RIB.21.002 Groenstructuurvisie
Tekst van het document
Pas bij het passeren van de brug op de Apostelweg ervaart hij de unieke sfeer van Griendtsveen. Daar komt hij plots in het open karakter van het dorp met zijn krachtige ontginningslijnen en karakteristieke bouw. Ten westen van de Helenavaart ligt een bebouwingsrand met weinig of geen zicht op het achterliggende weidegebied. Het boomrijke, gesloten karakter van deze strook benadrukt de geïsoleerde ligging van het dorp in de Peel. Behoud van deze beslotenheid is van belang om deze indruk te bewaren. Verder naar het zuiden worden de Helenavaart en de Helenaveenseweg ingesloten door de Peel.
7.8 Gewenste groenstructuur.
De gewenste structuur is voor een substantieel deel reeds aanwezig. Vanuit deze bestaande groene waarden dient verder gebouwd te worden aan de gewenste groenstructuur. Uitgangspunten voor de gewenste groenstructuur van Griendtsveen: - ondersteuning van de gewenste identiteit (veenkolonie) - herstellen van de oude groenstructuren - behoud contrast tussen landelijk buitengebied en randen van de kern. Conform het gestelde in het Beleidsplan Openbaar Groen 2020 heeft de kern Griendtsveen voldoende vierkante meters openbaar groen. De hoofdgroenstructuur bestaat uit de bomen langs de veenkanalen en de oorspronkelijke ontginningswegen. Door verwaarlozing in het midden van de vorige eeuw is de structuur in verval geraakt. Inmiddels heeft men door nieuwe aanplant e.e.a. hersteld. Versterking van de hoofdgroenstructuur van Griendtsveen moet gebeuren door op markante punten beplanting aan te brengen.
31 | P a g i n a
32 | P a g i n a
8 Kenschets van Grubbenvorst. 8.1 Historische perspectief en identiteit.
Uit vondsten in het veld en bij opgravingen is gebleken, dat al duizenden jaren voor Christus de hogere Maasoevers bewoond moeten zijn geweest. Op het Molenveld aan de zuidzijde van Grubbenvorst zijn belangrijke vondsten gedaan, die wijzen op agrarische bebouwing in de Brons- en IJzertijd, de Romeinse tijd, de periode van de volksverhuizing en daarna. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog zijn de Noord-Limburgse Maasdorpen meestal Spaans gebleven. Wel is tussen 1572 en 1646 regelmatig, en soms hevig, in deze streken gevochten. Voor het herstelde slot Gribben kwam in 1568 de genadeslag, toen Spaanse troepen onder Parma het kasteel bestormden en tot een “gebroken slot” verwoesten. Na de twintigjarige inlijving bij Frankrijk begint in 1815 de Nederlands tijd, weliswaar in 1830 onderbroken door een Belgische periode toen Limburg de Belgische opstand volgde. De vanaf 1708 in de Bisweide wonende zusters van de Associatie van de Bisweide traden in 1860 bij de zusters Ursulinen uit Venray in, die het Maricollenklooster overnamen. In de tweede helft van de 19de eeuw begint in Grubbenvorst de ontginning van de heidevelden. Deze ontginning komt vooral in 1900 goed op gang als de kunstmest op de markt komt. In de winter, als het werk op het land stil lag, werkten veel mannen en jongens als seizoenswerker bij het ontginningswerk.
Hierbij werden heidevelden ontgonnen en werden er dennen- en sparrenbossen aangelegd. Welke nu o.a. in het zuidoosten tegen de kern aanliggen. In de 20ste eeuw zijn voor Grubbenvorst twee agrarische aspecten van groot belang, namelijk de opkomst van de aspergeteelt en de vestiging van de Coöperatieve Venlose Veiling aan de Horsterweg. Sinds 1940 kent Grubbenvorst aspergeteelt. Kort na de Tweede Wereldoorlog bloeide Grubbenvorst, dankzij alle oorlogsellende, uit tot het centrum van de aspergeteelt in Nederland. De schrale zandgronden garandeerde de arme bevolking een bron van inkomsten, behaalt uit de aspergeteelt. Juist deze zandgronden zijn een perfecte voedingsbodem voor asperges. In de periode 1950-1960 telde Grubbenvorst zo’n 75 aspergetelers. Arbeid was in die tijd goedkoop, aan arbeidskrachten geen gebrek. Een fraai aspergemonument in het park bij het voormalig klooster ‘La Providence’ symboliseert de steunpilaren en de trots van het aspergedorp Grubbenvorst: De Asperge. Na 1960 ontwikkelt Grubbenvorst zich als een forensendorp. Binnen het aanbod van industrie vormen de toeleverende en verwerkende bedrijven ten behoeve van de agrarische sector een belangrijk aandeel.
8.2 Groen rond 1850.
Op de historische kaart is te zien dat Grubbenvorst ligt in een gebied dat gevormd is door de Maas. Het dorp Grubbenvorst heeft zich ontwikkeld op een kruispunt van wegen gelegen tussen hogere zandgronden en aan de oevers van twee oude erosiegeulen (de huidige Saldersbeek en de Broekloop). Hierlangs zijn graslanden ontstaan. Dit is ook de verklaring waarom Grubbenvorst niet echt aan de Maas ligt. De hogere gebieden waren relatief veilig voor de regenrivier de Maas. Ten zuidwesten van Grubbenvorst lagen de velden en nog verder naar het westen bossen. Ook ten zuiden van de velden liggen bossen ter hoogte van het Gebroken Slot en Knibbershof. Vanaf de Biswei, waar sinds de 18de eeuw een klooster is gevestigd, naar het noorden toe liggen percelen grasland en griendhout. Tegen de kern langs de Venloseweg naar het zuiden toe ligt, tussen de hogere akkergronden, een stuk bos, het Sint Jan Sleutelbergbos, met een heideveld dat later rond 1900 is beplant met sparren. De akkers ten zuiden van de kern zijn afgeplant met houtwallen om zandverstuiving tegen te gaan. Het grondgebruik rond Grubbenvorst is weinig veranderd in de laatste 150 jaar. Alleen de laatste 50 jaar zijn door de uitbreidingen van het dorp de velden bebouwd geraakt.
33 | P a g i n a
8.3 Kengetallen. Oppervlakte (incl. buitengebied) Inwoners binnen de bebouwde kom Woningen binnen de bebouwde kom Aantal bomen binnen de bebouwde kom Oppervlakte beplanting binnen de bebouwde kom Oppervlakte gras binnen de bebouwde kom Knipoppervlakte hagen binnen de bebouwde kom Groen per inwoner binnen de bebouwde kom Groen per woning binnen de bebouwde kom
Hoeveelheid 1.411 4.062 1.852 1.414 50.663 91.239 5.751 34 74
Eenheid Ha. Personen Stuks Stuks M2 M2 M2 M2 M2
34 | P a g i n a
8.4 Stedenbouwkundige opbouw.
De oude kern van Grubbenvorst ligt aan het kruispunt van de noordzuidverbinding die al uit de Romeinse tijd dateert en de oostwestverbinding van de kerk naar het klooster in de Biswei. De oude kern ontstond aan de Maaskant van de noord-zuidverbinding. Langs de Kloosterweg is uit alle periodes bebouwing terug te vinden. Van zeer oud, t.w. het klooster en omliggende gebouwen, uit begin 20ste eeuw een school en enkele woningen (Veestraat), woningen uit de jaren 1950-1960 maar ook panden uit begin jaren 80 van de vorige eeuw. Begin 21ste eeuw heeft een uitgebreide reconstructie plaats gevonden van het centrum. Hierbij zijn tevens nieuwe winkels en woningen toegevoegd aan het centrum. Pas na de Tweede Wereldoorlog is Grubbenvorst de velden ten zuiden en noorden van de Kloosterweg gaan bebouwen. Dat deze velden duidelijk hoger liggen is o.a. goed te zien in de Zegerstraat. De omgeving van de Beatrixstraat, Julianastraat tot aan de Irenestraat is ontwikkeld in de jaren 50-60 van de vorige eeuw. Ook langs de Burg. Temeerstraat en Burg. Van Kempenstraat zijn woonbuurten uit deze periode terug te vinden. In de jaren 70-80 is men verder gaan uitbreiden in westelijke richting, ten noorden en later ten zuiden van de Burg. Van Kempenstraat. Ook het gebied ten zuidoosten van de Reuveltweg is in deze periode ontwikkeld.
In de jaren 80-90 is er uitgebreid in de hoek Irenelaan, Lottumseweg en aan de Grubbenhove en Doolingsbemden. Ten slotte zijn de meest recente uitbreidingen rondom het Ericaplein en ten zuiden hiervan ontwikkeld, alsook nog een kleine uitbreiding aan de Soom.
35 | P a g i n a
8.5 Huidige infrastructuur.
Het dorp kent van oudsher vier uitvalswegen die de kern ontsluiten. De Venloseweg naar het zuiden en de Lottumseweg naar het noorden. De Kloosterstraat met over het spoor de Californischeweg ontsluiten het dorp in westelijke richting naar de A73, Horst-Venlo en verder. De Dorpsstraat ontsluit het dorp over de Maas naar de oostoever. Door verkeers- en snelheid beperkende inrichtingen worden de oudere ontsluitingswegen door de oude kern een stuk minder belast wat de rust in de oude kern ten goede komt. Zo wordt het gemotoriseerd verkeer naar het veer omgeleid vanaf de Lottumseweg via de Pastoorstraat en Doolingsbemden naar de kerk om daar weer als vanouds via de Dorpsstraat naar het veer te rijden. Gemotoriseerd verkeer uit het westelijk deel van Grubbenvorst neemt vaker de Irenestraat om dan via de eerder beschreven route het veer te bereiken. Het centrum is na de reconstructie, gedeeltelijk éénrichtingsverkeer geworden en de oude ontsluiting via de Venloseweg wordt ontmoedigd door een nieuwe verkeersaansluiting ter hoogte van de St. Jansweg In de jaren 80 van de vorige eeuw is er een nieuwe ontsluitingsweg aangelegd, de Steegakkerweg. Zo kon de oude kern van het dorp ontlast worden van het vele doorgaande verkeer uit de inmiddels bijgebouwde buurten aan de zuidwestzijde van het dorp. Via de Steegakkerweg loopt de verbinding naar de andere Maasdorpen op de westoever.
Tegenwoordig is de Baersdoncklaan en in het verlengde de Burg. Cremersstraat de hoofdontsluiting voor het zuidwesten van Grubbenvorst. Deze wegen zijn breed van opzet met veel openbaar groen, rotondes en gedeeltelijk gescheiden rijbanen.
36 | P a g i n a
8.6 Huidige groenstructuur.
Van oude hoofdgroenstructuren binnen de kern is nauwelijks meer sprake. Het Pastoor Vullinghsplein is uiteraard een opvallende groene parel. Maar verder is er binnen de bebouwde kom van oude groenstructuren weinig terug te vinden. Dit is begrijpelijk omdat vroeger de behoefte aan groen door de nabijheid van het landschap nauwelijks aanwezig was. De oude laanbeplantingen langs de Venloseweg, de Lottumseweg, de Dorpsstraat en de Californischeweg zijn wel nog oude elementen die vroeger tot in het centrum doorliepen maar in de loop der tijd hieruit verdwenen zijn. Een opvallend element in de huidige hoofdgroenstructuur is de groene omgeving bij de rotonde Kloosterstraat – Steegakkerweg – Baersdoncklaan. Opgehangen aan enkele oude elementen zoals het klooster en een veldweg die vroeger van de Biswei naar het “Gebroken Slot” liep, is hier nu een nieuwe hoofdgroenstructuur ontwikkeld gekoppeld aan de hoofd infrastructuur. De lijn eindigt tegen het Sint Jan Sleutelbergbos. De aanplant van de bomenlaan langs de Steegakkerweg vult de hoofdgroenstructuur verder aan maar zal pas over enkele jaren, wanneer de bomen meer body hebben, als zodanig worden ervaren. Buiten de hoofdgroenstructuur zijn er in de verschillende buurten ondersteunende groenstructuren en parels aanwezig.
Plantsoenen vaak ingericht met speeltoestellen, waar de buurtbewoner een ommetje kan maken of even kan verpozen op een bankje. In bijna iedere straat in Grubbenvorst is een boombeplanting aangebracht, vaak zelfs met een vakbeplanting als het straatprofiel dit toelaat. Grubbenvorst heeft dus een overwegend groene aanblik, zoals ook uit de cijfers naar voren komt.
37 | P a g i n a
8.7 Overgang van de kern met het buitengebied.
De overgang van de kern met het buitengebied beschrijft het beeld dat gewenst is vanuit de kern richting het buitengebied en omgekeerd. Tevens is er een doorkijk gemaakt naar toekomstige groeimogelijkheden van de kern aansluitend op het landschap, zonder afbreuk te doen aan het omringende landschap. Het landschap dient vanuit de kern ten allen tijde bereikbaar en betreedbaar te blijven om het maken van een ommetje mogelijk te maken. Het gebied te westen van Grubbenvorst is aangewezen als ontwikkelingsruimte voor landbouw en toerisme. Het uitplaatsen van de grote intensieve veehouderijen naar concentratiegebieden en het stimuleren van de ontwikkeling van landgoederen biedt mogelijkheden om dit gebied te ontwikkelen tot een gevarieerd natuurlandschap met kleinschalige akker- en graslanden, bossen en natuurgebieden. De aanleg van een netwerk van fiets- en wandelpaden met de nodige rustplaatsen kan dit gebied zeer aantrekkelijk maken voor de toerist. Ten zuiden van de kern is nog maar een beperkte ruimte tussen de spoorlijn, de A67 en de Maas. Door deze strook loopt de Venloseweg als een groene laan door het oude akkerland. Op de kaart van 1895 is duidelijk te zien dat deze weg de natuurlijke lijn van de maasterrassen volgt. Op deze kaart is ook duidelijk te zien dat er weinig veranderd is aan de invulling van het gebied.
Dichter bij de kern liggen het Sint Jan Sleutelbergbos, nog enig akkerland en een schitterende oude bomenlaan. Het uitzicht op de ZON-veiling is een storende factor in het geheel. Ook vanuit het landschap kijkend naar een dorpsrand is het zicht op achtertuinen een minder gewenste aanblik. De weinig open ruimte, t.w. het akkerland dat hier nog rest, zal dan ook gebruikt moeten worden om een goede overgang tussen Grubbenvorst, het schitterende gebied rond de Everlose Beek en het veilingterrein te ontwikkelen met inpassing van de historische laan en een goede aansluiting op het recreatieve wandel- en fietsnetwerk. Vanuit de oude kern van Grubbenvorst ontsluiten fiets- en wandelroutes ook de uiterwaarden van de Maas. Met mooie rustplaatsen en zandstrandjes voor waterrecreatie. Een verdere natuurontwikkeling en extensivering van de landbouw zijn in de Provinciale Ontwikkelingszone Groen (POG) de aangewezen ontwikkelingen. Ook hier is het zicht vanuit het landschap op de kern niet altijd even fraai. Door nieuwe natuurontwikkeling in samenhang met recreatief medegebruik kan dit verbeterd worden. Hierbij dient wel in aanmerking te worden genomen dat de relatie met de Maas goed zichtbaar moet blijven (open landschap). De noordelijke grens van de kern wordt duidelijk gevormd door de Steegakkerweg.
De binnen de kern nog beschikbare akkerlanden bieden de mogelijkheid om het tekort aan verblijfsgroen in de aangrenzende buurten te compenseren. Aan de noordzijde van de Steegakkerweg ligt het cultuurhistorische landschap rondom het Ursulinenklooster en De Steeg. Dit cultuurlandschap zou verder aangevuld kunnen worden met kleine landschapselementen maar de openheid van dit gebied moet behouden blijven en de toegankelijkheid vanuit de kern verbeterd.
38 | P a g i n a
8.8 Gewenste groenstructuur.
De gewenste groenstructuur is voor een substantieel deel reeds aanwezig. Vanuit deze bestaande groene waarden dient verder gebouwd te worden aan de gewenste groenstructuur. De uitgangspunten voor de gewenste groenstructuur van Grubbenvorst: - Ondersteuning van de gewenste identiteit (landelijke kern) - Aanvullen van de oudere elementen van de hoofdgroenstructuur. - Verwevenheid tussen landelijk buitengebied en kern. Als eerste moet de “oude” hoofdgroenstructuur langs de Kloosterstraat en Venloseweg worden herstelt. De oude laanstructuur is in de loop van de tijd verdrongen naar de randen van het dorp. Aan deze straten liggen nu alleen nog enkele mooie parels. Het herstellen van de oorspronkelijke laanstructuur geeft het dorp zijn rustieke karakter terug. Het tweede onderdeel is de “nieuwe” hoofdgroenstructuur die de jongste uitbreidingen met de oudere uitbreidingen bindt goed tot ontwikkeling te brengen.
39 | P a g i n a
40 | P a g i n a
9 Kenschets van Hegelsom. 9.1 Historische perspectief en identiteit.
Hegelsom bestond voor de 20ste eeuw uit een buurtschap van boerderijen tussen Sevenum en Horst, gelegen op de ontginningslijn. Op de hogere dekzandruggen liggen de akkercomplexen en langs de Groote Molenbeek de gras- en hooilanden. Het landbouwsysteem in die tijd was gebaseerd op de drie-eenheid: woeste gronden; beemd (weidegronden) en akker. De onderlinge verhouding in oppervlakte was sterk aan elkaar gerelateerd omdat de heide en de beemden via mest en plaggen de bron waren voor de grondverbetering van de akkers. In de loop van de tijd met gevaar voor overbeweiding (bos had al snel plaats gemaakt voor uitgestrekte heidevelden) perfectioneerde het landbouwsysteem om een steeds groter wordende bevolking te voeden. Omdat zich rond 1850 alternatieven aandienden voor de plaggenbemesting nam de ontginning van de heide een grote vlucht. Eerst vanuit Horst in de richting van het nieuwe America en later werd in het kader van werkverschaffingsprojecten ook rond Hegelsom heide ontgonnen. Dit was het begin van het ontstaan van een jong dorp dat woonruimte verschafte aan mensen werkzaam in haar eigen omgeving. De kerk was de kiemcel waar omheen het dorp zich ontwikkelde. Er waren weinig historische lijnen. Het dorp ontwikkelde zich rond de kerk en door lintbebouwing tussen de aanwezige boerderijen. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het dorp geleidelijk in een forensendorp.
De boerderijen in de kern van het dorp verloren hun functie als zodanig en hun gronden werden verkaveld voor woningbouw. Dit gebeurde eerst ten noorden van de Pastoor Debijestraat. De laatste decennia ten zuiden van deze straat.
9.2 Groen rond 1850.
Nevenstaande kaart geeft de situatie weer rond 1850 (in relatie tot de huidige situatie). Hegelsom stond nauwelijks op de kaart. Enkele verspreide boerderijen langs de ontginningsweg tussen Horst en Sevenum. Ten westen van deze weg was het nog voornamelijk heidegebied. Aan de oostzijde in de richting van de Groote Molenbeek lagen de akkers en de weiden. Pas begin 20ste eeuw met de komst van de kunstmest heeft het dorp zich ontwikkeld. De komst van de landarbeiders die de heide hielpen ontginnen gaf aanleiding tot de bouw van woningen. Binnen het dorp is er weinig historische vormgeving terug te vinden.
41 | P a g i n a
9.3 Kengetallen. Oppervlakte (incl. buitengebied) Inwoners binnen de bebouwde kom Woningen binnen de bebouwde kom Aantal bomen binnen de bebouwde kom Oppervlakte beplanting binnen de bebouwde kom Oppervlakte gras binnen de bebouwde kom Knipoppervlakte hagen binnen de bebouwde kom Groen per inwoner binnen de bebouwde kom Groen per woning binnen de bebouwde kom
Hoeveelheid
Eenheid
647 1.214 503 396 6.735 17.987 984 22 53
Ha. Personen Stuks Stuks M2 M2 M2 M2 M2
42 | P a g i n a
9.4 Stedenbouwkundige opbouw.
Begin 1900 was Hegelsom niet meer dan enkele boerderijen op de hogere rand tussen de akkers en de weiden in het beekdal van de Groote Molenbeek en het heidegebied. Eind 19de eeuw, begin 20ste eeuw werden in het kader van de werkverschaffing de laatste heidevelden ontgonnen. De enige historische lijn in het huidige dorp is de huidige Heijnenweg - Kogelstraat wat vroeger de verbindingsweg was tussen Sevenum en Horst. Met de bouw van de kerk in 1933, de landarbeiderswoningen, de pastorie, de school en enkele grotere woningen ontwikkelde zich een jong dorp. Na de Tweede Wereldoorlog werd door projectmatig bouwen tussen de Langstraat en de Kogelstraat het dorp verder uitgebreid. Openbare ontmoetingsruimte werd alleen ontwikkeld in de vorm van een plein bij de kerk. De huizen hadden zelf een royale achtertuin en er was nog voldoende contact met het landschap. Het straatprofiel uit die jaren werd minder breed opgezet dan tegenwoordig omdat er nog maar weinig gemotoriseerd verkeer was. In de jaren 60 groeide het dorp in noordelijke richting door de verkaveling van de gronden van de oude boerderijen. Ook het straatprofiel werd breder met trottoirs. Vanaf de jaren 70 werden de kavels kleiner en werd er gekeken naar invulling van gemeenschappelijk (openbaar) groen. Zo ontstond er verblijfsgroen (speelplekken) en kijkgroen (plantsoen). Vooral het verblijfsgroen is als parel aan te wijzen.
De ontwikkeling ging eerst in noordelijke richting tot aan de Reijsenbeckstraat. Later werden gronden van boerderijen aan de zuidzijde van de Pastoor Debijestraat verkaveld. De oorspronkelijke kern kwam zodoende uit het midden te liggen. Door de compacte, meestal naar binnen gerichte bouw is er weinig contact meer met het landschap.
43 | P a g i n a
9.5 Huidige infrastructuur.
De historisch gevormde wegen (Heijnenstraat, Kogelstraat, Kruisstraat en Pastoor Debijestraat) die nabij de kerk bijeen komen ontsluiten het dorp. De Pastoor Debijestraat ontsluit Hegelsom naar de doorgaande weg tussen Horst en Sevenum, de Stationsstraat. En vormt als zodanig de hoofdinfrastructuur van het dorp. De andere drie ontsluiten Hegelsom naar het landschap toe en behoren tot de neveninfrastructuur. De Reijsenbeckstraat is in de jaren 70 – 80 ook tot deze neveninfrastructuur gaan behoren als ontsluiting voor de achterliggende buurten. Het centrumgebied wordt door materialisering ondersteund (gebakken materiaal). Alle wegen binnen de kern zijn erftoegangswegen en het hele gebied is 30 km. Gebied (functie wonen / verblijven).
9.6 Huidige groenstructuur.
De binding met het landschap gebeurd hoofdzakelijk door het voortzetten van de lanen uit het buitengebied binnen de bebouwde kom. Bij een enkele toegang tot het dorp wordt de binding verstrekt door het inrichten van een rustplaats. In de huidige groenstructuur is weinig hiërarchie tussen de verschillende delen te bemerken. Praktisch alle straten zijn voorzien van een boombeplanting. De bebouwing aan de randen van het dorp is vaak naar binnen gekeerd en kent weinig doorzichten naar het achterliggende landschap. In een enkel geval bestaat het uitzicht op het agrarische landschap uit een uitzicht op kassen. Aan de zuidelijke rand zijn er wel nog echte vergezichten over het akkerland maar een echte verweving tussen dorp en landschap is er niet. Het dorp is projectmatig gebouwd. In de eerste jaren werd er langs de bestaande wegen gebouwd. Huizen met grotere tuinen en een smal wegprofiel. Hier is, uitgezonderd de bomen en bermen, weinig openbaar groen aanwezig. In de jaren 60 werden de wegprofielen breder, maar kwam er in verhouding weinig openbaar groen bij. In de jaren 70 kwam er aandacht voor het meer gemeenschappelijk gebruik van (groene) ruimte. Zo ontstonden er grotere groene ruimtes en werd er in de straatprofielen groen opgenomen. In de nieuwe buurten ten zuiden van de Pastoor Debijestraat is in de planontwikkeling voldoende en goed openbaar groen ingepland.
De Langstraat en Kogelstraat kunnen een kwaliteitsverbetering gebruiken.
44 | P a g i n a
9.7 Overgang van de kern met het buitengebied.
De overgang van de kern met het buitengebied beschrijft het beeld dat gewenst is vanuit de kern richting het buitengebied en omgekeerd. Tevens is er een doorkijk gemaakt naar toekomstige groeimogelijkheden van de kern aansluitend op het landschap, zonder afbreuk te doen aan het omringende landschap. Het landschap dient vanuit de kern te allen tijde bereikbaar en betreedbaar te blijven om het maken van een ommetje mogelijk te maken. Aan de oostzijde wordt Hegelsom door een groene gordel begrensd. In deze zone is de bebouwing rijkelijk omgeven door groen en grote bomen. Ook de sportvelden zijn hier gesitueerd. Het gebied geeft een mooie overgang van het werklandschap langs de Stationsstraat naar de woonkern. Hierdoor behoud Hegelsom haar eigen identiteit. Bij het verder ontwikkelen van dit gebied kan dit groene beeld het visitekaartje zijn voor de kwaliteit die nagestreefd wordt. Ook het ontwikkelen van een duidelijke entree van het dorp Hegelsom vanuit de doorgaande route Horst – Sevenum kan hierin meegenomen worden. De geleidelijke overgang tussen de kern en het bedrijventerrein wordt hierdoor gewaarborgd. Aan de zuidelijke rand van de kern hebben de afgelopen jaren reeds grootschalige, planmatige uitbreidingen plaats gevonden. De uitbreidingen vormen een hardere rand naar het open landelijk gebied, waardoor deze extra benadrukt wordt.
Deze harde rand dient gewaarborgd te blijven waardoor de overgang naar het open landschap versterkt wordt. De dorpsrand dient wel overwegend groen vormgegeven te worden. Ook het behouden of aanleggen van wandel- en fietsroutes door het open landschap is gewenst. De zuidwestelijke kant van de kern grenst aan het jonge ontginningslandschap met zijn grootschalige rechte belijning. Typisch voor de stedenbouwkundige structuur van Hegelsom is de asymmetrische ligging van het centrum ten opzichte van de woongebieden. Hierdoor is er nog steeds een waardevolle interactie tussen dorpskern en landschap. Deze relatie met het landschap in zuidwestelijke richting dient behouden te blijven. Mogelijke uitbreiding van de bebouwing in het landschap zal op kleine schaal plaats kunnen vinden binnen de bestaande linten in een losse, open structuur. De verwevenheid met het open landschap dient hierbij het uitgangspunt te zijn. De westelijke zijde van het dorp, de Langstraat, zal de grens met het landschap dienen te blijven. Verdere uitbreiding van bebouwing aan de westelijke zijde van de straat dient voorkomen te worden, zodat doorzichten naar het achterland blijven bestaan en de huidige rand intact blijft. Ook aan de noordzijde van de kern kan verwevenheid tussen de kern en het landschap verder gerealiseerd worden. Hier dient geen echte harde scheidingslijn tussen landschap en dorp te ontstaan.
Een gelobte interactie is hier gewenst in de vorm van een meer rafelige bebouwingsrand met doorzichten en laantjes, waarbij inrichting en kwaliteit aanzet tot het maken van ommetjes. Hiermee moet bij de verdere ontwikkeling van het agrarisch landschap en de woningbouw terdege rekening gehouden worden. Men moet zich niet opgesloten gaan voelen in het dorp. En de passerende toerist moet het dorp met een goed gevoel kunnen doorkruisen. Vanuit het landschap geredeneerd zijn er nog duidelijke mogelijkheden aanwezig voor ruimtelijke invullingen zonder dat het huidige waardevolle omringende landschap van Hegelsom en de kern aangetast worden. De mogelijke ontwikkelingen zouden de samenhang juist verder kunnen versterken en waarborgen.
9.8 Gewenste groenstructuur.
De gewenste groenstructuur is voor een substantieel deel reeds aanwezig. Vanuit deze bestaande groene waarden dient verder gebouwd te worden aan de gewenste groenstructuur. De uitgangspunten voor de gewenste groenstructuur van Hegelsom: - Ondersteuning van de gewenste identiteit (landelijke kern) - Opwaarderen van het centrum - Verbeteren van de oudere elementen van de groenstructuur. - Verwevenheid tussen landelijk buitengebied en kern.
45 | P a g i n a
De (hoofd)groenstructuur van Hegelsom is op tekening weergegeven. Als eerste kan de hoofdgroenstructuur in de omgeving van de kerk genoemd worden. Continuïteit in beeld is hier gewenst. Deze keuze komt voort uit de cultuurhistorische, verkeersstructuur en stedenbouw. Het tweede onderdeel is het versterken en aanvullen van de oude reeds bestaande structuur. In de oudste uitbreidingen van het dorp is weinig openbaar groen aanwezig. De privé tuinen zijn hier zo groot en het buitengebied was zo dichtbij dat de behoefte aan meer openbaar groen niet echt aanwezig was. Toch is al waar te nemen dat door verdichting van de dorpsrand langs de Langstraat de behoefte aan speelruimte voor de iets oudere jeugd is toegenomen. Vroeger konden zij op straat en in het vrije veld spelen, nu is er een speelterrein voor hen ingericht. Bij de inrichting van de buurten uit de jaren 70 en 80 is al veel meer rekening gehouden met inrichting van openbaar groen omdat de kavels hier een stuk kleien werden en de afstand naar het buitengebied voor kinderen te groot werd. Bij de nieuwste uitbreidingen is hier nog sterker rekening mee gehouden. Ook de bevolkingssamenstelling van een buurt heeft invloed op de behoefte aan openbaar groen. Dit heeft meer te maken met de mobiliteit van de betreffende bewoners. De behoefte kan dus in de tijd variëren en is ook afhankelijk van de kwaliteit en inrichting.
De nabijheid van het landschap is voor Hegelsom dus van grote waarde en zal gecompenseerd moeten worden als hier verandering in komt.
46 | P a g i n a
47 | P a g i n a
10 Kenschets van Horst. 10.1 Historische perspectief en identiteit.
Vaak is de aanwezigheid van water de reden geweest voor mensen om zich te vestigen. Ook in de omgeving van de huidige kern Horst zijn de eerste vestigingen in de beekdalen van de Kabroekse Beek en Groote Molenbeek terug gevonden. De vroegste tekenen van bewoning in de omgeving van de huidige kern Horst zijn terug te traceren tot de Brons- en IJzertijd. Sporen van bewoning in de Romeinse tijd zijn bij opgravingen op het Hoogveld terug gevonden. Later ontwikkelden zich nederzettingen op de randen tussen de beekdalen en de velden. De H. Lambertus stichtte in de 11de eeuw in het midden van de omliggende gehuchten een kapel. Hieromheen vormde zich een dorp, Berkel, dat later naar het op een hoogte gebouwde slot “Ter Horst” werd genoemd. Dit slot werd in de 14de eeuw gebouwd in een hoger gelegen bosgebied. De naam “Horst” komt voor waar de oudste nederzettingen van Keltische en later Frankische stammen zich vestigden, en betekent: een met kreupelhout begroeide hoogte. Vanuit het kasteel werd de heerlijkheid bestuurd en werd er recht gesproken. Rond 1600 ontwikkelde zich de plattelandsnijverheid. Een groeiende bevolking en de beperkte agrarische bestaansmogelijkheden dwongen de mensen tot huisnijverheid gebaseerd op lokale vlas- en wolproductie (weverijen en ververijen).
Aan het eind van de 18de eeuw en eerste helft van de 19de eeuw vonden er grote veranderingen op maatschappelijk niveau plaats. De rechtspraak kwam in handen van de Franse staat en er werd een vredegerecht gevestigd in Horst. De heerlijkheidrechten vervielen en de boeren waren vrij in hun keuze van molen om hun graan te laten malen. Nog groter was de omwenteling met de komst van de kunstmest en de stoommachine (1850). Langzaam kwamen er veranderingen op gang die het hele leefpatroon zouden wijzigen. Woeste gronden konden worden ontgonnen. Fabrieken werden opgericht (Zuid Nederlandse Kantfabriek in 1928). Dit alles vergde veel arbeidskrachten en zo liep het aantal huiswevers dan ook terug. Horst is altijd een dorp geweest waar de werkgelegenheid gekoppeld was aan de landbouw. Horst heeft internationaal naam gemaakt door de bloeiende champignonteelt. Ook nu vormen binnen het aanbod van industriële bedrijven de toeleverende en de verwerkende bedrijven ten behoeve van de agrarische sector een belangrijk aandeel. Het bedrijventerrein Hoogveld in Horst is aangewezen als bovenregionale vestigingslocatie voor agrotechniek. Ook de kassenteelt eist zijn plaats in het landschap op. Een andere belangrijke vorm van bedrijvigheid is het toerisme. Er bestaat veel aandacht voor een goede infrastructuur op toeristisch gebied.
De verscheidenheid aan landschapstypen in de gemeente Horst aan de Maas zorgt voor een gevarieerd aanbod voor de toerist. Horst als koopcentrum voor het omliggende gebied is volop in ontwikkeling. Horst heeft door zijn dorpse charme een gezellige uitstraling voor de eigen bewoners en zeker voor de toerist.
10.2 Groen rond 1850.
Het kerkdorp Horst lag oorspronkelijk tussen de beekdalen van de Kabroekse Beek en de Groote Molenbeek. In de beekdalen lagen de graslanden. Hogerop lagen de akkers. Aan de zuidzijde lag een uitgestrekt veld, dat doorliep tot aan Hegelsom. Ten noorden van de Kabroekse Beek lag een tweede veld, dat aan alle zijden omringd was door bebouwing (Meterik, Middelijk, Veld Oostenrijk en Schadijk). In het noordoosten waar de Kabroekse Beek in de Groote Molenbeek uitmondt werd in de 14de eeuw aan de overzijde van de Groote Molenbeek Huis Ter Horst gebouwd. Verder werd Horst omgeven door heide- en bosgebieden. De vennen in de buurt van Horst werden gebruikt voor de huisnijverheid (laken en linnenweverijen). Na de komst van de kunstmest werd het mogelijk om de heidegebieden te ontginnen en ontstonden de kleinschalige landbouwgebieden tussen Horst en Melderslo en tussen Horst en Meterik - Hegelsom. Bomenlanen werden aangeplant langs de ontginningswegen en houtwallen langs de perceelsgrenzen.
48 | P a g i n a
49 | P a g i n a
10.3 Kengetallen. Oppervlakte (incl. buitengebied) Inwoners binnen de bebouwde kom Woningen binnen de bebouwde kom Aantal bomen binnen de bebouwde kom Oppervlakte beplanting binnen de bebouwde kom Oppervlakte gras binnen de bebouwde kom Knipoppervlakte hagen binnen de bebouwde kom Groen per inwoner binnen de bebouwde kom Groen per woning binnen de bebouwde kom
Hoeveelheid
Eenheid
1.862 11.906 5.617 4.433 117.212 277.993 14.580 32 68
Ha. Personen Stuks Stuks M2 M2 M2 M2 M2
10.4 Stedenbouwkundige opbouw.
Horst heeft zich tot aan de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld door middel van een open lintbebouwing langs de verschillende invalswegen (Gasthuistraat, Venloseweg, Venrayseweg en Meterikseweg). Komende uit de omliggende gehuchten en dorpen. Rondom de kerk met de Steenstraat en Hoofdstraat was er een verdichting; een centrumgebied dat werd omgeven door open bouwland. Hierin liepen landwegen met sporadisch nog enige bebouwing. Zo zijn de Herstraat met de nu nog aanwezige kapel (hoek St. Jozefstraat) en de Loevestraat al op de kaart uit 1895 als zodanig te herkennen. Tegenwoordig maken ze deel uit van de “binnenring” rondom het centrum. Ook zijn er verschillende secundaire wegen te ontdekken die de basis vormden voor latere uitbreidingen (Doolgaardstraat, Schoolstraat, Gebr. van Doornelaan). Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Horst zich eerst door verdichting van de aanwezige lintbebouwing. Later in de jaren 50-60 werden de akkers tegen het centrum vol gebouwd. Dit tot aan de Loevestraat en aan de overzijde van de Herstraat, ten zuiden van de Schoolstraat (Mussenbuurt). Ook werden geheel los van de kern Horst de akkers ten noorden van Middelijk bebouwd (Horst noord) met nog herkenbaar als oorspronkelijke lijn de Gebr. van Doornelaan.
Vervolgens zijn er binnen de aanwezige radialen van lintbebouwing en de secundair aanwezige infrastructuur meerdere woonwijken ontwikkeld (Middelijk, In de Riet en Nieuwstraat). Na de ontwikkeling van de A73 (eind jaren 80 - begin jaren 90) ontstond er een scherpe grens in het landschap aan de oostzijde van Horst. Het uitloopgebied werd sterk beperkt. De relatie met het achterliggende landschap moet men nu echt gaan opzoeken onder de viaducten van de A73 door. Het tussenliggende gebied werd de volgende locatie om uit te breiden. Opgehangen aan de oorspronkelijke lijnen van de Van Douverenstraat en Vondersestraat die de verschillende ontwikkelingen scheiden werd dit gebied van zuid naar noord gebouwd. Ondertussen werd aan de zuidzijde van Horst het bedrijventerrein Hoogveld ontwikkeld en wordt Horst aan de noordwestzijde begrensd door het kassengebied Oostenrijks veld. Alleen aan de westzijde van Horst is er vanuit de woongebieden nog zicht op het omliggende landschap. Maar ook hier staat de ontwikkeling van Horst niet stil. Als meest recente uitbreiding is men nu het gebied ten westen van Horst aan het ontwikkelen tot aan de Afhangweg en de Melatenweg. Met de komst van de Westsingel en deze nieuwe uitbreidingen is de directe relatie van de westelijke bestaande wijken met het buitengebied verdwenen.
De transformaties van de afgelopen decennia scheppen door zijn dominantie ten opzichte van het oorspronkelijke dorp een nieuw karakter waarbij een andere kijk en omgang met het groen en de groene structuren gerechtvaardigd is.
50 | P a g i n a
51 | P a g i n a
10.5 Huidige infrastructuur.
De hoofdinfrastructuur van Horst heeft zich op natuurlijke wijze ontwikkeld. De mens zoekt naar de kortste, begaanbare weg tussen twee punten. Zo vormde zich de oude wegenstructuur van Horst. Karrensporen en voetpaden leidden vanuit de omliggende gehuchten naar de kerk in Horst. Veel van de huidige ontsluitingswegen volgen de route van deze oorspronkelijke verbindingen en zijn herkenbaar door de gevarieerde bebouwing uit de verschillende tijdsperiodes. Het oorspronkelijke landelijke karakter is er grotendeels verdwenen. Alleen de Venrayseweg heeft nog een monumentale boombeplanting tot binnen de kern. De Vonderseweg en de Gebr. van Doornelaan kennen een ruimere opzet zodat ook hier nog het oude belang van de verbinding naar het buitengebied te herkennen is. De overige radialen hebben een groot deel van hun binding met het landelijk gebied verloren. Dichter bij de kern ontstond een fijnmaziger netwerk van paden naar de akkers, weiden en vennen waarin vlas en leer werd bewerkt. Zo is de “binnenring” volledig op de oude kaart terug te vinden en ook het oostelijke deel van de “buitenring” is op de oorspronkelijke basis ontwikkeld. Tegenwoordig is het centrum van Horst winkelgebied en is de “binnenring” hoofdzakelijk ingericht als éénrichtingsverkeersroute met op verschillende plekken parkeerplaatsen.
De “buitenring” is niet als zodanig aangelegd maar is ontstaan door de aanleg van wijken aan de buitenzijde van deze oorspronkelijke straten met lintbebouwing. Alleen aan de westzijde is er de Westsingel aangelegd om straks de nieuwste wijken te ontsluiten. Hier was geen oorspronkelijke route aanwezig.
52 | P a g i n a
53 | P a g i n a
10.6 Huidige groenstructuur.
Een duidelijk element voor de hoofdgroenstructuur binnen de kern Horst is het beekdal van de Kabroekse Beek. Echter de inrichting ervan is onvoldoende om ook als zodanig te functioneren. Verder volgt de huidige hoofdgroenstructuur in grote lijnen de infrastructuur van de “buitenring” en de radialen naar het buitengebied (de Venrayseweg, de Vondersestraat, de Deken Creemersstraat, de Noordsingel, de Westsingel en een gedeelte van de Dr. van de Meerendonkstraat). Met hun brede, groene opzet geven zij invulling aan de hoofdgroenstructuur. De groenstrook langs de A73 is gericht op de aanliggende wijken. Wel vormt dit gebeid de basis voor een langzaam verkeersroute vanuit het buitengebied naar de scholen in Horst noord en wordt dit gerekend tot de ondersteunende groenstructuur. Verspreid over Horst komen er verschillende groene parels voor. Verder is het groen in Horst kenmerkend voor de periode waarin de wijken zijn ontwikkeld. Horst is in te delen in drie ontwikkelingsgebieden: - het centrum en de radialen (tot de jaren 50) - de eerste schil en Horst noord (1950 – 1980) - de tweede schil (1980 – heden) Elk van deze gebieden heeft zijn eigentijdse kenmerken met betrekking tot het inrichten van de openbare ruimte en meer specifiek het openbaar groen hierbinnen. Tot de jaren 50 werd het centrumgebied gekenmerkt door lintbebouwing. Het gemotoriseerde vervoer was nog beperkt.
Er was een duidelijk verschil in grootte van de kavel in bezit bij de rijkere of gewone burger. De behoeft aan openbaar groen was beperkt door de nabijheid van het buitengebied. De historische groei met de smalle straten zonder voortuin heeft als gevolg dat er nu weinig mogelijkheden zijn voor het aanbrengen van groene elementen en geeft de “binnenring” een stenig aanblik. De enkele grotere bomen die aanwezig zijn staan vaak in particuliere tuinen. Behoud van deze vaak monumentale bomen is een must. Het Wilhelminaplein en Lambertusplein zijn grotere openbare ruimtes ingericht met bomen, waar verpozen in het centrum mogelijk is door de aanwezigheid van terrassen. Deze groene parels worden verbonden door een winkelpromenade gelegen op de oude wegenstructuur. Ook hier zorgen bomen, waar mogelijk, voor de nodige binding. De overige grotere openbare ruimtes zijn grotendeels ingericht als parkeerplaatsen. In de jaren 50 – 70 was er een groot woning tekort en bouwde men hele buurten / wijken tegelijk. De opzet van deze wijken en buurten was ruim. De grondgebonden woningen hadden elk een eigen voor- en achtertuin. En bij hoogbouw werden openbare groene ruimtes aangelegd. Ook werden er veel bomen aangeplant. Men hoefde nog niet te woekeren met de ruimte (Horst noord, Mussenbuurt). Het centrumgebied van de Norbertusparochie is een groene parel in deze wijk.
Later in deze periode werd de ruimte beperkter. De kavels werden kleiner en het aandeel groen in de openbare ruimte stukken minder (In de Riet, Nieuwstraat). Door de ligging tegen het buitengebied had men daar uitloopgebied voor de nodige ontspanning. Met de verdere uitbreiding van de woonkern Horst het buitengebied in, zal de behoefte aan verblijfsruimte in de openbare ruimte binnen deze bestaande wijken toenemen. In de jaren 80 tot heden is het belang van het groen in de openbare ruimte weer meer onder de aandacht gekomen. Het is niet meer alleen kijkgroen, maar ook verblijf in een groene openbare ruimte is weer mogelijk (Stuksbeemden, Kapellerhof, De Afhang).
54 | P a g i n a
55 | P a g i n a
10.7 Overgang van de kern met het buitengebied.
De overgang van de kern met het buitengebied beschrijft het beeld dat gewenst is vanuit de kern richting het buitengebied en omgekeerd. Tevens is er een doorkijk gemaakt naar toekomstige groeimogelijkheden van de kern aansluitend op het landschap, zonder afbreuk te doen aan het omringende landschap. Het landschap dient vanuit de kern te allen tijde bereikbaar en betreedbaar te blijven om het maken van een ommetje mogelijk te maken. Zoals al aangegeven in de vorige paragraaf is het contrast tussen woonkern en buitengebied ver te zoeken. Een bindend element is zeker de Kabroekse Beek. Hier wordt echter niet of nauwelijks gebruik van gemaakt. Daar waar de Kabroekse Beek de woonkern van Horst instroomt liggen in het beekdal verschillende overstortbekkens in een groene omgeving. Dit gebied wordt nu gebruikt door de bewoners om de hond uit te laten. Dit beekdal zou een veel grotere waarde voor de hele kern Horst kunnen en moeten krijgen. De kern Horst breidt zich in westelijke richting langs de Kabroekse Beek verder uit. De aanleg van een groene parkzone langs de beek zorgt ervoor dat het landschap de kern binnengeleid wordt en visa versa. Het is een prima basis om een langzaam verkeersroute aan dit gebied te koppelen.
Ook aan de andere zijde van Horst waar de beek de kern verlaat is een breder beekdal met de nodige groene verblijfsruimte en een langzaam verkeersroute een vereiste om de binding tussen kern en buitengebied te realiseren. De overgang tussen kern en buitengebied aan de zijde van de A73 is een ander verhaal. Nu wordt de A73 afgeschermd door een alles afschermende geluidswal begeleid door een langgerekt park met de nodige voorzieningen voor de aangrenzende wijken. Herinrichting van de geluidswal zou een beter contact tussen passerende reizigers en de kern Horst kunnen bevorderen. Ook kan het smalle park visueel breder worden. De viaducten onder de snelweg door zijn de enige mogelijkheid om het buitengebied te bereiken of anderszins om Horst te bezoeken. Door het gebied achter de snelweg meer in te richten voor recreatief gebruik (wandel- en fietspaden, kinderboerderij) en de langzaam verkeersroutes in Horst hierop aan te sluiten wordt het buitengebied aantrekkelijker om op te zoeken. Om de mooie omgeving van de Reulsberg te bezoeken of via dit gebied Horst aan te doen moet men het industriegebied Hoogveld passeren. Van oudsher aanwezige verbindingsroutes zijn bij de aanleg van dit industrieterrein voor een groot deel onderbroken. Voor de recreatieve gebruiker van deze verbindingen is nu het alternatief via de Hertog Arnoldlaan, Energiestraat, St.
Annaweg en Reulsweg of via de Broekweg, Vrouwboomsweg en Haagweg. Open houden en ontwikkelen van deze verbindingen voor de recreant is een vereiste om de kern met dit natuurgebied te blijven verbinden. Het buitengebied ten noord-noordwesten van Horst wordt door kassenbouw ingenomen. Er ligt zo goed als geen buffer tussen woonkern en kassengebied. Het gebied tussen Veld-Oostenrijk en de A73 zal hier uiteindelijk het enige stukje landschap zijn dat nog tot aan de kern Horst reikt. De aanwezige verbindingen lopen via de Venrayseweg en de Veld-Oostenrijk en worden begeleid door oude bomenlanen. Het landschap kan hier niet meer dienen als uitloopgebied met recreatieve functie. Met de aanleg van de Westsingel is ook aan deze zijde van Horst een barrière naar het achterliggende buitengebied aangelegd. De aanwezige verbindingen zijn beperkt tot enkele kruisingen. Ook de aanleg van een nieuw woongebied, De Afhang, beperkt de relatie met het buitengebied meer en meer. De andere kant op is dit natuurlijk ook zo. Een groot aantal toeristen verblijven in de vakantieparken ten noorden van de kern America. Om deze mensen te verleiden om ook de kern Horst te bezoeken zullen er mooie recreatieve routes door het westelijk buitengebied naar het centrum van de kern Horst aanwezig moeten zijn.
De meest directe verbinding is de Americaanseweg / Nieuwe Peeldijk, van oudsher de verbinding tussen de beide kernen. Maar ook parallel hiermee lopen oude ontginningswegen die hiervoor ingericht kunnen worden. Dit gebied is echter aangewezen als concentratiegebied (Reindonk) voor de kassenbouw. Het is voor de toerist weinig aantrekkelijk om tussen kilometers kassen door te fietsen. Een combinatie van beide is mogelijk door bij de ontwikkelingen het landschap als basis te nemen. Verder moet er een kasvrije overgangszone tussen de kern en het kassengebied worden gecreëerd om een uitloopgebied voor de Horstenaar te behouden en zo de leefbaarheid in de kern te garanderen. Binnen de kern zullen de recreatieve routes een voortzetting moeten vinden tot in het centrumgebied. Maar ook het huidige landschap “Reindonk” met haar bestaande verbindingen zal de leidende ondergrond moeten worden. Kassen zullen ingepast moeten worden in de aanwezige structuren van het landschap. De bestaande laanstructuren en ecologische zones zouden de basis van het inrichtingsplan moeten vormen. Kassen zullen minder dominant in het landschap ingepast moeten worden. Dus ruime groene corridors tussen de kassencomplexen en niet meer bouwen binnen 25 m. van de beek. Een natuurlijke inrichting van de wateropvangbekkens in plaats
56 | P a g i n a
van de huidige zwart plastieken bekkens is al een mogelijkheid tot integratie tussen kassenbouw en landschap. De hoeveelheid verblijfsgroen in de wijken die nu verder van het buitengebied komen te liggen zal verhoogd moeten worden om de leefbaarheid op peil te houden.
10.8 Gewenste groenstructuur.
De gewenste groenstructuur is voor een substantieel deel reeds aanwezig. Vanuit deze bestaande groene waarden dient verder gebouwd te worden aan de gewenste groenstructuur. De uitgangspunten voor de gewenste groenstructuur van Horst: - Meer binding tussen de verschillende wijken en het centrumgebied. - Herkenbaarheid binnen de kern - Verhogen van de hoeveelheid verblijfsgroen in de huidige wijken aan de westzijde van de kern. - Meer binding tussen landelijk gebied en kern. De hoofdgroenstructuur in de kern Horst wordt voornamelijk ingevuld door een herkenbare bomenstructuur. De hoofdgroenstructuur hangt nauw samen met de hoofdinfrastructuur. Er ontbreken om verschillende redenen nog stukken om een doorlopende hoofdbomenstructuur te verkrijgen. Gestreefd moet worden om deze ontbrekende delen aan te vullen. Daar waar een breder profiel van de openbare ruimte het mogelijk maakt kan de hoofdgroenstructuur worden versterkt met andere vormen van groenaanleg. Een andere duidelijk herkenbare drager van de hoofdgroenstructuur is de Kabroekse Beek. Meer gebruik maken van de aanwezigheid van deze beek en haar recreatieve en ecologische functie binnen Horst wordt aanbevolen. Kasteel Ter Horst is een parel voor Horst. De toegankelijkheid en het gebruik vanuit de kern moet sterk verbeterd worden. De ondersteunende groenstructuur zorgt voor een goede leefbaarheid in de buurten.
Het biedt mogelijkheden om in de directe woonomgeving te recreëren en verbetert de sociale cohesie in de buurt. Daarom is behouden en waar mogelijk ontwikkelen van deze groene ruimtes een must. Andere parels moeten vooral in stand worden gehouden.
57 | P a g i n a
58 | P a g i n a
11 Kenschets van Kronenberg. 11.1 Historische perspectief en identiteit.
Kronenberg ligt ongeveer 3 km. ten westen van Sevenum. Kronenberg ligt op een veld langs drie zijden begrensd door beekdalen. De westzijde grenst aan een stuifzandgebied. Kronenberg als kerkdorp dateert officieel uit 1932. Het is ontstaan uit en aantal buurtschappen. Het buurtschap Achterse Hees is gevormd in de 18de en 19de eeuw langs een van de vele wegen die vanuit Sevenum naar de Peel liepen; de Hees. Ook Kronenbergerhoek is zo’n buurtschap. Het komt al voor op een kaart uit 1745 en lag aan de rand van de Peel; thans begrenst door de Kronenbergerweg en de Simonsstraat. Langs deze wegen treft men enkele oude boerenplaatsen aan. Kenmerkend voor deze boerderijen is dat deze niet direct aan de weg liggen maar op enige afstand. Deze manier van ontginning zien we ook in Meterik terug. Waarschijnlijk is de naam van het kerkdorp afgeleid van de naam van dit buurtschap. Waar de naam Kronenberg precies vandaan komt is niet bekend. Er is een theorie die veronderstelt dat deze naam komt van een familie met die naam, die zich hier vestigde. De archieven hebben dit echter nog niet aangetoond. Een andere theorie is dat de verklaring gezocht moet worden in het landschap. We kennen in Sevenum de Schatberg, de Heesberg, de Steegberg en de Bergerhoek. De Kronenberg past goed in dit rijtje. De stuifzandheuvels, die zijn gevormd na de IJzertijd (800 – 12 v.
Chr.) als gevolg van het steken van plaggen, zouden op deze bergen kunnen duiden. Waarom de toevoeging “Kronen” is niet bekend. Dit geheim ligt waarschijnlijk onder de stuifzandheuvels.
11.2 Groen rond 1850.
Langs de wegen van Sevenum naar de Peel is de ontwikkeling van kleinere percelen te zien met bebouwing. Verder naar de Peel volgen deze ontginningen de loop van de beken afkomstig uit twee vennen gelegen in het heidegebied tussen de Peel en het reeds ontgonnen gebied. Kronenberg is het eindpunt van de bewoonde wereld in die tijd.
59 | P a g i n a
11.3 Kengetallen. Oppervlakte (incl. buitengebied) Inwoners binnen de bebouwde kom Woningen binnen de bebouwde kom Aantal bomen binnen de bebouwde kom Oppervlakte beplanting binnen de bebouwde kom Oppervlakte gras binnen de bebouwde kom Knipoppervlakte hagen binnen de bebouwde kom Groen per inwoner binnen de bebouwde kom Groen per woning binnen de bebouwde kom
Hoeveelheid 786 685 299 213 2.633 12.172 1.104 19 44
Eenheid Ha. Personen Stuks Stuks M2 M2 M2 M2 M2
60 | P a g i n a
11.4 Stedenbouwkundige opbouw.
Een echte stedenbouwkundige opbouw heeft Kronenberg niet. Het dorp is ontstaan door de samenvoeging van enkele buurtschappen. Deze buurtschappen bestonden uit enkele boerderijen die relatief dicht bij elkaar lagen. Deze boerderijen behoren, zover ze nog bestaan, tot de oudste gebouwen van Kronenberg. De parochiekerk dateert van 1932. De oudste bebouwing in het dorp is terug te vinden rondom de kerk. Hieromheen zijn de laatste decennia kleine woonwijken gerealiseerd. De nieuwste uitbreiding is Steijvershorst.
11.5 Huidige infrastructuur.
De Hees / Peelstraat is de doorgaande weg. De Hees voert naar het dorp Sevenum. De Peelstraat gaat richting Evertsoord en de Peel. Een duidelijke doorgaande weg in noord-zuid richting is niet aanwezig. Deze ontsluiting wordt gevormd door de wegen: Meerweg, Simonsstraat, Americaanseweg en Heuvelsestraat (de zgn. plaatselijke ontsluitingswegen).
61 | P a g i n a
11.6 Huidige groenstructuur.
De hoofdgroenstructuur is in Kronenberg duidelijk verbonden aan de hoofdinfrastructuur. Door de brede opzet van de straten is er ook ruimte voor groen. Dit is ingevuld door plantvakken met bomen of door grasbermen met bomen. De aanwezigheid van de voortuinen maakt het niet noodzakelijk om openbaar groen in de hele straat aan te brengen. Hier en daar een plantsoen zoals in de Kempkesstraat voldoet ook prima. Het openbaar groen is in Kronenberg voldoende aanwezig. Ook de kwaliteit is over het algemeen goed te noemen. De omgeving van de kerk vormt het centrum van het dorp. Openbaar groen als verkeersgeleider heeft geen meerwaarde voor de groenstructuur. De bomen vragen in deze kern wel de aandacht. Niet iedere boom zal volledig uit kunnen uitgroeien tot volwassenheid zonder hierdoor in conflict te komen met zijn omgeving. De loop van de Blakterbeek is ter hoogte van Den Stipheuvel opgenomen in de inrichting van de openbare ruimte. Ook wordt de beekloop gebruikt als basis voor een ommetje in het buitengebied.
11.7 Overgang van de kern met het buitengebied.
Kronenberg ligt in een vrij open landelijk gebied. Aan de westzijde wordt het dorp aan het zicht onttrokken door enkele bomenrijen langs de weilanden. Bomenlanen en lintbebouwing geven een landelijke overgang vanuit het buitengebied de kern in. Aan de zuidzijde van het dorp passeert de Blakterbeek het dorp. Het initiatief “de 8 van Kronenberg” zorgt voor de mogelijkheid om vanuit de kern makkelijk gebruik te maken van de wandelmogelijkheden in het buitengebied. De opname in het recreatieve netwerk van het buitengebied biedt kansen om interessante rustpunten te creëren. Vanuit een recreatief-economisch oogpunt kan een ontwikkelingsplan hier concreet antwoord op geven. Uitgangspunt dient te zijn dat de plaatselijke (historische) kernkwaliteiten van het dorp en de aanwezige voorzieningen hierbij vertrekpunt moeten zijn.
11.8 Gewenste groenstructuur.
De gewenste groenstructuur is voor een substantieel deel reeds aanwezig. Vanuit deze bestaande groene waarden dient verder gebouwd te worden aan de gewenste groenstructuur. De uitgangspunten voor de gewenste groenstructuur van Kronenberg: - Ondersteuning van de gewenste identiteit (landelijke kern) - Verwevenheid tussen landelijk buitengebied en kern. De groenstructuur van Kronenberg zit goed in elkaar. Echter voor de toekomst wordt toch een enkel verbeterpunt aangedragen, te weten: - de straatbomen in Kronenberg voldoen op dit moment goed, echter op sommige plaatsen kan er in de toekomst een conflictsituatie ontstaan. Tijdig monitoren is gewenst.
62 | P a g i n a
63 | P a g i n a
12 Kenschets van Lottum. 12.1 Historisch perspectief en identiteit.
De bewoning van Lottum gaat temminste terug tot de Romeinse tijd. Dit blijkt onder meer uit een gevonden urnenveld bij de Stationsweg en een bij het veer aangetroffen Romeinse altaarsteen. Zoals veel woonkernen op de hogere zandgronden zijn de huidige bebouwingspatronen ontstaan in de Middeleeuwen. Op een kruising van wegen ontstond een verzameling van boerderijen, vaak rondom een driehoekig plein. Langs de Maas waren deze dorpen vaak langgerekt en gepositioneerd op de overgang van het Maasdal naar de hogere gronden. De boerenbedrijven waren van het gemengde type. Op de beste gronden, dicht bij het dorp, werd akkerbouw bedreven. Deze essen werden in de loop van honderden jaren bemest met potstal (mest van schapen gemengd met stro, heideplaggen en zand). Hierdoor zijn deze gronden opgehoogd en zijn de bolle akkers ontstaan. Deze gronden, die op antropogene wijze ontstaan zijn worden de hoge enkeerdgronden genoemd. In het nattere Maasdal lagen de groenlanden die gebruikt werden om het vee te laten grazen. Ook de verder weggelegen woeste gronden werden gebruikt om vee te laten grazen. Door roofbouw zijn hier vervolgens heidevelden ontstaan. In die tijd, voor de uitvinding van kunstmest, was deze woonvorm een uitgebalanceerd evenwicht tussen een aantal families, de grootte van de kampen (essen), de hoeveelheid vee en de bijbehorende groenlanden.
De bebouwing was altijd geconcentreerd. Daarom kwam verspreid staande bebouwing in het landschap niet voor. Tijdens de late Middeleeuwen raakten de esdorpen overbevolkt door een sterke bevolkingsgroei. Hierdoor waren families genoodzaakt elders hun bestaan op te bouwen. Zo ontstonden, meer richting de woeste gronden en verder weg van de Maas, kleinere nieuwe nederzettingen. Dit wordt het oud-hoevenlandschap genoemd. Lange tijd bleef dit evenwicht in Lottum voortbestaan. In 1800, op het moment dat de Fransen de dorpen Lottum en Grubbenvorst samenvoegden, bestond Lottum uit ongeveer 500 zielen. Agrarisch had Lottum duidelijk een voorsprong op zijn omgeving. Al in de 18de eeuw had Lottum boomgaarden en kweekte men er haagplanten, maar vooral in de 19de eeuw nam de boomkwekerij hier een grote vlucht. Rond 1890 ontstond in Lottum de rozencultuur. In de 20ste eeuw zou deze, zich steeds meer uitbreidende, cultuur aan Lottum de naam Rozendorp geven. De huidige uitstraling van Lottum is nog steeds die van een plattelandskern. De kerk (na de oorlog herbouwd), de school en het net buiten het dorp gelegen landgoed De Borggraaf vormen het directe centrum. Langs de oude wegen liggen de oudere huizen, in de kern in een hoge dichtheid, meer naar buiten toe in een kleinere dichtheid. Nog steeds is er sprake van een sterke verwevenheid van het buitengebied met het dorp.
Dit wordt versterkt door een rafelige dorpsrand en vrij veel agrarische bebouwing (boerderijen en kwekers) in en nabij de kern. Op dit moment geniet Lottum bekendheid als Rozendorp. In het openbare gebied wordt dit ondersteund door rozenbeplanting en rozenbogen. De naoorlogse uitbreidingen zijn steeds kleinschalig en ingetogen geweest en overwegend niet gelegen aan de historische hoofdwegen. Hierdoor heeft Lottum zijn karakter vast kunnen houden.
12.2 Groen rond 1850.
Nevenstaande kaart geeft de situatie weer rond 1850 (in relatie tot de huidige situatie). Veel oude structuren bestaan nog steeds. Opmerkelijk is dat binnen het dorp weinig openbaar groen voorkomt (uitgezonderd nabij Past. Kerboschweg - Broekhuizerweg). De belangrijkste groenstructuren bevinden zich rond De Borggraaf en de Siebersbeek. In het eerste geval betreft het voornamelijk laanstructuren en een boomgaard, in het geval van de beek gaat het voornamelijk om houtwallen rond de kleine graslandjes. Langs de hoofd(infra)structuren komt weinig beplanting voor.
64 | P a g i n a
12.3 Kengetallen. Oppervlakte (incl. buitengebied) Inwoners binnen de bebouwde kom Woningen binnen de bebouwde kom Aantal bomen binnen de bebouwde kom Oppervlakte beplanting binnen de bebouwde kom Oppervlakte gras binnen de bebouwde kom Knipoppervlakte hagen binnen de bebouwde kom Groen per inwoner binnen de bebouwde kom Groen per woning binnen de bebouwde kom
Hoeveelheid 1.645 1.144 551 446 8.670 16.920 4.098 24 49
Eenheid Ha. Personen Stuks Stuks M2 M2 M2 M2 M2
65 | P a g i n a
12.4 Stedenbouwkundige opbouw.
De hoofdstructuur wordt bepaald door afwisselende bebouwing langs de historische doorgaande wegen die samenkomen bij de kerk. Hier worden oudere bouweenheden (ook vaak boerderijen) afgewisseld door, met name direct na de oorlog, tussengevoegde woningen en open plekken, waardoor het achterliggende landschap direct beleefbaar was en er zo een sterke relatie bestond met het buitengebied. In de oksels van de historische bebouwingen zijn in clusters, na de oorlog wijkjes van beperkte omvang toegevoegd. De wooneenheden per tijdsbeeld zijn over het algemeen monotoon van architectuur. Doordat ze overwegend van de hoofdinfrastructuur afgekeerd zijn vormen zij nauwelijks toevoeging aan de identiteit van Lottum als dorp. Strakkere en dichtere randen van de uitbreidingen zorgen voor een minder sterke relatie tussen platteland en dorp. Dit geldt ook voor de natuurlijke dooradering van de Siebersbeek, welke op verschillende plaatsen weggemoffeld is tussen de woningen en privé percelen.
12.5 Huidige infrastructuur.
De historisch gevormde wegen die nabij de kerk bijeenkomen en de weg richting het veer, vormen de hoofdinfrastructuur. Alle andere wegen zijn hieraan ondergeschikt gemaakt. De hoofdstructuur wordt door materialisatie ondersteund (trottoirs van gebakken materiaal) en fietssuggestiestroken. Overigens is het hele gebied aangegeven als 30 km. zone (functie wonen / verblijven). De aan de hoofdinfrastructuur gelegen komgrenzen zijn opvallend vormgegeven (rozenbogen).
66 | P a g i n a
12.6 Huidige groenstructuur.
De huidige groene waarden worden op dit moment met name gevormd door een aantal parels, de komgrenzen en de Horsterweg, welke door hagen wordt begeleid. Voor het overige bestaat het groen van de kern Lottum uit fragmenten die kwalitatief goed zijn maar over het algemeen weinig samenhang hebben. Het groene, dorpse karakter wordt met name ondersteund door over het algemeen grote tuinen langs de invalswegen. Naast de doorgaande structuren zijn een aantal parels benoemd. De parels zijn: - Landgoed De Borggraaf Dit gebied is in het groene landschap gesitueerd en wordt in haar omgeving verankerd middels lanen. Gezien de ligging dicht bij het dorp heeft deze plek een duidelijke meerwaarde voor de kern. Daarom wordt dit gebied als parel aangegeven, ook al heeft die plek formeel niets te maken met het openbare groen. - Gebied rondom de kerk De uitstraling wordt met name bereikt door het ensemble van kerk, begroeide muur, begraafplaats en de zichtrelatie met de Borggraaf. - Groenplek aan Broekhuizerweg – Past. Kerboschlaan. Deze parel is een groenplek aan een hoofdstructuur waarbij de groenplek de stedelijke context versterkt en de aandacht vestigt op het aangrenzende landschap. De plek bestaat uit een min of meer formeel gedeelte met hagen en een meer losse beplantingsstructuur, bestaande uit meerdere beplantingstype.