CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

provincie 1 provinciale energiestrategie deel 2

Gemeenteraad 6 maart 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Beantwoording vragen en bijlagen29.971 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

11 12 13

29

Brief minister Wiebes aan de Tweede Kamer inzake aanbieding rapport over kernenergie, 22 september 2020. Zie ook ENCO (2020). Possible role of nuclear in the Dutch energy mix of the future, 1 september 2020. Motie van het lid Dijkhoff c.s. (2020-2021, 35 570, No.11), 17 september 2020. 2e Gewijzigde motie Bastiaans c.s. inzake onderzoek naar kernenergie in Limburg, 25 september 2020.

Energie krijgen van energie maken!

De Provincie Overijssel heeft hier in oktober ook reeds een (digitale) informatiesessie over georganiseerd en wij zullen die ervaringen en kennis ook betrekken bij de voorbereidingen voor een Limburgse sessie. Daarnaast zullen wij ook de ontwikkelingen van de nabij gelegen Belgische kerncentrale Tihange nauwlettend blijven volgen.

Limburg als grensregio en positie grensregio’s Limburg is een grensprovincie met meer kilometers grenzend aan het buitenland met andere Nederlandse provincies. In de energietransitie is deze grensligging echter niet direct een voordeel. De grote afstand tot de zee en directe toegang of aansluitingsmogelijkheden op windparken, maar ook de mogelijkheden van de opslag van CO2 in de Noordzee (carbon capture storage’, CCS) via buisleidingen, zijn beperkt. Het potentieel aan wind-op-land is ook lager dan in de kustprovincies en onze geografische ligging met diverse breuklijnen en landschappelijke waarden, zorgen ervoor dat onze fysieke ligging voor beperkingen zorgt. Omdat het energiebeleid evenals de energie-infrastructuur sterk nationaal gereguleerd is, bemoeilijkt dit de grensoverschrijdende samenwerking met bijvoorbeeld onze Duitse en Belgische buren. Daar waar het gaat om de Clauscentrale is deze cruciaal voor de toekomstige leveringszekerheid van het Nederlandse flexibel regelbaar vermogen in de overschakeling naar duurzame energie. Als het gaat om de potentie van op termijn waterstofleidingen evenals de buisleidingen voor CO2-transport is juist de grensoverschrijdende dimensie wel van economisch belang tussen Rotterdamse Haven, Limburg en het Ruhrgebied. Tegelijkertijd is er ook een structureel probleem ten aanzien van de grensoverschrijdende energie-infrastructuur.

In de systeemstudie is dit aspect nader onderzocht: “Ook lagere netniveaus kunnen buitenlandse ontwikkelingen relevant zijn en kan voordeel behaald worden door samenwerking met de beheerders van de buitenlandse netten. Zo ligt er in de toekomst een grote uitdaging om al het nieuwe hernieuwbare vermogen aan te kunnen sluiten op het elektriciteitsnet. Coördinatie met buitenlandse netbeheerders over mogelijke beschikbare capaciteit over de grens kan ervoor zorgen dat er minder geïnvesteerd hoeft te worden in uitbreidingen van het net, waardoor maatschappelijke kosten vermeden kunnen worden. Op dit moment is dit nog niet mogelijk vanwege juridische belemmeringen. De gemeente Kerkrade probeert op dit moment toestemming te krijgen om als proefproject voor grensoverschrijdende uitwisseling van hernieuwbare elektriciteit te dienen, zodat hiermee geëxperimenteerd kan worden” (p.47). “(…) Ook al zou het technisch goed mogelijk zijn om delen van het Nederlandse net op MS-niveau [midden-spanning] aan te sluiten op het Duitse net (Kerkrade), dan nog is het geen structurele oplossing die noodzakelijk is om de voorziening in Nederland te versterken. Alle gebruikers in Nederland kunnen zeker in 2050 met voldoende capaciteit worden aangesloten als de knelpunten die zijn gedetecteerd tijdig worden aangepakt, daar zijn geen aansluitingen op MS-niveau voor nodig” (p.63).

Zowel in Nederland als Duitsland kampt het grensgebied met overbelasting van het elektriciteitsnet. Door de verschillen in vraag- en aanbodpatronen van elektriciteit aan de Nederlandse en Duitse kant van de grens te benutten, kan de overbelasting van het elektriciteitsnet niet structureel worden opgelost, maar wel worden verminderd. Door wet- en regelgeving is dit op dit moment echter niet mogelijk. De Elektriciteitswet 1998 bepaalt dat elektriciteit alleen via verbindingen op het hoogspanningsnet grensoverschrijdend mogen worden getransporteerd. Het afstemmen van vraag en aanbod van duurzame energie tussen Nederlandse en Duitse buurgemeenten is daardoor niet mogelijk. Daar komt bij dat er geen verdrag is tussen Nederland en Duitsland om de subsidies voor wind- en zonne-energie uitwisselbaar te maken.

30

Energie krijgen van energie maken!

Om op korte termijn verder te kunnen met grensoverschrijdende aanpak die niet alleen in Kerkrade maar ook in Emmen en Losser spelen, vragen de gemeenten en de drie provincies (Drenthe, Overijssel en Limburg) de Minister van EZK om aangewezen te worden als experimenteergebied en om de regels daarvoor af te stemmen met de Duitse wetgever. Tevens zullen wij ook alle mogelijkheden benutten om samen in consortia met ook grensoverschrijdende partners te bezien welke projecten samen opgepakt kunnen worden en bijvoorbeeld gebruik kunnen maken van de beschikbare Europese cofinancieringsmiddelen en/of Europese investeringsinstanties. Met de Europese Investeringsbank (EIB) zijn hier reeds goede afspraken gemaakt over participatie in het Limburgs Energiefonds (LEF) en de leningen voor particulieren van Duurzaam Thuis. In de Regiodeal Noord-Limburg wordt eveneens goed samengewerkt tussen de regio Noord-Limburg, en buurregio Niederrhein op het gebied van duurzaamheid tussen betrokken gemeenten, onderwijsinstellingen, bedrijfsleven en ondernemersverenigingen.

Resumerend Limburg kent anno 2020 nog steeds een relatief sterke industrie in haar economische structuur. De opgave voor verdere verduurzaming is daarin dan ook groot. Tevens heeft Limburg een woningvoorraad die grotendeels voor 1995 is gebouwd die relatief slechter is geïsoleerd dan elders in Nederland. Tegelijkertijd heeft Limburg op het gebied van warmte veel potentie als het gaat om het verwarmen (en koelen) van de gebouwde omgeving en zijn de mogelijkheden voor geothermie en aquathermie mogelijk kansrijk voor delen van Noord-Limburg. Zowel als het gaat om de duurzame opwek van energie (zon en wind) evenals het toenemend gebruik van elektrisch rijden en vervoer, zal de komende jaren in alle onderzochte scenario de vraag naar elektriciteit toenemen. Dit levert nu reeds schaarste op voor het regionale netwerk. Integrale en regionale planvorming is daarbij een belangrijke voorwaarde om de knelpunten van nu en in de toekomst aan te pakken en aanvullende investeringen zo rendabel mogelijk te maken. De gasvoorziening blijft de komende tijd en zeker tot 2030 dan ook nog steeds een belangrijke energiedrager voor Limburg en de Limburgse industrie en huishoudens. Uit de systeemstudie komt ook naar voren dat de Limburgse grensligging als het gaat om de energieinfrastructuur en zeker het elektriciteitsnetwerk vooralsnog geen voordelen biedt.

Deze infrastructuur is nationaal georganiseerd en geordend waardoor grensoverschrijdende netten en aansluitingen ingewikkeld zijn en nadere afspraken tussen nationale overheden vergen. Daar waar het gaat om de potentie van op termijn waterstofleidingen evenals de buisleidingen voor CO2-transport is juist de grensoverschrijdende dimensie wel van economisch belang tussen Rotterdamse Haven, Limburg en het Ruhrgebied. De opvattingen en het maatschappelijk debat over energiebronnen en daarmee ook de ‘gewenste’ energiemix veranderen met de tijd. Het debat over biomassa, kernenergie en wind-op-land of windop-zee tonen dit aan. Doelen en ook de bijbehorende stimuleringsmaatregelen veranderen daardoor in de tijd. In dat licht willen wij met onze Provinciale Energie Strategie op voorhand niet teveel energiebronnen uitsluiten. Immers, de opgaven en gegeven de Limburgs specifieke eigenschappen zoals hierboven aangegeven, betekenen dat wij ons niet kunnen veroorloven om heel selectief te zijn. Kleine stappen met impact, op vele verschillende terreinen, dan te snel kiezen voor één techniek of oplossing is daarbij het devies. In veel van de energiebronnen die voor Limburg relevant zijn (biomassa, geothermie, infrastructuur, alternatieven voor gas, CO2-heffing) is de opstelling van de rijksoverheid van groot belang voor Limburg.

De Limburgse energiemix bestaat richting 2030 en verder uit steeds meer verschillende bronnen en energiedragers. We kunnen ons nu niet veroorloven slechts op enkele paarden te wedden noch uitgaan van de huidige energiemix. Het zal een zoektocht zijn met verschillende ontwikkelings- en toepassingssnelheden. Wet- en regelgeving, de snelheid van innovaties en opschaling evenals de kracht van regionale en euregionale/nationale samenwerkingsverbanden en draagvlak in de regio zijn daarin belangrijke factoren.

31

Energie krijgen van energie maken!

Potentiële bron voor aquathermie

Provincie Limburg

Aron Nijs

3. Ambitie en vijf perspectieven richting 2030 en verder

Vanuit de gedeelde uitgangspunten voor deze statenperiode, een analyse van de Limburgse kracht in een sterk veranderende internationale, nationale en regionale omgeving, en vanuit de ambitie om te komen tot een innovatief energiebeleid richting 2030, is het bieden van perspectief belangrijk. Perspectief voor inwoners, instellingen en bedrijfsleven. Een perspectief waarmee ook concrete stappen op korte termijn gezet kunnen worden. Vanuit verschillende oogpunten: voor de portemonnee, voor een aangename huistemperatuur, voor het milieu en de natuur, voor de bedrijfsinnovatie en ‘business’, of omdat wet- en regelgeving het verplicht. Wij formuleren daarbij de volgende ambitie op weg naar 2030:

De Provincie Limburg werkt samen met haar inwoners, instellingen en bedrijfsleven aan een innovatieve en structuurversterkende energietransitie en passende energiemix voor Limburg op weg naar 2030, met daarin oog voor leveringszekerheid, draagvlak en eigenaarschap, in een realistisch tempo met betaalbare en haalbare investeringen.

Nadrukkelijk is deze ambitie in kwalitatieve termen beschreven. Een ‘passende’ energiemix, de wijze waarop ‘draagvlak’ en ‘eigenaarschap’ wordt gerealiseerd en hoe precies een ‘reëel’ tempo daarin te volgen is, hangt van vele factoren af. Kern van onze strategie is dat wij hier de komende jaren stappen in willen zetten. Niet alleen als Provincie, maar juist in zeer nauwe samenwerking met onze inwoners, instellingen, collega-overheden en bedrijven. Juist in deze samenwerking zal moeten blijken wat hoe snel, hoe gedragen en hoe ieders precies rol bijdraagt aan de te zetten stappen. Wij zitten midden in een grote transitie. Daarbij hechten wij er aan om het perspectief te houden op 2030 (en verder), welke wij nader hebben uitgewerkt in een vijftal richtingen: 1. 2. 3. 4. 5.

een energietransitie vanuit een toekomstbestendige infrastructuur; een energietransitie met volop ruimte voor innovatie, techniek en vakmanschap; een energietransitie waarin de Limburgse warmte kansen biedt; een energietransitie die sociaal en eerlijk is door participatie en lokaal profijt; een energietransitie waarin de Provincie zelf het goede voorbeeld geeft.

Dit zijn ontwikkelperspectieven waar binnen de komende jaren nadere keuzes en verbijzonderingen aan de orde zijn. Het gaat immers om een transitie waarin nog niet alles is uitgekristalliseerd. Het is een zoektocht naar een voor Limburg passende energiemix. Hieronder werken wij deze vijf perspectieven verder uit en koppelen hier ook - waar mogelijk - concrete meetbare doelstellingen (KPI’s) aan. De doelen zijn gezamenlijke doelen van Provincie en haar belangrijkste partners zoals die ook reeds in bestaande documenten en strategieën hetzij zijn geformuleerd, hetzij naar 2030 zijn te extrapoleren. De Provincie is daarin vaak ‘een van de’ partners, maar wil wel als partner binnen haar verantwoordelijkheden stappen wil zetten om deze doelen als stip op de horizon te beschouwen en al haar inspanningen daarop te richten.

33

Energie krijgen van energie maken!

Wij hebben ervoor gekozen voor het gewenste doelbereik de periode 2020-2030 aan te houden. Sommige KPI’s zullen mogelijk eerder dan het jaar 2030 gerealiseerd kunnen worden, omdat investeringsritme van bedrijven, voortgang rondom duurzame opwek-projecten wisselend is of omdat er nieuwe omstandigheden zoals wet- en regelgeving zich kunnen voordoen die planningen versnellen of vertragen. In de monitoring van de KPI’s zullen wij nadrukkelijk wel steeds de meeste recent beschikbare getallen en realisatie rapporteren. Daarbij zijn wij afhankelijk van de actualiteit van de nationaal beschikbare gegevens zoals in de Klimaatmonitor, cijfers van netbeheerders etc., maar ook de voortgangsrapportages die wij van partners ontvangen. Wij benutten daarbij zoveel als mogelijk de nationale standaarden die van toepassing zijn.

Perspectief 1: Een toekomstbestendige infrastructuur Een energienetwerk dat robuust en toekomstbestendig is voor de energietransitie richting 2030 voor inwoners, instellingen en bedrijven. Uit de systeemstudie is het belang gebleken om de energie-infrastructuur integraal mee te nemen in de strategische planvorming en uitwerking in concrete projecten. De leveringszekerheid voor Limburgers in de toekomst is daarbij niet vanzelf gegarandeerd. Dat vergt een grote krachtsinspanning van betrokken overheden (rijk, provincie, regio), de netbeheerders (Enexis, TenneT en Gasunie) en projecteigenaren/betrokkenen (industrie, instellingen, inwoners). De duurzame opwek van wind- en vooral zonne-energie, het belang van de Clauscentrale en toename van het elektrisch rijden (en vervoer) zullen de elektriciteitsvraag naar 2030 verder doen toenemen. Dit vertalen wij in de volgende doelstellingen (KPI’s) te realiseren in de periode 2020-2030:

ƒ KPI 1: een vrij regelbaar vermogen van tussen 1,3 – 1,6 GW voor de Limburgse elektriciteitsinfrastructuur uiterlijk in 2030 voor momenten van lage hernieuwbare productie[14]. ƒ KPI 2: 2,3 – 3,1 TWh duurzame opwek uiterlijk in 2030 voor grootschalige installaties (>15kWp) in Limburg[15]; ƒ KPI 3: uiterlijk in 2030 is op 70% van de geschikte daken kleinschalige duurzame opwek (<15kWp) via gemiddeld 10 zonnepanelen op dak gerealiseerd[16]; ƒ KPI 4: 13.000 laadpalen in uiterlijk 2030 in Limburg om het verwachte aantal van 130.000 elektrische auto’s dekkende laadvoorziening[17]; ƒ KPI 5: het inrichten van een passende overlegstructuur (‘governance’) om samen met de betrokken partners de integrale afwegingen te kunnen maken op regionaal schaalniveau voor de infrastructuur-keuzes richting 2030 voor Limburg.

14 15 16 17

34

KPI 1 is vastgesteld op basis van het benodigde vrij regelbaar vermogen voor Limburg zoals is opgenomen in de Systeemstudie. KPI 2 is hier de optelsom van de beide concept RES-aanbiedingen aan het Rijk van voorjaar 2020 conform bestuurlijke afspraken. Voor een nadere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de beide RES-documenten. KPI 3 is naar voorbeeld van de ambitie zoals gesteld in de RES Noord- en Midden-Limburg en hier ook als ambitie vertaald voor heel Limburg. Het betreft hier zowel woningen, bedrijfspanden als maatschappelijk vastgoed KPI 4 is gebaseerd op de prognose voor 2030 zoals die is gedaan voor Brabant en Limburg vanuit de Nationale Agenda Laadinfrastructuur, uitgaande van 1 laadpaal (met twee aansluitingen) voor 5 elektrische voertuigen.

Energie krijgen van energie maken!

Perspectief 2: Ruimte voor innovatie, techniek en vakmanschap In Limburg wordt door velen gewerkt aan de energietransitie door innovaties en technieken toe passen op vele terreinen. Door kennisinstellingen, ondernemers en overheden wordt volop onderzoek gedaan en proefprojecten gedaan om te verkennen welke stappen de komende jaren haalbaar zijn voor bredere toepassing en uitrol. Het Limburgs Energiefonds (LEF) investeert een substantieel deel in Limburgse ondernemers (met name MKB) die de energietransitie als kans zijn. Met een reeds gerealiseerde CO2 reductie van 2,7 megaton (gelijk aan 77 windmolens) staat LEF voor maatschappelijke impact. Met een vermenigvuldiger op de provinciale euro van minimaal 5,5 staat LEF voor cofinanciering en een grote hefboom op provinciaal geld. Met een pijplijn met een investeringsvolume van € 2,7 miljard staat LEF voor een krachtige economische impuls. Bovendien is LEF het geëigende instrument om ingewikkelde projecten (circulaire industriële processen, warmtenetten en innovatief MKB) tot een succes te brengen. Daarnaast beschikt de Provincie via LEF over een gespecialiseerd duurzaamheidsteam dat gefinancierd wordt uit de opbrengsten van LEF zelf, om complexe projecten tot een succes te maken. Initiatiefnemers variërend van MKB tot grootbedrijf vinden in LEF een partner, daar waar de markt faalt.

Dit alles zonder op voorhand de begrotingsruimte van de Provincie te raken. De grotere Limburgse industrie verenigd vanaf 2018 in de Limburgse Energie Agenda (LEA) zetten de komende tijd forse stappen in enerzijds verdere energiebesparing en procesoptimalisatie, alsook in verkenningen naar de toepassing en implementatie van o.a. elektrificatie, waterstof en zelf opwekken van duurzame energie en gebruik van restwarmte. Deze 25 ‘LEA-bedrijven’ (exclusief Chemelot) zijn een belangrijke economische drager van het Limburgse bedrijfsleven. Goed voor een directe werkgelegenheid van 12.000 arbeidsplaatsen, een veelvoud aan werkgelegenheid met de toeleveranciers en een omzet van 5 à 7 miljard per jaar. Recent hebben de fabrikanten van baksteen, keramische dakpannen en gebakken tegels aangegeven veel mogelijkheden te zien om bij te dragen aan CO2-reductie, een circulaire economie en ketenoptimalisatie en -industrialisatie binnen de bouw en zijn toegetreden als partner in de Limburgse Energie Agenda. Deze bedrijven hebben de ‘Technology Roadmap: Samen bouwen aan een duurzame toekomst’ opgesteld en aangeboden aan de Provincie.

Samen met de andere LEA-bedrijven en de overheid willen zij de samenwerking met elkaar actief opzoeken, kennis uitwisselen en innovatieve projecten op het gebied van energiebesparing, duurzame opwek, CO2-reductie en opslag realiseren alsook circulaire economie versnellen. De Limburgse onderwijsinstellingen werken nauw samen in centres of expertise en innovatief vakmanschap met bedrijfsleven en brancheorganisaties om ook voor de toekomst voldoende arbeidspotentieel in Limburg gereed te maken voor de banen van morgen. Het sleutelen aan een elektrische auto of de analyses van de Mijnwater-techniek vergen nieuwe competenties en expertise. Op deze manier kan de energietransitie ook benut worden om de Limburgse sociaal-economische structuur verder te versterken en een goed internationaal concurrerend bedrijfsleven aantrekkelijk en competitief te houden richting 2030. Tegelijkertijd zullen wij samen met het rijk de ontwikkelingen rondom de aangenomen Kamermotie van de marktconsultatie ondersteunen, en zijn benieuwd onder welke voorwaarden marktpartijen bereid zijn te investeren in kerncentrales in Nederland, welke publieke ondersteuning daarvoor nodig is en te verkennen in welke regio’s belangstelling is voor de realisering van een kerncentrale.

35

Energie krijgen van energie maken!

Dit vertalen wij in de volgende doelstellingen te realiseren in de periode 2020-2030: ƒ KPI 6: een CO2-reductie van 2,5 Mton/jaar via LEF-investeringen uiterlijk in 2030[18]; ƒ KPI 7: een CO2/N2O reductie van 3,05 Mton door specifiek Chemelot uiterlijk in 2030[19]; ƒ KPI 8: een CO2-reductie van 0,7 Mton door de grote Limburgse bedrijven (LEA) uiterlijk in 2030[20]; ƒ KPI 9: het realiseren van een werkgelegenheidsimpuls van 10.000 FTE jaren uiterlijk in 2030[21]; ƒ KPI 10: het creëren van een kennis-, leer- en toepassingsomgeving voor innovatie en techniek, onderwijs en scholing rondom de energietransitie waarin triple helix partners binnen en buiten Limburg samen werken en nationale en internationale ontwikkelingen duiden voor toepassing in Limburg.

Veehouder maakt gebruik van zonne-energie Nederweert

Provincie Limburg

Stefan Koopmans

Perspectief 3: Kansen voor Limburgse warmte In dit perspectief staat de zoektocht centraal naar een passende en duurzame warmte-mix voor de Limburgse gebouwde omgeving in 2030 waarin restwarmte, aardwarmte en aquathermie een grotere rol kunnen spelen dan nu. Met de ontwikkelingen van o.a. Mijnwater B.V. en de potentie van Het Groene Net Zuid in de aansluiting op de Sabic-krakers en het Slimme Energienet in Roermond met warmte van de papierindustrie, kunnen tienduizenden huizen in Limburg verwarmd worden. Als het gaat om investeringsbesluiten in warmtenetten zullen Provinciale Staten actief betrokken worden indien het college vanuit haar rol als aandeelhouder LEF een AvA-besluit voor investering in nieuwe warmtenetten, zoals Het Groene Net Zuid moet nemen[22].

18 19 20

21

22

36

KPI 6 is op basis van inschatting en doorrekening van het LEF op basis van reeds gerealiseerde CO2-reductie de afgelopen jaren. Zie ook het statenvoorstel Fondsuitbreiding Limburgs Energiefonds. KPI 7 is gebaseerd op de voorstellen die Chemelot heeft ontwikkeld in 2018 en recente Regioplan Cluster Chemelot (2020). KPI 8 is gebaseerd op de reductie die volgens de industrietafel van Klimaatakkoord door het bedrijfsleven in Limburg gerealiseerd dient te worden. Een nadere uitwerking en bijbehorend tijdpad zal nog met de LEA-partners worden uitgewerkt. De LEA-partners zijn: Canon, E-Max, Mosa, O-I, Rockwool, Sappi, Sibelco, Smurfit Kappa Roermond Papier, Tredegar, Trespa, VDL Nedcar, Wepa, Koninklijke Nederlandse Bouwkeramiek (namens 13 bouwkeramische bedrijven in Limburg) en Chemelot Industrial Park. KPI 9 is gebaseerd op de extrapolatie van het werkgelegenheidseffect dat met de verwachte investeringen van het Limburgs Energiefonds (LEF) kan worden bereikt op basis van de kengetallen de afgelopen periode 2013-2019. Zie ook Statenvoorstel Fondsvergroting Limburgs Energiefonds van 11 juni 2020, p.24. Daar is de periode 2020-2033 geëxtrapoleerd naar 12.459 FTE jaren voor 2033, in deze KPI is dat verrekend naar 2030. Conform toezegging (T8722) van portefeuillehouder Koopmans bij de behandeling van het Statenvoorstel Fondsuitbreiding Limburg Energiefonds.

Energie krijgen van energie maken!

De ondernemers in de glastuinbouw die reeds forse investeringen in geothermie hebben gedaan, verdienen op korte termijn duidelijkheid van de rijksoverheid over de stilgelegde projecten. Doordat de goedkeuring van de Staatstoezicht op de Mijnen en het ministerie van EZK is onthouden is er een inmiddels een groot gebrek aan perspectief ontstaan voor de betrokken ondernemers. Een van de ondernemers heeft reeds faillissement aangevraagd. Dat is extra wrang omdat aan de ene kant het Rijk geothermie ziet als kansrijke nieuwe energiebron voor Nederland, maar aan de andere kant men zeer terughoudend is als het gaat om concrete projecten zoals in Noord-Limburg. Het bredere perspectief voor alternatieve energiebronnen voor de Noord-Limburgse glastuinbouw staat daarmee zwaar onder druk voor de komende jaren. Temeer ook omdat de alternatieven hiervoor beperkt zijn. Als Provincie pleiten wij voor snelle duidelijkheid en samen met de rijksoverheid en betrokken instanties de randvoorwaarden formuleren om te verkennen waarmee geothermie wel toepasbaar wordt in de regio zoals ook in de minder diepe aardlagen. Dit vertalen wij in de volgende doelstellingen te realiseren in de periode 2020-2030:

ƒ KPI 11: door energiebesparing en kleinschalige opwek in de gebouwde omgeving wordt er een CO2-reductie van 25% in 2030 (t.o.v. 2015) in Limburg[23]; ƒ KPI 12: het realiseren van 60.000 aardgasvrije woningen of woonequivalenten (20%) in 2030 voor de gebouwde omgeving in Zuid-Limburg[24]; ƒ KPI 13: in periode 2021-2023 toewerken naar definitieve besluitvorming rondom de warmtenetten Het Groene Net Zuid, Slim Energienet Roermond en eventueel andere warmtenetten op basis van gedegen businesscases waar meerdere co-financiers bij betrokken zijn. Wij ondersteunen de doorgroei van de Mijnwater-techniek binnen Parkstad. ƒ KPI 14: een actieve lobby om de randvoorwaarden voor geothermie verder te bevorderen, het invulling geven aan de kansen en randvoorwaarden waaronder biomassa toegepast kan worden en het verkennen van de potenties van aquathermie. ƒ KPI 15: het actief inspelen op nieuwe wet- en regelgeving rondom de nieuwe Warmtewet en het verder versterken en uitbouwen van de kennis en expertise op het gebied van warmte en koude binnen Limburg.

Perspectief 4: Sociaal en eerlijk door participatie en lokaal profijt In Limburg is er een transitietempo waarin alle Limburgers kunnen participeren in de energietransitie en waar hulp en inzicht wordt geboden in de mogelijkheden daartoe. Om te werken aan een breder draagvlak voor ontwikkelingen in de energietransitie ligt de sleutel daarbij bij het creëren van lokaal eigenaarschap, hetzij door directe en indirecte participatie (bijv. via uitgifte van eigenaars-certificaten) of vormen van ‘lokaal profijt’[25] waarmee ook omwonenden of betrokken gemeenschappen hetzij direct kunnen profiteren of gecompenseerd kunnen worden voor ervaren overlast (een ‘profijtplan’). In zowel de casussen van de windparken in Neer, Greenport Venlo en Holtum-Noord (Sittard-Geleen) zijn hier verschillende varianten van beproeft en uitgewerkt door de initiatiefnemers. De rol van energiecoöperaties kan daarin een positieve en verbindende rol vervullen naar de gemeenschap en de initiatiefnemers en waarbij tijdig (voor vergunningverlening) nadere afspraken zijn gemaakt.

23

24 25

37

KPI 11 is gebaseerd op de gestelde ambities in de beide RES-regio’s ten aanzien van energiebesparing. Daarbij moet aangetekend worden dat de ervaringen met het daadwerkelijk meten van ‘energiebesparing’ altijd hooguit indirect afgeleid gemeten kan worden, zoals ook is gebleken uit de opgedane ervaringen van 1,5% besparing energieverbruik per jaar doel uit het 2013 Energieakkoord. Op basis van de CO2-reductie getallen voor de gebouwde omgeving, minus de gerealiseerde opwek kleinschalig (zon-op-dak) kan hier een inschatting van gemaakt worden. KPI 12 is gebaseerd op de gestelde ambitie in de RES Zuid-Limburg. Zoals verwoord door het burgercommissielid Ron Piepers tijdens de Statencommissie Mobiliteit en Duurzaamheid van 11 september 2020.

Energie krijgen van energie maken!

Daarbij kan goed gebruik gemaakt worden van het werk dat landelijk de zogeheten ‘Participatiecoalitie’ heeft opgesteld: ‘50% eigendom van de lokale omgeving’[26]. Daarin wordt het 50% eigenaarschap nader uitgewerkt: “Het gaat om 50% lokaal eigendom op projectniveau, zoals voor een gebied dat voortkomt uit de Regionale Energiestrategie. Het gaat niet om een landelijk gemiddelde. (Mede-)eigendom betekent ook zelf investeren en ondernemen. Daar hoort risico nemen bij. (Mede-)eigendom betekent niet alleen financieel eigendom, maar ook (democratisch) zeggenschap over het project én over de besteding van de baten. Een gemeente of provincie en het rijk kan vanuit beleidsdoelstellingen ook ondersteunen om dat risico te verminderen. Zoals met het Ontwikkelfonds voor coöperaties dat is opgezet door InvestNL, Groenfonds en Energie Samen. Eigendom van de lokale omgeving is altijd een collectief eigendom. Collectief eigendom is bijvoorbeeld mogelijk in een coöperatie of een vereniging (of een samenwerking van coöperaties). Bewoners en bedrijven kunnen participeren, meebeslissen en mede-eigenaar worden via lidmaatschap bij de coöperatie of vereniging” (p.2) In november 2019 is de landelijke ‘Participatiewaaier’ gepubliceerd[27] als een van de afspraken uit het Klimaatakkoord en de ambitie van 50% eigendom in duurzame opwek.

Schematisch wordt er een palet van participatie geschetst met daarin de volgende onderdelen:

Afspraken met de omgeving kunnen worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Op basis hiervan wordt een projectplan en participatieplan gemaakt, waarin wordt beschreven hoe participatie binnen het project optimaal wordt ingericht. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan en aan de voorwaarden voor participatie wordt voldaan. Het bevoegd gezag kan bovendien ook nadere eisen stellen. Toch zijn er ook grenzen aan het beleid en het stellen van regels. Uit recent onderzoek van zowel het Instituut voor Bouwrecht alsook onderzoek in opdracht van het Nationale Programma RES komt het volgende naar voren: “Decentrale overheden (gemeenten en provincies) kunnen de wens van financiële participatie van de lokale omgeving in

26

27

38

De ‘Participatiecoalitie’ is een landelijke samenwerking van LSA bewoners, Buurkracht, Hier, EnergieSamen en de Natuur en Milieufederaties. In oktober 2019 hebben zij de handreiking ‘50% eigendom in de lokale omgeving’ uitgebracht. Online beschikbaar: https://www.natuurenmilieufederaties.nl/wp-content/uploads/2019/11/Participatiecoalitie-50-eigendom-van-delokale-omgeving-oktober-2019.pdf De ‘Participatiewaaier’ is een gezamenlijk product van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE, coördinerend), Energie Samen, de Natuur- en Milieufederaties (NMF’s), Hier Opgewekt, Holland Solar, de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA), Energie Nederland, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG),het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Online beschikbaar: https://www.klimaatakkoord.nl/binaries/klimaatakkoord/documenten/publicaties/2019/11/18/participatiewaaier/201911+Participatiewaaier+zon-+en+windprojecten+op+land+-+Elektriciteitstafel+ Klimaatakkoord.pdf

Energie krijgen van energie maken!

projecten voor hernieuwbare energie stimuleren, maar niet afdwingen. Het bevoegd gezag kan de initiatiefnemer niet juridisch verplichten om de omgeving financieel te laten participeren in de ontwikkeling of exploitatie van een energieproject. Enkel op vrijwillige basis kan de initiatiefnemer dit doen. Dit geldt voor alle vormen van financiële participatie; mede-eigenaarschap, financiële deelname, afdracht aan een lokaal fonds en omwonendenregelingen. Dit betekent dat het bevoegd gezag een aanvraag voor bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een zonnepark niet mag weigeren omdat een initiatiefnemer niet de mogelijkheden van financiële participatie heeft verkend, terwijl het project verder wel passend is binnen het bredere ruimtelijke beleid van de gemeente.[28]” Echter, door gemeenten procesmatig te ondersteunen en bij rendabele businesscases in voorkomende gevallen als investeerder te participeren in projecten, ontstaat er voor de gemeenten de mogelijkheid om zelf (mee) te ontwikkelen waardoor lokaal participeren en lokaal profijt als basisbeginsel opgenomen kunnen worden. Daarnaast dient de provincie het mede investeren door Nederlandse (pensioen-) fondsen in duurzaamheidsprojecten in Limburg te bevorderen. Dit vertalen wij in de volgende doelstellingen te realiseren in de periode 2020-2030:

ƒ KPI 16: het stimuleren van 50% eigenaarschap in de periode 2020-2030 bij het realiseren van energieprojecten in Limburg en gemeenten maximaal te stimuleren en te ondersteunen zodat zij zelf projecten kunnen opstarten met lokale participatie en lokaal profijt als basisbeginsel[29]; ƒ KPI 17: het ondersteunen van energiecoöperaties en initiatieven van onderop waarin inwoners uitgenodigd worden om een bijdrage te leveren aan de energietransitie; ƒ KPI 18: het samen met de gemeenten realiseren van een naar tevredenheid werkende infrastructuur van publieke en onafhankelijke informatievoorziening en voorlichting voor Limburgers maar ook instellingen met maatschappelijk vastgoed over de mogelijkheden van participatie in de energietransitie.

Perspectief 5: Het goede voorbeeld In dit laatste perspectief geeft de Provincie Limburg als middenbestuur en grote organisatie zelf het goede voorbeeld. Dit kan zij doen door haar rol als inkoper van diensten en leveringen, vergunningverlener en toezichthouder, aandeelhouder en als mede-overheid verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. De afgelopen jaren hebben provinciale gebouwen alsook andere provinciale eigendommen een forse verduurzamingsoperatie ondergaan door bijvoorbeeld aansluiting op het lokale warmtenet, extra isolatie en het realiseren van het energielabel A. Als overheid die bevoegd gezag is voor ongeveer 210 grote Limburgse bedrijven zetten wij in op adequate vergunningen als het gaat om de wettelijke energiebespaarplicht. Wij geven invulling aan onze rol en de oproep uit de Staten om voor de vijf Limburgse regionale stortplaatsen waarvoor de Provincie toezicht op houdt, te werken aan de mogelijkheden voor duurzame opwek van energie via zonneparken. Op de voormalige stortplaats Louisegroeve op Chemelot ligt een grote zonneweide met een oppervlakte van 5,7 ha, 10.573 modules die goed zijn voor 3.200 megawattuur en stroom voor 1.000 huishoudens. In de concessieverlening aan Arriva in 2015 (2016-2031) zijn reeds afspraken gemaakt om in 2026 alle bussen met zero emissie elektrisch te laten rijden.

Dit vertalen wij in de volgende doelstellingen te realiseren in de periode 2020-2030:

ƒ KPI 19: wij realiseren een inhaalslag ten aanzien van de aanpassing van vergunningen met voorschriften voor wettelijk verplichte energiebesparing voor energierelevante

28

29

39

Nationaal Programma RES (2020). Oplegger & factsheet ‘Bevoegdheden overheden bij procesparticipatie en financiële participatie, 20 oktober 2020. Online beschikbaar: https://www.regionale-energiestrategie.nl/bibliotheek/participatie+volksvert egenwoordigers/b+participatie/1786652.aspx Zie ook Instituut voor Bouwrecht / Bregman & Karens (2020). Lokaal eigendom en omgevingsbijdragen voor zonneparken, oktober 2020. Online beschikbaar: https://hollandsolar.nl/nieuws/i854/studie-overon-mogelijkheid-verplichte-financiele-participatie KPI 16 is gebaseerd op de ambitie van de RES Noord- en Midden-Limburg evenals de rijksambitie van het Nationale Programma Regionale Energiestrategieën en hier vertaald als Limburg-brede ambitie.

Energie krijgen van energie maken!

vergunningplichtige bedrijven waarvoor wij bevoegd gezag zijn (ongeveer 210), en voeren toezicht en handhaving uit op de implementatie daarvan. ƒ KPI 20: wij stimuleren meervoudig en verantwoord ruimtegebruik en energieopwekking in Limburg via onze wettelijke taken (o.a. regionale stortplaatsen) en ruimtelijk instrumentarium (zoek- en uitsluitingsgebieden wind, zonneladder en verplichting zon-op-dak bij logistieke hallen en bedrijfsgebouwen); ƒ KPI 21: wij geven invulling aan de verduurzaming van de provinciale gebouwen en duurzame opwek op bijbehorende parkeerplaatsen evenals duurzame inkoop van producten en diensten; ƒ KPI 22: Conform de OV-concessie is met Arriva afgesproken dat in 2026 alle busvervoer met zero emissie elektrisch rijdt.

Zonnepark Altweerterheide is een zonnepark in combinatie met energieopslag

Enexis

4. Afwegingskader voor de energietransitie

Bijdrage aan de ambitie, perspectieven en doelen De bijdrage aan de geformuleerde ambitie en de vijf perspectieven voor inwoners, instellingen en bedrijven gekoppeld aan meetbare doelen is een eerste afwegingsaspect om initiatieven te beoordelen. Om te komen tot realisatie van de strategie zijn er concrete acties en inspanningen nodig. Niet alleen van de Provincie, maar van alle partijen die daarin een bijdrage kunnen leveren. Strategische partners voor realisatie zijn een tweede afweging die belangrijk is. Ten derde vergt een zorgvuldige afweging ook de randvoorwaarden waaronder deze acties van provincie en partners wel of niet tot de gewenste impact kunnen leiden. Niet voor niets begint het eerder aangehaalde derde uitgangspunt met de formulering “onder de voorwaarden van haalbaarheid, betaalbaarheid en draagvlak”. Daarbij hebben Provinciale Staten aangegeven dat ‘draagvlak’ in ieder geval voorop dient te staan in de afwegingen die de Provincie samen met haar partners gaat maken.

Invulling geven aan cruciale randvoorwaarden De drie begrippen kunnen invulling krijgen op verschillende abstractie- en schaalniveaus. Daarbij is niet op voorhand aan te geven hoeveel draagvlak nodig of gewenst is voor een ontwikkeling en bij wie. Het draagvlak voor een ontwikkeling kan ook betekenen dat omwonenden misschien niet enthousiast zijn over een initiatief, maar we wel via een tegemoetkoming via een leefbaarheidsfonds toch ook investeringen in de gemeenschap terecht komen. Ook voor betaalbaarheid zijn verschillende invalshoeken te kiezen, van financiële investeringskosten tot maatschappelijke baten die meer of minder te kapitaliseren zijn. Haalbaarheid kan voor een grote hoeveelheid zon-op-dak op een grote nieuwe bedrijfsloods technisch en financieel haalbaar zijn, maar als de regionale netinfrastructuur daarmee de overige ontwikkelingen in de regio op slot zet wordt de haalbaarheid van andere initiatieven beperkt. Kortom: de begrippen draagvlak, haalbaarheid en betaalbaarheid zullen vooral kwalitatief en situationeel bezien moeten worden. Wel is er een aantal kenmerken te benoemen per randvoorwaarde die hieronder nader geduid worden.

Draagvlak Draagvlak voor initiatieven in de energietransitie is niet iets wat vanzelf komt of ontstaat. Draagvlak creëren is hard werken, informatie en plannen open en transparant delen, informatie verstrekken, luisteren naar opvattingen en duidelijk zijn over wat er wel en niet mogelijk of wenselijk is. Belangrijk als het gaat om de energietransitie is betrokkenheid creëren bij mensen, zodat zij deel kunnen nemen en invloed kunnen uitoefenen. Het werken aan lokaal ‘eigenaarschap’ of ‘lokaal profijt’ helpt in het bouwen aan draagvlak. Daar kan op verschillende manieren uiting aan worden gegeven zoals actieve deelname in een initiatief (bijv. via een energiecoöperatie), als particulier via bijvoorbeeld certificaten of aandeelhouderschap, of als belanghebbende in een ontwikkeling waar compensatie voor de gemeenschap aan de orde kan zijn (bijv. een profijtfonds of leefbaarheidsfonds). En uiteindelijk is er altijd nog het recht van formele inspraak, bezwaar en beroep, of indien er een gemeentelijke verordening voor is en met voldoende steun, een lokaal referendum. Voor de energietransitie lijken de volgende elementen van belang:

41

Energie krijgen van energie maken!

ƒ Toereikende, adequate en tijdige informatievoorziening over voornemens, gemaakte afwegingen en een helder proces voor direct betrokkenen en belanghebbenden;

ƒ Mogelijkheden voor directe participatie of deelname in het initiatief; ƒ Initiatieven worden afgewogen in een bredere maatschappelijke context met o.a. de draagkracht van een gemeenschap en/of ruimtelijke inbedding; ƒ Mogelijkheden voor compensatie ten gunste van de leefbaarheid in de omgeving; ƒ De wijze waarop met ingebrachte ideeën en opvattingen iets gedaan gewordt; ƒ Betrokkenheid van initiatiefnemer(s), betrokken gemeente(n) en andere partners (bijv. netbeheerders) Natuurlijk is deze lijst met andere elementen aan te vullen. Belangrijkste is dat het werken aan ‘eigenaarschap’ en ‘lokaal profijt’ nader verkend worden met betrokkenen. Diverse ervaringen en goede (en slechte) voorbeelden binnen en buiten Limburg kunnen bijdragen aan betere planvorming en het organiseren van betrokkenheid en draagvlak.

Haalbaarheid Technisch is er anno 2020 veel mogelijk. De productie van waterstof, kernenergie, ultradiepe geothermie, batterij-innovaties of warmte uit riolering hergebruiken. Maar de praktische toepasbaarheid en lange termijn betrouwbaarheid, de opschalingsmogelijkheden en de inbedding binnen de bestaande (energie-)infrastructuren of de landschappelijke inpassing, zijn ook elementen die de haalbaarheid mede bepalen. Maar ook de wijze organiseren, de benodigde expertise en competenties van menskracht en uitvoerbaarheid zijn hierbij van belang. De technische haalbaarheid van de Mijnwater-techniek was reeds 15 jaar geleden duidelijker. Maar daarmee begon dit unieke laag-temperatuur warmtenet pas. Omgaan met tegenslagen, opbouwen van een organisatie, voorinvesteringen en communicatie met afnemers vergen tijd. De technieken zijn verbeterd, innovaties vonden plaats en de haalbaarheid werd bewezen in de praktijk. Tijd en tijd nemen is een aspect dat soms juist ook de haalbaarheid van initiatieven onder druk zet. Voor de energietransitie lijken de volgende elementen van belang:

ƒ Inbedding en mogelijkheden binnen de aanwezige regionale energie-infrastructuren; ƒ Inbedding in de fysieke omgeving vanuit de actuele (provinciale en gemeentelijke) omgevingsplannen en bestemmingen;

ƒ Betrouwbaarheid, stabiliteit en schaalbaarheid (in fases) voor de langere termijn en/of bredere toepassing; ƒ Goede organisatie, capaciteiten en faciliteiten voor realisatie en bieden van continuïteit; ƒ Passend binnen wet- en regelgeving en/of bestuurlijke afspraken

Betaalbaarheid In het statenvoorstel Transitie Financierbaar is een focusstrategie voor projectselectie en (co)financiering neergelegd gericht op de energietransitie. Met deze financiële strategie kan beter ingespeeld worden op het betrekken van private of investerings-instellingen in energietransitie-projecten en kunnen onderliggende ‘businesscases’ beter gemaakt worden. Voorgesteld is om daarbij een viertal filters te hanteren:

42

Energie krijgen van energie maken!

Filter 1: ‘Missie en visie’: ƒ Wij vertalen deze naar de ambitie, de vijf perspectieven en concrete doelstellingen van de Provinciale Energie Strategie zoals die eerder zijn toegelicht; Filter 2: ‘Leidende principes’: ƒ Zo veel mogelijk extern risicodragend kapitaal mobiliseren: een maximale hefboom; ƒ Aandacht voor financiële principes van risico, rendement en spreiding; ƒ Combineren van zeggenschap met kennis, kunde en incentives ƒ Ruimte voor innovatie, maar focus op project selectie’; ƒ Integraliteit en complementariteit; ƒ Meetbaarheid van effectiviteit en zicht op externe effecten. Filter 3: ‘Limburgse taxonomie’: ƒ Wordt de technologie gesteund door de taxonomie? ƒ Overstijgt de ‘prestatie’ van het project inhoudelijk en/of financieel de dremeplwaarde? ƒ Europese taxonomie als uitgangspunt, toegespitst door middel van tactische toepassing Filter 4: ‘Cofinanciering’: ƒ Welke subsidies en investeringsfondsen zijn beschikbaar? ƒ Wie financiert in welke fase (levensloop financiering)? ƒ Wanneer treedt de Provincie uit?

43

Energie krijgen van energie maken!

In het statenvoorstel Transitie Financierbaar – waar hier kortheidshalve naar wordt verwezen – zijn deze filters uitgebreid beschreven. Het aspect van ‘betaalbaarheid’ kent meerdere dimensies op verschillende schaalniveaus (marco/micro), vanuit verschillende actoren (burgers, netbeheerders, overheden, bedrijven, instellingen). In de Transitie Financierbaar zijn de volgende voorbeelden aangehaald:

ƒ Enexis benoemt in haar jaarverslag 2018 de kostbaarheid van de aanpassingen aan het energienet en oneerlijke tarieven ten opzichte van de netbelasting, en stelt dat de betaalbaarheid van de energietransitie hierdoor onder druk staat. CE Delft heeft becijferd dat de cumulatieve investeringsomvang van de energietransitie met de elektriciteit, warmte, gas en CO2 infrastructuren indicatief € 360 mld. bedraagt. Hier is een zware rol weggelegd voor de netbeheerders, die als kerntaak hebben het aanleggen van en toegang geven tot een betrouwbaar elektriciteits- en gas netwerk, en het transport tegen efficiënte kosten mogelijk te maken. ƒ Een huiseigenaar weet niet of het zinvol is om te investeren in een warmtepomp omdat er wellicht een andere oplossing wordt uitgerold in hun woongebied ƒ Ondernemers en bedrijven weten niet of het rendabel is om te investeren in een CCS (carbon capture and storage) oplossing omdat de CO2 prijs ontwikkeling veranderlijk is en het tevens nog niet vast staat of de CO2 reductie daadwerkelijk aan hen wordt toegerekend. ƒ In beide gevallen is de terugverdientijd te lang: voor de huiseigenaar vanwege een mogelijke verhuizing of de verwachting van in de toekomst goedkopere of technisch efficiëntere oplossingen.

Voor de grootindustrie staat interne concurrentie, met projecten die wél aan alle voorwaarden van de corporate investeringsrichtlijnen voldoen, centraal. Belangrijk is daarbij dat om projecten ‘betaalbaar’ te maken een proactieve rol aangenomen door het thematisch bundelen of vormgeven van projecten of het creëren van thematische programma’s. Een ‘pakket’ aan initiatieven, telkens vervat in dezelfde strategische context, zet meer kracht achter een aanvraag bij NL-invest of Europese fondsen. Sowieso zijn er in Brussel diverse Europese programma’s die ook voor Limburg zeer goed aansluiten bij de gekozen energiestrategie, zeker nu ook de Europese Green Deal van substantiële financiering wordt voorzien. Onze inzet en alliantievorming moet toegespitst worden op het specifieke kanaal en actoren en de elementen bevatten die relevant zijn voor de procesbewakers van een specifieke cofinancier. Een belangrijke eerste stap is het verkrijgen van inzicht in de beschikbare instrumenten en de daarbij horende karakteristieken, in het bijzonder ten aanzien van welke transitierisico’s verlegd kunnen worden naar deze instrumenten. Vervolgens moet gewerkt worden aan krachtige samenwerkingsverbanden en allianties.

Laadpunt elektrische hybrideArriva auto in woonwijk Panningen Nul emissie streekbusen Arriva Laura Gorissen

44

Energie krijgen van energie maken!

Provincie Limburg

Stefan Koopmans

Limburgse taxonomie In de Transitie Financierbaar is aangekondigd dat het derde filter – de Limburgse taxonomie – nog een nadere uitwerking behoeft. Inmiddels is deze taxonomie onder externe begeleiding van PwC gereed en wordt ook separaat aan uw Staten beschikbaar gesteld. De Limburgse taxonomie is “een classificatiesysteem dat identificeert onder welke voorwaarden of criteria een investering of financieel instrument bijdraagt aan de duurzaamheidsdoelstellingen”. Simpel gezegd omvat de Limburgse Taxonomie een indeling van economische activiteiten die bijdragen aan de realisatie van Provinciale verduurzamingsdoelstellingen, met hieraan gekoppeld een set van beoordelingscriteria. De indeling van economische activiteiten is gebaseerd op enerzijds de Limburgse energiemix en anderzijds haar economisch comparatieve voordelen (waar zijn we goed in?). De Limburgse Taxonomie is gebaseerd op de ‘EU Taxonomy for Sustainable Activities’, ook wel de Europese of EU Taxonomie genoemd, en biedt een classificeringssysteem voor het optimaal en effectief alloceren van kapitaal. Hierdoor fungeert de Taxonomie als kader voor het bewust en gericht selecteren van transitieprojecten die de Provincie Limburg wil co-financieren. De Taxonomie focust zich op economische activiteiten waarvan is vastgesteld dat zij een relevante bijdrage leveren aan de Limburgse transities.

Daarnaast biedt de Taxonomie een gemeenschappelijke taal voor financiers op nationaal en Europees niveau, wat de Provincie helpt om aansluiting te vinden bij andere partijen voor cofinanciering en om de reeds gevestigde partnerschappen versterkt voort te kunnen zetten. Veel van de activiteiten zoals die in het Uitvoeringsprogramma 2020-2030 zijn geschetst passen binnen de Limburgse Taxonomie zoals wind- en zonne-energie, het hergebruik van restwarmte, aanleg warmtenetten, opslag van elektriciteit, emissie-loze mobiliteit, geothermie, hernieuwbaar gas, opslag van waterstof en emissiereductie in de industrie.

Het belang van krachtige samenwerkingsverbanden en strategische allianties Bovenstaande afwegingskader staat of valt in de praktijk met de kwaliteit van de projectvoorstellen en de daarbij horende samenwerkingsverbanden. In de volgende paragraaf zijn de eerste contouren van een uitvoeringsprogramma voor de periode 2020-2030 geschetst. Bewust is hier gekozen voor een strategie en programma voor de komende 10 jaar. De benoemde activiteiten en projecten hebben vaak langere looptijden maar vragen wel nu reeds besluitvorming. Wat betreft de inzet van de intensiveringsmiddelen zullen deze wel binnen deze collegeperiode (2020-2023) ingezet worden binnen de vijf actielijnen. Tientallen verschillende partners zijn daarbij actief betrokken, of trekken zelf de kar. Vaak zullen we daarbij gebruik maken van bestaande samenwerkingsstructuren, soms zullen we zelf als Provincie ook nieuwe accenten zetten en nieuwe samenwerkings- of organisatievormen opzetten.

Toepassing afwegingskader Bovenstaande geschetste elementen vormen de hoofdlijn van het afwegingskader waarlangs wij initiatieven en voorstellen zullen beoordelen. Deze afwegingen zijn voor het College van GS belangrijk om voorstellen en zakelijke analyses in samenwerkingsverbanden te kunnen beoordelen. Cruciaal hierbij is dat deze invalshoeken en inzichten transparant in beeld worden gebracht bij besluitvorming . Derhalve worden de criteria rondom draagvlak en haalbaarheid, gecombineerd met de criteria rondom betaalbaarheid Transitie Financierbaar als integraal afwegingskader dat bij GS besluitvorming over significante inzet van middelen of tijd uitgewerkt wordt als separate paragraaf in de nota. Uiteindelijk zal er altijd politieke besluitvorming door hetzij Provinciale Staten, hetzij – gemandateerd en binnen haar bevoegdheden – door het College van Gedeputeerde Staten aan de orde zijn. Het politiek-bestuurlijke mandaat van provinciale overheidsinvesteringen blijft – ook in de energietransitie – altijd onverkort overeind.

45

Energie krijgen van energie maken!

Grootste groene klimaatgevel, Stadskantoor Venlo

Provincie Limburg

Stefan Koopmans

5. Een uitvoeringsprogramma voor 2020-2030

Met het formuleren van de ambitie en perspectieven, doelen en criteria van afweging, schetsen wij hieronder de concrete acties en initiatieven die wij in deze collegeperiode willen realiseren. Zoals eerder gezegd, er gebeurt reeds veel in Limburg en lang niet alle initiatieven zijn nieuw. Dat is ook logisch omdat er soms langere doorlooptijden van projecten aan de orde zijn of continuïteit vanuit de provinciale overheid belangrijk is voor de samenleving en onze partners. Tegelijkertijd zetten we ook voor de komende periode belangrijke nieuwe accenten en intensiveren wij op onderdelen onze inzet bijvoorbeeld met de opbouw van expertise.

Samen aan de slag! Samenwerking is cruciaal. Samen met een consortium aan partners, waaronder ook de belangrijkste netbeheerders in Nederland, maar ook in afstemming met de RES-regio’s, de LEA-partners en Chemelot, is er goed samengewerkt in de systeemstudie. De vervolgstap is het gezamenlijk opstellen van een regionaal programma energie-infrastructuur. Daarmee geven we concreet gevolg om de gesignaleerd knelpunten aan te pakken vanuit ieder verschillende verantwoordelijkheden juist weer in die belangrijke samenwerking-modus. Deze wijze van ‘samen werken’ is ook relevant voor de andere perspectieven. In het licht van de nieuwe wetgeving (Warmtewet 2.0) komt er veel op gemeenten en provincies af de komende tijd als het gaat om warmte-vraagstukken. De expertise op dit gebied verdiend versterking waarin samen tussen overheden onderling moet worden opgetrokken alsook in de samenwerking met netbeheerders, energieleveranciers en de opgedane expertise binnen het Limburgs Energie Fonds, Mijnwater B.V en andere warmtenetten. Maar ook op het gebied van innovatie en nieuwe technieken toepassen is een triple helix samenwerking cruciaal.

Of dat nou om initiatieven rondom batterijen en accu’s zijn op Altweerderheide, waterstof-proefprojecten samen met Arriva of Smurfit Kappa of meervoudig grondgebruik waarin zowel duurzame opwek en biodiversiteit samen kunnen gaan met een innovatieve bessenteler uit Horst aan de Maas. Scholing en opleiding zijn daarbij eveneens van belang, welke ook in nauwe samenwerking tussen het MBO/HBO en bijvoorbeeld de installatiebranche tot goed opgeleid personeel van de toekomst kan leiden. In het ‘ontzorgen en verleiden’ van burgers om zicht te informeren en te laten participeren in de energietransitie, is het van belang om te voorzien in neutrale en onafhankelijke informatie over de mogelijkheden. Er zijn reeds goede regelingen (‘ontzorgings-pakketten’) voor de verduurzaming van bijvoorbeeld maatschappelijk vastgoed, verduurzaming van de sociale woningvoorraad of financieel instrumentarium voor particulieren. Daarbij is nauwe samenwerking tussen alle overheden onderling van groot belang binnen het brede aanbod van stimuleringsregelingen. De gemeenten staan daarin het dichtst als eerste overheid bij de burger. Maar samenwerking en afstemming in de ‘interne organisatie’ is daarbij net zo belangrijk. Tenslotte geeft de Provincie zelf het goede voorbeeld op verschillende terreinen.

In haar rol als bevoegd gezag voor 210 grotere bedrijven en instellingen om de maatregelen voor energiebesparing te eisen. Het bieden van een afgewogen ruimtelijk instrumentarium om voor het buitengebied tot een gewogen belangenafweging of passende ruimtelijke inpassing te komen.

47

Energie krijgen van energie maken!

Maar ook in haar eigen inkoopbeleid, bijvoorbeeld door energiezuinig asfalt, duurzame energie en warmte benutten voor de provinciale gebouwen en het stimuleren van duurzame energie op de regionale stortplaatsen waar de Provincie toezicht op houdt.

Zes actielijnen Wij vertalen de vijf perspectieven en bijbehorende KPI’s concreet in een vijf inhoudelijke actielijnen en een randvoorwaardelijke lijn. Deze actielijnen zijn onderling soms ook nauw verbonden. Zo zijn de innovaties rondom batterij of waterstof belangrijk om de Limburgse energie-infrastructuur (gasnet, buisleidingen, elektriciteit) toekomstbestendig te maken. En is de regionale samenwerking in de RES-regio’s belangrijk om te komen tot goede ontzorgingspakketten en participatie-mogelijkheden voor haar burgers. Daarbij geldt voor alle volgende actielijnen dat de betaalbaarheid voor de eindgebruikers of consument ons steeds voor ogen moet blijven staan in de keuzes die wij samen met partners zullen maken.

Actielijn 1: Werken aan een toekomstbestendige energie-infrastructuur voor Limburg Uit de Limburgse Energie Systeemstudie komt een breed gedragen analyse en beeld naar voren welke investeringen in energie infrastructuur nodig zijn om alle plannen en ambities te kunnen realiseren. De wijze waarop alle geïdentificeerde knelpunten moeten worden opgelost is uitgewerkt. In het advies over wijze van samenwerking (‘bestuur, organisatie’) worden twee bestaande gremia benoemd waarin de planvorming en samenhang met energie infrastructuur moet worden besproken en uitgewerkt. Samenwerking tussen alle betrokken partijen is nodig en we staan nog maar aan het begin van de uitvoering van een energie infrastructuur agenda. De omvang van de opgave en een overzicht van de oplossingen is nu duidelijk. Om de samenwerking met Rijk, andere regio’s, netwerkbeheerders en de buurlanden professioneel vorm te geven kan een “Regionaal Programma Energie Infrastructuur” in de benodigde integrale planvorming resulteren, waarbinnen bovengenoemde gremia als werk structureren worden gebruikt. De Provincie zal het initiatief nemen deze programmatische aanpak vorm te geven mét alle betrokken partners. Er zijn een vier lijnen binnen dit infrastructuur-programma te onderscheiden die bijdragen aan het realiseren van de KPI’s voor 2030.

1.1

Realiseren van een toekomstbestendig elektriciteit-netwerk voor Limburg

KPI 1: Toewerken naar een vrij regelbaar vermogen van tussen 1,3 – 1,6 GW voor de Limburgse elektriciteitsinfrastructuur uiterlijk in 2030 voor momenten van lage hernieuwbare productie.

Wie zijn onze strategische partners? (niet limitatief) Enexis, Gasunie, TenneT, RES-regio’s/gemeenten, Chemelot, LEA-bedrijven, energiecoöperaties, ministerie van EZK, NetbeheerNederland.

48

Energie krijgen van energie maken!

Wat gaan we daar samen met onze partners voor doen?

ƒ Wij zien de Clauscentrale als een belangrijke oplossing om bij te dragen aan de leveringszekerheid en bijdrage aan het vrij regelbaar vermogen voor zowel de toekomst van Limburg als ook de leveringszekerheid na 2025 voor Nederland. Wij zullen het Rijk daar op blijven wijzen. ƒ Wij pleiten bij de rijksoverheid en TenneT voor een verzwaring van de hoofdinfrastructuur door de 380KV-bereik (tot Maasbracht) te verbreden en verlengen naar geheel Zuid-Limburg; ƒ De grote knelpunten bij de onderstations van Enexis vragen om een samenhangende regionale aanpak van vele partners waarin afstemming, timing en passende locaties cruciaal zijn. Als aandeelhouder van Enexis zullen wij ook toezien op het tijdig realiseren van oplossingen binnen het Limburgse elektriciteitsnetwerk; ƒ Als bestuurlijke partner in de beide RES-regio’s zullen wij de inzichten van de systeemstudie nader toelichten en samen met de gemeenten, netbeheerders, waterschap en andere betrokkenen verder uitwerken richting de definitieve planvorming van de Regionale Energie Strategieën 1.0 en het aanbod aan de rijksoverheid. Daarmee wordt tevens een bijdrage geleverd om via een gecoördineerde aanpak de druk op de lokale knelpunten in Limburg te verminderen.

ƒ Wij organiseren een tweetal kennissessies over de mogelijkheden van a) de laatste ontwikkelingen rondom kernenergie en thoriumcentrales in Nederland en b) ondergrondse wateropslag (zoals OPAC) .

Laadpunt elektrische en hybride auto in woonwijk Panningen

49

Energie krijgen van energie maken!

Provincie Limburg

Stefan Koopmans

1.2

Duurzame opwek van energie in Limburg

KPI 2: Realiseren van 2,3 – 3,1 TWh duurzame opwek uiterlijk in 2030 voor grootschalige installaties (>15kWp) in Limburg. KPI 3: uiterlijk in 2030 is op 70% van de geschikte daken kleinschalige duurzame opwek (<15kWp) via gemiddeld 10 zonnepanelen op dak gerealiseerd.

Wie zijn onze strategische partners? (niet limitatief) RES-regio Noord- en Midden-Limburg, RES-regio Zuid-Limburg, Enexis, installatie- en brancheorganisaties, energiecoöperaties, ontwikkelaars/initiatiefnemers.

Wat gaan we daar samen met onze partners voor doen?

ƒ Wij komen onze bestuurlijke afspraak met de rijksoverheid na om de taakstelling van windenergie in Limburg te realiseren. In 2020 was er een tekort van opgesteld vermogen in Limburg van 74MW (21,5 MW van de 95,5 MW taakstelling is gerealiseerd). In 2023 dient dit tekort te zijn ingehaald met een extra opgave van 74 MW, in totaal wordt de opgave in 2023 169.5 MW (95.5 + 74). Daarvan zal naar de huidige verwachting 121.5 MW worden ingevuld met windturbines en is tevens een bijdrage in de nationale taakstelling van 35TW duurzame opwek (wind en zon) op land. ƒ Wij versnellen de aanpak voor het verlenen van Duurzaam Thuis leningen om nog meer Limburgers van verduurzamingsmaatregelen waaronder kleinschalige opwek van zon-op-dak te realiseren en werken samen de RES-regio’s voor het verder onder de aandacht brengen van de verschillende stimuleringsregelingen. ƒ Wij pleiten voor het behoud van de gasinfrastructuur om deze op termijn ook geschikt te maken voor het gebruik van CO2-transport of waterstof.

1.3

Dekkende en innovatieve laadinfrastructuur in Limburg voor duurzaam rijden

KPI 4: Wij realiseren uiterlijk in 2030 13.000 laadpalen in Limburg om het verwachte aantal van 130.000 elektrische auto’s te voorzien van een dekkende laadvoorziening.

Wie zijn onze strategische partners? (niet limitatief) Provincie Noord-Brabant, Vattenfall, programmabureau NAL, ministerie van I&W, Netbeheer Nederland/ Enexis, Limburgse gemeenten, partners in MIRT-programma Goederenvervoercorridors, Limburgers die overwegen om een elektrische auto aan te schaffen.

Wat gaan we daar samen met onze partners voor doen?

ƒ De provincies Noord-Brabant en Limburg werken samen aan de uitrol van publieke laadinfrastructuur voor personenvoertuigen geven daarmee invulling Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL). Daartoe is een Bestuursovereenkomst Regionale Aanpak Laadinfrastructuur ondertekend met het ministerie van I&W en Netbeheer Nederland (namens Enexis Netbeheer). Via een actieprogramma worden afspraken gemaakt over het proactief faciliteren van alle vormen van laadinfrastructuur en ten behoeve van alle typen elektrische voertuigen en worden diverse innovaties rondom elektrisch rijden gestimuleerd. ƒ Voor het realiseren van een dekkende laadvoorziening is recent een gezamenlijke aanbesteding van Limburg en Brabant gegund aan Vattenfall, waarmee de komende vier jaar in beide provincies 8.000 laadpalen worden gerealiseerd in goede afstemming met de betrokken gemeenten en netbeheerder. ƒ Wij ontwikkelen in proef-omgevingen ‘Clean Energy Hubs’ - dit zijn steunpunten schone energie - als duurzame ‘energie-vulpunten’ voor voertuigen, met name gericht op zwaar

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14098014/1