dat een professional makkelijk kan variëren tussen posities in de jeugdsector (bijvoorbeeld van lokaal team naar GI, van GI naar behandelgroep, van Veilig Thuis of Raad voor de 2 Signalement Jeugdbeschermingsketen in gevaar Pagina 30 van 48

Kinderbescherming en v.v.) zodat op die manier professionals behouden blijven voor de jeugdhulp. 5.1.2

Elk kind met een maatregel tijdig passende hulp Voor ongeveer 33 procent van de kinderen met een maatregel is het niet gelukt om tijdig passende hulp te organiseren. Grote, structurele problemen maken de inzet van tijdige passende (specialistische) hulp moeilijk en soms zelfs onmogelijk. Het individuele kind dat bescherming nodig heeft, is de dupe van deze problemen. De inspecties stelden dat een onorthodoxe actiegerichte aanpak nodig was om ervoor te zorgen dat jeugdigen wel de hulp kregen die nodig was. Deze zogenoemde doorbraakaanpak moest ertoe leiden dat de jeugdbeschermingsmaatregel effectief kan zijn. Actieve samenwerking bepalend voor succes In verschillende regio’s zijn met de doorbraakaanpak stappen gezet en successen geboekt. Een goede, gedragen samenwerking tussen zorgaanbieders, lokale teams, GI’s en gemeenten is een duidelijke succesfactor. Dit moet de komende periode worden voortgezet en uitgebouwd. Gezamenlijke verantwoordelijkheid helpt om ervoor te zorgen dat een kind met een maatregel tijdig de passende hulp krijgt. De regio’s die per kind of gezin keken wat er nodig was en hoe deze hulp kon worden ingezet, bereikten de grootse successen. In een aantal regio’s is niet gekozen voor een onorthodoxe actiegerichte aanpak. In deze regio’s kwam het onvoldoende tot nieuwe oplossingsrichtingen en kwam de samenwerking niet goed op gang.

Daarnaast zijn er regio’s waar de expertteams meedenken en oplossingen kunnen aandragen maar niet de positie hebben om de inzet of beschikbaarheid van hulp te forceren. Mandaat is nodig om passende hulp in te kunnen zetten. Structurele problemen Tekort aan residentieel aanbod voor jeugdigen met zeer complexe problemen Er zijn kinderen die niet (meer) thuis kunnen opgroeien. De problemen van deze kinderen zijn om diverse redenen zo complex dat zij langdurige (intensieve) hulp en begeleiding of behandeling nodig hebben. Er is een structureel tekort aan residentieel aanbod voor deze groep jeugdigen. Uit het toezicht in het hele land blijkt dat deze kinderen nu lang op crisisplekken verblijven, op wachtlijsten staan, veel te maken hebben met verplaatsingen en geen passende behandeling krijgen. Voor hen is te weinig hulpaanbod en voor aanbieders is het om verschillende redenen niet aantrekkelijk of haalbaar dit aanbod te creëren. Tekort aan ambulant aanbod Daarnaast is er onvoldoende (specialistische) ambulante jeugdhulp en jeugd-GGZ beschikbaar. Deze hulp is belangrijk om te voorkomen dat jeugdigen zo beschadigd raken of de thuissituatie zo onveilig wordt, dat zij niet meer thuis kunnen opgroeien. En om bij een uithuisplaatsing goed te kunnen terugwerken naar huis. Het gebrek aan passend hulpaanbod verschilt per regio.

Met name in de grote steden dringen kinderen met zeer ernstige problematiek om voorrang en moeten onmogelijke keuzes worden gemaakt. Onvoldoende bovenregionale samenwerking Voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend specialistisch hulpaanbod is bovenregionale samenwerking nodig. Keuzes die afzonderlijke jeugdhulpregio’s maken bij het beëindigen of continueren van contracten hebben gevolgen voor de dekkingsgraad van het bovenregionale aanbod. Daarnaast pakken de verschillende vormen van inkoop, contractering, verantwoording en financiering in een aantal Pagina 31 van 48

jeugdbeschermingsregio’s nadelig uit voor het organiseren van (hoog)specialistisch jeugdhulpaanbod. Dit maakt het complex om in te zetten op innovatie en leidt tot financiële zorgen bij de specialistische jeugdhulpaanbieders. Vertragende processen in toeleiding Gemeentelijke processen of keuzes in de inkoop en contractering vertragen in veel regio’s de inzet van hulp. Hoe de processen zijn ingericht, verschilt per regio en soms zelfs per gemeente. Het komt voor dat de gemeente de jeugdbeschermer vraagt zich inhoudelijk te verantwoorden voor de inzet van bepaalde hulp, met name voor (dure) specialistische hulp en maatwerktrajecten. In een aantal gemeenten is het proces zo gecompliceerd, dat dit de tijdige inzet van passende hulp tegenwerkt. Resultaatgestuurde financiering en werken met hoofd- en onderaannemerschap werken in de praktijk vertragend bij de inzet van passende hulp. Knelpunten bij hulpaanbieders Soms duurt het weken voordat een jeugdige een intake heeft bij een zorgaanbieder. Na de intake kan het zijn dat de wachttijd voor de behandeling dan pas ingaat. Of soms blijkt na de intake dat de hulp niet passend is. De jeugdige komt dan opnieuw bij een andere aanbieder op de wachtlijst. Contra-indicaties die individuele organisaties opstellen maken het lastig om voor jeugdigen met ernstige problemen of combinaties van problemen de juiste hulp te krijgen.

Hulpaanbieders werken op dit punt nog weinig met elkaar samen en combineren over het algemeen hun kennis niet. 5.2

Aanbevelingen Rijk 

Zorg dat vraag en aanbod van jeugdbescherming, jeugdreclassering en specialistische jeugdhulp goed in beeld zijn. Garandeer als stelselverantwoordelijke dat overal in het land een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdbescherming, jeugdreclassering en specialistische jeugdhulp is voor jeugdigen met een maatregel. Stel een ondergrens aan het benodigde aantal specialistische plekken.

Bewaak dat de beschikbaar gestelde extra middelen voor de jeugdhulp ook daadwerkelijk worden ingezet voor de meest kwetsbare jeugdigen en gezinnen. Denk daarbij aan de hulp aan en huisvesting van jeugdigen die vanwege combinaties van problemen niet meer thuis kunnen wonen en aan (hoog) specialistische jeugdhulp.

Stel samen met gemeenten en gecertificeerde instellingen een norm voor de maximale caseload, leidt daaruit af wat de minimaal noodzakelijke bezetting is. Maak mogelijk dat gecertificeerde instellingen en (gespecialiseerde) hulpaanbieders voldoende ‘ruim in het jasje’ zitten om zonder vertraging de hulp te kunnen inzetten die nodig is. Dit betekent dat overcapaciteit wordt meegefinancierd. Stel een basistarief als ondergrens in.

Zorg samen met GI’s, jeugdhulpaanbieders en andere partijen in de jeugdbeschermingsketen dat professionals behouden blijven voor de jeugdhulp, bijvoorbeeld door te bevorderen dat zij makkelijk kunnen switchen tussen posities in de jeugdsector (bijvoorbeeld van lokaal team naar GI, van GI naar

Pagina 32 van 48

een behandelgroep, van een behandelgroep naar Veilig Thuis of Raad voor de Kinderbescherming). Zorg samen met sociale partners voor passende beloning en arbeidsvoorwaarden. 

Onderken dat ook in de toekomst een beperkte groep kinderen intensieve en soms gedwongen jeugdhulp nodig heeft. Soms ook (langdurig) verblijf. Zorg er samen met de regio’s voor dat dit aanbod beschikbaar komt en blijft. Dat betekent dat er voldoende kleinschalige voorzieningen moeten zijn die deze complexe kinderen kunnen bieden wat ze nodig hebben; met integrale deskundigheid en soms met (24-uurs) een-op-een begeleiding.

Jeugdbeschermingsregio’s De inspecties doen hieronder een aantal algemene aanbevelingen aan de jeugdbeschermingsregio’s (en de gezamenlijke gemeenten, lokale teams, GI’s en zorgaanbieders daarbinnen). Niet elke aanbeveling is van toepassing op elke jeugdbeschermingsregio. In de regiorapporten staan de aanbevelingen per regio. 

Continueer de doorbraakaanpak en scherp deze aan voor jeugdigen met een maatregel. Maak hierbij gebruik van de goede voorbeelden uit andere regio’s en betrek de volgende aanbevelingen hierbij.

Breng met hulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en lokale teams in kaart wat aan (hoog) specialistische hulp is ingekocht en waar de tekorten aan hulp zijn. Maak hierbij gebruik van de ervaringen uit de doorbraakaanpak. Geef gezamenlijk vorm aan een aanpak waarmee deze tekorten worden ondervangen. Ga na welke vormen van hulp de regio niet zelf kan realiseren en zoek hierin bovenregionale of landelijke samenwerking.

Bied als gezamenlijke jeugdhulpregio’s hulpaanbieders ruimte door het maken van lange termijn afspraken en financiële rust, om gezamenlijk (hoog) specialistisch aanbod en maatwerk te creëren voor jeugdigen met complexe hulpvragen, die nu ‘tussen het aanbod in’ vallen.

Zorg voor tijdig, structureel en laagdrempelig overleg tussen de partijen als lokale teams en GI’s, niet als stap in het beoordelingsproces, maar als inhoudelijke afstemming en kennisdeling om te komen tot passende hulp. Geef het kind en zijn gezin bij dit overleg een centrale rol.

Maak mogelijk dat de GI de noodzakelijk geachte hulp zonder vertraging kan inzetten. Dat wil zeggen dat de inzet van hulp onverwijld plaatsvindt en dat de noodzakelijk geachte hulp niet wordt heroverwogen. Bij een bepaling van een GI is geen beschikking van een gemeente nodig. o Stel een jeugdhulpbepaling van een GI niet ter discussie. o Maak het proces rond de inzet van hulp aan een kind met een jeugdbeschermingsmaatregel simpel en snel. o Heroverweeg de resultaat gestuurde financiering van specialistische jeugdhulp die ertoe leidt dat zorgaanbieders de meest kwetsbare jeugdigen soms niet accepteren en de jeugdige niet adequaat wordt geholpen. o Stel geen budgetplafonds in voor het jeugdhulpaanbod.

Pagina 33 van 48

GI’s 

Neem best practises van andere GI’s over die leiden tot de tijdige inzet van een vaste jeugdbeschermer en het tijdig uitzetten van een gedragen koers.

Overleg tijdig met de daartoe aangewezen inhoudelijk deskundige van de gemeente of het lokale team over de beschikbaarheid en de mogelijkheden om de noodzakelijke hulp in te zetten. Tijdig wil zeggen: gedurende of direct na het uitzetten van de koers met jeugdige, ouders en intern (en eventueel extern) betrokken disciplines.

Schaal tijdig op naar het expertteam indien de passende hulp niet op tijd kan starten.

Breng expertise en kennis in om per jeugdbeschermingsregio en landelijk helder te krijgen wat aan hulp is ingekocht en waar de tekorten aan hulp zijn. Geef gezamenlijk een aanpak vorm waarmee deze tekorten worden ondervangen.

Hulpaanbieders 

Werk met ‘samenwerkingscriteria’ in plaats van met contra-indicaties of uitsluitingscriteria. Als een jeugdige een combinatie van problemen heeft, dan is samenwerking tussen verschillende expertises en hulpaanbieders noodzakelijk. Dit betekent niet naast elkaar werken, maar met elkaar werken.

Breng expertise en kennis in om per jeugdbeschermingsregio en landelijk helder te krijgen wat aan hulp is ingekocht en waar de tekorten aan hulp zijn. Geef gezamenlijk een aanpak vorm waarmee deze tekorten kunnen worden ondervangen.

Pagina 34 van 48

Bijlage 1

Overzicht bevindingen per regio

Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers

Deze tabel gaat over de norm ‘Elk kind tijdig passende hulp’. In de regio’s Friesland, Groningen/Drenthe, Overijssel, Utrecht/Flevoland, Rotterdam-Rijnmond, Zuid-West, Limburg en Amsterdam sluiten de inspecties het toezichttraject af. Met de regio’s Brabant, Gelderland en Noord-Holland vindt een bestuurlijk gesprek plaats. In de regio Zeeland zullen de inspecties intensief toezicht uitvoeren.

Pagina 35 van 48

Bijlage 2

Overzicht bevindingen per regio

Elk kind tijdig passende hulp

Deze tabel gaat over de normen ‘Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer’ en ‘Elk kind tijdig een gedragen koers’. In de jeugdbeschermingsregio’s Friesland en Overijssel sluiten de inspecties het toezichttraject af. De inspecties blijven de regio’s Gelderland, Utrecht/Flevoland, Groningen/Drenthe, Zeeland en Limburg volgen vanuit het reguliere toezicht. In de regio’s Brabant, Rotterdam-Rijnmond, Zuid-West en Amsterdam/Noord-Holland zullen de inspecties verscherpt toezicht uitvoeren voor de periode van een half jaar.

Pagina 36 van 48

Bijlage 3

Gecertificeerde instellingen werkend in meerdere regio’s

Jeugd Veilig Verder Jeugd Veilig Verder voert een aantal jeugdbeschermingsmaatregelen uit in Brabant en in Gelderland en is onderdeel van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. De inspecties hebben een beperkt aantal casussen van JVV onderzocht op de normen tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers. Dit was grotendeels op orde. JVV werkt met een instroomteam. Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft JVV af. Briedis Norm: Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer Briedis slaagt er niet in om tijdig aan elk kind met een jeugdbeschermingsmaategel een vaste jeugdbeschermer te verbinden. De inspecties hebben elf casussen die tussen augustus 2020 en januari 2021 gestart zijn in zijn geheel beoordeeld op zowel de normen tijdig en een vaste jeugdbeschermer. In zes gevallen was dit niet tijdig, is de jeugdbeschermer eenmaal gestart dan was er in alle gevallen een vaste jeugdbeschermer. Bevorderende factoren Als de jeugdbeschermer is gestart is er sprake van weinig wisselingen In enkele dossiers was zichtbaar dat er twee jeugdbeschermers gekoppeld waren aan het gezin. Belemmerende factoren: Briedis wordt soms niet tijdig geïnformeerd door rechtbank over uitspraak jeugdbeschermingsmaatregel.

Ondanks dat Briedis aangaf geen ruimte te hebben, werd de jeugdbeschermingsmaatregel door de rechter aan Briedis toegewezen. Krapte op de arbeidsmarkt maakt het lastig jeugdbeschermers te werven. Personeelstekorten door de uitstroom van jeugdbeschermers en onvoldoende instroom. Norm: Voor elke kind met een jeugdbeschermingsmaatregel een tijdig gedragen koers Briedis slaagt er overwegend wel in om tijdig voor elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tot een gedragen koers te komen. De inspecties hebben vier casussen in zijn geheel beoordeeld op de vraag of tijdig een gedragen koers is uitgezet. Bij één casus was zichtbaar dat dit niet tijdig was. De koers is in alle gevallen uitgezet met de ouder of de ouders samen. Niet in alle gevallen is de jeugdige gesproken. Bevorderende factor: Jeugdbeschermers die – ondanks de ervaren werkdruk – zich voluit inzetten om tijdig tot een gedragen koers te komen. Belemmerende factoren: Klacht en tucht procedures Pagina 37 van 48

-

De dynamiek binnen de complexe scheidingen maakt het soms lastig een koers te bepalen. Doordat er in veel gevallen al sprake is geweest van een eerder traject in een dwang kader, dan wel een langdurige periode in het vrijwillig kader zijn met name ouders niet meer gemotiveerd om hulp te accepteren. Dit bemoeilijkt om een gedragen koers te hebben waar beide ouders tevreden mee zijn.

Vervolg Briedis is per 1 juni 2021 failliet verklaard. De inspecties volgen de overdracht van de werkzaamheden van Briedis intensief en rapporteren hierover. Een belangrijk punt voor de inspecties is de continuïteit voor jeugdigen en ouders met een jeugdbeschermingsmaatregel bij Briedis. Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering Norm: Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer LJ&R slaagt er niet in om aan elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een jeugdbeschermer te koppelen. In de onderzochte casussen hebben de gezinnen deels een vaste jeugdbeschermer zoals omschreven bij de norm. De inspecties hebben 26 casussen beoordeeld op het tijdig toewijzen van een jeugdbeschermer. In 18 gevallen was er tijdig een jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld. 26 casussen beoordeelden de inspecties op de beschikbaarheid van een vaste jeugdbeschermer. Dit was in 22 casussen op orde. Bevorderende factoren: Als een gezin tijdig een jeugdbeschermer heeft, ook als dit een tijdelijke jeugdbeschermer uit het instroomteam betreft, brengt deze de veiligheid in kaart en werkt deze met het gezin aan een plan van aanpak en zet de hulp die nodig is in. LJ&R heeft de afgelopen zes maanden meer personeel aangenomen, zodat zaken sneller verdeeld kunnen worden.

Belemmerende factoren: Door wisselingen van personeel in het instroomteam hebben gezinnen soms gedurende korte tijd met veel verschillende mensen te maken. Door een gezin te laten wisselen van team, zorg je voor een extra overdrachtsmoment. Gezinnen die wisselen van jeugdbeschermer, komen als er geen nieuwe vaste jeugdbeschermer beschikbaar is tijdelijk weer op de instroomlijst. Dit brengt opnieuw een overdrachtsmoment met zich mee. Norm: Voor elke kind met een jeugdbeschermingsmaatregel een tijdig gedragen koers LJ&R slaagt er niet voor elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel in om tijdig tot een gedragen koers te komen. In de onderzochte casussen hebben de gezinnen deels tijdig een gedragen koers. De inspecties hebben 24 casussen beoordeeld op de aanwezigheid van een koers. In 24 casussen was dit zichtbaar op orde. Deze casussen hebben de inspecties ook beoordeeld op de tijdigheid van de gedragen koers. Dit was in 19 gevallen op orde. In de dossiers en tijdens de gesprekken hebben de inspecties gezien en gehoord dat LJ&R voor alle onderzochte casussen een koers heeft en dat de koers op één na een gedragen koers is. De tijdigheid is in vijf gevallen niet op orde.

Pagina 38 van 48

Bevorderende factoren: Luisteren naar alle betrokkenen in het gezin, ook de kinderen; Tijd nemen als jeugdbeschermer om veel contact te hebben met alle partijen; Bijstellen van de koers als dat nodig is/flexibiliteit. Belemmerende factoren: Ouders en gezinsleden die verschillende wensen of verwachtingen hebben; Onvoldoende beschikbaarheid van jeugdbeschermers; Complexiteit van de doelgroep van LJ&R, vaak chronische problematiek. Vervolg Bij LJ&R is op korte termijn verbetering nodig. De inspecties voeren over de tijdige inzet van jeugdbeschermers en het tijdig uitzetten van een gedragen koers een bestuurlijk gesprek met LJ&R en bepalen op basis daarvan het vervolg. William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Norm: Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer De WSS slaagt er vrijwel altijd in om tijdig aan elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel een jeugdbeschermer te koppelen. In bijna alle onderzochte casussen hebben de gezinnen een vaste jeugdbeschermer. De inspecties hebben 48 casussen beoordeeld die tussen half november 2020 en 1 januari 2021 zijn gestart op het tijdig toewijzen van een jeugdbeschermer. In 45 gevallen was er tijdig een jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld. De inspecties hebben 68 casussen beoordeeld op de beschikbaarheid van een vaste jeugdbeschermer. Dit was in 67 casussen op orde.

Bevorderende factoren: Zowel uit de verschillende dossiers als uit gesprekken met de jeugdbeschermers en ouders blijkt dat het in veel gevallen lukt dat de betrokken jeugdbeschermer zelf aanwezig is bij de zitting waarin de beschermingsmaatregel is uitgesproken. Dit heeft een gunstig effect op tijdig contact. In de gesprekken met jeugdbeschermers geven veel jeugdbeschermers aan dat zij werkzaam zijn in een stabiel team. De inspecties hebben een groot aantal jeugdbeschermers gesproken die minder dan een jaar werkzaam waren bij de WSS. Zij gaven aan dat ze standaard een inwerkprogramma krijgen (genaamd leerlijn), dat er ondersteuning is van een mentor en dat er een rustige opbouw van de caseload is. Belemmerende factoren: In het afgelopen jaar is het verloop binnen verschillende kernteams hoog geweest, daardoor zijn er veel nieuwe jeugdbeschermers werkzaam. Als er verloop is, betekent dat er wisselingen plaatsvinden wat van invloed is op de continuïteit. In de interviews geven de meeste jeugdbeschermers aan dat zij werkdruk ervaren. Deze is afhankelijk van de caseload en de complexiteit ervan. Teveel werkdruk is een risico voor verloop. Norm: Voor elke kind met een maatregel een tijdig gedragen koers De WSS slaagt er in om tijdig voor elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tot een gedragen koers te komen.

In alle onderzochte casussen hebben de gezinnen tijdig een gedragen koers. De inspecties hebben 34 casussen uit de periode augustus 2020 en 1 januari 2021 beoordeeld op de aanwezigheid van een koers. Zowel uit de dossiers, de gesprekken Pagina 39 van 48

met jeugdbeschermers en de gesprekken met ouders en jeugdigen blijkt dat dit in alle casussen zichtbaar op orde was. De inspecties hebben 13 casussen beoordeeld op de tijdigheid van de gedragen koers. Dit is in alle gevallen op orde. Het lukt jeugdbeschermers meestal ook om binnen zes weken het plan van aanpak af te hebben gerond, maar als dat niet is gelukt dan zijn ouders en kinderen voor die tijd gesproken en betrokken bij de uitgezette koers. De inspecties hebben 34 casussen beoordeeld op de gedragenheid van de koers. In alle gevallen was er sprake van gedragenheid van de koers. Uit gesprekken met jeugdbeschermers blijkt dat zij altijd ouders en kinderen spreken over de doelen en het plan van aanpak. En waar dat niet mogelijk is, is dat navolgbaar wegens bijvoorbeeld de zeer jonge leeftijd van de kinderen of dat kinderen te beperkt zijn om te kunnen spreken. Bevorderende factoren: De dossiers die de inspecties hebben ingezien, zijn over het algemeen overzichtelijk, gestructureerd en zijn de handelingen en verrichtingen van de jeugdbeschermer goed en navolgbaar bijgehouden. In geval van overdracht van een casus is dit bevorderend. Het werkt bevorderend voor het tijdig opstellen van een koers indien er tijdig een vaste jeugdbeschermer is aangesteld, zoals het geval is bij de WSS.

Goed toegeruste jeugdbeschermers geven mooie voorbeelden van manieren waarop zij spreken met ouders en kinderen, inzicht verkrijgen in eventuele weerstand bij ouders en kinderen en deze weerstand weten om te vormen tot een positieve, coöperatieve houding. Belemmerende factoren: In de interviews geven de meeste jeugdbeschermers aan dat zij werkdruk ervaren. Deze is afhankelijk van de caseload en de complexiteit ervan. De werkdruk zorgt ervoor dat jeugdbeschermers telkens prioriteiten moeten stellen. Bij jeugdreclasseringsmaatregelen duurt het soms lang voordat vonnissen van de rechtbank bij de WSS aankomen. Als de WSS niet is uitgenodigd voor de zitting, is dan ook niet bekend dat er een maatregel is uitgesproken. Dit is negatief voor het draagvlak bij ouders en kinderen voor de maatregel en er is daarbij de nodige tijd verstreken voordat de jeugdbeschermer aan de slag kan. Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft WSS af.

Pagina 40 van 48

Bijlage 4

Samenvattingen per jeugdbeschermingsregio

Jeugdbeschermingsregio Friesland De regio Friesland is er, op een uitzondering na, in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor hen. Daarnaast is het grotendeels gelukt om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. De regio Friesland maakt de wettelijke verantwoordelijkheid om te zorgen voor een tijdig kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdhulp voor jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel voldoende waar. De goede samenwerking tussen de verschillende betrokken partijen binnen de regio (GI’s, gemeenten, aanbieders) is hiervoor een belangrijke oorzaak. Dit komt mede doordat partijen werken vanuit dezelfde grondhouding en visie, een gedeeld urgentiebesef en een lerende houding hebben. De regio wil de gekozen aanpak voortzetten voor jeugdigen met een maatregel. Dit vergroot de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de stappen te zetten die leiden tot afwending van de ontwikkelingsbedreiging. Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft Regiecentrum Bescherming en Veiligheid af op de normen tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers.

De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er (op een enkele uitzondering na) structureel in slagen elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit in het reguliere toezicht en sluiten dit traject voor deze regio af.

Jeugdbeschermingsregio Overijssel De regio Overijssel is er, op een uitzondering na, in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor deze kinderen. Daarnaast is het grotendeels gelukt om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. De regio Overijssel maakt de wettelijke verantwoordelijkheid om te zorgen voor een tijdig kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdhulp voor jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel voldoende waar. De verschillende partijen in Overijssel delen dezelfde grondhouding en hebben het gezamenlijke uitgangspunt dat de passende hulp die nodig is voor een jeugdige met een maatregel geleverd wordt. Zowel IJsselland als Twente zegt dat gemeenten krappe budgetten hebben, maar dat zij de hulp die volgens de jeugdbeschermer en het gezin nodig is, financieren als deze onder de Jeugdwet valt. Daarbij hebben de jeugdhulpregio’s zicht op de schaarste aan (gespecialiseerde) gezinshuizen en de doorstroom van 18- naar 18+ en pakken dit aan. Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft Jeugdbescherming Overijssel af op de normen tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers.

De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er (op een enkele uitzondering na) structureel in slagen elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit in het reguliere toezicht en sluiten dit traject voor deze regio af.

Pagina 41 van 48

Jeugdbeschermingsregio Gelderland De regio Gelderland is er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor deze kinderen. De William Schrikker Stichting en Jeugd Veilig Verder lukt het in Gelderland wel om tijdig een jeugdbeschermer in te zetten. Voor zowel Jeugdbescherming Gelderland als het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering is op korte termijn verbetering nodig op deze norm. Hierdoor lukt het hen ook onvoldoende om tijdig een gedragen koers uit te zetten. Daarnaast is regio Gelderland er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel. Het knelpunt in Gelderland zit vooral in de tijdigheid waarmee de hulp wordt ingezet. Tussen gemeenten verschilt de wijze van inkoop van jeugdhulp en de aanmeldprocedure. In een aantal gemeenten is het proces zo gecompliceerd dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Daarbij is er onvoldoende (hoog)specialistische hulp voor jeugdigen met een zeer complexe hulpvraag. Positief in Gelderland is de goed georganiseerde bovenregionale samenwerking die nodig is om te komen tot een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod.

Vervolg Op korte termijn is verbetering nodig om te komen tot het tijdig toewijzen van een vaste jeugdbeschermer en het uitzetten van een gedragen koers. De inspecties gaan hierover in gesprek met de bestuurder van Jeugdbescherming Gelderland en bepalen aansluitend het vervolg. De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de jeugdbeschermingsregio, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht.

Jeugdbeschermingsregio Groningen-Drenthe De regio Groningen-Drenthe is er grotendeels in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor hen. De regio is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. In de regio is onvoldoende passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. De afstemming tussen verschillende gemeenten over het inzetten van gecombineerde hulp (bijvoorbeeld geestelijke gezondheidszorg en hulp voor mensen met een lichte verstandelijke beperking) en de samenwerking intern bij gemeenten in het brede sociale domein verloopt moeizaam. Dit belemmert het tijdig inzetten van hulp wanneer een cliënt verschillende vormen van hulp nodig heeft en afstemming en maatwerk cruciaal is. Daarbij vragen Drentse gemeenten soms verantwoording voor de inzet van jeugdhulp. Jeugdbeschermers vinden dit belastend. Positief is het gedeelde gevoel van urgentie over de noodzaak van tijdige passende hulp voor deze kinderen. Meer structureel overleg tussen gemeenten, expertteams, prachtteams, zorgaanbieders en GI’s leidt tot beter vinden van de juiste hulp en maakt schaarste in het hulpaanbod inzichtelijk.

Daarnaast gaat de jeugdhulpregio Groningen bijvoorbeeld werken met één standaard bepaling jeugdhulp voor alle GI’s en creëert de jeugdhulpregio Drenthe extra ‘kleinschalige woonvormen’. Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft Jeugdbescherming Noord af op de normen tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers. De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht.

Pagina 42 van 48

Jeugdbeschermingsregio Limburg De regio Limburg is er grotendeels in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor hen. Dit is onder meer gelukt door de aanwezigheid van de jeugdbeschermer op de rechtszitting, werken zonder wachtlijstbeheer en de aandacht voor de begeleiding van startende jeugdbeschermers. De regio is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. Tussen gemeenten verschilt de wijze van inkoop van jeugdhulp en de aanmeldprocedure. In een aantal gemeenten is het proces zo gecompliceerd dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Daarbij ontbreekt het in Limburg onder andere aan voldoende jeugd-GGZ, groepen voor licht verstandelijk beperkte jeugdigen, perspectief biedende pleeggezinnen en (hoog)specialistische hulp voor jeugdigen met een zeer complexe hulpvraag. Daar staat tegenover dat er in de regio Limburg gewerkt wordt met een gezamenlijke verbeteragenda die door alle partijen wordt omarmd. Daarnaast is er bestuurlijke cohesie in de regio tussen gemeenten, GI en zorgaanbieders en is er overeenstemming over de tarieven van de GI’s in de regio.

Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft Bureau Jeugdzorg Limburg af op de normen tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers. De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht.

Jeugdbeschermingsregio Zeeland Op basis van de praktijktoets kwamen de inspecties tot de conclusie dat de regio Zeeland er niet in is geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermingsen/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor hen. Na de praktijktoets zijn de inspecties geïnformeerd dat het de gecertificeerde instellingen (hierna: GI’s) die in Zeeland werkzaam zijn (Briedis, Intervence, Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, William Schrikker Stichting), sinds 1 april 2021 niet meer lukt om aan gezinnen waar een jeugdbeschermingsmaatregel is uitgesproken een vaste jeugdbeschermer te koppelen. Dit komt mede door het wegvallen van Briedis1 als GI. Daarnaast is de regio er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. In de regio is onvoldoende passend specialistisch hulpaanbod en de wachtlijsten zijn lang. De hulp die een GI nodig vindt, wordt in verschillende gemeenten met vertraging ingezet door bijvoorbeeld een uitgebreid aanmeldproces. Daar staat tegenover dat de jeugdhulpaanbieders betrokkenheid zien bij de doorbraakaanpak en dat voor bijna alle aangemelde jeugdigen passende hulp gevonden.

Vervolg De inspecties verwachten dat de Zeeuwse gemeenten, Intervence en Jeugdbescherming west in gesprek gaan over het huidige tekort aan jeugdbeschermers en op korte termijn komen tot passende verbetermaatregelen. De inspecties volgen dit intensief. De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht. 1 Over Briedis is op 1 juni een faillissement uitgesproken en richt zich nu op een overdracht van jeugd-

beschermingsmaatregelen naar andere GI’s.

Pagina 43 van 48

Jeugdbeschermingsregio Utrecht/Flevoland De regio Utrecht/Flevoland is er grotendeels in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor deze kinderen. Veel gecertificeerde instellingen hebben last van krapte op de arbeidsmarkt en een hoog personeelsverloop, zo ook SAVE. SAVE stuurt meer op “tijdig een gedragen koers” dit heeft een positieve invloed op de dynamiek tussen jeugdbeschermers, ouders en kinderen. Het is de regio niet gelukt om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. In de regio is onvoldoende (hoog)specialistische hulp voor jeugdigen met een zeer complexe hulpvraag. Dit leidt tot lange wachtlijsten bij jeugdhulpgaanbieders. Sommige gemeenten bemoeien zich met de indicatiestelling van SAVE dit heeft een vertragende werking op de tijdige inzet van passende hulp. In de regio Flevoland kosten de gemeentelijke aanmeldprocedures en de verschillen daartussen veel tijd. In de multidisciplinaire samenwerkingsvormen wordt gezamenlijke verantwoordelijkheid uitgedragen. Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft Samen Veilig Midden Nederland af op de normen tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers.

De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht.

Jeugdbeschermingsregio Brabant De regio Brabant is er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor hen. Er zijn verschillen tussen de Gecertificeerde Instellingen in de regio’s. De William Schrikker Stichting, Jeugd Veilig Verder en het inmiddels failliet verklaarde Briedis hebben dit in deze regio’s op een enkele uitzondering na op orde. Bij Jeudbescherming Brabant en het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering is op korte termijn verbetering nodig. Het lukt de regio nog niet om samen voorwaarden te creëren waardoor jeugdigen met een maatregel en hun ouders tijdig een jeugdbeschermer hebben. Dit komt mede door het ontbreken van een kostendekkend tarief en het grote verloop van jeugdbeschermers. Daarnaast is het de regio Brabant niet gelukt om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. In de regio is onvoldoende passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Daarbij is in een aantal gemeenten het proces zo gecompliceerd dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Het is positief dat de alle partijen de gekozen aanpak om de doorbraak te forceren willen voortzetten voor jeugdigen met een maatregel.

Toch hebben de inspecties zorgen over de jeugdigen met een maatregel die op dit moment wachten op passende hulp en de oorzaken die hieraan ten grondslag liggen. Vervolg Op korte termijn is verbetering nodig om te komen tot het tijdig toewijzen van een vaste jeugdbeschermer en het uitzetten van een gedragen koers. De inspecties gaan hierover in gesprek met de bestuurder van Jeugdbescherming Brabant en bepalen aansluitend het vervolg. De inspecties kunnen er daarnaast onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de jeugdbeschermingsregio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties zullen hiertoe in de regio Brabant verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten.

Pagina 44 van 48

Jeugdbeschermingsregio’s Noord-Holland en Amsterdam De regio’s Noord-Holland en Amsterdam zijn er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor hen. Er zijn verschillen tussen de Gecertificeerde Instellingen in de regio’s. De William Schrikker Stichting, het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en het inmiddels failliet verklaarde Briedis hebben dit in deze regio’s op een enkele uitzondering na op orde. Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft dit grotendeels op orde. Bij De Jeugd- en Gezinsbeschermers GB is op korte termijn verbetering nodig. Daarnaast zijn de regio’s er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. Het ontbreekt in Amsterdam en Noord-Holland aan effectieve (bovenregionale) samenwerking die nodig is voor voldoende passend specialistisch hulpaanbod. Het residentiële aanbod wordt afgebouwd zonder dat voldoende passende alternatieven beschikbaar zijn. Er bestaat richting voor de lange termijn, maar dat biedt geen antwoord op bestaande knelpunten voor kinderen die nu hulp nodig hebben. Daarbij is in een aantal gemeenten het proces zo gecompliceerd dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt.

Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft JBRA af op de normen tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers. Op korte termijn is verbetering bij DJBG nodig om te komen tot het tijdig toewijzen van een vaste jeugdbeschermer en het uitzetten van een gedragen koers. De inspecties gaan hierover in gesprek met de bestuurder DJGB en bepalen aansluitend het vervolg. De inspecties kunnen er daarnaast onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties zullen hiertoe in de regio Noord-Holland/Amsterdam verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten.

Jeugdbeschermingsregio Rijnmond De regio Rijnmond is er, op een enkele uitzondering na, in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor hen. Een extra investering in 2019 en de focus op de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen boven preventieve jeugdbescherming, draagt hieraan bij. De samenwerking op casusniveau tussen gezin, jeugdbescherming, lokaal team en andere betrokkenen in de regio is effectief en een positief voorbeeld voor andere jeugdbeschermingsregio’s. Het is de regio niet gelukt om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. De bestaande samenwerking in de regio leidt onvoldoende tot een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod. Bepaalde vormen van hulpaanbod zijn onvoldoende beschikbaar en de wachtlijsten zijn lang. Daarbij is het proces zo gecompliceerd dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft JBRR af op de normen tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers. De inspecties kunnen er onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden.

De inspecties zullen hiertoe in de regio Rijnmond verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten.

Pagina 45 van 48

Jeugdbeschermingsregio Zuid West De regio Zuid West is er grotendeels in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor hen. De regio heeft hier de afgelopen jaren in geïnvesteerd. Desondanks ervaren de jeugdbeschermers nog altijd een hoge werkdruk. De regio is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor deze kinderen. De aanpak binnen de regio verschilt en heeft in Haaglanden en Midden Holland meer resultaat opgeleverd dan in Holland Rijnland en Zuid-Holland Zuid. Een effectieve (bovenregionale) samenwerking ontbreekt. Het proces voor de inzet van passende hulp is complex en verschilt per regio. Dit vertraagt de inzet van passende hulp. Ondanks het besef van de wethouders over de noodzaak van een toereikend hulpaanbod, hebbende inspecties zorgen over de kinderen die nu wachten op passende hulp en de oorzaken die hieraan ten grondslag liggen. Vervolg De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft Jeugdbescherming west af op de normen tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers. De inspecties kunnen er onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden.

De inspecties zullen hiertoe in de regio Zuid-West verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten.

Pagina 46 van 48

Bijlage 5

Norm 1

Gehanteerde normen

Tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel Vast: De jeugdbeschermer blijft gedurende de uitvoering van de OTS verbonden aan het gezin, of de wisseling van jeugdbeschermer vindt voorspelbaar/ op vaste momenten plaats (bijv. na de afronding van het plan van aanpak). Er is hooguit één wisseling wegens verloop of ziekte. Bij wisseling komt het gezin niet bij bureaudienst/ wachtlijstbeheer terecht. Tijdig: Binnen vijf werkdagen nadat de GI in kennis is gesteld is een jeugdbeschermer aan het kind / gezin gekoppeld.

Norm 2

Voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een gedragen koers

Tijdig: De koers is tijdig wanneer deze binnen zes weken is bepaald, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid/ ontwikkelingsbedreiging/ recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. Gedragen: De koers is gedragen als deze is uitgezet in samenspraak met het gezin, netwerk en met betrokken professionals. Wensen, behoeften, mogelijkheden van jeugdigen, ouders en netwerk zijn bekend bij hulpverleners. De jeugdige en ouders bepalen, binnen hun mogelijkheden, in samenspraak met de hulpverlener de hulpvraag en de doelen van de geboden hulp. Koers: Er is sprake van een koers bij een jeugdbeschermingsmaatregel als de doelen en de noodzakelijke hulp zijn bepaald, die leiden tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging/ het recidiverisico. De inspecties spreken van een koers en niet van een ‘plan’. In de praktijk wordt de koers vastgelegd in een plan, maar het plan is het middel, niet het doel. Het moet voor hulpverleners, jeugdigen en hun ouders duidelijk zijn wat de doelen van de hulp zijn en hoe hieraan gewerkt wordt. De doelen en afspraken zijn haalbaar, concreet en ontwikkelingsgericht. Norm 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10454729/1